| dossier | COM(2004)289 - Communautair Bureau voor visserijcontrole en houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 2847/93 tot invoering van een ... |
|---|---|
| document | Verordening (EG) nr. 768/2005 |
| datum | 26 april 2005 |
Inhoud
- HOOFDSTUK I - DOEL, TOEPASSINGSGEBIED EN DEFINITIES
- Artikel 1 - Doel
- Artikel 2 - Definities
- HOOFDSTUK II - OPDRACHT EN TAKEN VAN HET BUREAU
- Artikel 3 - Opdracht
- Artikel 4 - Taken betreffende de internationale verplichtingen van de Gemeenschap inzake controle en inspectie
- Artikel 5 - Taken in verband met operationele coördinatie
- Artikel 6 - Contractuele dienstverlening aan lidstaten
- Artikel 7 - Bijstand aan lidstaten
- HOOFDSTUK III - OPERATIONELE COÖRDINATIE
- Artikel 8 - Uitvoering van verplichtingen van de Gemeenschap inzake controle en inspectie
- Artikel 9 - Uitvoering van specifieke controle- en inspectieprogramma's
- Artikel 10 - Uitvoering van gezamenlijke inzetplannen
- Artikel 11 - Aanmelding van controle- en inspectiemiddelen
- Artikel 12 - Procedure voor de goedkeuring van gezamenlijke inzetplannen
- Artikel 13 - Uitvoering van de gezamenlijke inzetplannen
- Artikel 14 - Beoordeling van de gezamenlijke inzetplannen
- Artikel 15 - Visserijtakken waarvoor geen controle- en inspectieprogramma's zijn vastgesteld
- Artikel 16 - Informatienetwerk
- Artikel 17 - Uitvoeringsbepalingen
- HOOFDSTUK IV - INTERNE STRUCTUUR EN WERKING
- Artikel 18 - Rechtsvorm en hoofdzetel
- Artikel 19 - Personeel
- Artikel 20 - Voorrechten en immuniteiten
- Artikel 21 - Aansprakelijkheid
- Artikel 22 - Talen
- Artikel 23 - Instelling en bevoegdheden van de raad van bestuur
- Artikel 24 - Samenstelling van de raad van bestuur
- Artikel 25 - Voorzitterschap van de raad van bestuur
- Artikel 26 - Vergaderingen
- Artikel 27 - Stemprocedure
- Artikel 28 - Verklaring omtrent belangen
- Artikel 29 - Verplichtingen en bevoegdheden van de uitvoerend directeur
- Artikel 30 - Ontslag en benoeming van de uitvoerend directeur
- Artikel 31 - Raad van advies
- Artikel 32 - Transparantie en communicatie
- Artikel 33 - Geheimhouding
- Artikel 34 - Toegang tot informatie
- HOOFDSTUK V - FINANCIELE BEPALINGEN
- Artikel 35 - Begroting
- Artikel 36 - Uitvoering en controle van de begroting
- Artikel 37 - Fraudebestrijding
- Artikel 38 - Financiën
- HOOFDSTUK VI - SLOTBEPALINGEN
- Artikel 39 - Evaluatie
- Artikel 40 - Begin van de werkzaamheden van het Bureau
- Artikel 41 - Wijziging
- Artikel 42 - Inwerkingtreding
Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:
a) 'controle en inspectie': in het bijzonder overeenkomstig de artikelen 23, 24 en 28 van Verordening (EG) nr. 2371/2002 door de lidstaten getroffen maatregelen voor de controle en inspectie van visserijactiviteiten binnen het toepassingsgebied van het gemeenschappelijk visserijbeleid, met inbegrip van activiteiten op het gebied van bewaking en toezicht, bijvoorbeeld door het gebruik van satellietvolgsystemen (VMS) en waarnemersregelingen;
b) 'controle- en inspectiemiddelen': bewakingsvaartuigen, vliegtuigen, voertuigen en andere materiële middelen, alsmede inspecteurs, waarnemers en andere personele middelen die door de lidstaten worden gebruikt voor controle en inspectie;
c) 'gezamenlijk inzetplan': een plan waarin de operationele regelingen voor het inzetten van de beschikbare controle- en inspectiemiddelen zijn vastgesteld;
d) 'internationaal controle- en inspectieprogramma': een programma waarin doelstellingen, gemeenschappelijke prioriteiten en procedures voor de controles en inspecties zijn vastgelegd met het oog op de uitvoering van de internationale verplichtingen van de Gemeenschap inzake controle en inspectie;
e) 'specifiek controle- en inspectieprogramma': een op grond van artikel 34 quater van Verordening (EEG) nr. 2847/93 vastgesteld programma waarin doelstellingen, gemeenschappelijke prioriteiten en procedures voor de controles en inspecties zijn vastgelegd;
f) 'visserijtak': de visserijactiviteiten waarmee bepaalde op grond van met name de artikelen 5 en 6 van Verordening (EG) nr. 2371/2002 door de Raad omschreven bestanden worden geëxploiteerd;
g) 'communautaire inspecteurs': de inspecteurs die zijn opgenomen in de in artikel 28, lid 4, van Verordening (EG) nr. 2371/2002 bedoelde lijst.
De opdracht van het Bureau bestaat erin:
a) de door de lidstaten in verband met de controle- en inspectieverplichtingen van de Gemeenschap verrichte controles en inspecties te coördineren;
b) de door de lidstaten overeenkomstig deze verordening gebundelde inzet van de nationale controle- en inspectiemiddelen te coördineren;
c) de lidstaten bij de verslaglegging over de visserijactiviteiten en de controles en inspecties aan de Commissie en aan derden bij te staan;
d) de lidstaten binnen zijn bevoegdheden bij te staan bij het vervullen van hun taken en verplichtingen uit hoofde van het gemeenschappelijk visserijbeleid;
e) de lidstaten en de Commissie bij te staan bij het harmoniseren van de toepassing van het gemeenschappelijk visserijbeleid in de hele Gemeenschap;
f) bij te dragen tot de werkzaamheden van de lidstaten en de Commissie inzake het onderzoek naar en de ontwikkeling van controle- en inspectietechnieken;
g) bij te dragen tot de coördinatie van de opleiding van inspecteurs en de uitwisseling van ervaringen tussen de lidstaten;
h) de operaties ter bestrijding van illegale, niet-gemelde en niet-gereglementeerde visserij (IUU) overeenkomstig de communautaire voorschriften te coördineren.
Artikel 4 - Taken betreffende de internationale verplichtingen van de Gemeenschap inzake controle en inspectie
a) de Gemeenschap en de lidstaten bijstaan in hun betrekkingen met derde landen en met de regionale internationale visserijorganisaties waarvan de Gemeenschap lid is;
b) met betrekking tot de controle- en inspectieverplichtingen van de Gemeenschap samenwerken met de bevoegde autoriteiten van regionale internationale visserijorganisaties, in het kader van met die organisaties gemaakte werkafspraken.
2. Op verzoek van de Commissie kan het Bureau bij kwesties inzake de controle en inspectie in het kader van tussen de Gemeenschap en derde landen gesloten overeenkomsten samenwerken met de bevoegde autoriteiten van die landen.
3. Het Bureau mag, binnen zijn bevoegdheden, namens de lidstaten taken vervullen in het kader van internationale visserijovereenkomsten waarbij de Gemeenschap partij is.
1. De operationele coördinatie van het Bureau heeft betrekking op de controle en inspectie van visserijactiviteiten, de invoer, het vervoer en de aanlanding van visserijproducten daaronder begrepen, tot aan het punt van inontvangstneming van die producten door de eerste koper na de aanlanding.
2. Het Bureau stelt met het oog op de operationele coördinatie gezamenlijke inzetplannen op en organiseert de operationele coördinatie van de controle en inspectie door de lidstaten overeenkomstig hoofdstuk III.
Het Bureau kan, op verzoek van een lidstaat, aan die lidstaat op contractbasis diensten verlenen die betrekking hebben op de controle en inspectie in verband met de verplichtingen ten aanzien van de visserij in communautaire en/of internationale wateren, zoals het huren, exploiteren en bemannen van controle- en inspectieplatforms en het ter beschikking stellen van waarnemers voor gezamenlijke operaties door de betrokken lidstaten.
Om de lidstaten bij te staan zodat zij beter in staat zijn aan hun verplichtingen uit hoofde van het gemeenschappelijk visserijbeleid te voldoen, verricht het Bureau in het bijzonder de volgende taken:
a) opstellen en ontwikkelen van een kerncurriculum voor de opleiding van de instructeurs van de visserij-inspecteurs van de lidstaten en zorgen voor aanvullende opleidingsstages en seminars voor die inspecteurs en anderen die betrokken zijn bij monitoring-, controle- en inspectiewerkzaamheden;
b) gezamenlijk aankopen, op verzoek van de lidstaten, van goederen en diensten in verband met de door de lidstaten te verrichten controles en inspecties, alsmede voorbereiden en coördineren van de uitvoering door de lidstaten van gezamenlijke proefprojecten;
c) uitwerken van gezamenlijke operationele procedures voor de controles en inspecties die gezamenlijk door twee of meer lidstaten worden verricht;
d) uitwerken van criteria voor de uitwisseling van controle- en inspectiemiddelen tussen lidstaten onderling en tussen lidstaten en derde landen en voor de verstrekking van die middelen door de lidstaten.
Het Bureau coördineert op verzoek van de Commissie de controles en inspecties die op basis van internationale controle- en inspectieprogramma's door de lidstaten worden verricht, door middel van gezamenlijke inzetplannen die het daartoe vaststelt.
Het Bureau coördineert de uitvoering van de overeenkomstig artikel 34 quater van Verordening (EEG) nr. 2847/93 vastgestelde specifieke controle- en inspectieprogramma's door middel van gezamenlijke inzetplannen.
In elk gezamenlijk inzetplan:
a) worden de vereisten van het toepasselijke controle- en inspectieprogramma in acht genomen;
b) wordt praktische toepassing gegeven aan de criteria, de benchmarks, de prioriteiten en de gemeenschappelijke inspectieprocedures die de Commissie in de controle- en inspectieprogramma's heeft vastgesteld;
c) wordt getracht de op grond van artikel 11, lid 2, aangemelde bestaande nationale controle- en inspectiemiddelen te koppelen aan de behoeften en de inzet ervan te organiseren;
d) wordt het gebruik van de personele en materiële hulpmiddelen georganiseerd met betrekking tot de periodes en de gebieden waarin zij moeten worden ingezet, met inbegrip van de werkzaamheden van teams van communautaire inspecteurs uit meer dan een lidstaat;
e) wordt rekening gehouden met de bestaande verplichtingen van de betrokken lidstaten in het kader van andere gezamenlijke inzetplannen, alsmede met eventuele specifieke regionale of plaatselijke dwingende omstandigheden;
f) wordt bepaald onder welke voorwaarden de controle- en inspectiemiddelen van een lidstaat zich in wateren onder de soevereiniteit of de jurisdictie van een andere lidstaat mogen begeven.
1. De lidstaten melden het Bureau jaarlijks vóór 15 oktober welke controle- en inspectiemiddelen zij het daaropvolgende jaar voor controle- en inspectiedoeleinden ter beschikking hebben.
2. Elke lidstaat meldt het Bureau met welke middelen hij voornemens is het op hem toepasselijke internationale of specifieke controle- en inspectieprogramma uit te voeren; die aanmelding geschiedt uiterlijk een maand nadat de lidstaten in kennis zijn gesteld van het besluit tot instelling van het bewuste programma.
1. De uitvoerend directeur van het Bureau stelt, op basis van de overeenkomstig artikel 11, lid 2, aangemelde middelen en binnen drie maanden na ontvangst van de bedoelde aanmeldingen, in overleg met de betrokken lidstaten een ontwerp op voor een gezamenlijk inzetplan.
2. In het ontwerp-inzetplan wordt, met het oog op de uitvoering van het controle- en inspectieprogramma waarop het plan betrekking heeft, uitgaande van het belang van de betrokken lidstaten in de visserijtak in kwestie nagegaan welke controle- en inspectiemiddelen kunnen worden gebundeld.
Het belang van een lidstaat in een visserijtak wordt beoordeeld aan de hand van de volgende criteria, waarvan het relatieve gewicht kan variëren naar gelang de specifieke kenmerken van elk plan:
a) de relatieve uitgestrektheid van de wateren onder zijn soevereiniteit of jurisdictie die in voorkomend geval onder het gezamenlijke inzetplan vallen;
b) de hoeveelheid vis die in een bepaalde referentieperiode op zijn grondgebied wordt aangeland in verhouding tot de totale hoeveelheid die wordt aangeland in de visserijtak waarvoor het gezamenlijke inzetplan wordt opgesteld;
c) het relatieve aantal communautaire vissersvaartuigen dat de vlag van die lidstaat voert (motorvermogen en brutotonnage) en betrokken is in de visserijtak waarvoor het gezamenlijke inzetplan wordt opgesteld, in verhouding tot het totale aantal vaartuigen dat in die visserijtak betrokken is;
d) de relatieve omvang van het aan de lidstaat toegewezen quotum of, als geen quotum is vastgesteld, de hoeveelheid vis die hij in een bepaalde referentieperiode in die visserijtak heeft gevangen.
3. Indien bij de voorbereiding van een ontwerp voor een gezamenlijk inzetplan blijkt dat er onvoldoende controle- en inspectiemiddelen beschikbaar zijn om aan de vereisten van het betreffende controle- en inspectieprogramma te voldoen, stelt de uitvoerend directeur de betrokken lidstaten en de Commissie daarvan onverwijld in kennis.
4. De uitvoerend directeur stelt de betrokken lidstaten en de Commissie in kennis van het ontwerp-inzetplan. Indien de betrokken lidstaten of de Commissie binnen vijftien werkdagen van die kennisgeving geen bezwaren hebben geuit, stelt de uitvoerend directeur het inzetplan vast.
5. Indien een of meer lidstaten of de Commissie bezwaren hebben geuit, legt de uitvoerend directeur de kwestie voor aan de Commissie. De Commissie kan het inzetplan, in voorkomend geval met de nodige aanpassingen, vaststellen volgens de in artikel 30, lid 2, van Verordening (EG) nr. 2371/2002 bedoelde procedure.
6. Elk gezamenlijk inzetplan wordt jaarlijks in overleg met de lidstaten door het Bureau beoordeeld om rekening te houden met elk nieuw controle- en inspectieprogramma dat voor de betrokken lidstaten is vastgesteld, en met door de Commissie in de controle- en inspectieprogramma's gestelde prioriteiten.
1. De gezamenlijke controles en inspecties worden vericht op basis van de gezamenlijke inzetplannen.
2. De bij een gezamenlijk inzetplan betrokken lidstaten:
a) stellen de controle- en inspectiemiddelen ter beschikking die zijn toegezegd voor het gezamenlijke inzetplan;
b) stellen een nationale contractpersoon/coördinator aan die voldoende bevoegdheden krijgt om tijdig te kunnen reageren op verzoeken van het Bureau met betrekking tot de uitvoering van het gezamenlijke inzetplan, en stellen het Bureau daarvan in kennis;
c) zetten hun gebundelde controle- en inspectiemiddelen in, overeenkomstig het gezamenlijke inzetplan en de in lid 4 vermelde vereisten;
d) verstrekt het Bureau on line toegang tot de gegevens die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het gezamenlijke inzetplan;
e) werkt met het Bureau samen bij de uitvoering van het gezamenlijke inzetplan;
f) zorgt ervoor dat de aan een gezamenlijk inzetplan van de Gemeenschap toegewezen controle- en inspectiemiddelen hun werkzaamheden overeenkomstig de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid verrichten.
3. Onverminderd de verplichtingen van de lidstaten in het kader van een krachtens artikel 12 vastgesteld gezamenlijk inzetplan, vallen het bevel over en de controle op de voor een gezamenlijk inzetplan toegezegde controle- en inspectiemiddelen onder de verantwoordelijkheid van de bevoegde nationale autoriteiten overeenkomstig het nationale recht.
4. De uitvoerend directeur kan vereisten vaststellen voor de uitvoering van een krachtens artikel 12 vastgesteld gezamenlijk inzetplan. Die vereisten gelden uitsluitend binnen het kader van het bewuste inzetplan.
Elk jaar beoordeelt het Bureau de doeltreffendheid van elk gezamenlijk inzetplan en analyseert het, aan de hand van het beschikbare bewijs, of het risico bestaat dat de visserijactiviteiten niet in overeenstemming zijn met de geldende controlemaatregelen. Deze beoordelingen worden onverwijld toegezonden aan het Europees Parlement, de Commissie en de lidstaten.
Twee of meer lidstaten kunnen het Bureau verzoeken de inzet van hun controle- en inspectiemiddelen voor een visserijtak of een gebied waarvoor geen controle- en inspectieprogramma is vastgesteld, te coördineren. Deze coördinatie vindt plaats overeenkomstig de controle- en inspectiecriteria en de prioriteiten die de betrokken lidstaten zijn overeengekomen.
1. De Commissie, het Bureau en de bevoegde autoriteiten van de lidstaten wisselen de relevante informatie waarover zij beschikken uit met betrekking tot de gezamenlijke controles en inspecties in communautaire en internationale wateren.
2. Elke nationale bevoegde autoriteit neemt, overeenkomstig de desbetreffende communautaire wetgeving, maatregelen om het vertrouwelijke karakter van door haar op grond van dit artikel ontvangen gegevens naar behoren te waarborgen, overeenkomstig artikel 37 van Verordening (EEG) nr. 2847/93.
Nadere bepalingen voor de uitvoering van dit hoofdstuk kunnen worden vastgesteld volgens de in artikel 30, lid 2, van Verordening (EG) nr. 2371/2002 bedoelde procedure.
Deze bepalingen kunnen met name betrekking hebben op de procedures voor het voorbereiden van ontwerpen voor gezamenlijke inzetplannen.
1. Het Bureau is een orgaan van de Gemeenschap. Het Bureau heeft rechtspersoonlijkheid.
2. In elke lidstaat geniet het Bureau de meest uitgebreide handelingsbevoegdheid die op grond van de wetgeving in de betreffende lidstaat aan rechtspersonen wordt verleend. Het Bureau kan met name roerend en onroerend goed verwerven of vervreemden en in rechte optreden.
3. Het Bureau wordt vertegenwoordigd door zijn uitvoerend directeur.
4. Het Bureau heeft zijn zetel in Vigo, Spanje.
1. Het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen, de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen en de regels die gezamenlijk door de instellingen van de Europese Gemeenschappen zijn vastgesteld ter uitvoering van dat statuut en die regeling, zijn van toepassing op het personeel van het Bureau. De raad van bestuur stelt, in overleg met de Commissie, de noodzakelijke uitvoeringsbepalingen vast.
2. Onverminderd artikel 30 worden ten aanzien van het eigen personeel van het Bureau de bevoegdheden die door het Statuut van de ambtenaren en door de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden aan het tot aanstelling bevoegde gezag zijn toegekend, uitgeoefend door het Bureau.
3. Het personeel van het Bureau bestaat uit ambtenaren die door de Commissie tijdelijk worden toegewezen of gedetacheerd en uit andere personeelsleden die door het Bureau worden aangeworven naargelang zijn werkzaamheden zulks vereisen.
Het Bureau kan ook ambtenaren in dienst hebben die tijdelijk worden gedetacheerd door de lidstaten.
Het Protocol inzake voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen is van toepassing op het Bureau.
1. De contractuele aansprakelijkheid van het Bureau wordt beheerst door het recht dat op de betrokken overeenkomst van toepassing is.
2. Het Hof van Justitie is bevoegd uitspraak te doen krachtens een arbitragebeding vervat in een door het Bureau gesloten overeenkomst.
3. In geval van niet-contractuele aansprakelijkheid vergoedt het Bureau, overeenkomstig de algemene beginselen die de wetgevingen van de lidstaten gemeen hebben, alle schade die door het Bureau zelf of zijn personeelsleden in de uitoefening van hun functie is veroorzaakt. Het Hof van Justitie is bevoegd voor alle in dit verband gerezen geschillen over schadevergoeding.
4. De persoonlijke aansprakelijkheid van de personeelsleden jegens het Bureau wordt beheerst door de bepalingen van het Statuut van de ambtenaren of de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden.
1. Op het Bureau zijn de bepalingen van Verordening nr. 1 van 15 april 1958 tot regeling van het taalgebruik in de Europese Economische Gemeenschap van toepassing.
2. De voor het functioneren van het Bureau vereiste vertaaldiensten worden geleverd door het Vertaalbureau voor de organen van de Europese Unie.
1. Het Bureau heeft een raad van bestuur.
2. De raad van bestuur:
a) benoemt en ontslaat de uitvoerend directeur overeenkomstig artikel 30;
b) keurt uiterlijk op 30 april van elk jaar het algemeen verslag van het Bureau over het voorafgaande jaar goed en zendt het toe aan het Europees Parlement, de Raad, de Commissie, de Rekenkamer en de lidstaten. Het verslag wordt openbaar gemaakt;
c) stelt vóór 31 oktober van elk jaar en rekening houdend met het advies van de Commissie en de lidstaten het werkprogramma van het Bureau voor het komende jaar vast en zendt het toe aan het Europees Parlement, de Raad, de Commissie en de lidstaten.
Het werkprogramma bevat de prioriteiten van het Bureau. De hoogste prioriteit wordt gegeven aan de taken van het Bureau met betrekking tot controle- en bewakingsprogramma's. Het werkprogramma wordt vastgesteld onverminderd de jaarlijkse begrotingsprocedure van de Gemeenschap. Indien de Commissie binnen 30 dagen na de datum waarop het werkprogramma is vastgesteld, te kennen geeft het niet eens te zijn met dat werkprogramma, bespreekt de raad van bestuur het werkprogramma opnieuw en keurt hij het, met de eventuele wijzigingen, binnen twee maanden in tweede lezing goed;
d) stelt vóór het begin van het begrotingsjaar de definitieve begroting van het Bureau vast, eventueel na aanpassing aan de communautaire bijdrage en andere ontvangsten van het Bureau;
e) verricht zijn taken met betrekking tot de begroting van het Bureau overeenkomstig de artikelen 35, 36 en 38;
f) treedt als tuchtraad op ten aanzien van de uitvoerend directeur;
g) stelt zijn reglement van orde vast, waarbij zo nodig mag worden voorzien in het instellen van subcomités van de raad van bestuur;
h) stelt de nodige procedures vast voor de uitvoering van de taken van het Bureau.
1. De raad van bestuur bestaat uit vertegenwoordigers van de lidstaten en zes vertegenwoordigers van de Commissie. Iedere lidstaat mag één lid aanwijzen. De lidstaten en de Commissie wijzen voor elk lid een plaatsvervanger aan die het lid in diens afwezigheid vertegenwoordigt.
2. De leden van de raad van bestuur worden benoemd op basis van hun relevante ervaring en deskundigheid op het gebied van visserijcontroles en -inspecties.
3. De duur van de ambtstermijn van elk lid bedraagt vijf jaar vanaf de benoemingsdatum. Deze ambtstermijn kan worden verlengd.
1. De raad van bestuur kiest uit de vertegenwoordigers van de Commissie een voorzitter. De raad van bestuur kiest uit zijn midden een vice-voorzitter. De vice-voorzitter vervangt ambtshalve de voorzitter wanneer deze is verhinderd zijn taken te verrichten.
2. De ambtstermijn van de voorzitter en de vice-voorzitter bedraagt drie jaar en loopt af wanneer hun respectieve lidmaatschap van de raad van bestuur ten einde loopt. Deze ambtstermijn kan eenmaal worden verlengd.
1. De voorzitter roept de raad van bestuur in vergadering bijeen. De agenda wordt opgesteld door de voorzitter, rekening houdend met de voorstellen van de leden van de raad van bestuur en de uitvoerend directeur van het Bureau.
2. De uitvoerend directeur en de door de raad van advies aangewezen vertegenwoordiger nemen zonder stemrecht deel aan de beraadslagingen.
3. De raad van bestuur houdt ten minste eenmaal per jaar een gewone vergadering. Daarnaast komt de raad van bestuur op initiatief van de voorzitter of op verzoek van de Commissie of van eenderde van de in de raad van bestuur vertegenwoordigde lidstaten bijeen.
4. De raad van bestuur kan, wanneer er sprake is van geheimhouding of van een belangenconflict, besluiten specifieke agendapunten te bespreken buiten aanwezigheid van de door de raad van advies aangewezen vertegenwoordiger. Nadere voorschriften voor de toepassing van deze bepaling kunnen worden vastgelegd in het reglement van orde.
5. De raad van bestuur kan eenieder wiens advies dienstig kan zijn, uitnodigen om als waarnemer de vergaderingen bij te wonen.
6. De leden van de raad van bestuur kunnen zich op de door het reglement van orde van de raad bepaalde wijze laten bijstaan door adviseurs of deskundigen.
7. Het secretariaat voor de raad van bestuur wordt geleverd door het Bureau.
1. De raad van bestuur neemt besluiten met absolute meerderheid van de stemmen.
2. Elk door een lidstaat aangewezen lid heeft één stem. Bij afwezigheid van een lid heeft zijn plaatsvervanger het recht zijn stemrecht uit te oefenen.
3. In het reglement van orde worden de nadere bijzonderheden van de stemprocedure bepaald en in het bijzonder onder welke voorwaarden een lid namens een ander lid kan handelen, alsmede de quorumvoorschriften, indien van toepassing.
De leden van de raad van bestuur leggen een verklaring omtrent hun belangen af, waarin zij hetzij verklaren dat zij geen belangen hebben die afbreuk zouden kunnen doen aan hun onafhankelijkheid, hetzij al hun directe en indirecte belangen vermelden die geacht zouden kunnen worden afbreuk te doen aan hun onafhankelijkheid. Deze verklaringen worden jaarlijks schriftelijk afgelegd, of telkens wanneer er zich met betrekking tot de punten op de agenda een belangenconflict zou kunnen voordoen. In het laatste geval mag het betrokken lid voor deze punten geen stem uitbrengen.
1. Het Bureau wordt beheerd door zijn uitvoerend directeur. Onverminderd de respectieve bevoegdheden van de Commissie en de raad van bestuur mag de uitvoerend directeur van geen enkele overheid of van enige andere instantie instructies verlangen of aanvaarden.
2. De uitvoerend directeur geeft bij de uitoefening van zijn taken uitvoering aan de beginselen van het gemeenschappelijk visserijbeleid.
3. De uitvoerend directeur heeft de volgende taken en bevoegdheden:
a) hij stelt het ontwerp-werkprogramma op en legt het na raadpleging van de Commissie en de lidstaten voor aan de raad van bestuur. Hij neemt passende maatregelen voor de uitvoering van het werkprogramma binnen de bij deze verordening, de uitvoeringsbepalingen en enige geldende wetgeving gestelde grenzen;
b) hij neemt alle nodige maatregelen, waaronder de vaststelling van interne administratieve instructies en de bekendmaking van mededelingen, om de organisatie en het functioneren van het Bureau overeenkomstig deze verordening te waarborgen;
c) hij neemt alle nodige maatregelen, waaronder de vaststelling van besluiten ten aanzien van de verantwoordelijkheden van het Bureau op grond van de hoofdstukken II en III, alsmede het huren en exploiteren van controle- en inspectiemiddelen en het beheren van een informatienetwerk;
d) hij reageert op verzoeken van de Commissie en op verzoeken om bijstand van een lidstaat krachtens de artikelen 6, 7 en 15;
e) hij organiseert een efficiënt toetsingssysteem teneinde de resultaten van het Bureau te kunnen vergelijken met de operationele doelstellingen. Op basis hiervan stelt de uitvoerend directeur elk jaar een ontwerp van een algemeen verslag op dat hij aan de raad van bestuur voorlegt. Hij voert een methode van geregelde evaluatie in die aan erkende vaknormen voldoet;
f) hij oefent met betrekking tot het personeel de in artikel 19, lid 2, bedoelde bevoegdheden uit.
g) hij stelt overeenkomstig artikel 35 ramingen van de ontvangsten en uitgaven van het Bureau op en voert de begroting overeenkomstig artikel 36 uit.
4. De uitvoerend directeur legt over zijn activiteiten verantwoording af aan de raad van bestuur.
1. De uitvoerend directeur wordt op grond van zijn verdienste en gedocumenteerde relevante ervaring op het gebied van het gemeenschappelijk visserijbeleid en van visserijcontrole en visserij-inspectie door de raad van bestuur benoemd uit een lijst van ten minste twee kandidaten die door de Commissie zijn voorgedragen na een selectieprocedure, nadat voor die post in het Publicatieblad van de Europese Unie en op andere plaatsen een oproep tot het indienen van blijken van belangstelling is verschenen.
2. De raad van bestuur heeft de bevoegdheid om de uitvoerend directeur te ontslaan. De raad van bestuur beraadt zich op dit ontslag op verzoek van de Commissie of van eenderde van zijn leden.
3. De raad van bestuur neemt de besluiten krachtens lid 1 en lid 2 met een meerderheid van tweederde van de leden.
4. De ambtstermijn van de uitvoerend directeur bedraagt vijf jaar. Deze ambtstermijn kan bij een besluit van tweederde van de leden van de raad van bestuur op voorstel van de Commissie eenmaal met vijf jaar worden verlengd.
1. De raad van advies bestaat uit vertegenwoordigers van de krachtens artikel 31 van Verordening (EG) nr. 2371/2002 opgerichte regionale adviesraden; elke regionale adviesraad wijst één vertegenwoordiger aan. De vertegenwoordigers kunnen zich laten vervangen door gelijktijdig benoemde plaatsvervangers.
2. De leden van de raad van advies mogen geen lid van de raad van bestuur zijn. De raad van advies wijst een van zijn leden aan om zonder stemrecht aan de beraadslagingen van de raad van bestuur deel te nemen.
3. De raad van advies staat de uitvoerend directeur op diens verzoek bij in de uitoefening van zijn taken overeenkomstig deze verordening.
4. De raad van advies wordt voorgezeten door de uitvoerend directeur. De voorzitter roept de raad van advies ten minste eenmaal per jaar bijeen.
5. De logistieke steun die de raad van advies nodig heeft en het secretariaat voor zijn vergaderingen worden geleverd door het Bureau.
6. De leden van de raad van bestuur kunnen de vergaderingen van de raad van advies bijwonen.
1. Verordening (EG) nr. 1049/2001 is van toepassing op de documenten die bij het Bureau berusten.
2. De raad van bestuur stelt binnen zes maanden na de datum van zijn eerste vergadering de praktische regelingen voor de uitvoering van Verordening (EG) nr. 1049/2001 vast.
3. Het Bureau kan op eigen initiatief communiceren op de gebieden die tot zijn taken behoren. Het draagt er met name zorg voor dat het publiek en belanghebbenden snel objectieve, betrouwbare en begrijpelijke informatie omtrent zijn werkzaamheden ontvangen.
4. De raad van bestuur stelt de nodige interne regels voor de toepassing van lid 3 vast.
5. Tegen de beslissingen van het Bureau uit hoofde van artikel 8 van Verordening (EG) nr. 1049/2001 kan een klacht worden ingediend bij de Ombudsman of een beroep worden ingesteld bij het Hof van Justitie, op grond van de artikelen 195 en 230 van het Verdrag.
6. Verordening (EG) nr. 45/2001 is van toepassing op de informatie die de Commissie en het Bureau op grond van de onderhavige verordening verzamelen.
1. De leden van de raad van bestuur, de uitvoerend directeur en de personeelsleden van het Bureau zijn ook na beëindiging van hun werkzaamheden onderworpen aan de geheimhoudingsplicht van artikel 287 van het Verdrag.
2. De raad van bestuur stelt interne regels vast voor de praktische uitvoering van de in lid 1 bedoelde geheimhoudingsplicht.
1. De Commissie heeft onbelemmerde toegang tot alle door het Bureau verzamelde gegevens. Het Bureau verstrekt op verzoek alle gegevens en beoordelingen van die gegevens aan de Commissie, in de door haar gespecificeerde vorm.
2. De lidstaten die betrokken zijn bij een bepaalde operatie van het Bureau hebben toegang tot alle door het Bureau verzamelde gegevens met betrekking tot die operatie, op voorwaarden die bepaald kunnen worden volgens de in artikel 30, lid 2, van Verordening (EG) nr. 2371/2002 bedoelde procedure.
1. De ontvangsten van het Bureau bestaan uit:
a) een in de algemene begroting van de Europese Unie (afdeling Commissie) opgenomen bijdrage van de Gemeenschap;
b) voor overeenkomstig artikel 7 door het Bureau aan de lidstaten geleverde diensten in rekening gebrachte kosten;
c) voor publicaties, opleiding en andere door het Bureau geleverde diensten in rekening gebrachte kosten.
2. De uitgaven van het bureau bestaan uit personeels-, administratieve, infrastructurele en operationele kosten.
3. De uitvoerend directeur stelt een ontwerp-raming op van de ontvangsten en uitgaven van het Bureau voor het volgende begrotingsjaar en zendt deze tezamen met een ontwerp-personeelsformatie naar de raad van bestuur.
4. De ontvangsten en uitgaven moeten in evenwicht zijn.
5. De raad van bestuur stelt elk jaar op basis van de ontwerp-raming van de ontvangsten en uitgaven een raming op van de ontvangsten en uitgaven van het Bureau voor het volgende begrotingsjaar.
6. Deze raming, waarin een ontwerp-personeelsformatie en een voorlopig werkprogramma zijn opgenomen, wordt uiterlijk 31 maart door de raad van bestuur aan de Commissie toegezonden.
7. De raming wordt samen met het voorontwerp van de algemene begroting van de Europese Unie door de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (hierna 'de begrotingsautoriteit' genoemd) toegezonden.
8. Op basis van deze raming neemt de Commissie de geraamde bedragen die zij nodig acht met betrekking tot de personeelsformatie en het bedrag van de subsidie ten laste van de algemene begroting op in het voorontwerp van algemene begroting van de Europese Unie, dat zij overeenkomstig artikel 272 van het Verdrag voorlegt aan de begrotingsautoriteit.
9. De begrotingsautoriteit keurt de kredieten voor de subsidie aan het Bureau goed. De begrotingsautoriteit stelt de personeelsformatie van het Bureau vast.
10. De begroting wordt goedgekeurd door de raad van bestuur. De begroting wordt definitief na de definitieve vaststelling van de algemene begroting van de Europese Unie. De begroting wordt zo nodig dienovereenkomstig aangepast.
11. De raad van bestuur stelt de begrotingsautoriteit zo spoedig mogelijk in kennis van de projecten die hij voornemens is te realiseren en die aanzienlijke financiële gevolgen voor de financiering van de begroting kunnen hebben, met name onroerendgoedprojecten zoals de huur of aankoop van gebouwen. De raad van bestuur brengt de Commissie daarvan op de hoogte.
12. Wanneer een tak van de begrotingsautoriteit kennis heeft gegeven van zijn voornemen om een advies te verstrekken, doet hij dit advies aan de raad van bestuur toekomen binnen een termijn van zes weken te rekenen vanaf de kennisgeving van het project.
1. De uitvoerend directeur voert de begroting van het Bureau uit.
2. Uiterlijk op 1 maart van het jaar dat volgt op het afgesloten begrotingsjaar dient de rekenplichtige van het Bureau de voorlopige rekeningen met het verslag over het budgettaire en financiële beheer van dat begrotingsjaar in bij de rekenplichtige van de Commissie. De rekenplichtige van de Commissie consolideert de voorlopige rekeningen van de instellingen en de gedecentraliseerde organen overeenkomstig artikel 128 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen (hierna 'het Financieel Reglement' genoemd).
3. Uiterlijk op 31 maart van het jaar dat volgt op het afgesloten begrotingsjaar dient de rekenplichtige van de Commissie de voorlopige rekeningen van het Bureau met het verslag over het budgettaire en financiële beheer van dat begrotingsjaar in bij de Rekenkamer. Het verslag over het budgettaire en financiële beheer van dat begrotingsjaar wordt ook toegezonden aan het Europees Parlement en de Raad.
4. Na ontvangst van de opmerkingen van de Rekenkamer over de voorlopige rekeningen van het Bureau overeenkomstig artikel 129 van het Financieel Reglement maakt de uitvoerend directeur onder zijn eigen verantwoordelijkheid de definitieve rekeningen van het bureau op en legt deze voor advies aan de raad van bestuur voor.
5. De raad van bestuur brengt advies uit over de definitieve rekeningen van het Bureau.
6. Uiterlijk op 1 juli van het jaar dat volgt op het afgesloten begrotingsjaar, dient de uitvoerend directeur de definitieve rekeningen met het advies van de raad van bestuur in bij het Europees Parlement, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer.
7. De definitieve rekeningen worden gepubliceerd.
8. Het Bureau stelt een interne auditfunctie in die moet worden ingevuld overeenkomstig de toepasselijke internationale normen.
9. De uitvoerend directeur zendt de Rekenkamer uiterlijk op 30 september een reactie op haar opmerkingen. Hij dient dit antwoord ook in bij de raad van bestuur.
10. De uitvoerend directeur verstrekt het Europees Parlement op verzoek, overeenkomstig artikel 146, lid 3, van het Financieel Reglement, alle inlichtingen die nodig zijn voor het goede verloop van de kwijtingsprocedure voor het betrokken begrotingsjaar.
11. Het Europees Parlement verleent op aanbeveling van de Raad vóór 30 april van het tweede daaropvolgende jaar aan de uitvoerend directeur van het Bureau kwijting inzake de uitvoering van de begroting van het betrokken jaar.
1. Ter bestrijding van fraude, corruptie en andere onwettige activiteiten zijn de bepalingen van Verordening (EG) nr. 1073/1999 onverkort op het Bureau van toepassing.
2. Het Bureau treedt toe tot het Interinstitutioneel Akkoord van 25 mei 1999 betreffende de interne onderzoeken verricht door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en stelt onverwijld de passende voorschriften vast die op alle personeelsleden van het Bureau van toepassing zijn.
3. De financieringsbesluiten, alsmede alle contracten en uitvoeringsinstrumenten in verband met die besluiten, stipuleren uitdrukkelijk dat de Rekenkamer en het OLAF indien nodig bij de begunstigden van middelen van het Bureau en bij de tussenpersonen die deze middelen verdelen, tot controle ter plaatse kunnen overgaan.
De raad van bestuur stelt na verkrijging van de goedkeuring van de Commissie en het advies van de Rekenkamer het financieel reglement van het Bureau vast. Dit financieel reglement mag slechts van Verordening (EG, Euratom) nr. 2343/2002 van de Commissie van 23 december 2002 houdende de financiële kaderregeling van de organen, bedoeld in artikel 185 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen afwijken indien de specifieke vereisten van de taakverrichting van het Bureau dit noodzakelijk maken, en met voorafgaande instemming van de Commissie.
1. Binnen vijf jaar nadat het Bureau een begin heeft gemaakt met de uitvoering van zijn taken en vervolgens om de vijf jaar geeft de raad van bestuur de opdracht tot een onafhankelijke externe evaluatie van de uitvoering van deze verordening. De Commissie verstrekt het Bureau alle gegevens welke het voor deze evaluatie relevant acht.
2. Bij elke evaluatie wordt een beoordeling gegeven van de effecten van deze verordening alsmede van het nut, de relevantie en de doeltreffendheid van het Bureau en zijn werkmethoden en de mate waarin het bijdraagt tot de strikte naleving van de voorschriften uit hoofde van het gemeenschappelijk visserijbeleid. De raad van bestuur stelt in overleg met de Commissie een specifieke opdracht vast, na raadpleging van de betrokken partijen.
3. De raad van bestuur ontvangt de evaluatie en legt de Commissie aanbevelingen voor met het oog op wijzigingen in deze verordening, het Bureau en de werkmethoden. De resultaten van de evaluatie en de aanbevelingen worden door de Commissie toegezonden aan de Raad en het Europees Parlement en worden bekendgemaakt.
Het Bureau begint binnen twaalf maanden na de datum van inwerkingtreding van deze verordening met zijn werkzaamheden.
Artikel 34 quater van Verordening (EEG) nr. 2847/93 wordt vervangen door:
"Artikel 34 - quater
1. De Commissie bepaalt, volgens de in artikel 36 bedoelde procedure en in overleg met de betrokken lidstaten, voor welke visserijtakken waarbij twee of meer lidstaten zijn betrokken specifieke controle- en inspectieprogramma's worden uitgevoerd en aan welke voorwaarden deze programma's moeten voldoen.In het specifieke controle- en inspectieprogramma wordt vastgesteld voor welke visserijtakken waarbij twee of meer lidstaten zijn betrokken het programma wordt uitgevoerd en aan welke voorwaarden deze visserijtakken moeten voldoen.
In elk specifiek controle- en inspectieprogramma worden de doelstellingen, de gemeenschappelijke prioriteiten en procedures, de benchmarks voor de controles en inspecties vastgesteld, alsmede de verwachte resultaten van de genoemde maatregelen en alle voorwaarden om de controles en inspecties zo uniform, doeltreffend en economisch mogelijk te maken. In elk programma wordt de betrokken lidstaat genoemd.
De looptijd van specifieke controle- en inspectieprogramma's mag niet langer zijn dan drie jaar of een andere periode die daartoe is vastgesteld in een op grond van artikel 5 van Verordening (EG) nr. 2371/2002 van 20 december 2002 inzake de instandhouding en de duurzame exploitatie van de visbestanden in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid goedgekeurd herstelplan of een op grond van artikel 6 van die verordening goedgekeurd beheersplan.
De specifieke controle- en inspectieprogramma's worden door de betrokken lidstaten uitgevoerd op basis van de gezamenlijke inzetplannen zoals vastgesteld op grond van Verordening (EG) nr. 768/2005 van de Raad van 26 april 2005 tot oprichting van een Communautair Bureau voor visserijcontrole en houdende wijziging van Verordening (EEG) nr. 2847/93 tot invoering van een controleregeling voor het gemeenschappelijk visserijbeleid .
2. De Commissie controleert en evalueert de uitvoering van elk specifiek controle- en inspectieprogramma en brengt overeenkomstig artikel 27, lid 4, van Verordening (EG) nr. 2371/2002 verslag uit aan het Europees Parlement en de Raad.
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Inhoud
- HOOFDSTUK I - DOEL, TOEPASSINGSGEBIED EN DEFINITIES
- Artikel 1 - Doel
- Artikel 2 - Definities
- HOOFDSTUK II - OPDRACHT EN TAKEN VAN HET BUREAU
- Artikel 3 - Opdracht
- Artikel 4 - Taken betreffende de internationale verplichtingen van de Gemeenschap inzake controle en inspectie
- Artikel 5 - Taken in verband met operationele coördinatie
- Artikel 6 - Contractuele dienstverlening aan lidstaten
- Artikel 7 - Bijstand aan lidstaten
- HOOFDSTUK III - OPERATIONELE COÖRDINATIE
- Artikel 8 - Uitvoering van verplichtingen van de Gemeenschap inzake controle en inspectie
- Artikel 9 - Uitvoering van specifieke controle- en inspectieprogramma's
- Artikel 10 - Uitvoering van gezamenlijke inzetplannen
- Artikel 11 - Aanmelding van controle- en inspectiemiddelen
- Artikel 12 - Procedure voor de goedkeuring van gezamenlijke inzetplannen
- Artikel 13 - Uitvoering van de gezamenlijke inzetplannen
- Artikel 14 - Beoordeling van de gezamenlijke inzetplannen
- Artikel 15 - Visserijtakken waarvoor geen controle- en inspectieprogramma's zijn vastgesteld
- Artikel 16 - Informatienetwerk
- Artikel 17 - Uitvoeringsbepalingen
- HOOFDSTUK IV - INTERNE STRUCTUUR EN WERKING
- Artikel 18 - Rechtsvorm en hoofdzetel
- Artikel 19 - Personeel
- Artikel 20 - Voorrechten en immuniteiten
- Artikel 21 - Aansprakelijkheid
- Artikel 22 - Talen
- Artikel 23 - Instelling en bevoegdheden van de raad van bestuur
- Artikel 24 - Samenstelling van de raad van bestuur
- Artikel 25 - Voorzitterschap van de raad van bestuur
- Artikel 26 - Vergaderingen
- Artikel 27 - Stemprocedure
- Artikel 28 - Verklaring omtrent belangen
- Artikel 29 - Verplichtingen en bevoegdheden van de uitvoerend directeur
- Artikel 30 - Ontslag en benoeming van de uitvoerend directeur
- Artikel 31 - Raad van advies
- Artikel 32 - Transparantie en communicatie
- Artikel 33 - Geheimhouding
- Artikel 34 - Toegang tot informatie
- HOOFDSTUK V - FINANCIELE BEPALINGEN
- Artikel 35 - Begroting
- Artikel 36 - Uitvoering en controle van de begroting
- Artikel 37 - Fraudebestrijding
- Artikel 38 - Financiën
- HOOFDSTUK VI - SLOTBEPALINGEN
- Artikel 39 - Evaluatie
- Artikel 40 - Begin van de werkzaamheden van het Bureau
- Artikel 41 - Wijziging
- Artikel 42 - Inwerkingtreding


