| dossier | COM(2005)209 - Gemeenschappelijke actie voor het evenement "Culturele Hoofdstad van Europa" voor de periode 2007 tot 2019. |
|---|---|
| document | Beschikking nr. 2006/1622/EG |
| datum | 24 oktober 2006 |
Inhoud
1. Steden in lidstaten, alsmede in de landen die na 31 december 2006 tot de Europese Unie toetreden, kunnen voor één jaar als Culturele Hoofdstad van Europa worden aangewezen, in de volgorde van de lijst in de bijlage.
2. In elke lidstaat die voorkomt op de in de bijlage vermelde lijst wordt één stad aangewezen.
In onderlinge overeenstemming kunnen de betrokken lidstaten deze chronologische volgorde wijzigen.
1. Elke kandidatuur moet een cultureel programma met een Europese dimensie omvatten dat hoofdzakelijk gebaseerd is op culturele samenwerking overeenkomstig de doelstellingen en acties als bedoeld in artikel 151 van het Verdrag.
2. Het culturele programma van het evenement moet speciaal voor het jaar als Culturele Hoofdstad van Europa worden gecreëerd en moet de Europese toegevoegde waarde voor het voetlicht brengen overeenkomstig de criteria van artikel 4.
3. Het programma moet consistent zijn met de nationale cultuurstrategie of het nationale beleid van de desbetreffende lidstaat, of, conform de institutionele inrichting van de lidstaat, met de regionale cultuurstrategieën, op voorwaarde dat die strategie of dat beleid niet het aantal steden beperkt dat conform dit besluit als Culturele Hoofdstad van Europa kan worden aangewezen.
4. Het programma duurt één jaar. In naar behoren gemotiveerde gevallen kunnen de aangewezen steden voor een kortere periode kiezen.
5. Er moet een samenhang bestaan tussen de programma's van de voor hetzelfde jaar aangewezen steden.
6. De steden kunnen besluiten hun programma open te stellen voor participatie van de omliggende regio.
Het culturele programma moet voldoen aan de volgende criteria, die in twee categorieën zijn onderverdeeld: 'De Europese dimensie' en 'Stad en burgers'.
1. Wat de categorie 'De Europese dimensie' betreft, moet het programma:
a) de samenwerking tussen culturele actoren, kunstenaars en steden in de desbetreffende lidstaat en in andere lidstaten in alle culturele sectoren bevorderen;
b) de aandacht vestigen op de rijke culturele diversiteit in Europa;
c) de gemeenschappelijke aspecten van Europese culturen naar voren brengen.
2. Wat de categorie 'Stad en burgers' betreft, moet het programma:
a) de deelname van de burgers die in de stad en de omgeving wonen, bevorderen en zowel hun belangstelling wekken als die van burgers uit het buitenland;
b) haalbaar zijn en integrerend deel uitmaken van de culturele en sociale ontwikkeling van de stad op lange termijn.
1. Uiterlijk zes jaar voor het desbetreffende evenement een aanvang moet nemen publiceert elk van de betrokken lidstaten een oproep tot het indienen van kandidaturen.
Elke oproep tot het indienen van kandidaturen, die bedoeld is voor de steden die kandidaat zijn voor de titel, verwijst naar de criteria van artikel 4 en de leidraad die beschikbaar is op de website van de Commissie.
De uiterste datum voor indiening van kandidaturen voor elke oproep is uiterlijk tien maanden na de publicatie van de oproep.
Een kandidatuur die in het kader van een oproep tot het indienen van kandidaturen wordt ingediend, schetst het programma dat de kandidaat-stad tijdens dat jaar wil verwezenlijken.
2. De betrokken lidstaat stelt de Commissie in kennis van de kandidaturen.
1. Voor elke betrokken lidstaat wordt een jury samengesteld om de kandidaturen van de kandidaat-steden te onderzoeken. Elke jury beveelt de voordracht van één stad in de betrokken lidstaat aan.
2. Elke jury bestaat uit 13 leden, waarvan er zeven worden voorgedragen door de Europese instellingen als bedoeld in lid 4. De overige zes leden worden door de betrokken lidstaat voorgedragen, in overleg met de Commissie. De betrokken lidstaat zal daarna de jury benoemen. De jury wijst haar voorzitter aan uit de leden die door het Europees Parlement, de Raad, de Commissie en het Comité van de Regio's zijn voorgedragen.
3. Deze juryleden zijn onafhankelijke deskundigen die zich ten opzichte van de steden die op de oproep tot het indienen van kandidaturen hebben gereageerd, niet in een belangenconflict bevinden en die beschikken over een aanzienlijke ervaring en deskundigheid in de culturele sector, in de culturele ontwikkeling van steden of in de organisatie van het evenement 'Culturele Hoofdstad van Europa'.
4. De leden van de jury's worden door de Europese instellingen als volgt voor drie jaar benoemd: twee door het Europees Parlement, twee door de Raad, twee door de Commissie en één door het Comité van de Regio's. Bij wijze van uitzondering worden in het eerste jaar waarin dit besluit in werking is twee deskundigen voor een jaar benoemd door de Commissie, twee deskundigen voor twee jaar door het Europees Parlement, twee deskundigen voor drie jaar door de Raad en één deskundige voor drie jaar door het Comité van de Regio's.
1. Elk van de betrokken lidstaten roept uiterlijk vijf jaar voor de geplande aanvang van het evenement de in artikel 6 bedoelde jury bijeen voor een preselectievergadering.
2. De jury evalueert overeenkomstig de criteria van artikel 4 de kandidaturen van de steden die op de oproep tot het indienen van kandidaturen hebben gereageerd.
De jury stelt een shortlist op van kandidaat-steden die verder in aanmerking moeten worden genomen en stelt een verslag op over de kandidaturen van de kandidaat-steden en aanbevelingen voor de kandidaat-steden op de shortlist.
3. De jury legt het verslag over aan de betrokken lidstaat en aan de Commissie. Elke betrokken lidstaat keurt de shortlist die is gebaseerd op het rapport van de jury formeel goed.
1. De kandidaat-steden op de shortlist vullen hun kandidatuur aan en sturen deze naar de betrokken lidstaat, die ze vervolgens doorstuurt naar de Commissie.
2. Negen maanden na de preselectievergadering roept elk van de betrokken lidstaten de desbetreffende jury bijeen voor de definitieve selectie.
3. De jury toetst de gewijzigde programma's van de kandidaat-steden op de shortlist aan de criteria van deze actie en aan de aanbevelingen die tijdens de preselectievergadering zijn gedaan.
4. De jury stelt een verslag op over de programma's van de kandidaten op de shortlist, alsook een aanbeveling voor de voordracht van één stad in de betrokken lidstaat om Culturele Hoofdstad van Europa te worden.
Het verslag bevat ook aanbevelingen aan de geselecteerde stad met betrekking tot de vooruitgang en de voorbereidingen die tegen een bepaald jaar verwezenlijkt moeten zijn indien zij door de Raad als Culturele Hoofdstad van Europa wordt aangewezen.
Het verslag wordt overgelegd aan de betrokken lidstaat en aan de Commissie. Het wordt op de internetsite van de Commissie gepubliceerd.
1. Uiterlijk vier jaar voor het evenement een aanvang moet nemen, draagt elk van de betrokken lidstaten een stad voor om Culturele Hoofdstad van Europa te worden en stelt het Europees Parlement, de Raad, de Commissie en het Comité van de Regio's hiervan in kennis.
De kennisgeving moet vergezeld gaan van een verantwoording van de voordracht op grond van de verslagen van de jury.
Bij de voordracht wordt rekening gehouden met de aanbevelingen van de jury.
2. Het Europees Parlement kan uiterlijk drie maanden na de ontvangst van de voordrachten door de betrokken lidstaten een advies aan de Commissie doen toekomen.
3. Op grond van een aanbeveling van de Commissie die is opgesteld in het licht van het advies van het Europees Parlement en de verantwoordingen op basis van de verslagen van de jury's wijst de Raad officieel de steden in kwestie aan als Culturele Hoofdsteden van Europa voor het jaar waarvoor zij zijn voorgedragen.
1. Er wordt een toezichts- en adviespanel ingesteld dat toezicht houdt op de tenuitvoerlegging van de doelstellingen en de criteria van de actie en dat de Culturele Hoofdsteden van Europa vanaf het moment dat ze worden aangewezen tot het begin van het evenement Culturele Hoofdstad van Europa ondersteunt en adviseert.
2. Het panel zal bestaan uit de zeven deskundigen die door het Europees Parlement, de Raad, de Commissie en het Comité van de Regio's zijn voorgedragen als bedoeld in artikel 6, lid 4. Daarnaast mag de desbetreffende lidstaat een waarnemer voor dit panel voordragen.
3. De steden in kwestie doen de Commissie uiterlijk drie maanden voor elke vergadering van het panel een voortgangsverslag toekomen.
4. De Commissie roept het panel en de vertegenwoordigers van de stad in kwestie bijeen. Het panel wordt tweemaal bijeengeroepen om de voorbereidingen voor het evenement te inventariseren en daarbij advies te verlenen, teneinde de steden bij de ontwikkeling van een kwaliteitsprogramma met een sterke Europese dimensie bij te staan. De eerste vergadering van het panel vindt uiterlijk twee jaar voor het evenement plaats. De tweede vergadering vindt uiterlijk acht maanden voor het evenement plaats.
5. Na elke vergadering stelt het panel een verslag op over de stand van zaken van de voorbereidingen voor het evenement, alsmede een lijst van te nemen stappen. In deze verslagen moet vooral worden gelet op de Europese toegevoegde waarde van het evenement conform de criteria die in artikel 4 en in de aanbevelingen in de verslagen van de jury en het toezichts- en adviespanel zijn vastgelegd.
6. Deze verslagen worden de Commissie en de desbetreffende steden en lidstaten toegezonden. Ze worden tevens op de website van de Commissie bekendgemaakt.
Op basis van het verslag dat het toezichts- en adviespanel na zijn tweede vergadering als bedoeld in artikel 10, lid 4, heeft uitgebracht, reikt de Commissie ter ere van Melina Mercouri een geldprijs uit aan de aangewezen steden die aan de in artikel 4 vastgelegde criteria voldoen en die de door de jury en het toezichts- en adviespanel aangedragen aanbevelingen hebben opgevolgd. Deze prijs wordt uiterlijk drie maanden voor het begin van het desbetreffende jaar uitgereikt.
Elk jaar verzekert de Commissie de externe en onafhankelijke evaluatie van de resultaten van het evenement 'Culturele Hoofdstad van Europa' van het voorgaande jaar overeenkomstig de in dit besluit vastgestelde doelstellingen en de criteria van de actie.
De Commissie presenteert uiterlijk aan het eind van het jaar volgend op het evenement 'Culturele Hoofdstad van Europa' een verslag over die evaluatie aan het Europees Parlement, de Raad en het Comité van de Regio's.
Besluit nr. 1419/1999/EG wordt hierbij ingetrokken. Dat besluit zal echter wel van toepassing blijven op die steden die zijn aangewezen als Culturele Hoofdsteden van Europa voor de jaren 2007, 2008 en 2009.
1. De steden die voor 2010 zijn aangewezen als Culturele Hoofdstad van Europa op grond van Besluit nr. 1419/1999/EG worden onderworpen aan de toezichtsprocedure vastgesteld in artikel 10 van dit besluit. De Commissie zal op grond van artikel 11 van dit besluit een prijs toekennen aan de aangewezen steden.
2. In afwijking van artikelen 3 tot en met 9 geldt voor de aanwijzing van de Culturele Hoofdsteden van Europa voor de jaren 2011 en 2012 de volgende besluitvormingsprocedure:
1. Steden in lidstaten worden als Culturele Hoofdsteden van Europa aangewezen, overeenkomstig de bijlage.
2. Elke lidstaat dient overeenkomstig de bijlage zijn voordracht voor één of meer steden in bij het Europees Parlement, de Raad, de Commissie en het Comité van de Regio's.
3. Deze voordracht gebeurt uiterlijk vier jaar voor de geplande aanvang van het desbetreffende evenement en kan vergezeld gaan van een aanbeveling van de betrokken lidstaat.
4. Elk jaar stelt de Commissie een jury samen die een verslag opstelt over de voordracht of voordrachten getoetst aan de doelstellingen en eigenschappen van deze actie.
5. De jury is samengesteld uit zeven toonaangevende onafhankelijke personen die deskundig zijn in de culturele sector; twee van hen worden aangewezen door het Europees Parlement, twee door de Raad, twee door de Commissie en één door het Comité van de Regio's.
6. De jury dient haar verslag in bij de Commissie, het Europees Parlement en de Raad.
7. Het Europees Parlement kan uiterlijk drie maanden na de ontvangst van het verslag een advies over de voordracht of voordrachten aan de Commissie doen toekomen.
8. Op grond van een aanbeveling van de Commissie, die is opgesteld in het licht van het advies van het Europees Parlement en van het verslag van de jury, wijst de Raad officieel de desbetreffende stad aan als Culturele Hoofdstad van Europa voor het jaar waarvoor zij werd voorgedragen.
3. In afwijking van artikel 4 van dit besluit, zullen de criteria vastgelegd in artikel 3 van en bijlage II bij Besluit nr. 1419/1999/EG van toepassing zijn op de Culturele Hoofdsteden van Europa van 2010, 2011 en 2012, tenzij de betreffende stad besluit haar programma te baseren op de criteria zoals vastgelegd in artikel 4 van dit besluit.
Dit besluit treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van zijn bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Het is van toepassing met ingang van 1 januari 2007, met uitzondering van artikel 5, dat van toepassing is met ingang van 23 november 2006.
Inhoud
- Artikel 1 - Onderwerp
- Artikel 2 - Toegang tot de actie
- Artikel 3 - Kandidaturen
- Artikel 4 - Criteria voor het culturele programma
- Artikel 5 - Indiening van kandidaturen
- Artikel 6 - Jury
- Artikel 7 - Preselectie
- Artikel 8 - Definitieve selectie
- Artikel 9 - Aanwijzing
- Artikel 10 - Toezichts- en adviespanel
- Artikel 11 - Prijs
- Artikel 12 - Evaluatie
- Artikel 13 - Intrekking
- Artikel 14 - Overgangsbepalingen
- Artikel 15 - Inwerkingtreding


