Toelichting bij COM(2005)439 - Specifiek programma dat door het Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek door middel van eigen acties moet worden uitgevoerd op grond van het zevende kaderprogramma van de EG voor activiteiten op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie (2007-2013)

Dit is een beperkte versie

U kijkt naar een beperkte versie van dit dossier in de EU Monitor.

1. CONTEXT VAN DE VOORSTELLEN

De vijf voorstellen voor specifieke programma’s sluiten aan op het voorstel van de Commissie voor een zevende kaderprogramma (2007-2013), aangenomen op 6 april 2005[1]. De voorgestelde structuur zijn vier specifieke programma’s – “Samenwerking”, “Ideeën”, “Mensen” en “Capaciteiten” – die elk overeenstemmen met een belangrijke doelstelling van het Europese onderzoeksbeleid, en één specifiek programma voor de eigen acties van het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek. De Commissie zal voorstellen indienen voor de “regels voor deelname en verspreiding” die van toepassing zijn op het zevende kaderprogramma.

De politieke context en doelstellingen zijn die welke zijn opgenomen in de Mededeling 'Bouwen aan de EOR van kennis voor groei'[2]. Het realiseren van deze doelstellingen en de volledige uitvoering van de specifieke programma’s zullen een verdubbeling vereisen van het budget zoals door de Commissie voorgesteld.

Onderzoek, technologie, onderwijs en innovatie zijn belangrijk om op lange termijn en op duurzame wijze banen te creëren. Zij zijn eveneens van essentieel belang voor economische groei, concurrentievermogen, gezondheid, levenskwaliteit en milieu. Het kaderprogramma voor onderzoek is, naast de communautaire programma’s op het gebied van onderwijs en innovatie, erop gericht om vorderingen te maken in de richting van de kenniseconomie en -maatschappij. De specifieke programma’s van het zevende kaderprogramma zijn bedoeld om, in combinatie met de nodige nationale en particuliere inspanningen, belangrijke zwaktes aan te pakken in het niveau, de kwaliteit en de impact van het Europese onderzoek. De verspreiding en overdracht van kennis is een essentiële toegevoegde waarde van de Europese onderzoeksacties, er er worden maatregelen genomen om het gebruik van de resultaten door de industrie, beleidsmakers en maatschappij te vergroten.

Europa moet eenvoudig meer investeren in onderzoek, en een nieuw accent is nodig indien de Europese Unie vorderingen wil maken in de richting van de doelstelling om tegen 2010 3% van haar BBP in onderzoek te investeren. Het zevende kaderprogramma zal hiertoe bijdragen, zowel via directe financiering, maar ook door als hefboom te fungeren voor aanvullende openbare en particuliere investeringen in onderzoek.

Europa heeft meer onderzoekers nodig om zijn onderzoeksinspanningen te vergroten en te verbeteren. Samen met andere acties, zoals het Europees Handvest voor Onderzoekers en nationale beleidsmaatregelen, beoogt het zevende kaderprogramma meer mensen te stimuleren om een onderzoeksloopbaan te beginnen en voort te zetten, en opnieuw leidend onderzoekstalent naar Europa aan te trekken.

Financiële steun op Europees niveau biedt kansen om de excellentie en effectiviteit van onderzoek te vergroten die niet op nationaal niveau kunnen worden gecreëerd. De specifieke programma’s van het zevende kaderprogramma houden een verdere consolidatie van de Europese Onderzoeksruimte in, brengen kritische massa en structuren op nieuwe onderzoeksgebieden en langs nieuwe wegen tot stand, en zorgen voor verdere ondersteuning van het vrije verkeer van ideeën, kennis en onderzoekers.

Tijdens de volledige uitvoeringsfase van de specifieke programma’s zal het potentieel voor acties op Europees niveau ter versterking van de excellentie op het gebied van onderzoek maximaal worden benut, met name door EU-wijde aanbestedingen ondersteund door een rigoureuze en onafhankelijke evaluatie van de voorstellen. Dit impliceert het aanwijzen en ondersteunen van bestaande excellentie overal waar deze in de Europese Unie voorhanden is alsmede het creëren van capaciteiten voor toekomstige onderzoeksexcellentie.

De impact van de specifieke programma's zal worden versterkt via complementariteit met andere communautaire beleidslijnen en programma’s, en met name de Structuurfondsen, de onderwijsprogramma's en het programma Concurrentievermogen en innovatie.

1.

2. VOORAFGAAND OVERLEG


Bij de opstelling van de voorstellen voor specifieke programma’s is rekening gehouden met de zienswijzen die door de EU-instellingen, met name het Europees Parlement en de Europese Raad, alsmede door andere stakeholders inclusief onderzoekers en gebruikers van onderzoek zijn geformuleerd. Daartoe behoren ook de lopende besprekingen en inspraak in verband met het voorstel voor de besluiten van het zevende kaderprogramma, het uitgebreide overleg en de inspraak tijdens de totstandkoming van dat voorstel, en verdere werkzaamheden in verband met het aanwijzen van toekomstige onderzoeksprioriteiten zoals die welke door de Europese Technologieplatforms worden ondernomen.

De voorstellen voor specifieke programma’s steunen op de grondige effectbeoordeling naar aanleiding van het voorstel voor het zevende kaderprogramma[3], waaruit de grote en specifieke toegevoegde waarde van elk voorgesteld specifiek programma naar voren is gekomen. Bovendien houden de voorstellen rekening met het resultaat van de vijfjarenbeoordeling van het kaderprogramma[4].

2.

3. JURIDISCHE ASPECTEN


De voorstellen voor de specifieke programma’s zijn gebaseerd op titel XVIII van het Verdrag, artikelen 163 tot 173, en met name artikel 166, lid 3, betreffende de uitvoering van het kaderprogramma door middel van specifieke programma’s.

3.

4. BUDGETTAIRE UITVOERING


Het bij elke voorgestelde beschikking bijgevoegde financieel memorandum behandelt de budgettaire implicaties en de personele en administratieve middelen.

De Commissie is voornemens een uitvoerend agentschap op te richten dat wordt belast met bepaalde taken vereist voor de uitvoering van de specifieke programma’s “Samenwerking”, “Mensen” en “Capaciteiten”. Deze benadering wordt eveneens gevolgd voor de uitvoering van het programma “Ideeën” (zie punt 7.2 hieronder).

4.

5. EEN COHERENTE EN FLEXIBELE UITVOERING


5.

5.1. Aanpassen aan nieuwe behoeften en kansen


Het is van vitaal belang dat de uitvoering van de specifieke programma’s voldoende flexibel is om Europa in staat te stellen aan de spits te blijven van de wetenschappelijke en technologische ontwikkelingen en in te spelen op opkomende wetenschappelijke, industriële, beleids- of maatschappelijke behoeften. Die acties welke de onderzoekers zelf in staat stellen onderwerpen aan te wijzen zullen bijzonder belangrijk zijn in dat opzicht. Voor andere acties zal een en ander in de eerste plaats worden gerealiseerd via de werkprogramma’s die jaarlijks zullen worden geactualiseerd. Dit zal gebeuren met hulp van de comités van vertegenwoordigers van de lidstaten voor zover erin is voorzien dat de comités zich duidelijk op de werkprogramma’s richten. Herzieningen kunnen er sneller komen wanneer nieuwe prioriteiten een urgent antwoord vereisen, met name prioriteiten die voortvloeien uit onvoorziene beleidsbehoeften.

Bij deze meerjarenprogrammering is veel ruimte voor inspraak om ervoor te zorgen dat de ondersteunde activiteiten relevant blijven voor de zich ontwikkelende onderzoeksbehoeften van de industrie en het EU-beleid. Er zal extern advies worden gevraagd, inclusief voor elk van de thema’s binnen het specifiek programma Samenwerking, met een effectieve multidisciplinaire en evenwichtige academische en industriële inbreng.

Voor het programma Ideeën zal een volledig nieuwe aanpak worden gevolgd, waarbij de opstelling van een jaarlijks werkprogramma zal worden toevertrouwd aan een onafhankelijke wetenschappelijke raad als onderdeel van de oprichting van een autonome Europese Onderzoeksraad (zie punt 7.2 hieronder).

Met name wat het programma Samenwerking betreft zal aanvullende externe inspraak worden bevorderd van met name de Europese Technologieplatforms die op diverse gebieden worden opgericht en een belangrijke en dynamische rol moeten spelen bij de zorg voor industriële relevantie. De onderzoeksprioriteiten die zijn aangewezen in de strategische onderzoeksagenda’s welke door de platforms zijn opgesteld zijn terdege in aanmerking genomen in de voorstellen voor specifieke programma’s, en er zal in belangrijke mate mee rekening worden gehouden in de meerjarenprogrammering.

Andere fora en groepen kunnen de Commissie te gelegener tijd advies verstrekken over nieuwe prioriteiten op bepaalde gebieden, zoals het Europees Strategieforum inzake onderzoeksinfrastructuren (ESFRI) en platforms die zijn opgezet om na te denken over strategische onderzoeksagenda’s welke relevant zijn voor sectoren van sociaal of milieubeleid.

Een belangrijke nieuwe kans die het kaderprogramma biedt betreft een innovatief financieringsmechanisme, de risicodelende financieringsfaciliteit , gericht op het bevorderen van OTO-uitgaven door de privé-sector door het verbeteren van de toegang tot leningen van de Europese Investeringsbank (EIB) voor grote Europese acties die vereisen dat meerdere financieringsbronnen, inclusief leningen, worden gecombineerd. Onder deze grote Europese acties worden verstaan “gezamenlijke technologie-initiatieven” en grote collaboratieve projecten die rechtstreeks uit het kaderprogramma op grond van het programma Samenwerking worden gefinancierd, en projecten voor nieuwe onderzoeksinfrastructuur krachtens het programma Capaciteiten. Andere grote Europese collaboratieve projecten zoals Eurekaprojecten komen eveneens in aanmerking, een en ander in overeenstemming met de subsidiabiliteitscriteria. De beoogde bijdrage uit de specifieke programma's aan de EIB zal in belangrijke mate de toegang tot financiering met vreemd vermogen verbeteren en daardoor een belangrijk hefboomeffect hebben op particuliere investeringen in OTO.

6.

5.2. Horizontale kwesties


De Commissie zal, rekening houdend met de gewaarborgde autonomie en onafhankelijkheid van de Europese Onderzoeksraad in het programma Ideeën, zorg dragen voor de algemene coherentie bij de uitvoering van het zevende kaderprogramma.

De werkprogramma’s van de andere specifieke programma’s zullen op gecoördineerde wijze worden herzien om ten volle rekening te kunnen houden met horizontale kwesties. Ook de comités van vertegenwoordigers van de lidstaten dragen een belangrijke verantwoordelijkheid in het bijstaan van de Commissie bij de zorg voor samenhang en coördinatie van de uitvoering binnen en over de specifieke programma’s heen. Dit impliceert een hoog niveau van coördinatie binnen de lidstaten en tussen de vertegenwoordigers in de comités in hun verschillende samenstellingen.

Voor zover te ondersteunen acties in hoge mate relevant zijn voor verschillende onderdelen van de specifieke programma’s Samenwerking, Mensen en Capaciteiten, zal van gezamenlijke uitnodigingen gebruik worden gemaakt waarbij wordt voortgebouwd op de ervaring die met het zesde kaderprogramma werd opgedaan. Dit zal bijzonder belangrijk zijn voor horizontale onderzoeksonderwerpen betreffende de thema’s van het programma Samenwerking, en dergelijke uitnodigingen zullen duidelijk worden aangewezen in het werkprogramma.

De volgende horizontale kwesties betreffende de specifieke programma’s Samenwerking, Mensen en Capaciteiten zijn van bijzonder belang en onderworpen aan speciale regelingen voor een gecoördineerde aanpak:

- Internationale samenwerking : al deze specifieke programma’s staan open voor internationale samenwerking, en hebben specifieke acties in dat opzicht. Een strategische benadering binnen het kaderprogramma bestaat erin de excellentie en het concurrentievermogen van het Europese onderzoek te bevorderen en specifieke algemene of regionale kwesties te behandelen voor zover er een wederzijds belang en voordeel bestaat. Overeenkomstig deze strategie zal worden gezorgd voor een coherente benadering in alle specifieke programma’s, en het programma Capaciteiten zal een belangrijke rol spelen in dat opzicht.

- Onderzoeksinfrastructuren: onderzoeksinfrastructuren worden vooral in het programma Capaciteiten ondersteund, en dit programma zal zorgen voor coördinatie met relevante onderzoeksactiviteiten in de andere programma’s, met name het programma Samenwerking.

- Horizontaal beleidsonderzoek : er zullen regelingen worden getroffen voor effectieve coördinatie binnen de Commissiediensten, met name om ervoor te zorgen dat de activiteiten blijven inspelen op de behoeften van de ontwikkelingen in het EU-beleid. Hiertoe kan bij de meerjarenprogrammering een beroep worden gedaan op de gebruikersgroepen van de verschillende Commissiediensten die te maken hebben met de betrokken beleidssector; voorts zal in deze context een interne structuur worden gecreëerd om te zorgen voor de coördinatie van mariene wetenschap en technologieën binnen de relevante thematische gebieden.

- KMO-deelname : de deelname van KMO’s zal worden geoptimaliseerd binnen de specifieke programma’s. Naast de versterkte KMO-specifieke acties in het programma Capaciteiten wordt met de onderzoeksbelangen van de KMO’s rekening gehouden in het programma Samenwerking en zullen onderwerpen die van bijzonder belang zijn voor de KMO’s nader worden aangewezen in de werkprogramma’s en uitnodigingen tot het indienen van voorstellen; bij de activiteiten in het programma Mensen wordt speciaal de klemtoon gelegd op de rol van de KMO’s; en de KMO’s zullen ook kunnen deelnemen aan het programma Ideeën. De beoogde vereenvoudigingsmaatregelen en de verhoogde flexibiliteit bij het kiezen van het adequate financieringssysteem zullen met name KMO-deelname in de hand werken.

- Verspreiding en overdracht van kennis : de noodzaak om de verspreiding van onderzoeksresultaten te bevorderen is een belangrijk element in alle specifieke programma’s, waarbij de nadruk vooral ligt op de overdracht van kennis tussen landen, over de disciplines heen en van de academische wereld naar de industrie, inclusief via de mobiliteit van onderzoekers. Het betrekken van potentiële gebruikers bij het helpen vaststellen van prioriteiten (met name via de Europese Technologieplatforms) is in dat opzicht belangrijk. De complementaire acties krachtens het programma Concurrentievermogen en innovatie zullen het gebruik van onderzoeksresultaten eveneens versterken door innovatiebelemmeringen aan te pakken en innovatiecapaciteiten te versterken.

- Wetenschap in de maatschappij : deze activiteit in het programma Capaciteiten zal eveneens een rol spelen in zoverre deze ervoor zal zorgen dat maatschappelijke aspecten naar behoren in aanmerking worden genomen in alle specifieke programma’s, en interacties tussen wetenschappers en het grote publiek worden uitgediept.

7.

6. METHODEN VOOR VEREENVOUDIGING EN BEHEER


In aansluiting op de ideeën die worden gepresenteerd in het werkdocument van de Commissie van 6 april 2005 en een uitgebreide dialoog met de lidstaten en stakeholders op basis van dat document zal een belangrijke vereenvoudiging worden gerealiseerd in de uitvoering van het zevende kaderprogramma. Veel van de voorgestelde maatregelen worden gepresenteerd in de regels voor deelname en verspreiding, met name maatregelen om de bureaucratie sterk te verminderen en de financieringssystemen en rapportage-eisen te vereenvoudigen.

Binnen de specifieke programma’s hebben de voorgestelde verbeteringen betrekking op:

- Verbeterde efficiency en consistentie inn uitvoering via de externalisering van administratieve taken aan een uitvoerend agentschap.

- Rationalisering van de financieringssystemen waarbij elk specifiek programma wordt uitgevoerd met de instrumenten die nodig zijn om de doelstellingen van het programma te realiseren.

- Een duidelijkere presentatie van de evaluatiecriteria in de werkprogramma’s overeenkomstig de principes die zijn opgenomen in elk specifiek programma.

- Duidelijk gepresenteerde werkprogramma’s zodat potentiële deelnemers goed geïnformeerd zijn over de beschikbare mogelijkheden die aan hun bepaalde behoeften en belangen voldoen. Zo zullen in de werkprogramma’s en uitnodigingen waar nodig onderwerpen naar voren worden gehaald die van bijzonder belang zijn voor KMO’s of in verband waarmee samenwerking met derde landen nuttig is.

- Vereenvoudigingen in andere opzichten, zoals het stroomlijnen van de goedkeuring van projecten, de nieuwe financierings- en steunsystemen, en verder gebruik van databases en informatietools met het oog op betere communicatie.

7. INHOUD VAN DE SPECIFIEKE PROGRAMMA’S

8.

7.1. Samenwerking


Het specifiek programma Samenwerking is bedoeld om leiderschap te verkrijgen op essentiële wetenschappelijke en technologische gebieden door het ondersteunen van samenwerking tussen universiteiten, industrie, onderzoekcentra en overheden in heel de Europese Unie en in de rest van de wereld. Uit eerdere kaderprogramma’s blijkt dat dergelijke acties wel degelijk een impact hebben op inspanningen om het onderzoek in Europa te herstructureren en de middelen te bundelen en een hefboomwerking te geven. Het zevende kaderprogramma zal ervoor zorgen dat deze effecten zich op grotere schaal doen gevoelen, en de negen voorgestelde thema’s stemmen overeen met de belangrijkste terreinen voor bevordering van kennis en technologie, waar excellent onderzoek moet worden versterkt om de Europese uitdagingen op sociaal, economisch, milieu-, industriegebied en op het gebied van volksgezondheid aan te pakken.

Het programma neemt op bepaalde punten heel wat over uit vorige kaderprogramma’s en bouwt op de aangetoonde toegevoegde waarde van dergelijke Europese steun. Er zijn in dit specifiek programma bovendien belangrijke nieuwigheden die in verband met de uitvoering speciale aandacht vereisen:

- Inspelen op de behoefte aan ambitieuze pan-Europese publiek/private partnerschappen om de ontwikkeling van belangrijke technologieën te versnellen via het opstarten van gezamenlijke technologie-initiatieven [5]. Een eerste pakket initiatieven met duidelijke doelstellingen en prestaties werd vastgesteld op de gebieden innovatieve geneeskunde, nanoelektronica, ingebedde computersystemen, waterstof en brandstofcellen, luchtvaart- en luchtverkeersbeheer en wereldwijde monitoring voor milieu en veiligheid. Deze zijn het voorwerp van afzonderlijke voorstellen (bv. op grond van artikel 171 van het Verdrag). Tijdens de uitvoering van het zevende kaderprogramma kunnen nog andere gezamenlijke technologie-initiatieven worden aangewezen, bijvoorbeeld op het gebied van elektriciteitsopwekking met nulemissie en hernieuwbare energie.

- Een versterkte aanpak van de coördinatie van nationale onderzoeksprogramma’s. Het succesvolle ERA-NET -systeem wordt voortgezet en geïmplementeerd binnen de thema’s. Bestaande ERA-NET’s uit het zesde kaderprogramma worden in de mogelijkheid gesteld follow-upvoorstellen in te dienen om hun samenwerking te verdiepen of de consortia uit te breiden tot nieuwe deelnemers, en er wordt ondersteuning gegeven aan nieuwe ERA-NET’s om nieuwe onderwerpen aan te pakken. Het systeem zal eveneens openstaan voor overheidsinstanties die een onderzoeksprogramma plannen dat nog niet loopt. Daarnaast zal een ERA-NET-plus systeem worden ingevoerd om een prikkel te verschaffen voor gezamenlijke uitnodigingen voor transnationale onderzoeksprojecten die onder een aantal landen worden georganiseerd.

- In navolging van het experiment met het Partnerschap voor klinische proeven tussen Europese en ontwikkelingslanden (EDCTP), een artikel 169-initiatief, zijn nog vier andere artikel 169-initiatieven aangewezen met nauwe samenwerking van de lidstaten. Deze initiatieven op het gebied van ambient assisted living, Oostzeeonderzoek en metrologie worden opgenomen in het programma Samenwerking; een artikel 169-initiatief om nationale KMO-gerelateerde onderzoeksprogramma’s samen te brengen wordt vermeld in het programma Capaciteiten. Tijdens de uitvoering van het zevende kaderprogramma kunnen nog andere initiatieven worden aangewezen.

- Er is voorzien in een meer gerichte benadering van internationale samenwerking binnen elk thema en over de thema’s heen, waarbij specifieke samenwerkingsacties in de werkprogramma’s moeten worden aangewezen overeenkomstig de beoogde strategische benadering van internationale samenwerking en via beleidsdialogen en netwerken met verschillende regio’s of partnerlanden.

- In het kader van elk thema wordt een component ondersteund om een flexibel inspelen mogelijk te maken op opkomende behoeften en onvoorziene beleidsbehoeften ; voor de uitvoering wordt voortgebouwd op de ervaring met de programma’s voor wetenschappelijke steun voor beleid en nieuwe en opkomende wetenschap en technologie die zijn ingevoerd met het zesde kaderprogramma, alsmede het programma voor toekomstige en opkomende technologie op ICT-gebied.

9.

7.2. Ideeën


Europa presteert niet goed in termen van echt uitstekend onderzoek of het beheersen van nieuwe snelgroeiende wetenschapsgebieden. Het programma Ideeën voorziet in een pan-Europees mechanisme voor het ondersteunen van echt creatieve wetenschappers, ingenieurs en geleerden, van wie de nieuwsgierigheid en dorst naar kennis het meeste uitzicht bieden op de onvoorspelbare en spectaculaire ontdekkingen die de voortgang van het menselijke inzicht kunnen veranderen en nieuwe perspectieven voor technologische vooruitgang en het oplossen van aanslepende sociale en milieuproblemen kunnen openen. Het opvoeren van de kwaliteit van fundamenteel onderzoek via Europawijde concurrentie zal belangrijke sociale en economische voordelen genereren[6].

In het programma “Ideeën” wordt de term grensverleggend onderzoek gebruikt die de uitdrukking is van een nieuw begrip van fundamenteel onderzoek. “Grensverleggend onderzoek”, dat een speerpuntpositie inneemt in het creëren van nieuwe kennis, is een intrinsiek riskante onderneming waarbij fundamentele vorderingen in wetenschap, technologie en engineering worden nagestreefd zonder rekening te houden met bestaande grenzen tussen disciplines of nationale grenzen.

Dit programma volgt een benadering die erin bestaat dat projecten 'door onderzoekers worden aangestuurd', waardoor onderzoekers de ruimte krijgen om hun eigen onderwerpen voor te stellen. Er worden subsidies verleend voor individuele teams, zodat een team kan kiezen voor een samenstelling die geschikt is voor het uitvoeren van een project en onderzoekers kan aantrekken uit één of meerdere instellingen, en nationaal of internationaal kan opereren. In alle gevallen moeten wetenschappelijke excellentie en niet administratieve eisen bepalend zijn bij de vorming van de teams. Het programma verschilt van nationale financieringsacties voor fundamenteel onderzoek door zijn strategische doelstellingen en Europese reikwijdte.

De oprichting van een Europese Onderzoeksraad (ERC) voor het uitvoeren van het programma Ideeën betekent een nieuwe start. Twee essentiële structurele componenten van de ERC worden opgericht – een onafhankelijke Wetenschappelijke Raad en een specifieke uitvoeringsstructuur. De ERC werkt volgens de beginselen van vertrouwen, geloofwaardigheid en transparantie, moet adequate financiële middelen verstrekken, zeer efficiënt werken, een hoge mate van autonomie en integriteit waarborgen en voldoen aan de eisen van aanspreekbaarheid.

De Wetenschappelijke Raad bestaat uit vertegenwoordigers van de Europese wetenschappelijke wereld op het hoogste niveau, die handelen op persoonlijke titel, onafhankelijk van politieke of andere belangen. De leden ervan worden aangesteld door de Commissie na een onafhankelijke aanwijzingsprocedure.

Het mandaat van de Wetenschappelijke Raad omvat:

1. Wetenschappelijke strategie : Opstelling van de algemene wetenschappelijke strategie voor het programma in het licht van wetenschappelijke kansen en Europese wetenschappelijke behoeften. Op permanente basis, in overeenstemming met de wetenschappelijke strategie, de opstelling van het werkprogramma en nodige wijzigingen, inclusief uitnodigingen tot het indienen van voorstellen en criteria op basis waarvan voorstellen moeten worden gefinancierd, en, zo nodig, de vaststelling van specifieke onderwerpen of doelgroepen (bijvoorbeeld jonge/opkomende teams).

2. Monitoring en kwaliteitscontrole : In voorkomend geval, vanuit wetenschappelijk oogpunt, standpuntbepalingen inzake uitvoering en beheer van uitnodigingen tot het indienen van voorstellen, evaluatiecriteria, peer review-processen inclusief de selectie van deskundigen en de methoden voor peer review en voorstelevaluatie, op basis waarvan het te financieren voorstel zal worden bepaald, alsook alle andere aangelegenheden die van invloed zijn op de prestaties en impact van het specifiek programma, en de kwaliteit van het uitgevoerde onderzoek. Monitoring van de kwaliteit van de activiteiten en evaluatie van de programma-uitvoering en –prestaties en aanbevelingen voor corrigerende of toekomstige acties.

3. Communicatie en verspreiding: Communicatie met de wetenschappelijke wereld en belangrijkste stakeholders over de activiteiten en prestaties van het programma en de beraadslagingen van de ERC. Regelmatige rapportage aan de Commissie over zijn activiteiten.

De specifieke uitvoeringsstructuur is verantwoordelijk voor de uitvoering van het programma, zoals geregeld in het jaarlijkse werkprogramma. Deze structuur geeft met name uitvoering aan de evaluatieprocedures, de peer review en het selectieproces overeenkomstig de door de Wetenschappelijke Raad vastgestelde beginselen en draagt zorg voor het financiële en wetenschappelijke beheer van de subsidies. In dit verband is de Commissie in eerste instantie voornemens een uitvoerend agentschap op te richten waaraan zij de uitvoeringstaken zal delegeren. De uitvoeringsstructuur onderhoudt continu nauwe contacten met de Wetenschappelijke Raad over alle aspecten van de programma-uitvoering. Later, en behoudens een onafhankelijke evaluatie van de efficiency van de structuren en mechanismen van de ERC, kan een alternatieve structuur, bijvoorbeeld krachtens de bepalingen van artikel 171 van het Verdrag worden opgericht.

De Europese Commissie staat borg voor de volledige autonomie en integriteit van de Europese Onderzoeksraad. Dit betekent dat de verantwoordelijkheid van de Commissie voor de uitvoering van het programma inhoudt dat zij er zorg voor draagt dat de uitvoeringsstructuur van de ERC wordt opgericht, en dat het programma door de ERC wordt uitgevoerd overeenkomstig de doelstellingen, de wetenschappelijke richtsnoeren en de eisen van wetenschappelijke excellentie, zoals deze worden bepaald door de Wetenschappelijke Raad, die onafhankelijk optreedt.

De Commissie is verantwoordelijk voor de formele goedkeuring van het werkprogramma voor het programma “Ideeën”. Zij oefent deze verantwoordelijkheid uit overeenkomstig de hierboven behandelde benadering. In principe keurt de Commissie het werkprogramma goed zoals het wordt voorgesteld door de Wetenschappelijke Raad. Indien de Commissie het werkprogramma niet kan goedkeuren zoals voorgesteld, bijvoorbeeld omdat het niet voldoet aan de doelstellingen van het programma of niet in overeenstemming is met andere communautaire wetgeving, dient de Commissie dit publiek te motiveren. Deze procedure is bedoeld om de transparante werking van de ERC overeenkomstig de beginselen van autonomie en integriteit te waarborgen.

10.

7.3. Mensen


Het specifiek programma Mensen maakt deel uit van een brede en geïntegreerde strategie om de human resources op het gebied van O&O in Europa kwalitatief en kwantitatief te versterken. Het programma wil mensen stimuleren om een onderzoekscarrière te beginnen en voort te zetten, onderzoekers aanmoedigen om in Europa te blijven en de knapste koppen naar Europa aantrekken. De Europese acties krijgen vanwege geharmoniseerde instrumenten, sterkere structurerende effecten en grotere efficiency een unieke toegevoegde waarde ten opzichte van bilaterale regelingen tussen de lidstaten.

De activiteiten bouwen voort op de lange en succesvolle ervaring met de Marie Curie-acties bij het inspelen op de behoeften van onderzoekers aan opleiding, mobiliteit en loopbaanontwikkeling. Hoewel er een belangrijke mate van continuïteit is, krijgen de volgende aspecten meer aandacht:

- Een verhoogd structurerend effect , bijvoorbeeld door de invoering van medefinanciering van regionale, nationale en internationale programma’s binnen de actielijn “permanente educatie en loopbaanontwikkeling”. De “medefinancieringsmodus” komt niet in de plaats van de modus waarbij individuele postdoctorale beurzen worden aangevraagd en toegekend op Europees niveau, zoals momenteel uitsluitend de praktijk is in het zesde kaderprogramma. De individuele beurzen hebben echter een stadium van maturiteit bereikt in Europa. Tegelijkertijd blijft het nationale aanbod op dit gebied gefragmenteerd in termen van doelstellingen, evaluatiemethoden en arbeidsvoorwaarden, en is het nog steeds vaak beperkt qua internationale of Europese dimensie. Er wordt derhalve voorgesteld op basis van open uitnodigingen tot het indienen van voorstellen een geselecteerd aantal van deze programma’s te cofinancieren dat aan de doelstellingen van het kaderprogramma voldoet. Evaluatie en selectie gebeuren op basis van merite zonder beperkingen betreffende de herkomst van de geselecteerde bursalen, en onder toepassing van aanvaardbare arbeidsvoorwaarden en werkomstandigheden (in termen van bijvoorbeeld salaris, sociale zekerheid, mentoraat, professionele ontwikkeling).

- Deelname van de industrie : terwijl de “bottom-up”-benadering van de Marie Curie-acties wordt behouden wordt een sterker accent gelegd op opleiding en loopbaanontwikkeling voor en in verschillende sectoren, met name in de privé-sector. Hiertoe wordt de klemtoon gelegd op de ontwikkeling van complementaire kunde en kennis, cruciaal voor een beter begrip van onderzoek in het bedrijfsleven en voor de kwaliteit van dat onderzoek. Een en ander zal worden versterkt door het stimuleren van intersectorale ervaringen via actieve deelname van de industrie aan alle acties en door het opzetten van het specifieke systeem voor kennisdeling via partnerschappen tussen de publieke en private sector, inclusief met name de KMO’s.

- De internationale dimensie wordt versterkt. Naast het verlenen van beurzen voor Europese wetenschappers die buiten Europa gaan werken (met een ingebouwde verplichte terugkeerfase), dit om bij te dragen tot de permanente educatie en loopbaanontwikkeling van EU-onderzoekers, wordt de internationale samenwerking via onderzoekers uit derde landen verder uitgebouwd. Daarnaast worden nieuwe dimensies geïntroduceerd voor samenwerking met landen die grenzen aan de EU en landen die overeenkomsten op het gebied van W&T met de EU hebben gesloten. Verder wordt steun verleend aan “wetenschappelijke diaspora’s” van Europese onderzoekers in het buitenland en buitenlandse onderzoekers in Europa.

11.

7.4. Capaciteiten


Het specifiek programma Capaciteiten versterkt de onderzoeks- en innovatiecapaciteit in heel Europa. Het programma is een combinatie van voortzetting en versterking van acties in vorige kaderprogramma’s en daarnaast belangrijke nieuwigheden.

Een belangrijk nieuw element is de beoogde strategische benadering van het ondersteunen van de bouw van nieuwe onderzoeksinfrastructuur ter aanvulling van de continue steun voor optimaal gebruik van bestaande onderzoeksinfrastructuur. De ondersteuning voor de bouw van nieuwe infrastructuur wordt geïmplementeerd via een tweefasige aanpak: voorbereidingsfase en bouwfase. Voortbouwend op de werkzaamheden van het ESFRI (het Europees Strategieforum inzake onderzoeksinfrastructuur) betreffende de ontwikkeling van een Europese roadmap voor nieuwe onderzoeksinfrastructuur zal de Commissie prioriteitsprojecten aanwijzen waaraan mogelijke EG-steun kan worden verstrekt uit hoofde van het zevende kaderprogramma. Voor deze projecten zal de Commissie optreden als facilitator, met name door het faciliteren van mechanismen voor financiële engineering voor de bouwfase, inclusief faciliterende toegang tot EIB-leningen via de risicodelende financieringsfaciliteit. In bijlage 1 wordt de 'list of opportunities' van ESFRI gepresenteerd, die uit concrete voorbeelden bestaat van nieuwe, grootschalige onderzoeksinfrastructuren die de wetenschapswereld in Europa nodig zal hebben in het komende decennium.

De twee regelingen ter ondersteuning van onderzoek ten behoeve van KMO's en KMO-associaties worden voortgezet met een verhoogd budget om in te spelen op de groeiende behoefte van KMO's om onderzoek uit te besteden.

De acties inzake kennisregio’s bouwen voort op de succesvolle pilotactie. Het doel is transnationale netwerken van regio’s in de mogelijkheid te stellen ten volle gebruik te maken van hun sterke punten inzake onderzoek en nieuwe kennis uit onderzoek op te nemen, en het ontstaan te vergemakkelijken van “door onderzoek aangestuurde clusters” waarbij universiteiten, onderzoekscentra, ondernemingen en regionale overheden zijn betrokken.

Een belangrijk nieuw element is de actie voor het ontsluiten van het volledige onderzoekspotentieel in de “convergentieregio’s” en ultraperifere regio's van de EU. De totstandbrenging van de kenniseconomie en -maatschappij steunt op het versterken van de excellentie van het Europese onderzoek, maar ook op een beter gebruik van “onaangeboord” hoog onderzoekspotentieel dat overal in de EU bestaat. De acties zullen de mogelijkheid bieden tot het rekruteren van onderzoekers uit andere EU-landen, de detachering van onderzoeks- en beheerspersoneel, de organisatie van evaluatiefaciliteiten en de aanschaf en ontwikkeling van onderzoeksuitrusting. Dergelijke acties voorzien, naast de acties van de Structuurfondsen, in de behoeften en kansen voor het versterken van de onderzoekscapaciteiten van bestaande en opkomende centra van excellentie in deze regio’s.

Wetenschap in de maatschappij is een belangrijke uitbreiding van de werkzaamheden in het vorige kaderprogramma. Het zal betere wetenschappen bevorderen, leiden tot beter EU-beleid en een meer betrokken en geïnformeerd publiek.

Een belangrijk doel van het zevende kaderprogramma is een sterk en coherent internationaal wetenschaps- en technologiebeleid uit te bouwen; de activiteiten van het programma Capaciteiten zullen deze benadering ondersteunen, met name door prioriteiten voor samenwerking te helpen vaststellen.

Door de coherente beleidsontwikkeling zal meer de nadruk komen te liggen op de coördinatie van nationaal en regionaal onderzoeksbeleid via een specifiek ondersteuningssysteem voor transnationale beleidssamenwerkingsinitiatieven van de lidstaten en regio’s. Dit zal de uitvoering van de open coördinatiemethode voor het onderzoeksbeleid versterken en zal bevorderlijk zijn voor gecoördineerde of gezamenlijke initiatieven tussen groepen van landen en regio’s op gebieden die een sterke transnationale dimensie hebben.

12.

7.5. Acties van het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek


Terwijl het GCO doorgaat met wetenschappelijke en technische ondersteuning van de EU-beleidsvorming zal het zijn klantgestuurde koers en sterke netwerking met de wetenschappelijke wereld verder versterken. Het zal zijn activiteiten ontwikkelen in de specifieke context van groei, duurzame ontwikkeling en veiligheid.

De acties van het GCO zullen ook inspelen op de oproep tot “betere regelgeving” van de nieuwe Lissabonagenda. Aan nieuwe uitdagingen in verband met de groeiende noodzaak om te reageren op crisissen, noodsituaties en urgente beleidsverplichtingen zal worden voldaan door het opbouwen van capaciteiten en faciliteiten op geselecteerde gebieden met het oog op het verlenen van adequate ondersteuning in een EU-context. Een geïntegreerde benadering van de wetenschappelijke en technische beleidsondersteuning is eveneens een hoofdkenmerk van dit specifiek programma.

13.

8. BOUWEN AAN DE EOR VAN KENNIS VOOR GROEI


Het verwezenlijken van de noodzakelijke snelle vooruitgang in de richting van een kenniseconomie en -maatschappij vereist nieuwe ambitie en effectiviteit in het Europese onderzoek. Alle actoren in de Europese Unie – nationale overheden, onderzoeksinstellingen, industrie – hebben hun rol te spelen in deze onderneming.

De specifieke programma’s ter uitvoering van het zevende kaderprogramma strekken ertoe het hefboomeffect en de impact van de onderzoeksuitgaven op Europees niveau binnen het beschikbare budget te maximaliseren. Hoofdkenmerken zijn de focus op vier doelstellingen in de overeenkomstige specifieke programma’s, met activiteiten en middelen van uitvoering om deze doelstellingen te halen; een grote mate van continuïteit samen met belangrijke nieuwe benaderingen; een consistente focus op het ondersteunen van bestaande excellentie en het creëren van de capaciteit voor de onderzoeksexcellentie van morgen; een gestroomlijnd en vereenvoudigd beheer om te zorgen voor gebruikersvriendelijkheid en kosteneffectiviteit; en ingebouwde flexibiliteit zodat het kaderprogramma kan inspelen op nieuwe behoeften en kansen.

14.

Bijlage 1


"LIST OF OPPORTUNITIES” VAN ESFRI[7]

- Facility for Antiproton and Ion Research (FAIR)

- Faciliteit voor intense secundaire straling van onstabiele isotopen (SPIRAL II)

- Europese neutrinotelescoop op de bodem van de zee (KM3NeT)

- Extremely Large Telescope (ELT) voor optische astronomie

- Pan-European Research Infrastructure for Nano -Structures (PRINS)

- European Spallation Source (ESS) – neutronenbron

- European XFEL – voor harde röntgenstraling

- IRUVX FELs Network – van infraroodstraling tot zachte röntgenstraling

- ESRF upgrade – synchrotron

- High Performance Computer for Europe (HPCEUR)

- Mariene vaartuig voor kustonderzoek – vooral Oostzee

- Research Icebreaker Aurora Borealis

- European Multidisciplinary Seafloor Observatory (EMSO)

- Europese infrastructuur voor onderzoek naar en bescherming van de biodiversiteit

- Geavanceerde infrastructuur voor beeldvorming van de hersenen en het gehele lichaam

- Bioinformatica-infrastructuur voor Europe

- Europees netwerk van centra voor geavanceerd klinisch onderzoek

- Europees netwerk van biobanken en genomische hulpbronnen

- Hogeveiligheidslaboratoria voor opkomende ziekten en bedreigingen van de volksgezondheid

- Infrastructuur voor functionele analyse van een geheel zoogdiergenoom

- Modeldierfaciliteiten voor biomedisch onderzoek

- European Research Observatory for the Humanities and Social Sciences (EROHS)

- European Social Survey (ESS)

"Mondiale projecten"

- ITER

- International Space Station (ISS)

- International Linear Collider (ILC)

- Square Kilometer Array (SKA) – radiotelescoop

- International Fusion Materials Irradiation Facility (IFMIF)