Toelichting bij COM(2008)727 - Wijziging van richtlijn 2003/48/EG betreffende belastingheffing op inkomsten uit spaargelden in de vorm van rentebetaling

Dit is een beperkte versie

U kijkt naar een beperkte versie van dit dossier in de EU Monitor.

1. Inleiding

Richtlijn 2003/48/EG van de Raad van 3 juni 2003 betreffende belastingheffing op inkomsten uit spaargelden in de vorm van rentebetaling (hierna 'de spaarrichtlijn' genoemd) is sinds 1 juli 2005 in de lidstaten van de EU van toepassing. Het uiteindelijke doel van de spaarrichtlijn, zoals overeengekomen op de Europese Raad van 19 en 20 juni 2000 te Santa Maria de Feira en op de vergadering van de Ecofin-Raad van 26 en 27 november 2000, is ervoor te zorgen dat inkomsten uit spaargelden in de vorm van rentebetalingen die in een lidstaat worden verricht aan de natuurlijke personen die eigenaar zijn van die spaargelden en die hun fiscale woonplaats in een andere lidstaat hebben aan een effectieve belastingheffing worden onderworpen overeenkomstig de wetgeving van hun woonstaat.

Toen de spaarrichtlijn in 2005 in werking trad, was het duidelijk dat het aanbeveling verdiende verdere verfijningen aan te brengen om rekening te houden met de ontwikkelingen in spaarproducten en het gedrag van beleggers. De nationale belastingdiensten zijn inkomsten uit sommige vormen van innoverende financiële producten ook steeds meer gaan behandelen als inkomsten die vergelijkbaar zijn met rente op schuldvorderingen. Om met dergelijke ontwikkelingen rekening te houden, is in de spaarrichtlijn bepaald dat de Commissie om de drie jaar verslag bij de Raad uitbrengt over de werking van de spaarrichtlijn en dat zij zo nodig wijzigingen zal voorstellen in het licht van deze verslagen om een effectieve belastingheffing over inkomsten uit spaargelden te waarborgen en concurrentievervalsing tegen te gaan.

Tegen deze achtergrond heeft de Commissie op 15 september 2008 een eerste verslag (COM(2008) 552 definitief, Raadsdocument 13124/08 FISC 117) bij de Raad ingediend over de toepassing van de spaarrichtlijn in de eerste drie jaar waarin deze van kracht was. Dit verslag is gebaseerd op overleg met de belastingdiensten van de EU-lidstaten, gegevens die deze hebben verstrekt over de eerste twee jaren van toepassing van de spaarrichtlijn en de bevindingen van een deskundigengroep die de Commissie in 2007 heeft opgericht om het advies in te winnen bij die sectoren van het bedrijfsleven waarvoor de spaarrichtlijn gevolgen heeft of waarschijnlijk zal hebben.

Zoals in het verslag wordt uiteengezet, heeft de spaarrichtlijn bewezen doeltreffend te zijn binnen de grenzen van haar toepassingsgebied. Ze heeft ook indirecte, niet-meetbare en positieve resultaten gehad op het gebied van de naleving van de wetgeving door belastingplichtigen. Bij de evaluatie is evenwel gebleken dat de huidige reikwijdte van de spaarrichtlijn niet geheel in overeenstemming is met de ambities die zijn weergegeven in de conclusies van de Raad van 26 en 27 november 2000. In het verslag werd er met name op gewezen dat de definitie van 'uiteindelijke gerechtigde' en van 'uitbetalende instantie' moesten worden gewijzigd, alsmede de behandeling van financiële instrumenten die vergelijkbaar zijn met die welke reeds uitdrukkelijk onder de spaarrichtlijn vallen en enkele procedureaspecten.

Op grond van het verslag stelt de Commissie voor de spaarrichtlijn te wijzigen, rekening houdend met de administratieve lasten en de opvattingen van de belastingdiensten van de lidstaten en van de groep van deskundigen, overeenkomstig de in artikel 5 van het Verdrag neergelegde beginselen van subsidiariteit en evenredigheid.

1.

2. Opmerkingen over de voorgestelde wijzigingen van de spaarrichtlijn


2.

2.1. Artikel 1 van het voorstel


De belangrijkste wijzigingsvoorstellen hebben betrekking op de definitie van inkomsten uit spaargelden, gelet op de ontwikkeling van spaarproducten in de afgelopen jaren. Doel van de voorgestelde wijzigingen is dat niet alleen inkomsten uit spaargelden in de vorm van rentebetalingen onder de spaarrichtlijn vallen, maar ook andere, in wezen vergelijkbare inkomsten uit innovatieve financiële producten en uit bepaalde, met schuldvorderingsproducten vergelijkbare levensverzekeringsproducten. Indien er meer uitgebreide systemen zijn voor de uitwisseling van informatie tussen de belastingdiensten van de EU-lidstaten over het volledige gamma van levensverzekeringsovereenkomsten, zou opnieuw onderzocht kunnen worden of uitkeringen in het kader van levensverzekeringen onder de spaarrichtlijn moeten vallen.

Ook wordt voorgesteld het toepassingsgebied van de spaarrichtlijn, op bepaalde voorwaarden, uit te breiden tot rentebetalingen aan sommige rechtspersonen en juridische constructies ten gunste van uiteindelijk gerechtigden die natuurlijke personen zijn. Belangrijke verfijningen worden ook voorgesteld van de definitie van de 'uitbetalende instantie bij ontvangst van een rentebetaling' om de effectiviteit van dit mechanisme en de rechtszekerheid te verbeteren.

3.

Voorgestelde wijzigingen van de artikelen 1 en 2 van de spaarrichtlijn


De artikelen 1 en 2 hebben momenteel uitsluitend betrekking op rentebetalingen die worden verricht ten onmiddellijke gunste van natuurlijke personen. De wijziging van artikel 1 wordt slechts voorgesteld om dit artikel in overeenstemming te brengen met de uitgebreide definitie van 'rentebetaling' die voor artikel 6 wordt voorgesteld.

Voor artikel 2 worden meer ingrijpende wijzigingen voorgesteld. De spaarrichtlijn heeft momenteel geen betrekking op betalingen aan rechtspersonen en juridische constructies die in handen zijn van natuurlijke personen. Door deze beperking kunnen natuurlijke personen de spaarrichtlijn omzeilen door gebruik te maken van een tussengeschoven rechtspersoon of constructie.

Het lijkt geen passende oplossing het toepassingsgebied van de spaarrichtlijn zonder meer uit te breiden tot alle betalingen aan rechtspersonen en juridische constructies die in andere lidstaten of niet-EU-rechtsgebieden zijn gevestigd.

Het lijkt meer aangewezen uitbetalende instanties die de antiwitwasverplichtingen in acht moeten nemen te vragen de informatie waarover zij op grond van die verplichtingen reeds beschikken te gebruiken, voor zover die informatie betrekking heeft op de feitelijke uiteindelijke gerechtigde(n) van een betaling aan sommige rechtspersonen of constructies (de zogenaamde 'doorkijkbenadering'). De uitbetalende instanties in de EU moeten hun aandacht slechts richten op rechtspersonen en constructies in geselecteerde rechtsgebieden buiten de EU, wanneer een passende belastingheffing over inkomsten uit rentebetalingen aan die rechtspersonen of constructies niet is gewaarborgd. Wanneer de uiteindelijke gerechtigde die voor antiwitwaspraktijken is geïdentificeerd een natuurlijke persoon is die in een andere EU-lidstaat woont, moet de betaling door de uitbetalende instantie in de EU worden behandeld als een rechtstreekse betaling aan deze uiteindelijke gerechtigde.

Opgemerkt wordt dat de doorkijkbenadering niet de beste optie is om de uiteindelijke gerechtigde te identificeren wanneer in de EU gevestigde marktdeelnemers rente betalen aan andere, eveneens in de EU gevestigde marktdeelnemers en daardoor onder de definitie van 'uitbetalende instantie' vallen. Dit zou tot een verveelvoudiging van de verantwoordelijkheden van de uitbetalende instantie kunnen leiden op verschillende niveaus van een keten van betalingen. In dit geval lijkt een verduidelijking van de definitie en van de verplichtingen van uitbetalende instanties, zoals voorgesteld in artikel 4, een meer betrouwbare en evenredige oplossing te zijn dan een doorkijkbenadering.

Om de onzekerheden en de administratieve lasten voor uitbetalende instantie te beperken, is in bijlage I een lijst opgenomen van categorieën rechtspersonen en juridische constructies in niet-EU-rechtsgebieden die geen waarborg bieden voor een passende en effectieve belastingheffing van door deze rechtspersonen en constructies verworven inkomsten. Het nieuwe artikel 18 ter beschrijft hoe deze bijlage kan worden aangepast.

4.

Voorgestelde wijzigingen van artikel 3 van de spaarrichtlijn


De drie voornaamste verfijningen van artikel 3 die worden voorgesteld hebben betrekking op de woonplaats van de uiteindelijke gerechtigde.

De eerste moet zorgen voor een regelmatige bijwerking van de informatie over het vaste adres van de uiteindelijke gerechtigde door de uitbetalende instantie te vragen te verwijzen naar de 'beste informatie waarover zij op de datum van betaling beschikken'. Hieronder wordt ook informatie verstaan die nodig is voor antiwitwasdoeleinden of ander bewijsmateriaal dat nader moet worden bepaald overeenkomstig de in het nieuwe artikel 18 ter beschreven procedures.

Op de tweede plaats wordt voorgesteld de 'vaste adres'-benadering om de woonplaats van de uiteindelijke gerechtigde vast te stellen aan te vullen, en wel door op de eerste plaats te verwijzen naar een officieel bewijs van fiscale woonplaats in een bepaald land wanneer de uiteindelijke gerechtigde dit bewijs vrijwillig aan de uitbetalende instantie heeft doen toekomen. Dit is van toepassing op geldige attesten van fiscale woonplaats die niet ouder zijn dan drie jaar. Deze wijziging is in overeenstemming met het uiteindelijke doel van de spaarrichtlijn.

Voorts wordt voorgesteld dat wanneer de uitbetalende instantie in het bezit is van officiële documenten waaruit blijkt dat de fiscale woonplaats van de uiteindelijke gerechtigde in een andere lidstaat is gelegen dan het vaste adres vanwege diplomatieke voorrechten of andere internationale regelingen, de woonplaats voor de toepassing van de spaarrichtlijn de fiscale woonplaats is overeenkomstig die officiële documenten.

5.

Voorgestelde wijzigingen van artikel 4 van de spaarrichtlijn


Het algemene concept van uitbetalende instantie in lid 1 is betrekkelijk goed begrepen en behoeft niet veel te worden gewijzigd, behalve dat de verantwoordelijkheid van deze instanties voor betalingen aan hun klanten via buiten de EU gevestigde tussenpersonen moet worden verduidelijkt. De Europese Bankfederatie heeft echter haar bezorgdheid geuit over uitzonderlijke gevallen van passieve ontvangst of passieve betaling, waarin het algemene beginsel dat de uitbetalende instantie de laatste tussenpersoon is in de keten misschien niet door alle lidstaten steeds wordt toegepast. Momenteel is er geen gemeenschappelijke opvatting over de begrippen 'passieve ontvangst' en 'passieve betaling'. Dit kan tot een duplicatie van taken leiden of tot situaties waarin geen van de betrokken marktdeelnemers als de uitbetalende instantie wordt beschouwd. Om dit te voorkomen wordt een wijziging voorgesteld volgens welke de lidstaten de nodige maatregelen moeten nemen om ervoor te zorgen dat de verantwoordelijkheden van de uitbetalende instanties ten aanzien van dezelfde rentebetaling elkaar niet overlappen.

In overeenstemming met de voorgestelde wijziging van artikel 2 wat de toepassing van de 'doorkijkbenadering' betreft op betalingen aan bepaalde rechtspersonen en juridische constructies in landen buiten de EU, wordt voorts verduidelijkt dat een betaling die wordt verricht of bewerkstelligd ten onmiddellijke gunste van een in bijlage I vermelde rechtspersoon of constructie geacht wordt te zijn verricht of bewerkstelligd ten onmiddellijke gunste van de uiteindelijke gerechtigde, zoals gedefinieerd in de antiwitwasbepalingen, van de rechtspersoon of constructie.

Het begrip 'uitbetalende instantie bij ontvangst' in de oorspronkelijke leden 2 tot en met 5 lijkt onzekerheid te hebben gecreëerd en moet nader worden uitgewerkt.

Zoals uitgelegd in verband met de voorgestelde wijzigingen van artikel 2 lijkt een uitbreiding van de 'doorkijkbenadering' tot alle buiten de EU-lidstaten gevestigde rechtspersonen buiten proportie. Het gebrek aan alternatieve mechanismen voor betalingen aan onbelaste tussenstructuren binnen de EU zou natuurlijke personen kunnen aanmoedigen om uitgebreid gebruik te maken van tussenstructuren om de spaarrichtlijn te omzeilen. Uit recente gevallen blijkt dat wanneer het begrip 'uitbetalende instantie bij ontvangst' niet consistent wordt toegepast, er ruimte ontstaat voor misbruik en verstoringen. Op EU-niveau gereglementeerde beleggingsfondsen waarvan de inkomsten in aanmerking worden genomen voor de toepassing van de spaarrichtlijn, kunnen worden geconfronteerd met oneerlijke concurrentie van andere intermediaire beleggingsstructuren, die de facto zijn uitgesloten van de hoofddefinitie van uitbetalende instantie in artikel 4, lid 1, aangezien door hen verrichte betalingen, ook al zijn deze het resultaat van beleggingen in schuldvorderingen, juridisch niet als rentebetalingen worden beschouwd.

In plaats van af te stappen van het begrip van 'uitbetalende instantie bij ontvangst', moet dit worden verduidelijkt om een consistente toepassing te garanderen. De voorgestelde wijziging heeft ten doel over te schakelen van de huidige aanpak, waarbij de klemtoon ligt op de upstream marktdeelnemer die rente betaalt aan de betrokken rechtspersonen, naar een aanpak op basis van een 'positieve' definitie van de intermediaire structuren die als 'uitbetalende instantie bij ontvangst' moeten optreden.

Dit betekent dat de spaarrichtlijn door deze structuren wordt toegepast – met inbegrip van juridische constructies zoals bepaalde soorten trusts en vennootschappen – bij de ontvangst van rentebetalingen door een upstream marktdeelnemer, ongeacht diens plaats van vestiging (binnen of buiten de EU), zolang de uiteindelijke gerechtigde een natuurlijke persoon is die in een andere EU-lidstaat woont.

Om marktverstoringen tegen te gaan, wordt de nieuwe definitie van de structuren die optreden als 'uitbetalende instantie bij ontvangst' gebaseerd op feitelijke elementen in plaats van op de rechtsvorm. De voorgestelde wijziging geeft de voorkeur aan een definitie die alle rechtspersonen en juridische constructies omvat die niet worden belast of niet over dat deel van hun inkomsten dat naar hun niet-ingezeten deelnemers gaat, volgens de regelgeving op het gebied van de directe belastingen die van toepassing is in de lidstaat waar de rechtspersoon of juridische constructie feitelijk wordt beheerd en als gevestigd/ingezeten kan worden beschouwd. Alleen de volgende rechtspersonen en juridische constructies zijn uitgesloten:

1. beleggingsfondsen die onder artikel 6 van de spaarrichtlijn vallen;

2. pensioenfondsen en tegoeden die betrekking hebben op levensverzekeringsovereenkomsten;

3. rechtspersonen en juridische constructies die uitsluitend voor charitatieve doeleinden zijn opgezet;

4. gevallen van gedeelde uiteindelijke gerechtigdheid waaraan rentebetalingen worden verricht door een marktdeelnemer die alle uiteindelijk gerechtigden heeft geïdentificeerd.

Bijlage III bevat een 'positieve' lijst waarin de rechtspersonen en constructies zijn vermeld die als 'uitbetalende instantie bij ontvangst' in iedere lidstaat zijn te beschouwen. In het voorgestelde artikel 18 ter is beschreven hoe de bijlage kan worden gewijzigd.

De mogelijkheid van artikel 4, lid 3, van de spaarrichtlijn om voor een behandeling als beleggingsfonds krachtens artikel 6 te kiezen, wordt uitsluitend gehandhaafd voor rechtspersonen en juridische constructies, op het vermogen of de inkomsten waarvan geen uiteindelijk gerechtigde op het tijdstip van de ontvangst van de betaling onmiddellijk een wettelijk recht heeft. Gebruiken zij deze keuzemogelijkheid niet, dan worden ze verplicht op te treden als 'uitbetalende instantie bij ontvangst' en de natuurlijke personen die tot hun vermogen hebben bijgedragen, als uiteindelijk gerechtigden te beschouwen.

De huidige verplichtingen voor 'upstream' marktdeelnemers op grond van artikel 4, lid 2, laatste zin (en artikel 11, lid 5), van de spaarrichtlijn, worden slechts gehandhaafd voor rentebetalingen aan die rechtspersonen en juridische constructies in andere lidstaten die, gezien de lidstaat waar de plaats van feitelijk beheer is gelegen (die, voor juridische constructies, de staat van het vaste adres is van de persoon die op de eerste plaats rechthebbende is en op de eerste plaats hun vermogen en inkomsten beheert) in de voorgestelde bijlage III zijn vermeld. De lijst is echter niet uitputtend voor de lidstaten. De lidstaten moeten de nodige maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat alle andere rechtspersonen en juridische constructies dan die welke onder a), b), c) en d) hierboven zijn genoemd en die niet worden belast volgens de regelgeving op het gebied van de directe belastingen en waarvan de plaats van feitelijk beheer op hun grondgebied is gelegen als 'uitbetalende instantie bij ontvangst" optreden, ongeacht het feit of deze rechtspersonen en juridische constructies in bijlage III zijn vermeld en de door de buitenlandse 'upstream' marktdeelnemers ontvangen informatie.

6.

Voorgestelde wijzigingen van artikel 6 van de spaarrichtlijn


De spaarrichtlijn is hoofdzakelijk bedoeld om ervoor te zorgen dat belasting wordt geheven van inkomsten uit spaargelden in de vorm van rente, die belastbaar zijn volgens grotendeels gelijkaardige criteria in alle lidstaten. Met de vaststelling van de conclusies van de Raad van 26 en 27 november 2000 over de essentiële inhoud van de spaarrichtlijn werd niettemin erkend dat vasthouden aan een formele definitie van rente niet effectief zou zijn en tot ongewenste concurrentie tussen directe en indirecte beleggingen in schuldvorderingen zou kunnen leiden. Daarom werd besloten in de definitie niet alleen inkomsten uit schuldvorderingen op te nemen (zoals in artikel 11 van het OESO-Modelverdrag inzake belasting naar inkomen en vermogen), maar ook rente-inkomsten uit bepaalde beleggingsinstrumenten.

Toen oorspronkelijk werd besloten om alle innovatieve financiële producten uit te sluiten van het toepassingsgebied van de spaarrichtlijn (conclusies van de Raad van 25 mei 1999 en 26-27 november 2000), is om dezelfde redenen ook uitdrukkelijk verklaard dat dit punt bij de eerste evaluatie van de spaarrichtlijn opnieuw moest worden bekeken.

Momenteel kan de spaarrichtlijn worden omzeild door de herschikking van financiële zaken op een zodanige wijze dat inkomsten uit weinig risicodragende en flexibele beleggingen met een overeengekomen rendement die vergelijkbaar zijn met schuldvorderingen niet onder de formele definitie van rente vallen. Zoals hierboven uitgelegd in verband met de artikelen 1 en 2 wordt daarom voorgesteld het toepassingsgebied van de spaarrichtlijn opnieuw te definiëren zodat ook rente en in wezen vergelijkbare inkomsten uit effecten die, vanuit het standpunt van de belegger als vergelijkbaar met schuldvorderingen kunnen worden beschouwd, hieronder vallen, omdat het risico bekend is en niet groter is dan dat van schuldvorderingen.

Om ervoor te zorgen dat uitbetalende instanties de instrumenten kunnen identificeren die onder dit toepassingsgebied vallen, waarbij complexe oplossingen gebaseerd op bijzonderheden waarmee de uitbetalende instanties vaak niet bekend zijn (zoals de samenstelling van het instrument of het verband tussen de prestaties van het instrument en inkomsten uit schuldvorderingen) buiten beschouwing worden gelaten, wordt het toepassingsgebied van de spaarrichtlijn met het voorgestelde nieuwe punt aa) van artikel 6 uitgebreid tot die effecten die vergelijkbaar zijn met schuldvorderingen omdat de belegger een rendement van zijn kapitaal verkrijgt waarvan de voorwaarden op de datum van uitgifte bekend zijn en hij aan het einde van de looptijd van die effecten ten minste 95% van het belegde kapitaal ontvangt, ongeacht het feit of de onderliggende activa schuldvorderingen omvatten.

Tezelfdertijd worden andere verfijningen voorgesteld voor beleggingsfondsen.

Wat in de EU gevestigde beleggingsfondsen betreft, heeft artikel 6 momenteel uitsluitend betrekking op inkomsten uit instellingen voor collectieve beleggingen in overdraagbare effecten waarvoor vergunning is verleend overeenkomstig Richtlijn 85/611/EEG (icbe's), waarvan deelnemingsbewijzen in andere lidstaten dan die van vestiging kunnen worden verhandeld. Inkomsten uit instellingen en andere collectieve beleggingsfondsen of -regelingen die een dergelijke vergunning niet hebben (niet-icbe's) vallen in beginsel niet onder de spaarrichtlijn, zelfs indien de niet-icbe's moeten worden geregistreerd bij en onder het toezicht vallen van de autoriteiten van een lidstaat. Deze inkomsten zijn slechts relevant voor niet-icbe's die geen rechtspersoonlijkheid hebben en die daarom"uitbetalende instanties bij ontvangst zijn". In de praktijk kiezen de meeste van deze niet-icbe's zonder rechtspersoonlijkheid ervoor als icbe's te worden behandeld. Hun inkomsten vallen dan onder artikel 6 wat niet het geval is voor inkomsten uit niet-icbe's met rechtspersoonlijkheid.

Het resultaat is een ongelijke behandeling van "niet-icbe's". Dit is niet in het belang van de interne markt en was evenmin in overeenstemming met de conclusies van de Raad van november 2000. Daarom lijkt het nodig artikel 6, lid 1, onder c) en d) te wijzigen door de verwijzing naar Richtlijn 85/611/EG te vervangen door een verwijzing naar de registratie van de instelling of het beleggingsfonds of de beleggingsregeling overeenkomstig de voorschriften van elke lidstaat. Dit zal ertoe leiden dat dezelfde regels van toepassing zijn, niet alleen of alle icbe's, maar ook op alle niet-icbe's, ongeacht de rechtsvorm.

Wat buiten de EU gevestigde fondsen betreft, is het momenteel niet duidelijk of de omschrijving 'instellingen voor collectieve belegging die buiten het grondgebied zijn gevestigd' alle beleggingsfondsen omvat ongeacht de toepasselijke reglementering en de wijze waarop zij aan de belegger worden aangeboden. Daarom moet de spaarrichtlijn worden gewijzigd om deze definitie te verfijnen in overeenstemming met de bestaande OESO-definitie van 'collectieve beleggingsfondsen of -regelingen'. Deze definitie kan worden gedeeld met landen buiten de EU en kan ervoor zorgen dat inkomsten uit rente die door deze instrumenten worden geleid naar behoren worden behandeld.

Ook wordt voorgesteld artikel 6, lid 6, aan te vullen om te verduidelijken dat zowel directe als indirecte beleggingen door collectieve instrumenten in schuldvorderingen en effecten in aanmerking moeten worden genomen bij de berekening van het percentage dat in de andere leden van dit artikel is vermeld, zulks overeenkomstig de conclusies van de Raad van 12 april 2005.

Wat de huidige definitie van rentebetaling in de spaarrichtlijn betreft, hebben enkele lidstaten gepleit voor een radicale uitbreiding waarbij iedere vorm van inkomsten uit beleggingen onder het toepassingsgebied van de spaarrichtlijn wordt gebracht, maar dit standpunt kan op dit ogenblik niet op brede steun rekenen. Zoals in het evaluatieverslag vermeld, is het mogelijk dat de spaarrichtlijn niet het meest geschikte kader vormt voor de verbetering van de samenwerking tussen de belastingdiensten op het gebied van dividendbetalingen en vermogenswinsten uit speculatieve financiële instrumenten die geen hoge kapitaalbescherming bieden. Oplossingen die louter van een uitwisseling van informatie uitgaan lijken ook meer aangewezen om ervoor te zorgen dat er geen dubbele belastingheffing is noch belastingontwijking in verband met levensverzekeringsovereenkomsten en pensioenen, gezien de verschillen in behandeling door de nationale belastingstelsels, van de daarvoor betaalde premies en de daaruit voortvloeiende uitkeringen. Tot dergelijke louter op de uitwisseling van gegevens berustende oplossingen volledig operationeel zijn krachtens Richtlijn 77/799/EEG van de Raad van 19 december 1977 betreffende de wederzijdse bijstand van de bevoegde autoriteiten van de lidstaten op het gebied van de directe belastingen[1], lijkt het nodig het toepassingsgebied van de spaarrichtlijn uit te breiden tot voordelen uit die levensverzekeringsovereenkomsten die rechtstreeks vergeleken kunnen worden met instellingen voor collectieve beleggingen, daar hun feitelijke positieve prestaties waaruit de uitkeringen voortvloeien volledig afhankelijk zijn van inkomsten uit schuldvorderingen of vergelijkbare inkomsten overeenkomstig de spaarrichtlijn en omdat zij geen beduidende biometrische risicodekking inhouden (gemiddeld minder dan 5% van het belegde kapitaal gedurende de looptijd van de overeenkomst).

Voorts worden artikel 6, lid 1, tweede alinea en artikel 6, lid 8, gewijzigd om de voorwaarden te scheppen voor de betrouwbare toepassing van de thuisstaatregel . Dit is noodzakelijk om de uitbetalende instanties in staat te stellen de spaarrichtlijn toe te passen op inkomsten afkomstig van instellingen voor collectieve belegging die in een ander land zijn gevestigd. Alle keuzes die een bepaalde lidstaat voor zijn instellingen heeft gemaakt, tezamen met de berekening van de in de lid 1, onder d) en lid 6 bedoelde percentages overeenkomstig de uitvoeringsbepalingen van die lidstaat, zijn bindend voor alle andere lidstaten.

De nieuwe leden 9 en 10 van artikel 6 voorzien in 'grootvader'-bepalingen in de volgende gevallen: het eerste geval is dat inkomsten die vallen onder artikel 6, lid 1, onder aa), zijn inbegrepen, mits de effecten voor het eerst op of na 1 december 2008 zijn uitgegeven. Het tweede geval is dat uitkeringen in het kader van levensverzekeringsovereenkomsten die vallen onder artikel 6, lid 1, onder e), zijn inbegrepen, mits de overeenkomst voor het eerst op of na die datum werd gesloten. Deze bepalingen zijn nodig om ervoor te zorgen dat de betrokken effecten en levensverzekeringsovereenkomsten worden gevolgd door hun emittenten en de verzekeringsmaatschappijen voor een correcte behandeling door de 'downstream' uitbetalende instanties.

7.

Voorgestelde wijzigingen van artikel 8 van de spaarrichtlijn


In artikel 8 worden een aantal wijzigingen aangebracht om de kwaliteit van de renseignering te verbeteren.

Op de eerste plaats, om de huidige onzekerheden over de behandeling van inkomsten uit gemeenschappelijke rekeningen en andere gevallen van gedeelde gerechtigdheid weg te nemen, wordt de uitbetalende instanties uitdrukkelijk gevraagd niet alleen de identiteit en woonplaats op te geven van alle betrokken uiteindelijk gerechtigden, maar ook mede te delen of het opgegeven bedrag voor elke uiteindelijk gerechtigde het totaalbedrag is, het deel dat hem toekomt of een gelijk deel.

Een tweede wijziging heeft ten doel de administratieve lasten van de woonstaat van de uiteindelijk gerechtigde te verlichten door de huidige beperkingen van artikel 8, lid 2, weg te nemen die de uitbetalende instantie en de renseignerende lidstaat niet vragen een onderscheid te maken tussen de rentecomponent van een betaling en de volledige opbrengst van een verkoop, aflossing of terugbetaling van een effect. Dit zal het ook gemakkelijker maken de doeltreffendheid van de spaarrichtlijn te meten.

Tenslotte wordt de door de uitbetalende instanties te verstrekken informatie aangepast aan de voorgestelde wijzigingen van de artikelen 2 en 6.

8.

Voorgestelde wijzigingen van artikel 11 van de spaarrichtlijn


De procedures voor de toepassing van de bronbelasting in de overgangsperiode worden aangepast aan de voorgestelde wijzigingen van de artikelen 4, 6 en 8.

9.

Voorgestelde wijzigingen van artikel 13 van de spaarrichtlijn


Artikel 13 voorziet momenteel in twee uitzonderingen op de bronbelasting: de verklaring en de vrijwillige verstrekking van gegevens. De verklaring verschaft geen rechtstreeks bruikbare gegevens aan de woonstaat van de uiteindelijk gerechtigde en is voor de gerechtigde minder praktisch dan de vrijwillige verstrekking van gegevens. Het extra werk dat de vrijwillige verstrekking van gegevens met zich brengt voor de belastingdienst van de staat van de uitbetalende instantie wordt gecompenseerd door het mindere werk voor de woonstaat van de uiteindelijk gerechtigde. Wat de procedure van de verklaring betreft, kunnen bovendien vragen rijzen omtrent de verenigbaarheid met het vrije verkeer van kapitaal, bijvoorbeeld omdat deze procedure het voor een EU-burger die zijn fiscale woonplaats buiten de EU heeft, moeilijk maakt om bronbelasting te vermijden waarvoor hij achteraf geen verrekening of terugbetaling kan krijgen. Daarom wordt voorgesteld artikel 13 zo te wijzigen dat alleen de vrijwillige verstrekking van gegevens overblijft.

10.

Voorgestelde wijzigingen van artikel 15 van de spaarrichtlijn


De verwijzing naar de bijlage met de lijst van gelijkgestelde rechtspersonen die als overheidsinstantie optreden of waarvan de rol bij een internationaal verdrag is erkend, moet worden gewijzigd vanwege de toevoeging van nieuwe bijlagen.

11.

Voorgestelde wijzigingen van artikel 18 van de spaarrichtlijn


De bevoegde autoriteiten van de lidstaten wordt verzocht de Commissie cijfers te verstrekken over de toepassing van de spaarrichtlijn om de kwaliteit van de informatie te verbeteren die ten grondslag ligt aan het verslag dat de Commissie om de drie jaar bij de Raad moet indienen.

12.

Voorgestelde nieuwe artikelen 18 bis en 18 ter van de spaarrichtlijn


De nieuwe artikelen 18 bis en 18 ter worden ingevoegd om het mogelijk te maken de lijsten in de bijlagen met de hulp van een comité aan te passen. Dit comité 'samenwerking tussen belastingdiensten' zal ook helpen bij het vaststellen van de gegevens die moeten worden opgenomen in door een uitbetalende instantie met activiteiten in verschillende lidstaten bij te houden centraal register dat de identiteit en de woonplaats van uiteindelijk gerechtigden bevat (sommige categorieën marktdeelnemers hebben om de opstelling van een dergelijk register gevraagd), het opstellen van lijsten van documenten ter identificatie van de uiteindelijk gerechtigden en een lijst van erkende verstrekkers van de informatie die nodig is voor de passende behandeling door uitbetalende instanties van inkomsten uit collectieve beleggingsinstrumenten of bepaalde effecten. Het comité kan ook behulpzaam zijn het vaststellen van gemeenschappelijke methoden voor de uitwisseling van informatie en gemeenschappelijke formulieren voor verklaringen en andere documenten die voor de toepassing van de richtlijn nuttig kunnen zijn. In artikel 18 ter wordt verwezen naar het besluit van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden met de hulp van een comité.

13.

Voorgestelde wijzigingen van de bijlagen bij de spaarrichtlijn


De bijlage bij de huidige richtlijn wordt bijlage IV en de volgende nieuwe bijlagen zijn voornamelijk toegevoegd om de uitbetalende instanties duidelijkheid te verschaffen en om hun administratieve lasten te verlichten (in bijlage V is vermeld welke cijfers de lidstaten de Commissie moeten verstrekken in overeenstemming met de conclusies van de Raad van 26 mei 2008):

5. Bijlage I: 'Rechtspersonen en juridische constructies waarop artikel 2, lid 3, van toepassing is indien zij vanwege de aanwezigheid van hun plaats van feitelijk beheer op het grondgebied van bepaalde landen of rechtsgebieden';

6. Bijlage II: 'Lidstaten die, ten minste op verzoek, een fiscaal identificatienummer toekennen aan natuurlijke personen die hun fiscale woonplaats op hun grondgebied hebben, ongeacht hun nationaliteit';

7. Bijlage III: 'Uitbetalende instanties bij ontvangst als bedoeld in artikel 4, lid 2' en

8. Bijlage V: 'Gegevens die de lidstaten elk jaar voor statistische doeleinden aan de Commissie moeten verstrekken'.

14.

2.2. Artikel 2 van het voorstel


Dit artikel bevat het tijdschema en de voorschriften die bij het omzetten van de richtlijn in nationale wetgeving in acht moeten worden genomen. De wijzigingen moeten worden toegepast op het grondgebied van de lidstaten vanaf de eerste dag van het derde kalenderjaar volgende op het kalenderjaar waarin de richtlijn in werking treedt. Nationale uitvoeringsbepalingen moeten tijdig genoeg worden vastgesteld en bekendgemaakt zodat uitbetalende instanties en de andere betrokkenen ervoor kunnen zorgen dat hun procedures bij de inwerkingtreding van de wijzigingen zijn aangepast.