Toelichting bij COM(2013)207 - Amendering Richtlijnen 78/660/EEG, 83/349/EEG over het openbaar maken van niet-financiële informatie en informatie over diversiteit door categorieën grote bedrijven en groepen

Dit is een beperkte versie

U kijkt naar een beperkte versie van dit dossier in de EU Monitor.

1. ACHTERGROND VAN HET VOORSTEL

De jaarrekeningenrichtlijnen[1] (hierna de “richtlijnen”) behandelen het opstellen van de jaarlijkse en geconsolideerde financiële overzichten en de daarmee samenhangende verslagen. Met name artikel 46, lid 1, onder b), van de Vierde Richtlijn bepaalt dat waar passend en in de mate waarin zulks noodzakelijk is voor een goed begrip van de ontwikkeling, de resultaten of de positie van de vennootschap, het jaarverslag ook niet-financiële informatie bevat, met inbegrip van informatie betreffende milieu- en personeelsaangelegenheden.

Daarnaast regelt artikel 46 bis de inhoud van de verklaring inzake corporate governance die door beursgenoteerde vennootschappen moet worden opgesteld.

In de Akte voor de interne markt[2] heeft de Commissie erkend dat het opportuun is, om gelijke concurrentievoorwaarden op de markt te waarborgen, te zorgen voor meer transparantie in de informatie betreffende maatschappelijke en milieuaangelegenheden die door vennootschappen in alle sectoren moet worden verstrekt. Deze verbintenis is herhaald in de mededeling “Een vernieuwde EU-strategie 2011-2014 ter bevordering van maatschappelijk verantwoord ondernemen"[3]. Met dit voorstel wordt gevolg gegeven aan een van de voornaamste verbintenissen van de vernieuwde strategie.

In de mededeling wordt maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO) omschreven als “de verantwoordelijkheid van bedrijven voor het effect dat zij op de samenleving hebben”. Er wordt erkend dat de ondernemingen zelf het voortouw moeten nemen bij de ontwikkeling van MVO en dat zij een proces op gang moeten brengen om sociale en milieukwesties in hun ondernemingsactiviteiten en kernstrategie te integreren. Niet-financiële informatie vormt daarom een sleutelelement in elk MVO-beleid.

Meer transparantie kan ondernemingen op weg helpen om niet-financiële risico’s en kansen beter te beheren en dus hun niet-financiële prestaties te verbeteren. Tegelijkertijd wordt niet-financiële informatie door organisaties uit het middenveld en plaatselijke gemeenschappen gebruikt om de impact en de risico’s te beoordelen die verbonden zijn aan de werking van een onderneming. Voorts worden investeerders in staat gesteld beter rekening te houden met overwegingen inzake duurzaamheid en langetermijnprestaties.

Bij raadplegingen is echter naar voren gekomen dat slechts een beperkt aantal grote Europese vennootschappen regelmatig niet-financiële informatie bekendmaakt en dat de kwaliteit van de bekendgemaakte informatie sterk varieert, waardoor het voor investeerders en belanghebbenden moeilijk wordt de positie en de prestaties van de ondernemingen te begrijpen en te vergelijken.

Dit voorstel bevat derhalve een verplichting voor een aantal grote ondernemingen om relevante niet-financiële informatie en informatie inzake diversiteit bekend te maken, waardoor in de hele EU gelijke concurrentievoorwaarden tot stand worden gebracht.

Er is echter gekozen voor een flexibele en niet te opdringerige aanpak. Ondernemingen mogen de bestaande nationale of internationale rapportageregelingen gebruiken en krijgen manoeuvreerruimte om de inhoud van hun beleid te bepalen terwijl zij flexibiliteit houden om de informatie op nuttige en ter zake doende wijze bekend te maken. Wanneer zij van mening zijn dat bepaalde beleidsdomeinen voor hen niet van belang zijn, kunnen zij uitleggen waarom dit het geval is en worden zij er niet toe verplicht dit beleid toch te voeren.

Het Europees Parlement erkende in zijn twee resoluties over respectievelijk “maatschappelijk verantwoord ondernemen: verantwoordelijk en transparant zakelijk gedrag en duurzame groei”[4] en “maatschappelijk verantwoord ondernemen: het bevorderen van de belangen in de samenleving en de weg naar duurzaam en inclusief herstel”[5] dat het noodzakelijk is te komen tot meer transparantie op dit gebied, en riep de Commissie op terzake een wetgevingsvoorstel in te dienen.

Tegen deze achtergrond vervult het voorstel de volgende kerndoelstellingen:

de transparantie van bepaalde vennootschappen verbeteren en de relevantie, samenhang en vergelijkbaarheid van de niet-financiële informatie die momenteel voor bekendmaking in aanmerking komt, verhogen door de bestaande voorschriften te verstrengen en te verduidelijken;

de diversiteit in de raden van bestuur van vennootschappen verhogen door meer transparantie, om een daadwerkelijk toezicht op het management en op een gedegen governance van de onderneming mogelijk te maken;

de verantwoordingsverplichtingen en de prestaties van de onderneming, en daardoor de efficiëntie van de interne markt, versterken.

De manier waarop de bekendmaking van niet-financiële informatie momenteel in de jaarrekeningenrichtlijnen wordt behandeld, is niet voldoende effectief gebleken. Het merendeel van de geraadpleegde belanghebbenden was van mening dat de verplichting waarin de jaarrekeningenrichtlijnen voorzien, niet voldoende duidelijk is en rechtsonzekerheid kan veroorzaken.

Duidelijker voorschriften en meer aandacht voor actuele onderwerpen die belangrijk zijn voor het langetermijnsucces van de onderneming, zijn dan ook noodzakelijk. Sommige lidstaten hebben nationale wetgeving opgesteld die verder reikt dan de voorschriften van de jaarrekeningenrichtlijnen. De nationale regelingen zijn onderling echter sterk verschillend, hetgeen het gebrek aan duidelijkheid nog erger maakt voor ondernemingen en investeerders die op de interne markt werkzaam zijn.

Sommige lidstaten hebben de voorkeur gegeven aan “report or explain”-modellen waarin vennootschappen kunnen kiezen tussen daadwerkelijke rapportage of, in het andere geval, een vermelding van de redenen waarom zij dat niet doen. Andere voorzien rechtstreeks in wettelijke voorschriften en gaan in sommige gevallen vrij ver daarin. Een aantal lidstaten richt zich tot grote vennootschappen terwijl andere zich toespitsen op bepaalde beursgenoteerde vennootschappen of alleen op overheidsondernemingen. Bepaalde lidstaten verwijzen naar internationale richtsnoeren (die vaak echter onderling verschillen) terwijl andere hun eigen nationale rapportagevoorschriften opstellen. Deze lappendeken heeft geleid tot een gefragmenteerd rechtskader in de EU. Het voorstel beoogt derhalve gelijke concurrentievoorwaarden tot stand te brengen tegen beperkte kosten voor ondernemingen die in meer dan een lidstaat werkzaam zijn, en wil ervoor zorgen dat investeerders vlotter en ruimer toegang krijgen tot nuttige sleutelinformatie.

Daarnaast kan het gebrek aan diversiteit in de raad van bestuur leiden tot eenvormigheid in het denken onder de leden van dit bestuur (het zogenoemde fenomeen van het “eenheidsdenken”) en tot sterkere weerstand tegen vernieuwende ideeën. Dit kan een negatieve impact hebben op het kritische toezicht dat het bestuur uitoefent op het management en dus op de prestaties van de onderneming. Meer transparantie inzake het diversiteitsbeleid kan eveneens in aanzienlijke mate bijdragen tot het streven naar gelijke behandeling en de strijd tegen discriminatie binnen en buiten de beslissingsorganen van de betrokken vennootschappen. Discriminatie op grond van godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid met betrekking tot arbeid en beroep is verboden bij Richtlijn 2000/78/EG. Discriminatie op grond van geslacht met betrekking tot arbeid en beroep is verboden overeenkomstig Richtlijn 2006/54/EG. Discriminatie op grond van ras of etnische afstamming met betrekking tot arbeid is verboden bij Richtlijn 2000/43/EG.

De geconstateerde problemen kunnen een nadelige invloed hebben op de algemene prestaties van ondernemingen, op hun controleerbaarheid, op de bekwaamheid van investeerders om alle relevante informatie passend en tijdig te beoordelen en in te calculeren, alsmede op de efficiëntie van de Europese financiële markten. Het is bijgevolg mogelijk dat het potentieel van de interne markt om duurzame groei en werkgelegenheid tot stand te brengen niet altijd ten volle wordt benut.

2. RESULTATEN VAN RAADPLEGINGEN VAN BELANGHEBBENDEN EN EFFECTBEOORDELINGEN

Raadpleging van belanghebbenden en andere betrokken partijen

De diensten van de Commissie hebben in de loop van de procedure die tot dit voorstel tot wijziging heeft geleid, een regelmatige en diepgaande dialoog met de belanghebbenden gevoerd. Het was de bedoeling meningen in te winnen van alle belanghebbende partijen, waaronder opstellers en gebruikers van informatie, niet-gouvernementele organisaties, enz. De dialoog vond plaats in:

– twee openbare raadplegingen, respectievelijk over bekendmaking van niet-financiële informatie door vennootschappen en over het EU-kader inzake corporate governance. Wat niet-financiële informatie betreft, was een grote meerderheid van belanghebbenden voorstander van verbetering van het huidige rechtskader, omdat zowel opstellers als gebruikers van informatie hieruit hun voordeel zouden kunnen halen. Met betrekking tot diversiteit waren de meeste respondenten van de raadpleging over het EU-kader inzake corporate governance duidelijk voorstander van bekendmaking van het diversiteitsbeleid van ondernemingen. Zij waren van mening dat investeerders dankzij de toegenomen transparantie beter onderbouwde beslissingen zouden kunnen nemen en dat het fenomeen van “eenheidsdenken” daarmee kon worden ingeperkt.

– een ad-hocgroep van deskundigen, bestaande uit 16 leden met uiteenlopende ervaring en achtergrond; en

– een aantal vergaderingen met belanghebbenden en afgevaardigden van lidstaten.

Effectbeoordeling



In de door de diensten van de Commissie ondernomen effectbeoordeling zijn twee belangrijke punten aangewezen betreffende (1) het gebrek aan transparantie van niet-financiële informatie en (2) het gebrek aan diversiteit in de raden van bestuur.

Gebrek aan transparantie van niet-financiële informatie

Een aantal vennootschappen is er niet in geslaagd de groeiende vraag van belanghebbenden (waaronder investeerders, aandeelhouders, werknemers en organisaties uit het maatschappelijke middenveld) naar transparantie inzake niet-financiële aangelegenheden passend te beantwoorden. Er zijn specifieke problemen aangehaald wat zowel de kwantiteit als de kwaliteit van de informatie betreft.

– Kwantiteit van de informatie: naar schatting maken slechts 2500 – op een totaal van 42 000 grote Europese vennootschappen – jaarlijks niet-financiële informatie bekend.

– Kwaliteit van de informatie: in het algemeen voldoet de door vennootschappen bekendgemaakte informatie niet echt aan de behoeften van de gebruikers.

In de door de diensten van de Commissie verrichte analyse zijn zowel de gebrekkige werking van de markt als de gebrekkige regelgeving aangewezen als oorzaken van het probleem. In de eerste plaats zijn er niet genoeg marktprikkels of zijn deze onregelmatig van aard. Ondanks de toenemende vraag naar niet-financiële informatie worden de voordelen van bekendmaking van niet-financiële informatie door sommige belanghebbenden ervaren als langetermijneffecten die moeilijk nauwkeurig kunnen worden becijferd terwijl kosten op korte termijn in vergelijking duidelijker zijn en gemakkelijker te berekenen. Sommige ondernemingen erkennen wel dat er in beginsel voordelen verbonden kunnen zijn aan niet-financiële rapportage maar juist vanwege deze perceptie zijn zij toch minder geneigd hun beleid actief daaraan aan te passen.

In de tweede plaats is de regelgeving die zowel door de EU als door de lidstaten hiervoor is opgesteld, niet afdoende geweest om het probleem aan te pakken.

Ter verbetering van de huidige situatie zijn een aantal opties in overweging genomen, waaronder een versterking van de bestaande voorschriften, de invoering van nieuwe voorschriften voor gedetailleerde rapportage of de invoering van een Europese norm. Uit de afweging van deze beleidsopties is gebleken dat de voorkeursoptie erin zou bestaan de huidige verplichting te versterken door verplichte opname van een verklaring met niet-financiële informatie in het jaarverslag.

Gebrek aan diversiteit in het bestuur

Vennootschapsbesturen met leden die vergelijkbaar zijn qua opleiding en beroepservaring, geografische herkomst, leeftijd of geslacht, kunnen onderhevig zijn aan een soort “eenheidsdenken”. Dit kan meebrengen dat de beslissingen van het management niet echt worden aangevochten omdat door het gebrek aan diversiteit in meningen, waarden en competenties mogelijk minder discussies, ideeën en betwisting in het bestuur worden uitgelokt. Daardoor kan het voor het management ook moeilijker worden vernieuwende voorstellen ingang te doen vinden. Het gebrek aan diversiteit in de besturen heeft vooral te maken met het gebrek aan marktprikkels voor ondernemingen om deze situatie te veranderen. In dit verband brengen onaangepaste vormen van aanwerving waarbij bestuursleden vaak uit een te kleine doelgroep worden aangetrokken, mee dat steeds opnieuw mensen worden geselecteerd die hetzelfde profiel hebben. Het probleem wordt nog verergerd door een ander element, namelijk het gebrek aan transparantie inzake diversiteit in het bestuur, omdat de hoeveelheid informatie en de manier waarop deze informatie ter beschikking van het publiek wordt gesteld, vaak te wensen overlaten.

Het gevolg van dit gebrek aan diversiteit in de raad van bestuur en van de gebrekkige transparantie kan dus zijn dat ondernemingen minder goed worden beheerd, en minder aandacht schenken aan inclusie en innovatie, en dus minder bijdragen tot de groei. In het licht van de Europa 2020-doelstelling voor duurzame en inclusieve groei heeft de Commissie derhalve een aantal opties overwogen die deze problemen kunnen oplossen. Uit de beoordeling van deze beleidsopties is gebleken dat de meest geschikte optie op dit ogenblik de bekendmaking van het diversiteitsbeleid zou zijn. Dit is ook de optie waaraan de meeste belanghebbenden de voorkeur hebben gegeven in vergelijking met opties zoals een verplicht diversiteitsbeleid of maatregelen die alleen toegespitst zijn op het aanwervingsbeleid.

Als aanvulling op deze regeling heeft de Commissie op 14 november 2012 reeds wetgeving voorgesteld om, met uitzondering van kleine en middelgrote ondernemingen, voor functies van niet-uitvoerende bestuurders in de raad van bestuur van beursgenoteerde ondernemingen te komen tot een doelstelling van 40 % van het ondervertegenwoordigde geslacht[6].

1.

Juridische elementen van het voorstel



Voorgestelde wijzigingen van de richtlijnen

Het voorstel neemt de vorm aan van wijzigingen in artikel 46 van de Vierde Richtlijn en artikel 36 van de Zevende Richtlijn, die betrekking hebben op de bekendmaking van niet-financiële informatie. Wat het nieuwe voorschrift over diversiteit in de raden van bestuur betreft, wordt voorgesteld artikel 46 bis van de Vierde Richtlijn te wijzigen.

De jaarrekeningenrichtlijnen bepalen welke informatie moet worden verstrekt in de financiële overzichten van alle naamloze vennootschappen die opgericht zijn naar het recht van een lidstaat van de EU of van de Europese Economische Ruimte (EER). Aangezien artikel 4, lid 5, van de transparantierichtlijn verwijst naar artikel 46 van de Vierde Richtlijn en artikel 36 van de Zevende Richtlijn, zullen de voorgestelde wijzigingen van deze bepalingen ook betrekking hebben op vennootschappen die genoteerd zijn op de gereglementeerde markten in de EU, zelfs indien deze in een derde land zijn gevestigd.

Rechtsgrondslag, subsidiariteit en evenredigheid

Het voorstel is gebaseerd op artikel 50, lid 1, van het Verdrag, dat de rechtsgrondslag vormt voor het vaststellen van EU-maatregelen die gericht zijn op de totstandbrenging van een interne markt in vennootschapsrecht. Voorgesteld wordt dat grote vennootschappen niet-financiële informatie bekendmaken volgens een reeks transparantievoorschriften die een versterking van hun transparantie en verantwoordingsplicht beogen, terwijl elke onnodige administratieve last beperkt blijft.

Volgens het subsidiariteitsbeginsel mag de EU enkel optreden waar dit optreden tot betere resultaten kan leiden dan tussenkomst op het niveau van de lidstaten en mag het optreden niet verder gaan dan wat nodig en evenredig is om de beoogde beleidsdoelstellingen te verwezenlijken. Verschillende lidstaten hebben recentelijk wetgeving aangenomen die verdere bekendmaking op dit gebied verplicht stelt. Deze nationale voorschriften vertonen echter grote verschillen, wat moeilijkheden oplevert om ondernemingen onderling te vergelijken in de interne markt. De doelstellingen van deze wijziging kunnen door unilaterale maatregelen op het niveau van de lidstaten niet worden verwezenlijkt.

Meer transparantie hoeft echter niet te leiden tot onnodige administratieve lasten. Kleinere ondernemingen ondervinden meer moeilijkheden om informatie te verzamelen en te analyseren. Volgens het beginsel “denk eerst klein” moeten de bekendmakingsvoorschriften van deze richtlijn niet worden toegepast op ondernemingen die qua omvang onder een bepaalde drempel blijven.

Wat grote ondernemingen betreft, moet niet-financiële informatie ruimer beschikbaar worden gesteld en moet deze informatie in heel de EU beter bruikbaar en meer consistent worden, aangezien hun activiteiten zich vaak over heel Europa uitstrekken en relevant zijn voor investeerders en andere belanghebbenden in heel de interne markt. Naast het geharmoniseerde voorschrift inzake verstrekking van consistente informatie die voor de hele interne markt gemeenschappelijk is, moeten de lidstaten over enige flexibiliteit beschikken voor de aanvullende rapportagevoorschriften. Een wijziging van de jaarrekeningenrichtlijnen is daartoe het meest geschikte rechtsmiddel omdat het de lidstaten enige flexibiliteit laat. Door wijzigingen in de richtlijnen aan te brengen wordt er ook voor gezorgd dat de inhoud en de vorm van het voorgestelde EU-optreden niet verder gaan dan wat nodig en evenredig is om de beoogde doelstelling van regelgeving te verwezenlijken.

Nadere uitleg van het voorstel



Niet-financiële informatie

Volgens de bestaande verplichting, zoals vastgesteld in artikel 46, lid 1, onder b), maken grote vennootschappen niet-financiële informatie bekend, waaronder informatie betreffende milieu- en personeelsaangelegenheden. Deze maatregel moet aanzienlijke voordelen opleveren voor ondernemingen, investeerders en andere belanghebbenden die op de interne markt werkzaam zijn, en moet dus bijdragen tot inclusieve en duurzame langetermijngroei en banen.

Artikel 1, onder a), van het voorstel schrijft voor dat bepaalde grote vennootschappen in hun jaarverslag een overzicht opnemen met inhoudelijke informatie die minstens betrekking heeft op milieu-, maatschappelijke en personeelsaangelegenheden, naleving van de mensenrechten, bestrijding van corruptie en omkoping. Op deze gebieden zal de vennootschap een overzicht geven van (i) haar beleidsmaatregelen, (ii) de resultaten en (iii) de risicoaspecten.

Om deze informatie te verstrekken kan de vennootschap, afgezien van mogelijke ambitieuzere nationale voorschriften, zich baseren op nationale, EU-wijde of internationale kaderregelingen, zoals het Global Compact van de Verenigde Naties, de richtsnoeren inzake bedrijfsleven en mensenrechten ter uitvoering van het VN-kader “Protect, Respect and Remedy”, de OESO-richtsnoeren voor multinationale ondernemingen, ISO 26000, de tripartiete beginselverklaring van de Internationale Arbeidsorganisatie betreffende multinationale ondernemingen en sociaal beleid en het Global Reporting Initiative, en mededelen van welke kaderregeling zij gebruik heeft gemaakt. Een vennootschap die op een of meer van deze gebieden geen specifiek beleid voert, moet toelichten waarom zij dat niet doet.

Op zich beoogt de maatregel bedrijfsgerelateerde informatie die binnen de vennootschap van nut is voor de besluitvorming maar die ook kan worden gebruikt door investeerders en andere belanghebbenden. De maatregel laat veel flexibiliteit en vermijdt onnodige administratieve lasten te leggen op ondernemingen, in het bijzonder de kleinste, die niet onderworpen worden aan nieuwe bekendmakingsvoorschriften. De kosten die voor grote ondernemingen aan de bekendmakingsvoorschriften zijn verbonden, zijn evenredig met de waarde en de nuttigheid van de informatie alsook de omvang, de effecten en de complexiteit van de onderneming.

Met name is de verplichting, zoals bepaald in artikel 1, onder a), alleen van toepassing op ondernemingen met een gemiddeld personeelsbestand van meer dan 500 en met een balanstotaal van meer dan 20 miljoen EUR of een netto-omzet van meer dan 40 miljoen EUR. Deze drempel, die hoger is dan die welke momenteel wordt toegepast in de jaarrekeningenrichtlijnen (namelijk 250 werknemers), is evenwichtig aangezien hierdoor elke onnodige administratieve last wordt beperkt en een passend toepassingsgebied voor de niet-financiële rapportage wordt verzekerd. Verwacht wordt dat de nieuwe verplichting volgens deze regel van toepassing zal zijn op ongeveer 18 000 ondernemingen in de EU.

Voorts worden vennootschappen die een verslag opstellen dat hetzelfde boekjaar dekt, overeenkomstig artikel 1, onder b), ontheven van de verplichting tot het verstrekken van een niet-financieel overzicht, indien het verslag: (i) dezelfde onderwerpen en inhoud behandelt als die welke artikel 1, onder a), oplegt, (ii) zich baseert op nationale, Europese of internationale kaderregelingen, en (iii) gevoegd is bij het jaarverslag.

Ten slotte voorziet artikel 1, onder c), voor dochtervennootschappen in een ontheffing van de in lid 1, onder a), bedoelde verplichting op voorwaarde dat de vrijgestelde vennootschap en haar dochtervennootschappen geconsolideerd zijn in het jaarverslag van een andere vennootschap en dat het geconsolideerde jaarverslag voldoet aan de in artikel 1, onder a), opgelegde verplichtingen.

Diversiteit

Het nieuwe lid 1, onder g), verplicht grote beursgenoteerde ondernemingen informatie te verstrekken over hun diversiteitsbeleid, met inbegrip van aspecten betreffende leeftijd, geslacht, geografische herkomst en achtergrond inzake opleiding en beroepservaring. De informatie zal worden opgenomen in de verklaring inzake corporate governance en moet de doelstellingen van dit beleid, de uitvoering ervan en de bereikte resultaten behandelen. Ondernemingen die geen diversiteitsbeleid voeren, worden alleen verplicht toe te lichten waarom dit zo is.

2.

Gevolgen voor de begroting



Het voorstel heeft geen gevolgen voor de begroting van de Gemeenschap.