Toelichting bij COM(2014)163 - Vaststelling van een rondreisvisum en tot wijziging van de Schengenuitvoeringsovereenkomst en van de Verordeningen (EG) nr. 562/2006 en (EG) nr. 767/2008

Dit is een beperkte versie

U kijkt naar een beperkte versie van dit dossier in de EU Monitor.

1. ACHTERGROND VAN HET VOORSTEL

In het kader van de intergouvernementele Schengensamenwerking werden met betrekking tot onderdanen van derde landen gedetailleerde regels vastgesteld voor binnenkomst en voor een verblijf van ten hoogste drie maanden binnen een periode van zes maanden ("kort verblijf")[1]. Deze regels moesten de veiligheid van het Schengengebied waarborgen[2] en voorzien in het recht van vrij verkeer daarbinnen, ook voor onderdanen van derde landen. Nadien werden deze regels verder ontwikkeld en geconsolideerd in het kader van de Europese Unie, na de inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam. Voor dit voorstel zijn met name de volgende elementen van de vigerende wetgeving van belang:

– Verordening (EG) nr. 562/2006 (Schengengrenscode) en de daaropvolgende wijzigingen[3]: hierin zijn onder meer de toegangsvoorwaarden voor een kort verblijf voor onderdanen van derde landen vastgesteld;

– Verordening (EG) nr. 539/2001 van de Raad ("de visumverordening") en de daaropvolgende wijzigingen[4]: hierin is de lijst opgenomen van derde landen waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen voor een kort verblijf in het bezit moeten zijn van een visum en de lijst van derde landen waarvan de onderdanen van die plicht zijn vrijgesteld;

– Verordening (EG) nr. 810/2009 ("de Visumcode") en de daaropvolgende wijzigingen[5]: hierin zijn geharmoniseerde procedures en voorwaarden vastgesteld voor de behandeling van aanvragen van visa voor kort verblijf en de afgifte van visa;

– de Schengenuitvoeringsovereenkomst[6] (SUO) en de wijzigingen daarop: hierin is het beginsel van wederzijdse erkenning van visa voor kort verblijf neergelegd en wordt tevens voorzien in het recht van vrij verkeer van ten hoogste 90 dagen binnen een periode van 180 dagen voor onderdanen van derde landen met een geldige verblijfsvergunning of een geldig nationaal visum voor verblijf van langere duur dat is afgegeven door een van de lidstaten[7].

Uiteraard kunnen onderdanen van derde landen langer dan drie maanden of 90 dagen in het Schengengebied blijven, maar dit zou niet moeten gebeuren op basis van de huidige bepalingen inzake kort verblijf. Hiervoor is vestiging in een van de lidstaten vereist, waartoe onderdanen van derde landen bij de betrokken lidstaat een verblijfsvergunning of een visum voor verblijf van langere duur moeten aanvragen. Dergelijke titels zijn doelgebonden: ze worden afgegeven omwille van werk, zaken, studie, gezinshereniging enz., maar in beginsel niet voor toeristische doeleinden. Er zijn geen algemene, horizontale EU-regels inzake de voorwaarden voor de afgifte van verblijfsvergunningen of visa voor verblijf van langere duur, maar wel sectoriële richtlijnen voor specifieke categorieën onderdanen van derde landen, zoals werknemers en studenten. Deze richtlijnen voorzien echter niet in volledige harmonisering en laten de lidstaten ruimte om uitzonderingen en afwijkingen vast te stellen en om bepaalde details bij nationale wetgeving nader in te vullen.

De beperking van 90/180 dagen van het Schengenacquis is niet ongebruikelijk in het vreemdelingenrecht. De nationale vreemdelingenwetgeving maakt van oudsher onderscheid tussen enerzijds inreis voor kort verblijf (een, twee of zes maanden), waarbij het met name om 'bezoekers' gaat, en met name om toeristen, en voor wie minder strenge voorwaarden gelden en anderzijds de toelating van onderdanen van derde landen die langer willen blijven om redenen als werk of studie, en voor wie strengere voorwaarden gelden. Los van de scheidslijn tussen korte bezoeken en verblijf en de voorwaarden waaraan vreemdelingen moeten voldoen, voorziet de nationale wetgeving in passende vergunningen voor inreis, verblijf en vestiging, ongeacht de duur van het voorgenomen verblijf op het grondgebied van een lidstaat (visa met verschillende geldigheidsduur, verlenging van visa, tijdelijke verblijfsvergunningen, permanente verblijfsvergunningen enz.).

Het huidige Schengen- en EU-acquis op het gebied van migratie voorziet echter niet in een met dergelijke nationale wetgeving vergelijkbaar systeem dat alle soorten voorgenomen verblijf bestrijkt. Om de hierboven aangegeven wettelijke en politieke redenen bestrijkt het Schengenacquis korte verblijven op het grondgebied van alle lidstaten, terwijl de op het gebied van het immigratie- en toelatingsbeleid ontwikkelde rechtsinstrumenten van de EU voorzien in het kader voor nationale wetgeving met het oog op de toelating van onderdanen van derde landen voor verblijven van meer dan drie maanden op het eigen nationale grondgebied.

Het Schengengebied omvat inmiddels 26 landen en veel onderdanen van derde landen, zoals toeristen, uitvoerend kunstenaars, onderzoekers en studenten, hebben legitieme redenen om langer in dit gebied rond te reizen dan 90 dagen binnen een periode van 180 dagen zonder als immigrant te worden aangemerkt. Zij willen en/of hoeven niet langer dan drie maanden in een bepaalde lidstaat te verblijven. Er is echter geen Schengenvisum of andere vergunning voor een verblijf van meer dan drie maanden of 90 dagen in het Schengengebied.

De Commissie ontvangt al jaren veel klachten en verzoeken om een oplossing te vinden van onderdanen van derde landen, zowel van visumplichtige onderdanen als van onderdanen die van de visumplicht zijn vrijgesteld. De beperking van 90/180 dagen paste wellicht bij de omvang van de vijf landen die vooropliepen bij de Schengensamenwerking. Nu het Schengengebied uit 26 lidstaten bestaat, vormt dezelfde beperking echter een behoorlijke belemmering voor menig onderdaan van een derde land die er een legitiem belang bij heeft in de lidstaten rond te reizen. Hierdoor laten de lidstaten ook economische kansen liggen.

Het belangrijkste kenmerk van de reizigers die problemen melden, is dat zij van plan zijn in Europa/de lidstaten rond te reizen. Zij willen langer dan 90 dagen (binnen een periode van 180 dagen) in het Schengengebied blijven. Als visumplichtige onderdaan van een derde lidstaat kunnen zij evenwel geen Schengenvisum voor kort verblijf aanvragen, aangezien dit alleen wordt afgegeven voor reizen van ten hoogste 90 achtereenvolgende dagen. Niet-visumplichtige onderdanen van derde landen komen hier in regel evenmin voor in aanmerking. Geen van beide categorieën onderdanen van derde landen heeft echter het voornemen om langer dan 90 dagen in een bepaalde lidstaat te blijven, waardoor zij geen nationaal visum voor verblijf van langere duur[8] of verblijfsvergunning kunnen ontvangen.

De leemte die qua wetgeving bestaat tussen het Schengenacquis en de immigratievoorschriften van de EU en de lidstaten betekent dat dergelijke reizigers in beginsel het Schengengebied dienen te verlaten op de laatste dag van hun verblijf van 90 aaneengesloten dagen en vervolgens 90 dagen buiten de lidstaten moeten wachten voordat zij kunnen terugkeren voor een nieuw wettig verblijf. Deze situatie kan niet worden gerechtvaardigd door de veiligheidsbelangen van de lidstaten en is uit economisch, cultureel en onderwijskundig oogpunt evenmin in hun voordeel.

Met name verenigingen en belangengroepen van uitvoerend kunstenaars beklemtonen dat zij door de verblijfsbeperking van 90/180 dagen dikwijls moeilijkheden ondervinden bij het organiseren van tournees in Europa. Rondreizende gezelschappen voldoen over het algemeen niet aan de vestigingsvereisten op grond waarvan kunstenaars, medewerkers en hun familieleden een visum voor een verblijf van langere duur of een verblijfsvergunning in aanmerking zouden komen. Aangezien de medewerkers van dergelijke gezelschappen dikwijls bijzonder gespecialiseerd en hoogopgeleid zijn, kunnen zij gewoonlijk niet worden vervangen, omdat dit kostbaar of uiterst storend zou zijn. De European Circus Association (ECA) gaf een voorbeeld waarbij het verlies per verbintenis (dat wil zeggen per stad waarin een bekende groep optreedt) ongeveer 380 000 EUR bedroeg, en een tweede waarin het om 920 000 EUR ging (ter plaatse inhuren van zaalwachters, concessies, schoonmaakteams, locatiehuur, belastingen en heffingen, lokale leveranciers, drukkers, marketing, diensten, hotels en restaurants, lokale vervoerdiensten, salarissen en lonen in elke stad). De ECA noemde ook gevallen waarin een onderneming leden van de cast en crew vanwege de verblijfsbeperking moest vervangen/roteren. In één geval kostte het een onderneming ongeveer 110 000 EUR om 36 personeelsleden te vervangen. Volgens de Performing Arts Employers Associations League Europe (Pearle*) kost het ontbreken van een alternatieve verblijfsvergunning de EU jaarlijks tussen de 500 miljoen en 1 miljard EUR – in de huidige financiële en economische situatie een significant bedrag.

Reisagentschappen en tal van informatieverzoeken aan de Commissie maken duidelijk dat meer en meer individuele reizigers (studenten, onderzoekers, kunstenaars en andere professionals uit de cultuursector, zakenlui, dienstverleners, enz.) er veel belang bij hebben om langer dan 90 dagen binnen een periode van 180 dagen in het Schengengebied te mogen circuleren.

Bovendien zijn er al veel onderdanen van derde landen die met een visum voor verblijf van langere duur of een verblijfsvergunning van een lidstaat in het Schengengebied wonen en tijdens of na dit verblijf naar andere lidstaten moeten of willen reizen. Zo is het voorstelbaar dat studenten uit derde landen na het afronden van hun studie eerst nog een maand of zes in het Schengengebied willen rondreizen alvorens huiswaarts te keren. Volgens artikel 21 van de SUO hebben dergelijke personen in beginsel recht op van vrij verkeer in de lidstaten op grond van hun visum voor verblijf van langere duur of verblijfsvergunning, maar geldt voor hen wel de beperking van 90/180 dagen.

De algemene regel stelt de overgrote meerderheid van de reizigers niet voor problemen en dient te worden gehandhaafd. Maar al in 2001 erkende de Commissie dat deze regel moet worden aangevuld door een titel in te voeren voor verblijven van langer dan drie maanden in het Schengengebied. Zij diende derhalve een voorstel in voor een richtlijn van de Raad betreffende de voorwaarden waaronder onderdanen van derde landen gedurende een periode van ten hoogste drie maanden vrij kunnen reizen op het grondgebied van de lidstaten, alsmede tot invoering van een specifieke reisvergunning en tot vaststelling van de voorwaarden voor toegang met het oog op een bezoek van ten hoogste zes maanden[9].

De Commissie stelde voor om een specifieke reisvergunning in te voeren voor onderdanen van derde landen die voornemens zijn ten hoogste zes maanden binnen een periode van 12 maanden op het grondgebied van de lidstaten te reizen. Houders van deze vergunning zouden zes maanden aaneen in het Schengengebied mogen verblijven, maar niet langer dan drie maanden in dezelfde lidstaat. Dit voorstel – dat ook andere zaken bestreek, waaronder uitzetting – werd in maart 2006 officieel door de Commissie ingetrokken. Indertijd hadden lidstaten met name bezwaren tegen de rechtsgrondslag en de verwachte bureaucratie in verband met de nieuwe vergunning. Bepaalde lidstaten waren het niet eens met het plan om de vergunning in te voeren voor onderdanen van derde landen die een visum voor kort verblijf nodig hadden, omdat zij vreesden dat de integriteit van de regeling inzake visa voor kort verblijf hierdoor in het geding zou kunnen komen.

De voornoemde lacune in de wetgeving dwingt de lidstaten ertoe de regels op te rekken en gebruik te maken van rechtsinstrumenten die niet bedoeld zijn voor het verlengen van de toegestane verblijfsduur in het Schengengebied. Dit gebeurt door artikel 20, lid 2[10], van het SUO toe te passen of visa met territoriaal beperkte geldigheid (VTBG) af te geven op grond van artikel 25, lid 1, onder b), van de Visumcode[11]. Deze praktijken worden uitvoerig beschreven in bijlage 7 van de effectbeoordeling[12] bij het gelijktijdig gepresenteerde voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de visumcode van de Unie (Visumcode) (herschikking)[13].

Het is dan ook wenselijk om een nieuw type visum in te voeren voor al dan niet visumplichtige onderdanen van derde landen die er een legitiem belang bij hebben langer in het Schengengebied rond te reizen dan 90 dagen binnen een periode van 180 dagen.

Dit voorstel heeft ten doel de leemte qua wetgeving tussen het Schengenacquis inzake korte verblijven en het recht van de EU en de lidstaten inzake verblijf in een specifieke lidstaat weg te nemen door:

– de invoering van een nieuw type visum (rondreisvisum) voor een voorgenomen verblijf in twee of meer lidstaten van meer dan 90 dagen, maar niet meer dan een jaar (met een mogelijke verlenging tot twee jaar), mits de aanvrager niet voornemens is langer dan 90 dagen binnen een periode van 180 dagen in dezelfde lidstaat te blijven, en

– de vaststelling van de aanvraagprocedures en voorwaarden voor afgifte van rondreisvisa.

Het voorstel heeft geen betrekking op de voorwaarden en procedures inzake de toelating van onderdanen van derde landen voor verblijven van meer dan drie maanden in een lidstaat en evenmin op de voorwaarden en procedures voor de afgifte van werkvergunningen of gelijkwaardige vergunningen (voor toegang tot de arbeidsmarkt).

Hoewel veel bepalingen van de Visumcode volgens het voorstel van toepassing zouden zijn op de verwerking van het nieuwe type visum, is een afzonderlijk voorstel op zijn plaats. Zo hoeven de betrokken bepalingen niet te worden opgenomen in het voorstel tot wijziging van de Visumcode, aangezien deze laatste betrekking heeft op de regels en procedures voor de afgifte van visa aan visumplichtige onderdanen van derde landen (vgl. bijlage I van Verordening (EG) nr. 539/2001).

1.

Resultaten van de raadpleging van belanghebbende partijen en effectbeoordeling



·

Raadpleging van belanghebbende partijen



De raadpleging wordt beschreven in de onder punt 1 bedoelde effectbeoordeling. Over het algemeen bevestigen belangengroepen – met name kunstenaarsverenigingen – dat de leemte in het huidige rechtskader de mobiliteit ernstig belemmert, of het nu gaat om reizen in het kader van een beroepsbezigheid of om vrijetijdsbesteding, en zij juichen de invoering van een nieuw type visum dan ook toe. De meeste lidstaten zijn echter sceptisch en betwijfelen of optreden geboden is, omdat de betrokken groep aanvragers beperkt zou zijn. Een aantal lidstaten heeft bezwaar tegen de rechtsgrondslag (vgl. punt 3).

·

Effectbeoordeling



In de effectbeoordeling bij het voorstel tot wijziging van de Visumcode wordt onder meer het effect onderzocht van de invoering van een vergunning op grond waarvan onderdanen van derde landen langer dan 90 dagen binnen een periode van 180 dagen in het Schengengebied mogen blijven.

In de effectbeoordeling zijn twee regelgevingsopties tegen het licht gehouden.

Een van de twee opties, een nieuw type vergunning voor een voorgenomen verblijf in het Schengengebied van meer dan 90 dagen maar niet meer dan 360 dagen, zou slechts voor een beperkte groep onderdanen van derde landen bestemd zijn: kunstenaars (of sporters), professionals uit de cultuursector en hun crewleden voor zover deze in dienst zijn van betrouwbare en erkende gezelschappen en organisaties van uitvoerend kunstenaars, alsook de meereizende naaste familieleden. Alleen deze groep zou voor de nieuwe vergunning in aanmerking komen, omdat het de belangrijkste groep onderdanen van derde landen lijkt te zijn die hinder ondervindt van de huidige leemte in de wetgeving.

Een andere beleidsoptie hield in dat een dergelijke vergunning niet alleen voor die specifieke categorie onderdanen van derde landen beschikbaar zou zijn, maar voor alle onderdanen van derde landen (d.w.z. individuele reizigers, zoals toeristen, onderzoekers, studenten en zakenlui). Aangezien het probleem het gevolg is van een leemte qua wetgeving tussen het Schengenacquis inzake kort verblijf in het Schengengebied en de wetgeving inzake de toelating van onderdanen van derde landen voor verblijven van meer dan 90 dagen op het grondgebied van een lidstaat, is er geen niet-regelgevende beleidsoptie ontwikkeld.

De effectbeoordeling wees uit[14] dat de EU een aanzienlijk economisch verlies lijdt doordat er geen vergunning beschikbaar is op grond waarvan reizigers meer dan 90 dagen binnen een periode van 180 dagen in het Schengengebied mogen verblijven. Volgens de studie die de effectbeoordeling ondersteunt, is het aantal mensen dat baat zou kunnen hebben bij de nieuwe vergunning zeer beperkt. In het geval van de eerste optie zou het om zo'n 60 000 aanvragers gaan; bij de tweede optie zou het aantal potentiële aanvragers tweemaal zou groot zijn. Dit zijn tamelijk kleine aantallen: in 2012 werden meer dan 15 miljoen Schengenvisa aangevraagd en het aantal aanvragen per jaar neemt gestaag toe.

Deze reizigers staan echter bekend als personen met een royaal uitgavenpatroon; waarschijnlijk zorgen zij in de EU dan ook voor forse inkomsten en een krachtige stimulans van de economische activiteit, al was het maar omdat zij langer in het Schengengebied blijven. Naar schatting zou de eerste optie het Schengengebied jaarlijks 500 miljoen EUR extra inkomsten opleveren. Het economisch effect van de tweede optie wordt geraamd op ca. 1 miljard EUR. In beide gevallen zou de economische winst voortvloeien uit de uitgaven van nieuwe reizigers die worden aangetrokken door de mogelijkheid om langer in het Schengengebied te blijven zonder gebruik te hoeven maken van omslachtige alternatieven en zich op de grens van het wettelijk toelaatbare te begeven, bijvoorbeeld door een VTBG te verkrijgen.

Voorts wees de effectbeoordeling uit dat de behandeling van het nieuwe type vergunning geen hoge administratieve kosten zou meebrengen, gelet op het beperkte aantal aanvragen dat wordt verwacht en de leges die in rekening zouden worden gebracht. Onderdanen van derde landen maken ook nu al kosten wanneer zij een nieuw visum of een verlenging aanvragen. Wat de tweede optie betreft, is in de effectbeoordeling op een specifiek risico gewezen: bepaalde houders van de nieuwe vergunning zouden emplooi op de zwarte markt kunnen gaan zoeken.

2.

Juridische elementen van het voorstel



·

Nadere uitleg van het voorstel, per hoofdstuk of per artikel



Het voorstel heeft ten doel een leemte in de wetgeving weg te nemen. Artikel 1 van het voorstel voorziet dan ook in een nieuw type visum, het zogeheten rondreisvisum (visum type 'T', van 'touring visa'). Dit artikel maakt ook duidelijk dat de verordening het acquis inzake toelating/immigratie onverlet laat. Dit betekent bijvoorbeeld dat de verordening geen afbreuk doet aan de wetgeving van de lidstaten inzake de consequenties voor de verblijfsvergunning van onderdanen van derde landen als deze de betrokken lidstaat langere tijd verlaten om op grond van een rondreisvisum andere lidstaten te bezoeken. Onderdanen van derde landen die op grond van EU-regels binnen de EU reizen, vallen evenmin onder de verordening.

In artikel 2 wordt een grondbeginsel vastgesteld, onder verwijzing naar de bepalingen van de Visumcode en Verordening (EG) nr. 767/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 9 juli 2008 betreffende het Visuminformatiesysteem (VIS) en de uitwisseling tussen de lidstaten van gegevens op het gebied van visa voor kort verblijf (VIS-verordening)[15]. Het rondreisvisum wijkt in menig opzicht af van het visum voor kort verblijf als omschreven in artikel 2 van de Visumcode. Het lijkt echter sterk op een eenvormig visum, aangezien het in beginsel geldig is voor het grondgebied van alle lidstaten. Het nieuwe type visum berust op de rechtsgrondslag van visa en vergunningen voor kort verblijf, namelijk artikel 77 VWEU. In beginsel is het dan ook gerechtvaardigd om de betrokken bepalingen van de Visumcode op het rondreisvisum toe te passen. In de navolgende bepalingen (artikelen 4 tot en met 9) wordt gespecificeerd welke bepalingen van de Visumcode van toepassing zijn met betrekking tot de voorwaarden en procedures voor het afgeven van rondreisvisa en wordt verder voorzien in uitzonderingen van en aanvullingen op deze regels, rekening houdend met de specifieke kenmerken van het nieuwe type visum. Daartoe zijn de navolgende artikelen geschoeid op de structuur van de Visumcode; hoofdstuk voor hoofdstuk wordt per bepaling vermeld of deze van toepassing is en of er aanvullingen of uitzonderingen zijn. Aangezien de Commissie tegelijkertijd een herschikking van de Visumcode[16] voorstelt, wordt in dit voorstel niet verwezen naar de bestaande verordening, maar naar de bepalingen van de voorgestelde verordening als herschikt[17]. De VIS-verordening, als gewijzigd bij dit voorstel, zal onverkort van toepassing zijn op het rondreisvisum en aanvullingen of uitzonderingen zullen niet nodig zijn.

Artikel 3 bepaalt dat enkele definities uit de Visumcode (zoals 'onderdaan van een derde land', 'visumsticker', 'aanvraag' en 'consulaat') ook voor dit voorstel gelden. Voorts wordt 'rondreisvisum' gedefinieerd als een door een lidstaat afgegeven vergunning voor een voorgenomen verblijf in twee of meer lidstaten van in totaal meer dan 90 dagen binnen een periode van 180 dagen, mits de aanvrager niet voornemens is langer dan 90 dagen binnen een periode van 180 dagen[18] in dezelfde lidstaat te blijven. Deze laatste beperking betekent dat van toelating voor een verblijf van meer dan drie maanden in één lidstaat geen sprake kan zijn.

Artikel 4 bevat de bepalingen van de Visumcode over de autoriteiten die betrokken zijn bij de aanvraagprocedures voor rondreisvisa. Bepaald wordt dat een aanvraag voor een rondreisvisum niet aan de buitengrenzen kan worden ingediend, omdat een verblijf in het Schengengebied met een mogelijke duur van twee jaar pas kan worden toegestaan na grondig onderzoek, dat onmogelijk aan de buitengrens kan worden verricht. Voorts wordt in afwijking van artikel 5 van de Visumcode bepaald dat de lidstaat die bevoegd is tot het behandelen van en het nemen van een beslissing over een aanvraag voor een rondreisvisum, de lidstaat dient te zijn waarvan de aanvrager voornemens is de buitengrens te overschrijden om het grondgebied van de lidstaten binnen te komen. Dit wordt gerechtvaardigd door het feit dat op veel onderdanen van derde landen die langer dan 90 dagen in het Schengengebied willen rondreizen, de bepalingen van de huidige Visumcode (hoofdbestemming qua duur of doel van het verblijf) nauwelijks van toepassing zijn. Het doel van het bezoek is in beginsel in alle lidstaten gelijk (namelijk optreden of toerisme), terwijl aanvragers vooraf dikwijls nog niet weten hoe lang zij in de verschillende lidstaten zullen blijven. Ten slotte mogen op grond van artikel 4 bepaalde categorieën onderdanen van derde landen de aanvraag voor een rondreisvisum indienen op het grondgebied van de lidstaat waar zij al legaal verblijven. Dit is gerechtvaardigd omdat veel onderdanen van derde landen die op het grondgebied van de lidstaten verblijven evenals onderdanen van derde landen die zijn vrijgesteld van de verplichting in het bezit te zijn van een visum voor ten hoogste 90 dagen (korte verblijven), over voldoende financiële middelen beschikken en er een legitiem belang bij hebben om langer dan 90 dagen binnen een periode van 180 dagen in andere lidstaten rond te reizen tijdens (of onmiddellijk na) een verblijf in een specifieke lidstaat. Het is echter noch uit het oogpunt van de veiligheid, noch uit dat van de economie in het belang van de Unie om deze personen ertoe te verplichten het Schengengebied te verlaten om in hun land van herkomst een rondreisvisum aan te vragen.

Artikel 5 specificeert welke bepalingen van de Visumcode van toepassing zijn op de aanvraagprocedure voor een rondreisvisum en bevat aanvullende bepalingen en uitzonderingen. Bepaald wordt dat de aanvrager een geldig reisdocument moet overleggen dat wordt erkend door de lidstaat die bevoegd is een aanvraag te behandelen en daarover te beslissen alsook door ten minste één andere te bezoeken lidstaat. Verder dienen aanvragers passend bewijs over te leggen dat zij voornemens zijn langer dan 90 dagen binnen een periode van 180 dagen op het grondgebied van twee of meer lidstaten te blijven, zonder langer dan 90 dagen binnen een periode van 180 dagen op het grondgebied van een van de betrokken lidstaten te blijven. Dit artikel voorziet niet in afwijkingen van de Visumcode met betrekking tot de visumleges, die derhalve 60 EUR bedragen (de standaardleges voor de aanvraag van een visum voor kort verblijf). Dit is gerechtvaardigd omdat de taken van de consulaten vrijwel gelijk zijn, of zij nu een aanvraag behandelen voor een visum voor kort verblijf of voor een rondreisvisum. De bepalingen van de Visumcode inzake gedeeltelijke of gehele ontheffing van de visumleges dienen ook van toepassing te zijn. Evenzo gelden de bepalingen van de Visumcode inzake de dienstverleningskosten die door externe dienstverleners kunnen worden geheven en die niet meer mogen bedragen dan de helft van de visumleges van 60 EUR.

Een ander belangrijk criterium in dit artikel houdt in dat aanvragers moeten aantonen over voldoende middelen van bestaan te beschikken en in een stabiele economische situatie te verkeren, zulks door middel van salarisstrookjes of bankafschriften van een periode van 12 maanden voorafgaand aan de datum van aanvraag en/of bewijsstukken waaruit blijkt dat zij gedurende hun verblijf op rechtmatige wijze voldoende financiële middelen zullen verkrijgen (bv. door aan te tonen dat zij pensioengerechtigd zijn). Volgens dit artikel moet aanvragers die in het bezit van een rondreisvisum zijn, worden toegestaan om in de lidstaat waar zij legaal verblijven een werkvergunning voor de volgende te bezoeken lidstaten aan te vragen. Deze bepaling is niet strijdig met bepalingen inzake de toegang tot de arbeidsmarkt en regelt niet of een werkvergunning vereist is; zij doet evenmin afbreuk aan de voorwaarden voor afgifte. Zij regelt alleen de plaats van aanvraag, in de zin dat een onderdaan van een derde land moet worden toegestaan om een werkvergunning aan te vragen zonder het Schengengebied te verlaten. Dit artikel voorziet in bepaalde procedurele versoepelingen (zoals de mogelijke vrijstelling van de verplichting bepaalde bewijsstukken in te dienen) voor specifieke categorieën aanvragers die, met name als leidinggevende, onderzoeker, kunstenaar of professional uit de cultuursector enz., werken voor of zijn uitgenodigd door een betrouwbare onderneming, organisatie of instelling die bij het consulaat bekend is. Belanghebbenden stellen terecht dat de procedure voor deze categorieën personen niet alleen op de 'individuele' aanvrager gericht zou moeten zijn, maar ook op de betrouwbaarheid van de detacherende, uitnodigende of als gastheer optredende onderneming/organisatie/instelling.

Behalve dat wordt vermeld welke algemene bepalingen van de Visumcode over de behandeling van en de beslissing over een aanvraag ook voor rondreisvisa gelden, bevat artikel 6 tevens de kernbepaling dat er bijzondere aandacht dient te worden besteed aan de financiële situatie van de aanvrager: voldoende financiële middelen van bestaan voor de totale duur van het voorgenomen verblijf, met inbegrip van voldoende middelen voor huisvesting. Dit artikel bepaalt ook dat over een aanvraag binnen een termijn van 20 kalenderdagen moet worden beslist. Dit is langer dan de huidige behandelingstermijn voor aanvragen voor visa voor kort verblijf, omdat de financiële situatie van de aanvrager grondig moet worden onderzocht.

Aangezien de relatie tussen verblijven op basis van de bestaande visa voor kort verblijf, visa voor verblijven van langere duur en verblijfsvergunningen enerzijds en verblijven op basis van rondreisvisa anderzijds moet worden verduidelijkt met het oog op de integratie van het nieuwe type visum in het systeem, voorziet artikel 6 in de mogelijkheid verblijven op basis van rondreisvisa te combineren met eerdere/toekomstige visumvrije verblijven, verblijven op basis van visa voor kort verblijf, visa voor een verblijf van langere duur en verblijfsvergunningen. Soortgelijke bepalingen zullen worden opgenomen in de Visumcode en de Schengengrenscode.

Artikel 7 betreft de afgifte van de rondreisvisa, waarop eveneens een aantal gespecificeerde bepalingen van de Visumcode van toepassing dient te zijn. Het artikel bepaalt dat het rondreisvisum altijd meerdere binnenkomsten mogelijk moet maken. Wat betreft de lengte van het toegestane verblijf voorziet het voorstel – in samenhang met artikel 8 – in de mogelijkheid om tot twee opeenvolgende jaren in het Schengengebied te blijven voor alle onderdanen van derde landen die kunnen aantonen dat zij aan de voorwaarden voor een dermate lange periode voldoen. Bij de beoordeling van een aanvraag, en met name bij de bepaling van de toegestane verblijfsduur, dienen consulaten alle relevante factoren in aanmerking te nemen, zoals het feit dat burgers van derde landen waarvan de onderdanen zijn vrijgesteld van de visumplicht voor kort verblijf, in de regel geen problemen inzake illegale migratie of veiligheidsrisico's opleveren. De geldigheidsduur van het visum dient overeen te komen met de duur van het toegestane verblijf. Gelet op de aard van het nieuwe visum sluit dit artikel uit dat een rondreisvisum wordt afgegeven dat slechts geldig is op het grondgebied van één lidstaat. Het is per definitie de bedoeling van een rondreisvisum dat aanvragers er meerdere lidstaten mee kunnen bereizen.

Het rondreisvisum wordt afgegeven in het in Verordening (EG) nr. 1683/95 vastgelegde uniforme model (visumsticker), met daarop de letter 'T' als vermelding van het type. In artikel 77, lid 2, onder a), VWEU worden zowel 'visa' als 'verblijfstitels van korte duur' genoemd. Aangezien verblijfsvergunningen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1030/2002 van 13 juni 2002[19] worden afgegeven in de vorm van een kaart (van kunststof) en de meeste consulaten van de lidstaten niet zijn uitgerust om verblijfsvergunningen in kaartvorm af te geven, zou verplichte afgifte in kaartvorm een buitensporige last voor de lidstaten vormen.

Artikel 8 betreft de wijzigingen van een afgegeven visum, namelijk verlenging, nietigverklaring en intrekking. Het voorziet in de mogelijkheid om de toegestane verblijfsduur te verlengen tot twee jaar. Anders dan de bepalingen voor het verlengen van een visum voor kort verblijf voorschrijven, zullen aanvragers niet te hoeven staven dat sprake is van uitzonderlijke omstandigheden. Veel potentiële aanvragers van dit type visum (met name uitvoerend kunstenaars) moeten namelijk vaak langere tijd in het Schengengebied verblijven, zonder zich in een bepaalde lidstaat te vestigen. Voor een verlenging van een rondreisvisum zal de aanvrager moeten aantonen dat hij nog steeds aan de voorwaarden voor binnenkomst en visumafgifte voldoet en dat het voortgezette verblijf in overeenstemming is met de vereiste niet langer dan 90 dagen binnen een periode van 180 dagen in één lidstaat te blijven.

Artikel 9 specificeert welke bepalingen van het hoofdstuk van de Visumcode over 'Administratief beheer en organisatie' ook op de afgifte van rondreisvisa van toepassing zouden moeten zijn. In het kader van de plaatselijke Schengensamenwerking zouden consulaten statistieken en andere informatie over rondreisvisa moeten uitwisselen.

De artikelen 10 tot en met 16 zijn zogenaamde slot- en/of operationele artikelen, die onder meer betrekking hebben op de operationele voorschriften voor de behandeling van rondreisvisa (waarin de relatie tussen de bepalingen van de Visumcode en die van dit voorstel verder zullen worden verduidelijkt), toezicht, inwerkingtreding enz. Met de wijzigingen van de Schengengrenscode en de VIS-verordening wordt hoofdzakelijk beoogd het rondreisvisum in het Schengenacquis te integreren.

Dit betekent bovenal dat de in artikel 5 van de Schengengrenscode vervatte toegangsvoorwaarden ook gelden voor de afgifte van een rondreisvisum en dat bovendien moet worden gewaarborgd dat rondreisvisa en aanvragen daarvoor in het VIS worden geregistreerd. Het voorstel betreft echter ook onderdanen van derde landen die zijn vrijgesteld van de visumplicht voor kort verblijf (vgl. bijlage II van de visumverordening) en wier gegevens dus niet in het VIS worden geregistreerd, omdat reizigers uit deze landen in beginsel geen veiligheids- en/of migratierisico voor de lidstaten vormen. Gelet op het evenredigheidsbeginsel is het dan ook niet gerechtvaardigd om vingerafdrukken af te nemen van de onderdanen van dergelijke derde landen (zoals Australië, Canada en de Verenigde Staten). Op grond van deze uitzondering, die is vastgesteld in artikel 5, kunnen de lidstaten ook aanvragen voor rondreisvisa aanvaarden die burgers van deze derde landen elektronisch of per post indienen.

Artikel 12 vereist nadere toelichting. Het strekt tot gedeeltelijke intrekking van artikel 20, lid 2, van de SUO, op grond waarvan, als een lidstaat vóór de inwerkingtreding van de SUO (of vóór de datum waarop de lidstaat nadien tot de Schengenovereenkomst is toegetreden) een bilaterale overeenkomst inzake de vrijstelling van de visumplicht heeft gesloten met een derde land dat op de lijst in bijlage II van de Visumverordening (lijst van landen zonder visumplicht) staat, de betrokken lidstaat op grond van de bepalingen van die bilaterale overeenkomst het visumvrij verblijf op zijn grondgebied mag verlengen, dat wil zeggen, de onderdanen van dat derde land mag toestaan langer dan drie maanden te blijven.

Burgers van Canada, Nieuw-Zeeland en de Verenigde Staten mogen bijvoorbeeld zo lang in dergelijke lidstaten blijven als is vastgesteld in de bilaterale overeenkomsten inzake de vrijstelling van de visumplicht tussen de lidstaten en deze drie landen (gewoonlijk drie maanden), bovenop het gewone verblijf van 90 dagen in het Schengengebied. De Commissie is ervan op de hoogte dat er met deze landen meerdere bilaterale overeenkomsten zijn gesloten, waardoor hun burgers op grond van een vrijstelling van de visumplicht voor kort verblijf vrijwel onbeperkt legaal in het Schengengebied kunnen verblijven. Nieuw-Zeeland heeft bijvoorbeeld 16 bilaterale vrijstellingen van de visumplicht, waardoor zijn burgers in de praktijk 51 maanden in het Schengengebied kunnen blijven (drie maanden visumvrij verblijf op grond van de visumverordening plus 48 maanden).

Al in 1998 achtten de lidstaten een dergelijk onbeperkt verblijf niet in overeenstemming met de geest van een ruimte zonder binnengrenzen. Het Uitvoerend Comité keurde een besluit vast betreffende de harmonisatie van de overeenkomsten inzake de afschaffing van de visumplicht[20]. Volgens dit besluit moesten de lidstaten in hun bilaterale overeenkomsten modelbepalingen opnemen om de duur van visumvrije verblijven in het Schengengebied (in plaats van op het grondgebied van de betrokken lidstaat) te beperken tot drie maanden per zes maanden.

Nadat het Schengenacquis door de inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam werd opgenomen in de communautaire kaderregeling, druiste artikel 20, lid 2, van de SUO niet alleen in tegen de geest van een ruimte zonder binnengrenzen, maar was de bepaling ook onverenigbaar met het Verdrag: in artikel 62, lid 3, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (VEG) was sprake van 'maatregelen tot vaststelling van de voorwaarden waaronder onderdanen van derde landen vrij kunnen reizen op het grondgebied van de lidstaten gedurende een periode van ten hoogste drie maanden.' Daarom stelde de Commissie in haar initiatief voor vrij verkeer van 2001 voor om artikel 20, lid 2, in te trekken.

Het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) beperkt het verblijf van 'korte duur' in het Schengengebied niet meer tot drie maanden; er is geen duur vastgesteld. Artikel 20, lid 2, en het verlengen van de verblijfsduur op grond van bilaterale overeenkomsten zijn echter nog steeds niet verenigbaar met artikel 77, lid 2, onder a) en c), van het Verdrag, aangezien het gemeenschappelijk visumbeleid niet gebaseerd kan zijn op bilaterale overeenkomsten uit het verleden. De vrijheid van verkeer van onderdanen van derde landen dient niet afhankelijk te zijn van het aantal of de inhoud van reeds gesloten bilaterale overeenkomsten. Voor alle niet-visumplichtige onderdanen van derde landen dienen dezelfde regels te gelden. De uitvoering van artikel 20, lid 2, leidt tot praktische problemen en veroorzaakt rechtsonzekerheid voor zowel autoriteiten als reizigers, in het bijzonder wanneer de laatsten het Schengengebied moeten verlaten. Bovendien zijn voor het toekomstige inreis-/uitreisssysteem eenduidige regels vereist en kan er om technische redenen geen rekening worden gehouden met de mogelijkheid dat de overeenkomsten inzake de vrijstelling van de visumplicht nog van toepassing zijn wanneer de toegestane verblijfsperiode moet worden gecontroleerd. Ten slotte wordt met de invoering van het rondreisvisum onder meer beoogd te voorzien in een rechtskader en een passende vergunning op grond waarvan onderdanen van derde landen langer dan 90 dagen in het Schengengebied kunnen blijven.

Het voorstel voorziet in een overgangsperiode van vijf jaar, waarin de lidstaten de werking van bilaterale overeenkomsten inzake de vrijstelling van de visumplicht geleidelijk afbouwen wat de totale verblijfsduur van onderdanen van derde landen in het Schengengebied betreft. Dit vergt tijd en er moet ook in aanmerking worden genomen dat bepaalde derde landen veel waarde hechten aan handhaving van de status quo.

Uit politiek oogpunt is dit begrijpelijk. Een overeenkomst inzake de vrijstelling van de visumplicht is een rechtsinstrument dat de burgers van beide partijen concrete en directe voordelen oplevert. Het moet duidelijk gemaakt worden dat het gedeeltelijk schrappen van artikel 20, lid 2, niet betekent dat deze overeenkomsten onmiddellijk en volledig buiten werking worden gesteld. Voorts zou het voor veel Amerikanen, Canadezen, Nieuw-Zeelanders enz. in de praktijk niet nadelig uitpakken als de bestaande regeling, waarbij korte verblijven worden verlengd op basis van oude bilaterale overeenkomsten inzake de vrijstelling van de visumplicht, wordt vervangen door een nieuw type visum van ten hoogste één jaar – verlengbaar tot twee jaar. Veel van degenen die een jaar of langer willen blijven, zullen tijdens hun verblijf wellicht werken en zich derhalve in een van de lidstaten moeten vestigen en vervolgens een visum voor een verblijf van langere duur of een verblijfsvergunning aanvragen.

· Relatie met het tegelijkertijd ingediende voorstel voor een verordening tot herschikking van de Visumcode en andere voorstellen

De onderhandelingen over het tegelijkertijd ingediende voorstel voor een verordening tot herschikking van de Visumcode zullen van invloed zijn op dit voorstel en er dient bij de onderhandelingen dan ook nauwlettend op te worden toegezien dat de nodige synergieën tussen beide voorstellen worden gewaarborgd. Indien het in de loop van deze onderhandelingen haalbaar blijkt om binnen dezelfde termijn tot vaststelling te komen, wil de Commissie de twee voorstellen samenvoegen tot één voorstel tot herschikking.

Evenzo zal in een latere fase moeten worden gezorgd voor synergieën met het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot instelling van een inreis-uitreissysteem (EES) voor de registratie van inreis- en uitreisgegevens van onderdanen van derde landen die de buitengrenzen van de Europese Unie overschrijden[21]. Onderwerp en toepassingsgebied van het voorstel moeten wellicht worden gewijzigd als wordt besloten om voor de controle van binnenkomst en vertrek aan de buitengrenzen van houders van een rondreisvisum gebruik te maken van het inreis-/uitreissysteem[22].

·

Rechtsgrondslag



Artikel 77 VWEU verleent de Unie de bevoegdheid om maatregelen vast te stellen inzake titels voor kort verblijf in het Schengengebied. Artikel 77, lid 2, VWEU luidt:

"[…] Voor de toepassing van lid 1 stellen het Europees Parlement en de Raad volgens de gewone wetgevingsprocedure maatregelen vast voor

a) het gemeenschappelijk beleid inzake visa en andere verblijfstitels van korte duur;

b) de controles waaraan personen bij het overschrijden van de buitengrenzen worden onderworpen;

c) de voorwaarden waaronder onderdanen van derde landen gedurende een korte periode vrij in de Unie kunnen reizen;"

Dit voorstel bevat maatregelen voor elk van deze drie elementen. Artikel 77, lid 2, onder a), b) en c), VWEU lijkt dan ook de passende rechtsgrondslag voor dit voorstel te zijn.

Artikel 79 VWEU verleent de Unie de bevoegdheid om in het kader van een gemeenschappelijk immigratiebeleid wetgeving vast te stellen inzake langlopende visa en verblijfstitels; in beide gevallen gaat het om legaal verblijf in lidstaten, d.w.z. om verblijf van langere duur in één lidstaat. Zowel in het inleidende lid 1 als in lid 2, onder b), van artikel 79 wordt uitdrukkelijk verwezen naar onderdanen van derde landen die legaal in een lidstaat verblijven. De doelgroep van dit voorstel wil zich niet in een van de lidstaten vestigen en hoeft dat ook niet; de betrokkenen willen rondreizen binnen Europa, dat wil zeggen zich verplaatsen binnen het Schengengebied, voordat zij weer vertrekken. Artikel 79 VWEU is derhalve geen passende rechtsgrondslag voor dit voorstel.

In lid 3 van artikel 62, dat voorafging aan artikel 77 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (VEG), was sprake van 'maatregelen tot vaststelling van de voorwaarden waaronder onderdanen van derde landen vrij kunnen reizen op het grondgebied van de lidstaten gedurende een periode van ten hoogste drie maanden.' In artikel 77, lid 2, onder c), VWEU wordt deze periode niet meer beperkt tot drie maanden. Met deze duidelijke wijziging in het Verdrag kwam een einde aan de belemmering waarop een dergelijk voorstel op grond van de voorgaande Verdragen zou zijn gestuit.

Derhalve is artikel 77, lid 2, onder a), b) en c), VWEU de passende rechtsgrondslag voor dit voorstel, dat ten doel heeft het verkeer van onderdanen van derde landen in het Schengengebied te regelen en dat geen betrekking heeft op situaties waarop artikel 79 VWEU (toelating voor langdurig verblijf op het grondgebied van één lidstaat) van toepassing is. Het laatstgenoemde element wordt gewaarborgd door de voorgestelde definitie, op grond waarvan houders van een rondreisvisum niet mag worden toegestaan om langer dan 90 dagen binnen een periode van 180 dagen op het grondgebied van dezelfde lidstaat te verblijven.

· Subsidiariteits- en evenredigheidsbeginsel

Volgens artikel 5, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) dient de Unie op de gebieden die niet onder haar exclusieve bevoegdheid vallen, slechts op te treden indien en voor zover de doelstellingen van het overwogen optreden niet voldoende door de lidstaten op centraal, regionaal of lokaal niveau kunnen worden verwezenlijkt, maar vanwege de omvang of de gevolgen van het overwogen optreden beter door de Unie kunnen worden bereikt. Wat dit voorstel betreft is het bijzonder duidelijk dat optreden op het niveau van de Unie geboden is. Een vergunning die in alle lidstaten geldig is, kan alleen op EU-niveau worden ingevoerd; de 'wederzijdse erkenning' van rondreisvisa kan niet op nationaal niveau worden geregeld. De voorwaarden en procedures voor afgifte dienen eenvormig te zijn voor alle lidstaten. Dit kan alleen worden bereikt door optreden op het niveau van de Unie.

Krachtens artikel 5, lid 4, VEU mag het optreden van de Unie niet verder gaan dan nodig is om de doelstellingen van de Verdragen te verwezenlijken. De vorm die voor dit EU-optreden wordt gekozen, moet het mogelijk maken de doelstellingen van het voorstel te verwezenlijken en het voorstel zo doeltreffend mogelijk ten uitvoer te leggen. Dit voorstel bevat geen elementen die niet rechtstreeks op de doelstellingen betrekking hebben. Ook uit het oogpunt van de kosten is het evenredig. Het voorstel is derhalve in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel.

·

Keuze van instrumenten



Dit voorstel strekt tot invoering van een nieuw type visum, dat in beginsel in alle lidstaten geldig is, en tot vaststelling van de voorwaarden en procedures voor de afgifte van dit visum. Derhalve kan alleen voor een verordening als rechtsinstrument worden gekozen.

4. AANVULLENDE ELEMENTEN

· Deelname

Dit voorstel bouwt voort op het Schengenacquis in de zin dat het betrekking heeft op de verdere ontwikkeling van het gemeenschappelijk visumbeleid. Er moet dan ook rekening worden gehouden met de hierna genoemde gevolgen van de diverse aan de Verdragen gehechte protocollen en de overeenkomsten met geassocieerde landen.

Denemarken: Overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van het Protocol (nr. 22) betreffende de positie van Denemarken, dat aan het VEU en het VWEU is gehecht, neemt Denemarken niet deel aan de vaststelling door de Raad van overeenkomstig het derde deel van titel V van het VWEU voorgestelde maatregelen. Aangezien deze verordening voortbouwt op het Schengenacquis, dient Denemarken overeenkomstig artikel 4 van genoemd protocol binnen een termijn van zes maanden nadat de Raad heeft beslist over deze verordening te beslissen of het deze in zijn nationale wetgeving zal omzetten.

Verenigd Koninkrijk en Ierland: Overeenkomstig de artikelen 4 en 5 van het Protocol tot opneming van het Schengenacquis in het kader van de Europese Unie en overeenkomstig Besluit 2000/365/EG van 29 mei 2000 betreffende het verzoek van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland deel te mogen nemen aan enkele van de bepalingen van het Schengenacquis, en Besluit 2002/192/EG van de Raad van 28 februari 2002 betreffende het verzoek van Ierland deel te mogen nemen aan bepalingen van het Schengenacquis, nemen het Verenigd Koninkrijk en Ierland niet deel aan de uitvoering van het gemeenschappelijk visumbeleid en met name Verordening (EG) nr. 810/2009 tot vaststelling van een gemeenschappelijke visumcode (Visumcode). Het Verenigd Koninkrijk en Ierland nemen derhalve niet deel aan de aanneming van deze verordening, die dan ook niet verbindend voor, noch van toepassing op het Verenigd Koninkrijk en Ierland is.

IJsland en Noorwegen: De procedures die zijn vastgelegd in de associatieovereenkomst die is gesloten door de Raad en de Republiek IJsland en het Koninkrijk Noorwegen inzake de wijze waarop deze landen worden betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis, zijn van toepassing, aangezien dit voorstel voortbouwt op het Schengenacquis zoals omschreven in bijlage A bij deze overeenkomst[23].

Zwitserland: Dit voorstel houdt een ontwikkeling in van de bepalingen van het Schengenacquis als bedoeld in de Overeenkomst tussen de Europese Unie, de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de wijze waarop de Bondsstaat wordt betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis[24].

Liechtenstein: Deze verordening houdt een ontwikkeling in van de bepalingen van het Schengenacquis als bedoeld in het Protocol tussen de Europese Unie, de Europese Gemeenschap, de Zwitserse Bondsstaat en het Vorstendom Liechtenstein betreffende de toetreding van het Vorstendom Liechtenstein tot de Overeenkomst tussen de Europese Unie, de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de wijze waarop de Bondsstaat wordt betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis[25].

Cyprus: Deze verordening vormt een op het Schengenacquis voortbouwend of anderszins daaraan gerelateerd rechtsbesluit als bedoeld in artikel 3, lid 2, van de toetredingsakte van 2003.

Bulgarije en Roemenië: Deze verordening vormt een op het Schengenacquis voortbouwend of anderszins daaraan gerelateerd rechtsbesluit als bedoeld in artikel 4, lid 2, van de toetredingsakte van 2005.

Kroatië: Deze verordening vormt een op het Schengenacquis voortbouwend of anderszins daaraan gerelateerd rechtsbesluit als bedoeld in artikel 4, lid 2, van de toetredingsakte van 2011.