Overwegingen bij COM(2010)545 - Vaststelling, voor 2011 en 2012, van de vangstmogelijkheden voor EU-vaartuigen voor bepaalde bestanden van diepzeevissen - EU monitor

EU monitor; Kennis Management Tool
logo PDC
Maandag 20 mei 2013
 
 
 
(1) Krachtens artikel 43, lid 3, van het Verdrag moet de Raad op voorstel van de Commissie de maatregelen voor de vaststelling en verdeling van de vangstmogelijkheden vaststellen.

(2) Verordening (EG) nr. 2371/2002 van de Raad van 20 december 2002 inzake de instandhouding en de duurzame exploitatie van de visbestanden in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid [1] bepaalt dat maatregelen inzake de toegang tot wateren en hulpbronnen en de duurzame uitoefening van visserijactiviteiten worden vastgesteld met inachtneming van de beschikbare wetenschappelijke, technische en economische adviezen en met name van verslagen van het Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de visserij (WTECV).

(3) Het is de taak van de Raad maatregelen inzake het vaststellen en verdelen van de vangstmogelijkheden te treffen per visserijtak of groep van visserijtakken, in voorkomend geval met inbegrip van bepaalde voorwaarden die daar functioneel mee verbonden zijn. De vangstmogelijkheden moeten zo over de lidstaten worden verdeeld, dat elke lidstaat een relatieve stabiliteit van de visserijactiviteiten per bestand of per visserij geniet, mede met inachtneming van de in Verordening (EG) nr. 2371/2002 bepaalde doelstellingen van het gemeenschappelijk visserijbeleid.

(4) De totaal toegestane vangsten (TAC's) dienen te worden vastgesteld op basis van de beschikbare wetenschappelijke adviezen, met inachtneming van de biologische en sociaaleconomische aspecten, met dien verstande dat een gelijke behandeling van de visserijsectoren moet worden gegarandeerd, alsook in het licht van de standpunten die tijdens de raadpleging van de belanghebbende partijen naar voren worden gebracht, met name tijdens de vergaderingen met het Raadgevend Comité voor de visserij en de aquacultuur, en met de betrokken regionale adviesraden.

(5) De vangstmogelijkheden moeten in overeenstemming zijn met de internationale overeenkomsten en beginselen, onder meer de overeenkomst van de Verenigde Naties van 1995 betreffende de instandhouding en het beheer van grensoverschrijdende bestanden en bestanden van over grote afstanden trekkende soorten [2], en met de gedetailleerde beheersbeginselen die de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties heeft neergelegd in haar internationale richtsnoeren van 2008 betreffende het beheer van de diepzeevisserij op volle zee, met name de regel dat wetgevers voorzichtiger moeten zijn wanneer informatie onzeker, onbetrouwbaar of onjuist is. Het ontbreken van adequate wetenschappelijke gegevens mag geen reden zijn om instandhoudings- en beheersmaatregelen uit te stellen of achterwege te laten.

(6) Uit het meest recente advies van de Internationale Raad voor het Onderzoek van de Zee (ICES) [3] en van het WTECV [4] blijkt dat de meeste diepzeebestanden niet op duurzame wijze worden geëxploiteerd, en dat om de duurzaamheid van die bestanden te verzekeren, de desbetreffende vangstmogelijkheden moeten worden verlaagd, totdat de ontwikkeling van de bestanden een positieve trend te zien geeft. ICES heeft verder geadviseerd geen op Atlantische slijmkop gerichte visserij toe te laten.

(7) De voornaamste commerciële soorten diepzeehaaien worden als uitgeput beschouwd, en daarom mag geen gerichte bevissing van diepzeehaaien plaatsvinden. Zolang de hoeveelheid onvermijdelijke bijvangst niet door middel van selectiviteitsprojecten en andere technische maatregelen is vastgesteld, is de aanlanding van bijvangst niet toegestaan.

(8) De vangstmogelijkheden betreffende diepzeesoorten als vermeld in de lijst in bijlage I bij Verordening (EG) nr. 2347/2002 van de Raad van 16 december 2002 tot vaststelling van bijzondere voorwaarden voor de toegang tot diepzeebestanden en bij de visserij daarop in acht te nemen voorschriften [5], worden per twee jaar vastgesteld. Hierop wordt evenwel een uitzondering gemaakt voor de bestanden grote zilvervis en voor de visserij op blauwe leng als hoofdactiviteit, ten aanzien waarvan de vangstmogelijkheden afhangen van het resultaat van de jaarlijkse onderhandelingen met Noorwegen. De vangstmogelijkheden betreffende die bestanden worden derhalve vastgesteld in een andere, ter zake geldende jaarverordening.

(9) Op grond van Verordening (EG) nr. 847/96 van de Raad van 6 mei 1996 tot invoering van aanvullende voorwaarden voor het meerjarenbeheer van de TAC's en quota [6] moet worden bepaald op welke bestanden de verschillende in die verordening bedoelde maatregelen worden toegepast.

(10) Om het inkomen van de vissers in de Unie veilig te stellen, is het van belang dat op 1 januari 2011 met deze visserij een aanvang kan worden gemaakt.