Overwegingen bij COM(2011)627 - Steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO) - EU monitor

EU monitor; Kennis Management Tool
logo PDC
Woensdag 22 mei 2013
 
 
 
(1) In de Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's, getiteld 'Het GLB tot 2020: inspelen op de uitdagingen van de toekomst inzake voedsel, natuurlijke hulpbronnen en territoriale evenwichten'[11] (hierna 'de mededeling 'Het GLB tot 2020"" genoemd), worden de potentiële uitdagingen, doelstellingen en oriëntaties voor het gemeenschappelijk landbouwbeleid (hierna 'het GLB' genoemd) voor de periode na 2013 uiteengezet. Het GLB moet, met inachtneming van de besprekingen over deze mededeling, met ingang van 1 januari 2014 worden hervormd. Deze hervorming moet betrekking hebben op de belangrijkste instrumenten van het GLB, met inbegrip van Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad van 20 september 2005 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO)[12]. Gezien de reikwijdte van de hervorming dient Verordening (EG) nr. 1698/2005 te worden ingetrokken en te worden vervangen door een nieuwe verordening.

(2) Het beleid inzake plattelandsontwikkeling moet de regeling inzake de rechtstreekse betalingen en de marktmaatregelen in het kader van het GLB flankeren en aanvullen en aldus bijdragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van dat beleid zoals omschreven in het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna 'het Verdrag' genoemd). Het beleid inzake plattelandsontwikkeling moet worden opgesteld met inachtneming van de belangrijke beleidsprioriteiten uit de mededeling van de Commissie van 3 maart 2010, getiteld 'Europa 2020 - Een strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei'[13] (hierna "de Europa 2020‑strategie" genoemd) en in overeenstemming zijn met de algemene doelstellingen van het beleid inzake economische en sociale samenhang zoals omschreven in het Verdrag.

(3) Aangezien de doelstelling van deze verordening, te weten plattelandsontwikkeling, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt wegens de samenhang ervan met de overige instrumenten van het GLB, de omvang van de verschillen tussen de verschillende plattelandsgebieden en de beperkte financiële middelen van de lidstaten in een uitgebreide Unie, aangezien deze doelstelling derhalve beter op EU‑niveau kan worden verwezenlijkt, dankzij de meerjarige garantie van EU‑financiering en de concentratie van die financiering op de EU-prioriteiten, kan de Unie maatregelen nemen overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel zoals neergelegd in artikel 5, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie. Overeenkomstig het in artikel 5, lid 4, van dat Verdrag neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om die doelstelling te verwezenlijken.

(4) Ter aanvulling of wijziging van bepaalde niet-essentiële onderdelen van de onderhavige verordening moet de bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen aan de Commissie worden gedelegeerd overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden passend overleg pleegt, onder meer met deskundigen. De Commissie moet bij de voorbereiding en opstelling van de gedelegeerde handelingen zorgen voor gelijktijdige, snelle en adequate toezending van de desbetreffende documenten aan het Europees Parlement en de Raad.

(5) Om de duurzame ontwikkeling van de plattelandsgebieden te garanderen, moet het beleid worden afgestemd op een beperkt aantal kernprioriteiten die betrekking hebben op de overdracht van kennis en innovatie in de landbouwsector, de bosbouwsector en plattelandsgebieden, op het concurrentievermogen van alle soorten landbouw en de rendabiliteit van landbouwbedrijven, op de organisatie van de voedselketen en van het risicobeheer in de landbouw, op de instandhouding en versterking van de ecosystemen die afhankelijk zijn van de landbouw en de bosbouw, op de bevordering van het efficiënte gebruik van hulpbronnen en van de overstap naar een koolstofarme economie in de landbouw-, de voedings- en de bosbouwsector en op de bevordering van sociale inclusie, armoedebestrijding en de economische ontwikkeling van de plattelandsgebieden. Hierbij dient rekening te worden gehouden met de uiteenlopende kenmerken en categorieën van potentiële begunstigden die in de verschillende plattelandsgebieden kunnen bestaan, en met de horizontale doelstellingen inzake milieu, innovatie en de matiging van en de aanpassing aan de klimaatverandering. Matigingsmaatregelen moet zowel betrekking hebben op de beperking van emissies in de landbouw en bosbouw van belangrijke activiteiten zoals dierlijke productie, het gebruik van meststoffen als op het behoud van koolstofputten en de verbetering van koolstofvastlegging met betrekking tot grondgebruik, veranderingen van het grondgebruik en de bosbouwsector. De prioriteit van de Unie met betrekking tot kennisoverdracht en innovatie in de landbouw‑ en de bosbouwsector moet horizontaal worden toegepast in aansluiting op de andere EU-prioriteiten voor plattelandsontwikkeling.

(6) De prioriteiten van de Unie voor plattelandsontwikkeling moeten, rekening houdend met het beginsel dat de vervuiler betaalt, worden nagestreefd in het kader van duurzame ontwikkeling en de bevordering door de Unie van de doelstelling om het milieu te beschermen en te verbeteren zoals omschreven in de artikelen 11 en 19 van het Verdrag. Overeenkomstig de ambitie om ten minste 20 % van de begroting van de Unie aan klimaatveranderingsdoelstellingen te besteden, moeten de lidstaten aan de hand van een door de Commissie goedgekeurde methodologie informatie verstrekken over de steun voor zulke doelstellingen.

(7) De activiteiten van het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (hierna 'het ELFPO' genoemd) en de concrete acties waaraan dit Fonds bijdraagt, moeten coherent en verenigbaar zijn met de steun van andere instrumenten van het GLB. Om ervoor te zorgen dat de middelen van de Unie optimaal worden toegewezen en efficiënt worden aangewend, moet de bevoegdheid om handelingen vast te stellen overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag aan de Commissie worden gedelegeerd wat betreft het vaststellen van uitzonderingen op de regel dat er geen steun uit hoofde van de onderhavige verordening mag worden verleend aan acties die worden gesteund in het kader van gemeenschappelijke marktordeningen.

(8) Om ervoor te zorgen dat de programma's voor plattelandsontwikkeling onverwijld van start gaan en efficiënt worden uitgevoerd, moet de steun uit het ELFPO berusten op het bestaan van een solide administratief kader. De lidstaten moeten daarom de naleving van bepaalde vooraf te vervullen voorwaarden beoordelen. Overeenkomstig het Verdrag moet de EU door middel van haar optreden ten gunste van de plattelandsontwikkeling bijdragen tot de opheffing van ongelijkheden tussen en de bevordering van de gelijkheid van mannen en vrouwen en tot non-discriminatie. Een lidstaat moet hetzij een enkel nationaal plattelandsontwikkelingsprogramma voor zijn gehele grondgebied, hetzij een reeks regionale programma's voorbereiden. Elk programma moet, naast een selectie van maatregelen, ook een strategie omvatten aan de hand waarvan de streefdoelen die ten aanzien van de EU‑prioriteiten zijn vastgesteld, moeten worden gehaald. De programmering dient in overeenstemming te zijn met de EU‑prioriteiten, aangepast te zijn aan de nationale context en een aanvulling te vormen op de andere EU‑beleidsgebieden, waaronder het landbouwbeleid, het cohesiebeleid en het gemeenschappelijk visserijbeleid. Lidstaten die opteren voor een reeks regionale programma's, moeten tevens in staat zijn een nationaal kader, zonder afzonderlijke begrotingstoewijzing, voor te bereiden teneinde een gecoördineerde aanpak van natiewijde uitdagingen door de regio's te faciliteren.

(9) De lidstaten moeten in hun plattelandsontwikkelingsprogramma's thematische subprogramma's kunnen opnemen om tegemoet te komen aan specifieke behoeften op gebieden die voor hen van bijzonder belang zijn. Dergelijke thematische subprogramma's dienen betrekking te hebben op, onder meer, jonge landbouwers, kleine landbouwbedrijven, berggebieden en de instelling van een korte voorzieningsketen. De thematische subprogramma's moeten tevens de mogelijkheid bieden de herstructurering van landbouwsectoren met een grote impact op de ontwikkeling van plattelandsgebieden aan te pakken. Met het oog op een efficiëntere toepassing van dergelijke thematische subprogramma's moet de lidstaten worden toegestaan het steunpercentage voor bepaalde concrete acties in het kader van dergelijke programma's te verhogen.

(10) In de plattelandsontwikkelingsprogramma's moeten de behoeften van het betrokken gebied worden omschreven, alsmede een samenhangende strategie voor de invulling van die behoeften overeenkomstig de EU-prioriteiten voor plattelandsontwikkeling. Deze strategie moet worden gebaseerd op de vaststelling van streefdoelen. Voorts moet worden verduidelijkt welke verbanden er bestaan tussen enerzijds de omschreven behoeften en de vastgestelde streefdoelen en anderzijds de maatregelen die zijn geselecteerd om aan deze behoeften tegemoet te komen en deze streefdoelen te halen. Bovendien moeten de plattelandsontwikkelingprogramma's alle gegevens bevatten die nodig zijn om de overeenstemming van deze programma's met de onderhavige verordening te toetsen.

(11) In de plattelandsontwikkelingsprogramma's moeten streefdoelen worden vastgesteld ten aanzien van een voor alle lidstaten gemeenschappelijke reeks van doelindicatoren. Om deze exercitie te vergemakkelijken, moeten de gebieden waarop deze indicatoren van toepassing zijn, worden vastgesteld in overeenstemming met de EU‑prioriteiten. Gezien de horizontale toepassing van de prioriteit kennisoverdracht in de landbouw‑ en de bosbouwsector moeten maatregelen in het kader van die prioriteit worden beschouwd als maatregelen die van wezenlijk belang zijn in het licht van de voor de resterende EU‑prioriteiten vastgestelde streefindicatoren.

(12) Er moeten bepaalde voorschriften voor de programmering en de herziening van plattelandsontwikkelingsprogramma's worden vastgesteld. Voor herzieningen die de strategie van de programma's of de respectieve financiële bijdragen van de Unie onverlet laten, moet een minder zware procedure worden vastgesteld.

(13) Om de rechtszekerheid en de duidelijkheid van de procedure voor wijziging van programma's te garanderen, moet de Commissie ertoe worden gemachtigd overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag handelingen aan te nemen met betrekking tot de vaststelling van de criteria op basis waarvan voorgestelde wijzigingen van de gekwantificeerde streefdoelen van de programma's als ingrijpend worden beschouwd, in welk geval het betrokken programma moet worden gewijzigd op grond van een uitvoeringshandeling die overeenkomstig artikel 91 van de onderhavige verordening wordt vastgesteld.

(14) Als gevolg van de evolutie en de mate van specialisatie in de landbouw‑ en de bosbouwsector en als gevolg van de specifieke problemen van de micro‑, kleine en middelgrote ondernemingen (hierna "kmo's" genoemd) in plattelandsgebieden is een adequaat niveau van technische en economische opleiding vereist, plus een grotere capaciteit om kennis en informatie te vergaren en uit te wisselen, onder meer via de verspreiding van de beste landbouw‑ en bosbouwproductiemethoden. De acties voor kennisoverdracht en voorlichting mogen de vorm van traditionele opleidingscursussen aannemen, maar moeten toegesneden zijn op de behoeften van de plattelandsactoren. Daarom dient tevens steun te worden verleend voor workshops, coaching, demonstratieactiviteiten en voorlichtingsacties, maar ook voor regelingen voor korte uitwisselingen of bezoeken op landbouwbedrijfsniveau. De aldus verworden kennis en informatie moet landbouwers, bosbezitters, actoren in de voedingssector en rurale kmo's in staat stellen om met name concurrerender te werken, efficiënter gebruik te maken van de hulpbronnen, hun milieuprestatie te verbeteren en tegelijkertijd bij te dragen tot de duurzaamheid van de plattelandseconomie. Om ervoor te zorgen dat de acties op het gebied van kennisoverdracht en voorlichting ook daadwerkelijk deze resultaten opleveren, moet van de aanbieders van kennisoverdrachtsdiensten worden geëist dat zij over alle hiertoe vereiste capaciteiten beschikken.

(15) Om ervoor te zorgen dat de kennisoverdrachtsdiensten die organisaties aanbieden, op het gebied van kwaliteit en aard in overeenstemming zijn met de doelstellingen van het plattelandsontwikkelingsbeleid, dat de financiële middelen doelgerichter worden gebruikt en dat de regelingen voor uitwisselingen en bezoeken op landbouwbedrijfsniveau duidelijk worden onderscheiden van soortgelijke acties in het kader van andere EU‑regelingen, moet de Commissie ertoe worden gemachtigd handelingen overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag aan te nemen met betrekking tot de minimumkwalificaties van organen die kennisoverdrachtdiensten aanbieden en met betrekking tot de subsidiabele kosten, de duur en de inhoud van regelingen voor uitwisselingen en bezoeken op landbouwbedrijfsniveau.

(16) Bedrijfsadviesdiensten kunnen landbouwers, bosbezitters en kmo's in plattelandsgebieden helpen het duurzame beheer en de globale prestatie van hun landbouwbedrijf of onderneming te verbeteren. Daarom moet zowel de oprichting van dergelijke diensten als het gebruik van het door hen verstrekte advies door landbouwers, bosbezitters en kmo's worden gestimuleerd. Om de kwaliteit en de doeltreffendheid van het verstrekte advies te versterken, moet worden bepaald dat de adviseurs op zijn minst over minimumkwalificaties moeten beschikken en geregeld opleiding moeten volgen. Bedrijfsadviesdiensten, zoals omschreven in Verordening (EU) nr. HV/2012 van het Europees Parlement en de Raad van [...][14] moeten de landbouwers helpen de prestatie van hun landbouwbedrijf te beoordelen en na te gaan waar verbeteringen moeten worden aangebracht op het gebied van de uit de regelgeving voortvloeiende beheerseisen, de goede landbouw- en milieucondities, de klimaat- en milieuvriendelijke landbouwpraktijken zoals omschreven in Verordening (EU) nr. RB/2012 van het Europees Parlement en de Raad van [_][15], de voorschriften of acties betreffende matiging van en de aanpassing aan de klimaatverandering, de biodiversiteit, waterbescherming, melding van dierziekten en innovatie op zijn minst zoals bedoeld in bijlage I bij Verordening (EU) nr. HV/2012. Waar relevant dient het advies tevens betrekking te hebben op arbeidsveiligheidsnormen. In het advies mogen ook onderwerpen worden behandeld die te maken hebben met de prestatie van het landbouwbedrijf of de onderneming op economisch, agrarisch of ecologisch vlak. Bedrijfsbeheersdiensten en bedrijfsverzorgingsdiensten moeten de landbouwers helpen hun bedrijf beter en gemakkelijker te beheren.

(17) Om ervoor te zorgen dat de door organisaties en autoriteiten aangeboden adviesdiensten op het gebied van kwaliteit en aard in overeenstemming zijn met de doelstellingen van het plattelandsontwikkelingsbeleid, moet de Commissie ertoe worden gemachtigd overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag handelingen aan te nemen met betrekking tot de nadere omschrijving van de minimumkwalificaties van de adviesverstrekkende autoriteiten en organisaties.

(18) De deelname van landbouwers aan uniale of nationale kwaliteitsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen biedt de consumenten garanties inzake de kwaliteit en de kenmerken van het betrokken product of het betrokken productieproces, voegt waarde toe aan de betrokken producten en verstevigt de marktkansen van de betrokken producten. Daarom moeten landbouwers ertoe worden aangemoedigd aan dergelijke regelingen deel te nemen. Aangezien de landbouwers met name bij hun instap in dergelijke regelingen en vervolgens gedurende de eerste jaren van hun deelname aan dergelijke regelingen met extra kosten en verplichtingen worden geconfronteerd die niet volledig door de markt worden gecompenseerd, mag slechts steun worden verleend voor nieuwe deelnames en mag de steunverlening niet langer duren dan vijf jaar. Gezien de specifieke kenmerken van katoen als landbouwproduct, moet het voorgaande tevens van toepassing zijn op kwaliteitsregelingen voor katoen. Om te zorgen voor een efficiënt en doeltreffend gebruik van de begrotingsmiddelen uit het ELFPO, moet de Commissie ertoe worden gemachtigd overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag handelingen aan te nemen met betrekking tot EU‑kwaliteitsregelingen die onder deze maatregelen mogen vallen.

(19) Om de economische en de milieuprestatie van landbouwbedrijven en rurale ondernemingen te verbeteren, om de efficiënte werking van de sector verwerking en afzet van landbouwproducten te intensiveren, om de voor de ontwikkeling van de landbouw vereiste infrastructuur ter beschikking te stellen en om de voor de verwezenlijking van de milieudoelstellingen vereiste niet‑productieve investeringen te ondersteunen, moet steun worden verleend voor fysieke investeringen die tot deze doelstellingen bijdragen. Gedurende de programmeringsperiode 2007 - 2013 zijn op verschillende gebieden diverse maatregelen ingezet. Om een en ander te vereenvoudigen, maar ook om de begunstigden de kans te geven geïntegreerde projecten met een grotere toegevoegde waarde te ontwerpen en uit te voeren, moeten alle fysieke investeringen in één maatregel worden ondergebracht. De lidstaten moeten bepalen vanaf welke drempel landbouwbedrijven in aanmerking komen voor investeringen ter steun van de rendabiliteit van hun bedrijf en moeten hiertoe gebruik maken van een 'SWOT'‑analyse (strengths, weaknesses, opportunities and threats - sterke en zwakke punten, kansen en bedreigingen) die moet helpen de steun doelgerichter te maken.

(20) De landbouwsector is meer dan andere sectoren vatbaar voor schade aan zijn productiepotentieel als gevolg van natuurrampen. Om de rendabiliteit en het concurrentievermogen van landbouwbedrijven die met dergelijke rampen te maken krijgen, te bevorderen, moet steun worden verleend om de betrokken landbouwers te helpen het beschadigde productiepotentieel te herstellen. De landbouwers moeten er tevens voor zorgen dat de kosten van de schade niet worden overgecompenseerd doordat verschillende compensatieregelingen - van de Unie (met name de risicobeheersmaatregel), van de lidstaat en van de particuliere sector - worden gecombineerd. Om te zorgen voor een efficiënt en doeltreffend gebruik van de begrotingsmiddelen uit het ELFPO, moet de Commissie ertoe worden gemachtigd overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag handelingen aan te nemen met betrekking tot de vaststelling van de kosten die op grond van deze maatregel voor steun in aanmerking komen.

(21) Het creëren en ontwikkelen van nieuwe economische bedrijvigheid in de vorm van nieuwe landbouwbedrijven, nieuwe ondernemingen of nieuwe investeringen in andere dan landbouwactiviteiten is van essentieel belang voor de ontwikkeling en het concurrentievermogen van de plattelandsgebieden. Een maatregel voor de ontwikkeling van landbouwbedrijven en ondernemingen moet jonge landbouwers helpen zich voor het eerst te vestigen en hun landbouwbedrijf na deze eerste vestiging structureel aan te passen, moet landbouwers helpen om met het oog op diversifiëring andere dan landbouwactiviteiten te ontplooien en moet bijdragen tot de oprichting en de ontwikkeling van niet‑agrarische kmo's in landbouwgebieden. Tevens moet de ontwikkeling van kleine landbouwbedrijven die economisch rendabel kunnen zijn, worden aangemoedigd. Om de rendabiliteit van nieuwe activiteiten waarvoor op grond van deze maatregel steun wordt verleend, te garanderen, moet worden bepaald dat de steun slechts mag worden verleend indien een bedrijfsplan wordt ingediend. Steun voor het opstarten van een onderneming mag slechts voor de eerste fase van het bestaan van de onderneming worden verleend en mag niet de vorm van bedrijfssteun aannemen. Lidstaten die ervoor kiezen deze steun in tranches te betalen, krijgen daarom maximaal vijf jaar de tijd om deze tranches uit te betalen. Naast de steun ter aanmoediging van de herstructurering van de landbouwsector, moet steun in de vorm van jaarlijkse betalingen worden verleend aan landbouwers die deelnemen aan de bij titel V van Verordening (EU) nr. DP/2012 ingestelde regeling voor kleine landbouwers die zich ertoe verbinden hun volledige bedrijf en de corresponderende betalingsrechten over te dragen aan een andere landbouwer die niet aan die regeling deelneemt.

(22) De kmo's zijn de ruggengraat van de plattelandseconomie in de Unie. De ontwikkeling van landbouw‑ en andere bedrijven moet tot doel hebben de werkgelegenheid en het creëren van degelijke banen in plattelandsgebieden te bevorderen, de reeds bestaande banen te behouden, de seizoensgebonden schommelingen in de werkgelegenheid te verminderen, andere sectoren dan de landbouwsector, de agro-industrie en de voedingsmiddelenindustrie te ontwikkelen en tegelijkertijd de integratie van ondernemingen en de banden tussen de plaatselijke sectoren te stimuleren. Projecten waarin zowel landbouw, agrarisch toerisme door de bevordering van duurzaam en verantwoord toerisme in plattelandsgebieden, als natuurlijk en cultureel erfgoed zijn geïntegreerd, moeten worden aangemoedigd, net als investeringen in hernieuwbare energie.

(23) Om ervoor te zorgen dat de begrotingsmiddelen uit het ELFPO efficiënt en doeltreffend worden gebruikt en om de bescherming van de rechten van de begunstigden te waarborgen en discriminatie tussen hen te voorkomen, moet de Commissie ertoe worden gemachtigd overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag handelingen aan te nemen met betrekking tot de vaststelling van de voorwaarden op grond waarvan rechtspersonen als jonge landbouwers kunnen worden aangemerkt, met betrekking tot de vaststelling van een gratieperiode voor de verwerving van vakbekwaamheid, met betrekking tot de vaststelling van de minimuminhoud van bedrijfsplannen, met betrekking tot de vaststelling van de criteria voor het definiëren van kleine landbouwbedrijven door de lidstaten en met betrekking tot de boven- en onderdrempels voor het vaststellen van de subsidiabiliteit van een concrete actie in het kader van de steun voor respectievelijk jonge landbouwers of de ontwikkeling van kleine landbouwbedrijven.

(24) Om het even welke inspanning om het groeipotentieel te ontsluiten en de duurzaamheid van de plattelandsgebieden te bevorderen, zal pas zoden aan de dijk zetten wanneer de plaatselijke infrastructuur en de plaatselijke basisdiensten in de plattelandsgebieden, met inbegrip van vrije tijd en cultuur, worden ontwikkeld, de dorpen worden vernieuwd en het culturele en natuurlijke erfgoed van de dorpen en de plattelandslandschappen wordt opgewaardeerd. Daarom moet steun worden verleend aan hierop gerichte concrete acties, onder meer op het gebied van toegang tot informatie‑ en communicatietechnologieën en de ontwikkeling van snelle en ultrasnelle breedband. In de lijn van deze doelstellingen moeten stimulerende maatregelen worden genomen ten bate van de ontwikkeling van diensten en infrastructuur die leiden tot sociale inclusie en tot een omkering van de tendens van sociale en economische achteruitgang en ontvolking in de plattelandsgebieden. Met het oog op een optimale doeltreffendheid van dit soort steun, moeten de betrokken concrete acties, indien zulke plannen voorhanden zijn, worden uitgevoerd overeenkomstig de plannen die één of meer plattelandsgemeenten uitwerken met als doel de betrokken gemeenten en gemeentelijke basisdiensten te ontwikkelen. Om voor samenhang met de klimaatdoelstellingen van de Unie te zorgen moet de bevoegdheid om handelingen vast te stellen overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag worden gedelegeerd aan de Commissie wat de vaststelling betreft van nieuwe soorten infrastructuur voor energie uit hernieuwbare bronnen die voor steun in aanmerking komt.

(25) De bosbouw maakt een integrerend deel uit van de plattelandsontwikkeling en de steunverlening voor een duurzaam en klimaatvriendelijk grondgebruik dient zich ook uit te strekken tot de ontwikkeling van het bosareaal en duurzaam bosbeheer. Tijdens de programmeringsperiode 2007‑2013 zijn op grond van diverse maatregelen verschillende soorten steun verleend voor investeringen in de bosbouw en voor bosbouwbeheer. Om een en ander te vereenvoudigen en om de begunstigden in staat te stellen geïntegreerde projecten met een grotere toegevoegde waarde te ontwerpen en uit te voeren, moeten alle soorten steun voor investeringen in de bosbouw en voor bosbouwbeheer in één maatregel worden ondergebracht. Deze maatregel moet betrekking hebben op de uitbreiding en de verbetering van de bossen aan de hand van de bebossing van grond enerzijds en de invoering van boslandbouwsystemen waarin extensieve landbouw wordt gecombineerd met bosbouwsystemen anderzijds, op het herstel van door brand of andere natuurrampen beschadigde bossen en preventiemaatregelen in dit verband, op investeringen in nieuwe bosbouwtechnologieën en in de verwerking en de afzet van bosproducten met als doel de economische en de milieuprestatie van bosbezitters te verbeteren, en op niet‑productieve investeringen ter verbetering van de veerkracht, de klimaatbestendigheid en de milieuwaarde van bosecosystemen. De betrokken steun mag de mededinging niet verstoren en dient marktneutraal te zijn. Daarom moeten beperkingen worden opgelegd op het gebied van de omvang en de juridische status van de begunstigden. Preventieve maatregelen tegen brand dienen betrekking te hebben op gebieden die de lidstaten als middelmatig of zeer brandgevaarlijk aanmerken. Alle preventieve maatregelen moeten worden opgenomen in een bosbeschermingsplan. Voordat acties voor het herstel van beschadigd bospotentieel worden genomen, moet een wetenschappelijke overheidsorganisatie formeel erkennen dat een natuurramp heeft plaatsgevonden. Bosbouwmaatregelen moeten worden vastgesteld in het licht van de toezeggingen die de Unie en de lidstaten op internationaal niveau hebben gedaan, en op basis van de nationale of subnationale bosprogramma's of gelijkwaardige instrumenten van de lidstaten, waarin rekening dient te worden gehouden met de verbintenissen die zijn aangegaan op de ministeriële conferenties inzake de bescherming van de bossen in Europa. Bosbouwmaatregelen dienen bij te dragen tot de uitvoering van de bosbouwstrategie van de Unie[16]. Om ervoor te zorgen dat de bebossing van landbouwgrond in overeenstemming is met de doelstellingen van het milieubeleid moet de Commissie ertoe worden gemachtigd overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag handelingen aan te nemen met betrekking tot de vaststelling van bepaalde minimale milieuvereisten.

(26) Om te zorgen voor een efficiënt en doeltreffend gebruik van de begrotingsmiddelen uit het ELFPO, moet de Commissie ertoe worden gemachtigd overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag handelingen aan te nemen met betrekking tot de vaststelling van de voorwaarden waaronder de lidstaten erkennen dat een natuurramp, een plaag of een ziekte heeft plaatsgevonden, en met betrekking tot de vaststelling van de soorten preventieve acties die voor ELFPO‑steun in aanmerking komen.

(27) Producentengroeperingen helpen de landbouwers om wat de afzet van hun producten betreft, ook op plaatselijke markten, gezamenlijk de problemen aan te pakken die samenhangen met een toename van de concurrentie en een grotere consolidatie van de stroomafwaartse markten. Daarom dient de oprichting van producentengroeperingen te worden gestimuleerd. Om een optimaal gebruik van de beperkte financiële middelen te garanderen, mag slechts steun worden verleend aan producentengroeperingen die als kmo's worden beschouwd. Om ervoor te zorgen dat een producentengroepering een rendabele entiteit wordt, moet met het oog op de erkenning van deze producentengroepering door de betrokken lidstaat onder meer worden geëist dat deze groepering een bedrijfsplan overlegt. Om de verlening van bedrijfssteun te voorkomen en het stimulerende aspect van de steun te behouden, mag de looptijd van de steunverlening niet langer zijn dan vijf jaar.

(28) Agromilieubetalingen moeten een belangrijke rol blijven spelen in de steun voor de duurzame ontwikkeling van de plattelandsgebieden en in het voldoen aan de toenemende vraag van de samenleving naar milieudienstverlening. Deze betalingen moeten landbouwers en andere grondbeheerders ertoe blijven stimuleren de gehele maatschappij van dienst te zijn door de invoering of verdere toepassing van landbouwproductiemethoden die bijdragen aan het matigen van en de aanpassing aan de klimaatverandering en die verenigbaar zijn met de bescherming en verbetering van het milieu, het landschap en de kenmerken daarvan, de natuurlijke hulpbronnen, de bodem en de genetische diversiteit. In dit verband dient bijzondere aandacht te worden besteed aan de instandhouding van de genetische hulpbronnen in de landbouw en aan de extra behoeften van landbouwsystemen met een hoge natuurwaarde. De betalingen moeten blijven fungeren als een bijdrage in de extra kosten en in de gederfde inkomsten die voortvloeien uit de aangegane verbintenissen, en mogen slechts betrekking hebben op verbintenissen die verder gaan dan de relevante dwingende normen en eisen, overeenkomstig het beginsel dat de vervuiler betaalt. In tal van situaties hebben synergieën die voortvloeien uit verbintenissen die een groep landbouwers gezamenlijk aangaat, een multiplicatoreffect op de milieu- en klimaatvoordelen. Aan een gezamenlijke actie zijn echter ook aanvullende transactiekosten verbonden die op adequate wijze moeten worden vergoed. Om ervoor te zorgen dat landbouwers en andere grondbeheerders door hen aangegane verbintenissen correct ten uitvoer kunnen leggen, moeten de lidstaten ernaar streven deze actoren van de vereiste vaardigheden en kennis te voorzien. De lidstaten moeten trachten de inspanningen die in de programmeringsperiode 2007-2013 zijn gemaakt op hetzelfde niveau te houden en moeten, via de agromilieu- en klimaatmaatregelen en de maatregelen inzake biologische landbouw en betalingen voor gebieden met natuurlijke of andere specifieke beperkingen, minimaal 25 % van de totale bijdrage uit het ELFPO aan elk plattelandsontwikkelingsprogramma voor de matiging van en de aanpassing aan de klimaatverandering en voor landbeheer besteden.

(29) Om ervoor te zorgen dat de agromilieu- en klimaatverbintenissen overeenkomstig de globale milieudoelstellingen van de Unie worden gedefinieerd, moet de Commissie ertoe worden gemachtigd overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag handelingen aan te nemen met betrekking tot de vaststelling van de voorwaarden voor de jaarlijkse verlenging van de verbintenissen na de eerste periode, de verbintenissen op het gebied van de extensivering of het alternatieve beheer van de veehouderij, op het gebied van de beperking van het gebruik van meststoffen, gewasbeschermingsproducten of andere productiemiddelen, op het gebied van het fokken van plaatselijke rassen die voor de landbouw verloren dreigen te gaan, op het gebied van de instandhouding van de plantaardige genetische hulpbronnen, en op het gebied van de subsidiabele concrete acties inzake de instandhouding van de genetische hulpbronnen in de landbouw.

(30) Betalingen voor de omschakeling naar of het behoud van de biologische landbouw moeten de landbouwers ertoe aanmoedigen aan dergelijke regelingen deel te nemen en op die manier tegemoet te komen aan de stijgende vraag van de samenleving naar milieuvriendelijke landbouwpraktijken en hogere dierenwelzijnsnormen. Om de synergie op het gebied van de biodiversiteitsvoordelen die voortvloeien uit de maatregel te vergroten, moeten landbouwers ertoe worden gestimuleerd collectieve contracten te sluiten of samen te werken zodat grotere aan elkaar grenzende gebieden worden afgedekt. Om te voorkomen dat landbouwers op grote schaal weer omschakelen naar de conventionele landbouw, moeten maatregelen voor de omschakeling naar of het behoud van de biologische landbouw worden gesteund. De betalingen moeten fungeren als een bijdrage in de extra kosten en in de gederfde inkomsten die voortvloeien uit de aangegane verbintenissen, en mogen slechts betrekking hebben op verbintenissen die verder gaan dan de relevante dwingende normen en eisen.

(31) Als bijdrage aan een doeltreffend beheer van de Natura 2000-gebieden dient steun aan landbouwers en bosbezitters te blijven worden verleend om de specifieke nadelen te helpen compenseren die in de betrokken zones voortvloeien uit de tenuitvoerlegging van Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand[17] en Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna[18], terwijl ook steun voor landbouwers beschikbaar dient te worden gesteld om de nadelen te helpen compenseren die in stroomgebieden van rivieren voortvloeien uit de tenuitvoerlegging van Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid[19]. De steun moet worden gekoppeld aan specifieke voorwaarden die in het betrokken plattelandsontwikkelingsprogramma worden beschreven en verder gaan dan de dwingende normen en eisen. Voorts moeten de landbouwers bij het algemene ontwerp van hun plattelandsontwikkelingsprogramma's rekening houden met de specifieke behoeften van de Natura 2000-gebieden.

(32) De betalingen aan landbouwers in berggebieden of in andere gebieden met natuurlijke of andere specifieke beperkingen dienen bij te dragen tot voortzetting van het gebruik van landbouwgrond en zo tot de instandhouding van landelijke gebieden, alsook tot de instandhouding en de bevordering van duurzame landbouwsystemen. Om de doeltreffende werking van deze steun te garanderen, moeten de betrokken betalingen de landbouwers compenseren voor de gederfde inkomsten en de extra kosten die verband houden met de beperkingen van het desbetreffende gebied.

(33) Om het doelmatige gebruik van de financiële EU‑middelen en de gelijke behandeling van landbouwers in de hele Unie te garanderen, moet overeenkomstig objectieve criteria worden gedefinieerd wat wordt verstaan onder berggebieden en onder gebieden met natuurlijke of andere specifieke beperkingen. In het geval van gebieden met natuurlijke beperkingen moeten deze criteria van biofysieke aard zijn en berusten op degelijk wetenschappelijk bewijsmateriaal. Om de geleidelijke afschaffing van deze betalingen in gebieden die ten gevolge van de toepassing van deze criteria niet langer als gebieden met natuurlijke beperkingen worden beschouwd, te vergemakkelijken, moeten overgangsregelingen worden vastgesteld.

(34) Door steun te verlenen aan landbouwers die zich ertoe verbinden om bij de veehouderij dierenwelzijnsnormen toe te passen die verder gaan dan de relevante dwingende normen, moeten landbouwers verder worden aangemoedigd strenge normen op dit gebied toe te passen. Om ervoor te zorgen dat de dierenwelzijnsverbintenissen in overeenstemming zijn met het globale EU‑beleid op dit gebied, moet de Commissie ertoe worden gemachtigd overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag handelingen aan te nemen met betrekking tot de omschrijving van gebieden waar in het kader van dergelijke verbintenissen strengere normen voor productiemethoden moeten worden vastgesteld.

(35) Zoals voorheen moeten betalingen worden verleend aan bosbezitters die milieudiensten of klimaatvriendelijke bosinstandhoudingsdiensten verlenen door verbintenissen aan te gaan die tot doel hebben de biodiversiteit te vergroten, zeer waardevolle bosecosystemen in stand te houden, het mitigatie- en aanpassingspotentieel ervan te verhogen en de beschermende waarde van bossen te versterken waar het gaat om bodemerosie, het behoud van waterreserves en natuurrisico's. In dit verband dient bijzondere aandacht te worden besteed aan de instandhouding en bevordering van genetische hulpbronnen in de bosbouw. De betalingen moeten worden verleend voor bosmilieuverbintenissen die verder gaan dan de betrokken dwingende normen die bij de nationale wetgeving zijn vastgesteld. Om te zorgen voor een efficiënt en doeltreffend gebruik van de begrotingsmiddelen uit het ELFPO, moet de Commissie ertoe worden gemachtigd overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag handelingen aan te nemen met betrekking tot de soorten concrete acties die voor steun op grond van deze maatregel in aanmerking komen.

(36) Tijdens de programmeringsperiode 2007‑2013 is slechts één soort samenwerking expliciet aangemerkt voor steun in het kader van het plattelandsontwikkelingsbeleid, nl. samenwerking voor de ontwikkeling van nieuwe producten, procedés en technologieën in de landbouw-, de voedings- en de bosbouwsector. Steun voor deze soort samenwerking is weliswaar nog steeds noodzakelijk, maar moet beter worden afgestemd op de vereisten van de kenniseconomie. In dit verband moet de mogelijkheid worden geboden om op grond van deze maatregel projecten die door één marktdeelnemer worden uitgevoerd, te financieren, op voorwaarde dat de resultaten, en dus ook nieuwe praktijken, procedés en producten, worden verspreid. Bovendien is gebleken dat steunverlening ten bate van veel meer soorten samenwerking en meer types van begunstigden, van kleine tot grotere marktdeelnemers, kan bijdragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van het plattelandsontwikkelingsbeleid omdat de marktdeelnemers in de plattelandsgebieden geholpen worden de economische, ecologische en andere nadelen van versnippering te overwinnen. Daarom moet het toepassingsgebied van deze maatregel worden uitgebreid. Steun voor het organiseren van gezamenlijke werkprocedés en het delen van voorzieningen en hulpbronnen moet kleine marktdeelnemers helpen om ondanks hun kleinschaligheid toch economisch rendabel te werken. Steun voor horizontale en verticale samenwerking tussen actoren in de voorzieningsketen en voor afzetbevorderingsactiviteiten in een plaatselijk kader moet fungeren als katalysator voor de economisch rationele ontwikkeling van korte voorzieningsketens, plaatselijke markten en lokale voedselketens. Steun voor de collectieve aanpak van milieuprojecten en -praktijken moet leiden tot grotere en coherentere milieu- en klimaatvoordelen dan die welke kunnen worden bereikt door individuele marktdeelnemers die los van anderen handelen (bijv. via de toepassing van praktijken op grote niet‑opgesplitste grondoppervlakten). De steun in het kader van deze verschillende gebieden moet in diverse vormen worden verleend. Clusters en netwerken zijn van bijzonder belang voor de uitwisseling van deskundigheid en voor de ontwikkeling van nieuwe en gespecialiseerde deskundigheid en nieuwe en gespecialiseerde diensten en producten. Proefprojecten zijn belangrijke instrumenten om te testen of technologieën, technieken en praktijken in verschillende contexten commercieel kunnen worden toegepast en om deze waar nodig aan te passen. Operationele groepen spelen een essentiële rol in het Europees Partnerschap voor innovatie (European Innovation Partnership, hierna 'EIP' genoemd) voor de productiviteit en duurzaamheid in de landbouw. Een ander belangrijk instrument zijn de strategieën voor plaatselijke ontwikkeling buiten het kader van de plaatselijke ontwikkeling in het raamwerk van LEADER - tussen openbare en particuliere actoren uit plattelandsgebieden en stedelijke gebieden. In tegenstelling tot de aanpak in het kader van LEADER zouden dergelijke partnerschappen en strategieën kunnen worden beperkt tot één sector en/of relatief specifieke ontwikkelingsdoelstellingen, inclusief de hierboven vermelde. Brancheorganisaties dienen tevens in aanmerking te komen voor steun op grond van deze maatregel. De looptijd van de steun mag niet meer dan zeven jaar bedragen, behalve wanneer sprake is van collectieve milieu- en klimaatacties, en dan nog alleen in naar behoren gemotiveerde gevallen.

(37) Als gevolg van de klimaatverandering en de toenemende volatiliteit van de prijzen worden landbouwers momenteel blootgesteld aan steeds grotere economische en ecologische risico's. Een doeltreffend risicobeheer is dan ook steeds belangrijker geworden voor de landbouwers. Daarom moet een risicobeheersmaatregel worden ingevoerd om landbouwers te helpen de meest gebruikelijke risico's waarmee zij te kampen hebben, aan te pakken. Daarom moet op grond van een dergelijke maatregel steun aan landbouwers worden verleend als bijdrage in de premies om de oogst, de dieren en de planten te verzekeren, in de oprichting van onderlinge fondsen en in de vergoeding die uit dergelijke fondsen wordt betaald voor verliezen als gevolg van de uitbraak van dier- en plantenziekten en milieuongevallen. De maatregel dient tevens een inkomensstabiliseringsinstrument te omvatten in de vorm van een onderling fonds voor steunverlening aan landbouwers wier inkomen ernstig is gedaald. Om ervoor te zorgen dat de landbouwers in de hele Unie gelijk worden behandeld, dat de concurrentie niet wordt verstoord en dat de internationale verbintenissen van de Unie worden nageleefd, moeten specifieke voorwaarden voor de steunverlening op grond van deze maatregelen worden vastgesteld. Om te zorgen voor een efficiënt gebruik van de begrotingsmiddelen uit het ELFPO, moet de Commissie ertoe worden gemachtigd overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag handelingen aan te nemen met betrekking tot de vaststelling van de minimale en de maximale looptijd van commerciële leningen aan onderlinge fondsen.

(38) De aanpak van de plaatselijke ontwikkeling in het kader van LEADER - waarbij van onderop ten volle rekening wordt gehouden met de multisectorale behoeften voor endogene plattelandsontwikkeling - heeft al een aantal jaren bewezen vruchten af te werpen op het gebied van de bevordering van de ontwikkeling van plattelandsgebieden. Het LEADER‑initiatief moet daarom worden voortgezet en verplicht worden toegepast op alle plattelandsontwikkelingsprogramma's.

(39) Om ervoor te zorgen dat de strategieën voor plaatselijke ontwikkeling worden toegepast op het territoriale niveau waarop zij effectief bijdragen tot de verwezenlijking van de prioriteiten van de Unie voor plattelandsontwikkeling en tot innovatie, moet de Commissie ertoe worden gemachtigd overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag handelingen aan te nemen met betrekking tot de vaststelling van populatiecriteria voor het door een dergelijke strategie bestreken gebied en de vaststelling van precieze voorbereidings‑ en dynamiseringskosten die mogen worden gefinancierd.

(40) De ELFPO‑steun voor plaatselijke ontwikkeling in het kader van LEADER moet worden verleend voor alle aspecten van de voorbereiding en de uitvoering van strategieën voor plaatselijke ontwikkeling, voor de werking van plaatselijke groepen en voor de samenwerking tussen gebieden en groepen die de plaatselijke ontwikkeling van onderop aanpakken en door de plaatselijke gemeenschap laten aansturen. Om de partners in plattelandsgebieden die LEADER nog niet toepassen, de kans te geven zich op het ontwerpen en het toepassen van een strategie voor plaatselijke ontwikkeling voor te bereiden en in dit verband een en ander te testen, moet financiering ter beschikking worden gesteld voor een "LEADER‑opstartkit". Om te zorgen voor een efficiënt en doeltreffend gebruik van de begrotingsmiddelen uit het ELFPO, moet de Commissie ertoe worden gemachtigd overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag handelingen aan te nemen met betrekking tot de vaststelling van de precieze subsidiabele werkings‑ en dynamiseringskosten van de plaatselijke LEADER‑groepen.

(41) Tal van plattelandsontwikkelingsmaatregelen die onder deze verordening vallen, hebben onder meer betrekking op investeringen voor concrete acties van zeer uiteenlopende aard. Om ervoor te zorgen dat de uitvoering van deze concrete acties duidelijk verloopt, moet een aantal gemeenschappelijke voorschriften worden vastgesteld waaraan alle investeringen moeten voldoen. Deze gemeenschappelijke voorschriften moeten verduidelijken welke soorten uitgaven als investeringsuitgaven mogen worden beschouwd en moeten er borg voor staan dat alleen steun wordt verleend voor investeringen die een nieuwe waarde aan de landbouw toevoegen. Om rekening te houden met de specifieke kenmerken van bepaalde soorten investeringen, zoals investeringen voor de aankoop van tweedehands materieel en gewone vervangingsinvesteringen, en om tegelijkertijd het efficiënte gebruik van de financiële middelen uit het ELFPO te garanderen, moet de Commissie ertoe worden gemachtigd overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag handelingen aan te nemen met betrekking tot de vaststelling van de voorwaarden waaronder bepaalde soorten investeringen als subsidiabele uitgaven mogen worden aangemerkt. Om de uitvoering van investeringsprojecten te vergemakkelijken, moeten de lidstaten in de gelegenheid worden gesteld voorschotten te betalen. Om de doeltreffendheid, de billijkheid en de duurzame impact van de ELFPO‑steun te garanderen, moeten voorschriften worden vastgesteld om te garanderen dat investeringen in concrete acties duurzaam zijn en dat de ELFPO‑steun niet wordt gebruikt om de concurrentie te verstoren.

(42) Op grond van bepaalde areaalgerelateerde maatregelen in het kader van deze verordening moeten de begunstigden verbintenissen aangaan met een looptijd van ten minste vijf jaar. Tijdens deze periode kan de situatie van zowel het bedrijf als de begunstigde veranderen. Daarom moeten voorschriften worden vastgesteld om te bepalen hoe in dergelijke gevallen te werk moet worden gegaan. Om ervoor te zorgen dat de areaalgerelateerde maatregelen efficiënt worden uitgevoerd en de financiële belangen van de Unie worden gevrijwaard, moet de Commissie ertoe worden gemachtigd overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag handelingen aan te nemen met betrekking tot de vaststelling van voorwaarden die van toepassing zijn in het geval van een gedeeltelijke overdracht van een bedrijf en de vaststelling van andere situaties waarin terugbetaling van de steun niet vereist is.

(43) Op grond van bepaalde maatregelen in het kader van deze verordening wordt de steun slechts verleend indien de begunstigden verbintenissen aangaan die verder gaan dan een bepaalde uitgangssituatie op het gebied van dwingende normen of eisen. Indien tijdens de looptijd van de verbintenissen veranderingen aan de wetgeving worden aangebracht die resulteren in een wijziging van de uitgangssituatie, moet het mogelijk zijn de betrokken contracten te herzien, teneinde te garanderen dat deze voorwaarde in acht blijft worden genomen.

(44) Om ervoor te zorgen dat de financiële middelen voor plattelandsontwikkeling optimaal worden gebruikt en om de in plattelandsontwikkelingsprogramma's opgenomen maatregelen doelgericht en overeenkomstig de EU-prioriteiten voor plattelandsontwikkeling in te zetten, maar tegelijkertijd de gelijke behandeling van de aanvragers te garanderen, moeten de lidstaten criteria voor de selectie van projecten vaststellen. Er dient echter een uitzondering op deze regel te worden gemaakt voor maatregelen waarvoor de steun bestaat uit betalingen voor de levering van agromilieu- of dierenwelzijnsdiensten. Bij de toepassing van de selectiecriteria moet, wat kleine subsidies betreft, rekening worden gehouden met het evenredigheidsbeginsel.

(45) Uit het ELFPO moet in de vorm van technische ondersteuning steun worden verleend voor acties betreffende de uitvoering van plattelandsontwikkelingsprogramma's, onder meer voor kosten in verband met de bescherming van symbolen en afkortingen in het kader van EU‑kwaliteitsregelingen met betrekking waartoe op grond van deze verordening steun voor deelname aan die regelingen mag worden verleend, en voor kosten die de lidstaten maken voor het afbakenen van gebieden met natuurlijke beperkingen. Om te zorgen voor een efficiënt gebruik van de begrotingsmiddelen uit het ELFPO, moet de Commissie ertoe worden gemachtigd overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag handelingen aan te nemen met betrekking tot de controleactiviteiten die in het kader van de technische ondersteuning mogen worden gefinancierd.

(46) In het kader van het Europees netwerk voor plattelandsontwikkeling is een netwerk gevormd van nationale netwerken, organisaties en instanties die actief zijn in de verschillende fasen van de uitvoering van de programma's; gebleken is dat een dergelijk overkoepelend netwerk een zeer belangrijke rol kan spelen bij de verbetering van de kwaliteit van de plattelandsontwikkelingsprogramma's door de betrokkenheid van de belanghebbende partijen bij het bestuur van de plattelandsontwikkeling te vergroten en het brede publiek beter te informeren over de baten van de plattelandsontwikkeling. Dit netwerk dient derhalve te worden gefinancierd in het kader van de technische ondersteuning op EU‑niveau.

(47) Om bij te dragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van het EIP voor de productiviteit en duurzaamheid in de landbouw moet een EIP‑netwerk worden opgezet voor het vormen van een netwerk van operationele groepen, adviesdiensten en onderzoekers die betrokken zijn bij de uitvoering van acties die gericht zijn op innovatie in de landbouw. Dit netwerk dient te worden gefinancierd in het kader van de technische ondersteuning op EU‑niveau.

(48) Tijdens de programmeringsperiode 2007‑2013 is een deskundigencomité evaluatie actief geweest in het kader van het Europees netwerk voor plattelandsontwikkeling. Om rekening te houden met de specifieke behoeften op het gebied van evaluatie moet voor de programmeringsperiode 2014‑2020 een Europees evaluatienetwerk voor plattelandsontwikkeling worden gevormd waarin alle actoren die bij evaluatieactiviteiten betrokken zijn, worden samengebracht met als doel de uitwisseling van deskundigheid op dit gebied te vergemakkelijken. Dit netwerk dient te worden gefinancierd in het kader van de technische ondersteuning.

(49) De lidstaten moeten een deel van het totale bedrag dat in het kader van elk plattelandsontwikkelingsprogramma voor technische ondersteuning is uitgetrokken, oormerken voor de financiering van de oprichting en de werking van een nationaal netwerk voor het platteland waarin organisaties en instanties die onder meer in het kader van het 'partnerschap' actief zijn op het gebied van plattelandsontwikkeling, worden samengebracht om hun betrokkenheid bij de uitvoering van het programma te intensiveren en de kwaliteit van de plattelandsontwikkelingsprogramma's te verbeteren. De nationale netwerken voor het platteland moeten een actieplan voorbereiden en uitvoeren.

(50) In het kader van het ELFPO moet erop worden gewezen dat de wijze waarop de plaatselijke ontwikkeling wordt aangepakt enerzijds en een transnationale dimensie anderzijds elkaar volgens de Unie kunnen versterken, met name wanneer een en ander in een geest van innovatie wordt benaderd. De Unie moet hiertoe bijdragen door prijzen uit te reiken voor een beperkt aantal projecten die op exemplarische wijze aan deze kenmerken voldoen. Deze prijzen moeten een aanvulling vormen op andere financieringsbronnen die in het kader van het plattelandsontwikkelingsbeleid beschikbaar zijn, in die zin dat bijzondere erkenning wordt verleend aan een geschikt toonaangevend project, ongeacht of dat project tevens via een plattelandsontwikkelingsprogramma is gefinancierd.

(51) In de plattelandsontwikkelingsprogramma's moeten met steun van het EIP voor de productiviteit en duurzaamheid in de landbouw innovatieve acties worden opgenomen ter bevordering van een landbouwsector die efficiënt gebruik maakt van hulpbronnen, productief is en weinig emissies uitstoot. Het EIP moet tot doel hebben een snellere en meer grootschalige toepassing van innovatieve oplossingen te stimuleren. Het EIP moet toegevoegde waarde creëren door het gebruik en de doeltreffendheid van innovatiegerelateerde instrumenten te verbeteren en de synergieën tussen deze instrumenten te versterken. Het EIP moet lacunes dichten door het onderzoek en de praktische uitoefening van de landbouw beter op elkaar te laten uitsluiten.

(52) De innovatieve projecten in het kader van het EIP voor de productiviteit en duurzaamheid in de landbouw moeten worden uitgevoerd door operationele groepen waarin landbouwers, onderzoekers, adviseurs, ondernemingen en andere actoren die betrokken zijn bij de innovatie in de landbouwsector, worden samengebracht. De resultaten van dergelijke projecten moeten worden verspreid om ervoor te zorgen dat de hele sector ervan kan profiteren.

(53) Er dient te worden voorzien in de vaststelling van het totale EU‑steunbedrag voor plattelandsontwikkeling uit hoofde van deze verordening voor de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2020, de jaarlijkse verdeling ervan en het minimumbedrag dat moet worden geconcentreerd in minder ontwikkelde regio's overeenkomstig het meerjarig financieel kader voor de periode 2014‑2020 en overeenkomstig het Interinstitutioneel Akkoord over de begrotingsdiscipline en de verbetering van de begrotingsprocedure[20] voor dezelfde periode. De beschikbare kredieten dienen met het oog op de programmering op forfaitaire basis te worden geïndexeerd.

(54) Om het beheer van de financiële middelen uit het ELFPO te vergemakkelijken, moet voor de plattelandsontwikkelingsprogrammering een enkele procentuele bijdrage uit het ELFPO worden vastgesteld ten opzichte van de overheidsuitgaven in de lidstaten. Om rekening te houden met het bijzondere belang of de bijzondere aard van bepaalde soorten concrete acties, moeten voor dergelijke acties specifieke procentuele bijdragen worden vastgesteld. Om de specifieke beperkingen waarmee verafgelegen gebieden en eilanden vanwege hun ontwikkelingsgraad, ligging en aard te maken krijgen, te matigen, moeten voor de minder ontwikkelde gebieden, de in het Verdrag vermelde ultraperifere gebieden en de kleinere eilanden in de Egeïsche Zee een adequate procentuele bijdrage uit het ELFPO worden vastgesteld.

(55) De financiële middelen die in de lidstaten vrijkomen als gevolg van de toepassing van het plafond op de rechtstreekse betalingen die grote individuele landbouwbedrijven in het kader van de eerste pijler van het GLB ontvangen, moeten worden geoormerkt om in elke lidstaat projecten te financieren die betrekking hebben op innovatie om landbouwbedrijven, met inbegrip van grote landbouwbedrijven, te helpen hun concurrentievermogen te verhogen in het kader van de doelstellingen van het GLB. Deze projecten moeten worden geïnitieerd door landbouwers, ongeacht de omvang van hun landbouwbedrijven, operationele groepen in het kader van het EIP of plaatselijke groepen of groepen van partners die betrokken zijn bij de landbouwsector.

(56) De lidstaten moeten alle nodige stappen zetten en adequate voorzieningen treffen om ervoor te zorgen dat hun maatregelen voor plattelandsontwikkeling verifieerbaar en controleerbaar zijn. Met het oog daarop moeten de beheersautoriteit en het betaalorgaan vooraf een beoordeling indienen en zich ertoe verbinden de maatregelen gedurende de hele fase van uitvoering van het programma te beoordelen. Maatregelen die niet aan deze voorwaarde voldoen, moeten worden aangepast.

(57) De Commissie en de lidstaten moeten alle nodige stappen zetten om een goed beheer van de plattelandsontwikkelingsprogramma's te garanderen. De Commissie moet in dit verband adequate controles verrichten en de lidstaten moeten maatregelen nemen om de goede werking van hun beheerssysteem te garanderen.

(58) Per plattelandontwikkelingsprogramma moet één beheersautoriteit verantwoordelijk zijn voor het beheer en de uitvoering. De taken van deze autoriteit moeten in deze verordening worden gespecificeerd. De beheersautoriteit moet haar taken deels kunnen delegeren, met dien verstande dat zij verantwoordelijk blijft voor de doeltreffendheid en correctheid van het beheer. Wanneer een plattelandsontwikkelingsprogramma thematische subprogramma's omvat, moet de beheersautoriteit een andere organisatie kunnen aanwijzen die de betrokken subprogramma's en met name de financiële toewijzingen die in het programma voor die subprogramma's zijn toegewezen, volledig beheert en ten uitvoer legt en er tegelijkertijd voor zorgt dat deze subprogramma's financieel goed worden beheerd.

(59) Met het oog op een geregelde follow‑up van de uitvoering van het programma en de mate waarin de vastgestelde doelen van het programma worden verwezenlijkt, moet elk plattelandsontwikkelingsprogramma worden gemonitord. Het aantonen en verbeteren van de doeltreffendheid en de impact van de ELFPO‑acties hangt ook af van passende evaluatie tijdens de voorbereiding, uitvoering en afronding van een programma. Hiertoe moeten de Commissie en de lidstaten gezamenlijk een monitoring‑ en evaluatiesysteem opzetten aan de hand waarvan de voortgang kan worden aangetoond en kan worden beoordeeld in hoeverre het plattelandsontwikkelingsbeleid effect sorteert en doeltreffend is.

(60) Om ervoor te zorgen dat gegevens op het niveau van de Unie kunnen worden samengevoegd, moet een reeks gemeenschappelijke indicatoren deel uitmaken van het systeem. Essentiële gegevens over de uitvoering van de plattelandsontwikkelingsprogramma's moeten worden geregistreerd en elektronisch worden bijgehouden teneinde de aggregatie van gegevens te vergemakkelijken. Daarom moeten de begunstigden ertoe worden verplicht de minimaal noodzakelijke gegevens te verstrekken die nodig zijn voor monitoring‑ en evaluatiedoeleinden.

(61) De verantwoordelijkheid voor de programmamonitoring moet worden gedeeld door de beheersautoriteit en een hiertoe opgericht monitoringcomité. De taak van het monitoringcomité moet erin bestaan te monitoren of het programma doeltreffend ten uitvoer wordt gelegd. Hiertoe moeten de verantwoordelijkheden van dit comité worden gespecificeerd.

(62) In het kader van de programmamonitoring moet een jaarlijks uitvoeringsverslag worden opgesteld en aan de Commissie toegestuurd.

(63) Elk plattelandsontwikkelingsprogramma moet worden geëvalueerd teneinde de kwaliteit ervan te verbeteren en de resultaten ervan aan te tonen.

(64) De artikelen 107, 108 en 109 van het Verdrag moeten van toepassing zijn op de steun voor de plattelandsontwikkelingsmaatregelen in het kader van deze verordening. Niettemin moet worden vastgesteld dat, gezien de specifieke kenmerken van de landbouwsector, de plattelandsontwikkelingsmaatregelen betreffende concrete acties die onder artikel 42 van het Verdrag vallen en in het kader van en in overeenstemming met deze verordening worden uitgevoerd, alsook betalingen door de lidstaten die zijn bedoeld om aanvullende nationale financiering voor concrete acties voor plattelandsontwikkeling te verlenen en die binnen de werkingssfeer van artikel 42 van het Verdrag vallen, worden uitgesloten van de toepassing van de artikelen 107, 108 en 109 van het Verdrag.

(65) Met het oog op de samenhang met de voor EU‑steun in aanmerking komende plattelandsontwikkelingsmaatregelen en met het oog op de vereenvoudiging van de procedures, moet het de lidstaten in het kader van de programmering worden toegestaan aanvullende betalingen te verrichten ter financiering van concrete acties op het gebied van plattelandsontwikkeling waarvoor EU‑steun wordt verleend en die onder artikel 42 van het Verdrag vallen, indien deze betalingen overeenkomstig de bepalingen van deze verordening volgens een bepaalde procedure worden gemeld. Om een adequate monitoring van deze betalingen te garanderen, moet de Commissie bij de beoordeling van deze betalingen de criteria toepassen die zijn vastgesteld voor de toepassing van artikel 107 van het Verdrag. Om te voorkomen dat gebruik wordt gemaakt van aanvullende nationale financiering die niet door de Commissie is toegestaan, mag de betrokken lidstaat de door hem voorgestelde aanvullende financiering voor plattelandsontwikkeling pas van kracht laten worden nadat deze is goedgekeurd. Betalingen door de lidstaten die zijn bedoeld om aanvullende nationale financiering voor concrete acties voor platttelandsontwikkeling te verstrekken waarvoor steun van de Unie is verleend en die buiten de werkingssfeer van artikel 42 van het Verdrag vallen, moeten worden aangemeld bij de Commissie overeenkomstig artikel 108, lid 3, van het Verdrag, tenzij zij onder een krachtens Verordening (EG) nr. 994/98 van de Raad[21] vastgestelde verordening vallen, en mogen niet ten uitvoer worden gebracht voordat deze procedure tot een definitieve goedkeuring door de Commissie heeft geleid.

(66) Met het oog op een efficiënte en beveiligde uitwisseling van gegevens moet een elektronisch informatiesysteem worden ingevoerd.

(67) De wetgeving van de Unie inzake de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonlijke gegevens en het vrije verkeer van die gegevens, met name Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2000 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de communautaire instellingen en organen en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, is van toepassing.

(68) De Commissie dient uitvoeringsbevoegdheden te krijgen teneinde ervoor te zorgen dat deze verordening overal onder gelijke voorwaarden ten uitvoer kan worden gelegd wanneer het gaat om de indiening van de plattelandsontwikkelingsprogramma's, de goedkeuring van programma's en de wijzigingen ervan, de procedures en termijnen voor de goedkeuring van de programma's, de procedures en termijnen voor de goedkeuring van programmawijzigingen, inclusief inwerkingtreding en frequentie van indiening, specifieke voorwaarden voor de uitvoering van plattelandsontwikkelingsmaatregelen, de structuur en de werking van op grond van deze verordening opgezette netwerken, de vaststelling van het monitoring‑ en evaluatiesysteem, de voorschriften voor de werking van het informatiesysteem. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend overeenkomstig Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren[22].

(69) De nieuwe steunregeling die bij deze verordening wordt ingesteld komt in de plaats van de bij Verordening (EG) nr. 1698/2005 ingestelde steunregeling. Daarom moet Verordening (EG) nr. 1698/2005 worden ingetrokken met ingang van 1 januari 2014.

(70) Om een vlotte overgang van de bij Verordening (EG) nr. 1698/2005 ingestelde regeling naar de bij de onderhavige verordening ingestelde regeling mogelijk te maken, moet de Commissie ertoe worden gemachtigd overeenkomstig artikel 290 handelingen aan te nemen met betrekking tot de vaststelling van overgangsbepalingen.