Overwegingen bij COM(2021)581 - Wijziging van Richtlijn Solvency II wat betreft evenredigheid, toezicht, rapportage, langetermijn­garantiemaatregelen, macroprudentiële instrumenten, duurzaamheidsrisico’s

Dit is een beperkte versie

U kijkt naar een beperkte versie van dit dossier in de EU Monitor.

 
 
(1) Bij Richtlijn 2009/138/EU van het Europees Parlement en de Raad 17 zijn meer risicogebaseerde en meer geharmoniseerde prudentiële regels voor de verzekerings- en herverzekeringssector ingevoerd. Sommige bepalingen van die richtlijn zijn onderworpen aan herzieningsclausules. De toepassing van die richtlijn heeft in aanzienlijke mate bijgedragen tot de versterking van het financiële stelsel in de Unie en heeft verzekerings- en herverzekeringsondernemingen beter bestand gemaakt tegen uiteenlopende risico’s. Hoewel deze richtlijn zeer uitgebreid is, pakt zij niet alle vastgestelde gebreken bij verzekerings- en herverzekeringsondernemingen aan.

(2) De COVID-19-pandemie heeft enorme sociaal-economische schade veroorzaakt, waardoor de economie van de EU een duurzaam, inclusief en eerlijk herstel nodig heeft. Dit heeft het werk aan de politieke prioriteiten van de Unie, met name de totstandbrenging van een economie die werkt voor de mensen en de verwezenlijking van de doelstellingen van de Europese Green Deal, nog urgenter gemaakt. De verzekerings- en herverzekeringssector kan voorzien in particuliere financieringsbronnen voor Europese bedrijven en kan de economie veerkrachtiger maken door bescherming te bieden tegen een breed scala aan risico’s. Met deze tweeledige rol heeft de sector een groot potentieel om bij te dragen tot de verwezenlijking van de prioriteiten van de Unie.

(3) Zoals werd benadrukt in de mededeling van de Commissie van 24 september 2020 “Een kapitaalmarktenunie ten dienste van mensen en ondernemingen” 18 , is het van cruciaal belang institutionele beleggers, met name verzekeraars, te prikkelen meer op lange termijn te beleggen om re-equitisation in het bedrijfsleven te ondersteunen. Om de bijdrage van verzekeraars aan de financiering van het economisch herstel van de Unie te vergemakkelijken, moet het prudentiële kader worden aangepast om beter rekening te houden met het langetermijnkarakter van het verzekeringsbedrijf. Met name moet het bij de berekening van het solvabiliteitskapitaalvereiste volgens de standaardformule gemakkelijker worden gemaakt om een gunstiger standaardparameter te gebruiken voor aandelenbeleggingen met een langetermijnperspectief, mits verzekerings- en herverzekeringsondernemingen voldoen aan deugdelijke en robuuste criteria die de bescherming van verzekeringnemers en de financiële stabiliteit waarborgen. Dergelijke criteria moeten ervoor zorgen dat verzekerings- en herverzekeringsondernemingen in staat zijn om ook onder gespannen marktomstandigheden gedwongen verkoop te vermijden van aandelen die bedoeld zijn om op lange termijn te worden aangehouden.

(4) In haar mededeling van 11 december 2019 over de Europese Green Deal 19 heeft de Commissie zich ertoe verbonden het beheer van klimaat- en milieurisico’s beter in het prudentiële kader van de Unie te integreren. De Europese Green Deal is de nieuwe groeistrategie van de Unie, die tot doel heeft de Unie tegen 2050 om te vormen tot een moderne, hulpbronnenefficiënte en concurrerende economie zonder netto-uitstoot van broeikasgassen. Hij zal bijdragen aan de doelstelling een economie op te bouwen die werkt voor de mensen, en de sociale markteconomie van de Unie te versterken, waardoor zij klaar is voor de toekomst en zorgt voor stabiliteit, banen, groei en investeringen. In haar voorstel van 4 maart 2020 voor een Europese klimaatwet heeft de Commissie voorgesteld de doelstelling van klimaatneutraliteit en klimaatveerkracht tegen 2050 bindend te maken in de Unie. Dat voorstel is goedgekeurd door het Europees Parlement en de Raad, en het is op 29 juli 2021 in werking getreden 20 . De ambitie van de Commissie om te zorgen voor mondiaal leiderschap van de EU op de weg naar 2050 is herhaald in het strategisch prognoseverslag 2021 21 , waarin de opbouw van veerkrachtige en toekomstbestendige economische en financiële systemen als een strategisch actiegebied wordt aangemerkt.

(5) Het EU-kader voor duurzame financiering zal een belangrijke rol spelen bij de verwezenlijking van de doelstellingen van de Europese Green Deal, en de milieuwetgeving moet worden aangevuld met een duurzaam financieel kader dat financiering kanaliseert naar investeringen die de blootstelling aan deze klimaat- en milieurisico’s verminderen. In haar mededeling van 6 juli 2021 over een strategie voor de financiering van de transitie naar een duurzame economie 22 heeft de Commissie toegezegd wijzigingen van Richtlijn 2009/138/EG voor te stellen om duurzaamheidsrisico’s consequent in het risicobeheer van verzekeraars op te nemen door een analyse van klimaatveranderingsscenario’s door verzekeraars verplicht te stellen.

(6) Richtlijn 2009/138/EG sluit bepaalde ondernemingen van het toepassingsgebied uit vanwege hun omvang. Na de eerste jaren van toepassing van Richtlijn 2009/138/EG en om ervoor te zorgen dat deze niet ten onrechte van toepassing is op ondernemingen van beperkte omvang, is het passend deze uitsluitingen te herzien door de drempels te verhogen, zodat meer kleine verzekeringsondernemingen die aan bepaalde voorwaarden voldoen, niet onder die richtlijn vallen. Ondernemingen die van dergelijke verhoogde drempels profiteren, moeten echter de mogelijkheid hebben om een vergunning uit hoofde van Richtlijn 2009/138/EG te behouden of aan te vragen om de voordelen van die vergunning te genieten.

(7) Richtlijn 2009/138/EG is niet van toepassing op een hulpverleningsactiviteit waarbij aan de voorwaarden van artikel 6, lid 1, van die richtlijn is voldaan. De eerste voorwaarde luidt dat de hulp betrekking heeft op ongevallen met of defecten aan een wegvoertuig die zich voordoen op het grondgebied van de lidstaat van de verlener van de dekking. Die bepaling zou kunnen betekenen dat verleners van hulp aan wegvoertuigen bij een ongeval of defect dat zich net over de grens voordoet, een vergunning als verzekeraar moeten hebben, wat de hulp onnodig kan verstoren. Om deze reden is het passend die voorwaarde te herzien. De voorwaarde van artikel 6, lid 1, punt a), van Richtlijn 2009/138/EG moet dus ook worden uitgebreid tot ongevallen met of defecten aan een door die verzekeraar gedekt wegvoertuig die zich incidenteel in een buurland voordoen.

(8) Verzekerings- en herverzekeringsondernemingen kunnen in om het even welke lidstaat een vergunningsaanvraag indienen. Informatie over eerdere aanvragen en de resultaten van de beoordeling van dergelijke aanvragen kan essentiële informatie opleveren voor de beoordeling van hun aanvraag. Daarom moet de toezichthoudende autoriteit door de verzekerings- of herverzekeringsonderneming die de aanvraag indient, in kennis worden gesteld van eerdere weigeringen of intrekkingen van een vergunning in een andere lidstaat.

(9) Voordat zij een vergunning verleent, moet de toezichthoudende autoriteit van de lidstaat van herkomst de toezichthoudende autoriteiten van de betrokken lidstaten raadplegen. Gezien de toegenomen grensoverschrijdende verzekeringsactiviteiten is het noodzakelijk te zorgen voor een meer geharmoniseerde toepassing van het Unierecht in gevallen van grensoverschrijdende verzekeringsactiviteit en voor een betere uitwisseling van informatie tussen toezichthoudende autoriteiten, met name voordat vergunningen worden verleend. Wanneer meerdere toezichthoudende autoriteiten moeten worden geraadpleegd, moet elke betrokken toezichthoudende autoriteit derhalve de mogelijkheid hebben de toezichthoudende autoriteit van de lidstaat waar de vergunningsprocedure gaande is, te vragen om een gezamenlijke beoordeling van een vergunningsaanvraag.

(10) Richtlijn 2009/138/EG moet worden toegepast overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel. Om de evenredige toepassing van de richtlijn op ondernemingen met een lager risicoprofiel dan de gemiddelde onderneming te vergemakkelijken en om ervoor te zorgen dat voor hen geen onevenredig belastende vereisten gelden, moeten risicogebaseerde criteria worden vastgesteld waarmee zij kunnen worden geïdentificeerd.

(11) Ondernemingen die aan de risicogebaseerde criteria voldoen, moeten via een eenvoudige kennisgevingsprocedure als ondernemingen met een laag risicoprofiel kunnen worden ingedeeld. Indien de toezichthoudende autoriteit binnen een maand na de kennisgeving geen bezwaar maakt tegen de indeling om naar behoren gemotiveerde redenen die verband houden met de beoordeling van de relevante criteria, moet die onderneming als onderneming met een laag risicoprofiel worden beschouwd. Zodra een onderneming als onderneming met een laag risicoprofiel is ingedeeld, moet zij in beginsel automatisch profiteren van vastgestelde evenredigheidsmaatregelen inzake rapportage, governance, herziening van schriftelijke beleidslijnen, beoordeling van het eigen risico en de solvabiliteit en openbaarmakingsvereisten.

(12) Het is passend dat er ook evenredigheidsmaatregelen beschikbaar zijn voor ondernemingen die niet als ondernemingen met een laag risicoprofiel zijn ingedeeld, maar waarvoor sommige vereisten van Richtlijn 2009/138/EG te duur en te complex zijn gezien de risico’s die aan de bedrijfsactiviteiten van dergelijke ondernemingen verbonden zijn. Die ondernemingen moeten in staat worden gesteld om op basis van een analyse per geval en na voorafgaande toestemming van hun toezichthoudende autoriteiten gebruik te maken van evenredigheidsmaatregelen.

(13) Een correcte toepassing van het evenredigheidsbeginsel is cruciaal om buitensporige lasten voor verzekerings- en herverzekeringsondernemingen te voorkomen. Toezichthoudende autoriteiten moeten regelmatig van het gebruik van evenredigheidsmaatregelen op de hoogte worden gehouden. Om deze reden moeten verzekerings- en herverzekeringsondernemingen over de door hen gebruikte evenredigheidsmaatregelen jaarlijks informatie verstrekken aan hun toezichthoudende autoriteiten.

(14) Verzekerings- en herverzekeringscaptives die uitsluitend risico’s dekken van de industriële of commerciële groep waartoe zij behoren, hebben een bijzonder risicoprofiel waarmee rekening moet worden gehouden bij het vaststellen van bepaalde vereisten, met name inzake de beoordeling van het eigen risico en de solvabiliteit, openbaarmakingen en de bijbehorende bevoegdheidsdelegaties aan de Commissie om hiervoor nadere regels vast te stellen. Bovendien moeten verzekerings- en herverzekeringscaptives ook kunnen profiteren van evenredigheidsmaatregelen wanneer zij als ondernemingen met een laag risicoprofiel gelden.

(15) Het is belangrijk dat verzekerings- en herverzekeringsondernemingen een gezonde financiële positie behouden. Daartoe voorziet Richtlijn 2009/138/EG in financieel toezicht op de solvabiliteit van een onderneming, de vorming van technische voorzieningen, de activa en het in aanmerking komend eigen vermogen. Het governancesysteem van een onderneming is echter ook belangrijk om ervoor te zorgen dat de onderneming financieel gezond blijft. Daartoe moet van de toezichthoudende autoriteiten worden verlangd dat zij het governancesysteem regelmatig herzien en evalueren in het kader van hun financieel toezicht op verzekerings- en herverzekeringsondernemingen.

(16) De samenwerking tussen de toezichthoudende autoriteit van de lidstaat van herkomst die een vergunning aan een verzekerings- of herverzekeringsonderneming heeft verleend, en de toezichthoudende autoriteiten van de lidstaten waar die onderneming activiteiten ontplooit door bijkantoren te vestigen of diensten te verrichten, moet worden versterkt om potentiële problemen beter te voorkomen en verzekeringnemers in de hele Unie beter te beschermen. Deze samenwerking moet inhouden dat de toezichthoudende autoriteit van de lidstaat van herkomst meer informatie verstrekt, met name over de uitkomst van het toezichtsproces met betrekking tot de grensoverschrijdende activiteit.

(17) Toezichthoudende autoriteiten moeten het recht hebben om van elke onder toezicht staande verzekerings- en herverzekeringsonderneming en haar groep ten minste om de drie jaar een periodiek beschrijvend verslag met informatie over de bedrijfsactiviteiten en de prestaties, het governancesysteem, het risicoprofiel, het kapitaalbeheer en andere relevante informatie voor solvabiliteitsdoeleinden te ontvangen. Om dit rapportagevereiste voor verzekerings- en herverzekeringsgroepen te vereenvoudigen, moet het onder bepaalde voorwaarden mogelijk zijn de informatie van het periodieke toezichtsverslag met betrekking tot de groep en haar dochterondernemingen op geaggregeerde wijze voor de hele groep in te dienen.

(18) Er moet voor worden gezorgd dat ondernemingen met een laag risicoprofiel voorrang krijgen wanneer toezichthouders vrijstellingen en beperkingen inzake de rapportage verlenen. Voor dit soort entiteiten moet het kennisgevingsproces dat van toepassing is op de indeling als onderneming met een laag risicoprofiel, ervoor zorgen dat er voldoende zekerheid is met betrekking tot het gebruik van vrijstellingen en beperkingen inzake de rapportage.

(19) De rapportage- en openbaarmakingstermijnen moeten duidelijk worden vastgelegd in Richtlijn 2009/138/EG. Er moet echter worden erkend dat buitengewone omstandigheden zoals noodsituaties op het gebied van de volksgezondheid, natuurrampen en andere extreme gebeurtenissen het voor verzekerings- en herverzekeringsondernemingen onmogelijk zouden kunnen maken om dergelijke verslagen en openbaarmakingen binnen de vastgestelde termijnen in te dienen. Daarom moet de Commissie de bevoegdheid krijgen om de termijnen in dergelijke omstandigheden te verlengen.

(20) Richtlijn 2009/138/EG bepaalt dat toezichthoudende autoriteiten moeten beoordelen of een nieuwe persoon die wordt aangesteld om een verzekerings- of herverzekeringsonderneming te besturen of een sleutelfunctie te vervullen, deskundig en betrouwbaar is. Personen die de onderneming besturen of een sleutelfunctie vervullen, moeten echter continu deskundig en betrouwbaar zijn. Toezichthoudende autoriteiten moeten daarom de bevoegdheid hebben om te reageren en de betrokkene zo nodig van de desbetreffende functie te ontheffen indien niet aan de deskundigheids- en betrouwbaarheidsvereisten wordt voldaan.

(21) Aangezien verzekeringsactiviteiten risico’s voor de financiële stabiliteit kunnen doen ontstaan of versterken, moeten verzekerings- en herverzekeringsondernemingen macroprudentiële overwegingen en analyses meenemen in hun beleggings- en risicobeheeractiviteiten. Dit kan onder meer inhouden dat rekening wordt gehouden met het potentiële gedrag van andere marktdeelnemers, macro-economische risico’s, zoals een neergang van de kredietcyclus of een verminderde marktliquiditeit, of buitensporige concentraties op marktniveau in bepaalde soorten activa, tegenpartijen of sectoren.

(22) Verzekerings- en herverzekeringsondernemingen moeten bij hun beoordeling van het eigen risico en de solvabiliteit rekening houden met alle relevante macroprudentiële informatie die door de toezichthoudende autoriteiten is verstrekt. De toezichthoudende autoriteiten moeten de toezichtsverslagen over de beoordeling van het eigen risico en de solvabiliteit van ondernemingen binnen hun rechtsgebied analyseren en aggregeren en aan ondernemingen input verstrekken over de elementen die in hun toekomstige beoordelingen van het eigen risico en de solvabiliteit in aanmerking moeten worden genomen, met name wat macroprudentiële risico’s betreft. De lidstaten moeten ervoor zorgen dat, wanneer zij een autoriteit met een macroprudentieel mandaat belasten, de resultaten en de bevindingen van macroprudentiële beoordelingen door toezichthoudende autoriteiten worden gedeeld met die macroprudentiële autoriteit.

(23) In overeenstemming met de door de International Association of Insurance Supervisors vastgestelde Insurance Core Principles moeten de nationale toezichthoudende autoriteiten de markt- en financiële ontwikkelingen die van invloed kunnen zijn op verzekerings- en herverzekeringsondernemingen en verzekerings- en herverzekeringsmarkten, identificeren, monitoren en analyseren en die informatie gebruiken bij het toezicht op individuele verzekerings- of herverzekeringsondernemingen. Bij die taken moet zo nodig gebruik worden gemaakt van informatie en inzichten van andere toezichthoudende autoriteiten.

(24) Autoriteiten met een macroprudentieel mandaat zijn belast met het macroprudentiële beleid voor hun nationale verzekerings- en herverzekeringsmarkt. Het macroprudentiële beleid kan worden gevoerd door de toezichthoudende autoriteit of door een andere autoriteit of instantie die hiermee is belast.

(25) Goede coördinatie tussen toezichthoudende autoriteiten en de relevante instanties en autoriteiten met een macroprudentieel mandaat is belangrijk voor het identificeren, monitoren en analyseren van mogelijke risico’s voor de stabiliteit van het financiële stelsel die van invloed kunnen zijn op verzekerings- en herverzekeringsondernemingen, en voor het nemen van maatregelen om die risico’s doeltreffend en adequaat aan te pakken. Bij de samenwerking tussen autoriteiten moet ook worden getracht elke vorm van overlappend of inconsistent optreden te vermijden.

(26) Volgens Richtlijn 2009/138/EG moeten verzekerings- en herverzekeringsondernemingen als integrerend deel van hun bedrijfsstrategie een periodieke beoordeling van het eigen risico en de solvabiliteit hebben. Sommige risico’s, zoals klimaatveranderingsrisico’s, zijn moeilijk te kwantificeren of ontstaan over een periode die langer is dan de voor de kalibratie van het solvabiliteitskapitaalvereiste gebruikte periode. Die risico’s kunnen beter in aanmerking worden genomen bij de beoordeling van het eigen risico en de solvabiliteit. Wanneer verzekerings- en herverzekeringsondernemingen materiële blootstelling aan klimaatrisico’s hebben, moeten zij ertoe worden verplicht binnen passende tussenpozen en als onderdeel van de beoordeling van het eigen risico en de solvabiliteit, analyses van het effect van langetermijnklimaatrisicoscenario’s op hun bedrijf uit te voeren. Dergelijke analyses moeten in verhouding staan tot de aard, omvang en complexiteit van de risico’s die inherent zijn aan de bedrijfsactiviteiten van de ondernemingen. Hoewel de beoordeling van de materialiteit van de blootstelling aan klimaatrisico’s voor alle verzekerings- en herverzekeringsondernemingen verplicht moet zijn, mogen met name analyses van langetermijnklimaatscenario’s niet verplicht zijn voor ondernemingen met een laag risicoprofiel.

(27) Volgens Richtlijn 2009/138/EG moet ten minste eenmaal per jaar essentiële informatie worden bekendgemaakt via het rapport over de solvabiliteit en financiële positie. Het rapport heeft twee soorten adressaten: verzekeringnemers en begunstigden enerzijds en analisten en andere marktdeelnemers anderzijds. Om rekening te houden met de behoeften en verwachtingen van deze twee verschillende groepen, moet de inhoud van het verslag in twee delen worden opgesplitst. Het eerste deel, dat voornamelijk gericht is tot verzekeringnemers en begunstigden, moet de essentiële informatie bevatten over het bedrijf, de prestaties, het kapitaalbeheer en het risicoprofiel. Het tweede deel, dat gericht is tot analisten en andere marktdeelnemers, moet gedetailleerde informatie bevatten over het governancesysteem, specifieke informatie over technische voorzieningen en andere verplichtingen, de solvabiliteitspositie en andere gegevens die relevant zijn voor gespecialiseerde analisten.

(28) Verzekerings- en herverzekeringsondernemingen kunnen de relevante risicovrije rentetermijnstructuur na goedkeuring door de toezichthouder aanpassen voor de berekening van de beste schatting in overeenstemming met de fluctuaties van hun activaspreads (“matchingopslag”) of in overeenstemming met de gemiddelde spreadfluctuatie van activa die door verzekerings- en herverzekeringsondernemingen in een bepaalde munteenheid of een bepaald land worden aangehouden (“volatiliteitsaanpassing”). Het tot de verzekeringnemers gerichte deel van het rapport over de solvabiliteit en financiële positie moet alleen de informatie bevatten die naar verwachting relevant zal zijn voor de besluitvorming van een gemiddelde verzekeringnemer. Hoewel verzekerings- en herverzekeringsondernemingen het effect van het niet-toepassen van de matchingopslag, de volatiliteitsaanpassing en de overgangsmaatregelen ten aanzien van risicovrije rentevoeten en technische voorzieningen op hun financiële positie openbaar moeten maken, mag ervan worden uitgegaan dat die openbaarmaking voor de besluitvorming van de gemiddelde verzekeringnemer niet relevant is. Het effect van dergelijke maatregelen moet derhalve openbaar worden gemaakt in het tot de marktdeelnemers gerichte deel van het rapport over de solvabiliteit en financiële positie, en niet in het tot de verzekeringnemers gerichte deel.

(29) Openbaarmakingsvereisten mogen niet buitensporig belastend zijn voor verzekerings- en herverzekeringsondernemingen. Daarom moeten in Richtlijn 2009/138/EG enkele vereenvoudigingen en evenredigheidsmaatregelen worden opgenomen, die evenwel de leesbaarheid van de door de verzekerings- en herverzekeringsondernemingen verstrekte gegevens niet in gevaar mogen brengen.

(30) Om de grootst mogelijke nauwkeurigheid van de openbaar gemaakte informatie te waarborgen, moet een aanzienlijk deel van het rapport over de solvabiliteit en financiële positie aan een audit worden onderworpen. Een dergelijk auditvereiste moet betrekking hebben op de balans, die wordt beoordeeld aan de hand van de waarderingscriteria van Richtlijn 2009/138/EG.

(31) De last van de auditverplichting lijkt niet gerechtvaardigd voor ondernemingen met een laag risicoprofiel, die naar verwachting niet relevant zijn voor de financiële stabiliteit van de Unie en die niet veel verzekeringnemers hebben. Een van de criteria waaraan ondernemingen met een laag risicoprofiel moeten voldoen, is dat ze klein moeten zijn. Om deze last te verlichten, moeten zij van dit vereiste worden vrijgesteld.

(32) Erkend moet worden dat het auditvereiste weliswaar nuttig is, maar voor elke onderneming wel een extra last zou betekenen. De jaarlijkse rapportage- en openbaarmakingstermijnen voor verzekerings- en herverzekeringsondernemingen en verzekerings- en herverzekeringsgroepen moeten derhalve worden verlengd om die ondernemingen voldoende tijd te geven om gecontroleerde verslagen over te leggen.

(33) Er moet voor worden gezorgd dat de methoden voor de berekening van technische voorzieningen van overeenkomsten met opties inzake garantie in verhouding staan tot de aard, omvang en complexiteit van de risico’s van de verzekeraar. In dit verband moeten enkele vereenvoudigingen worden aangebracht.

(34) Bij de bepaling van de relevante risicovrije rentetermijnstructuur moet het gebruik van informatie die van relevante financiële instrumenten afkomstig is, worden afgewogen tegen het vermogen van verzekerings- en herverzekeringsondernemingen om van financiële instrumenten afgeleide rentevoeten af te dekken. Het kan met name voorkomen dat kleinere verzekerings- en herverzekeringsondernemingen niet de capaciteit hebben om het renterisico af te dekken met andere instrumenten dan obligaties, leningen of soortgelijke activa met vaste kasstromen. De relevante risicovrije rentetermijnstructuur moet derhalve worden geëxtrapoleerd voor looptijden waarbij de markten voor obligaties niet langer diep, liquide en transparant zijn. De extrapolatiemethode moet echter gebruikmaken van informatie die afkomstig is van andere relevante financiële instrumenten dan obligaties, wanneer dergelijke informatie beschikbaar is van diepe, liquide en transparante markten voor looptijden waarbij de obligatiemarkten niet langer diep, liquide en transparant zijn. Om de zekerheid en de geharmoniseerde toepassing te waarborgen en er tevens voor te zorgen dat tijdig kan worden gereageerd op veranderingen in marktomstandigheden, moet de Commissie gedelegeerde handelingen vaststellen om te specificeren hoe de nieuwe extrapolatiemethode moet worden toegepast.

(35) De bepaling van de relevante risicovrije rentetermijnstructuur heeft aanzienlijke gevolgen voor de solvabiliteitspositie, met name voor levensverzekeringsondernemingen met langetermijnverplichtingen. Om verstoring van het bestaande verzekeringsbedrijf te voorkomen en een soepele overgang naar de nieuwe extrapolatiemethode mogelijk te maken, moet worden voorzien in geleidelijke invoering en een overgangsmaatregel. De overgangsmaatregelen moeten erop gericht zijn verstoring van de markt te voorkomen en een transparant pad te bieden naar de uiteindelijke extrapolatiemethode.

(36) Richtlijn 2009/138/EG voorziet in een volatiliteitsaanpassing die het effect van overdreven obligatiespreads moet beperken en gebaseerd is op referentieportefeuilles voor de betrokken munteenheden van verzekerings- en herverzekeringsondernemingen en, in het geval van de euro, op referentieportefeuilles voor nationale verzekeringsmarkten. Het gebruik van een uniforme volatiliteitsaanpassing voor hele munteenheden of landen kan leiden tot voordelen die verder gaan dan een beperking van overdreven obligatiespreads, met name wanneer de gevoeligheid van de relevante activa van die ondernemingen voor veranderingen in kredietspreads lager is dan de gevoeligheid van de relevante beste schatting voor veranderingen in de rentevoeten. Om dergelijke buitensporige voordelen van de volatiliteitsaanpassing te voorkomen, moet de volatiliteitsaanpassing door de toezichthouder worden goedgekeurd en moet bij de berekening rekening worden gehouden met ondernemingsspecifieke kenmerken met betrekking tot de spreadgevoeligheid van activa en de rentegevoeligheid van de beste schatting van technische voorzieningen. In het licht van de aanvullende waarborgen moet het verzekerings- en herverzekeringsondernemingen worden toegestaan om een groter aandeel tot 85 % van de voor risico’s gecorrigeerde spread afkomstig van de representatieve portefeuilles op te tellen bij de risicovrije basisrentetermijnstructuur.

(37) Richtlijn 2009/138/EG voorziet in een landcomponent in de volatiliteitsaanpassing die tot doel heeft overdreven obligatiespreads in een specifiek land te beperken. De activering van de landcomponent is echter gebaseerd op een absolute drempel en een relatieve drempel met betrekking tot de voor risico's gecorrigeerde spread van het land, wat tot klifeffecten kan leiden en zo de volatiliteit van het eigen vermogen van verzekerings- en herverzekeringsondernemingen kan vergroten. Om ervoor te zorgen dat overdreven obligatiespreads in een specifieke lidstaat die de euro als munt heeft, effectief worden beperkt, moet de landcomponent worden vervangen door een macrocomponent die wordt berekend op basis van de verschillen tussen de voor risico’s gecorrigeerde spread voor de euro en de voor risico's gecorrigeerde spread voor het land. Om klifeffecten te voorkomen, moet bij de berekening discontinuïteit met betrekking tot de inputparameters worden vermeden.

(38) Om rekening te houden met ontwikkelingen in de beleggingspraktijken van verzekerings- en herverzekeringsondernemingen, moet de Commissie de bevoegdheid krijgen om gedelegeerde handelingen vast te stellen met criteria om te bepalen welke activa in aanmerking komen om in de toegewezen activaportefeuille te worden opgenomen wanneer de aard van de activa kan leiden tot uiteenlopende praktijken met betrekking tot de criteria voor de toepassing en de berekening van de matchingopslag.

(39) Om ervoor te zorgen dat alle verzekerings- en herverzekeringsondernemingen die de volatiliteitsaanpassing berekenen op dezelfde wijze worden behandeld, of om rekening te houden met marktontwikkelingen, moet de Commissie de bevoegdheid krijgen om gedelegeerde handelingen vast te stellen tot nadere bepaling van de berekening van ondernemingsspecifieke elementen van de volatiliteitsaanpassing.

(40) Voor de berekening van hun eigen vermogen overeenkomstig Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad 23 kan aan instellingen die deel uitmaken van financiële conglomeraten die onder Richtlijn 2002/87/EG van het Europees Parlement en de Raad 24 vallen, toestemming worden verleend om hun aanzienlijke beleggingen in verzekerings- of herverzekeringsondernemingen niet af te trekken, mits aan bepaalde criteria wordt voldaan. De prudentiële regels voor verzekerings- of herverzekeringsondernemingen en kredietinstellingen moeten een passend gelijk speelveld voor door banken geleide en door verzekeraars geleide financiële groepen mogelijk maken. Daarom moeten verzekerings- en herverzekeringsondernemingen ook toestemming krijgen om deelnemingen in kredietinstellingen en financiële instellingen niet af te trekken van hun in aanmerking komend eigen vermogen, onder vergelijkbare voorwaarden. Met name moet ofwel groepstoezicht overeenkomstig Richtlijn 2009/138/EG ofwel aanvullende toezicht overeenkomstig Richtlijn 2002/87/EG van toepassing zijn op een groep die zowel de verzekerings- of herverzekeringsonderneming als de verbonden instelling omvat. Voorts moet de instelling voor de verzekerings- of herverzekeringsonderneming een aandelenbelegging van strategische aard zijn en moeten de toezichthoudende autoriteiten overtuigd zijn van het niveau van geïntegreerd beheer, risicobeheer en interne controles met betrekking tot de entiteiten die onder het groepstoezicht of het aanvullende toezicht vallen.

(41) De bestaande beperkingen op het niveau van de symmetrische aanpassing beperken het vermogen van deze aanpassing om potentiële procyclische effecten van het financiële stelsel te verzachten en te voorkomen dat verzekerings- en herverzekeringsondernemingen door tijdelijke ongunstige bewegingen op de financiële markten, zoals die welke door de COVID-19-pandemie zijn veroorzaakt, ongepast worden gedwongen extra kapitaal bijeen te brengen of hun beleggingen te verkopen. Daarom moet de symmetrische aanpassing zodanig worden gewijzigd dat zij grotere wijzigingen van de standaard aandelenkapitaaleis mogelijk maakt en het effect van sterke stijgingen of dalingen op de aandelenmarkten verder verzacht.

(42) Om de evenredigheid binnen de kwantitatieve vereisten te verbeteren, moeten verzekerings- en herverzekeringsondernemingen de mogelijkheid krijgen om het kapitaalvereiste voor immateriële risico’s in de standaardformule voor een periode van ten hoogste drie jaar te berekenen met een vereenvoudigde benadering. Een dergelijke vereenvoudigde benadering moet ondernemingen in staat stellen het kapitaalvereiste voor een immaterieel risico te schatten op basis van een passende volumemaatstaf die in de loop van de tijd varieert. Deze benadering moet gebaseerd zijn op gemeenschappelijke regels en onderworpen zijn aan gemeenschappelijke criteria voor de identificatie van immateriële risico’s.

(43) Verzekerings- en herverzekeringsondernemingen die de matchingopslag gebruiken, moeten de toegewezen portefeuille van activa en verplichtingen gescheiden van andere delen van de bedrijfsactiviteiten aanmerken, organiseren en beheren en het mag hun daarom niet worden toegestaan om risico’s elders in het bedrijf met behulp van de toegewezen activaportefeuille te dekken. Het gescheiden beheer van de portefeuille leidt echter niet tot een toename van de correlatie tussen de risico’s binnen die portefeuille en die binnen de rest van de onderneming Daarom moeten verzekerings- en herverzekeringsondernemingen die de matchingopslag gebruiken, hun solvabiliteitskapitaalvereiste kunnen berekenen op basis van de aanname van volledige diversificatie tussen de activa en verplichtingen van de portefeuille en de rest van de onderneming, tenzij de activaportefeuilles die een overeenkomstige beste schatting van verzekerings- of herverzekeringsverplichtingen dekken, een afgezonderd fonds vormen.

(44) Het is belangrijk dat toezichthoudende autoriteiten in het kader van het toezichtsproces informatie kunnen vergelijken tussen de ondernemingen waarop zij toezicht houden. Geheel en gedeeltelijk interne modellen maken het mogelijk het individuele risico van een onderneming beter in beeld te brengen, en Richtlijn 2009/138/EG staat toe dat verzekerings- en herverzekeringsondernemingen deze gebruiken om kapitaalvereisten te bepalen zonder de beperkingen van de standaardformule. Geheel en gedeeltelijk interne modellen maken vergelijkingen tussen ondernemingen echter moeilijker en de toezichthoudende autoriteiten zouden daarom baat hebben bij toegang tot de uitkomst van de berekening van kapitaalvereisten volgens de standaardformule. Daarom moeten alle verzekerings- en herverzekeringsondernemingen dergelijke informatie regelmatig aan hun toezichthouders rapporteren.

(45) Richtlijn 2009/138/EG biedt verzekerings- en herverzekeringsondernemingen de mogelijkheid om hun solvabiliteitskapitaalvereiste te berekenen met een intern model dat door de toezichthouder moet worden goedgekeurd. Wanneer een intern model wordt toegepast, belet die richtlijn niet dat de verzekerings- en herverzekeringsonderneming in haar interne model rekening houdt met het effect van kredietspreadbewegingen op de volatiliteitsaanpassing. Aangezien het gebruik van de volatiliteitsaanpassing kan leiden tot voordelen die verder gaan dan een beperking van overdreven obligatiespreads in de berekening van de beste schatting, kunnen dergelijke buitensporige voordelen ook de berekening van het solvabiliteitskapitaalvereiste vertekenen wanneer in het interne model rekening wordt gehouden met het effect van kredietspreadbewegingen op de volatiliteitsaanpassing. Om een dergelijke vertekening te voorkomen, moet het solvabiliteitskapitaalvereiste van een ondergrens worden voorzien wanneer de toezichthoudende autoriteiten verzekerings- en herverzekeringsondernemingen toestaan in hun interne model rekening te houden met het effect van kredietspreadbewegingen op de volatiliteitsaanpassing, op een niveau waaronder zich naar verwachting voordelen voor het solvabiliteitskapitaalvereiste zouden voordoen die verder gaan dan een beperking van overdreven obligatiespreads.

(46) Verzekerings- en herverzekeringsondernemingen moeten worden gestimuleerd om veerkracht voor crisissituaties op te bouwen. Wanneer verzekerings- en herverzekeringsondernemingen in hun interne model rekening houden met het effect van kredietspreadbewegingen op de volatiliteitsaanpassing, maar ook met het effect van kredietspreadbewegingen op de macrovolatiliteitsaanpassing, kan dit de prikkels voor het opbouwen van veerkracht voor crisissituaties ernstig ondermijnen. Verzekerings- en herverzekeringsondernemingen moeten dus worden belet om in hun interne model rekening te houden met een macrovolatiliteitsaanpassing.

(47) Nationale toezichthoudende autoriteiten moeten in staat zijn relevante macroprudentiële informatie over de beleggingsstrategie van ondernemingen te verzamelen, deze samen met andere relevante informatie uit andere marktbronnen te analyseren en in hun toezicht op ondernemingen een macroprudentieel perspectief op te nemen. Dit kan inhouden dat toezicht wordt gehouden op risico’s in verband met specifieke kredietcycli, economische neergang en collectief gedrag of kuddegedrag bij beleggingen.

(48) Richtlijn 2009/138/EG voorziet in een verlenging van de herstelperiode in gevallen waarin van het solvabiliteitskapitaalvereiste wordt afgeweken, wanneer de Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen (EIOPA) heeft verklaard dat er sprake is van uitzonderlijke ongunstige omstandigheden. Een dergelijke verklaring kan plaatsvinden op verzoek van de nationale toezichthoudende autoriteiten, die vóór het verzoek in voorkomend geval het Europees Comité voor systeemrisico’s (ESRB) moeten raadplegen. De gedecentraliseerde raadpleging van het ESRB door de nationale toezichthoudende autoriteiten is minder efficiënt dan een gecentraliseerde raadpleging van het ESRB door de EIOPA. Om een efficiënt proces te waarborgen, moet de EIOPA, en niet de nationale toezichthoudende autoriteiten, het ESRB raadplegen alvorens te verklaren dat er sprake is van uitzonderlijke ongunstige omstandigheden, wanneer de aard van de situatie een dergelijke voorafgaande raadpleging mogelijk maakt.

(49) Richtlijn 2009/138/EG vereist dat verzekerings- en herverzekeringsondernemingen de betrokken toezichthoudende autoriteit onmiddellijk in kennis stellen wanneer zij constateren dat niet wordt voldaan aan, of in de volgende drie maanden dreigt niet te worden voldaan aan het minimumkapitaalvereiste. Die richtlijn specificeert echter niet wanneer de niet-naleving van het minimumkapitaalvereiste of de dreigende niet-naleving van het minimumkapitaalvereiste in de volgende drie maanden kan worden geconstateerd, waardoor ondernemingen de kennisgeving aan de toezichthoudende autoriteiten kunnen uitstellen tot het einde van het betrokken kwartaal, wanneer de berekening van het formeel aan de toezichthoudende autoriteit te melden minimumkapitaalvereiste plaatsvindt. Om ervoor te zorgen dat toezichthoudende autoriteiten tijdig informatie ontvangen en de nodige maatregelen kunnen nemen, moet het voor verzekerings- en herverzekeringsondernemingen verplicht zijn de toezichthoudende autoriteiten onmiddellijk in kennis te stellen van de niet-naleving of dreigende niet-naleving van het minimumkapitaalvereiste, ook wanneer dit is geconstateerd op basis van schattingen of berekeningen tussen twee data van officiële berekeningen van het minimumkapitaalvereiste, in het betrokken kwartaal.

(50) De bescherming van de belangen van verzekerden is een algemene doelstelling van het prudentiële kader die in elke fase van het toezichtsproces door de bevoegde toezichthoudende autoriteiten moet worden nagestreefd, ook in het geval van inbreuken of waarschijnlijke inbreuken op de vereisten door verzekerings- of herverzekeringsondernemingen die aanleiding kunnen geven tot intrekking van de vergunning. Die doelstelling moet worden nagestreefd vóór de intrekking van de vergunning en, rekening houdend met de eventuele juridische gevolgen voor verzekerden die daaruit voortvloeien, ook na de intrekking van de vergunning.

(51) De nationale toezichthoudende autoriteiten moeten de beschikking krijgen over instrumenten om het intreden van risico’s voor de financiële stabiliteit op de verzekeringsmarkten te voorkomen, procyclische gedragingen van verzekerings- en herverzekeringsondernemingen te beperken en negatieve overloopeffecten binnen het financiële stelsel en naar de reële economie te verzachten.

(52) Recente economische en financiële crises, met name de crisis als gevolg van de COVID-19-pandemie, hebben aangetoond dat een gezond liquiditeitsbeheer door verzekerings- en herverzekeringsondernemingen risico’s voor de stabiliteit van het financiële stelsel kan voorkomen. Om deze reden moet het voor verzekerings- en herverzekeringsondernemingen verplicht zijn het liquiditeitsbeheer en de liquiditeitsplanning te versterken, vooral in de context van ongunstige situaties die een groot deel of het geheel van de verzekerings- en herverzekeringsmarkt treffen.

(53) Wanneer ondernemingen met een bijzonder kwetsbaar profiel, zoals ondernemingen met liquide verplichtingen of niet-liquide activa, of met liquiditeitskwetsbaarheden die de algemene financiële stabiliteit kunnen aantasten, de situatie niet op passende wijze verhelpen, moeten de nationale toezichthoudende autoriteiten kunnen ingrijpen om hun liquiditeitspositie te versterken.

(54) Toezichthoudende autoriteiten moeten over de nodige bevoegdheden beschikken om de solvabiliteitspositie van specifieke verzekerings- of herverzekeringsondernemingen te vrijwaren in uitzonderlijke situaties zoals ongunstige economische of marktgebeurtenissen die een groot deel of het geheel van de verzekerings- en herverzekeringsmarkt treffen, teneinde verzekeringnemers te beschermen en de financiële stabiliteit te vrijwaren. Die bevoegdheden moeten de mogelijkheid omvatten om uitkeringen aan aandeelhouders en andere achtergestelde kredietverstrekkers van een bepaalde verzekerings- of herverzekeringsonderneming te beperken of op te schorten voordat daadwerkelijk wordt afgeweken van het solvabiliteitskapitaalvereiste. Die bevoegdheden moeten per geval worden uitgeoefend en aan gemeenschappelijke risicogebaseerde criteria voldoen en mogen de werking van de interne markt niet ondermijnen.

(55) Aangezien de beperking of opschorting van de uitkering van dividenden en andere bonussen gevolgen zou hebben – ook al zouden deze slechts tijdelijk zijn – voor de rechten van aandeelhouders en andere achtergestelde crediteuren, moeten de toezichthoudende autoriteiten bij het nemen van dergelijke maatregelen naar behoren rekening houden met het evenredigheidsbeginsel en het noodzakelijkheidsbeginsel. De toezichthoudende autoriteiten moeten er ook voor zorgen dat geen van de genomen maatregelen onevenredige nadelige gevolgen heeft voor het geheel of delen van het financiële stelsel in andere lidstaten of in de Unie als geheel. Met name mogen de toezichthoudende autoriteiten kapitaaluitkeringen binnen een verzekerings- en herverzekeringsgroep alleen beperken in uitzonderlijke omstandigheden en wanneer dit naar behoren gerechtvaardigd is om de stabiliteit van de verzekeringsmarkt en van het financiële stelsel als geheel te vrijwaren.

(56) Recente gevallen van falende verzekerings- en herverzekeringsondernemingen die grensoverschrijdend actief zijn, hebben duidelijk gemaakt dat de toezichthoudende autoriteiten beter moeten worden geïnformeerd over de activiteiten van ondernemingen. Daarom moeten verzekerings- en herverzekeringsondernemingen ertoe worden verplicht de toezichthoudende autoriteit van hun lidstaat van herkomst in kennis te stellen van alle materiële wijzigingen die gevolgen hebben voor hun risicoprofiel in verband met hun grensoverschrijdende verzekeringsactiviteiten, en moet die informatie worden gedeeld met de toezichthoudende autoriteiten van de betrokken lidstaten van ontvangst.

(57) Volgens Richtlijn 2009/138/EG, als gewijzigd bij Richtlijn (EU) 2019/2177 van het Europees Parlement en de Raad 25 , is de EIOPA bevoegd om samenwerkingsplatformen op te zetten en te coördineren om de samenwerking tussen de betrokken toezichthoudende autoriteiten te intensiveren, indien een verzekerings- of herverzekeringsonderneming activiteiten verricht of voornemens is te verrichten die gebaseerd zijn op het vrij verrichten van diensten of de vrijheid van vestiging. Gezien de complexiteit van de toezichtskwesties die binnen die platforms worden behandeld, slagen de nationale toezichthoudende autoriteiten er in verschillende gevallen echter niet in het eens te worden over de aanpak van kwesties in verband met een verzekerings- of herverzekeringsonderneming die grensoverschrijdend actief is. Indien de bij de samenwerkingsplatforms betrokken toezichthoudende autoriteiten geen overeenstemming kunnen bereiken over kwesties in verband met een verzekerings- of herverzekeringsonderneming die grensoverschrijdend actief is, moet de EIOPA de bevoegdheid hebben het meningsverschil te schikken overeenkomstig artikel 19 van Verordening (EU) nr. 1094/2010.

(58) Volgens Richtlijn 2009/138/EG zijn verzekerings- of herverzekeringsondernemingen niet verplicht tijdig informatie over de uitoefening van hun werkzaamheden te verstrekken aan de toezichthoudende autoriteiten van de lidstaten van ontvangst. Dergelijke informatie kan alleen worden verkregen door de toezichthoudende autoriteit van de lidstaat van herkomst hierom te verzoeken. Een dergelijke aanpak garandeert echter geen toegang tot informatie binnen een redelijke termijn. Daarom moet ook de toezichthoudende autoriteit van de lidstaat van ontvangst, net als de toezichthoudende autoriteit van de lidstaat van herkomst, de bevoegdheid hebben om tijdig rechtstreeks informatie op te vragen bij verzekerings- of herverzekeringsondernemingen.

(59) Wanneer een verzekerings- of herverzekeringsonderneming aanzienlijke grensoverschrijdende activiteiten in een lidstaat van ontvangst verricht, moet de toezichthoudende autoriteit van die lidstaat de bevoegdheid hebben basisinformatie over de solvabiliteitspositie van die verzekerings- of herverzekeringsonderneming op te vragen bij de toezichthoudende autoriteit van de lidstaat van herkomst. Wanneer de toezichthoudende autoriteit van de lidstaat van ontvangst ernstige bezorgdheid heeft over die solvabiliteitspositie, moet zij de bevoegdheid hebben om de toezichthoudende autoriteit van de lidstaat van herkomst te vragen om een gezamenlijke inspectie ter plaatse uit te voeren indien het solvabiliteitskapitaalvereiste duidelijk niet wordt nageleefd. De EIOPA moet worden uitgenodigd om hieraan deel te nemen. In dit verband moet de EIOPA zo spoedig mogelijk aangeven of zij voornemens is deel te nemen. Indien toezichthoudende autoriteiten het oneens zijn over de wenselijkheid van een gezamenlijke inspectie ter plaatse, moet de EIOPA de bevoegdheid hebben het meningsverschil te schikken overeenkomstig artikel 19 van Verordening (EU) nr. 1094/2010.

(60) Om als verzekeringsholding te worden aangemerkt, moet de hoofdactiviteit van een moedermaatschappij met name bestaan uit het verkrijgen en houden van deelnemingen in dochterondernemingen die uitsluitend of hoofdzakelijk verzekerings- of herverzekeringsondernemingen, dan wel verzekerings- of herverzekeringsondernemingen van derde landen zijn. Momenteel hebben de toezichthoudende autoriteiten verschillende opvattingen over de betekenis van “uitsluitend of hoofdzakelijk” in deze context. Dat begrip moet derhalve worden verduidelijkt, op soortgelijke wijze als de verduidelijking voor de banksector in Verordening (EU) nr. 575/2013, als gewijzigd bij Verordening (EU) 2019/876 van het Europees Parlement en de Raad 26 . Dochterondernemingen moeten als “hoofdzakelijk verzekerings- of herverzekeringsondernemingen of verzekerings- of herverzekeringsondernemingen van derde landen” worden beschouwd indien dergelijke ondernemingen meer dan 50 % vertegenwoordigen van het eigen vermogen, de geconsolideerde activa, de inkomsten of het personeel van de verzekeringsholding of van andere indicatoren die door de toezichthoudende autoriteit relevant worden geacht.

(61) In sommige gevallen vormen verscheidene verzekerings- en herverzekeringsondernemingen een “de-factogroep” en gedragen zij zich als zodanig, hoewel zij niet voldoen aan de definitie van groep in Richtlijn 2009/138/EG. Titel III van die richtlijn is derhalve niet van toepassing op dergelijke verzekerings- en herverzekeringsondernemingen. In dergelijke gevallen, met name voor horizontale groepen zonder kapitaalbanden tussen verschillende ondernemingen, moeten de groepstoezichthouders de bevoegdheid hebben om het bestaan van een groep vast te stellen. Hiervoor moeten ook objectieve criteria worden vastgesteld.

(62) Verzekerings- en herverzekeringsgroepen zijn vrij om naar eigen goeddunken te beslissen over de specifieke interne regelingen, taakverdeling en organisatiestructuur binnen de groep om de naleving van Richtlijn 2009/138/EG te waarborgen. In enkele gevallen kunnen dergelijke regelingen en organisatiestructuren een doeltreffend groepstoezicht echter in het gedrang brengen. Daarom moeten groepstoezichthouders – in uitzonderlijke omstandigheden en na raadpleging van de EIOPA en de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten – de bevoegdheid hebben om wijzigingen in die regelingen of organisatiestructuren te verlangen. Groepstoezichthouders moeten hun besluit naar behoren motiveren en uitleggen waarom de bestaande regelingen of structuren een doeltreffend groepstoezicht in het gedrang brengen.

(63) Groepstoezichthouders kunnen besluiten een onderneming van het groepstoezicht uit te sluiten, met name wanneer een dergelijke onderneming in het licht van de doeleinden van groepstoezicht van te verwaarlozen betekenis wordt geacht. De EIOPA heeft geconstateerd dat er uiteenlopende interpretaties van het criterium “te verwaarlozen betekenis” zijn en dat dit er in sommige gevallen toe leidt dat in het geheel geen groepstoezicht wordt verricht of dat het groepstoezicht op het niveau van een intermediaire moederonderneming wordt verricht. Daarom moet worden verduidelijkt dat dergelijke gevallen zich alleen in zeer uitzonderlijke omstandigheden mogen voordoen en dat groepstoezichthouders de EIOPA moeten raadplegen voordat zij dergelijke besluiten nemen. Er moeten ook criteria worden ingevoerd om meer duidelijkheid te verschaffen over wat als te verwaarlozen betekenis kan worden beschouwd in het licht van de doeleinden van groepstoezicht.

(64) Er is gebrek aan duidelijkheid over de soorten ondernemingen waarvoor methode 2, een aftrek- en aggregatiemethode als omschreven in artikel 233 van Richtlijn 2009/138/EG, mag worden toegepast bij de berekening van de groepssolvabiliteit, wat schadelijk is voor het gelijke speelveld in de Unie. Er moet dus duidelijk worden gespecificeerd welke ondernemingen mogen worden opgenomen in de berekening van de groepssolvabiliteit volgens methode 2. Een dergelijke methode mag alleen van toepassing zijn op verzekerings- en herverzekeringsondernemingen, verzekerings- en herverzekeringsondernemingen van derde landen, ondernemingen die tot andere financiële sectoren behoren, gemengde financiële holdings, verzekeringsholdings en andere moederondernemingen waarvan de hoofdactiviteit bestaat uit het verkrijgen en houden van deelnemingen in dochterondernemingen, indien die dochterondernemingen uitsluitend of hoofdzakelijk verzekerings- of herverzekeringsondernemingen dan wel verzekerings- en herverzekeringsondernemingen van derde landen zijn.

(65) In sommige verzekerings- of herverzekeringsgroepen verkrijgt en houdt een intermediaire moederonderneming die geen verzekerings- of herverzekeringsonderneming of verzekerings- of herverzekeringsonderneming van een derde land is, deelnemingen in dochterondernemingen die uitsluitend of hoofdzakelijk verzekerings- of herverzekeringsondernemingen van derde landen zijn. Volgens de huidige regels worden die intermediaire moederondernemingen, indien zij geen deelneming houden in ten minste één verzekerings- of herverzekeringsdochteronderneming met hoofdkantoor in de Unie, voor de berekening van de groepssolvabiliteit niet als verzekeringsholdings behandeld, hoewel de aard van hun risico’s zeer vergelijkbaar is. De regels moeten dus zodanig worden gewijzigd dat dergelijke holdings van verzekerings- of herverzekeringsondernemingen van derde landen voor de berekening van de groepssolvabiliteit op dezelfde wijze worden behandeld als verzekeringsholdings.

(66) Richtlijn 2009/138/EG en Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/35 van de Commissie 27 voorzien in vier methoden voor het opnemen in de berekening van de groepssolvabiliteit van ondernemingen die tot andere financiële sectoren behoren, waaronder de methoden 1 en 2 van bijlage I bij Richtlijn 2002/87/EG. Dit leidt tot inconsistente toezichtbenaderingen en een ongelijk speelveld en brengt onnodige complexiteit mee. Daarom moeten de regels zodanig worden vereenvoudigd dat ondernemingen die tot andere financiële sectoren behoren, altijd aan de solvabiliteit van de groep bijdragen, door de desbetreffende sectorale voorschriften voor de berekening van het eigen vermogen en de kapitaalvereisten te gebruiken. Dat eigen vermogen en die kapitaalvereisten moeten eenvoudigweg worden opgeteld bij het eigen vermogen en de kapitaalvereisten van het verzekerings- en herverzekeringsgedeelte van de groep.

(67) Volgens de huidige regels krijgen deelnemende verzekerings- en herverzekeringsondernemingen beperkte mogelijkheden om vereenvoudigde berekeningen te gebruiken om hun groepssolvabiliteit te bepalen wanneer methode 1, de methode op basis van consolidatie van jaarrekeningen, wordt gebruikt. Dit zorgt voor onevenredige lasten, met name wanneer groepen deelnemingen hebben in verbonden ondernemingen die zeer klein zijn. Daarom moet het deelnemende ondernemingen worden toegestaan verbonden ondernemingen waarvan de omvang niet van materieel belang is, na voorafgaande goedkeuring door de toezichthouder via vereenvoudigde benaderingen in hun groepssolvabiliteit op te nemen.

(68) Het begrip “bezwaring” waarmee bij de indeling van eigenvermogensbestanddelen in tiers rekening moet worden gehouden, is niet gespecificeerd. Het is met name onduidelijk hoe dat begrip van toepassing is op verzekeringsholdings en gemengde financiële holdings die geen verzekeringnemers en begunstigden als directe cliënten hebben. Er moeten dus minimumcriteria worden ingevoerd om te kunnen bepalen wanneer een door een verzekeringsholding of een gemengde financiële holding uitgegeven eigenvermogensbestanddeel niet bezwaard is.

(69) Het geheel van ondernemingen waarmee rekening moet worden gehouden bij de berekening van de ondergrens voor het solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep, moet stroken met het geheel van ondernemingen die bijdragen aan het in aanmerking komend eigen vermogen dat beschikbaar is om het geconsolideerde solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep te dekken. Daarom moet bij de berekening van de ondergrens rekening worden gehouden met verzekerings- en herverzekeringsondernemingen van derde landen, verzekeringsholdings van derde landen en gemengde financiële holdings.

(70) De formule voor de berekening van het minimale geconsolideerde solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep kan ertoe leiden dat dit niet veel verschilt van of zelfs gelijk is aan het geconsolideerde solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep. In dergelijke gevallen kan het voorkomen dat het minimum niet wordt nageleefd hoewel de naleving van het geconsolideerde solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep wel gewaarborgd is. Een dergelijk onbedoeld gevolg moet worden vermeden. De berekeningsformule moet derhalve zodanig worden gewijzigd dat het minimale geconsolideerde solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep, net als voor individuele verzekerings- en herverzekeringsondernemingen, nooit hoger is dan 45 % van het geconsolideerde solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep.

(71) Voor de berekening van de groepssolvabiliteit moeten verzekeringsholdings en gemengde financiële holdings worden behandeld als verzekerings- of herverzekeringsondernemingen. Dit houdt in dat voor dergelijke ondernemingen theoretische kapitaalvereisten moeten worden berekend. Dergelijke berekeningen mogen echter nooit inhouden dat verzekeringsholdings en gemengde financiële holdings op individueel niveau aan die theoretische kapitaalvereisten moeten voldoen.

(72) Er is geen wettelijke bepaling waarin wordt gespecificeerd hoe de groepssolvabiliteit moet worden berekend wanneer een combinatie van methode 1 en methode 2 wordt gebruikt. Dit leidt tot inconsistente praktijken en onzekerheden, met name met betrekking tot de wijze van berekening van de bijdrage van via methode 2 opgenomen verzekerings- en herverzekeringsondernemingen aan het solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep. Daarom moet worden verduidelijkt hoe de groepssolvabiliteit moet worden berekend wanneer een combinatie van methoden wordt gebruikt. Om materiële verhogingen van de kapitaalvereisten te voorkomen, moet worden verduidelijkt dat voor de berekening van het geconsolideerde solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep geen kapitaaleis voor aandelenrisico mag worden toegepast op dergelijke deelnemingen. Om dezelfde reden mag de kapitaaleis voor het valutarisico alleen worden toegepast op de waarde van die deelnemingen die hoger is dan de solvabiliteitskapitaalvereisten van die verbonden ondernemingen. Deelnemende verzekerings- of herverzekeringsondernemingen moeten rekening kunnen houden met de diversificatie tussen die valutarisico’s en andere risico’s die ten grondslag liggen aan de berekening van het geconsolideerde solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep.

(73) Momenteel kunnen groepstoezichthouders drempels vaststellen waarboven intragroep- en risicoconcentratie significant worden geacht op basis van solvabiliteitskapitaalvereisten, technische voorzieningen, of beide. Andere risicogebaseerde kwantitatieve of kwalitatieve criteria, bijvoorbeeld in aanmerking komend eigen vermogen, kunnen echter ook geschikt zijn om de drempels te bepalen. Daarom moeten groepstoezichthouders over meer flexibiliteit beschikken bij het definiëren van een significante intragroeptransactie of een significante risicoconcentratie.

(74) Groepstoezichthouders kunnen belangrijke informatie missen over intragroeptransacties die volgens de huidige regels niet hoeven te worden gerapporteerd, met name die waarbij verzekerings- en herverzekeringsondernemingen van derde landen, verzekeringsholdings en gemengde financiële holdings betrokken zijn. De definitie van “te rapporteren intragroeptransacties” moet dus worden herzien. Daarnaast moeten groepstoezichthouders de bevoegdheid hebben om de definitie van “te rapporteren intragroeptransacties” beter af te stemmen op de specifieke kenmerken van elke groep.

(75) Verzekeringsholdings en gemengde financiële holdings kunnen moederondernemingen van verzekerings- of herverzekeringsgroepen zijn. In dat geval is de toepassing van het groepstoezicht vereist op basis van de geconsolideerde situatie van dergelijke holdings. Aangezien de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen die onder zeggenschap van dergelijke holdings staan, niet altijd in staat zijn de naleving van de vereisten inzake groepstoezicht te waarborgen, moet ervoor worden gezorgd dat de groepstoezichthouders passende toezicht- en handhavingsbevoegdheden hebben om de naleving van Richtlijn 2009/138/EG door groepen af te dwingen. Daarom moeten groepstoezichthouders, net als de wijzigingen die bij Richtlijn (EU) 2019/878 van het Europees Parlement en de Raad 28 in Richtlijn 2013/36/EG van het Europees Parlement en de Raad 29 zijn aangebracht voor kredietinstellingen en financiële instellingen, een aantal minimumbevoegdheden voor holdings hebben, waaronder algemene toezichtsbevoegdheden die voor het groepstoezicht op verzekerings- en herverzekeringsondernemingen van toepassing zijn.

(76) Wanneer verzekerings- en herverzekeringsondernemingen deel uitmaken van een groep waarvan de moederonderneming haar hoofdkantoor heeft in een derde land dat niet gelijkwaardig of tijdelijk gelijkwaardig wordt geacht overeenkomstig artikel 260 van Richtlijn 2009/138/EG, is het moeilijker om groepstoezicht uit te oefenen. Groepstoezichthouders kunnen besluiten zogenaamde “andere methoden” toe te passen overeenkomstig artikel 262 van die richtlijn. Die methoden zijn echter niet duidelijk omschreven, en het is niet zeker welke doelstellingen met die andere methoden moeten worden bereikt. Het doel van de andere methoden moet derhalve nader worden omschreven, met inbegrip van een minimumreeks maatregelen die de groepstoezichthouders in overweging moeten nemen.

(77) Bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/981 30 is een preferentiële behandeling ingevoerd voor langetermijnbeleggingen in aandelen. Voor de looptijdgebaseerde ondermodule aandelenrisico, die ook tot doel heeft het lagere risico van beleggingen over een langere tijdshorizon weer te geven, maar in de Unie zeer beperkt wordt gebruikt, gelden strengere criteria dan voor langetermijnbeleggingen in aandelen. Daarom lijkt de nieuwe prudentiële categorie langetermijnbeleggingen in aandelen de bestaande looptijdgebaseerde ondermodule aandelenrisico overbodig te maken. Aangezien het niet nodig is twee verschillende preferentiële behandelingen te handhaven die hetzelfde doel van het belonen van langetermijnbeleggingen hebben, moet de looptijdgebaseerde ondermodule aandelenrisico worden geschrapt. Om echter te voorkomen dat die wijzigingen nadelige gevolgen hebben, moet een grandfatheringclausule worden opgenomen met betrekking tot verzekeraars die momenteel de looptijdgebaseerde ondermodule aandelenrisico toepassen.

(78) Om de milieu- en klimaatambities van de Green Deal te verwezenlijken, moeten grote bedragen aan investeringen van de particuliere sector, inclusief verzekerings- en herverzekeringsmaatschappijen, naar duurzame beleggingen worden gekanaliseerd. De bepalingen van Richtlijn 2009/138/EG inzake kapitaalvereisten mogen duurzame beleggingen door verzekerings- en herverzekeringsondernemingen niet in de weg staan, maar moeten het volledige risico weerspiegelen van beleggingen in activiteiten die schadelijk zijn voor het milieu. Hoewel er in dit stadium onvoldoende bewijs is van risicoverschillen tussen voor het milieu of de samenleving schadelijke beleggingen en andere beleggingen, kan dergelijk bewijs in de komende jaren beschikbaar komen. Om een passende beoordeling van het relevante bewijsmateriaal te waarborgen, moet de EIOPA het bewijsmateriaal over het risicoprofiel van voor het milieu of de samenleving schadelijke beleggingen monitoren en hierover uiterlijk in 2023 verslag uitbrengen. Waar nodig moet het verslag van de EIOPA advies verstrekken over wijzigingen in Richtlijn 2009/138/EG en in de krachtens die richtlijn vastgestelde gedelegeerde handelingen en uitvoeringshandelingen. De EIOPA kan ook nagaan of het passend zou zijn rekening te houden met andere milieurisico’s dan die welke verband houden met klimaatverandering, en zo ja, op welke wijze. Als er aanwijzingen zijn dat dit het geval is, zou de EIOPA bijvoorbeeld kunnen analyseren of het nodig is de scenarioanalyses die bij deze richtlijn worden ingevoerd in de context van aan klimaatverandering gerelateerde risico’s, uit te breiden tot andere milieurisico’s.

(79) Klimaatverandering zal zeker gedurende de komende decennia gevolgen blijven hebben voor de frequentie en ernst van natuurrampen, die waarschijnlijk verder zullen verergeren als gevolg van aantasting en vervuiling van het milieu. Dit kan ook leiden tot wijziging van de blootstelling van verzekerings- en herverzekeringsondernemingen aan het natuurrampenrisico en tot ongeldigheid van de in Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/35 opgenomen standaardparameters voor het natuurrampenrisico. Om ervoor te zorgen dat er geen aanhoudende discrepantie is tussen de standaardparameters voor het natuurrampenrisico en de werkelijke blootstelling van verzekerings- en herverzekeringsondernemingen aan dergelijke risico’s, moet de EIOPA het toepassingsgebied van de module natuurrampenrisico en de kalibratie van de standaardparameters ervan regelmatig herzien. Hierbij moet de EIOPA rekening houden met het meest recente beschikbare bewijs uit de klimaatwetenschap, en wanneer discrepanties worden ontdekt, moet zij dienovereenkomstig een advies indienen bij de Commissie.

(80) De vereisten van artikel 308 ter, lid 12, van Richtlijn 2009/138/EG moeten worden gewijzigd om te zorgen voor consistentie met het bancaire kader en een gelijk speelveld bij de behandeling van blootstellingen aan centrale regeringen of centrale banken van de lidstaten luidende en gefinancierd in de nationale valuta van een lidstaat. Om deze reden moet een grandfatheringregeling voor dergelijke blootstellingen worden ingevoerd om de betrokken blootstellingen vrij te stellen van kapitaalvereisten voor spread- en marktconcentratierisico, mits die blootstellingen vóór 1 januari 2020 zijn aangegaan.

(81) In sommige gevallen zijn verzekerings- of herverzekeringsgroepen sterk afhankelijk van het gebruik van de overgangsmaatregel inzake risicovrije rentevoeten en van de overgangsmaatregel inzake technische voorzieningen. Dit kan een verkeerd beeld geven van de feitelijke solvabiliteitspositie van de groep. Daarom moet van verzekerings- of herverzekeringsgroepen worden verlangd dat zij het effect op hun solvabiliteitspositie openbaar maken van de aanname dat uit die overgangsmaatregelen afkomstig eigen vermogen niet beschikbaar is om het solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep te dekken. De toezichthoudende autoriteiten moeten ook de bevoegdheid hebben passende maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat het gebruik van de maatregelen de financiële positie van de groep adequaat weerspiegelt. Die maatregelen mogen echter geen invloed hebben om het gebruik door verbonden verzekerings- of herverzekeringsondernemingen van die overgangsmaatregelen bij de berekening van hun individuele solvabiliteitskapitaalvereiste.

(82) Richtlijn 2009/138/EG voorziet in overgangsmaatregelen voor risicovrije rentevoeten en technische voorzieningen die door toezichthoudende autoriteiten moeten worden goedgekeurd en die van toepassing zijn op vóór 2016 gesloten overeenkomsten die aanleiding geven tot verzekerings- en herverzekeringsverplichtingen. Hoewel de overgangsmaatregelen ondernemingen moeten aanmoedigen om zo snel mogelijk aan die richtlijn te voldoen, zal de toepassing van overgangsmaatregelen die voor het eerst lang na 2016 worden goedgekeurd, het traject naar naleving van die richtlijn waarschijnlijk vertragen. Goedkeuring van het gebruik van die overgangsmaatregelen moet derhalve worden beperkt tot gevallen waarin een verzekerings- of herverzekeringsonderneming voor het eerst aan de voorschriften van Richtlijn 2009/138/EG wordt onderworpen en gevallen waarin een onderneming een portefeuille verzekerings- of herverzekeringsovereenkomsten heeft aanvaard en de overdragende onderneming vóór de overdracht een overgangsmaatregel toepaste op de verplichtingen in verband met die portefeuille.

(83) Het Verenigd Koninkrijk is per 1 februari 2020 een derde land geworden en het Unierecht is per 31 december 2020 opgehouden van toepassing te zijn op en in het Verenigd Koninkrijk. Aangezien Richtlijn 2009/138/EG verschillende bepalingen bevat die betrekking hebben op de specifieke kenmerken van bepaalde lidstaten, zijn dergelijke bepalingen, wanneer zij specifiek betrekking hebben op het Verenigd Koninkrijk, nu achterhaald en moeten derhalve worden geschrapt.

(84) Richtlijn 2009/138/EG moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd.