| dossier | COM(1998)370 - Gemeenschappelijke wijnmarktordening. |
|---|---|
| bron | COM(1998)370 |
| datum | 16-07-1998 |
Gezien het advies van het Comité van de Regio's,
Overwegende dat de werking en de ontwikkeling van de gemeenschappelijke markt voor landbouwproducten met de totstandkoming van een gemeenschappelijk landbouwbeleid gepaard moeten gaan, hetwelk met name een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten dient te omvatten die naar gelang van het product verscheidene vormen kan aannemen;
Overwegende dat het gemeenschappelijk landbouwbeleid ten doel heeft de in artikel 39 van het Verdrag vervatte doeleinden te bereiken en, met name voor de wijnsector, de markten te stabiliseren en voor de betrokken landbouwbevolking een redelijke levensstandaard te waarborgen; dat deze doelstellingen kunnen worden bereikt door de productie aan de behoeften aan te passen, met name door een op aanpassing van het wijnbouwpotentieel en een op kwaliteit gericht beleid te voeren;
Overwegende dat de huidige opzet van de gemeenschappelijke marktordening voor wijn bij Verordening (EEG) nr. 822/87 van de Raad (1), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2087/97 (2), is vastgesteld; dat de ervaring uitwijst dat het dienstig zou zijn deze te vervangen, teneinde rekening te houden met de huidige situatie in de wijnsector en met name met het feit dat er minder structurele overschotten zijn, maar dat de mogelijkheid van een aantal jaren optredende overschotten blijft bestaan, vooral als gevolg van het aan deze sector inherente verschijnsel van intense productieschommelingen dat zich van de ene oogst op de andere voordoet;
Overwegende dat de uitvoering van de overeenkomsten van de Uruguay-ronde in 1995 heeft geleid tot zowel een meer open markt van de Gemeenschap, waarin de traditionele interventiemaatregelen veel van hun doeltreffendheid hebben ingeboet, als minder mogelijkheden voor gesubsidieerde uitvoer, hetgeen de producten in de Gemeenschap ertoe noopt concurrerender te worden; dat de meeste uitvoer reeds zonder subsidie geschiedt;
Overwegende dat het belangrijkste probleem waarmee de wijnsector in bepaalde gebieden van de Gemeenschap thans te kampen heeft, in de beperkte capaciteit van die gebieden is gelegen om zich snel genoeg aan wijzigingen in de concurrentiesituatie, zowel op de communautaire markt als op die van derde landen, aan te passen; dat de huidige gemeenschappelijke marktordening geen oplossing heeft gebracht voor wijn producerende gebieden waarvan de productie duidelijk geen lonende afzetmarkten kan vinden; dat voor die gebieden die groeimarkten kennen, er onvoldoende flexibiliteit heeft bestaan om ruimte voor groei te bieden;
Overwegende dat de Commissie in 1994 een voorstel voor een hervorming van de gemeenschappelijke ordening van de wijnmarkt heeft voorgesteld, dat echter geen goedkeuring heeft verkregen; dat in de marktsituatie sedertdien verandering is opgetreden;
Overwegende dat zich daarom een hervorming van de gemeenschappelijke ordening van de wijnmarkt opdringt om de nodige flexibiliteit te scheppen voor een vlotte aanpassing aan nieuwe ontwikkelingen, met de volgende ruime doeleinden: behoud van het verbeterde evenwicht tussen vraag en aanbod op de markt van de Gemeenschap; de producten de mogelijkheid bieden van groeimarkten te profiteren; de sector in staat stellen zijn concurrentiepositie op langere termijn te verbeteren; afschaffing van interventie als kunstmatige afzetmogelijkheid voor overschotten; behoud van alle traditionele afzetmogelijkheden voor drinkalcohol en voor op de wijnstok gebaseerde producten; benutting van de mogelijkheden van regionale verscheidenheid en vaststelling van officiële regels voor de potentiële rol van producentenorganisaties en interprofessionele (of gelijkwaardige) organisaties;
Overwegende dat Verordening (EEG) nr. 822/87 is aangevuld en ten uitvoer gelegd bij de Verordeningen van de Raad (EEG) nr. 346/79 (3), (EEG) nr. 351/79 (4), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EEG) nr. 1029/91 (5); (EEG) nr. 460/79 (6), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EEG) nr. 3805/85 (7); (EEG) nr. 456/80 (8), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EEG) nr. 1597/83 (9); (EEG) nr. 457/80 (10); (EEG) nr. 458/80 (11), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EEG) nr. 596/91 (12); (EEG) nr. 1873/84 (13), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2612/97 (14); (EEG) nr. 895/85 (15), gewijzigd bij Verordening (EEG) nr. 3768/85 (16); (EEG) nr. 823/87 (17), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1426/96 (18); (EEG) nr. 1442/88 (19), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 191/98 (20); (EEG) nr. 3877/88 (21); (EEG) nr. 4252/88 (22), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1419/97 (23); (EEG) nr. 2046/89 (24), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2468/96 (25); (EEG) nr. 2048/89 (26); (EEG) nr. 2389/89 (27), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2088/97 (28); (EEG) nr. 2390/89 (29), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2611/97 (30); (EEG) nr. 2391/89 (31); (EEG) nr. 2392/89 (32), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1427/96 (33); (EEG) nr. 3677/89 (34), laatstelijk bij Verordening (EG) nr. 2796/94 (35); (EEG) nr. 3895/91 (36); (EEG) nr. 2332/92 (37), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1419/97, en (EEG) nr. 2333/92 (38), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1429/96 (39); dat deze verordeningen een aantal malen ingrijpend zijn gewijzigd; dat aangezien opnieuw wijzigingen dienen te worden aangebracht, deze verordeningen voor de duidelijkheid een algehele omwerking dienen te ondergaan en in één enkele tekst dienen te worden samengebracht;
Overwegende dat in Verordening (EEG) nr. 822/87 is bepaald dat de Raad de algemene bepalingen voor de toepassing ervan vaststelt; dat hierdoor een ingewikkelde wetgevingsstructuur is ontstaan; dat de vorenvermelde verordeningen zeer veel technische details bevatten die veelvuldige aanpassing vergden; dat daarom in de onderhavige verordening in het algemeen alle nodige raambepalingen voor de toepassing ervan dienen te worden opgenomen; dat de Raad overeenkomstig artikel 155 van het Verdrag alle nodige bevoegdheden voor de tenuitvoerlegging aan de Commissie dient te verlenen;
Overwegende dat de bepalingen van de gemeenschappelijke ordening van de wijnmarkt buitengewoon ingewikkeld zijn; dat in sommige gevallen daarin niet voldoende rekening is gehouden met regionale verscheidenheid; dat de bepalingen derhalve zoveel mogelijk dienen te worden vereenvoudigd en dat, binnen een communautair raam, ontwikkeling en tenuitvoerlegging van het beleid zo na mogelijk bij de producent dienen te geschieden;
Overwegende dat, om het verbeterde marktevenwicht te benutten en dit te consolideren en om voor verschillende soorten producten het aanbod beter op de vraag af te stemmen, een raam van maatregelen voor het beheer van het wijnbouwpotentieel dient te worden vastgesteld dat aanplantbeperkingen voor de middellange termijn, premies voor de definitieve stopzetting van wijnbouw en steun voor de omschakeling van wijngaarden omvat;
Overwegende dat structuurmaatregelen die niet rechtstreeks met de wijnproductie verband houden binnen de werkingssfeer van Verordening (EG) nr. . . . van de Raad . . . [betreffende steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Ontwikkelings- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL) (40) dienen te vallen; dat afzetbevorderende maatregelen een aanzienlijke bijdrage tot de concurrentiekracht van de sector leveren; dat met name de bevordering van de afzet van communautaire wijn op de markten van derde landen dient te worden gestimuleerd; dat evenwel met het oog op de samenhang met het algemene beleid van de Gemeenschap inzake afzetbevordering dergelijke de wijnsector betreffende maatregelen binnen de werkingssfeer van Verordening (EG) nr. . . . van de Raad van . . . [algemene verordening afzetbevordering] (41) dienen te vallen;
Overwegende dat de verbetering van het marktevenwicht slechts betrekkelijk langzaam en met moeite is bereikt; dat is gebleken dat de bestaande aanplantbeperkingen voor dat resultaat een essentiële factor zijn geweest; dat het in het licht van de ervaring niet mogelijk lijkt andere maatregelen toe te passen om het verbeterde marktevenwicht te benutten en te consolideren; dat het daarom in het algemeen belang dienstig voorkomt het gebruik van de eigendom van de wijnproducent op die wijze aan banden te leggen;
Overwegende dat de bestaande aanplantbeperkingen daarom voor een tot de middellange termijn beperkte periode dienen te worden gehandhaafd totdat het volledige spectrum van structurele maatregelen effect kan sorteren; dat derhalve tot en met 31 juli 2010 elke aanplant van wijnstokken dient te worden verboden, tenzij in deze verordening anders is bepaald;
Overwegende dat is gebleken dat de bestaande toelating voor nieuwe aanplant voor het kweken van moederplanten, ruilverkaveling en onteigening, wijnbouwexperimenten, niet op de markt gebrachte productie en het kweken van entwijnstokken, de wijnmarkt niet ernstig blijkt te hebben verstoord en derhalve dient te worden gehandhaafd, mits de nodige controles worden verricht;
Overwegende dat de bestaande toelating tot nieuwe aanplant voor de productie van in bepaalde gebieden voortgebrachte kwaliteitswijn, hierna 'v.q.p.r.d.' genoemd, en van met een geografische aanduiding omschreven tafelwijn een belangrijk bestanddeel van het kwaliteitsbeleid is gebleken dat is ontworpen om het aanbod beter op de vraag af te stemmen; dat evenwel, wanneer eenmaal een regeling van reserves van aanplantrechten volledig operationeel is, daarmee het vorenvermelde doel moet kunnen worden bereikt; dat de bestaande toelating derhalve, mits de nodige controles worden verricht, voor een overgangsperiode die zich uitstrekt tot en met 31 juli 2003 dient te worden behouden, op welke datum de reserveregeling volledig operationeel behoort te zijn;
Overwegende dat de bestaande toelating voor herbeplanting met wijnstokken noodzakelijk is om een normale vernieuwing van uitgeputte wijngaarden mogelijk te maken; dat derhalve de bestaande regeling, mits de nodige controles worden verricht, dient te worden behouden; dat voor meer flexibiliteit van de regeling, mits de nodige controles worden verricht, eveneens de verwerving en het gebruik van herbeplantingsrechten nog vóórdat de daarmee samenhangende rooiing geschiedt, dienen te worden toegestaan; dat in het raam van eerdere communautaire of nationale wetgeving verworven herbeplantingsrechten dienen te worden geëerbiedigd; dat het mogelijk dient te worden om herbeplantingsrechten aan een ander bedrijf over te dragen, mits de nodige controles worden verricht en deze overdracht voor doeleinden geschiedt die niet tot overmatige verstoring van de markt leiden of in het raam van een op kwaliteit gericht beleid passen, dan wel met de overdracht van een deel van het bedrijf samenhangen;
Overwegende dat om het beheer van het wijnbouwpotentieel te verbeteren en om een efficiënt gebruik van de aanplantrechten te bevorderen en zodoende de gevolgen van de aanplantbeperking te verzachten een regeling van nationale of van regionale reserves dient te worden ingevoerd;
Overwegende dat de lidstaten bij het beheer van de reserves ruimschoots vrijheid dient te worden gelaten, mits de nodige controles worden verricht, teneinde hen in staat te stellen om het gebruik van de rechten uit de reserve beter op de plaatselijke behoeften af te stemmen; dat dit ook de mogelijkheid tot aankoop van aanplantrechten om de reserve te vormen en tot verkoop van aanplantrechten uit de reserve dient te omvatten;
Overwegende dat de toekenning van specifieke voordelen aan jonge landbouwers niet alleen hun vestiging, maar ook de structurele aanpassing van hun bedrijf na hun eerste vestiging kan vergemakkelijken; dat zij derhalve in aanmerking dienen te komen om rechten uit de reserve om niet te verkrijgen;
Overwegende dat, om te waarborgen dat de middelen op de doeltreffendste wijze worden gebruikt en om het aanbod beter op de vraag af te stemmen, de aanplantrechten binnen een redelijke termijn door de houders ervan dienen te worden benut, en anders aan de reserves dienen te worden overgedragen; dat aan de reserves overgedragen rechten om dezelfde redenen binnen een redelijke termijn dienen te worden toegewezen;
Overwegende dat in het licht van het verbeterde marktevenwicht en van de groeiende wereldmarkt een toename van de aanplantrechten, die aan de reserves dient te worden overgedragen, gerechtvaardigd kan zijn, mits de aan deze rechten gekoppelde productie op de vraag wordt afgestemd; dat deze toename dient te worden verminderd in de mate waarin rechten voor nieuwe aanplant om andere redenen zijn toegekend en in de mate waarin de status van onrechtmatig beplante oppervlakten wordt geregulariseerd;
Overwegende dat niettegenstaande de bestaande aanplantbeperkingen, oppervlakten in strijd daarmee zijn aangeplant; dat de bestaande sancties, die bedoeld zijn om ervoor te zorgen dat de producten van dergelijke oppervlakten de wijnmarkt niet verstoren, moeilijk ten uitvoer te leggen zijn gebleken; dat daarom onwettig beplante oppervlakten dienen te worden gerooid; dat deze maatregel voor elke onwettige aanplant na de bekendmaking van het voorstel voor deze verordening dient te gelden, aangezien de wijnbouwers vanaf dat tijdstip van het voornemen tot invoering van deze maatregel kennis hebben kunnen nemen;
Overwegende dat het, onverminderd eventuele bestaande nationale maatregelen, om redenen van rechtszekerheid niet mogelijk is om op communautair niveau voor oppervlakten die in strijd met die beperkingen vóór de bekendmaking van het voorstel voor deze verordening zijn aangeplant, de rooiingsmaatregel op te leggen; dat daarom, voor een betere beheersing van het wijnbouwpotentieel, de lidstaten gedurende een bepaalde termijn de mogelijkheid dient te worden geboden de status van dergelijke oppervlakten te regulariseren; dat voor deze regularisering een onderscheid kan worden gemaakt tussen oppervlakten die onwettig zijn herbeplant en die welke onwettig nieuw zijn aangeplant, omdat in dit laatste geval de kans op productietoename groter is;
Overwegende dat de lidstaten in staat dienen te worden gesteld om met plaatselijke omstandigheden rekening te houden en daarom zo nodig strengere bepalingen voor nieuwe aanplant en herbeplanting zouden moeten kunnen vaststellen;
Overwegende dat er gebieden zijn waar de productie niet op de vraag is afgestemd; dat om een betere afstemming in de sector als geheel te bevorderen, de definitieve stopzetting van de wijnbouw in dergelijke gebieden dient te worden aangemoedigd; dat daartoe een premie dient te worden toegekend; dat het aan de lidstaten dient te worden overgelaten om deze premieregeling te beheren binnen een communautair raam en mits de nodige controles worden verricht, teneinde de premie beter op de betrokken gebieden te kunnen richten; dat zij daarom met name de betrokken gebieden zouden moeten kunnen aanwijzen en de hoogte van de premies zouden moeten kunnen bepalen aan de hand van objectieve criteria en binnen een algemeen steunplafond;
Overwegende dat de productie in die lidstaten waar minder dan 25 000 hectoliter wijn per jaar wordt geproduceerd, geen belangrijke invloed op het marktevenwicht heeft; dat deze lidstaten derhalve van de aanplantbeperkingen dienen te worden vrijgesteld, maar daarentegen de premie voor definitieve stopzetting van de wijnbouw voor deze lidstaten niet open dient te staan;
Overwegende dat er andere gebieden zijn waar de productie niet op de vraag is afgestemd, maar waar een betere afstemming zou kunnen worden bereikt door herstructurering van wijngaarden door middel van omschakeling op andere rassen, door de aanleg van wijngaarden op andere plaatsen of door verbetering van de wijnbouwtechnieken; dat daarvoor derhalve steun dient te worden verleend, mits de nodige controles worden verricht;
Overwegende dat, om te waarborgen dat deze omschakeling ordelijk verloopt, de uitvoering ervan op programma's dient te berusten; dat deze programma's, om te waarborgen dat met regionale verscheidenheid rekening wordt gehouden, op een zich zo dicht mogelijk bij de producent bevindend niveau dienen te worden opgesteld, hetgeen derhalve door de lidstaten, de regio's, de interprofessionele of de producentenorganisaties dient te geschieden; dat de lidstaten evenwel de verantwoordelijkheid voor de overeenstemming van de programma's met de wetgeving van de Gemeenschap dienen te behouden;
Overwegende dat herstructurering voor de producent in financieel opzicht twee hoofdconsequenties heeft, namelijk inkomstenderving tijdens de omschakelingsperiode en concrete omschakelingskosten; dat de steun derhalve deze beide gevolgen dient te dekken;
Overwegende dat het voor een beter beheer van het wijnbouwpotentieel wenselijk is dat de lidstaten een inventaris van dit potentieel samenstellen; dat om de lidstaten daartoe aan te moedigen, de mogelijkheid tot regularisatie van onwettig beplante oppervlakten, de toename van aanplantrechten en de omschakelingssteun voor die lidstaten dienen te worden gereserveerd, die de inventaris hebben opgesteld;
Overwegende dat de indeling van de wijnstokrassen een taak is die het best zo na mogelijk bij de producent dient te geschieden; dat de lidstaten deze taak derhalve van de Gemeenschap dienen over te nemen;
Overwegende dat Verordening (EEG) nr. 2392/86 van de Raad (42) betreffende het communautaire wijnbouwkadaster, laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1596/96 (43), van kracht dient te blijven om de lidstaten waar de samenstelling ervan nog niet is beëindigd, in staat te stellen deze taak te voltooien; dat evenwel in de mogelijkheid dient te worden voorzien om die verordening nadien te wijzigen of in te trekken;
Overwegende dat het voor het behoud van marktevenwicht dienstig is in steun voor particuliere opslag van tafelwijn en van bepaalde soorten druivenmost te voorzien; dat de maatregel zo soepel mogelijk dient te worden toegepast en zo nauw mogelijk op de marktontwikkelingen dient aan te sluiten; dat het daartoe met name mogelijk dient te zijn om de toepassing van die maatregel op korte termijn te beëindigen;
Overwegende dat, om te voorkomen dat interventie als een kunstmatige afzetmogelijkheid voor productieoverschotten blijft voortbestaan, terwijl alle traditionele afzetmogelijkheden voor drinkalcohol en voor op de wijnstok gebaseerde producten behouden blijven, de distillatieregeling dient te worden gewijzigd; dat daarom de volgende vormen van distillatie dienen te worden gehandhaafd: verplichte distillatie van bijproducten van de wijnbereiding, verplichte distillatie van wijn bereid uit druiven die niet uitsluitend als druiven van wijndruivenproducerende rassen zijn ingedeeld, een distillatiemaatregel ter voorziening van de drinkalcoholmarkt en een crisisdistillatiemaatregel; dat andere vormen van distillatie dienen te worden afgeschaft; dat deze maatregelen zo soepel mogelijk dienen te zijn om aan de behoeften van de markt en aan specifieke regionale omstandigheden tegemoet te komen;
Overwegende dat, gezien de povere kwaliteit van door intense persing verkregen wijn, deze bewerking dient te worden verboden; dat ter voorkoming daarvan in de verplichting dient te worden voorzien tot distillatie van druivendraf en van wijnmoer en/of in de verplichting tot distillatie van de bijproducten van de wijnbereiding of tot het onder bepaalde voorwaarden onder toezicht uit de markt nemen ervan;
Overwegende dat de productie van wijn uit druiven die niet uitsluitend als druiven van wijndruivenproducerende rassen zijn ingedeeld, vooral op traditionele gebruiken in de sector gedistilleerd en op andere traditionele afzetmogelijkheden dient te worden gericht; dat dient te worden bepaald dat dergelijke wijn die boven de normale, voor deze gebruiksdoeleinden geproduceerde hoeveelheden is geproduceerd, verplicht dient te worden gedistilleerd;
Overwegende dat de drinkalcoholmarkt een belangrijk traditioneel afzetgebied voor wijn en wijnbouwproducten is; dat de Gemeenschap derhalve voor de distillatie van tafelwijn en van wijn die geschikt is om tafelwijn op te leveren, steun dient te verlenen om deze markt te bevoorraden, en wel in de vorm van een primaire steun, uitgekeerd voor de distillatie en een secundaire steun, uitgekeerd voor de opslag van het verkregen distillaat;
Overwegende dat om rekening te houden met uitzonderlijke gevallen van verstoring van de markt en met ernstige kwaliteitsproblemen een crisisdistillatiemaatregel dient te worden vastgesteld; dat het niveau en de vorm van de steun door de Commissie dienen te worden vastgesteld om met specifieke situaties rekening te houden; dat de maatregel voor producenten facultatief dient te zijn;
Overwegende dat de afzet van de door distillatie verkregen alcohol op een zodanige wijze dient te geschieden dat een grotere doorzichtigheid en een betere controle mogelijk wordt en verstoring van de traditionele markten voor alcohol kan worden vermeden;
Overwegende dat thans, wegens de verschillende oenologische procédés die bij deze verordening zijn toegestaan, de verhoging van het natuurlijke alcoholvolumegehalte niet door alle producenten van de Gemeenschap onder dezelfde economische voorwaarden wordt uitgevoerd; dat om deze discriminatie op te heffen het gebruik van wijnstokproducten voor verrijking dient te worden gestimuleerd, waardoor de afzetmogelijkheden voor deze producten worden vergroot en de vorming van wijnoverschotten wordt vermeden; dat daartoe de prijzen van de onderscheiden, voor verrijking dienende producten op elkaar dienen te worden afgestemd; dat dit kan worden bereikt door de instelling van een steunregeling voor uit bepaalde gebieden komende geconcentreerde druivenmost en gerectificeerde geconcentreerde druivenmost die voor verrijking worden gebruikt;
Overwegende dat het, om een stabieler evenwicht tussen productie en gebruik tot stand te brengen, noodzakelijk blijft het gebruik van wijnstokproducten te doen toenemen; dat het verantwoord lijkt reeds in het stadium vóór de productie van tafelwijn in te grijpen en, door het gebruik van most voor bepaalde andere doeleinden dan wijnbereiding door steunverlening aan te moedigen, te waarborgen dat de communautaire wijnproducten hun traditionele afzetmarkten kunnen behouden; dat deze maatregel op een zodanige wijze dient te worden toegepast dat concurrentiedistorsies worden vermeden met inachtneming van traditionele productiemethoden;
Overwegende dat producenten die hun verplichtingen uit hoofde van de verplichte distillatiemaatregelen niet zijn nagekomen, van enige andere interventiemaatregel dienen te worden uitgesloten;
Overwegende dat ook in de mogelijkheid van maatregelen dient te worden voorzien in het geval van hoge prijzen op de markt van de Gemeenschap;
Overwegende dat, gezien de speciale kenmerken van de wijnmarkt, de oprichting van producentenorganisaties waarvan de leden tot inachtneming van bepaalde regels verplicht zijn, met name met betrekking tot het op de markt brengen, tot het bereiken van de doelstellingen van de gemeenschappelijke marktordening kan bijdragen; dat daarom in erkenning van de oprichting en de werking van dergelijke organisaties dient te worden voorzien; dat de aansluiting daarbij vrijwillig dient te zijn; dat deze haar nut dient te bewijzen aan de hand van de reikwijdte en de doeltreffendheid van de door de producentenorganisaties aan haar leden geboden diensten;
Overwegende dat het, om de werking van de producentenorganisaties of van groeperingen daarvan verder te versterken en de markt zoveel stabiliteit te geven als wenselijk is, de lidstaten dient te worden toegestaan om onder bepaalde voorwaarden de regels die de producentenorganisatie of de groepering daarvan voor haar leden voor het betrokken gebied heeft vastgesteld met betrekking tot, met name, productie, het op de markt brengen en milieubescherming, ook voor producenten-niet-leden in het gebied van die organisatie of groepering verbindend te verklaren; dat bepaalde kosten die uit deze verbindendverklaring voortvloeien, mits van die kosten naar behoren een rechtvaardiging wordt gegeven, de betrokken producenten moeten kunnen worden aangerekend daar zij van die verbindendverklaring voordeel genieten;
Overwegende dat op initiatief van door individuele of reeds samengaande marktdeelnemers opgerichte interprofessionele (of gelijkwaardige) organisaties, indien deze een aanzienlijk gedeelte van de verschillende beroepsgroepen in de wijnbouwsector vertegenwoordigen, ertoe kunnen bijdragen dat marktgerichter wordt gehandeld en een commerciële benadering kunnen bevorderen, hetgeen tot een verbetering zal leiden van de kennis over en zelfs van de organisatie van de productie, de aanbiedingsvorm en het op de markt afzetten van de producten; dat het, aangezien de actie van deze organisaties over het algemeen tot het bereiken van de doelstellingen van artikel 39 van het Verdrag, en in het bijzonder van die van deze verordening, kan bijdragen, mogelijk dient te zijn om, wanneer eenmaal de relevante taken zijn bepaald, aan die organisaties die hebben aangetoond in voldoende mate representatief te zijn, en die op de voornoemde doelstellingen gerichte acties voeren, een specifieke erkenning te geven;
Overwegende dat de door producentenorganisaties en groeperingen vastgestelde bepalingen met betrekking tot de verbindendverklaring en met betrekking tot het delen in de, uit die verbindendverklaring voortvloeiende kosten, ook voor interprofessionele (of gelijkwaardige) organisaties dienen te gelden aangezien de nagestreefde doelstellingen gelijkaardig zijn;
Overwegende dat, met het oog op een op kwaliteit gericht beleid, op communautair niveau de toegestane oecologische procédés en behandelingen dienen te worden vastgesteld die als enige voor de bereiding van de onder deze verordening begrepen producten mogen worden gebruikt; dat om dezelfde redenen moet worden bepaald dat voor menselijke consumptie bestemde wijn alleen uit druiven van wijndruiven producerende rassen mag worden bereid; dat om gelijkaardige redenen voor producten die voor menselijke consumptie in het verkeer worden gebracht, productspecificaties dienen te worden vastgesteld;
Overwegende dat bepaalde procédés en behandelingen, namelijk verrijking, aan- en ontzuring, in deze verordening dienen te worden geregeld; dat hetzelfde voor sommige productspecificaties geldt; dat de overige van dergelijke procédés, behandelingen en specificaties in uitvoeringsbepalingen dienen te worden geregeld, omdat zij dan in het licht van de ervaring en van de technologische vooruitgang eenvoudiger en vlotter te wijzigen zijn;
Overwegende dat in officieel toegestane methodes voor de analyse van producten van de wijnsector dient te worden voorzien;
Overwegende dat de omschrijving, de aanduiding en de aanbiedingsvorm van de onder deze verordening begrepen producten voor de verkoopbaarheid van deze producten op de markt belangrijke gevolgen kunnen hebben; dat hiervoor derhalve regels dienen te worden vastgesteld waarbij met de gewettigde belangen van consumenten en producenten rekening wordt gehouden en die tevens de soepele werking van de interne markt en de productie van kwaliteitsproducten bevorderen;
Overwegende dat de thans geldende bepalingen voor deze ondernemingen over een groot aantal verordeningen zijn verspreid, onvoldoende duidelijk zijn en samenhangendheid missen; dat deze voorschriften, ter bevordering van een grotere duidelijkheid, eenvoud en samenhang, in uitvoeringsbepalingen dienen te worden opgenomen met inachtneming van grondbeginselen die met name in het verplichte gebruik van bepaalde termen om het product aan te duiden, en in het facultatieve gebruik van andere termen voorzien, mits zij aan communautaire voorschriften beantwoorden of de juistheid ervan is aangetoond;
Overwegende dat het recht om geografische aanduidingen en andere traditionele termen te gebruiken waardevol is; dat derhalve regels dienen te worden vastgesteld die dit recht beheersen en in bescherming van deze termen voorzien; dat het ter wille van een eerlijke concurrentie en om de consument niet te misleiden, nodig kan zijn deze bescherming uit te breiden tot bepaalde, niet onder deze verordening begrepen producten, met inbegrip van die welke niet in bijlage II bij het Verdrag zijn opgenomen;
Overwegende dat het, gezien het consumentenbelang en de wenselijkheid om tot een gelijkwaardige behandeling van v.q.p.r.d. in derde landen te komen, dienstig is te bepalen dat wederkerige regelingen kunnen worden getroffen waarbij voor rechtstreekse menselijke consumptie ingevoerde wijnen met een geografische aanduiding die in de Gemeenschap op de markt worden afgezet eveneens voor deze beschermings- en controleregelingen in aanmerking komen;
Overwegende dat, om rekening te houden met de verplichtingen die voortvloeien uit, met name, de artikelen 23 en 24 van de bij Besluit 94/800/EG van de Raad (44) goedgekeurde Overeenkomst inzake handelsgerelateerde aspecten van de intellectuele eigendom, die een integrerend bestanddeel uitmaakt van de Overeenkomst tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie, dient te worden bepaald dat de betrokken partijen onder bepaalde voorwaarden onwettig gebruik moeten voorkomen van geografische aanduidingen die door een derde land lid van de WTO zijn beschermd;
Overwegende dat de ontwikkeling van een beleid dat kwaliteitsproductie in de landbouw, en meer in het bijzonder in de wijnbouw aanmoedigt, zeker tot verbetering van de voorwaarden op de markt en daarmee tot een toeneming van de afzetmogelijkheden zal bijdragen; dat de vaststelling van bijkomende gemeenschappelijke regels met betrekking tot de productie van en de controle op v.q.p.r.d. binnen het bestek van dit beleid valt en tot het bereiken van die doelstellingen kan bijdragen;
Overwegende dat, teneinde voor v.q.p.r.d. een minimumkwaliteitsnorm te handhaven, een ongebreidelde toeneming van de productie van dergelijke wijnen te vermijden en de bepalingen van de lidstaten te harmoniseren teneinde voorwaarden voor eerlijke mededinging binnen de Gemeenschap te scheppen, communautaire regels voor de productie van en de controle op v.q.p.r.d. dienen te worden vastgesteld waaraan de specifieke bepalingen van de lidstaten dienen te voldoen;
Overwegende dat, met inachtneming van traditionele productieomstandigheden, de aard en de draagwijdte van de factoren op basis waarvan elk van de v.q.p.r.d. kan worden onderscheiden, dienen te worden omschreven en opgesomd; dat ten aanzien van de kwaliteitseisen niettemin een gemeenschappelijke harmonisatie-inspanning dient te worden geleverd; dat deze factoren dienen te bestaan uit: de afbakening van het productiegebied, de wijnstokrassen, de teeltmethoden, de wijnbereidingsmethoden, het minimale natuurlijke alcoholgehalte, de opbrengst per hectare alsmede analyse en beoordeling van organoleptische kenmerken; dat voor in bepaalde gebieden voortgebrachte kwaliteitslikeurwijnen en voor in bepaalde gebieden voortgebrachte mousserende kwaliteitswijnen, wegens de bijzondere aard van deze producten bijzondere bepalingen dienen te worden vastgesteld;
Overwegende dat de ervaring heeft uitgewezen dat nauwkeurige regels dienen te worden vastgesteld voor de declassering van v.q.p.r.d. tot tafelwijnen; dat dient te worden bepaald in welke gevallen de producent de keuze heeft om niet te verzoeken dat een product dat in zijn oogst- of productieopgave als een product dat geschikt is om v.q.p.r.d. op te leveren staat vermeld, als v.q.p.r.d. in te delen;
Overwegende dat het met het oog op het behoud van de bijzondere kwaliteitskenmerken van v.q.p.r.d., de lidstaten dient te worden toegestaan om overeenkomstig loyale en traditionele gebruiken, voor de productie en het verkeer van v.q.p.r.d. bijkomende of strengere voorschriften toe te passen;
Overwegende dat de totstandbrenging van één enkele Gemeenschapsmarkt voor wijn gepaard dient te gaan met de invoering van een eenvormige regeling voor het handelsverkeer aan de buitengrenzen van de Gemeenschap; dat een regeling van het handelsverkeer die invoerrechten en uitvoerrestituties omvat, naast de maatregelen van de interne markt, in beginsel de communautaire markt dient te stabiliseren; dat de regeling van het handelsverkeer dient te berusten op de verbintenissen die tijdens de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguay-ronde zijn aangegaan;
Overwegende dat, om de omvang van de handel in wijn met derde landen te kunnen bewaken, voor bepaalde producten in een stelsel van invoer- en uitvoercertificaten dient te worden voorzien, waarin onder meer het stellen van een zekerheid wordt voorgeschreven om de uitvoering van de transacties waarvoor deze certificaten worden afgegeven, te garanderen;
Overwegende dat, om de nadelige uitwerking op de markt van de Gemeenschap die het gevolg kan zijn van invoer van bepaalde landbouwproducten te voorkomen of tegen te gaan, de invoer van een of meer van die producten aan een aanvullend invoerrecht dient te worden onderworpen, indien aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan;
Overwegende dat onder bepaalde voorwaarden aan de Commissie de bevoegdheid dient te worden verleend om uit de overeenkomstig het Verdrag gesloten internationale overeenkomsten of uit andere besluiten van de Raad voortvloeiende tariefcontingenten te openen en deze te beheren;
Overwegende dat de deelneming van de Gemeenschap aan de internationale handel in wijn dient te worden veiliggesteld door bepalingen waarbij restituties bij uitvoer naar derde landen worden toegekend die op de verschillen tussen prijzen in de Gemeenschap en die op de wereldmarkt zijn gebaseerd en die binnen de in de WTO-overeenkomst inzake de landbouw gestelde grenzen blijven; dat voor deze restituties beperkingen wat hoeveelheid en waarde betreft, dienen te gelden;
Overwegende dat bij de vaststelling van de restituties ervoor dient te worden gezorgd dat beperkingen in waarde in acht worden genomen en wel door toezicht op de betalingen overeenkomstig de voor het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw geldende voorschriften; dat het toezicht door middel van verplichte vaststelling vooraf van de restituties kan worden vergemakkelijkt, waarbij in het geval van gedifferentieerde restituties de mogelijkheid dient te worden geboden om binnen een geografisch gebied waarvoor één enkel restitutiebedrag geldt, de vermelde bestemming te wijzigen; dat bij wijziging van bestemming de voor de werkelijke bestemming geldende restitutie dient te worden uitgekeerd, met als maximum echter het bedrag dat voor de vooraf vastgestelde bestemming geldt;
Overwegende dat, om ervoor te zorgen dat de beperkingen in hoeveelheid in acht worden genomen, een betrouwbaar en effectief toezichtsysteem dient te worden ingesteld; dat hiertoe de toekenning van restituties aan een uitvoercertificaat dient te worden gekoppeld; dat restituties dienen te worden toegekend tot maximaal de hoeveelheden waarvoor dit in het raam van de beperkingen mogelijk is, afhankelijk van de specifieke situatie voor elk betrokken product; dat hierop uitsluitend uitzonderingen voor voedselhulp kunnen worden gemaakt, waarvoor geen enkele beperking geldt; dat het toezicht op de hoeveelheden die gedurende de verkoopseizoenen als bedoeld in de WTO-overeenkomst inzake de landbouw met restitutie worden uitgevoerd, aan de hand van de voor elk verkoopseizoen afgegeven uitvoercertificaten dient te worden uitgeoefend;
Overwegende dat, ter aanvulling van het bovenbeschreven stelsel en voorzover nodig voor de goede werking ervan, in de mogelijkheid dient te worden voorzien om de toepassing van de regeling 'actieve verdeling' voor te schrijven of, wanneer de marktsituatie zulks vereist, deze te verbieden;
Overwegende dat het stelsel van douanerechten het mogelijk maakt van alle andere beschermende maatregelen aan de buitengrenzen van de Gemeenschap af te zien; dat de voor de interne markt en de douanerechten geldende mechanismen echter in uitzonderlijke omstandigheden kunnen blijken te kort te schieten; dat, om de markt van de Gemeenschap in dergelijke gevallen tegen verstoringen die hieruit kunnen voortvloeien, niet zonder bescherming te laten, de Gemeenschap in staat dient te worden gesteld onverwijld alle vereiste maatregelen te nemen; dat deze maatregelen in overeenstemming moeten zijn met de verplichtingen die uit de desbetreffende WTO-overeenkomsten voortvloeien;
Overwegende dat voor producten die uit derde landen worden ingevoerd, voorschriften inzake bepaalde productspecificaties dienen te worden vastgesteld waardoor een zekere mate van evenwicht met de communautaire wijnen kan worden gewaarborgd; dat ingevoerde wijn ook dient te voldoen aan de voorschriften die in het land van oorsprong zijn vastgesteld en in bepaalde gevallen vergezeld dient te gaan van een analyseverslag;
Overwegende dat dient te worden bepaald dat alle onder deze verordening begrepen producten die zich binnen de Gemeenschap in het verkeer bevinden, van een begeleidend document vergezeld dienen te gaan;
Overwegende dat de toekenning van bepaalde steunmaatregelen de eenmaking van de markt in gevaar zou brengen; dat daarom de Verdragsbepalingen die het mogelijk maken steunmaatregelen van de lidstaten te beoordelen en de maatregelen die onverenigbaar zijn met de gemeenschappelijke markt te verbieden, van voor de gemeenschappelijke marktordening voor wijn van toepassing dienen te worden verklaard; dat de bepalingen inzake premies voor de definitieve stopzetting van wijnbouw op zich geen beletsel dienen te vormen voor de toekenning van nationale steun voor dezelfde doeleinden;
Overwegende dat, wegens de onvermijdelijke complexiteit van de bepalingen in de wijnsector, er in de lidstaten voor het doen naleven van deze bepalingen verantwoordelijke autoriteiten dienen te zijn; dat de Commissie met inschakeling van haar eigen inspecteurs op die naleving dient te kunnen toezien en deze dient te kunnen waarborgen;
Overwegende dat, naarmate de gemeenschappelijke wijnmarkt zich ontwikkelt, de lidstaten en de Commissie elkaar voor de toepassing van deze verordening de nodige gegevens dienen te verstrekken; dat de producenten van wijndruiven, van most en van wijn een oogstopgave zouden moeten indienen, aangezien daarmee noodzakelijke gegevens worden verschaft; dat de lidstaten van de producenten moeten kunnen verlangen dat zij hen aanvullende gegevens verstrekken; dat het de Commissie dient te worden toegestaan bij de beoordeling van de gegevens een beroep op externe medewerking te doen;
Overwegende dat, om de uitvoering van de voorgenomen maatregelen te vergemakkelijken, in een procedure dient te worden voorzien waarbij in het raam van een comité van beheer een nauwe samenwerking tussen de lidstaten en de Commissie tot stand wordt gebracht;
Overwegende dat de uitgaven die door de lidstaten worden gedaan als gevolg van de uit de toepassing van deze verordening voortvloeiende verplichtingen, door de Gemeenschap dienen te worden gefinancierd overeenkomstig Verordening (EG) nr. . . . van de Raad van . . . [betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid] (45);
Overwegende dat bij de gemeenschappelijke ordening van de wijnmarkt terzelfdertijd en op passende wijze met de in de artikelen 39 en 110 van het Verdrag vervatte doelstellingen rekening dient te worden gehouden;
Overwegende dat bij de toepassing van de gemeenschappelijke marktordening voor wijn ook rekening dient te worden gehouden met de overeenkomstig artikel 228, lid 2, van het Verdrag gesloten overeenkomsten, met name die welke deel uitmaken van de Overeenkomst tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie, en in het bijzonder het deel betreffende technische handelsbelemmeringen ervan;
Overwegende dat zich bij de overgang van de bij Verordening (EEG) nr. 822/87 en de andere verordeningen in de wijnsector vastgestelde regelingen naar die in de onderhavige verordening moeilijkheden zouden kunnen voordoen waarmee in de onderhavige verordening geen rekening is gehouden; dat met het oog op deze mogelijkheid dient te worden bepaald dat de Commissie de nodige overgangsmaatregelen dient vast te stellen; dat het de Commissie eveneens dient te worden toegestaan om specifieke praktische vraagstukken op te lossen,
Inhoud
- HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
- TITEL I WERKINGSSFEER
- Artikel 1
- TITEL II WIJNBOUWPOTENTIEEL
- HOOFDSTUK I AANPLANT VAN WIJNSTOKKEN
- Artikel 2
- Artikel 3
- d) waarvan de wijnstokproducten niet zijn bestemd om in de handel te worden gebracht, of
- Artikel 4
- a) worden overeenkomstig lid 2 toegekend, of
- Artikel 5
- a) om niet, aan producenten die jonger dan 40 jaar zijn, de nodige vakbekwaamheid en -kennis hebben en voor het eerst als bedrijfshoofd een wijnbouwbedrijf opstarten, of
- Artikel 6
- 3. De nieuwe rechten tot aanplant mogen slechts eenmaal aan de reserve(s) worden toegewezen.
- Artikel 7
- HOOFDSTUK II PREMIES VOOR DEFINITIEVE STOPZETTING
- Artikel 8
- d) het geproduceerde type wijn, en
- 5. Het premieniveau mag nader vast te stellen niveaus niet overtreffen.
- Artikel 9
- c) in de voorafgaande vijf wijnoogstjaren aangeplante wijngaardoppervlakten, en
- d) wijngaardoppervlakten waarvoor voor de herstructurering ervan in de voorafgaande vijf wijnoogstjaren financiering is verkregen.
- Artikel 10
- c) de in artikel 8, lid 5, bedoelde maximumpremiebedragen, en
- HOOFDSTUK III HERSTRUCTURERING
- Artikel 11
- c) een het milieu ten goede komende extensivering van de wijnbouw, en
- b) heraanleg van wijngaarden op andere plaatsen, en
- 4. Toegang tot de regeling staat slechts open in die gebieden van een lidstaat waarvoor deze lidstaat de in artikel 16 bedoelde inventaris van het wijnbouwpotentieel heeft opgesteld.
- Artikel 12
- c) producentenorganisaties, of
- 3. De plannen moeten aan de in dit hoofdstuk vervatte bepalingen en aan de uitvoeringsbepalingen ervan voldoen.
- Artikel 13
- a) vergoeding van de producenten voor hun met de uitvoering van het plan gemoeide inkomstenverlies, en
- a) toestemming om, ongeacht de bepalingen van deze titel, hoofdstuk I, gedurende een bepaalde periode van niet meer dan drie jaar zowel oude als nieuwe wijnstokken bijeen te laten voortbestaan, of
- Artikel 14
- Artikel 15
- c) bepalingen om te voorkomen dat de toepassing van dit hoofdstuk tot een toename van de productie leidt, en
- HOOFDSTUK IV INFORMATIE EN ALGEMENE BEPALINGEN
- Artikel 16
- c) de aan producenten en aan reserves toegewezen aanplant- en herbeplantingsrechten, en
- d) de ter uitvoering van in deze titel, hoofdstuk I, vastgestelde nationale bepalingen.
- Artikel 17
- c) de verkoop van de ontwikkeling van het wijnverbruik en van het verbruik van andere producten van de wijnsector die in de staat kunnen worden geconsumeerd, en
- 2. Om deze evaluaties te kunnen volbrengen, kan de Commissie een beroep doen op externe medewerking.
- Artikel 18
- Artikel 19
- 5. Wanneer wijnstokrassen uit de indeling worden geschrapt, moeten de wijnstokken van de betrokken rassen binnen 15 jaar na die schrapping worden gerooid.
- Artikel 20
- Wat het communautaire wijnbouwkadaster betreft, gelden de bepalingen van Verordening (EEG) nr. 2392/86.
- Artikel 21
- Artikel 22
- De lidstaten kunnen voor nieuwe aanplant van of herbeplanting met wijnstokken beperkende nationale bepalingen vaststellen.
- Artikel 23
- a) de vorm en de mate van gedetailleerdheid van de gegevens die voor de in artikel 16 bedoelde inventaris nodig zijn, en
- TITEL III MARKTMECHANISMEN
- HOOFDSTUK I STEUN VOOR PARTICULIERE OPSLAG
- Artikel 24
- b) uiterlijk op 30 november na de datum waarop het contract is gesloten.
- Artikel 25
- 4. Het steunbedrag voor geconcentreerde druivenmost mag worden aangepast aan de hand van een met de concentratiegraad overeenkomende coëfficiënt.
- Artikel 26
- e) de bepaling dat voor druivenmost en geconcentreerde druivenmost die voor de bereiding van druivensap zijn bestemd, geen langlopende opslagcontracten mogen worden gesloten, en
- a) de steunregeling voor de particuliere opslag niet wordt toegepast indien uit de marktsituatie blijkt dat toepassing van de regeling niet gerechtvaardigd is, en
- HOOFDSTUK II DISTILLATIE
- Artikel 27
- a) de verkregen producten van gezonde handelskwaliteit zijn, en
- 12. De leden 1 tot en met 11 gelden niet voor druivensap en geconcentreerd druivensap noch voor druivenmost of geconcentreerde druivenmost die voor de bereiding van druivensap bestemd is.
- Artikel 28
- a) de in een nader te bepalen referentieperiode geproduceerde hoeveelheden, en
- 7. Dit artikel is van toepassing onverminderd artikel 1, lid 2.
- Artikel 29
- 6. De bijkomende steun heeft de vorm van een uitkering voor de opslag van het verkregen product. Deze steun is bedoeld om de werking van de primaire steunregeling te vergemakkelijken.
- Artikel 30
- a) wegwerking van specifieke overschotsegmenten, en
- 4. De maatregel mag tot bepaalde wijncategorieën of tot bepaalde productiegebieden worden beperkt.
- Artikel 31
- Artikel 32
- 2. Op verzoek van de betrokken producent wordt de verlaging slechts toegepast binnen de grenzen van de hoeveelheden waarvan het alcoholgehalte is verhoogd als bedoeld in lid 1.
- Artikel 33
- e) de normaal geproduceerde hoeveelheden wijn, als bedoeld in artikel 28, lid 2, en
- HOOFDSTUK III STEUN VOOR DRUIVENMOSTGEBRUIK
- Artikel 34
- a) geconcentreerde druivenmost, en
- Artikel 35
- Artikel 36
- HOOFDSTUK IV ALGEMENE BEPALINGEN
- Artikel 37
- Artikel 38
- TITEL IV PRODUCENTENORGANISATIES EN BRANCHEORGANISATIES
- HOOFDSTUK I PRODUCENTENORGANISATIES
- Artikel 39
- Artikel 40
- Artikel 41
- a) administratiekosten die met de toepassing van de in lid 1 bedoelde regels gemoeid zijn, of
- HOOFDSTUK 2 INTERPROFESSIONELE ORGANISATIES
- Artikel 42
- viii) ontwikkeling van het potentieel van en bescherming van biologische landbouw, alsmede van oorsprongsbenamingen, kwaliteitslabels en geografische aanduidingen, en
- Artikel 43
- Artikel 44
- Artikel 45
- TITEL V OENOLOGISCHE PROCÉDÉS EN BEHANDELINGEN ALSMEDE PRODUCTSPECIFICATIES; OMSCHRIJVING, AANDUIDING, AANBIEDINGSVORM EN BESCHERMING
- HOOFDSTUK I OENOLOGISCHE PROCÉDÉS EN BEHANDELINGEN ALSMEDE PRODUCTSPECIFICATIES
- Artikel 46
- h) gedeeltelijk gegiste druivenmost van ingedroogde druiven.
- Artikel 47
- 3. De toegestane oenologische procédés en behandelingen alsmede de voorschriften betreffende de likeurwijnbereiding zijn vastgesteld in bijlage IV, deel I.
- Artikel 48
- Artikel 49
- c) producten als bedoeld in artikel 1, lid 2, die niet aan de definities in bijlage I beantwoorden.
- Artikel 50
- c) de toepassing van bijlage IV, delen C tot en met G, op producten die zijn geoogst in regio's van de Gemeenschap welke niet in de in bijlage III vermelde wijnbouwzones zijn genoemd, en
- i) een door de betrokken lidstaat toegestane analysemethode, of
- HOOFDSTUK II OMSCHRIJVING, AANDUIDING, AANBIEDINGSVORM EN BESCHERMING
- Artikel 51
- c) de soepele werking van de interne markt, en
- d) het gebruik van geografische aanduidingen en traditionele termen voor v. q. p. r. d. en bepaalde tafelwijnen regelen, en
- Artikel 52
- Artikel 53
- TITEL VI IN BEPAALDE GEBIEDEN VOORTGEBRACHTE KWALITEITSWIJN
- Artikel 54
- 6. De Commissie maakt de lijst bekend in de C-reeks van het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.
- Artikel 55
- Artikel 56
- i) te verzoeken om een product dat in zijn oogst- of productieopgave voorkomt als een product dat geschikt is om v. q. p. r. d. op te leveren, niet als v. q. p. r. d. in te delen, of
- i) wanneer de wijn van oorsprong is uit die lidstaat, of
- b) de wijn verboden behandelingen heeft ondergaan of niet wettig als v. q. p. r. d. is omschreven.
- Artikel 57
- Artikel 58
- TITEL VII REGELING VOOR HET HANDELSVERKEER MET DERDE LANDEN
- Artikel 59
- b) de geldigheidsduur van de certificaten en andere nadere bepalingen voor de toepassing van dit artikel.
- Artikel 60
- Artikel 61
- b) de overige criteria die voor de toepassing van lid 1 noodzakelijk zijn overeenkomstig artikel 5 van genoemde overeenkomst.
- Artikel 62
- b) de erkenning van het document aan de hand waarvan de onder a) bedoelde waarborgen kunnen worden gecontroleerd, en
- c) de voorwaarden voor de afgifte en de geldigheidsduur van de invoercertificaten.
- Artikel 63
- Artikel 64
- b) uit de Gemeenschap zijn uitgevoerd, en
- Artikel 65
- Artikel 66
- b) de toepassing van enige kwantitatieve beperking of maatregel van gelijke werking.
- Artikel 67
- Artikel 68
- 3. Nadere bepalingen voor de toepassing van dit artikel worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 75.
- Artikel 69
- TITEL VIII ALGEMENE, OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN
- Artikel 70
- Artikel 71
- Artikel 72
- d) betreffende sancties, en
- e) betreffende de bevoegdheden en verplichtingen van de aangewezen inspecteurs.
- Artikel 73
- Artikel 74
- Artikel 75
- De Raad kan binnen één maand met een gekwalificeerde meerderheid van stemmen een andersluidend besluit nemen.
- Artikel 76
- Het comité kan elk ander vraagstuk onderzoeken dat door zijn voorzitter, hetzij op diens initiatief, hetzij op verzoek van de vertegenwoordiger van een lidstaat, aan de orde wordt gesteld.
- Artikel 77
- 2. Deze verordening dient te worden toegepast met inachtneming van de verplichtingen die uit de overeenkomstig artikel 228, lid 2, van het Verdrag gesloten overeenkomsten voortvloeien.
- Artikel 78
- Artikel 79
- a) ter vergemakkelijking van de overgang van de regelingen waarin de in artikel 80 genoemde verordeningen voorzien naar de bij de onderhavige verordening vastgestelde regelingen, en
- Artikel 80
- Artikel 81
- Zij is van toepassing met ingang van 1 augustus 2000.
- Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
- BIJLAGE I
- DEFINITIES VAN PRODUCTTERMEN
- a) uit verse druiven of uit druivenmost, of
- - uit geconcentreerd druivenmost, of
- - is geproduceerd in de Gemeenschap, en
- - gedeeltelijk gegiste druivenmost, of
- - wijn, of
- - een mengsel van bovengenoemde producten, of
- - afkomstig moeten zijn van wijnstokrassen die onder artikel 46, lid 5, vallen, en
- - uitsluitend wordt verkregen door azijnzure vergisting van wijn, en
- - door vergisting van onbehandelde draf van druiven, gemacereerd in water, of
- - gedurende ten minste twee jaar is bewaard, te rekenen vanaf 1 januari van het jaar na de oogst van de betrokken druiven.
- BIJLAGE II
- ALCOHOLGEHALTEN
- 7. Totaal alcoholmassagehalte: de som van het effectieve en het potentiële alcoholmassagehalte.
- BIJLAGE III
- WIJNBOUWZONES
- d) in Spanje: de met wijnstokken beplante oppervlakten die niet in punt 3, onder b), of punt 5, onder c), zijn opgenomen, en
- BIJLAGE IV
- OENOLOGISCHE PROCÉDÉS EN BEHANDELINGEN EN PRODUCTSPECIFICATIES
- A. Zwaveldioxydegehalte
- a) 160 milligram per liter voor rode wijn, en
- 4. De lidstaten mogen strengere bepalingen toepassen op wijnen die op hun grondgebied worden voortgebracht.
- B. Gehalte aan vluchtige zuren
- - een verouderingsperiode van ten minste twee jaar hebben doorgemaakt of
- C. Grenswaarden voor verrijking
- D. Verrijkingsprocédés
- E. Aanzuring en ontzuring
- 7. Aanzuring en verrijking van een zelfde product sluiten elkaar uit, behoudens van geval tot geval te bepalen afwijkingen. Aanzuring en ontzuring van een zelfde product sluiten elkaar eveneens uit.
- F. Verzoeting
- 3. Voor verzoeten van ingevoerde wijn, andere dan bedoeld in punt 2, gelden nader te bepalen regels.
- G. Bewerkingen
- 8. Concentratie door afkoeling, alsmede aanzuring en ontzuring van wijn zijn evenwel het hele jaar toegestaan.
- H. Mousserende wijn
- - de wijn, of
- - wijn, of
- I. Likeurwijn
- - gedeeltelijk gegiste druivenmost, of
- - wijn, of
- - een mengsel van de in de vorige streepjes genoemde producten, of
- BIJLAGE V
- V. Q. P. R. D.
- A. Bepaald gebied
- B. Wijnstokrassen
- C. Verbouwingswijzen
- D. Productiegebieden
- - sinds die data zonder onderbreking in gebruik is geweest, en
- 5. Het bepaalde in de punten 1 tot en met 3 is niet van toepassing op v. l. q. p. r. d.
- E. Minimaal alcoholvolumegehalte
- F. Wijnbereidingsmethoden
- G. Aanzuring, ontzuring en verzoeting
- 4. Het bepaalde in dit deel is niet van toepassing op v. m. q. p. r. d. en v. l. q. p. r. d.
- H. Verrijkings-, aanzurings- en ontzuringsbewerkingen
- 2. Behoudens het bepaalde in deel D, punt 4, mag een dergelijke bewerking slechts geschieden in het bepaalde gebied waar de gebruikte verse druiven zijn geoogst.
- I. Opbrengsten
- J. Organoleptisch onderzoek
- K. V. m. q. p. r. d.
- f) tafelwijn, of
- - 30 dagen, wanneer de gisting plaatsvindt in recipiënten die van agitatoren zijn voorzien.
- L. V. l. q. p. r. d.
1. De gemeenschappelijke ordening van de wijnmarkt behelst bepalingen betreffende het wijnbouwpotentieel, marktmechanismen, producentenorganisaties en interprofessionele organisaties, oenologische procédés en behandelingen alsmede productspecificaties, de omschrijving, de aanduiding, de aanbiedingsvorm en de bescherming van producten, in bepaalde gebieden voortgebrachte kwaliteitswijn, hierna 'v.q.p.r.d.' genoemd, en het handelsverkeer met derde landen.
2. Zij geldt voor de volgende producten:
[zie origineel document voor tabel]
3. De termen die in deze verordening voor producten worden gebruikt, zijn in bijlage I gedefinieerd, die betreffende alcoholgehalten in bijlage II, en de wijnbouwgebieden zijn in bijlage III opgenomen. Nadere bepalingen ter uitvoering van deze bijlagen kunnen worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 75.
4. Het wijnoogstjaar voor de onder deze verordening begrepen producten, hierna 'het wijnoogstjaar' genoemd, begint elk jaar op 1 augustus en eindigt op 31 juli van het daaropvolgende jaar.
1. Aanplant van wijnstokrassen die zijn ingedeeld als wijndruivenproducerende rassen is tot en met 31 juli 2010 verboden, tenzij de aanplant gebeurt op grond van:
a) een recht tot nieuwe aanplant;
b) een herbeplantingsrecht, respectievelijk;
c) een uit een reserve toegekend recht tot aanplant.
2. Van oppervlakten die vóór 1 augustus 1998 in strijd met communautaire of nationale bepalingen inzake aanplant, met wijnstokken zijn beplant, regulariseert een lidstaat, mits deze voor zijn gehele grondgebied de in artikel 16 bedoelde inventaris van het wijnbouwpotentieel heeft opgesteld, vóór 31 juli 2002 de status van de oppervlakten door:
a) ofwel voor de betrokken oppervlakte met terugwerkende kracht aanplantrechten toe te kennen wanneer de betrokken wijnproducent reeds eerder op een even grote oppervlakte andere wijnstokken had gerooid;
b) ofwel het gebruik van herbeplantingsrechten toe te staan, wanneer een wijnproducent deze rechten heeft verkregen binnen een na de beplanting van de betrokken oppervlakte vast te stellen periode.
Van die oppervlakten verkregen druiven mogen, wanneer de status van die oppervlakten niet overeenkomstig de eerste alinea is geregulariseerd, niet voor tafelwijnproductie worden gebruikt. De uit deze druiven bereide producten mogen uitsluitend voor distillatiedoeleinden in het verkeer worden gebracht. Deze producten mogen evenwel niet worden gebruikt voor de bereiding van alcohol met een effectief alcoholvolumegehalte van 80 % vol of minder.
3. Op of na 1 augustus 1998 in strijd met communautaire of nationale aanplantbepalingen aangeplante wijnstokken moeten worden gerooid. De voor het rooien gedane uitgaven worden voorgedragen door de betrokken producent. De lidstaten dragen zorg voor de nodige maatregelen voor de toepassing van dit lid.
4. Zodra een lidstaat de in artikel 6 bedoelde nieuwe rechten voor aanplant aan een reserve, respectievelijk aan reserves heeft toegewezen, brengt het naderhand regulariseren van een oppervlakte op grond van lid 2, met zich dat in de, aan het betrokken gebied gerelateerde reserve(s) een gelijkwaardig recht tot aanplant moet vervallen. Indien in de betrokken reserve(s) niet meer voldoende aanplantrechten beschikbaar zijn, mag niet worden geregulariseerd.
1. De lidstaten kunnen producenten nieuwe-aanplantrechten toekennen voor oppervlakten:
a) die voor de teelt van moederplanten zijn bestemd;
b) die in het raam van ruilverkavelingen of van onteigeningen ten algemenen nutte waartoe krachtens de nationale wetgeving is besloten, voor nieuwe aanplant zijn bestemd;
c) die voor wijnbouwexperimenten zijn bestemd;
e) die voor het kweken van entstokken zijn bestemd, mits de druiven van deze wijnstokken niet worden geoogst of indien dat wel geschiedt, die druiven worden vernietigd.
2. De lidstaten kunnen ook tot uiterlijk 31 juli 2003 te gebruiken nieuwe-aanplantrechten toekennen voor oppervlakten die voor de productie van v.q.p.r.d. of van met een geografische aanduiding omschreven tafelwijn worden gebruikt, wanneer is erkend dat de productie van de betrokken wijn vanwege de kwaliteit van die wijn ver bij de vraag achterblijft.
3. Nieuwe-aanplantrechten moeten door de producent aan wie zij werden toegekend, voor de oppervlakten en voor de doeleinden waarvoor zij werden toegekend, worden gebruikt.
4. Nieuwe-aanplantrechten moeten worden gebruikt vóór het einde van het tweede wijnoogstjaar na dat waarin zij worden toegekend. Niet binnen die termijn gebruikte, nieuwe-aanplantrechten worden overeenkomstig artikel 5, lid 2, onder a), aan een reserve toegewezen.
5. Zodra een lidstaat de in artikel 6 bedoelde nieuwe rechten voor aanplant aan een reserve, respectievelijk aan reserves heeft toegewezen, brengt toekenning, naderhand, van een nieuwe-aanplantrecht met zich dat een gelijkwaardig aanplantrecht dat aan de, aan het betrokken gebied gerelateerde reserve(s) is toegewezen, moet vervallen. Indien in de betrokken reserve(s) niet meer voldoende aanplantrechten beschikbaar zijn, mag geen toekenning van nieuwe-aanplantrechten geschieden.
1. Herbeplantingsrechten:
b) zijn gelijkwaardige rechten die op grond van eerdere communautaire of nationale wetgeving zijn verworven.
2. De lidstaten kennen herbeplantingsrechten toe aan producenten die de verplichting aangaan een met wijnstokken beplante oppervlakte te rooien. De herbeplantingsrechten gelden voor een oppervlakte die, uitgedrukt in uitsluitend met wijnstokken beplante cultuurgrond, gelijkwaardig is aan die waarvan de wijnstokken zullen worden gerooid.
3. Herbeplantingsrechten moeten worden gebruikt op het bedrijf waaraan zij zijn toegekend. De lidstaten mogen voorts bepalen dat herbeplantingsrechten slechts mogen worden gebruikt op de gerooide oppervlakten van het bedrijf.
4. In afwijking van lid 3 mogen herbeplantingsrechten geheel of gedeeltelijk aan een ander bedrijf worden overgedragen wanneer een deel van het betrokken bedrijf aan dat andere bedrijf wordt overgedragen. In dit geval mag het recht worden gebruikt op een oppervlakte van laatstgenoemd bedrijf die niet groter is dan de overgedragen oppervlakte.
Herbeplantingsrechten mogen eveneens geheel of gedeeltelijk aan een ander bedrijf worden overgedragen wanneer oppervlakten van dat andere bedrijf zijn bestemd voor de productie van v.q.p.r.d. of van met een geografische aanduiding omschreven tafelwijnen, voor de teelt van moederplanten of voor de kweek van entstokken, mits de druiven van deze wijnstokken niet worden geoogst of, indien dat wel geschiedt, die druiven worden vernietigd. In dat geval mogen de rechten slechts worden gebruikt voor de oppervlakten en de doeleinden waarvoor zij werden toegekend.
5. Op grond van de communautaire wetgeving verworven herbeplantingsrechten moeten worden gebruikt vóór het einde van het vijfde wijnoogstjaar na dat waarin het rooien is geschied. In die periode niet gebruikte herbeplantingsrechten worden overeenkomstig artikel 5, lid 2, onder a), aan een reserve toegewezen.
6. Wanneer herbeplantingsrechten aan een ander bedrijf worden overgedragen, dragen de lidstaten ervoor zorg dat de plaats waar die rechten worden gebruikt, de gebruikte wijnstokrassen en de toegepaste teelttechnieken een waarborg ervoor vormen dat voortaan de productie aan de vraag op de markt beantwoordt en dat de betrokken opbrengsten het gemiddelde in het gebied waar de herbeplanting geschiedt, niet overtreffen.
1. Om het beheer van het wijnbouwpotentieel op nationaal of regionaal niveau te verbeteren, vormen de lidstaten een nationale reserve of, in voorkomend geval, regionale reserves van aanplantrechten.
2. Aan de reserve, respectievelijk reserves worden toegewezen:
a) uit de reserve toegekende nieuwe-aanplantrechten, herbeplantingsrechten en aanplantrechten die niet binnen de in artikel 3, lid 4, in artikel 4, lid 5, en in lid 6 van het onderhavige artikel vastgestelde termijn worden gebruikt;
b) herbeplantingsrechten die door producenten die deze rechten hadden, aan de reserve worden overgedragen, in voorkomend geval tegen een vergoeding uit nationale middelen, waarvan het bedrag en eventueel andere daarmee verband houdende bijzonderheden door de lidstaten worden vastgesteld met inachtneming van de wettige belangen van de partijen;
c) nieuwe rechten tot aanplant, als bedoeld in artikel 6.
3. De lidstaten kunnen aan de reserve toegewezen rechten toekennen:
a) om niet, aan producenten die jonger dan 40 jaar zijn, de nodige vakbekwaamheid en -kennis hebben en voor het eerst als bedrijfshoofd een wijnbouwbedrijf opstarten, of
b) tegen betaling van een vergoeding aan een nationaal fonds, aan producenten die voornemens zijn de rechten te gebruiken voor de aanplant van wijngaarden waarvan de afzet van de productie ervan gegarandeerd is. De lidstaten stellen de criteria vast voor het bepalen van de hoogte van de vergoeding, welke kan variëren naar gelang van het voorgenomen eindproduct van de betrokken wijngaarden.
4. De lidstaten dragen ervoor zorg dat de plaats waar de uit een reserve toegekende aanplantrechten worden gebruikt, de gebruikte wijnstokrassen en de toegepaste teelttechnieken een waarborg ervoor vormen dat de productie voortaan aan de vraag op de markt beantwoordt en dat de opbrengsten het gemiddelde in het gebied waar die rechten worden gebruikt niet overtreffen.
5. Aan een reserve toegewezen herbeplantingsrechten mogen tot uiterlijk het einde van het vijfde wijnoogstjaar na dat waarin zij daaraan zijn toegewezen, uit die reserve worden toegekend. Niet binnen deze termijn toegekende herbeplantingsrechten vervallen.
6. Uit een reserve toegekende aanplantrechten moeten vóór het einde van het tweede wijnoogstjaar na dat waarin zij zijn toegekend, worden gebruikt. Uit een reserve toegekende aanplantrechten die niet binnen deze termijn worden gebruikt, worden opnieuw aan een reserve toegewezen overeenkomstig lid 2, onder a).
7. Wanneer een lidstaat regionale reserves vormt, kan deze regels stellen voor de overdracht van aanplantrechten tussen regionale reserves. Op dergelijke overdrachten kan een verminderingscoëfficiënt worden toegepast.
1. De nieuwe rechten tot aanplant worden op de datum waarop deze aan de reserve(s) worden toegewezen, berekend als:
a) een oppervlakte die gelijk is aan 1 % van het totale wijngaardareaal in de betrokken lidstaat (in dat totale areaal niet begrepen de oppervlakten die zijn beplant in strijd met de communautaire of nationale aanplantbepalingen, ongeacht of al dan niet regularisatie overeenkomstig artikel 2, lid 2, eerste alinea is geschied);
b) verminderd met de totale oppervlakte die in de betrokken lidstaat vóór 1 augustus 1998 in strijd met communautaire of nationale voorschriften inzake nieuwe aanplant met wijnstokken is beplant, ongeacht of voor de betrokken oppervlakten al dan niet regularisatie overeenkomstig artikel 2, lid 2, eerste alinea, is geschied, en verminderd met de oppervlakten waarvoor nieuwe-aanplantrechten zijn toegekend.
2. De nieuwe rechten tot aanplant mogen slechts aan een reserve, respectievelijk aan reserves worden toegewezen wanneer de lidstaat voor zijn gehele grondgebied de in artikel 16 bedoelde inventaris van het wijnbouwpotentieel heeft opgesteld.
1. Voor dit hoofdstuk gelden de volgende definities:
a) 'rooien': de volledige verwijdering van alle wijnstokken op een met wijnstokken beplant terrein;
b) 'aanplant': de definitieve aanplant van jonge wijnstokken of van delen daarvan, al dan niet geënt, met het oog op de productie van druiven of met het oog op de aanleg van een moederplantenopstand.
2. Nadere bepalingen voor de toepassing van dit hoofdstuk, met name die welke betrekking hebben op de in artikel 3, lid 2, bedoelde erkenning en op de toepassing van de in artikel 5, lid 7, bedoelde verminderingscoëfficiënt, worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 75.
1. Tegenover definitieve stopzetting van wijnbouw op een bepaalde oppervlakte kan een premie worden toegekend.
De premie mag overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk worden toegekend aan producenten op voor de productie van wijndruiven beteelde wijnbouwoppervlakten. De betrokken oppervlakte mag niet minder dan tien are beslaan.
2. De lidstaten kunnen bepalen of en in welke gebieden de premie mag worden toegekend. Zij kunnen aan de toekenning van de premie ook voorwaarden verbinden, met name die welke erop zijn gericht in de betrokken gebieden een evenwicht tussen productie en natuurlijk milieu te waarborgen.
3. Premietoekenning brengt voor de producent verlies mee van herbeplantingsrechten voor de oppervlakte waarvoor de premie wordt toegekend.
4. De lidstaten stellen het bedrag van de premie per hectare vast rekening houdende met:
a) de landbouwopbrengst, respectievelijk de productiecapaciteit van het bedrijf;
b) de productiemethode;
c) de betrokken oppervlakte in vergelijking tot de totale bedrijfsoppervlakte;
e) het bestaan van gecombineerde teelten.
Geen premie mag worden toegekend voor:
a) geëxploiteerde wijngaardoppervlakten waarvoor in de voorafgaande vijf wijnoogstjaren inbreuken op communautaire of nationale aanplantbepalingen zijn vastgesteld;
b) niet meer onderhouden wijngaardoppervlakten;
d) wijngaardoppervlakten waarvoor voor de herstructurering ervan in de voorafgaande vijf wijnoogstjaren financiering is verkregen.
Nadere bepalingen voor de toepassing van dit hoofdstuk worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 75. Deze bepalingen kunnen met name inhouden:
a) de tijdstippen voor de indiening van de aanvragen en voor de uitvoering van het rooien;
b) voorwaarden door de toekenning van uitkeringen;
d) milieuoverwegingen.
1. Er wordt een regeling ingesteld voor de herstructurering van wijngaarden.
2. Deel van de regeling is de aanpassing van de productie aan de vraag op de markt en de bevordering van:
a) instandhouding en bevordering van duurzame wijnbouwmethoden;
b) methoden van gebruik van landbouwgrond die verenigbaar zijn met de bescherming en de verbetering van het milieu, het landschap en de elementen daarvan, de natuurlijke hulpbronnen, de bodem en de genetische diversiteit;
d) het gebruik van milieuplanning bij de wijnbouwpraktijken.
3. De regeling omvat:
a) omschakeling op andere rassen;
c) verbetering van wijngaardexploitatietechnieken in verband met de doelstellingen van de regeling.
Normale vernieuwing van wijngaarden die het einde van de natuurlijke ontwikkelingscyclus hebben bereikt, is niet onder de regeling begrepen.
4. Toegang tot de regeling staat slechts open in die gebieden van een lidstaat waarvoor deze lidstaat de in artikel 16 bedoelde inventaris van het wijnbouwpotentieel heeft opgesteld.
1. Voorgestelde herstructureringsplannen kunnen worden opgesteld door:
a) lidstaten;
b) regio's van lidstaten;
d) interprofessionele organisaties.
2. Wanneer een plan niet door de lidstaat zelf is opgesteld, is deze voor de goedkeuring of afwijzing ervan verantwoordelijk.
3. De plannen moeten aan de in dit hoofdstuk vervatte bepalingen en aan de uitvoeringsbepalingen ervan voldoen.
1. Herstructureringssteun wordt slechts toegekend voor plannen die zijn opgesteld en, zo nodig, goedgekeurd. De steun bestaat uit:
a) vergoeding van de producenten voor hun met de uitvoering van het plan gemoeide inkomstenverlies, en
b) een bijdrage in de concrete herstructureringskosten.
2. De vergoeding van de producenten voor inkomstenverlies kan één van de volgende vormen krijgen:
a) toestemming om, ongeacht de bepalingen van deze titel, hoofdstuk I, gedurende een bepaalde periode van niet meer dan drie jaar zowel oude als nieuwe wijnstokken bijeen te laten voortbestaan, of
b) een door de Gemeenschap gefinancierde financiële vergoeding.
3. De bijdrage van de Gemeenschap in de concrete herstructureringskosten mag maximaal 50 % van die kosten bedragen. In regio's die overeenkomstig Verordening (EG) nr. . . . van de Raad van . . . [houdende algemene bepalingen met betrekking tot de structuurfondsen] (46) als doelstelling 1-regio's worden aangemerkt, mag evenwel de communautaire bijdrage maximaal 75 % bedragen. De lidstaten mogen in geen van beide gevallen in de kosten bijdragen.
1. De Commissie kent de lidstaten jaarlijks een eerste toewijzing toe aan de hand van objectieve criteria waarbij met specifieke situaties en behoeften en met de in het licht van de doelstellingen van de regeling te leveren inspanningen rekening wordt gehouden.
2. De eerste toewijzing wordt aangepast aan de werkelijke uitgaven en aan de hand van door de lidstaten ingediende herziene uitgavenramingen, waarbij met de doelstellingen van de regeling en met de beschikbare financiële middelen rekening wordt gehouden.
Nadere bepalingen voor de uitvoering van dit hoofdstuk worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 75. Deze bepalingen kunnen met name voorzien in:
a) een minimumoppervlakte voor de betrokken wijngaarden;
b) bepalingen inzake het gebruik van bij de tenuitvoerlegging van plannen gecreëerde herbeplantingsrechten;
c) bepalingen om te voorkomen dat de toepassing van dit hoofdstuk tot een toename van de productie leidt, en
d) maximumsteunbedragen per hectare.
In de inventaris van het wijnbouwpotentieel worden de volgende gegevens opgenomen:
a) de op het grondgebied van de betrokken lidstaat met wijnstokken beplante oppervlakten;
b) de betrokken rassen;
1. De Commissie kan evaluaties verrichten met betrekking tot:
a) de productie van producten van de wijnsector;
b) het industriële gebruik van die producten;
c) de verkoop van de ontwikkeling van het wijnverbruik en van het verbruik van andere producten van de wijnsector die in de staat kunnen worden geconsumeerd, en
d) alle overige aspecten van het beheer van de markt of de noodzaak voor aanpassing van het aanbod.
2. Om deze evaluaties te kunnen volbrengen, kan de Commissie een beroep doen op externe medewerking.
1. Producenten van voor wijnbereiding bestemde druiven en die van most en van wijn doen jaarlijks opgave van de hoeveelheden die de jongste oogst heeft opgeleverd.
2. Producenten van druivenmogst en van wijn en handelaren, niet zijnde kleinhandelaren, doen jaarlijks opgaven van hun voorraden druivenmost en wijn, ongeacht of deze van de oogst van het jaar dan wel van die van vorige jaren zijn. Uit derde landen ingevoerde druivenmost en wijn moeten afzonderlijk worden vermeld.
1. De lidstaten stellen een indeling van wijnstokrassen op. De in de indeling opgenomen wijnstokrassen moeten tot de soort Vitis vinifera behoren of uit een kruising van deze soort met andere soorten van het geslacht Vitis zijn verkregen.
2. In hun indeling geven de lidstaten de wijnstokrassen aan die voor de bereiding van elke van de op hun grondgebied geproduceerde v. q. p. r. d. geschikt zijn. Deze rassen moeten tot de soort Vitis vinifera behoren.
3. Onverminderd strengere communautaire bepalingen mogen slechts de in de indeling opgenomen wijnstokrassen in de Gemeenschap worden aangeplant, heraangeplant of geënt.
4. Oppervlakten die met niet in de indeling opgenomen wijnstokrassen zijn beplant, moeten worden gerooid, tenzij de productie van deze oppervlakten uitsluitend voor consumptie door het gezin van de wijnproducent is bestemd. De lidstaten nemen de nodige maatregelen om deze uitzondering te controleren.
5. Wanneer wijnstokrassen uit de indeling worden geschrapt, moeten de wijnstokken van de betrokken rassen binnen 15 jaar na die schrapping worden gerooid.
Wat het communautaire wijnbouwkadaster betreft, gelden de bepalingen van Verordening (EEG) nr. 2392/86.
De hoofdstukken I en II van deze titel zijn niet van toepassing in lidstaten waar de wijnproductie per wijnoogstjaar niet meer dan 25 000 hectoliter bedraagt. Deze productie wordt berekend op basis van de gemiddelde productie in de voorafgaande vijf wijnoogstjaren.
De lidstaten kunnen bepalen dat de in deze titel bedoelde aanvragen of gegevens met andere, voor het toezicht op de ontwikkeling van het wijnbouwpotentieel benodigde gegevens worden aangevuld.
De lidstaten kunnen voor nieuwe aanplant van of herbeplanting met wijnstokken beperkende nationale bepalingen vaststellen.
1. Nadere bepalingen voor de toepassing van dit hoofdstuk worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 75. Zij hebben met name betrekking op:
a) de vorm en de mate van gedetailleerdheid van de gegevens die voor de in artikel 16 bedoelde inventaris nodig zijn, en
b) het beheer van de indeling van de wijnstokrassen.
2. Volgens de procedure van artikel 75 kunnen bepalingen worden vastgesteld inzake een begeleidend document voor vegetatief teeltmateriaal voor de wijnstok en nadere bepalingen voor de toepassing ervan, met name inzake controle.
3. Verordening (EEG) nr. 2392/86 kan worden gewijzigd of ingetrokken volgens de procedure van artikel 75.
4. Volgens de procedure van artikel 75 wordt geconstateerd of een lidstaat de in artikel 16 bedoelde inventaris heeft opgesteld en wordt, wanneer daar gegronde redenen voor zijn, deze constatering bij beschikking ingetrokken, met name wanneer de lidstaat de nodige bijwerking van de inventaris niet heeft verricht.
1. Steun wordt verleend voor de particuliere opslag van:
a) tafelwijn;
b) druivenmost, geconcentreerde druivenmost en gerectificeerde geconcentreerde druivenmost.
2. De steun wordt slechts toegekend indien tussen 16 december en 15 februari daaropvolgend onder nader te bepalen voorwaarden met de interventiebureaus een langlopend opslagcontract is gesloten.
3. Langlopende opslagcontracten worden gesloten voor een periode die afloopt:
a) voor tafelwijnen, op zijn vroegst op 1 september na de datum waarop het contract is gesloten, en voor druivenmost, geconcentreerde druivenmost en gerectificeerde geconcentreerde druivenmost, op zijn vroegst op 1 augustus na de datum waarop het contract is gesloten, en
1. Het sluiten van de opslagcontracten is aan voorwaarden onderworpen, met name ten aanzien van de kwaliteit van de betrokken producten.
2. Voor tafelwijnen wordt in de opslagcontracten bepaald dat voor de opgeslagen hoeveelheid of voor een gedeelte daarvan de uitkering van de steun wordt beëindigd en de desbetreffende verplichting van de producenten vervalt, wanneer de marktprijzen voor de betrokken soort tafelwijn tot boven een vast te stellen niveau stijgen.
3. Het bedrag van de steun voor particuliere opslag mag slechts de technische opslagkosten en de rente dekken, welke beide forfaitair worden bepaald.
4. Het steunbedrag voor geconcentreerde druivenmost mag worden aangepast aan de hand van een met de concentratiegraad overeenkomende coëfficiënt.
1. Nadere bepalingen voor de toepassing van dit hoofdstuk worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 75. Deze bepalingen kunnen met name inhouden:
a) de vaststelling van het prijsniveau, de forfaitaire bedragen en de coëfficiënt, als bedoeld in artikel 25;
b) de bepaling dat langlopende opslagcontracten voor tafelwijn slechts voor bepaalde tafelwijnen kunnen worden gesloten;
c) de bepaling dat druivenmost waarvoor een langlopend opslagcontract is gesloten, tijdens de geldigheidsduur van het contract geheel of gedeeltelijk tot geconcentreerde druivenmost of gerectificeerde geconcentreerde druivenmost mag worden verwerkt;
d) bepalingen voor de toepassing van de in artikel 25, lid 2, bedoelde bepaling betreffende de beëindiging van de steunuitkering;
e) de bepaling dat voor druivenmost en geconcentreerde druivenmost die voor de bereiding van druivensap zijn bestemd, geen langlopende opslagcontracten mogen worden gesloten, en
f) de daadwerkelijke looptijd van de contracten.
2. Volgens de procedure van artikel 75 kan worden bepaald dat:
a) de steunregeling voor de particuliere opslag niet wordt toegepast indien uit de marktsituatie blijkt dat toepassing van de regeling niet gerechtvaardigd is, en
b) de mogelijkheid om nog langlopende opslagcontracten te sluiten, te allen tijde kan worden beëindigd indien dit op grond van de marktsituatie gerechtvaardigd is, met name gelet op de hoeveelheden waarvoor reeds contracten zijn gesloten.
1. Intense persing van al dan niet gekneusde druiven en persing van wijnmoer is verboden. Het opnieuw vergisten van druivendraf voor andere doeleinden dan distillatie is eveneens verboden.
2. Filtrering en centrifugering van wijnmoer worden niet als persing beschouwd wanneer:
b) de wijnmoer niet tot een droog product wordt gereduceerd.
3. Iedere natuurlijke persoon, rechtspersoon of groep personen, die wijn heeft bereid, is verplicht alle bij deze wijnbereiding verkregen bijproducten voor distillatie te leveren. Een algehele of een gedeeltelijke afwijking kan worden verleend voor producten die aantonen dat zij met bereiders van gearomatiseerde wijn langdurige opslagcontracten hebben gesloten.
4. De hoeveelheid alcohol in de bijproducten moet ten opzichte van het alcoholvolume in de voortgebrachte wijn ten minste gelijk zijn aan 10 %, wanneer de wijn rechtstreeks uit druiven is bereid. Zij moet ten minste gelijk zijn aan 5 % wanneer de wijn uit druivenmost, uit gedeeltelijk gegiste druivenmost of uit jonge, nog gistende wijnen is bereid.
Indien het relevante percentage niet wordt bereikt, dient degene voor wie de verplichting geldt, een zodanige hoeveelheid wijn van eigen productie te leveren dat daarmee die percentages in acht worden genomen.
5. Aan de in lid 3 bedoelde leveringsverplichting mag ook worden voldaan door levering aan een erkende azijnfabrikant.
6. Iedere natuurlijke persoon, rechtspersoon of groep personen die bijproducten houdt die van enige andere verwerking van druiven dan voor wijnbereiding zijn verkregen, is verplicht die producten voor distillatie te leveren.
7. De lidstaten kunnen voorschrijven dat de in de leden 3, 4 en 5 bedoelde distillatieverplichting voor al hun producenten of voor sommige ervan wordt vervangen door het onder toezicht uit de markt nemen van de bijproducten of door andere regelingen waarmee wordt gewaarborgd dat de betrokken bijproducten niet in de wijnsector worden gebruikt. Dergelijke regelingen worden op basis van objectieve criteria ten uitvoer gelegd. Wanneer een dergelijke regeling wordt toegepast, stelt de betrokken lidstaat de Commissie van de in dat verband genomen maatregelen in kennis.
8. De aankoopprijs van druivendraf, wijnmoer en wijn die voor distillatie worden geleverd, bedraagt 0,995 ECU per % vol per hectoliter.
9. De door de distilleerder betaalde prijs mag niet lager zijn dan de aankoopprijs.
10. De distilleerder kan:
a) hetzij voor het te distilleren product steun krijgen, mits het bij distillatie verkregen product een alcoholgehalte van ten minste 52 % vol heeft,
b) hetzij het distillatieproduct aan een interventiebureau leveren, mits dat product een alcoholgehalte van ten minste 92 % vol heeft.
11. Bij beschikking kan levering aan het interventiebureau worden vervangen door levering aan een marktdeelnemer die in het raam van een met het oog op de afzet van distillatieproducten georganiseerde verkoop een offerte heeft ingediend.
12. De leden 1 tot en met 11 gelden niet voor druivensap en geconcentreerd druivensap noch voor druivenmost of geconcentreerde druivenmost die voor de bereiding van druivensap bestemd is.
1. Boven de normale hoeveelheid geproduceerde wijn uit druiven van een ras dat voor dezelfde administratieve eenheid niet alleen als wijndruivenras is ingedeeld maat tevens als een ras dat voor een ander doel kan worden gebruikt, moet, als deze wijn niet in de loop van het betrokken wijnoogstjaar wordt uitgevoerd, uiterlijk op een nader te bepalen datum worden gedistilleerd. Behoudens afwijking, mag deze wijn niet in het verkeer komen dan uitsluitend met bestemming distilleerderij.
2. De hoeveelheid normaal geproduceerde wijn wordt berekend uit:
b) de voor traditioneel gebruik dienende hoeveelheden wijn.
3. De aankoopprijs van de op grond van dit artikel voor distillatie geleverde wijn bedraagt 1,34 ECU per % vol per hectoliter.
4. De door de distilleerder betaalde prijs mag niet lager zijn dan de aankoopprijs.
5. De distilleerder kan:
a) hetzij voor het te distilleren product steun krijgen, mits het bij de distillatie verkregen product een alcoholgehalte van ten minste 52 % vol heeft,
b) hetzij het distillatieproduct aan een interventiebureau leveren, mits dit product een alcoholgehalte van ten minste 92 % vol heeft.
6. Bij beschikking kan levering aan het interventiebureau worden vervangen door levering aan een marktdeelnemer die in het raam van een met het oog op de afzet van distillatieproducten georganiseerde verkoop een offerte heeft ingediend.
1. De Gemeenschap kan voor de distillatie van tafelwijnen en van wijnen waaruit tafelwijnen kunnen worden verkregen, steun verlenen teneinde de traditionele voorziening van de drinkalcoholsector met wijn in stand te houden.
2. De steun wordt verleend in de vorm van een aan de distilleerders uitgekeerde primaire en een bijkomende steun.
3. De primaire steun wordt uitgekeerd op basis van de hoeveelheid tafelwijn en wijn die geschikt is om tafelwijn op te leveren, die wordt gedistilleerd.
4. Voor het niveau van de primaire steun wordt rekening gehouden met:
a) de noodzaak van een gemiddelde uitkering door de distilleerders aan de wijnproducenten van 2,488 ECU per % vol per hectoliter, en
b) de noodzaak om de traditionele afzet in de drinkalcoholsector in stand te houden tegen concurrerende prijzen.
5. De primaire steun wordt ten uitvoer gelegd op basis van een systeem van contracten tussen distilleerders en wijnproducenten.
6. De bijkomende steun heeft de vorm van een uitkering voor de opslag van het verkregen product. Deze steun is bedoeld om de werking van de primaire steunregeling te vergemakkelijken.
1. Er kan een crisisdistillatiemaatregel worden getroffen indien er zich als gevolg van ernstige overschotten en/of kwaliteitsproblemen een uitzonderlijk geval van marktverstoring voordoet.
2. De maatregel heeft tot doel:
b) van de ene oogst tot de andere, continuïteit in de voorziening te waarborgen.
3. Voor producenten is deelneming aan de maatregel vrijwillig.
De door het interventiebureau overgenomen alcohol wordt afgezet door middel van een openbare veiling of door verkoop bij inschrijving. Deze alcohol mag niet in de sector voedingsmiddelenalcohol worden afgezet.
Evenwel kan worden besloten dat, indien de voorziening van het deel van de sector waar gebruik van wijnalcohol verplicht is, niet door de operatie van artikel 29 wordt gewaarborgd, de alcohol dan in die sector mag worden afgezet.
1. Voor wijnen die zijn verkregen door producenten die door toevoeging van sacharose of van most waarvoor de in artikel 34 bedoelde steun is toegekend, het alcoholgehalte hebben verhoogd, wordt de voor elke distillatie vastgestelde aankoopprijs, met uitzondering van die bedoeld in artikel 27, binnen elk wijnbouwgebied verlaagd met eenzelfde forfaitair bedrag, berekend op basis van het niveau van de in artikel 34 bedoelde steun en met de verhoging van het alcoholgehalte voor het betrokken wijnbouwgebied.
2. Op verzoek van de betrokken producent wordt de verlaging slechts toegepast binnen de grenzen van de hoeveelheden waarvan het alcoholgehalte is verhoogd als bedoeld in lid 1.
1. Nadere bepalingen voor de toepassing van dit hoofdstuk worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 75. Deze bepalingen kunnen met name betreffen:
a) de in dit hoofdstuk bedoelde afwijkingen;
b) wat de artikelen 27 en 28 betreft, de voorwaarden waaronder distillatie dient te gebeuren, de raming van het alcoholvolume in de geproduceerde wijn, de voorwaarden waarop producten aan het interventiebureau mogen worden geleverd en de aankoopprijzen van de distillatieproducten die door de interventiebureaus kunnen worden overgenomen, respectievelijk de criteria voor de berekening van die prijzen;
c) de minimumnormen waaraan druivendraf en wijnmoer moeten voldoen;
d) de voorwaarden waaronder het in artikel 27, lid 7, bedoelde onder toezicht uit de markt nemen mag geschieden;
f) de bijzonderheden van het mechanisme voor de toepassing van de in artikel 30 bedoelde maatregel, met inbegrip van de producten welke door die maatregel worden bestreken, en de afzet van de distillatieproducten, in het bijzonder om te voorkomen dat de markt van alcohol en gedistilleerde dranken in enig opzicht wordt verstoord.
2. Het bedrag van de in de artikelen 27 en 28 bedoelde steun waarmee het mogelijk wordt de verkregen producten af te zetten, dat van de in artikel 29 bedoelde steun, de regels die de omstandigheden bepalen welke tot toepassing van de in artikel 30 bedoelde maatregel leiden en het niveau alsmede de vorm van de financiële steun van de Gemeenschap voor die maatregel, worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 75.
1. Steun wordt verleend voor het gebruik van:
b) gerectificeerde geconcentreerde druivenmost,
die in de Gemeenschap zijn geproduceerd, wanneer deze voor verhoging van de alcoholgehalten als bedoeld in bijlage IV, deel C, en in bijlage V, deel F, worden gebruikt.
2. De steun mag voor producten uit wijnbouwzones C III worden gereserveerd, indien zonder deze maatregel de traditionele handelsstromen voor most en wijnen voor versnijding niet kunnen worden gewaarborgd.
3. Het steunbedrag wordt vastgesteld in ECU per procent potentieel alcoholvolumegehalte en per hectoliter geconcentreerde druivenmost of gerectificeerde geconcentreerde druivenmost met inachtneming van het verschil tussen de kosten van verrijking door middel van deze producten en door middel van sacharose.
1. Steun wordt verleend voor het gebruik van:
a) druivenmost en geconcentreerde druivenmost die met het oog op de vervaardiging van druivensap of van andere producten uit druivensap, in de Gemeenschap zijn geproduceerd;
b) druivenmost en geconcentreerde druivenmost die in de wijnbouwzones C III zijn geproduceerd met het oog op de vervaardiging, in het Verenigd Koninkrijk en in Ierland, van producten van GN-code 2206 00, waarvoor overeenkomstig op grond van artikel 51 vastgestelde voorschriften het gebruik van een samengestelde benaming waarin het woord 'wijn' voorkomt, door deze lidstaten mag worden toegestaan;
c) in de Gemeenschap geproduceerde geconcentreerde druivenmost als hoofdbestanddeel van een productenpakket dat in het Verenigd Koninkrijk en in Ierland in de handel wordt gebracht met duidelijke instructies voor de consument om daarmee een wijnimitatiedrank te maken.
2. In afwijking van de in lid 1, onder b), bedoelde geografische beperking met betrekking tot de in dat punt bedoelde productie van druivenmost en geconcentreerde druivenmost tot concurrentiedistorsie leidt, kan worden besloten deze steun ook toe te kennen voor druivenmost en geconcentreerde druivenmost die in andere gebieden van de Gemeenschap dan de wijnzones C III zijn geproduceerd.
De in lid 1 bedoelde steun wordt uitsluitend verleend voor het gebruik van producten die voortkomen van druiven van wijnstokrassen die uitsluitend als wijndruiven of als wijndruiven en tevens als druiven voor ander gebruik zijn ingedeeld en mag eveneens worden verleend voor druiven van oorsprong uit de Gemeenschap die van diezelfde wijnstokrassen voortkomen.
3. De steunbedragen worden zodanig vastgesteld dat de kosten van voorziening met druivenmost en geconcentreerde druivenmost van oorsprong uit de Gemeenschap het mogelijk maken de traditionele afzetmogelijkheden voor deze producten in stand te houden.
4. Een nog te bepalen gedeelte van de in lid 1, onder a), bedoelde steun wordt gereserveerd voor het voeren van campagnes ter stimulering van het druivensapverbruik. Met het oog op die campagnes mag het steunbedrag op een hoger niveau worden vastgesteld dan het uit de toepassing van lid 4 voortvloeiende niveau.
1. Nadere bepalingen voor de toepassing van dit hoofdstuk worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 75. Deze bepalingen behelzen met name:
a) de voorwaarden voor de toekenning van de in artikel 34, lid 1, bedoelde steun;
b) de maatregelen die nodig zijn om toezicht uit te oefenen op het gebruik van de in artikel 35, lid 1, bedoelde producten;
c) het bedrag van de in de artikelen 34 en 35 bedoelde steun dat wordt vastgesteld vóór het begin van elk wijnoogstjaar;
d) het in artikel 35, lid 2, eerste alinea, bedoelde besluit.
Producenten die aan de in de artikelen 27 en 28 bedoelde verplichtingen zijn onderworpen, komen voor interventiemaatregelen krachtens deze titel in aanmerking mits zij gedurende een te bepalen referentieperiode aan de genoemde verplichtingen hebben voldaan. Deze periode en de nadere bepalingen voor de toepassing van dit artikel worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 75.
1. Wanneer op de wijnmarkt van de Gemeenschap buitengewoon hoge prijzen worden geconstateerd en de mogelijkheid bestaat dat deze toestand voortduurt waarbij deze markt wordt verstoord, kan de Commissie de nodige maatregelen treffen.
2. Voorzover zulks nodig is om de markt voor tafelwijnen te ondersteunen, kunnen voor de in artikel 1, lid 2, onder b), genoemde producten, andere dan tafelwijn, volgens de procedure van artikel 75 interventiemaatregelen worden getroffen.
1. Voor de doeleinden van deze verordening wordt verstaan onder 'producentenorganisatie', een rechtspersoon:
a) die op initiatief van de producenten van onder deze verordening begrepen producten is opgericht;
b) die met name tot doel heeft:
i) ervoor zorg te dragen dat de productie wordt gepland en wordt afgestemd op de vraag, met name wat kwaliteit en hoeveelheden betreft;
ii) de concentratie van het aanbod en de afzet van de producten van haar leden op de markt te bevorderen;
iii) de productiekosten te drukken en de producentenprijzen te stabiliseren;
iv) de toepassing van uit milieuoogpunt deugdelijke teeltpraktijken, productietechnieken en afvalbeheersystemen te bevorderen om met name de kwaliteit van water, bodem en landschap te beschermen en de biodiversiteit te behouden en/of te bevorderen;
c) waarvan de statuten haar leden-producenten in het bijzonder ertoe verplichten:
i) inzake de verstrekking van productiegegevens, de productie zelf, de afzet en de milieubescherming de door de productenorganisatie vastgestelde regels toe te passen,
ii) met betrekking tot de productie op een bepaald bedrijf, van één van de onder deze verordening begrepen producten slechts van één van de onder a) bedoelde producentenorganisaties lid te zijn,
iii) hun volledige betrokken productie via de producentenorganisatie op de markt af te zetten. Indien de producentenorganisatie het toestaat, mogen de aangesloten producenten evenwel onder door hun organisatie vastgestelde voorwaarden:
- niet meer dan 25 % van hun productie op hun bedrijf rechtstreeks aan de consument voor diens eigen behoeften verkopen, en
- zelf, of via een andere, door hun eigen organisatie aangewezen producentenorganisatie, producten op de markt afzetten die in hoeveelheden, vergeleken met het afzetvolume van hun producentenorganisatie, marginaal zijn,
- via een andere, door hun eigen organisatie aangewezen producentenorganisatie producten op de markt afzetten die wegens de kenmerken ervan gewoonlijk niet onder de handelsactiviteiten van de betrokken organisatie zijn begrepen;
iv) de door de producentenorganisatie voor statistische doeleinden gevraagde gegevens te verstrekken, met name betreffende voor de teelt bestemde oppervlakten, geoogste hoeveelheden, opbrengsten en rechtstreekse verkoop;
d) waarvan de statuten bepalingen bevatten betreffende:
i) procedures voor de vaststelling, de goedkeuring en de wijziging van de onder c), i), bedoelde regels,
ii) het de leden opleggen van financiële bijdragen voor de financiering van de producentenorganisatie,
iii) regels op grond waarvan de leden-producenten op democratische wijze toezicht op hun organisatie en op haar besluiten kunnen uitoefenen,
iv) sancties op inbreuken op de statutaire verplichtingen, met name bij niet-betaling van de financiële bijdragen, of op de door de producentenorganisatie vastgestelde regels,
v) regels betreffende de toelating van nieuwe leden, met name betreffende een minimumlidmaatschapsduur,
vi) de voor de werking van de organisatie benodigde boekhoudkundige en budgettaire regels;
e) die door de betrokken lidstaat overeenkomstig lid 2 is erkend.
2. De lidstaten erkennen als producentenorganisatie voor de doeleinden van deze verordening alle producentengroeperingen die een verzoek om die erkenning indienen, mits:
a) zij aan de in lid 1 vervatte eisen voldoen en daartoe strekkend bewijs leveren, waaronder het bewijs dat zij een volgens de procedure van artikel 75 te bepalen minimumaantal leden hebben en over een volgens die procedure te bepalen minimumvolume verkoopbare productie beschikken;
b) voldoende blijkt dat zij hun activiteiten naar behoren, zowel in de tijd gezien als in termen van doeltreffendheid, kunnen uitvoeren;
c) zij daadwerkelijk hun leden in staat stellen technische bijstand te verkrijgen om uit milieuoogpunt deugdelijke teeltpraktijken toe te passen;
d) zij daadwerkelijk hun leden technische hulpmiddelen voor opslag, verpakking en het op de markt afzetten van hun producten ter beschikking stellen, en voor een behoorlijk commercieel en budgettair beheer van hun activiteiten zorg dragen.
1. De lidstaten:
a) nemen binnen drie maanden na de indiening van een met alle nodige bewijsstukken gestaafd erkenningsverzoek, een besluit tot erkenning van een producentenorganisatie;
b) verrichten met geregelde tussenpozen controles op de inachtneming van de erkenningsvoorwaarden door de producentenorganisaties, stellen bij niet-inachtneming de aan die organisaties op te leggen sancties vast en besluiten zo nodig hun erkenning in te trekken;
c) delen binnen twee maanden elk besluit tot verlening, weigering of intrekking van de erkenning aan de Commissie mee.
2. De Commissie vergewist zich, door middel van controles, van de naleving van artikel 39 en van lid 1, onder b), van het onderhavige artikel en verzoekt naar aanleiding van dergelijke controles de lidstaten in voorkomend geval de verleende erkenning in te trekken.
1. Ingeval een in een bepaalde economische regio werkzame producentenorganisatie of groepering van producentenorganisaties die dezelfde regels hebben vastgesteld voor een bepaald product, representatief wordt geacht voor de productie en voor de producenten in die regio, kan de betrokken lidstaat, op verzoek van de betrokken organisatie of groepering, voor de in die regio gevestigde, niet bij één van vorenbedoelde organisaties aangesloten producenten, de in artikel 39, lid 1, onder c), i) bedoelde regels verbindend verklaren.
2. Voor de doeleinden van dit artikel wordt verstaan onder 'economische regio', een geografische zone die wordt gevormd door aan elkaar grenzende of naburige productiegebieden waar de productie- en afzetvoorwaarden homogeen zijn.
3. Een producentenorganisatie of groepering van producentenorganisaties wordt als representatief in de zin van lid 1 beschouwd, wanneer haar leden voor ten minste twee derde uit producenten in de economische regio waarin zij werkzaam is, bestaan en zij ten minste twee derde van de productie van die regio bestrijkt.
4. De regels die voor alle producenten in een bepaalde economische regio verbindend worden verklaard:
a) mogen andere producenten in de lidstaat of in de Gemeenschap niet schaden;
b) gelden, met uitzondering van die inzake verstrekking van productiegegevens, niet voor producten die voor verwerking worden geleverd, in het raam van een vóór het begin van het wijnoogstjaar ondertekend contract tenzij zij die producten uitdrukkelijk bestrijken;
c) mogen niet strijdig zijn met geldende communautaire of nationale bepalingen.
5. De lidstaten stellen de Commissie onverwijld in kennis van de regels die zij voor alle producenten in een bepaalde economische regio verbindend hebben verklaard. Deze regels worden bekendgemaakt in de C-reeks van het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.
6. De Commissie besluit dat de lidstaat de door hem aldus algemeen verbindend verklaarde regels dient in te trekken wanneer:
a) zij vaststelt dat daardoor de mededinging voor een wezenlijk deel van de interne markt wordt uitgesloten of het vrije handelsverkeer wordt belemmerd, dan wel de doelstellingen van artikel 39 van het Verdrag in gevaar worden gebracht;
b) zij vaststelt dat artikel 85, lid 1, van het Verdrag op de algemeen verbindend verklaarde overeenkomsten, besluiten of feitelijke gedragingen van toepassing is. De beschikking van de Commissie inzake de overeenkomsten, besluiten of onderling afgestemde feitelijke gedragingen geldt eerst vanaf de datum waarop dit wordt vastgesteld;
c) zij op grond van achterafcontroles vaststelt dat de bepalingen van dit artikel niet zijn nageleefd.
7. Wanneer lid 1 wordt toegepast, kan de betrokken lidstaat op grond van bewijsstukken besluiten dat niet-aangesloten producenten tegenover de organisatie of, in voorkomend geval, de groepering van organisaties aansprakelijk zijn voor het deel van de door de leden-producenten betaalde financiële bijdragen voorzover deze bijdragen worden gebruikt ter dekking van:
b) de kosten van door de organisatie of de groepering van organisaties verricht wetenschappelijk onderzoek en marktonderzoek en van door deze uitgevoerde verkoopbevordering, die alle producenten in de regio ten goede komen.
8. De lidstaten delen de Commissie de lijst van de in lid 2 bedoelde economische regio's mede. Binnen een maand na de mededeling keurt de Commissie de lijst goed of bepaalt na overleg met de betrokken lidstaat welke wijzigingen de lidstaat daarin moet aanbrengen. De goedgekeurde lijst wordt bekendgemaakt in de C-reeks van het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.
1. Voor de doeleinden van deze verordening wordt verstaan onder 'erkende interprofessionele organisaties', hierna 'interprofessionele organisaties' genoemd, rechtspersonen die:
a) uit vertegenwoordigers bestaan van de verschillende beroepsgroepen die betrokken zijn bij de productie van en/of de handel in en/of de verwerking van de onder deze verordening begrepen producten;
b) op initiatief van alle of van enkele van de daarbij aangesloten organisaties of groeperingen worden opgericht;
c) rekening houdend met de belangen van de consument, in een of meer regio's van de Gemeenschap verscheidene hiernavolgende werkzaamheden uitoefenen:
i) verbetering van de kennis inzake en de doorzichtigheid van de productie en de markt,
ii) bijdragen tot een betere coördinatie van de wijze waarop producten op de markt worden gebracht, in het bijzonder door onderzoek en marktstudies,
iii) opstelling van standaardcontracten die verenigbaar zijn met de Gemeenschapswetgeving,
iv) betere benutting van het productiepotentieel,
v) verschaffing van gegevens en verrichten van onderzoek om de productie te richten op producten die beter op de eisen van de markt en op de smaak en de verwachtingen van de consument zijn afgestemd, met name wat de kwaliteit van de producten en de bescherming van het milieu betreft;
vi) zoeken van methoden die minder gewasbeschermings- en andere productiemiddelen ("inputs") vergen en die de kwaliteit van het product en het behoud van bodem en water waarborgen,
vii) ontwikkeling van methoden en instrumenten om in alle stadia van productie, wijnbereiding en afzet de kwaliteit van het product te verbeteren,
viii) ontwikkeling van het potentieel van en bescherming van biologische landbouw, alsmede van oorsprongsbenamingen, kwaliteitslabels en geografische aanduidingen, en
ix) bevordering van geïntegreerde productie of van andere uit milieuoogpunt deugdelijke productiemethoden;
d) onder de in lid 2 bedoelde voorwaarden door de betrokken lidstaat zijn erkend.
2. De lidstaten kunnen, indien dit op grond van hun structuren verantwoord is, alle op hun grondgebied gevestigde organisaties die het daartoe geëigende verzoek indienen, als interprofessionele organisatie erkennen, mits zij:
a) hun werkzaamheden in een of meer regio's van dat grondgebied uitoefenen;
b) in de betrokken regio of regio's een belangrijk gedeelte van de productie en/of de handel in en/of de verwerking van de onder deze verordening begrepen producten vertegenwoordigen, en zij, indien meer dan één regio daarbij is betrokken, voor elke regio een minimumniveau van representativiteit kunnen aantonen voor elk van de bedrijfs- of beroepstakken die zij omvatten;
c) verscheidene van de in lid 1, onder c), genoemde werkzaamheden uitoefenen;
d) zelf geen onder deze verordening begrepen producten produceren noch verwerken noch op de markt brengen;
e) de goede werking van de gemeenschappelijke marktordening niet doorkruisen en geen van de in artikel 43, lid 1, bedoelde activiteiten uitoefenen.
3. Alvorens een erkenning te verlenen, delen de lidstaten de Commissie mede welke interprofessionele organisaties een verzoek om erkenning als een zodanige organisatie hebben ingediend en verstrekken zij haar alle dienstige inlichtingen betreffende de representativiteit en de werkzaamheden van die organisaties, alsmede alle andere voor een beoordeling benodigde gegevens. De Commissie kan binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving tegen de erkenning bezwaar maken.
4. De lidstaten:
a) nemen binnen drie maanden na indiening van een met alle dienstige bewijsstukken gestaafd verzoek een besluit al dan niet te erkennen;
b) verrichten met geregelde tussenpozen controles om zich ervan te vergewissen dat de interprofessionele organisaties de erkenningsvoorwaarden in acht nemen, stellen de sancties vast die bij niet-inachtneming ervan aan de betrokken organisaties worden opgelegd en besluiten zo nodig tot intrekking van hun erkenning;
c) trekken de erkenning in, indien:
i) niet meer aan de in deze verordening vervatte voorwaarden voor erkenning wordt voldaan,
ii) de interprofessionele organisatie één van de in artikel 43, lid 1, vervatte verbodsbepalingen schendt, onverminderd andere sancties krachtens de nationale wetgeving;
d) stellen de Commissie binnen twee maanden van elk besluit tot verlening, afwijzing of intrekking van de erkenning in kennis.
5. Met betrekking tot de productie van v. q. p. r. d. in een bepaald gebied mag slechts één producentenorganisatie worden erkend.
6. De Commissie gaat na of lid 2 en lid 4, onder b), in acht worden genomen, en kan de lidstaten naar aanleiding daarvan om intrekking van de erkenning verzoeken.
7. De erkenning houdt de machtiging in om overeenkomstig deze verordening de in lid 1, onder c), genoemde werkzaamheden uit te oefenen.
8. De Commissie publiceert in de C-reeks van het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen een lijst van de interprofessionele organisaties die een erkenning hebben verkregen, met vermelding van de economische regio of het gebied waar zij werkzaam zijn, en van hun activiteiten in de zin van artikel 44. Intrekking van een erkenning wordt eveneens bekendgemaakt.
1. Onverminderd artikel 1 van Verordening nr. 26 van de Raad (47) is artikel 85, lid 1, van het Verdrag niet van toepassing op de overeenkomsten, besluiten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen van erkende interprofessionele organisaties ter uitvoering van de in artikel 42, lid 1, onder c), vermelde werkzaamheden, die:
a) niet de vaststelling van prijzen meebrengen, onverminderd door interprofessionele organisaties bij de toepassing van specifieke bepalingen van de communautaire wetgeving getroffen maatregelen;
b) niet tot enigerlei compartimentering van de markten binnen de Gemeenschap leiden;
c) geen discriminaties doen ontstaan noch de concurrentie voor een aanzienlijk deel van de betrokken producten uitsluiten;
d) noch concurrentiedistorsies teweegbrengen die voor het bereiken van de met de activiteit van de interprofessionele organisatie nagestreefde doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid niet noodzakelijk zijn.
2. Een beschikking van de Commissie waarin wordt verklaard dat artikel 85, lid 1, van het Verdrag op de overeenkomst, het besluit of de onderling afgestemde feitelijke gedraging van toepassing is, wordt niet vóór de dag van kennisgeving ervan aan de betrokken interprofessionele organisatie van kracht.
1. Waar een, in een specifieke regio of regio's van een lidstaat werkzame interprofessionele organisatie voor de productie van en/of de handel in en/of de verwerking van een bepaald product representatief wordt geacht, kan de betrokken lidstaat op verzoek van die organisatie bepaalde, binnen die organisatie overeengekomen overeenkomsten, besluiten of onderling afgestemde feitelijke gedragingen voor andere marktdeelnemers die, individueel of in groepen, in de betrokken regio, respectievelijk regio's werkzaam zijn en niet bij die organisatie zijn aangesloten, voor een beperkte duur verbindend verklaren.
2. Een interprofessionele organisatie wordt als representatief in de zin van lid 1 beschouwd, indien zij ten minste twee derde van de productie van en/of de handel in en/of de verwerking van het betrokken product, respectievelijk van de betrokken producten in de betrokken regio, respectievelijk regio's vertegenwoordigt. Ingeval het verzoek om verbindendverklaring van haar regels voor andere marktdeelnemers meer dan één regio omvat, moet de interprofessionele organisatie per betrokken regio voor elk van de bedrijfs- of beroepstakken die zij omvat, een minimumniveau van representativiteit kunnen aantonen.
3. De bepalingen waarvoor om verbindendverklaring voor andere marktdeelnemers kan worden verzocht, moeten één van de onderstaande onderwerpen betreffen:
a) verslaggeving over productie en markt;
b) striktere productieregels dan die welke in communautaire of nationale bepalingen zijn vervat;
c) opstelling van met de communautaire wetgeving verenigbare standaardcontracten;
d) regels inzake het op de markt brengen;
e) regels inzake milieubescherming;
f) maatregelen ter bevorderingen van de verkoop van de producten en ter benutting van het potentieel ervan;
g) maatregelen ter bescherming van biologische landbouw alsmede van oorsprongsbenamingen, kwaliteitslabels en geografische aanduidingen.
Deze bepalingen moeten reeds ten minste één jaar van kracht zijn; zij mogen voor niet meer dan drie wijnoogstjaren verbindend worden verklaard en zij mogen in geen enkel opzicht andere marktdeelnemers in de lidstaat of in de Gemeenschap schaden.
1. De lidstaten stellen de Commissie onverwijld in kennis van de regels die zij voor alle marktdeelnemers in een of meer specifieke regio's verbindend hebben verklaard. Deze regels worden bekendgemaakt in de C-reeks van het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.
2. Alvorens bekendmaking geschiedt, brengt de Commissie het comité waarin in artikel 75 is voorzien, op de hoogte van elke kennisgeving van verbindendverklaring van interprofessionele overeenkomsten.
3. De Commissie neemt het besluit dat in de in artikel 41, lid 6, bedoelde omstandigheden de lidstaat de verbindendverklaring waartoe deze heeft besloten, dient in te trekken.
4. In de gevallen waarin de regels voor een of meer producten verbindend worden verklaard en waarin een of meer van de in artikel 44, lid 3, eerste alinea, bedoelde activiteiten door een interprofessionele organisatie worden uitgeoefend en voor die natuurlijke personen of rechtspersonen wier activiteiten met een of meer van de betrokken producten verband houden, van algemeen economisch belang zijn, kan de lidstaat die de erkenning heeft verleend, bepalen dat ook de niet bij de organisatie aangesloten personen of groepen die bij deze activiteiten voordeel hebben, aan de organisatie de volledige door de leden betaalde financiële bijdragen, of een gedeelte daarvan, moeten betalen, voorzover die bijdragen zijn bestemd om de rechtstreeks als gevolg van de uitoefening van de betrokken activiteiten gemaakte kosten te dekken.
TITEL V OENOLOGISCHE PROCÉDÉS EN BEHANDELINGEN ALSMEDE PRODUCTSPECIFICATIES; OMSCHRIJVING, AANDUIDING, AANBIEDINGSVORM EN BESCHERMING
1. Voor de bereiding van de onder deze verordening begrepen producten, behalve druivensap en geconcentreerd druivensap alsmede druivenmost en geconcentreerde druivenmost bestemd voor de vervaardiging van druivensap, worden toegestane communautaire oenologische procédés en behandelingen vastgesteld.
2. Oenologische procédés en behandelingen mogen slechts worden toegepast om een goede vinificatie, een goede bewaring of een goede ontwikkeling van het product te waarborgen.
3. Van de toegestane oenologische procédés en behandelingen is de toevoeging van water uitgesloten, tenzij in gevallen waarin het een specifieke technische noodzaak is, en eveneens de toevoeging van alcohol, behalve voor vers druivensap waarvan de gisting door de toevoeging van alcohol wordt gestuit, van likeurwijn, mousserende wijn, parelwijn en distillatiewijn.
4. De lidstaten kunnen met betrekking tot de oenologische procédés, behandelingen en de productspecificaties strengere voorwaarden stellen om het behoud van de wezenlijke kenmerken van v. q. p. r. d., van op hun grondgebied geproduceerde en met een geografische aanduiding omschreven tafelwijnen, van mousserende wijnen en van likeurwijnen te waarborgen. Zij delen deze voorwaarden aan de Commissie mee, die deze ter kennis van de andere lidstaten brengt.
5. Tenzij anders is besloten, mogen slechts druiven van rassen die in de overeenkomstig artikel 19 opgestelde indeling als wijndruivenras zijn ingedeeld, of daaruit verkregen producten, in de Gemeenschap worden gebruikt voor de bereiding van:
a) druivenmost waarvan de gisting door de toevoeging van alcohol is gestuit;
b) geconcentreerde druivenmost;
c) gerectificeerde geconcentreerde druivenmost;
d) wijn die geschikt is om tafelwijn op te leveren;
e) tafelwijn;
f) v. q. p.r. d.;
g) likeurwijn;
1. De toegestane oenologische procédés en behandelingen met betrekking tot verrijking, aanzuring, ontzuring en verzoeting alsmede de voorschriften inzake het zwaveldioxidegehalte en het maximumgehalte aan vluchtige zuren zijn vastgesteld in bijlage IV, delen A tot en met G.
2. De toegestane oenologische procédés en behandelingen alsmede de voorschriften betreffende de bereiding van mousserende wijn zijn vastgesteld in bijlage IV, deel H. Deze voorschriften gelden niet voor mousserende dieetwijn.
3. De toegestane oenologische procédés en behandelingen alsmede de voorschriften betreffende de likeurwijnbereiding zijn vastgesteld in bijlage IV, deel I.
1. Van de onder de GN-codes 2204 10, 2204 21 en 2204 29 begrepen producten mogen slechts likeurwijnen, mousserende wijnen, mousserende wijnen waaraan koolzuur is toegevoegd, parelwijnen, parelwijnen waaraan koolzuur is toegevoegd, v. q. p. r. d. en, in voorkomend geval, in afwijking van artikel 49, lid 1, legaal ingevoerde wijnen en tafelwijnen voor rechtstreekse menselijke consumptie in de Gemeenschap worden aangeboden, respectievelijk afgeleverd.
2. Met uitzondering van wijn in flessen waarvoor bewijs bestaat dat deze vóór 1 september 1971 is gebotteld, mag andere wijn dan v. q. p. r. d., die verkregen is van de in artikel 46, lid 5, bedoelde wijnstokrassen, maar niet beantwoordt aan de in bijlage I, punten 12 tot en met 18, vermelde definities, slechts voor consumptie door de individuele wijnboer en diens gezin, voor de vervaardiging van wijnazijn of voor distillatie worden gebruikt.
3. In jaren waarin de weersomstandigheden ongunstig zijn geweest, kan worden besloten dat producten uit de wijnbouwzones A en B die niet het voor de betrokken wijnbouwzone vastgestelde minimum aan natuurlijk alcoholvolumegehalte bezitten, in de Gemeenschap voor de productie van mousserende wijn of mousserende wijn waaraan koolzuur is toegevoegd, mogen worden gebruikt, mits deze wijnen een effectief alcoholvolumegehalte van ten minste 8,5 % vol hebben, of voor de productie van parelwijn waaraan koolzuur is toegevoegd. In dat geval gelden ten aanzien van de verrijking de grenzen bedoeld in bijlage IV, deel D, punt 5.
4. Onverminderd eventuele strengere bepalingen die de lidstaten voor de bereiding, op hun grondgebied, van niet onder de GN-codes 2204 10, 2204 21 en 2204 29 begrepen producten toepassen, mag verse druivenmost waarvan de gisting door toevoeging van alcohol is gestuit, slechts voor de bereiding van die producten worden gebruikt.
5. Wijn mag niet uit druivensap en uit geconcentreerd druivensap worden bereid en deze producten mogen niet aan wijn worden toegevoegd. Het gebruik van deze producten wordt gecontroleerd. Het is verboden deze producten op het grondgebied van de Gemeenschap tot alcoholische vergisting te brengen.
6. De leden 4 en 5 zijn niet van toepassing op producten die zijn bestemd voor de productie, in het Verenigd Koninkrijk en in Ierland, van onder GN-code 2206 00 begrepen producten, waarvoor de lidstaten overeenkomstig de op grond van artikel 51 vastgestelde bepalingen het gebruik van een samengestelde benaming waarin het woord 'wijn' voorkomt, mogen toestaan.
7. Wijn die geschikt is om tafelwijn, die niet het minimum effectieve alcoholvolumegehalte voor tafelwijnen bereikt op te leveren, mag niet in het verkeer worden gebracht behoudens voor de productie van mousserende wijn, voor azijnbereiding, voor distillatie of voor ander industrieel gebruik. Verrijking van die wijn en versnijding ervan met tafelwijn teneinde het effectieve alcoholvolumegehalte ervan tot het voor tafelwijn voorgeschreven peil te verhogen, mag slechts in de bedrijfsruimte van de wijnbereider of voor diens rekening geschieden.
8. Wijn noch andere voor rechtstreekse menselijke consumptie bestemde dranken, met uitzondering van alcohol, gedistilleerde dranken en piquette, mogen uit wijnmoer of druivendraf worden geproduceerd.
9. Piquette, voorzover de vervaardiging ervan door de betrokken lidstaat wordt toegestaan, mag slechts voor distillatie of voor consumptie door de individuele wijnboer en diens gezin worden gebruikt.
10. Distillatiewijn mag alleen voor distillatie worden gebruikt. Evenwel mag ingevoerde distillatiewijn voor de bereiding van gedistilleerde dranken worden gebruikt.
11. Gedeeltelijk gegiste druivenmost van ingedroogde druiven mag slechts voor de vervaardiging van likeurwijnen op de markt worden gebracht en alleen in die wijnbouwgebieden waar op 1 januari 1985 dit gebruik tot de traditie behoort.
De volgende producten mogen niet voor rechtstreekse menselijke consumptie worden aangeboden of worden afgezet:
a) onder de GN-codes 2204 10, 2204 21, 2204 29 en 2204 30 10 begrepen producten, ongeacht of deze al dan niet zijn ingevoerd, waarop oenologische procédés zijn toegepast die niet bij communautaire of, waar zulks is toegelaten, bij nationale voorschriften zijn toegestaan;
b) producten als bedoeld in artikel 1, lid 2, onder a), b) en c), wanneer zij niet van gezonde handelskwaliteit zijn;
1. Nadere bepalingen voor de toepassing van dit hoofdstuk en van bijlage IV worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 75. Deze bepalingen betreffen met name:
a) wat bijlage IV, deel A, betreft: de overgangsmaatregelen voor wijnen die vóór 1 september 1986 zijn geproduceerd en de wijzigingen van de lijsten van wijnen in punt 2;
b) de besluiten, uitzonderingen, afwijkingen, voorwaarden en lijsten bedoeld in dit hoofdstuk en in bijlage IV;
c) de toepassing van bijlage IV, delen C tot en met G, op producten die zijn geoogst in regio's van de Gemeenschap welke niet in de in bijlage III vermelde wijnbouwzones zijn genoemd, en
d) wat bijlage IV, deel I, betreft: de in punt 2, onder b), en in punt 6 bedoelde lijsten, de in punt 4, onder b), bedoelde afwijkingen en de in punt 6 daarvan bedoelde registratieprocedure.
2. Volgens de procedure van artikel 75 worden de volgende bepalingen vastgesteld:
a) de toegestane oenologische procédés en behandelingen, andere dan die welke zijn vermeld in bijlage IV, delen C tot en met I, voor de productie en de bewaring van de in artikel 46, lid 1, bedoelde producten;
b) bepalingen inzake vermenging en versnijding van most en wijn; indien in vermenging van witte en rode wijn is voorzien, mag het aandeel witte wijn in het eindproduct niet meer zijn dan 10 %;
c) specificaties met betrekking tot de zuiverheid en de identiteit van de bij de oenologische procédés te gebruiken stoffen;
d) administratieve voorschriften voor de uitvoering van de toegestane oenologische procédés en behandelingen; daarin kan worden bepaald dat sommige oenologische procédés en behandelingen slechts mogen worden toegepast onder toezicht van een door de lidstaat erkende persoon die voldoende deskundig is om de kwaliteit, de hygiëne en de gezondheid van het product te garanderen;
e) de voorwaarden voor het voorhanden hebben, het in het verkeer brengen en het gebruik van de producten als bedoeld in artikel 49, of lijsten van producten waarvoor de in dat artikel bepaalde eisen niet in acht behoeven te worden genomen, en de vaststelling van criteria om in individuele gevallen hardheid te voorkomen, de voorwaarden waarop de lidstaten het voorhanden hebben, in het verkeer brengen en gebruik van producten toestaan die niet aan de bepalingen van deze verordening, andere dan die bedoeld in artikel 49, onder a), of niet aan de krachtens deze verordening vastgestelde bepalingen voldoen, en
f) de voorwaarden voor het experimenteel gebruik van anders niet toegestane oenologische procédés en behandelingen.
3. De analysemethoden waarmee de samenstelling van de onder deze verordening begrepen producten wordt bepaald en de voorschriften aan de hand waarvan kan worden bepaald of deze producten behandelingen hebben ondergaan die met de toegestane oenologische procédés strijdig zijn, worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 75;
Volgens dezelfde procedure worden, zo nodig, vastgesteld maximumwaarden voor stoffen waarvan de aanwezigheid aangeeft dat bepaalde oenologische procédés zijn gebruikt en tabellen aan de hand waarvan de analytische gegevens kunnen worden vergeleken.
Wanneer evenwel voor de opsporing en de quantificering van stoffen waarnaar in het betrokken product wordt gezocht, niet in communautaire analysemethoden of in voorschriften als bedoeld in de eerste alinea is voorzien:
a) worden de analysemethoden gebruikt die door de algemene vergadering van het 'Office International de la Vigne et du Vin' (OIVV) zijn erkend en door het OIVV zijn gepubliceerd, of
b) wordt, wanneer geen van de onder a) bedoelde analysemethoden passend is, een analysemethode gebruikt die voldoet aan de door de Internationale Organisatie voor Normalisatie (ISO) aanbevolen normen, of
c) wordt, wanneer een van de onder a) of b) bedoelde methoden ontbreekt, gelet op de nauwkeurigheid, de herhaalbaarheid en de reproduceerbaarheid ervan, een van de volgende methoden toegepast:
ii) indien nodig, een andere geschikte analysemethode.
Automatische analysemethodes die in plaats van een communautaire analysemethode worden gebruikt, worden geacht gelijkwaardig te zijn aan de in de eerste alinea bedoelde communautaire analysemethodes, mits volgens de procedure van artikel 75 wordt vastgesteld dat de verkregen resultaten, wat de nauwkeurigheid, de herhaalbaarheid en de reproduceerbaarheid ervan betreft, ten minste gelijkwaardig zijn aan die welke met de overeenkomstige communautaire methode worden verkregen.
1. Voor de omschrijving, de aanduiding en de aanbiedingsvorm van de onder deze verordening begrepen producten worden voorschriften vastgesteld. Bij deze voorschriften wordt met name rekening gehouden met de volgende doelstellingen:
a) de bescherming van de wettige consumentenbelangen;
b) de bescherming van de wettige producentenbelangen;
d) de bevordering van de productie van kwaliteitsproducten.
2. De voorschriften bevatten met name bepalingen die:
a) het gebruik van bepaalde termen verplicht stellen;
b) het gebruik, onder voorwaarden, van bepaalde termen toelaten;
c) het gebruik van bepaalde termen toelaten, mits de gebruiker in staat is de juistheid ervan te bewijzen;
d) het gebruik van geografische aanduidingen en traditionele termen voor v. q. p. r. d. en bepaalde tafelwijnen regelen, en
e) de bescherming van en de controle op het gebruik van bepaalde termen regelen, met inbegrip van die welke voor v. q. p. r. d. worden gebruikt. Deze bescherming kan zich uitstrekken tot andere producten dan die welke in artikel 1, lid 2, zijn vermeld.
3. De in lid 2, onder e), bedoelde beschermings- en controleregelingen mogen ook worden toegepast op de afzet op de markt in de Gemeenschap van voor rechtstreekse menselijke consumptie bestemde ingevoerde wijn die een geografische aanduiding heeft, op voorwaarde dat wederkerigheid geldt.
4. Het bepaalde in lid 3 moet ten uitvoer worden gelegd door middel van overeenkomsten met de betrokken derde landen waarvoor de onderhandelingen en waarvan de sluiting volgens de procedure van artikel 113 van het Verdrag geschieden.
1. De lidstaten nemen de nodige maatregelen om de belanghebbende partijen in staat te stellen om, overeenkomstig de bepalingen in de artikelen 23 en 24 van de Overeenkomst inzake handelsgerelateerde aspecten van intellectuele eigendom, te voorkomen dat in de Gemeenschap een geografische aanduiding voor de in artikel 1, lid 2, onder b), bedoelde producten wordt gebruikt voor producten die niet van oorsprong zijn uit de plaats die met de betrokken geografische aanduiding wordt aangegeven, zelfs indien de werkelijke oorsprong van de goederen wordt vermeld of de geografische aanduiding in een vertaling wordt gebruikt of vergezeld gaat van uitdrukkingen als 'trant', 'soort', 'wijze', 'imitatie' en dergelijke.
2. Voor de doeleinden van dit artikel wordt verstaan onder 'geografische aanduiding', een aanduiding die aangeeft dat het product van oorsprong is uit het grondgebied van een derde land dat lid is van de Wereldhandelsorganisatie, of van een regio of plaats binnen dat grondgebied, wanneer een bepaalde kwaliteit, faam of enig ander kenmerk van het product hoofdzakelijk aan die geografische plaats van oorsprong kan worden toegeschreven.
3. De leden 1 en 2 zijn van toepassing ongeacht andere specifieke bepalingen van de communautaire wetgeving tot vaststelling van voorschriften inzake de aanduiding en de aanbiedingsvorm van de onder deze verordening begrepen producten.
Nadere bepalingen voor de toepassing van dit hoofdstuk worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 75.
1. Met 'in bepaalde gebieden voortgebrachte kwaliteitswijnen' (v. q. p. r. d.) worden wijnen bedoeld die beantwoorden aan de bepalingen van deze titel.
2. De categorie v. q. p. r. d. bestrijkt de volgende subcategorieën:
a) 'in bepaalde gebieden voortgebrachte kwaliteitslikeurwijnen', hierna 'v. l. q. p. r. d.' genoemd, die aan de definitie van likeurwijn beantwoorden;
b) 'in bepaalde gebieden voortgebrachte mousserende kwaliteitswijnen', hierna 'v. m. q. p. r. d.' genoemd, die aan de definitie van mousserende wijn, met inbegrip van aromatische v. q. p. r. d. beantwoorden;
c) 'in bepaalde gebieden voortgebrachte kwaliteitsparelwijnen', hierna 'v. p. q. p. r. d.' genoemd, die aan de definitie van parelwijn beantwoorden, en
d) andere v. q. p. r. d. dan die vermeld onder a), b) en c).
3. Producten die geschikt zijn om een tafelwijn op te leveren, worden aangemerkt als:
a) wijnstokrassen;
b) verse druiven;
c) druivenmost;
d) gedeeltelijk gegiste druivenmost;
e) jonge, nog gistende wijnen;
f) wijn.
4. Onder 'mousserende kwaliteitswijnen' worden verstaan, mousserende wijnen, andere dan in bepaalde gebieden voortgebrachte mousserende kwaliteitswijnen, die aan de in bijlage V, deel K, vervatte eisen voldoen.
5. De lidstaten verstrekken de Commissie de lijst van door hen erkende v. q. p. r. d., met opgave, voor elk van deze v. q. p. r. d., de bijzondere nationale bepalingen die voor de productie en de bereiding van deze v. q. p. r. d. gelden.
6. De Commissie maakt de lijst bekend in de C-reeks van het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.
1. Onverminderd op grond van artikel 57, lid 1, onder a), vastgestelde nationale voorschriften berusten de bepalingen betreffende de productie van v. q. p. r. d., rekening houdend met de traditionele productieomstandigheden voorzover deze aan het op kwaliteitsverbetering gerichte beleid en aan de verwezenlijking van de interne markt, geen afbreuk doen op de volgende factoren:
a) de begrenzing van het productiegebied;
b) de wijnstokrassen;
c) de teeltmethoden;
d) de wijnbereidingsmethoden;
e) het minimale natuurlijke alcoholvolumegehalte;
f) de opbrengst per hectare;
g) de analyse en de beoordeling van de organoleptische kenmerken.
2. De in lid 1 bedoelde bepalingen zijn in de delen A tot en met J van bijlage V opgenomen.
3. De bepalingen in bijlage V, deel K, zijn slechts van toepassing op mousserende kwaliteitswijn en v. m. q. p. r. d. De bepalingen in bijlage V, deel L, zijn slechts van toepassing op v. l. q. p. r. d.
1. De lidstaten stellen bepalingen vast die voorzien in de mogelijkheid voor:
a) een producent om, in het productiestadium:
i) te verzoeken om een product dat in zijn oogst- of productieopgave voorkomt als een product dat geschikt is om v. q. p. r. d. op te leveren, niet als v. q. p. r. d. in te delen, of
ii) een v. q. p. r. d. te declasseren tot, met name, een tafelwijn;
b) de door de lidstaten aan te wijzen bevoegde instantie om, in het productiestadium, een v. q. p. r. d. te declasseren.
2. Declassering van een v. q. p. r. d. in het afzetstadium gebeurt:
a) door de bevoegde instantie van de lidstaat op het grondgebied waarvan de wijn zich bevindt:
ii) wanneer het kleine hoeveelheden betreft, die door de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, op voorstel van de Commissie, worden vastgesteld;
b) door de bevoegde instantie van de lidstaat van oorsprong van de wijn, in andere gevallen dan bedoeld onder a).
3. Tot declassering als bedoeld in lid 2 zal met name worden besloten wanneer de bevoegde instantie heeft vastgesteld dat:
a) de wijn tijdens de opslag of het vervoer een verandering heeft ondergaan die tot een aantasting of een ongunstige ontwikkeling van de eigenschappen van de betrokken v. q. p. r. d. heeft geleid;
1. De lidstaten kunnen, rekening houdende met eerlijke en vaste handelspraktijken, onverminderd de in artikel 55 genoemde factoren, andere productievoorwaarden en kenmerken vaststellen die voor v. q. p. r. d. verplicht in acht moeten worden genomen.
Onverminderd de andere in deze verordening vervatte bepalingen kunnen de lidstaten, rekening houdende met eerlijke en vaste handelspraktijken, aanvullende of strengere kenmerken of voorwaarden voor de productie, de bereiding en het vervoer van de op hun grondgebied voortgebrachte v. q. p. r. d. vaststellen.
2. De lidstaten kunnen krachtens lid 1, tweede alinea, met name het maximumgehalte restsuiker van een v. q. p. r. d., vooral met betrekking tot de verhouding tussen het effectieve alcoholvolumegehalte en de restsuiker, vaststellen.
Nadere bepalingen voor de toepassing van deze titel en van bijlage V worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 75. Deze bepalingen kunnen met name bevatten:
a) de daarin bedoelde besluiten, uitzonderingen, afwijkingen en lijsten;
b) de bepaling van gebieden in de onmiddellijke nabijheid van een bepaald gebied, daarbij met name rekening houdende met de geografische situatie en de administratieve structuren;
c) het gebruik dat van gedeclasseerde v. q. p. r. d. moet worden gemaakt en de voorwaarden voor dat gebruik;
d) passende bepalingen betreffende de systematische en algemene toepassing van organoleptische tests, het gebruik dat van wijnen moet worden gemaakt die niet aan de eisen van de tests en de voorwaarden voor dat gebruik voldoen, en
e) voorschriften betreffende de productie van aromatische mousserende kwaliteitswijnen en aromatische v. m. q. p. r. d..
1. Voor invoer in de Gemeenschap van de in artikel 1, lid 2, onder a) en b), genoemde producten moet een invoercertificaat worden overgelegd. Voor invoer in de Gemeenschap van de overige in artikel 1, lid 2, genoemde producten en voor uitvoer uit de Gemeenschap van de in artikel 1, lid 2, bedoelde producten kan tot overlegging van een invoer-, respectievelijk uitvoercertificaat worden verplicht.
2. Certificaten worden, onverminderd de bepalingen voor de toepassing van de artikelen 62 en 63, door de lidstaten aan elke, daarom verzoekende belanghebbende, ongeacht diens plaats van vestiging in de Gemeenschap, afgegeven.
De certificaten zijn in de gehele Gemeenschap geldig.
De afgifte van deze certificaten is afhankelijk van het stellen van een zekerheid om te waarborgen dat de producten tijdens de geldigheidsduur van het certificaat worden in-, respectievelijk uitgevoerd; behoudens gevallen van overmacht wordt deze zekerheid geheel of gedeeltelijk verbeurd wanneer niet of slechts ten dele binnen deze termijn wordt in-, respectievelijk uitgevoerd.
3. Volgens de procedure van artikel 75 worden vastgesteld:
a) de lijst van producten waarvoor invoer- of uitvoercertificaten worden geëist;
b) de geldigheidsduur van de certificaten en andere nadere bepalingen voor de toepassing van dit artikel.
1. Behoudens andersluidende bepalingen in deze verordening gelden voor de in artikel 1, lid 2, bedoelde producten de rechten van het gemeenschappelijk douanetarief.
2. Voor druivensap en druivenmost van de GN-codes 2009 60 en 2204 30, waarvoor de toepassing van de rechten van het gemeenschappelijk douanetarief afhankelijk is van de invoerprijs van het ingevoerde product, wordt het werkelijke bedrag van die prijs geverifieerd, hetzij door controle van elke zending, hetzij aan de hand van door de Commissie op basis van de prijsnoteringen voor dezelfde producten in de landen van oorsprong berekende forfaitaire waarde bij invoer.
Wanneer de aangegeven invoerprijs van de zending hoger is dan de forfaitaire waarde bij invoer, indien deze van toepassing is, verhoogd met een overeenkomstig lid 3 vastgestelde marge die de forfaitaire waarde met niet meer dan 10 % mag overschrijden, moet een zekerheid worden gesteld die gelijk is aan de op basis van de forfaitaire waarde bij invoer vastgestelde invoerrechten.
Wanneer in het in de tweede alinea bedoelde geval de invoerprijs van de zending niet wordt aangegeven, is de toepassing van de rechten van het gemeenschappelijk douanetarief afhankelijk van de forfaitaire waarde bij invoer of van de toepassing, onder overeenkomstig lid 3 te bepalen voorwaarden, van de relevante bepalingen van de douanewetgeving.
3. Nadere bepalingen voor de toepassing van dit artikel worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 75. Deze bepalingen betreffen met name de vaststelling van de criteria om te bepalen welke controleregeling van toepassing is en welke factoren voor de berekening van de forfaitaire waarden bij invoer in aanmerking moeten worden genomen.
1. Om de nadelige gevolgen voor de markt in de Gemeenschap die uit invoer van bepaalde in artikel 1, lid 2, bedoelde producten kunnen voortvloeien, te voorkomen of deze te beperken, wordt invoer van een of meer van die producten tegen het in het gemeenschappelijk douanetarief vastgestelde recht aan de betaling van een aanvullend invoerrecht onderworpen, indien aan de voorwaarden is voldaan van artikel 5 van de Overeenkomst inzake de landbouw die overeenkomstig artikel 228 van het Verdrag in het raam van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguay-ronde is gesloten, tenzij het onwaarschijnlijk is dat de invoer de communautaire markt verstoort of de gevolgen niet in verhouding staan tot het beoogde doel.
2. De prijzen waarbeneden een aanvullend invoerrecht kan worden toegepast, zijn de door de Gemeenschap aan de Wereldhandelsorganisatie doorgegeven prijzen.
De hoeveelheden die voor de toepassing van een aanvullend invoerrecht moeten worden overschreden, worden vastgesteld met name op basis van de invoer in de Gemeenschap tijdens de drie jaren die voorafgaan aan het jaar waarin de in lid 1 bedoelde nadelige gevolgen zich hebben voorgedaan of zich dreigen voor te doen.
3. De invoerprijzen die voor de toepassing van een aanvullend invoerrecht in aanmerking dienen te worden genomen, worden vastgesteld op basis van de cif-invoerprijzen van de betrokken zending.
De cif-invoerprijzen worden daartoe geverifieerd aan de hand van de representatieve prijzen voor het betrokken product op de wereldmarkt of op de communautaire invoermarkt voor dat product.
4. De Commissie stelt volgens de procedure van artikel 75 nadere bepalingen vast voor de toepassing van dit artikel. Deze bepalingen betreffen met name:
a) de producten waarop aanvullende invoerrechten worden toegepast overeenkomstig artikel 5 van de overeenkomst inzake de landbouw;
b) de overige criteria die voor de toepassing van lid 1 noodzakelijk zijn overeenkomstig artikel 5 van genoemde overeenkomst.
1. Tariefcontingenten voor de onder deze verordening begrepen producten, die uit overeenkomstig artikel 228 van het Verdrag gesloten overeenkomsten of uit enig ander besluit van de Raad voortvloeien, worden door de Commissie geopend en beheerd overeenkomstig nadere bepalingen die worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 75.
2. De contingenten worden beheerd volgens een van de onderstaande methoden of volgens een combinatie ervan:
a) op basis van de chronologische volgorde waarin de aanvragen zijn ingediend (het beginsel 'wie het eerst komt, het eerst maalt');
b) evenredige verdeling op basis van de bij de indiening van de aanvragen verlangde hoeveelheden (de methode 'gelijktijdig onderzoek');
c) rekening houdend met de traditionele handelsstromen (de methode 'traditionele invoerder/nieuwkomers').
Nog andere passende methoden kunnen worden vastgesteld. Deze moeten elke vorm van discriminatie tussen de betrokken marktdeelnemers vermijden.
3. Bij de vastgestelde beheersmethode wordt, in voorkomend geval, rekening gehouden met de voorzieningsbehoeften van de markt van de Gemeenschap en met de noodzaak het evenwicht op deze markt te vrijwaren, waarbij tegelijkertijd kan worden uitgegaan van de methoden die in het verleden zijn gehanteerd voor contingenten die overeenkomen met die welke in lid 1 zijn bedoeld, onverminderd de rechten die uit in het raam van de handelsbesprekingen van de Uruguay-ronde gesloten overeenkomsten voortvloeien.
4. De in lid 1 bedoelde nadere bepalingen voorzien in contingenten op jaarbasis, waar nodig op passende wijze over het jaar gespreid, en in de vaststelling van de toe te passen beheersmethode; zij behelzen zo nodig:
a) waarborgen ten aanzien van de aard, de herkomst en de oorsprong van het product;
b) de erkenning van het document aan de hand waarvan de onder a) bedoelde waarborgen kunnen worden gecontroleerd, en
1. Voorzover nodig om de uitvoer mogelijk te maken van:
a) de in artikel 1, lid 2, onder a), b) en c), bedoelde producten,
b) suikers van GN-code 1701, glucose en glucosestroop van de GN-codes 1702 30 91, 1702 30 99, 1702 40 90 en 1702 90 50, ook in de vorm van producten van de GN-codes 1702 30 51 en 1702 30 59, verwerkt in producten van de GN-codes 2009 60 11, 2009 60 71, 2009 60 79 en 2204 30 99,
op basis van prijzen voor die producten in de internationale handel en binnen de grenzen die uit de overeenkomstig artikel 228 van het Verdrag gesloten overeenkomsten voortvloeien, mag het verschil tussen die prijzen en de prijzen in de Gemeenschap door een restitutie bij uitvoer worden overbrugd.
2. Voor de toewijzing van de hoeveelheden die met restitutie mogen worden uitgevoerd, wordt de methode vastgesteld:
a) die voor de aard van het product en de betrokken marktsituatie het passendst is, zodat, rekening houdend met de doeltreffendheid en de structuur van de uitvoer van de Gemeenschap, de beschikbare middelen zo doeltreffend mogelijk kunnen worden benut, zonder evenwel discriminatie tussen grote en kleine marktdeelnemers te veroorzaken;
b) die, gezien de beheerseisen, voor marktdeelnemers administratief het minst belastend is;
c) waarmee discriminatie tussen de betrokken marktdeelnemers wordt uitgesloten.
3. Restituties zijn voor de gehele Gemeenschap gelijk. Zij kunnen naar bestemming worden gedifferentieerd, indien dit wegens de situatie op de wereldmarkt of de specifieke vereisten van bepaalde markten noodzakelijk is.
De in lid 1, onder a), bedoelde restituties worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 75. Dit geschiedt periodiek.
De periodiek vastgestelde restituties kunnen, zo nodig, door de Commissie eigener beweging of op verzoek van een lidstaat tussentijds worden gewijzigd.
De bepalingen van artikel 64 betreffende de daarin bedoelde producten zijn aanvullend van toepassing.
4. Restituties worden uitsluitend op aanvraag en op overlegging van het relevante uitvoercertificaat toegekend.
5. De restitutie bij uitvoer van de in artikel 1 genoemde producten is die welke op de dag van de aanvraag van het certificaat geldt en, in geval van een gedifferentieerde restitutie, die welke op dezelfde dag geldt:
a) voor de op het certificaat aangegeven bestemming of, in voorkomend geval,
b) voor de werkelijke bestemming, indien deze afwijkt van de op het certificaat aangegeven bestemming. In dat geval mag het toepasselijke bedrag niet hoger zijn dan het bedrag dat voor de op het certificaat vermelde bestemming geldt.
Passende maatregelen mogen worden getroffen om te voorkomen dat van de flexibiliteit waarin dit lid voorziet, misbruik wordt gemaakt.
6. Voor de in artikel 1 bedoelde producten waarvoor in het kader van voedselhulpacties restituties worden uitgekeerd, kan volgens de procedure van artikel 75 van de bepalingen van de leden 4 en 5 worden afgeweken.
7. De inachtneming van de volumelimieten die uit de overeenkomstig artikel 228 van het Verdrag gesloten overeenkomsten voortvloeien, wordt gewaarborgd door middel van de uitvoercertificaten die worden afgegeven voor de daarin vermelde en op de betrokken producten van toepassing zijnde referentieperiodes.
Wat de naleving van de verplichtingen betreft die uit de in het raam van de handelsbesprekingen van de Uruguay-ronde gesloten overeenkomsten voortvloeien, doet het verstrijken van een referentieperiode geen afbreuk aan de geldigheid van de uitvoercertificaten.
8. Nadere bepalingen voor de toepassing van dit artikel, met inbegrip van bepalingen betreffende de herverdeling van niet toegewezen of niet benutte hoeveelheden die voor uitvoer in aanmerking komen, worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 75.
1. Dit artikel is van toepassing op de in artikel 63, lid 1, bedoelde restituties.
2. Het restitutiebedrag voor de in artikel 63, lid 1, onder b), bedoelde producten is:
a) voor ruwe suiker en voor witte suiker, het bedrag van de uitvoerrestitutie voor deze producten in ongewijzigde staat, dat is vastgesteld overeenkomstig artikel 17 van Verordening (EEG) nr. 1785/81 van de Raad (48) en overeenkomstig de voor de toepassing daarvan vastgestelde bepalingen;
b) voor glucose en voor glucosestroop, het bedrag van de uitvoerrestitutie voor deze producten in ongewijzigde staat, dat is vastgesteld overeenkomstig artikel 13 van Verordening (EEG) nr. 1766/92 van de Raad (49) en overeenkomstig de voor de toepassing daarvan vastgestelde bepalingen.
Om voor de restitutie in aanmerking te komen, moeten de verwerkte producten bij uitvoer vergezeld gaan van een verklaring van de aanvrager waarin de bij de vervaardiging gebruikte hoeveelheden ruwe suiker, witte suiker, glucose en glucosestroop worden aangegeven.
De juistheid van deze verklaring wordt door de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaat gecontroleerd.
3. Bij de vaststelling van de restituties wordt het volgende in aanmerking genomen:
a) de bestaande situatie en de vermoedelijke vooruitzichten met betrekking tot:
i) de prijzen en de beschikbaarheid van de in artikel 63, lid 1, genoemde producten op de markt van de Gemeenschap,
ii) de prijzen voor die producten op de wereldmarkt;
b) de gunstigste afzetkosten en kosten voor vervoer van de markten van de Gemeenschap naar de havens of naar andere uitvoerplaatsen in de Gemeenschap, alsmede de kosten van verzending naar het land van bestemming;
c) de doelstellingen van de gemeenschappelijke ordening van de wijnmarkt, die erin bestaan een evenwichtige situatie op de markten en een natuurlijke ontwikkeling wat prijzen en handelsverkeer betreft, te waarborgen;
d) de limieten die uit de overeenkomstig artikel 228 van het Verdrag gesloten overeenkomsten voortvloeien;
e) de noodzaak om verstoringen op de markt van de Gemeenschap te voorkomen;
f) het economische aspect van de beoogde uitvoer.
4. De in lid 63, lid 1, bedoelde marktprijzen in de Gemeenschap worden bepaald op grond van de gunstigste uitvoerprijzen.
Bij de vaststelling van de in artikel 63, lid 1, bedoelde prijzen in de internationale handel wordt rekening gehouden met:
a) de op de markten van derde landen genoteerde prijzen;
b) de gunstigste prijzen in derde landen van bestemming bij invoer uit derde landen;
c) de in de uitvoerende derde landen geconstateerde producentenprijzen, in voorkomend geval rekening houdend met door deze landen toegekende subsidies;
d) de aanbiedingsprijzen franco grens Gemeenschap.
5. Onverminderd artikel 63, lid 3, derde alinea, worden de regelmaat waarmee de vaststelling van de lijst van producten waarvoor daadwerkelijk een restitutie wordt toegekend, dient te geschieden, alsmede het bedrag van die restitutie vastgesteld volgens de procedure van artikel 75.
6. De restitutie wordt betaald wanneer het bewijs wordt geleverd dat de producten:
a) van oorsprong uit de Gemeenschap zijn,
c) in geval van een gedifferentieerde restitutie, de op het certificaat vermelde bestemming of een andere bestemming waarvoor een restitutie is vastgesteld, hebben bereikt, onverminderd artikel 63, lid 5, onder b). Van deze regel kan evenwel volgens de procedure van artikel 75 worden afgeweken, mits voorwaarden worden vastgesteld die gelijkwaardige waarborgen bieden.
Aanvullende bepalingen kunnen worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 75.
7. Onverminderd lid 6, onder a), wordt bij ontbreken van een volgens de procedure van artikel 75 verleende afwijking, voor uit derde landen ingevoerde producten die naar derde landen worden wederuitgevoerd, geen uitvoerrestitutie verleend.
1. Voorzover voor de goede werking van de gemeenschappelijke ordening van de wijnmarkt noodzakelijk kan de Raad in bijzondere gevallen met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, op voorstel van de Commissie, de in artikel 1 genoemde producten geheel of gedeeltelijk van de regeling 'actieve veredeling' uitsluiten.
2. In afwijking van lid 1 worden, indien de in dat lid bedoelde situatie zich als uitzonderlijk dringend laat aanzien en indien de markt van de Gemeenschap door de regeling 'actieve veredeling', respectievelijk 'passieve veredeling' wordt verstoord of dreigt te worden verstoord, door de Commissie op verzoek van een lidstaat of eigener beweging de nodige maatregelen vastgesteld; aan de Raad en aan de lidstaten worden die maatregelen meegedeeld waarvan de geldigheid niet meer dan zes maanden mag bedragen en die onmiddellijk van toepassing zijn. Wanneer de Commissie een verzoek van een lidstaat ontvangt, neemt zij binnen een week na ontvangst van het verzoek daaromtrent een besluit.
3. Iedere lidstaat kan het besluit van de Commissie binnen een week na de dag van de mededeling ervan, aan de Raad voorleggen. De Raad kan met gekwalificeerde meerderheid van stemmen het besluit van de Commissie bevestigen, wijzigen of intrekken. Indien de Raad binnen drie maanden geen besluit heeft genomen, wordt het besluit van de Commissie geacht te zijn ingetrokken.
1. De algemene bepalingen voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur en de bijzondere regels voor de toepassing ervan gelden voor de indeling van de onder deze verordening begrepen producten; de tariefnomenclatuur die uit deze verordening voortvloeit, wordt in het gemeenschappelijk douanetarief overgenomen.
2. Behoudens andersluidende bepalingen die in deze verordening of ter uitvoering van een bepaling daarvan worden vastgesteld, is het volgende verboden:
a) de toepassing van enige heffing van gelijke werking als een douanerecht;
1. Invoer van de onder deze verordening begrepen producten waaraan alcohol is toegevoegd, is verboden, tenzij het producten betreft die gelijkwaardig zijn aan producten die van oorsprong uit de Gemeenschap zijn, waarvoor deze toevoeging wordt toegestaan.
2. Nadere bepalingen voor de toepassing van dit artikel, met name de voorwaarden inzake de gelijkwaardigheid van producten, alsmede afwijkingen van lid 1 worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 75.
1. De in artikel 1, lid 2, onder a) en b), bedoelde producten mogen slechts worden ingevoerd wanneer aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
a) wat alle producten betreft, deze moeten:
i) voldoen aan de in het derde land van oorsprong van die producten voor de productie, het op de markt afzetten en, in voorkomend geval, de levering voor rechtstreekse menselijke consumptie geldende bepalingen; het bewijs dat aan deze voorwaarde is voldaan, wordt geleverd door overlegging van een certificaat dat is afgegeven door een bevoegde instantie in het derde land van oorsprong die op een nader vast te stellen lijst voorkomt,
ii) vergezeld gaan van een analyseverslag dat is opgesteld door een door het derde land van oorsprong aangewezen instantie of dienst, wanneer zij voor rechtstreekse menselijke consumptie worden bestemd;
b) wat voor rechtstreekse menselijke consumptie bestemde wijnen, andere dan likeurwijnen en mousserende wijnen, betreft, deze moeten:
i) een effectief alcoholvolumegehalte van ten minste 9 % vol en een totaal alcoholvolumegehalte van ten hoogste 15 % vol hebben,
ii) een totaal zuurgehalte, uitgedrukt in wijnsteenzuur, van ten minste 4,5 gram per liter of 60 milli-equivalenten per liter hebben;
c) wat likeurwijnen voor rechtstreekse menselijke consumptie betreft, deze moeten een effectief alcoholvolumegehalte van ten minste 15 % vol en ten hoogste 22 % vol hebben.
2. Volgens de procedure van artikel 75 kan worden bepaald dat:
a) van lid 1, onder b) en c), mag worden afgeweken;
b) bepaalde, in lid 1 bedoelde producten die in beperkte hoeveelheden worden vervoerd en in kleine recipiënten zijn verpakt, van de overlegging van het certificaat en het analyseverslag als bedoeld in lid 1, onder a), worden vrijgesteld;
c) voor bepaalde wijnen die van een certificaat inzake de oorsprongsaanduiding of van een certificaat van oorsprong vergezeld gaan, de in het certificaat of in het analyseverslag als bedoeld in lid 1, onder a), te verstrekken gegevens geheel of gedeeltelijk mogen worden weggelaten.
3. Nadere bepalingen voor de toepassing van dit artikel worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 75.
1. Indien de markt van de Gemeenschap voor een of meer van de in artikel 1, lid 2, bedoelde producten als gevolg van in- of van uitvoer ernstige verstoringen ondergaat of deze dreigt te ondergaan waardoor de doeleinden van artikel 39 van het Verdrag in gevaar kunnen worden gebracht, kunnen in het handelsverkeer met derde landen passende maatregelen worden toegepast totdat de verstoring is opgeheven of het gevaar daarvoor is geweken.
Bij de beoordeling van de vraag of de situatie de toepassing van deze maatregelen rechtvaardigt, wordt met name rekening gehouden:
a) met de hoeveelheden waarvoor invoercertificaten zijn afgegeven of aangevraagd en met de gegevens van de productie- en behoeftenraming;
b) in voorkomend geval, met de omvang van de interventie.
De Raad stelt, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, op voorstel van de Commissie de bepalingen voor de toepassing van dit lid vast en bepaalt in welke gevallen en binnen welke grenzen de lidstaten conservatoire maatregelen kunnen treffen.
2. Wanneer de in lid 1 bedoelde situatie zich voordoet, neemt de Commissie eigener beweging of op verzoek van een lidstaat een besluit over de noodzakelijke maatregelen, die aan de lidstaten worden meegedeeld en onmiddellijk van toepassing zijn. Wanneer de Commissie een verzoek van een lidstaat ontvangt, neemt zij binnen drie werkdagen na ontvangst van het verzoek daaromtrent een besluit.
3. Iedere lidstaat kan de maatregel van de Commissie binnen drie werkdagen na de dag van de mededeling daarvan aan de Raad voorleggen. De Raad komt onverwijld bijeen. Hij kan de maatregel met gekwalificeerde meerderheid van stemmen bevestigen, wijzigen of intrekken.
4. De bepalingen van dit artikel worden toegepast met inachtneming van de verplichtingen op grond van de overeenkomstig artikel 228, lid 2, van het Verdrag gesloten overeenkomsten.
1. De onder deze verordening begrepen producten mogen binnen de Gemeenschap slechts met een officieel gecontroleerd begeleidend document in het verkeer worden gebracht.
2. De natuurlijke personen, rechtspersonen of groepen personen die voor de uitoefening van hun bedrijf of beroep houder van de in lid 1 bedoelde producten zijn, en met name producenten, bottelaars, verwerkers alsmede nader te bepalen handelaren, zijn verplicht een boekhouding van de betrokken inkomende en uitgaande producten te voeren.
3. Nadere bepalingen voor de toepassing van dit artikel, en met name betreffende de aard en het model van het in lid 1 bedoelde document, alsmede de afwijkingen van dit artikel, worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 75.
1. Behoudens andersluidende bepalingen van deze verordening zijn op de productie van en de handel in de onder deze verordening begrepen producten de artikelen 92, 93 en 94 van het Verdrag van toepassing.
2. Ongeacht de bepalingen van titel II, hoofdstuk II, mag nationale steun worden verleend om doelstellingen te bereiken die overeenkomen met die welke met dat hoofdstuk worden nagestreefd. Voor deze steun geldt niettemin het bepaalde in lid 1.
1. De lidstaten wijzen een of meer autoriteiten aan die ervoor dienen zorg te dragen dat de communautaire bepalingen in de wijnsector worden nageleefd. Tevens wijzen zij de laboratoria aan die in de wijnsector officiële analyses mogen verrichten.
2. De lidstaten delen de Commissie naam en adres van deze autoriteiten en laboratoria mee. De Commissie verstrekt deze gegevens aan de andere lidstaten.
3. De Commissie kan inspecteurs aanwijzen die tot taak hebben voor de naleving van de communautaire bepalingen in de wijnsector zorg te dragen.
4. Nadere bepalingen voor de toepassing van dit artikel worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 75. Deze bepalingen kunnen met name voorschriften inhouden:
a) om de uniforme toepassing van de communautaire voorschriften in de wijnsector, met name inzake controles, te waarborgen;
b) inzake de betrekkingen tussen de aangewezen autoriteiten;
c) betreffende specifieke financiële bepalingen voor de verbetering van controles;
De lidstaten en de Commissie verstrekken elkaar de voor de tenuitvoerlegging van deze verordening benodigde gegevens. Nadere bepalingen met betrekking tot deze mededeling van gegevens, waaronder de aard en formaat van de toe te zenden gegevens en de termijnen voor de mededeling en voor de verspreiding ervan, worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 75.
1. Er wordt een comité van beheer voor wijn ingesteld, hierna 'het comité' genoemd; het comité is samengesteld uit vertegenwoordigers van de lidstaten en staat onder voorzitterschap van een vertegenwoordiger van de Commissie.
1. In de gevallen waarin wordt verwezen naar de in dit artikel omschreven procedure, legt de voorzitter de betrokken aangelegenheid aan het comité voor, hetzij op eigen initiatief, hetzij op verzoek van de vertegenwoordiger van een lidstaat.
2. De vertegenwoordiger van de Commissie legt het comité een ontwerp voor van de te nemen maatregelen. Het comité brengt over dit ontwerp advies uit binnen een termijn die de voorzitter kan vaststellen naar gelang van de urgentie van de materie. Het comité spreekt zich uit met de meerderheid die in artikel 148, lid 2, van het Verdrag is voorgeschreven voor besluiten die de Raad op voorstel van de Commissie dient te nemen. De stemmen van de vertegenwoordigers van de lidstaten worden gewogen overeenkomstig genoemd artikel. De voorzitter neemt niet aan de stemming deel.
De Commissie stelt maatregelen vast, die onmiddellijk van toepassing zijn. Indien deze maatregelen echter niet in overeenstemming zijn met het advies dat het comité heeft uitgebracht, worden zij onverwijld door de Commissie ter kennis van de Raad gebracht. In dat geval kan de Commissie de toepassing van de maatregelen waartoe zij besloten heeft, tot ten hoogste één maand na deze kennisgeving uitstellen.
De Raad kan binnen één maand met een gekwalificeerde meerderheid van stemmen een andersluidend besluit nemen.
Het comité kan elk ander vraagstuk onderzoeken dat door zijn voorzitter, hetzij op diens initiatief, hetzij op verzoek van de vertegenwoordiger van een lidstaat, aan de orde wordt gesteld.
1. Deze verordening dient zodanig te worden toegepast dat tevens op passende wijze rekening wordt gehouden met de in de artikelen 39 en 110 van het Verdrag vervatte doeleinden.
2. Deze verordening dient te worden toegepast met inachtneming van de verplichtingen die uit de overeenkomstig artikel 228, lid 2, van het Verdrag gesloten overeenkomsten voortvloeien.
1. Verordening (EG) nr. . . . [betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid] en de desbetreffende uitvoeringsbepalingen zijn van toepassing op de onder deze verordening begrepen producten.
2. De in titel II, hoofdstuk II, bedoelde premie, de in hoofdstuk III van die titel bedoelde steun, de in titel III, hoofdstuk I, bedoelde steun, de in hoofdstuk II van die titel bedoelde aankoop en steun en de in hoofdstuk III ervan bedoelde steun worden aangemerkt als interventie ter regulering van de landbouwmarkten in de zin van artikel 2, lid 2, van Verordening (EG) nr. . . . [betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid].
3. Onverminderd eventuele restrictievere bepalingen mag de in titel III bedoelde communautaire steun uitsluitend worden toegekend voor producten die in de Gemeenschap uit aldaar geoogste producten worden geproduceerd.
Volgens de procedure van artikel 75 worden maatregelen vastgesteld:
a) ter vergemakkelijking van de overgang van de regelingen waarin de in artikel 80 genoemde verordeningen voorzien naar de bij de onderhavige verordening vastgestelde regelingen, en
b) zo nodig ter oplossing van specifieke praktische problemen. Wanneer de noodzaak van dergelijke maatregelen naar behoren is aangetoond, kan daarbij van bepaalde voorschriften van deze verordening worden afgeweken.
De Verordeningen (EEG) nr. 346/79, (EEG) nr. 351/79, (EEG) nr. 460/79, (EEG) nr. 456/80, (EEG) nr. 457/80, (EEG) nr. 458/80, (EEG) nr. 1873/84, (EEG) nr. 895/85, (EEG) nr. 822/87, (EEG) nr. 823/87, (EEG) nr. 1442/88, (EEG) nr. 3877/88, (EEG) nr. 4252/88, (EEG) nr. 2046/89, (EEG) nr. 2048/89, (EEG) nr. 2389/89, (EEG) nr. 2390/89, (EEG) nr. 2391/89, (EEG) nr. 2392/89, (EEG) nr. 3677/89, (EEG) nr. 3895/91, (EEG) nr. 2332/92 en (EEG) nr. 2333/92 van de Raad worden ingetrokken.
Deze verordening treedt in werking op de zevende dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
PB L 84 van 27.3.1987, blz. 1.
PB L 292 van 25.10.1997, blz. 1.
PB L 54 van 5.3.1979, blz. 72.
PB L 54 van 5.3.1979, blz. 90.
PB L 106 van 26.4.1991, blz. 6.
PB L 58 van 9.3.1979, blz. 1.
PB L 367 van 31.12.1985, blz. 39.
PB L 57 van 29.2.1980, blz. 16.
PB L 163 van 22.6.1983, blz. 52.
PB L 57 van 29.2.1980, blz. 23.
PB L 57 van 29.2.1980, blz. 27.
PB L 67 van 14.3.1991, blz. 16.
PB L 176 van 3.7.1984, blz. 6.
PB L 353 van 24.12.1997, blz. 2.
PB L 97 van 4.4.1985, blz. 2.
PB L 362 van 31.12.1985, blz. 8.
PB L 84 van 27.3.1987, blz. 59.
PB L 184 van 24.7.1996, blz. 1.
PB L 132 van 28.5.1988, blz. 3.
PB L 20 van 27.1.1998, blz. 15.
PB L 346 van 15.12.1988, blz. 7.
PB L 373 van 31.12.1988, blz. 59.
PB L 196 van 24.7.1997, blz. 13.
PB L 202 van 14.7.1989, blz. 14.
PB L 335 van 24.12.1996, blz. 7.
PB L 202 van 14.7.1989, blz. 32.
PB L 232 van 9.8.1989, blz. 1.
PB L 292 van 25.10.1997, blz. 3.
PB L 232 van 9.8.1989, blz. 7.
PB L 353 van 24.12.1997, blz. 1.
PB L 232 van 9.8.1989, blz. 10.
PB L 232 van 9.8.1989, blz. 13.
PB L 184 van 24.7.1996, blz. 3.
PB L 360 van 9.12.1989, blz. 1.
PB L 297 van 18.11.1994, blz. 1.
PB L 368 van 31.12.1991, blz. 1.
PB L 231 van 13.8.1992 blz. 1.
PB L 231 van 13.8.1992, blz. 9.
PB L 184 van 24.7.1996, blz. 9.
PB L . . .
PB L . . .
PB L 208 van 31.7.1986, blz. 1.
PB L 206 van 16.8.1996, blz. 38.
PB L 336 van 23.12.1994, blz. 1.
PB L . . .
PB L . . .
PB 30 van 20.4.1962, blz. 993/62.
PB L 177 van 1.7.1981, blz. 4.
PB L 181 van 1.7.1992, blz. 21.
1. 'Verse druiven': vruchten van de wijnstok, gebruikt bij de wijnbereiding, rijp of zelfs licht ingedroogd, die met bij de wijnbereiding gebruikelijke middelen kunnen worden gekneusd of geperst en die spontane alcoholische gisting kunnen doen ontstaan.
2. 'Druivenmost': de vloeistof die op natuurlijke wijze of via natuurkundige procédés uit verse druiven wordt verkregen. Het effectieve alcoholvolumegehalte van druivenmost mag ten hoogste 1 % vol bedragen.
3. 'Gedeeltelijk gegiste druivenmost': het product dat wordt verkregen door vergisting van druivenmost en dat een effectief alcoholvolumegehalte van meer dan 1 % vol, doch minder dan drie vijfde van het totale alcoholvolumegehalte heeft; bepaalde v. q. p. r. d. met een effectief alcoholvolumegehalte van minder dan drie vijfde van het totale alcoholvolumegehalte, maar niet meer dan 5,5 % vol, worden evenwel niet als gedeeltelijk gegiste druivenmost beschouwd.
4. 'Gedeeltelijk gegiste druivenmost van ingedroogde druiven': het product dat ontstaat door de gedeeltelijke vergisting van druivenmost verkregen uit ingedroogde druiven, waarvan het totale gehalte aan suiker vóór de gisting ten minste 272 gram per liter bedraagt en waarvan het natuurlijk en effectieve alcoholvolumegehalte niet lager mag liggen dan 8 % vol.
5. 'Druivenmost waarvan de gisting door de toevoeging van alcohol is gestuit': het product dat:
- een effectief alcoholvolumegehalte van ten minste 12 % vol en minder dan 15 % vol heeft, en
- wordt verkregen door toevoeging, aan niet-gegiste druivenmost met een natuurlijk alcoholvolumegehalte van ten minste 8,5 % vol welke uitsluitend van de in artikel 46, lid 5, bedoelde wijnstokken afkomstig is van:
- hetzij neutrale, uit producten van de wijnstok gewonnen alcohol, met inbegrip van alcohol uit distillatie van krenten en rozijnen, met een effectief alcoholvolumegehalte van ten minste 95 % vol,
- hetzij een niet-gerectificeerd product verkregen door distillatie van wijn en met een effectief alcoholvolumegehalte van ten minste 52 % vol en ten hoogste 80 % vol.
6. 'Geconcentreerde druivenmost': niet-gekarameliseerde druivenmost die:
- wordt verkregen door gedeeltelijke onttrekking van het in de druivenmost aanwezige water via elk ander toegestaan procédé dan de rechtstreekse werking van vuur, en op zodanige wijze dat bij een temperatuur van 20 °C met een refractometer volgens een nog vast te stellen methode een waarde van niet minder dan 50,9 % wordt gemeten;
- uitsluitend afkomstig is van de in artikel 46, lid 5, bedoelde wijnstokrassen;
- wordt verkregen uit druivenmost met ten minste het minimale natuurlijke alcoholvolumegehalte dat is vastgesteld voor de wijnbouwzone waar de druiven zijn geoogst.
Het effectieve alcoholvolumegehalte van geconcentreerde druivenmost mag ten hoogste 1 % vol bedragen.
7. 'Gerectificeerde geconcentreerde druivenmost': de niet-gekarameliseerde vloeistof die:
- wordt verkregen door gedeeltelijke onttrekking van het in de druivenmost aanwezige water via elk ander toegestaan procédé dan de rechtstreekse werking van vuur, en op zodanige wijze dat bij een temperatuur van 20 °C met een refractometer volgens een nog vast te stellen methode een waarde van niet minder dan 61,7 % wordt gemeten;
- een toegestane behandeling voor ontzuring en eliminatie van andere bestanddelen dan suiker heeft ondergaan;
- de volgende kenmerken vertoont:
- pH niet hoger dan 5 bij 25° Brix,
- optische dichtheid, bij 425 nanometer en een dikte van 1 centimeter, niet hoger dan 0,100 op geconcentreerde druivenmost bij 25° Brix,
- sacharosegehalte niet vast te stellen bij een nader te bepalen analysemethode,
- Folin-Ciocalteau-index niet hoger dan 6,00 bij 25° Brix,
- getitreerde zuurgraad niet hoger dan 15 milli-equivalent per kilogram suiker totaal,
- gehalte aan zwaveldioxyde niet hoger dan 25 milligram per kilogram suiker totaal,
- gehalte aan kationen totaal niet hoger dan 8 milli-equivalent per kilogram suiker totaal,
- conductiviteit bij 25° Brix en 20 °C niet hoger dan 120 ìS per centimeter,
- gehalte aan hydroxymethylfurfural niet hoger dan 25 milligram per kilogram suiker totaal,
- aanwezigheid van meso-inositol;
- uitsluitend afkomstig is van de in artikel 46, lid 5, genoemde wijnstokrassen;
- wordt verkregen uit druivenmost met ten minste het minimale natuurlijke alcoholvolumegehalte dat is vastgesteld voor de wijnbouwzone waar de druiven zijn geoogst.
Het effectieve alcoholgehalte van gerectificeerde geconcentreerde druivenmost mag 1 % vol niet overschrijden.
8. 'Druivensap': het niet-gegiste doch voor gisting vatbare vloeibare product dat wordt verkregen door middel van passende behandelingen om als zodanig te worden geconsumeerd; het wordt verkregen:
b) door reconstitutie:
- uit geconcentreerd druivensap.
Het effectieve alcoholvolumegehalte van druivensap mag ten hoogste 1 % vol bedragen.
9. 'Geconcentreerd druivensap': niet-gekarameliseerd druivensap, verkregen door gedeeltelijke onttrekking van het in het druivensap aanwezige water via elk ander toegestaan procédé dan de rechtstreekse werking van vuur, en op zodanige wijze dat bij een temperatuur van 20 °C met een refractometer volgens een nog vast te stellen methode een waarde van niet minder dan 50,9 % wordt gemeten.
Het effectieve alcoholvolumegehalte van geconcentreerde druivensap mag ten hoogste 1 % vol bedragen.
10. 'Wijn': het product dat uitsluitend wordt verkregen door gehele of gedeeltelijke alcoholische vergisting van verse, al dan niet gekneusde druiven of van druivenmost.
11. 'Jonge, nog gistende wijn': wijn waarvan de alcoholische gisting nog niet is geëindigd en die nog niet is ontdaan van de wijnmoer.
12. 'Wijn die tot tafelwijn kan worden verwerkt': wijn die:
- uitsluitend afkomstig is van in artikel 46, lid 5, bedoelde wijnstokrassen;
- ten minste het minimale natuurlijke alcoholvolumegehalte heeft dat is vastgesteld voor de wijnbouwzone waar hij is geproduceerd.
13. 'Tafelwijn': wijn, andere dan v. q. p. r. d., die:
- uitsluitend afkomstig is van in artikel 46, lid 5, bedoelde wijnstokrassen;
- is geproduceerd in de Gemeenschap;
- na de eventuele behandelingen bedoeld in deel D van bijlage IV, een effectief alcoholvolumegehalte heeft van ten minste 8,5 % vol, mits deze wijn uitsluitend afkomstig is van druiven die in de wijnbouwzones A en B zijn geoogst, en van ten minste 9 % vol voor de overige wijnbouwzones, alsmede een totaal alcoholvolumegehalte van niet meer dan 15 % vol;
- behoudens eventuele nader te bepalen uitzonderingen, een totaal gehalte aan zuren van ten minste 4,5 gram per liter of 60 milli-equivalent per liter, uitgedrukt in wijnsteenzuur, heeft.
Voor met producten van sommige nader te bepalen wijngaardoppervlakten voortgebrachte wijnen welke zonder verrijking zijn verkregen en niet meer dan 5 gram suikerresiduen bevatten, kan evenwel de bovengrens van het totale alcoholvolumegehalte op 17 % vol worden gebracht.
Retsina-tafelwijn is tafelwijn waaraan onder nader te bepalen voorwaarden hars van de Aleppopijnboom is toegevoegd.
14. 'Likeurwijn': het product dat:
A. - een effectief alcoholvolumegehalte van ten minste 15 % vol en ten hoogste 22 % vol heeft,
- een totaal alcoholvolumegehalte van ten minste 17,5 % vol heeft, met uitzondering van sommige, in een nog vast te stellen lijst opgenomen, in bepaalde gebieden voortgebrachte kwaliteitswijnen (v. l. q. p. r. d.);
B. wordt verkregen:
a) uit:
- voor sommige nog te bepalen v. l. q. p. r. d., druivenmost of een mengsel van druivenmost en wijn,
waarbij alle bovengenoemde producten, voor likeurwijn en v. l. q. p. r. d.:
- met uitzondering van sommige, in een nog vast te stellen lijst opgenomen v. l. q. p. r. d., een oorspronkelijk natuurlijk alcoholvolumegehalte van ten minste 12 % vol moeten hebben;
b) en door toevoeging van:
i) een van de volgende producten, of een mengsel daarvan:
- neutrale alcohol uit wijnbouwproducten, met inbegrip van alcohol verkregen door distillatie van rozijnen of krenten, met een effectief alcoholvolumegehalte van ten minste 96 % vol,
- distillaat van wijn of van rozijnen of krenten met een effectief alcoholvolumegehalte van ten minste 52 % vol en ten hoogste 86 % vol,
ii) alsmede, eventueel, een of meer van de volgende producten:
- geconcentreerde druivenmost,
- een mengsel van een van de onder i) genoemde producten met druivenmost als bedoeld onder a), eerste en vierde streepje,
iii) voor bepaalde, in een nog vast te stellen lijst opgenomen v. l. q. p. r. d.:
- hetzij een van de onder i) genoemde producten of een mengsel daarvan,
- hetzij een of meer van de volgende producten:
- alcohol van wijn of van rozijnen of krenten, met een effectief alcoholvolumegehalte van ten minste 95 % vol en ten hoogste 96 % vol,
- eau-de-vie van wijn of van draf van druiven met een effectief alcoholvolumegehalte van ten minste 52 % vol en ten hoogste 86 % vol,
- eau-de-vie van rozijnen of krenten met een effectief alcoholvolumegehalte van ten minste 52 % vol doch minder dan 94,5 % vol,
- alsmede, in voorkomend geval, een of meer van de volgende producten:
- gedeeltelijk gegiste druivenmost van ingedroogde druiven,
- geconcentreerde druivenmost verkregen door rechtstreekse werking van vuur, die, uitgezonderd deze bewerking, voldoet aan de definitie van geconcentreerde druivenmost,
- geconcentreerde druivenmost,
- een mengsel van een van de in het tweede streepje genoemde producten met druivenmost als bedoeld onder a), eerste en vierde streepje.
15. 'Mousserende wijn': het product dat, behoudens het bepaalde in artikel 48, lid 3, wordt verkregen door eerste of tweede alcoholische vergisting:
- van verse druiven,
- van druivenmost,
- van wijn, die tot tafelwijn kan worden verwerkt,
- van tafelwijn,
- van v. l. q. p. r. d.,
dat wordt gekenmerkt door het feit dat bij het openen van de recipiënten uitsluitend door de vergisting ontstaan koolzuurgas vrijkomt en dat, bewaard in gesloten recipiënten bij 20 °C, een overdruk heeft die is teweeggebracht door koolzuurgas in oplossing en ten minste 3 bar bedraagt.
16. 'Mousserende wijn waaraan koolzuurgas is toegevoegd': het product dat:
- wordt verkregen uit tafelwijn of gelijksoortige wijn uit een derde land;
- bij het openen van de recipiënten, koolzuurgas laat ontsnappen dat geheel of gedeeltelijk is toegevoegd;
- bewaard in gesloten recipiënten bij 20 °C, een overdruk heeft die is teweeggebracht door koolzuurgas in oplossing en ten minste 3 bar bedraagt.
17. 'Parelwijn': het product dat:
- wordt verkregen uit tafelwijn, uit v. q. p. r. d. of uit producten die tot tafelwijn of v. q. p. r. d. kunnen worden verwerkt, voorzover deze wijnen of producten een totaal alcoholgehalte van ten minste 9 % vol hebben, of uit gelijksoortige wijn uit een derde land;
- een effectief alcoholvolumegehalte van ten minste 7 % vol heeft;
- bewaard in gesloten recipiënten bij 20 °C, een overdruk heeft die is teweeggebracht door endogeen koolzuurgas in oplossing van ten minste 1 en ten hoogste 2,5 bar;
- wordt aangeboden in recipiënten van 60 liter of minder.
18. 'Parelwijn waaraan koolzuurgas is toegevoegd': het product dat:
- wordt verkregen uit tafelwijn, uit v. q. p. r. d. of uit producten die tot tafelwijn of v. q. p. r. d. kunnen worden verwerkt, of gelijksoortige wijn uit een derde land;
- een effectief alcoholgehalte van ten minste 7 % vol en een totaal alcoholgehalte van ten minste 9 % vol heeft;
- bewaard in gesloten recipiënten bij 20 °C, een overdruk heeft die is teweeggebracht door geheel of gedeeltelijk toegevoegd koolzuurgas in oplossing van ten minste 1 en ten hoogste 2,5 bar;
- wordt aangeboden in recipiënten van 60 liter of minder.
19. 'Wijnazijn': azijn die:
- een totaal gehalte aan zuren van ten minste 60 gram per liter, uitgedrukt in azijnzuur, heeft.
20. 'Wijnmoer': het bezinksel dat zich in recipiënten met wijn vormt na de gisting, bij de opslag of na toegestane behandeling, alsmede het residu dat wordt verkregen bij het filtreren of centrifugeren van dit product.
Als wijnmoer worden eveneens beschouwd:
- het bezinksel dat zich bij de opslag of na toegestane behandeling in recipiënten met druivenmost vormt;
- het residu dat wordt verkregen bij het filtreren of centrifugeren van dit product.
21. 'Draf van druiven': de na het persen van verse druiven overblijvende substantie, al dan niet gegist.
22. 'Piquette': het product dat wordt verkregen:
- door uitloging, met water, van gegiste draf van druiven.
23. 'Distillatiewijn': het product dat:
- een effectief alcoholvolumegehalte van ten minste 18 % vol en ten hoogste 24 % vol heeft;
- uitsluitend wordt verkregen door aan wijn die geen suikerresidu bevat, een niet-gerectificeerd product toe te voegen dat wordt verkregen door distillatie van wijn en dat een maximaal effectief alcoholvolumegehalte van 86 % vol heeft, en
- een gehalte van vluchtige zuren van ten hoogste 1,50 gram per liter, uitgedrukt in azijnzuur, heeft.
24. 'Wijn van overrijpe druiven': het product dat:
- in de Gemeenschap is geproduceerd, zonder verrijking, uit in de Gemeenschap geoogste druiven die afkomstig zijn van de in artikel 46, lid 5, bedoelde en in een nog vast te stellen lijst opgenomen wijnstokrassen;
- met een natuurlijk alcoholvolumegehalte van meer dan 15 % vol;
- met een totaal alcoholvolumegehalte van ten minste 17 % vol en een effectief alcoholvolumegehalte van ten minste 12 % vol, en
- gedurende ten minste twee jaar is bewaard, te rekenen vanaf 1 januari van het jaar na de oogst van de betrokken druiven.
1. Effectief alcoholvolumegehalte: het aantal volume-eenheden zuivere alcohol bij een temperatuur van 20 °C, aanwezig in 100 volume-eenheden van het betrokken product bij die temperatuur.
2. Potentieel alcoholvolumegehalte: het aantal volume-eenheden zuivere alcohol bij een temperatuur van 20 °C dat kan ontstaan door totale vergisting van de suiker die in 100 volume-eenheden van het betrokken product bij die temperatuur aanwezig is.
3. Totaal alcoholvolumegehalte: de som van het effectieve en het potentiële alcoholvolumegehalte.
4. Natuurlijk alcoholvolumegehalte: het totale alcoholvolumegehalte van het betrokken product, voordat verrijking heeft plaatsgevonden.
5. Effectief alcoholmassagehalte: het aantal kilogram zuivere alcohol aanwezig in 100 kilogram van het product.
6. Potentieel alcoholmassagehalte: het aantal kilogram zuivere alcohol dat kan ontstaan door totale vergisting van de suiker die in 100 kilogram van het product aanwezig is.
1. Wijnbouwzone A omvat:
a) in Duitsland: de andere met wijnstokken beplante oppervlakten dan die van wijnbouwzone B;
b) in België: het Belgische wijnbouwareaal;
c) in Luxemburg: de Luxemburgse wijnbouwstreek;
d) in Nederland: het Nederlandse wijnbouwareaal;
e) in het Verenigd Koninkrijk: het Britse wijnbouwareaal.
2. Wijnbouwzone B omvat:
a) in Duitsland: de met wijnstokken beplante oppervlakten in de regio Baden;
b) in Frankrijk: de met wijnstokken beplante oppervlakten in de niet in deze bijlage genoemde departementen alsmede in de volgende departementen:
- Alsace: Bas-Rhin, Haut-Rhin,
- Lorraine: Meurthe-et-Moselle, Meuse, Moselle, Vosges,
- Champagne: Aisne, Aube, Marne, Haute-Marne, Seine-et-Marne,
- Jura: Ain, Doubs, Jura, Haute-Saône,
- Savoie: Savoie, Haute-Savoie,
- Val de Loire: Cher, Deux-Sèvres, Indre, Indre-et-Loire, Loir-et-Cher, Loire-Altantique, Loiret, Maine-et-Loire, Sarthe, Vendée, Vienne, alsmede in het departement Nièvre de met wijnstokken beplante oppervlakten in het arrondissement Cosne-sur-Loire;
c) in Oostenrijk: het Oostenrijkse wijnbouwareaal.
3. Wijnbouwzone C Ia) omvat de met wijnstokken beplante oppervlakten:
a) in Frankrijk:
- in de departementen:
Allier, Alpes-de-Haute-Provence, Hautes-Alpes, Alpes-Maritimes, Ariège, Aveyron, Cantal, Charente, Charente-Maritime, Corrèze, Côte-d'Or, Dordogne, Haute-Garonne, Gers, Gironde, Isère, Landes, Loire, Haute-Loire, Lot, Lot-et-Garonne, Lozère, Nièvre (met uitzondering van het arrondissement Cosne-sur-Loire), Puy-de-Dôme, Pyrénées-Atlantiques, Hautes-Pyrénées, Rhône, Saône-et-Loire, Tarn, Tarn-et-Garonne, Haute-Vienne en Yonne,
- in het departement Drôme, de arrondissementen Valence en Die (met uitzondering van de kantons Dieulefit, Loriol, Marsanne en Montélimar),
- in het departement Ardèche: het gehele arrondissement Tournon en de kantons Antraigues, Buzet, Coucouron, Montpezat-sous-Bauzon, Privas, Sainte-Étienne-de-Lugdarès, Saint-Pierreville, Valgorge en La Voulte-sur-Rhône;
b) in Spanje: de met wijnstokken beplante oppervlakten in de provincies Asturias, Cantabria, Guipúzcoa, La Coruña en Vizcaya;
c) in Portugal, de met wijnstokken beplante oppervlakten in dat deel van de noordelijke regio dat overeenstemt met het wijnproductiegebied van 'Vinho Verde'.
4. Wijnbouwzone C Ib) omvat in Italië de met wijnstokken beplante oppervlakten in de regio Valle d'Aosta en de provincies Sondrio, Bolzano, Trento en Belluno.
5. Wijnbouwzone C II omvat:
a) in Frankrijk de met wijnstokken beplante oppervlakten:
- in de departementen: Aude, Bouches-du-Rhône, Gard, Hérault, Pyrénées-Orientales (met uitzondering van de kantons Olette en Arles-sur-Tech), Vaucluse,
- in het gedeelte van het departement Var dat ten zuiden wordt begrensd door de noordelijke grens van de gemeenten Evenos, Le Beausset, Solliès-Toucas, Cuers, Puget-Ville, Collobrières, La Garde-Freinet, Plan-de-la-Tour en Sainte-Maxime,
- in het arrondissement Nyons en in de kantons Dieulefit, Loriol, Marsanne en Montélimar in het departement Drôme,
- in het departement Ardèche in de niet in punt 3, onder a), genoemde administratieve eenheden;
b) in Italië: de met wijnstokken beplante oppervlakten in de volgende regio's: Abruzzo, Campania, Emilia-Romagna, Friuli-Venezia Giulia, Lazio, Liguria, Lombardia met uitzondering van de provincie Sondrio, Marche, Molise, Piemonte, Toscana, Umbria, Veneto met uitzondering van de provincie Belluno, met inbegrip van de eilanden welke tot deze regio's behoren zoals het eiland Elba en de overige eilanden van de Arcipelago Toscano, de eilanden van de Arcipelago Ponziano en de eilanden Capri en Ischia;
c) in Spanje: de met wijnstokken beplante oppervlakten in de volgende provincies:
- Lugo, Orense, Pontevedra,
- Avila (met uitzondering van de gemeenten die overeenstemmen met het wijngebied van 'Cebreros'), Burgos, Leon, Palencia, Salamanca, Segovia, Soria, Valladolid, Zamora,
- La Rioja,
- Alava,
- Navarra,
- Huesca,
- Barcelona, Gerona, Lerida,
- het gedeelte van de provincie Zaragoza ten noorden van de rivier de Ebro,
- die gemeenten van de provincie Tarragona die vallen onder de beschermde oorsprongsbenaming 'Penedès',
- het gedeelte van de provincie Tarragona dat overeenstemt met het wijngebied van 'Conca de Barberà';
d) in Portugal, de met wijnstokken beplante oppervlakten die niet tot de zones C Ia) en C III behoren.
6. Wijnbouwzone C IIIa) omvat in Griekenland de met wijnstokken beplante oppervlakten in de volgende 'nomoi': Florina, Emathia, Kilkis, Grevena, Larissa, Ionnina, Lefkada, Achaia, Messenia, Arkadia, Korinthe, Heraklion, Chania, Rethymno, Samos, Lassithi, alsmede op het eiland Thira (Santorini).
7. Wijnbouwzone C IIIb) omvat:
a) in Frankrijk de met wijnstokken beplante oppervlakten:
- in de departementen van Corsica,
- in het gedeelte van het departement Var dat gelegen is tussen de zee en de lijn die wordt gevormd door de gemeenten (die zelf erin zijn begrepen) Evenos, le Beausset, Solliès-Toucas, Cuers, Puget-Ville, Collobrières, La Garde-Freinet, Plan-de-la-Tour en Sainte-Maxime,
- de kantons Olette en Arles-sur-Teche in het departement Pyrénées-Orientales;
b) in Italiè de met wijnstokken beplante oppervlakten in de volgende regio's:
Calabrië, Basilicata, Apulië, Sardinië, Sicilië, met inbegrip van de eilanden welke tot deze regio's behoren, zoals het eiland Pantelleria, de Eolische, Egadische en Pelagische eilanden;
c) in Griekenland: de met wijnstokken beplante oppervlakten die niet in punt 6 zijn opgenomen;
d) in Spanje: de met wijnstokken beplante oppervlakten die niet in punt 3, onder b), of punt 5, onder c), zijn opgenomen, en
e) in Portugal: de met wijnstokken beplante oppervlakten in de volgende regio's: Alentejo, Algarve.
8. De grenzen van de in deze bijlage vermelde administratieve eenheden zijn die welke zijn vastgesteld in de op 15 december 1981 geldende nationale bepalingen en, wat Spanje en Portugal betreft, de respectievelijk op 1 maart 1986 en op 1 maart 1998 geldende bepalingen.
1. Het totale zwaveldioxydegehalte van wijn, andere dan mousserende wijn en likeurwijn, wanneer deze voor rechtstreekse menselijke consumptie in het verkeer wordt gebracht, mag niet meer bedragen dan:
b) 210 milligram per liter voor witte wijn en roséwijn.
2. In afwijking van punt 1, onder a) en b), wordt het maximumgehalte aan zwaveldioxyde, voor wijnen met een gehalte aan suikerresiduen, uitgedrukt in invertsuiker, van ten minste 5 gram per liter, verhoogd tot:
a) 210 milligram per liter voor rode wijn en 260 milligram per liter voor witte wijn en roséwijn;
b) 300 milligram per liter voor:
- wijn die overeenkomstig de communautaire bepalingen recht heeft op de vermelding 'Spätlese',
- witte v. q. p. r. d. die recht heeft op één van de volgende gecontroleerde benamingen van oorsprong: Bordeaux supérieur, Graves de Vayres, Côtes de Bordeaux Saint-Macaire, Premières Côtes de Bordeaux, Sainte-Foy Bordeaux, Côtes de Bergerac (al dan niet gevolgd door de benaming Côtes de Saussignac), Haut-Montravel, Côtes de Montravel, Rosette,
- witte v. q. p. r. d. die recht heeft op één van de volgende benamingen van oorsprong: Allela, La Mancha, Navarra, Penedés, Rioja, Rueda, Tarragona, Valencia,
- witte v. q. p. r. d. van oorsprong uit het Verenigd Koninkrijk die overeenkomstig de Britse wetgeving is omschreven en wordt aangeboden met de term 'botrytis' of andere gelijkwaardige termen zoals 'noble harvest', 'noble late harvested' of 'special late harvested';
c) 350 milligram per liter voor wijn die overeenkomstig de communautaire bepalingen recht heeft op de vermelding 'Auslese' en voor witte wijn waarop overeenkomstig de Roemeense wetgeving de aanduiding 'vin supérieur met benaming van oorsprong' van toepassing is, en die recht heeft op één van de volgende namen: Murfatlar, Cotnari, Tirnave, Pietroasele, Valea Calugareasca;
d) 400 milligram per liter voor wijn die overeenkomstig de communautaire bepalingen recht heeft op de vermeldingen 'Beerenauslese', 'Ausbruch', 'Ausbruchwein', 'Trockenbeerenauslese' en 'Eiswein' alsook voor witte v. q. p. r. d. die recht heeft op één van de volgende gecontroleerde benamingen van oorsprong: Sauternes, Barsac, Cadillac, Cérons, Loupiac, Sainte-Croix-du-Mont, Monbazillac, Bonnezeaux, Quarts de Chaume, Coteaux du Layon, Coteaux de l'Aubance, Graves supérieures, Jurançon.
3. Indien de weersomstandigheden zulks noodzakelijk hebben gemaakt, kan worden besloten dat de betrokken lidstaten in bepaalde wijnbouwzones van de Gemeenschap kunnen toestaan dat het totale maximumgehalte aan zwaveldioxyde van minder dan 300 milligram per liter als bedoeld in dit deel, voor de op hun grondgebied voortgebrachte wijnen met maximaal 40 milligram per liter wordt verhoogd.
4. De lidstaten mogen strengere bepalingen toepassen op wijnen die op hun grondgebied worden voortgebracht.
1. Het gehalte aan vluchtige zuren mag niet hoger zijn dan:
a) 18 milli-equivalenten per liter voor gedeeltelijk gegiste druivenmost;
b) 18 milli-equivalenten per liter voor witte wijn en roséwijn en, uiterlijk tot en met 31 december 1989, voor op het Spaanse grondgebied verkregen producten door witte wijn te versnijden met rode wijn;
c) 20 milli-equivalenten per liter voor rode wijn.
2. De in punt 1 bedoelde gehalten gelden:
- voor producten die afkomstig zijn uit in de Gemeenschap geoogste druiven: in het productiestadium en in alle stadia van het in de handel brengen;
- voor gedeeltelijk gegiste druivenmost en wijn van oorsprong uit derde landen: in alle stadia vanaf de binnenkomst op het geografische grondgebied van de Gemeenschap.
3. In afwijkingen van het bepaalde in punt 1 kan worden voorzien voor:
a) sommige v. q. p. r. d. en sommige tafelwijnen die worden aangeduid met een geografische benaming en die:
- volgens bijzondere methoden zijn bereid;
b) wijn met een totaal alcoholvolumegehalte van ten minste 13 % vol.
1. Verhoging van het (effectieve of potentiële) natuurlijke alcoholvolumegehalte van verse druiven, van druivenmost, van gedeeltelijk gegiste druivenmost, van jonge, nog gistende wijn, voorzover deze producten afkomstig zijn van in artikel 46, lid 5, bedoelde wijnstokrassen, alsmede van wijn die tot tafelwijn kan worden verwerkt en van tafelwijn is toegestaan.
2. Het natuurlijke alcoholvolumegehalte van de in punt 1 bedoelde producten mag slechts worden verhoogd indien hun minimale natuurlijke alcoholvolumegehalte de volgende waarde bereikt:
a) in wijnbouwzone A: 5 % vol;
b) in wijnbouwzone B: 6 % vol;
c) in wijnbouwzone C Ia): 7,5 % vol;
d) in wijnbouwzone C Ib): 8 % vol;
e) in wijnbouwzone C II: 8,5 % vol;
f) in de wijnbouwzones C III: 9 % vol.
3. De verhoging van het minimale natuurlijke alcoholvolumegehalte geschiedt volgens de onder D genoemde oenologische procédés en mag de volgende maxima niet overschrijden:
a) in wijnbouwzone A: 2 % vol;
b) in wijnbouwzone B: 1,5 % vol;
c) in de wijnbouwzones C: 1 % vol.
4. Indien de weersomstandigheden daartoe nopen, kunnen deze maxima door de lidstaten worden verhoogd tot:
a) in wijnbouwzone A: 3,5 % vol;
b) in wijnbouwzone B: 2,5 % vol;
c) in de wijnbouwzones C: 2 % vol.
5. In jaren waarin de weersomstandigheden uitzonderlijk ongunstig zijn geweest, mag de in punt 4 bedoelde verhoging van het alcoholgehalte op de volgende maxima worden gebracht:
a) in wijnbouwzone A: 4,5 % vol;
b) in wijnbouwzone B: 3,5 % vol.
1. Verhoging van het in deel C bedoelde natuurlijke alcoholvolumegehalte mag slechts als volgt geschieden:
a) voor verse druiven, gedeeltelijk gegiste druivenmost of jonge, nog gistende wijn: door toevoeging van sacharose, geconcentreerde druivenmost of gerectificeerde geconcentreerde druivenmost;
b) voor druivenmost: door toevoeging van sacharose, geconcentreerde druivenmost of gerectificeerde geconcentreerde druivenmost of door gedeeltelijke concentratie;
c) voor wijn die tot tafelwijn kan worden verwerkt, en tafelwijn: door gedeeltelijke concentratie door afkoeling.
2. Gebruikmaking van één van de in punt 1 bedoelde bewerkingen sluit gebruikmaking van de overige uit.
3. De in punt 1, onder a) en b), bedoelde toevoeging van sacharose mag slechts geschieden door toevoeging van droge suiker en uitsluitend in:
a) wijnbouwzone A;
b) wijnbouwzone B;
c) wijnbouwzone C, met uitzondering van de wijngaarden in Italië, Griekenland, Spanje, Portugal en de Franse departementen binnen het rechtsgebied van de volgende hoven van appel:
- Aix en Provence,
- Nîmes,
- Montpellier,
- Toulouse,
- Agen,
- Pau,
- Bordeaux,
- Bastia.
4. Toevoeging van geconcentreerde druivenmost of gerectificeerde geconcentreerde druivenmost mag niet leiden tot een toeneming van het oorspronkelijke volume getreden verse druiven, druivenmost, gedeeltelijk gegiste druivenmost of jonge, nog gistende wijn met meer dan onderscheidenlijk 11 % in wijnbouwzone A, 8 % in wijnbouwzone B en 6,5 % in de wijnbouwzones C.
5. Bij toepassing van punt 5 van deel C wordt de maximaal toelaatbare toeneming van het natuurlijke alcoholvolumegehalte onderscheidenlijk 15 % voor wijnbouwzone A en 11 % voor wijnbouwzone B.
6. Concentratie mag niet tot gevolg hebben dat het oorspronkelijke volume van de hoeveelheid druivenmost, wijn die tot tafelwijn kan worden verwerkt of tafelwijn, welke deze bewerking hebben ondergaan, met meer dan 20 % afneemt, en in geen geval dat het natuurlijke alcoholvolumegehalte van genoemde producten met meer dan 2 % vol wordt verhoogd.
7. In geen geval mogen bedoelde bewerkingen tot gevolg hebben dat het totale alcoholvolumegehalte van verse druiven, druivenmost, gedeeltelijk gegiste druivenmost, jonge, nog gistende wijn, wijn die tot tafelwijn kan worden verwerkt, of tafelwijn, welke deze bewerking hebben ondergaan, meer gaat bedragen dan 11,5 % vol in wijnbouwzone A, 12 % vol in wijnbouwzone B, 12,5 % vol in de wijnbouwzones C Ia) en C Ib), 13 % vol in wijnbouwzone C II, en 13,5 % vol in de wijnbouwzones C III.
8. Voor rode wijn mag evenwel het totale alcoholvolumegehalte van de in punt 7 genoemde producten in wijnbouwzone A tot 12 % vol en in wijnbouwzone B tot 12,5 % vol worden verhoogd.
9. Wijn die tot tafelwijn kan worden verwerkt en tafelwijn mogen niet worden geconcentreerd, wanneer de producten waaruit zij zijn verkregen één van de in punt I, onder a) en b), bedoelde bewerkingen hebben ondergaan.
1. Verse druiven, druivenmost, gedeeltelijke gegiste druivenmost, jonge nog gistende wijn en wijn mogen:
a) in de wijnbouwzones A, B, C Ia) en C Ib) gedeeltelijk worden ontzuurd;
b) in de wijnbouwzones C II en C IIIa), onverminderd het bepaalde in punt 3, worden aangezuurd en ontzuurd;
c) in wijnbouwzone C IIIb) worden aangezuurd.
2. Aanzuring van de in punt 1 genoemde producten, behalve wijn, mag slechts plaatshebben tot een maximum van 1,50 gram per liter, uitgedrukt in wijnsteenzuur, dat wil zeggen 20 milli-equivalent per liter.
3. Aanzuring van wijn mag slechts plaatshebben tot een maximum van 2,50 gram per liter, uitgedrukt in wijnsteenzuur, dat wil zeggen 33,3 milli-equivalent per liter.
4. Ontzuring van wijn mag slechts plaatshebben tot een maximum van 1 gram per liter, uitgedrukt in wijnsteenzuur, dat wil zeggen 13,3 milli-equivalent per liter.
5. Voorts mag voor concentratie bestemde druivenmost gedeeltelijk worden ontzuurd.
6. In jaren waarin zich uitzonderlijke weersomstandigheden hebben voorgedaan, mogen de lidstaten toestemming verlenen tot aanzuring van de in punt 1 genoemde producten in de wijnbouwzones C Ia) en C Ib) onder de in punt 1 genoemde voorwaarden voor de zones C II, C IIIa) en C IIIb).
7. Aanzuring en verrijking van een zelfde product sluiten elkaar uit, behoudens van geval tot geval te bepalen afwijkingen. Aanzuring en ontzuring van een zelfde product sluiten elkaar eveneens uit.
1. Verzoeten van tafelwijn is:
a) wanneer de voor de bereiding hiervan gebruikte verse druiven, druivenmost, gedeeltelijk gegiste druivenmost, jonge nog gistende wijn, wijn die tot tafelwijn kan worden verwerkt of de tafelwijn zelf, reeds één van de in punt 1 van deel D bedoelde bewerkingen hebben ondergaan, slechts geoorloofd met gebruikmaking van druivenmost waarvan het totale alcoholvolumegehalte ten hoogste gelijk is aan dat van de betrokken tafelwijn;
b) wanneer de onder a) bedoelde producten geen van de in punt 1 van deel D bedoelde bewerkingen hebben ondergaan, slechts geoorloofd met gebruikmaking van geconcentreerde druivenmost, gerectificeerde geconcentreerde druivenmost of druivenmost, mits het totale alcoholvolumegehalte van de betrokken tafelwijn met niet meer dan 2 % vol wordt verhoogd.
2. Verzoeten van ingevoerde wijn die bestemd is voor rechtstreekse menselijke consumptie en die wordt aangeduid met een geografische benaming is op het grondgebied van de Gemeenschap verboden.
3. Voor verzoeten van ingevoerde wijn, andere dan bedoeld in punt 2, gelden nader te bepalen regels.
1. Elk van de in de delen D en E genoemde bewerkingen, met uitzondering van aanzuring en ontzuring van wijn, is slechts toegestaan indien zij in de wijnbouwzone waar de gebruikte verse druiven zijn geoogst, in één keer wordt uitgevoerd bij de verwerking van verse druiven, druivenmost, gedeeltelijk gegiste druivenmost of jonge, nog gistende wijn, tot wijn die tot tafelwijn kan worden verwerkt, tot tafelwijn of tot een andere voor rechtstreekse menselijke consumptie bestemde drank genoemd in artikel 1, lid 2, niet zijnde mousserende wijn of mousserende wijn waaraan koolzuurgas is toegevoegd.
2. Hetzelfde geldt voor concentratie, aanzuring en ontzuring van wijn die tot tafelwijn kan worden verwerkt.
3. Concentratie van tafelwijn moet plaatsvinden in de wijnbouwzone waar de gebruikte verse druiven zijn geoogst.
4. Aanzuring en ontzuring van wijn mogen alleen plaatsvinden in wijnbereidende ondernemingen in de wijnbouwzone waar de voor de bereiding van de desbetreffende wijn gebruikte druiven zijn geoogst.
5. Elk van de in de punten 1 tot en met 4 bedoelde bewerkingen moet bij de bevoegde autoriteiten worden gemeld. Hetzelfde geldt voor de hoeveelheden sacharose, geconcentreerde druivenmost of gerectificeerde geconcentreerde druivenmost, welke natuurlijke of rechtspersonen, of groepen van personen, met name producenten, bottelaars, verwerkers en nader aan te duiden handelaars, voor de uitoefening van hun beroep, terzelfder tijd en op een zelfde plaats als verse druiven, druivenmost, gedeeltelijk gegiste druivenmost of onverpakte wijn onder zich hebben. De melding van deze hoeveelheden mag evenwel worden vervangen door opneming ervan in een voorraadregister.
6. Elk van de in deel E genoemde bewerkingen moet worden ingeschreven in het door de overheid gecontroleerde document dat de aldus behandelde producten in het verkeer begeleidt.
7. Deze bewerkingen mogen, behoudens afwijkingen op grond van uitzonderlijke weersomstandigheden, slechts worden uitgevoerd:
a) vóór 1 januari in de wijnbouwzones C;
b) vóór 16 maart in de wijnbouwzones A en B, zulks uitsluitend voor producten die afkomstig zijn van de oogst die onmiddellijk vóór deze data heeft plaatsgevonden.
8. Concentratie door afkoeling, alsmede aanzuring en ontzuring van wijn zijn evenwel het hele jaar toegestaan.
1. In deze bijlage wordt verstaan onder:
a) 'cuvée':
- de druivenmost,
- het resultaat van de vermenging van druivenmost of van wijnen met verschillende eigenschappen,
die bestemd zijn om een bepaalde soort mousserende wijnen te verkrijgen;
b) 'liqueur de tirage':
het product dat bestemd is om aan de cuvée te worden toegevoegd teneinde de koolzuurontwikkeling op te wekken;
c) 'dosagelikeur':
het product dat bestemd is om aan de mousserende wijnen te worden toegevoegd teneinde daaraan bijzondere smaakkenmerken te geven.
2. De dosagelikeur mag slechts zijn samengesteld uit:
- sacharose,
- druivenmost,
- gedeeltelijk gegiste druivenmost,
- geconcentreerde druivenmost,
- een mengsel hiervan,
eventueel met toevoeging van wijndistillaat.
3. Onverminderd de verrijking die krachtens deze verordening voor de bestanddelen van de cuvée is toegestaan, is iedere verrijking van de cuvée verboden.
4. De lidstaten mogen evenwel voor regio's en variëteiten waarvoor dit vanuit technisch oogpunt gerechtvaardigd is, toestaan dat de cuvée onder nader te bepalen voorwaarden wordt verrijkt op de plaats waar de mousserende wijnen worden bereid.
5. Toevoeging van liqueur de tirage en toevoeging van dosagelikeur worden niet beschouwd als verrijking noch als verzoeting. De toevoeging van liqueur de tirage mag niet tot gevolg hebben dat het totale alcoholvolumegehalte van de cuvée met meer dan 1,5 % vol wordt verhoogd. Deze verhoging wordt gemeten door berekening van het verschil tussen het totale alcoholvolumegehalte van de cuvée en het totale alcoholvolumegehalte van de mousserende wijn vóór toevoeging van de dosagelikeur.
6. Het toevoegen van dosagelikeur geschiedt zodanig dat het effectief alcoholvolumegehalte van de mousserende wijn met niet meer dan 0,5 % vol wordt verhoogd.
7. Verzoeting van de cuvée en van de bestanddelen daarvan is verboden.
8. Afgezien van eventuele, overeenkomstig andere bepalingen van deze bijlage toegepaste aanzuring of ontzuring, mag de cuvée worden aangezuurd of ontzuurd. Aanzuring en ontzuring van de cuvée sluiten elkaar wederkerig uit. Ontzuring van wijn mag slechts plaatshebben tot een maximum van 1,5 gram per liter, uitgedrukt in wijnsteenzuur, dat wil zeggen 20 milli-equivalent per liter.
9. In jaren waarin de weersomstandigheden uitzonderlijk zijn geweest kan de maximumgrens van 1,50 gram per liter, dat wil zeggen 20 milli-equivalenten per liter, worden gebracht op 2,50 gram per liter, dat wil zeggen 34 milli-equivalenten per liter, mits het natuurlijke zuurgehalte der producten niet minder dan 3 gram per liter bedraagt, dat wil zeggen 40 milli-equivalenten per liter, uitgedrukt in wijnsteenzuur.
10. Het koolzuur dat de mousserende wijnen bevatten, mag alleen afkomstig zijn van de alcoholische vergisting van de cuvée waaruit de betrokken wijn is bereid.
11. Voor andere mousserende wijnen dan mousserende kwaliteitswijnen en v. m. q. p. r. d.:
a) bedraagt het totale alcoholvolumegehalte van de cuvées die bestemd zijn voor de bereiding van mousserende wijn ten minste 8,5 % vol;
b) mag de liqueur de tirage slechts zijn samengesteld uit:
- druivenmost,
- gedeeltelijk gegiste druivenmost,
- geconcentreerde druivenmost,
- gerectificeerde geconcentreerde druivenmost,
- sacharose en wijn;
c) onverminderd artikel 48, lid 3, bedraagt het effectieve alcoholvolumegehalte van mousserende wijnen, met inbegrip van de alcohol die in de eventueel toegevoegde dosagelikeur is vervat, ten minste 9,5 % vol;
d) onverminderd bepalingen van meer beperkende aard die de lidstaten voor de op hun grondgebied voortgebracht mousserende wijnen mogen toepassen, mag het totale zwaveldioxydegehalte van mousserende wijnen, behoudens uitzonderingen, niet meer dan 235 milligram per liter bedragen.
1. Voor de bereiding van likeurwijn worden de volgende producten gebruikt:
- druivenmost, of het mengsel van dit product met wijn, voor bepaalde v. l. q. p. r. d. die op een nog vast te stellen lijst voorkomen.
2. Voorts worden toegevoegd:
a) voor andere dan de onder b) bedoelde likeurwijn en v. l. q. p. r. d.:
i) een van de volgende producten, of een mengsel daarvan:
- neutrale alcohol verkregen door distillatie van wijnbouwproducten, met inbegrip van rozijnen en krenten, met een alcoholvolumegehalte van ten minste 96 % vol, die voldoet aan de bij de communautaire bepalingen vastgestelde kenmerken,
- distillaat van wijn of van rozijnen en krenten met een alcoholvolumegehalte van ten minste 52 % vol en ten hoogste 86 % vol, dat voldoet aan de in bijlage I vastgestelde kenmerken;
ii) alsmede, in voorkomend geval, een of meer van de volgende producten:
- geconcentreerde druivenmost,
- een mengsel van een van de in het eerste streepje genoemde producten met een druivenmost als bedoeld in punt 1, eerste of vierde streepje;
b) voor bepaalde, in een nog vast te stellen lijst opgenomen v. l. q. p. r. d.:
i) hetzij een van de onder a), eerste streepje, genoemde producten of een mengsel daarvan;
ii) hetzij een of meer van de volgende producten:
- alcohol van wijn of van rozijnen of krenten, met een alcoholvolumegehalte van ten minste 95 % vol, doch niet meer dan 96 % vol, die voldoet aan de kenmerken die zijn vastgesteld bij de communautaire bepalingen of, zo deze ontbreken, bij de toepasselijke nationale bepalingen,
- eau-de-vie van wijn of van druivendraf, met een alcoholvolumegehalte van ten minste 52 % vol, doch niet meer dan 86 % vol, die voldoet aan de kenmerken die zijn vastgesteld bij de communautaire bepalingen of, zo deze ontbreken, bij de toepasselijke nationale bepalingen,
- eau-de-vie van rozijnen of krenten, met een alcoholvolumegehalte van ten minste 52 % vol, doch niet meer dan 94,5 % vol, die voldoet aan de kenmerken die zijn vastgesteld bij de communautaire bepalingen of, zo deze ontbreken, bij de toepasselijke nationale bepalingen;
iii) alsmede, in voorkomend geval, een of meer van de volgende producten:
- gedeeltelijk gegiste druivenmost van ingedroogde druiven,
- geconcentreerde druivenmost verkregen door rechtstreekse werking van vuur, die uitgezonderd deze bewerking, voldoet aan de definitie van geconcentreerde druivenmost,
- geconcentreerde druivenmost,
- een mengsel van een van de in het tweede streepje genoemde producten met een druivenmost als bedoeld in punt 1, eerste of vierde streepje.
3. De in punt 1 genoemde producten die voor de bereiding van likeurwijn en v. l. q. p. r. d. worden gebruikt, mogen in voorkomend geval alleen zijn onderworpen aan de in deze verordening bedoelde oenologische procédés en behandelingen.
4. Niettemin:
a) mag de verhoging van het natuurlijke alcoholvolumegehalte slechts het gevolg zijn van het gebruik van de in punt 2 genoemde producten;
b) mag, voor bepaalde producten, door de betrokken lidstaat het gebruik van calciumsulfaat worden toegestaan wanneer dit procédé vanouds wordt toegepast, op voorwaarde dat het sulfaatgehalte van het aldus behandelde product niet meer bedraagt dan 2,5 gram per liter, uitgedrukt in kaliumsulfaat. Deze producten mogen voorts met behulp van wijnsteenzuur tot ten hoogste 1,5 gram per liter extra aangezuurd worden.
5. Onverminderd de meer beperkende bepalingen die de lidstaten voor de op hun grondgebied voortgebrachte wijn kunnen toepassen, mogen op deze producten de in deze verordening bedoelde oenologische procédés en behandelingen worden toegepast.
6. Voorts worden toegestaan:
a) verzoeting, onder voorbehoud van een verklaring en voorzover een register bijgehouden wordt, wanneer de gebruikte producten niet zijn verrijkt door middel van geconcentreerde druivenmost, door toevoeging van:
- geconcentreerde druivenmost of gerectificeerde geconcentreerde druivenmost, op voorwaarde dat het totale alcoholvolumegehalte van de betrokken wijn met niet meer dan 3 % vol wordt verhoogd,
- geconcentreerde druivenmost of gerectificeerde geconcentreerde druivenmost of gedeeltelijk gegiste druivenmost van ingedroogde druiven, voor vast te stellen producten, op voorwaarde dat het totale alcoholvolumegehalte van de betrokken wijn met niet meer dan 8 % vol wordt verhoogd,
- geconcentreerde druivenmost of gerectificeerde geconcentreerde druivenmost, voor vast te stellen wijnen, op voorwaarde dat het totale alcoholvolumegehalte van de betrokken wijn met niet meer dan 8 % vol wordt verhoogd;
b) toevoeging van alcohol, distillaat of eau-de-vie, als bedoeld in de punten 1 en 2, ter compensatie van het verlies door verdamping bij rijpen;
c) het rijpen in recipiënten bij een temperatuur van niet hoger dan 50 °C voor vast te stellen producten.
7. Onverminderd de strengere bepalingen die de lidstaten mogen vaststellen voor likeurwijn en v. l. q. p. r. d. die op hun grondgebied wordt bereid, mag het totale zwaveldioxydegehalte van likeurwijn of van een v. l. q. p. r. d. wanneer deze voor rechtstreekse menselijke consumptie in de handel wordt gebracht, niet hoger zijn dan:
a) 150 milligram per liter wanneer het restsuikergehalte minder bedraagt dan 5 gram per liter;
b) 200 milligram per liter wanneer het restsuikergehalte meer bedraagt dan 5 gram per liter.
8. De wijnstokrassen waaruit de voor de bereiding van likeurwijn en v. l. q. p. r. d. gebruikte producten, genoemd in punt 1, zijn verkregen, moeten behoren tot de in artikel 46, lid 5, bedoelde rassen.
9. Het natuurlijke alcoholvolumegehalte van de in punt 1 genoemde producten die voor de bereiding van andere likeurwijn dan v. l. q. p. r. d. worden gebruikt, mag niet lager zijn dan 12 % vol.
1. Onder 'bepaald gebied' wordt verstaan, een wijngebied of een geheel van wijngebieden waar wijnen met bijzondere kwalitatieve kenmerken worden geproduceerd en waarvan de naam wordt gebruikt om de v. q. p. r. d. aan te duiden.
2. Elk bepaald gebied wordt nauwkeurig afgebakend, voorzover mogelijk op grondslag van het perceel of de wijngaard. Bij deze afbakening, die door elk der betrokken lidstaten wordt verricht, wordt rekening gehouden met de factoren die bijdragen tot de kwaliteit van de in het betrokken gebied geproduceerde wijnen en met name met de gesteldheid van de bodem en de ondergrond, het klimaat, alsmede de ligging van de percelen of wijngaarden.
1. Elke lidstaat stelt een lijst op van de wijnstokrassen die geschikt zijn voor de bereiding van de onderscheiden, op zijn grondgebied voortgebrachte v. q. p. r. d.; deze wijnstokrassen mogen uitsluitend van de soort Vitis vinifera zijn en dienen te behoren tot de in artikel 19 bedoelde aanbevolen of toegestane categorieën.
2. De niet op de in punt 1 bedoelde lijst voorkomende wijnstokrassen worden uit de percelen of wijngaarden die bestemd zijn om v. q. p. r. d. voort te brengen, verwijderd.
3. In afwijking van het bepaalde in punt 2 kan echter de aanwezigheid van een wijnstokras dat niet op de lijst voorkomt, door de lidstaten worden toegestaan voor een tijdvak van drie jaar vanaf het ogenblik waarop de afbakening van het bepaalde gebied, die na 31 december 1979 heeft plaatsgevonden, van kracht wordt, mits dat wijnstokras tot de soort Vitis vinifera behoort en niet meer dan 20 % van het totale aantal wijnstokken op het betrokken perceel of op de betrokken wijngaard uitmaakt.
4. Uiterlijk bij het verstrijken van het in punt 3 bedoelde tijdvak mag ieder perceel of iedere wijngaard, bestemd om v. q. p. r. d. voort te brengen, slechts wijnstokrassen bevatten die voorkomen op de in punt 1 vermelde lijst. Wordt deze bepaling niet nageleefd, dan verliezen alle wijnen, verkregen uit op het betrokken perceel of de betrokken wijngaard geoogste druiven, aanspraak op de aanduiding v. q. p. r. d.
1. De verbouwingswijzen welke nodig zijn om een optimale kwaliteit v. q. p. r. d. te waarborgen, worden in door elk der betrokken lidstaten vastgestelde passende bepalingen geregeld.
2. In een bepaald wijngebied mag slechts bevloeiing plaatsvinden, voorzover de betrokken lidstaat daarvoor toestemming heeft verleend. Deze toestemming mag slechts worden verleend indien de ecologische omstandigheden zulks rechtvaardigen.
1. Een v. q. p. r. d. mag uitsluitend worden verkregen of bereid:
a) uit in het bepaalde gebied geoogste druiven van wijnstokrassen die op de in punt 1 van deel B bedoelde lijst voorkomen;
b) door verwerking van de onder a) bedoelde druiven tot most, en van de aldus verkregen most tot wijn alsmede door bereiding van deze wijn binnen het bepaalde gebied waar de gebruikte druiven zijn geoogst.
2. In afwijking van het bepaalde in punt 1, onder b), mag een v. q. p. r. d. worden verkregen of bereid in een in de onmiddellijke nabijheid van het betrokken bepaalde gebied gelegen gebied indien de betrokken lidstaat bij uitdrukkelijke toestemming en onder bepaalde voorwaarden hierin heeft voorzien.
3. Bovendien mogen de lidstaten bij individuele vergunningen en op voorwaarde dat er een passende controle plaatsvindt, toestaan dat een v. q. p. r. d. wordt verkregen door verwerking van druiven tot most en van deze most tot wijn, alsmede door bereiding van deze wijn, zelfs buiten een gebied in de onmiddellijke nabijheid van het betrokken bepaalde gebied:
a) wanneer het om een traditionele methode gaat, indien deze methode:
- in gebruik was vóór september 1970, of voor de lidstaten die na dat tijdstip tot de Gemeenschap zijn toegetreden, vóór de datum waarop hun toetreding inging,
- betrekking heeft op hoeveelheden die sindsdien bij de betrokken verwerker niet méér zijn gestegen dan met de algemene marktontwikkeling overeenstemt;
b) in de andere gevallen en als het om een methode gaat die vóór 1 september 1989 in gebruik was, gedurende een overgangsperiode die uiterlijk op 31 augustus 1992 eindigt.
4. Iedere natuurlijke of rechtspersoon of groep van personen die zowel beschikt over druiven of druivenmost die aan de eisen voor het verkrijgen van v. q. p. r. d. voldoen, als over andere producten die aan deze eisen niet voldoen, dient voor afzonderlijke bereiding en opslag daarvan zorg te dragen; indien zulks niet geschiedt kan de wijn niet als v. q. p. r. d. worden aangemerkt.
1. Elke lidstaat stelt voor elke op zijn grondgebied verkregen v. q. p. r. d. het minimale natuurlijke alcoholvolumegehalte vast. Bij de vaststelling van dit natuurlijke alcoholvolumegehalte wordt met name rekening gehouden met de gedurende de laatste tien aan deze vaststelling voorafgaande jaren waargenomen alcoholgehalten, waarbij alleen oogsten van bevredigende kwaliteit, die op de voor het bepaalde gebied meest representatieve gronden zijn verkregen, in aanmerking worden genomen.
2. Voor dezelfde v. q. p. r. d. mag het in punt 1 bedoelde minimale natuurlijke alcoholvolumegehalte worden vastgesteld op verschillende niveaus naar gelang van:
a) het deel van het gebied, de gemeente of het deel van de gemeente,
b) het (de) wijnstokras(sen),
waaruit respectievelijk de verwerkte druiven afkomstig zijn.
3. Behoudens afwijkingen en voor v. m. q. p. r. d. en v. l. q. p. r. d., mogen de in punt 1 bedoelde alcoholvolumegehalten niet lager zijn dan:
a) 6,5 % vol in wijnbouwzone A, met uitzondering van de bepaalde gebieden 'Mosel-Saar-Ruwer', 'Ahr', 'Mittelrhein', 'Sachsen', 'Saale-Unstrut', 'Moselle luxembourgeoise', 'England' en 'Wales', waarvoor dit alcoholgehalte op 6 % vol wordt vastgesteld;
b) 7,5 % vol in zone B;
c) 8,5 % vol in zone C Ia);
d) 9 % vol in zone C Ib);
e) 9,5 % vol in zone C II;
f) 10 % vol in de zones C III.
1. De speciale wijnbereidingsmethoden voor het verkrijgen van v. q. p. r. d. worden door elk der betrokken producerende lidstaten voor elk van deze wijnen vastgesteld.
2. Indien de weersomstandigheden in een van de in deel E bedoelde wijnbouwzones zulks noodzakelijk hebben gemaakt, kunnen de betrokken lidstaten toestemming verlenen tot verhoging van het (effectieve of potentiële) natuurlijke alcoholvolumegehalte van verse druiven, van druivenmost, van gedeeltelijk gegiste druivenmost, van jonge nog gistende wijn en van wijn die tot v. q. p. r. d. kan worden verwerkt, met uitzondering van producten die bestemd zijn om te worden verwerkt tot v. l. q. p. r. d. Deze verhoging dient binnen de in bijlage IV, deel C, punt 4, genoemde grenzen te blijven.
3. In jaren waarin de weersomstandigheden uitzonderlijk ongunstig zijn geweest, mag toestemming worden verleend om het alcoholgehalte als bedoeld in punt 2 tot de in bijlage IV, deel C, punt 5, bedoelde grenswaarden te verhogen. Deze toestemming laat de mogelijkheid onverlet om, overeenkomstig laatstgenoemde bepaling, een eventuele gelijksoortige toestemming voor tafelwijn te verlenen.
4. De verhoging van het natuurlijke alcoholvolumegehalte mag slechts geschieden volgens de methoden en onder de voorwaarden die in bijlage IV, deel D, met uitzondering van punt 7 daarvan, zijn vermeld. De lidstaten mogen het gebruik van geconcentreerde druivenmost echter uitsluiten.
5. Het totale alcoholvolumegehalte van v. q. p. r. d. mag niet lager zijn dan 9 % vol. Voor sommige vast te stellen witte v. q. p. r. d. die in het geheel geen verrijking hebben ondergaan, bedraagt het totale minimale alcoholvolumegehalte echter 8,5 % vol. Het bepaalde in dit punt is niet van toepassing op v. m. q. p. r. d. en v. l. q. p. r. d.
1. De voorwaarden en de grenzen voor het aanzuren en het ontzuren van verse druiven, druivenmost, gedeeltelijk gegiste druivenmost, jonge nog gistende wijn en wijn, die tot v. q. p. r. d. kunnen worden verwerkt, alsmede de procedure voor het verlenen van toestemming en ontheffing, zijn in deel E van bijlage IV genoemd.
2. Het verzoeten van v. q. p. r. d. mag door een lidstaat slechts worden toegestaan indien deze bewerking plaatsvindt:
a) met inachtneming van de in deel F van bijlage IV bedoelde voorschriften en grenswaarden;
b) binnen het bepaalde gebied waaruit de betrokken v. q. p. r. d. afkomstig is of in een gebied in de onmiddellijke nabijheid van dit gebied, behoudens nader te bepalen uitzonderingen;
c) met gebruikmaking van een of meer van onderstaande producten:
- druivenmost,
- geconcentreerde druivenmost,
- gerectificeerde geconcentreerde druivenmost.
3. De in punt 2, onder c), bedoelde druivenmost en geconcentreerde druivenmost moeten afkomstig zijn uit hetzelfde bepaalde gebied als de wijn voor het verzoeten waarvan zij worden gebruikt.
1. Elk van de in deel F en deel G, punt 1, bedoelde verrijkings-, aanzurings- en ontzuringsbewerkingen is slechts toegestaan wanneer zij onder de in bijlage IV, deel G, gestelde voorwaarden wordt uitgevoerd.
2. Behoudens het bepaalde in deel D, punt 4, mag een dergelijke bewerking slechts geschieden in het bepaalde gebied waar de gebruikte verse druiven zijn geoogst.
1. Voor elke v. q. p. r. d. wordt door de betrokken lidstaat een opbrengst per hectare vastgesteld, die in hoeveelheden druiven, druivenmost of wijn wordt uitgedrukt.
2. Bij de vaststelling van deze opbrengst wordt in het bijzonder rekening gehouden met de opbrengsten van de tien voorafgaande jaren, waarbij alleen kwalitatief bevredigende oogsten van de voor het bepaalde gebied representatieve gronden in aanmerking worden genomen.
3. Voor een zelfde v. q. p. r. d. kan een verschillende opbrengst per hectare worden vastgesteld naar gelang van:
a) het deel van het gebied, de gemeente of het deel van de gemeente,
b) het (de) wijnstokras(sen),
waaruit respectievelijk de verwerkte druiven afkomstig zijn.
4. Deze opbrengst kan door de betrokken lidstaat worden gecorrigeerd.
5. Overschrijding van de vastgestelde basisopbrengst heeft ten gevolge dat voor de gehele oogst het gebruik van de benaming waarop aanspraak wordt gemaakt, wordt verboden.
6. In geval van overschrijding kan de door de lidstaat aangewezen bevoegde instantie evenwel toestaan dat de benaming waarop aanspraak wordt gemaakt, wordt gebruikt, op voorwaarde dat:
a) de weersomstandigheden tijdens het wijnoogstjaar bijzonder gunstig zijn geweest, met name uit het oogpunt van kwaliteit;
b) de overschrijding niet meer bedraagt dan 20 % van de vastgestelde basisopbrengst, en
c) de hoeveelheid waarmee de basisopbrengst is overschreden, zonder enige overheidssteun wordt gedistilleerd.
7. De lidstaten kunnen voorschrijven dat de helft van de hoeveelheid waarmee de baisisopbrengst is overschreden, wordt opgeslagen zonder mogelijkheid om deze tijdens het wijnoogstjaar van productie in de handel te brengen. De opgeslagen hoeveelheid mag worden erkend voor de volgende oogst of voor latere oogsten, eventueel na assemblage met de betrokken v. q. p. r. d. van de nieuwe oogst.
1. De producenten moeten wijn waarvoor zij de aanduiding 'v. q. p. r. d.' claimen, aan een analytisch en aan een organoleptisch onderzoek laten onderwerpen:
a) het analytische onderzoek moet ten minste betrekking hebben op de waarden van die der in bijlage I opgesomde factoren, welke kenmerkend zijn voor de betrokken v. q. p. r. d. Door de producerende lidstaat worden voor elke v. q. p. r. d. de limietwaarden van deze factoren vastgesteld;
b) het organoleptische onderzoek heeft betrekking op kleur, klaarheid, reuk en smaak.
2. De in punt 1 bedoelde onderzoeken kunnen steekproefsgewijs worden uitgevoerd door de daartoe door elke lidstaat aangewezen bevoegde instantie, totdat passende bepalingen voor een systematische en algemene toepassing ervan zijn vastgesteld.
1. Het totale alcoholvolumegehalte:
a) van cuvées die voor de bereiding van mousserende kwaliteitswijn zijn bestemd, bedraagt ten minste 9 % vol;
b) van cuvées die voor de bereiding van v. m. q. p. r. d. zijn bestemd, bedraagt ten minste:
- 9,5 % vol in de wijnbouwzones C III;
- 9 % vol in de andere wijnbouwzones.
2. Cuvées die zijn bestemd voor de bereiding van bepaalde, op een nog vast te stellen lijst voorkomende v. m. q. p. r. d. en die op basis van één enkele druivensoort worden bereid, mogen echter een totaal alcoholvolumegehalte van niet minder dan 8,5 % vol hebben.
3. De lijst van de in punt 2 bedoelde v. m. q. p. r. d. wordt vastgesteld.
4. Het effectieve alcoholvolumegehalte van mousserende kwaliteitswijn en v. m. q. p. r. d., met inbegrip van de alcohol in de eventueel toegevoegde dosagelikeur, moet ten minste 10 % vol bedragen.
5. De dosagelikeur voor de bereiding van mousserende kwaliteitswijn mag slechts zijn samengesteld uit:
a) sacharose,
b) geconcentreerde druivenmost,
c) gerectificeerde geconcentreerde druivenmost,
d) druivenmost of gedeeltelijk gegiste druivenmost waaruit wijn kan worden bereid die tot tafelwijn kan worden verwerkt,
e) wijn die tot tafelwijn kan worden verwerkt,
g) v. q. p. r. d.
6. De dosagelikeur voor de bereiding van v. m. q. p. r. d. mag slechts zijn samengesteld uit:
a) sacharose,
b) geconcentreerde druivenmost,
c) gerectificeerde geconcentreerde druivenmost,
d) druivenmost,
e) gedeeltelijk gegiste druivenmost,
f) wijn,
g) v. q. p. r. d.,
die geschikt is voor de bereiding van dezelfde v. m. q. p. r. d. als die waaraan de liqueur de tirage wordt toegevoegd.
7. In afwijking van punt 15 van bijlage I moet mousserende kwaliteitswijn en v. m. q. p. r. d. wanneer hij in gesloten recipiënten bij een temperatuur van 20 °C wordt bewaard, een overdruk hebben van ten minste 3,5 bar. Voor mousserende kwaliteitswijn en v. m. q. p. r. d. in recipiënten van minder dan 25 centiliter behoeft de overdruk slechts 3 bar te bedragen.
8. Onverminderd de bepalingen van meer beperkende aard die de lidstaten mogen toepassen voor de op hun grondgebied voortgebrachte mousserende kwaliteitswijnen en de v. m. q. p. r. d., en afwijkingen die kunnen worden toegestaan indien de weersomstandigheden zulks in bepaalde wijnbouwzones van de Gemeenschap noodzakelijk hebben gemaakt, mag het totale zwaveldioxydegehalte van deze mousserende wijnen niet meer bedragen dan 185 milligram per liter.
9. De duur van het bereidingsproces van mousserende kwaliteitswijn en van v. m. q. p. r. d. met inbegrip van de rijping in het productiebedrijf en gerekend vanaf de gisting die bestemd is om de wijn mousserend te maken, mag niet korter zijn dan:
a) zes maanden, wanneer de gisting om de wijn mousserend te maken, in gesloten kuipen plaatsvindt;
b) negen maanden, wanneer de gisting om de wijn mousserend te maken, op fles plaatsvindt.
10. De duur van de gisting die bestemd is om de cuvée mousserend te maken en de duur van de aanwezigheid van de cuvée op de wijnmoer bedragen ten minste:
- 90 dagen;
1. Behoudens vast te stellen afwijkingen, moeten de in bijlage IV, deel I, punt 1, bedoelde producten en de uit de in punt 2 van dat deel bedoelde ingedroogde druiven verkregen geconcentreerde druivenmost of gedeeltelijk gegiste druivenmost, afkomstig zijn van het bepaalde gebied waarvan de v. l. q. p. r. d. de naam draagt.
2. Behoudens vast te stellen afwijkingen, mogen de in bijlage IV, deel I, punten 3 tot en met 6, bedoelde behandelingen voor de bereiding van v. l. q. p. r. d. uitsluitend plaatsvinden in het in punt 1 bedoelde bepaalde gebied.
3. Onverminderd de meer beperkende bepalingen die de lidstaten voor de op hun grondgebied voortgebrachte v. l. q. p. r. d. kunnen toepassen:
a) mag het natuurlijke alcoholvolumegehalte van de in bijlage IV, deel I, punt 1, bedoelde producten die worden gebruikt voor de bereiding van v. l. q. p. r. d., niet lager zijn dan 12 % vol. Sommige in een nog vast te Stellen lijst opgenomen v. l. q. p. r. d. mogen evenwel worden bereid uit:
i) druivenmost met een natuurlijk alcoholvolumegehalte van ten minste 10 % vol in het geval van v. l. q. p. r. d. die worden verkregen door toevoeging van eau-de-vie van wijn of druivendraf met een gecontroleerde benaming van oorsprong en eventueel afkomstig van hetzelfde bedrijf, of
ii) gistende druivenmost of, in het geval als bedoeld in het tweede streepje hieronder, wijn met een oorspronkelijk natuurlijk alcoholvolumegehalte van ten minste:
- 11 % vol voor v. l. q. p. r. d. verkregen door toevoeging van neutrale alcohol of wijndistillaat met een effectief alcoholvolumegehalte van ten minste 70 % vol, of uit producten van de wijnstok gewonnen alcohol,
- 10,5 % vol voor in een vast te stellen lijst opgenomen wijnen bereid uit most van witte druiven,
- 9 % vol voor v. l. q. p. r. d. die op traditionele en gebruikelijke wijze worden geproduceerd, overeenkomstig de voor dergelijke wijnen uitdrukkelijk in de nationale wetgeving opgenomen bepalingen;
b) mag het effectieve alcoholvolumegehalte van v. l. q. p. r. d. niet lager dan 15 % vol en niet hoger dan 22 % vol zijn;
c) mag het totale alcoholvolumegehalte van v. l. q. p. r. d. niet lager zijn dan 17,5 % vol;
4. Het totale alcoholvolumegehalte mag evenwel lager zijn dan 17,5 % vol, doch niet lager dan 15 % vol, voor sommige op een nog vast te stellen lijst opgenomen v. l. q. p. r. d. indien nationale bepalingen die daarop vóór 1 januari 1985 van toepassing waren, zulks uitdrukkelijk toestaan.
Inhoud
- HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
- TITEL I WERKINGSSFEER
- Artikel 1
- TITEL II WIJNBOUWPOTENTIEEL
- HOOFDSTUK I AANPLANT VAN WIJNSTOKKEN
- Artikel 2
- Artikel 3
- d) waarvan de wijnstokproducten niet zijn bestemd om in de handel te worden gebracht, of
- Artikel 4
- a) worden overeenkomstig lid 2 toegekend, of
- Artikel 5
- a) om niet, aan producenten die jonger dan 40 jaar zijn, de nodige vakbekwaamheid en -kennis hebben en voor het eerst als bedrijfshoofd een wijnbouwbedrijf opstarten, of
- Artikel 6
- 3. De nieuwe rechten tot aanplant mogen slechts eenmaal aan de reserve(s) worden toegewezen.
- Artikel 7
- HOOFDSTUK II PREMIES VOOR DEFINITIEVE STOPZETTING
- Artikel 8
- d) het geproduceerde type wijn, en
- 5. Het premieniveau mag nader vast te stellen niveaus niet overtreffen.
- Artikel 9
- c) in de voorafgaande vijf wijnoogstjaren aangeplante wijngaardoppervlakten, en
- d) wijngaardoppervlakten waarvoor voor de herstructurering ervan in de voorafgaande vijf wijnoogstjaren financiering is verkregen.
- Artikel 10
- c) de in artikel 8, lid 5, bedoelde maximumpremiebedragen, en
- HOOFDSTUK III HERSTRUCTURERING
- Artikel 11
- c) een het milieu ten goede komende extensivering van de wijnbouw, en
- b) heraanleg van wijngaarden op andere plaatsen, en
- 4. Toegang tot de regeling staat slechts open in die gebieden van een lidstaat waarvoor deze lidstaat de in artikel 16 bedoelde inventaris van het wijnbouwpotentieel heeft opgesteld.
- Artikel 12
- c) producentenorganisaties, of
- 3. De plannen moeten aan de in dit hoofdstuk vervatte bepalingen en aan de uitvoeringsbepalingen ervan voldoen.
- Artikel 13
- a) vergoeding van de producenten voor hun met de uitvoering van het plan gemoeide inkomstenverlies, en
- a) toestemming om, ongeacht de bepalingen van deze titel, hoofdstuk I, gedurende een bepaalde periode van niet meer dan drie jaar zowel oude als nieuwe wijnstokken bijeen te laten voortbestaan, of
- Artikel 14
- Artikel 15
- c) bepalingen om te voorkomen dat de toepassing van dit hoofdstuk tot een toename van de productie leidt, en
- HOOFDSTUK IV INFORMATIE EN ALGEMENE BEPALINGEN
- Artikel 16
- c) de aan producenten en aan reserves toegewezen aanplant- en herbeplantingsrechten, en
- d) de ter uitvoering van in deze titel, hoofdstuk I, vastgestelde nationale bepalingen.
- Artikel 17
- c) de verkoop van de ontwikkeling van het wijnverbruik en van het verbruik van andere producten van de wijnsector die in de staat kunnen worden geconsumeerd, en
- 2. Om deze evaluaties te kunnen volbrengen, kan de Commissie een beroep doen op externe medewerking.
- Artikel 18
- Artikel 19
- 5. Wanneer wijnstokrassen uit de indeling worden geschrapt, moeten de wijnstokken van de betrokken rassen binnen 15 jaar na die schrapping worden gerooid.
- Artikel 20
- Wat het communautaire wijnbouwkadaster betreft, gelden de bepalingen van Verordening (EEG) nr. 2392/86.
- Artikel 21
- Artikel 22
- De lidstaten kunnen voor nieuwe aanplant van of herbeplanting met wijnstokken beperkende nationale bepalingen vaststellen.
- Artikel 23
- a) de vorm en de mate van gedetailleerdheid van de gegevens die voor de in artikel 16 bedoelde inventaris nodig zijn, en
- TITEL III MARKTMECHANISMEN
- HOOFDSTUK I STEUN VOOR PARTICULIERE OPSLAG
- Artikel 24
- b) uiterlijk op 30 november na de datum waarop het contract is gesloten.
- Artikel 25
- 4. Het steunbedrag voor geconcentreerde druivenmost mag worden aangepast aan de hand van een met de concentratiegraad overeenkomende coëfficiënt.
- Artikel 26
- e) de bepaling dat voor druivenmost en geconcentreerde druivenmost die voor de bereiding van druivensap zijn bestemd, geen langlopende opslagcontracten mogen worden gesloten, en
- a) de steunregeling voor de particuliere opslag niet wordt toegepast indien uit de marktsituatie blijkt dat toepassing van de regeling niet gerechtvaardigd is, en
- HOOFDSTUK II DISTILLATIE
- Artikel 27
- a) de verkregen producten van gezonde handelskwaliteit zijn, en
- 12. De leden 1 tot en met 11 gelden niet voor druivensap en geconcentreerd druivensap noch voor druivenmost of geconcentreerde druivenmost die voor de bereiding van druivensap bestemd is.
- Artikel 28
- a) de in een nader te bepalen referentieperiode geproduceerde hoeveelheden, en
- 7. Dit artikel is van toepassing onverminderd artikel 1, lid 2.
- Artikel 29
- 6. De bijkomende steun heeft de vorm van een uitkering voor de opslag van het verkregen product. Deze steun is bedoeld om de werking van de primaire steunregeling te vergemakkelijken.
- Artikel 30
- a) wegwerking van specifieke overschotsegmenten, en
- 4. De maatregel mag tot bepaalde wijncategorieën of tot bepaalde productiegebieden worden beperkt.
- Artikel 31
- Artikel 32
- 2. Op verzoek van de betrokken producent wordt de verlaging slechts toegepast binnen de grenzen van de hoeveelheden waarvan het alcoholgehalte is verhoogd als bedoeld in lid 1.
- Artikel 33
- e) de normaal geproduceerde hoeveelheden wijn, als bedoeld in artikel 28, lid 2, en
- HOOFDSTUK III STEUN VOOR DRUIVENMOSTGEBRUIK
- Artikel 34
- a) geconcentreerde druivenmost, en
- Artikel 35
- Artikel 36
- HOOFDSTUK IV ALGEMENE BEPALINGEN
- Artikel 37
- Artikel 38
- TITEL IV PRODUCENTENORGANISATIES EN BRANCHEORGANISATIES
- HOOFDSTUK I PRODUCENTENORGANISATIES
- Artikel 39
- Artikel 40
- Artikel 41
- a) administratiekosten die met de toepassing van de in lid 1 bedoelde regels gemoeid zijn, of
- HOOFDSTUK 2 INTERPROFESSIONELE ORGANISATIES
- Artikel 42
- viii) ontwikkeling van het potentieel van en bescherming van biologische landbouw, alsmede van oorsprongsbenamingen, kwaliteitslabels en geografische aanduidingen, en
- Artikel 43
- Artikel 44
- Artikel 45
- TITEL V OENOLOGISCHE PROCÉDÉS EN BEHANDELINGEN ALSMEDE PRODUCTSPECIFICATIES; OMSCHRIJVING, AANDUIDING, AANBIEDINGSVORM EN BESCHERMING
- HOOFDSTUK I OENOLOGISCHE PROCÉDÉS EN BEHANDELINGEN ALSMEDE PRODUCTSPECIFICATIES
- Artikel 46
- h) gedeeltelijk gegiste druivenmost van ingedroogde druiven.
- Artikel 47
- 3. De toegestane oenologische procédés en behandelingen alsmede de voorschriften betreffende de likeurwijnbereiding zijn vastgesteld in bijlage IV, deel I.
- Artikel 48
- Artikel 49
- c) producten als bedoeld in artikel 1, lid 2, die niet aan de definities in bijlage I beantwoorden.
- Artikel 50
- c) de toepassing van bijlage IV, delen C tot en met G, op producten die zijn geoogst in regio's van de Gemeenschap welke niet in de in bijlage III vermelde wijnbouwzones zijn genoemd, en
- i) een door de betrokken lidstaat toegestane analysemethode, of
- HOOFDSTUK II OMSCHRIJVING, AANDUIDING, AANBIEDINGSVORM EN BESCHERMING
- Artikel 51
- c) de soepele werking van de interne markt, en
- d) het gebruik van geografische aanduidingen en traditionele termen voor v. q. p. r. d. en bepaalde tafelwijnen regelen, en
- Artikel 52
- Artikel 53
- TITEL VI IN BEPAALDE GEBIEDEN VOORTGEBRACHTE KWALITEITSWIJN
- Artikel 54
- 6. De Commissie maakt de lijst bekend in de C-reeks van het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.
- Artikel 55
- Artikel 56
- i) te verzoeken om een product dat in zijn oogst- of productieopgave voorkomt als een product dat geschikt is om v. q. p. r. d. op te leveren, niet als v. q. p. r. d. in te delen, of
- i) wanneer de wijn van oorsprong is uit die lidstaat, of
- b) de wijn verboden behandelingen heeft ondergaan of niet wettig als v. q. p. r. d. is omschreven.
- Artikel 57
- Artikel 58
- TITEL VII REGELING VOOR HET HANDELSVERKEER MET DERDE LANDEN
- Artikel 59
- b) de geldigheidsduur van de certificaten en andere nadere bepalingen voor de toepassing van dit artikel.
- Artikel 60
- Artikel 61
- b) de overige criteria die voor de toepassing van lid 1 noodzakelijk zijn overeenkomstig artikel 5 van genoemde overeenkomst.
- Artikel 62
- b) de erkenning van het document aan de hand waarvan de onder a) bedoelde waarborgen kunnen worden gecontroleerd, en
- c) de voorwaarden voor de afgifte en de geldigheidsduur van de invoercertificaten.
- Artikel 63
- Artikel 64
- b) uit de Gemeenschap zijn uitgevoerd, en
- Artikel 65
- Artikel 66
- b) de toepassing van enige kwantitatieve beperking of maatregel van gelijke werking.
- Artikel 67
- Artikel 68
- 3. Nadere bepalingen voor de toepassing van dit artikel worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 75.
- Artikel 69
- TITEL VIII ALGEMENE, OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN
- Artikel 70
- Artikel 71
- Artikel 72
- d) betreffende sancties, en
- e) betreffende de bevoegdheden en verplichtingen van de aangewezen inspecteurs.
- Artikel 73
- Artikel 74
- Artikel 75
- De Raad kan binnen één maand met een gekwalificeerde meerderheid van stemmen een andersluidend besluit nemen.
- Artikel 76
- Het comité kan elk ander vraagstuk onderzoeken dat door zijn voorzitter, hetzij op diens initiatief, hetzij op verzoek van de vertegenwoordiger van een lidstaat, aan de orde wordt gesteld.
- Artikel 77
- 2. Deze verordening dient te worden toegepast met inachtneming van de verplichtingen die uit de overeenkomstig artikel 228, lid 2, van het Verdrag gesloten overeenkomsten voortvloeien.
- Artikel 78
- Artikel 79
- a) ter vergemakkelijking van de overgang van de regelingen waarin de in artikel 80 genoemde verordeningen voorzien naar de bij de onderhavige verordening vastgestelde regelingen, en
- Artikel 80
- Artikel 81
- Zij is van toepassing met ingang van 1 augustus 2000.
- Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
- BIJLAGE I
- DEFINITIES VAN PRODUCTTERMEN
- a) uit verse druiven of uit druivenmost, of
- - uit geconcentreerd druivenmost, of
- - is geproduceerd in de Gemeenschap, en
- - gedeeltelijk gegiste druivenmost, of
- - wijn, of
- - een mengsel van bovengenoemde producten, of
- - afkomstig moeten zijn van wijnstokrassen die onder artikel 46, lid 5, vallen, en
- - uitsluitend wordt verkregen door azijnzure vergisting van wijn, en
- - door vergisting van onbehandelde draf van druiven, gemacereerd in water, of
- - gedurende ten minste twee jaar is bewaard, te rekenen vanaf 1 januari van het jaar na de oogst van de betrokken druiven.
- BIJLAGE II
- ALCOHOLGEHALTEN
- 7. Totaal alcoholmassagehalte: de som van het effectieve en het potentiële alcoholmassagehalte.
- BIJLAGE III
- WIJNBOUWZONES
- d) in Spanje: de met wijnstokken beplante oppervlakten die niet in punt 3, onder b), of punt 5, onder c), zijn opgenomen, en
- BIJLAGE IV
- OENOLOGISCHE PROCÉDÉS EN BEHANDELINGEN EN PRODUCTSPECIFICATIES
- A. Zwaveldioxydegehalte
- a) 160 milligram per liter voor rode wijn, en
- 4. De lidstaten mogen strengere bepalingen toepassen op wijnen die op hun grondgebied worden voortgebracht.
- B. Gehalte aan vluchtige zuren
- - een verouderingsperiode van ten minste twee jaar hebben doorgemaakt of
- C. Grenswaarden voor verrijking
- D. Verrijkingsprocédés
- E. Aanzuring en ontzuring
- 7. Aanzuring en verrijking van een zelfde product sluiten elkaar uit, behoudens van geval tot geval te bepalen afwijkingen. Aanzuring en ontzuring van een zelfde product sluiten elkaar eveneens uit.
- F. Verzoeting
- 3. Voor verzoeten van ingevoerde wijn, andere dan bedoeld in punt 2, gelden nader te bepalen regels.
- G. Bewerkingen
- 8. Concentratie door afkoeling, alsmede aanzuring en ontzuring van wijn zijn evenwel het hele jaar toegestaan.
- H. Mousserende wijn
- - de wijn, of
- - wijn, of
- I. Likeurwijn
- - gedeeltelijk gegiste druivenmost, of
- - wijn, of
- - een mengsel van de in de vorige streepjes genoemde producten, of
- BIJLAGE V
- V. Q. P. R. D.
- A. Bepaald gebied
- B. Wijnstokrassen
- C. Verbouwingswijzen
- D. Productiegebieden
- - sinds die data zonder onderbreking in gebruik is geweest, en
- 5. Het bepaalde in de punten 1 tot en met 3 is niet van toepassing op v. l. q. p. r. d.
- E. Minimaal alcoholvolumegehalte
- F. Wijnbereidingsmethoden
- G. Aanzuring, ontzuring en verzoeting
- 4. Het bepaalde in dit deel is niet van toepassing op v. m. q. p. r. d. en v. l. q. p. r. d.
- H. Verrijkings-, aanzurings- en ontzuringsbewerkingen
- 2. Behoudens het bepaalde in deel D, punt 4, mag een dergelijke bewerking slechts geschieden in het bepaalde gebied waar de gebruikte verse druiven zijn geoogst.
- I. Opbrengsten
- J. Organoleptisch onderzoek
- K. V. m. q. p. r. d.
- f) tafelwijn, of
- - 30 dagen, wanneer de gisting plaatsvindt in recipiënten die van agitatoren zijn voorzien.
- L. V. l. q. p. r. d.


