Bijlagen bij COM(2011)788 - “Erasmus voor iedereen” Het programma van de Unie voor onderwijs, beroepsopleiding, jeugd en sport - EU monitor

EU monitor; Kennis Management Tool
logo PDC
Woensdag 22 mei 2013
 
BIJLAGE FINANCIEEL MEMORANDUM VOOR VOORSTELLEN

[te gebruiken bij elk voorstel of initiatief dat bij de wetgevende autoriteit wordt ingediend

(artikel 28 van het Financieel Reglement en artikel 22 van de uitvoeringsvoorschriften)]

1.           KADER VAN HET VOORSTEL/INITIATIEF

              1.1.    Benaming van het voorstel/initiatief

              1.2.    Betrokken beleidsterrein(en) in de ABM/ABB-structuur

              1.3.    Aard van het voorstel/initiatief

              1.4.    Doelstelling(en)

              1.5.    Motivering van het voorstel/initiatief

              1.6.    Duur en financiële gevolgen

              1.7.    Beheersvorm(en)

2.           BEHEERSMAATREGELEN

              2.1.    Regels inzake het toezicht en de verslagen

              2.2.    Beheers- en controlesysteem

              2.3.    Maatregelen ter voorkoming van fraude en onregelmatigheden

3.           GERAAMDE FINANCIELE GEVOLGEN VAN HET VOORSTEL/INITIATIEF

              3.1.    Rubriek(en) van het meerjarige financiële kader en betrokken begrotingsonderde(e)l(en) voor uitgaven

              3.2.    Geraamde gevolgen voor de uitgaven

              3.2.1. Samenvatting van de geraamde gevolgen voor de uitgaven

              3.2.2. Geraamde gevolgen voor de beleidskredieten

              3.2.3. Geraamde gevolgen voor de administratieve kredieten

              3.2.4. Verenigbaarheid met het huidige meerjarige financiële kader

              3.2.5. Bijdrage van derden aan de financiering

              3.3.    Geraamde gevolgen voor de ontvangsten

FINANCIEEL MEMORANDUM VOOR VOORSTELLEN

1.           KADER VAN HET VOORSTEL/INITIATIEF

1.1.        Benaming van het voorstel/initiatief

Voorstel voor een VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD tot vaststelling van Erasmus voor iedereen, het programma van de Unie voor onderwijs, beroepsopleiding, jeugd en sport

1.2.        Betrokken beleidsterrein(en) in de ABM/ABB-structuur[31]

Titel 15 Onderwijs en cultuur

1.3.        Aard van het voorstel/initiatief

x Het voorstel/initiatief betreft een nieuwe actie

" Het voorstel/initiatief betreft een nieuwe actie na een proefproject/een voorbereidende actie[32]

" Het voorstel/initiatief betreft de verlenging van een bestaande actie

" Het voorstel/initiatief betreft een actie die wordt omgebogen naar een nieuwe actie

1.4.        Doelstellingen

1.4.1.     De met het voorstel/initiatief beoogde strategische meerjarendoelstelling(en) van de Commissie

Europa 2020-strategie

Prioriteit: slimme en inclusieve groei, geïntegreerd programma voor onderwijs, beroepsopleiding, jeugd en sport

Doel: onderwijs/vaardigheden

Kerninitiatieven: Een agenda voor nieuwe vaardigheden en banen, Jeugd in beweging

1.4.2.     Specifieke doelstelling(en) en betrokken ABM/ABB-activiteiten

Specifieke doelstelling nr. 1:

verhoging van het niveau van de kerncompetenties en vaardigheden, inzonderheid wat betreft hun relevantie voor de arbeidsmarkt en de samenleving, en versterking van de deelname van jongeren aan het democratische leven in Europa, met name door de mogelijkheden voor leermobiliteit voor jongeren, lerenden, personeel en jongerenwerkers te verruimen en de samenwerking tussen onderwijs en jeugdwerk enerzijds en de arbeidsmarkt anderzijds te intensiveren.

Specifieke doelstelling nr. 2:

bevordering van kwaliteitsverbeteringen, excellentie op het gebied van innovatie en internationalisering op het niveau van onderwijsinstellingen en in het jeugdwerk, met name door nauwere transnationale samenwerking tussen aanbieders van onderwijs en opleidingen, jongerenorganisaties en andere belanghebbenden.

Specifieke doelstelling nr. 3:

bevordering van het ontstaan van een Europese ruimte voor een leven lang leren, het initiëren van beleidshervormingen op nationaal niveau, ondersteuning van de modernisering van onderwijs- en opleidingsstelsels, met inbegrip van de niet-formele leeromgeving, en ondersteuning van Europese samenwerking op het gebied van jeugdzaken, met name door sterkere beleidssamenwerking, verbetering van de toepassing van instrumenten voor transparantie en de verspreiding van goede praktijken.

Specifieke doelstelling nr. 4:

versterking van de internationale dimensie van onderwijs, beroepsopleiding en jeugd, met name in het hoger onderwijs, door de aantrekkelijkheid van de instellingen voor hoger onderwijs van de Unie te vergroten en ondersteuning van ontwikkelingsdoelstellingen van de Unie door de mobiliteit en de medewerking tussen de instellingen voor hoger onderwijs in de EU en in derde landen te bevorderen en door doelgerichte opbouw van capaciteit in derde landen.

Specifieke doelstelling nr. 5:

verbetering van onderwijs in en het leren van talen en bevordering van taalkundige verscheidenheid.

Specifieke doelstelling nr. 6:

stimulering van excellentie in onderwijs en onderzoek op het gebied van Europese integratie door middel van de Jean Monnet-activiteiten in de hele wereld.

Specifieke doelstelling nr. 7:

het aanpakken van transnationale bedreigingen van sport zoals doping, wedstrijdvervalsing, geweld, racisme en intolerantie.

Specifieke doelstelling nr. 8:

ondersteunen van goed bestuur op sportgebied en dubbele loopbanen van sporters.

Specifieke doelstelling nr. 9:

bevordering van sociale integratie, gelijke kansen en gezondheidsbevorderende lichaamsbeweging door een grotere deelname aan sport.

Betrokken ABM/ABB-activiteit(en)

Voorgestelde nieuwe ABM/ABB-activiteit:

15.02 Onderwijs, beroepsopleiding, jeugd en sport

1.4.3.     Verwacht(e) resulta(a)t(en) en gevolg(en)

Vermeld de gevolgen die het voorstel/initiatief zou moeten hebben voor de begunstigden/doelgroepen.

Door transnationale mobiliteit in de formele en niet-formele leeromgeving en samenwerking te bevorderen, zowel binnen de Unie als op internationaal niveau, zal Erasmus voor iedereen de lidstaten in de gelegenheid stellen een significant systematisch effect tot stand te brengen in hun onderwijs- en opleidingsstelsels en hun jeugdwerk. De verwachte resultaten komen niet alleen ten goede aan de betrokken personen, het programma heeft een veel bredere impact; het helpt jongeren nieuwe vaardigheden te verwerven en hun inzetbaarheid op de arbeidsmarkt te vergroten; het zorgt ervoor dat onderwijsinstellingen efficiënter, toegankelijker en internationaler worden, en het voorziet in de ontwikkeling van kwalitatief hoogwaardige instrumenten, analysen en onderzoeken.

Op het gebied van niet-formeel leren en jeugdwerk is vooral een effect te verwachten voor de educatieve en professionele ontwikkeling van jongeren en voor de participatie van jongeren in de samenleving en op sportgebied. Daarnaast zal het programma mede gestalte geven aan beleidsinitiatieven als het Europees Vrijwilligerswerk doordat het een sterkere samenwerking op het gebied van vrijwillige activiteiten van jongeren bevordert.

Voor kandidaat-lidstaten en derde landen worden door het voorgestelde programma de mogelijkheden voor partnerschappen verruimd met het oog op sterkere samenwerking, met name op het gebied van mobiliteit. Door sterkere samenwerking zal de capaciteitsopbouw en modernisering in het hoger onderwijs in de partnerlanden worden ondersteund en zal Europa aantrekkelijker worden gemaakt.

1.4.4.     Resultaat- en effectindicatoren

Vermeld de indicatoren aan de hand waarvan kan worden nagegaan in hoeverre het voorstel/initiatief is uitgevoerd.

Indicatoren || Gegevensbron || Doel

- Deelname aan tertiair onderwijs - Aantal voortijdige schoolverlaters || Europa 2020 ET 2020-verslagen Eurostat || In 2020 moet het percentage 30- tot 34-jarigen met een diploma hoger onderwijs minstens 40 % bedragen In 2020 moet het percentage 18-24-jarigen die alleen middelbaar onderwijs of minder hebben gevolgd en niet langer onderwijs of opleiding genieten, minder dan 10 % bedragen

percentage deelnemers die hun kerncompetenties en/of hun vaardigheden die relevant zijn voor hun inzetbaarheid hebben verhoogd || Eurostat Eindverslag van de begunstigde Enquêtes/Eurobarometer || In 2020 moet 95% van de personen verklaren kerncompetenties te hebben verworven of verbeterd door hun deelname aan een project van het programma

percentage van de deelnemende jongeren dat zegt beter voorbereid te zijn om in het sociale en politieke leven te participeren. || Eindverslag van de begunstigde Enquêtes/Eurobarometer || In 2020 moet 70% van de jongeren verklaren beter voorbereid te zijn om in het sociale en politieke leven te participeren. door hun deelname aan een project van het programma

percentage organisaties dat aan het programma heeft deelgenomen en innovatieve methoden heeft ontwikkeld/aangenomen. || Enquêtes/Eurobarometer Eindverslag || Jaarlijkse toename

Aantal lidstaten dat bij de ontwikkeling van het nationale beleid gebruik maakt van de resultaten van de open coördinatiemethode || ET 2020 || Alle lidstaten houden uiterlijk 2020 systematisch rekening met relevante informatie en resultaten van het open coördinatieproces

Aantal instellingen voor hoger onderwijs in derde landen dat gezamenlijke en dubbele graden aanbiedt || Eindverslag IT -controle-instrument Enquêtes/Euro-barometer || Jaarlijkse toename

percentage deelnemers dat de taalvaardigheden heeft verbeterd. || || In 2020 heeft minstens 80% van de leerlingen in de onderbouw van het middelbaar onderwijs les in twee of meer vreemde talen

percentage van de toename van het aantal Jean Monnet-projecten in de hele wereld || Eindverslag IT-controle--instrument Enquêtes/Eurobarometer || Jaarlijkse toename

- percentage deelnemers die de resultaten van grensoverschrijdende projecten gebruiken om bedreigingen van sport te bestrijden. - percentage deelnemers die de resultaten van grensoverschrijdende projecten gebruiken om goed bestuur en dubbele loopbanen te bevorderen. - percentage deelnemers die de resultaten van grensoverschrijdende projecten gebruiken om sociale integratie, gelijke kansen en grotere deelname te bevorderen. || Eindverslag IT -controle-instrument Enquêtes/Eurobarometer || Jaarlijkse toename

1.5.        Motivering van het voorstel/initiatief

1.5.1.     Behoefte(n) waarin op korte of lange termijn moet worden voorzien

- Aanbieden van een groter aantal mobiliteitsmogelijkheden voor studenten, jongeren, leerkrachten, opleiders en jongerenwerkers.

- Bevordering van de transnationale samenwerking tussen organisaties op het gebied van onderwijs, beroepsopleiding en jeugdzaken met het oog op de verspreiding van innovatie lesmethoden en uitwisseling van goede praktijken.

- Versterking van de internationale dimensie van het onderwijs door een intensievere samenwerking met bepaalde delen van de wereld, met name de buurlanden van de Unie.

- Ondersteuning van beleidshervormingen in de lidstaten.

- Steun voor sportactiviteiten, met bijzondere aandacht voor de bestrijding van doping, geweld en racisme en bevordering van transnationale activiteiten.

1.5.2.     Toegevoegde waarde van de betrokkenheid van de Unie

Zoals in de begrotingevaluatie van de Unie wordt onderstreept, moet de "begroting van de Unie [_] worden aangesproken om collectieve voorzieningen en maatregelen te financieren waar de lidstaten en de regio's dat zelf niet of niet met beter resultaat kunnen". Uit tussentijdse evaluaties van lopende programma's op het gebied van onderwijs, beroepsopleiding en jeugd (met name de programma's Een leven lang leren en Jeugd in actie) dat de belangrijkste Europese toegevoegde waarde van het programma berust op het transnationale en het innovatieve karakter van de uitgevoerde acties en de producten en partnerschappen waartoe het bijdraagt. De stimulering van succesvolle samenwerking tussen de stelsels voor onderwijs, opleiding en jeugdzaken van de lidstaten zou ertoe bijdragen goed functionerende beleidsmaatregelen en praktijken te identificeren en in te voeren en zou wederzijdse leerprocessen in de hand werken.

In het wetgevingsvoorstel wordt het subsidiariteitsbeginsel geëerbiedigd, aangezien de bevoegdheid voor het nemen van stimulerende maatregelen op het betrokken gebied in de Verdragen is vastgesteld (artikelen 165 en 166 van het VEU). De beleidsmaatregelen worden ten uitvoer gelegd met volledige inachtneming van de verantwoordelijkheid van de lidstaten, met name wat betreft de inhoud van het onderwijs, de organisatie van de nationale onderwijsstelsels en de culturele en taalkundige verscheidenheid, en in overeenstemming met het beginsel van indirect gecentraliseerd beheer.

Het instrument van de Unie is gericht op de mobiliteit van studenten en leerkrachten, de versterking van de uitwisseling van informatie en beste praktijken, de aanpassing aan veranderingen in het bedrijfsleven door middel van beroepsopleiding en omscholing en de vergemakkelijking van de toegang daartoe.

1.5.3.     Nuttige ervaring die bij soortgelijke activiteiten in het verleden is opgedaan

Op het gebied van onderwijs en cultuur is het bestaande programma Een leven lang leren ontstaan door de integratie van drie eerdere programma's[33] in één programma. Zoals in de tussentijdse evaluatie van Een Leven Lang leren werd geconstateerd, was deze integratie vooral voor het algemene beheer een groot succes dankzij een aanzienlijke administratieve vereenvoudiging en de verspreiding van informatie aan de doelgroepen.

Van de integratie van Een leven lang leren, Jeugd in actie en verschillende programma's voor internationale samenwerking wordt thans een verdere vereenvoudiging verwacht. De bestaande programma's beschikken reeds over vergelijkbare beheerstructuren (nationale agentschappen, uitvoerend agentschap) en behelzen vrijwel dezelfde soort acties (voornamelijk mobiliteits- en samenwerkingsprojecten).

Wat betreft de beleidsinhoud is uit de evaluaties naar voren gekomen dat de lopende EU-programma's ter bevordering van transnationale formele en niet-formele leermobiliteit en samenwerking op zowel Unie- als internationaal niveau reeds een belangrijk systematisch effect hebben gesorteerd dat bij lange na niet beperkt blijft tot de betrokken personenkring.

De evaluaties hebben stuk voor stuk aangetoond dat de inherente complexiteit van de nog bestaande versnippering van het programma Een leven lang leren in zes verschillende subprogramma's, meer dan 50 doelstellingen en ruim 60 acties veel te hoog is. hierdoor bestaat het risico van overlappingen, wordt de ontwikkeling van een coherente aanpak inzake een leven lang leren belemmerd en zijn de mogelijkheden voor efficiëntieverbeteringen en kosteneffectief beheer beperkt. Sommige van de huidige acties hebben niet de kritieke massa die nodig is voor een langdurig effect. De overeenkomsten tussen de algemene doelstellingen en uitvoeringsmechanismen van de subprogramma's van Een leven lang leren en die van Jeugd in actie, die alle gericht zijn op mobiliteit, samenwerking en menselijk kapitaal, moeten bovendien volledig worden benut, met name wat betreft het beheer en de tenuitvoerlegging van het programma.

Uit de tussentijdse evaluatie van Een leven lang leren kan worden opgemaakt dat één geïntegreerd programma de mogelijkheid zou bieden om voor meer samenhang te zorgen tussen de verschillende aangeboden financieringsmogelijkheden en de benadering van permanente educatie te versterken door een onderlinge koppeling van alle programma's voor formele en niet-formele leeractiviteiten in alle stadia van onderwijs en beroepsopleiding. Hierdoor worden meer mogelijkheden gecreëerd voor structurele partnerschappen, zowel tussen verschillende sectoren van het onderwijs als met het bedrijfsleven en andere relevante actoren. Wat het beheer betreft kunnen aanzienlijke schaalvoordelen worden bereikt indien voor vergelijkbare acties vergelijkbare uitvoeringsvoorschriften en procedures worden vastgesteld, wat zowel voor de begunstigden als voor de beheersorganen op Unie- en nationaal niveau vereenvoudigingen oplevert. Het programma voorziet tevens in flexibiliteit en prikkels, zodat de toewijzing van de begrotingsmiddelen aan de verschillende acties, begunstigden en landen beter zal zijn afgestemd op de prestaties en de potentiële impact.

Hetzelfde geldt voor de internationale samenwerking in het hoger onderwijs, die eveneens wordt gekenmerkt door een versnippering van instrumenten van de Unie, die de toegang tot de aangeboden voorzieningen voor studenten en instellingen bemoeilijkt en de internationale zichtbaarheid van de Unie niet ten goede komt. Hier is sprake van naast elkaar bestaande programma's die weliswaar overeenkomsten vertonen, maar uiteenlopende doelstellingen, toepassingsgebieden, operationele modaliteiten en tijdschema's hebben en daarom niet goed op elkaar aansluiten. De slechte voorspelbaarheid en de korte, eenjarige financieringscyclus van bepaalde acties maakt het voor hogeronderwijsinstellingen moeilijk om samenwerkingsverbanden op langere termijn aan te gaan.

1.5.4.     Samenhang en eventuele synergie met andere relevante instrumenten

Erasmus voor iedereen is niet het enige programma van de Unie op het gebied van onderwijs en jeugd. Ook de structuurfondsen en het toekomstige programma voor onderzoek en innovatie Horizon 2020 leveren een grote bijdrage aan de 2020-strategie van de Unie en met name de daarmee verband houdende kerndoelstellingen inzake onderwijs en voortijdige schoolverlaters. De synergie tussen deze instrumenten zal worden gewaarborgd door een duidelijke afbakening van de investeringsvormen en de ondersteunde doelgroepen: onderwijsinfrastructuur wordt gesteund met middelen uit het EFRO, mobiliteit voor personen die een arbeidsmarktgeoriënteerde opleiding volgen en voor lerende volwassenen met middelen uit het ESF, en mobiliteit voor onderzoekers met middelen uit Horizon 2020. Bovendien worden in het kader van Erasmus voor iedereen alleen transnationale projecten gesteund, terwijl de structuurfondsen gericht zijn op de nationale en regionale dimensie.

De bedoeling is dat de lidstaten de mogelijkheid krijgen om de uit de transnationale samenwerking in het kader van Erasmus voor iedereen voortvloeiende instrumenten en methoden te testen en ermee te experimenteren en deze vervolgens op hun grondgebied met behulp van de structuurfondsen in te voeren.

Complementariteit met Horizon 2020 is van groot belang voor het hoger onderwijs, met name voor de internationale dimensie, waar een versterking wordt beoogd van excellentie en onderzoek in universiteiten.

1.6.        Duur en financiële gevolgen

x Voorstel/initiatief met een beperkte geldigheidsduur

- x Voorstel/initiatief is van kracht vanaf 1 januari 2014 tot en met 31 december 2020

- x Financiële gevolgen vanaf 2014 tot en met 2025

" Voorstel/initiatief met een onbeperkte geldigheidsduur

- Uitvoering met een opstartperiode vanaf JJJJ tot en met JJJJ,

- gevolgd door een volledige uitvoering.

1.7.        Beheersvorm(en)[34]

x Direct gecentraliseerd beheer door de Commissie

x Indirect gecentraliseerd beheer door uitvoeringstaken te delegeren aan:

- x uitvoerende agentschappen

- "  door de Unie opgerichte organen[35]

- x nationale publiekrechtelijke organen of organen met een openbare-dienstverleningstaak

- "  personen aan wie de uitvoering van specifieke acties in het kader van titel V van het Verdrag betreffende de Europese Unie is toevertrouwd en die worden genoemd in het betrokken basisbesluit in de zin van artikel 49 van het Financieel Reglement

" Gedeeld beheer met de lidstaten

" Gedecentraliseerd beheer met derde landen

x Gezamenlijk beheer met internationale organisaties (geef aan welke)

Verstrek, indien meer dan een beheersvorm is aangekruist, extra informatie onder "Opmerkingen".

Opmerkingen

Met betrekking tot het in artikel 14, lid 3, genoemde initiatief "Erasmus masters" voor studentenmobiliteit op masterniveau wil de Commissie het systeem van gezamenlijk beheer met internationale organisaties toepassen. Over de contractvoorwaarden worden uitgebreide onderhandelingen gevoerd, en het is waarschijnlijk dat de Europese Investeringsbank wordt gekozen als trustee voor de uitvoering van de garantie.

2.           BEHEERSMAATREGELEN

2.1.        Regels inzake het toezicht en de verslagen

Vermeld frequentie en voorwaarden.

De regels inzake het toezicht en de verslagen zullen, op basis van de met de lopende programma's opgedane ervaringen, worden vastgesteld met het oog op efficiëntie en kosteneffectiviteit.

Om dit te bereiken, worden in de subsidiebeheersprocedures een aantal vereenvoudigingen ingevoerd die in de eerste plaats ten doel hebben de administratieve werklast en de daaraan verbonden kosten voor de deelnemers te verminderen, de toezicht- en controlekosten voor de beheersorganen te reduceren, de kwaliteit van de vergaarde gegevens te verhogen en het foutenpercentage terug te dringen.

Met het oog op deze vereenvoudigingen worden de volgende maatregelen getroffen:

-        Rationalisering van de programmastructuur en de acties: drastische vermindering van het aantal verschillende acties met verschillende beheersregels; de administratie van de verschillende acties moet worden samengevoegd en gestroomlijnd;

-        Forfaitaire bedragen, vaste subsidiebedragen en op kosten per eenheid gebaseerde subsidies worden zo algemeen mogelijk toegepast. Subsidies die aan individuele begunstigden worden verstrekt voor mobiliteitsacties worden zonder uitzondering in de vorm van forfaitaire bedragen uitgekeerd. De rapportage en controle is in dat geval gericht op de realisering van de gesubsidieerde activiteit en de behaalde resultaten, en niet op de subsidiabiliteit van de gemaakte kosten, waardoor de werklast en de kans op fouten voor zowel deelnemers als beheersorganen worden verminderd.

-        Voor samenwerkingsprojecten en ondersteuning voor beleidshervormingen zal er meer nadruk worden gelegd op de resultaten en zijn er meer forfaitaire beurzen mogelijk. Wanneer de beurzen worden gebaseerd op werkelijke kosten, dragen zij voornamelijk bij in de directe kosten.

-        De begunstigden van het programma verstrekken in hun subsidieaanvraag en hun verslagen de noodzakelijke beheersinformatie. De rapportagevereisten zijn evenredig aan de hoogte van de subsidie en de duur en complexiteit van de gesubsidieerde actie. In de tekst van het besluit zijn de nodige indicatoren opgenomen die in een solide basis voorzien voor het vergaren en evalueren van gegevens met het oog op controle en rapportage.

-        Voor het verminderde aantal acties worden elektronische formulieren gebruikt met behulp waarvan subsidies kunnen worden aangevraagd en begunstigden hun verslagen kunnen indienen. Hierdoor wordt het vergaren en evalueren van gegevens met het oog op controle en rapportage vereenvoudigd, zowel op nationaal als op Unieniveau.

2.2.        Beheers- en controlesysteem

2.2.1.     Mogelijke risico's

De risico's die bij de tenuitvoerlegging van de lopende programma's zijn geïdentificeerd, kunnen voornamelijk in de volgende categorieën worden ingedeeld:

-        Fouten als gevolg van de complexiteit van de regels: in verband met de lopende programma's is gebleken dat het foutenpercentage en het aantal financiële aanpassingen hoger is naarmate de regels voor het financieel beheer van de actie complexer zijn, met name wanneer de subsidie op de reële kosten is gebaseerd;

-        Betrouwbaarheid van de controleketen en instandhouding van het controlespoor: de lopende programma's worden beheerd door een groot aantal intermediairs, de nationale agentschappen, de auditorganen en de lidstaten;

-        Inefficiënt gebruik van administratieve middelen: een studie over de kosten van controles met betrekking tot de door de nationale agentschappen in het kader van de lopende programma's beheerde acties heeft aangetoond dat de nationale agentschappen in vele landen meer en duidelijk strengere controles uitvoeren dan door de Commissie voorgeschreven. Bovendien brengt met name het grote aantal zeer kleine individuele mobiliteitssubsidies grote lasten mee voor de betrokkenen en de nationale agentschappen. Ook zien de nationale agentschappen die relatief kleine bedragen aan middelen van de EU beheren zich met veel hogere beheerskosten geconfronteerd dan de agentschappen die grotere sommen beheren;

-        Specifieke doelgroepen: met name in de jeugdsector, maar tot zekere hoogte ook op het gebied van volwasseneneducatie, beschikken de deelnemers niet altijd over de nodige financiële soliditeit en geavanceerde beheerstructuren, bijvoorbeeld in het geval van jongerengroepen die uitsluitend voor een jongerenuitwisselingsproject worden opgericht. Een dergelijk gebrek aan formele organisatie kan gevolgen hebben voor het vermogen van de begunstigde om middelen van de Unie financieel en operationeel te beheren;

-        Potentiële overlappingen van de subsidieverlening tussen de verschillende acties op grond van het brede toepassingsgebied ervan: de lopende programma's worden beheerd door een netwerk van nationale agentschappen, een uitvoerend agentschap en de Commissie. Door deze actoren worden verschillende IT-gesteunde beheersystemen gebruikt. Tegelijkertijd zijn de acties in het kader van de lopende programma's zeer ruim geformuleerd, zodat in beginsel bepaalde overlappingen bij de subsidieverlening mogelijk zijn.

2.2.2.     Controlemiddel(en)

Het controlesysteem voor het nieuwe programma wordt zodanig opgezet dat efficiënte en kosteneffectieve controles worden gewaarborgd.

1. Vermindering van het foutenpercentage als gevolg van complexe regels

Zoals onder punt 2.1. hierboven reeds is toegelicht, is de belangrijkste vereenvoudiging die wordt ingevoerd om het foutenpercentage als gevolg van complexe financiële regels te verminderen, de brede toepassing van subsidieverlening in de vorm van forfaitaire bedragen, vaste subsidiebedragen en tabellen voor de kosten per eenheid.

Deze maatregel strookt met de uitkomst van de beheerkostenstudie waarbij de kosten van het beheer door de nationale agentschappen van 4 verschillende acties in het kader van Een leven lang leren zijn geanalyseerd:

- Erasmus-mobiliteit: omvangrijke subsidies aan individuele universiteiten op basis van forfaitaire bedragen en vaste subsidiebedragen aan periodiek begunstigden; deze subsidies maken 50 % van de totale begroting van het programma uit;

- Leonardo-mobiliteit en projecten voor innovatieoverdracht: middelgrote en grote subsidiebedragen aan multilaterale partnerschappen op basis van vaste subsidiebedragen respectievelijk reële kosten;

- Partnerschappen: kleine subsidies aan scholen en organisaties voor beroepsonderwijs en -opleiding en volwasseneneducatie, op basis van forfaitaire subsidiebedragen;

- Individuele mobiliteit: zeer kleine subsidies aan individuele leerkrachten van scholen en in de volwasseneneducatie.

De studie levert de volgende resultaten op voor het programma Een leven lang leren:

Soort maatregel || Routine-controle || Administratieve controle || Ex-post controle

Erasmus-mobiliteit || 0,16 % || 0,32 % || 0,17 %

Leonardo-projecten || 2,55 % || 1,67 % || 1,77 %

Partnerschappen || 0,25 % || 0,36 % || n.v.t.

Individuele mobiliteit || 0,66 % || 0,93 % || n.v.t.

Gemiddeld voor het programma || 0,81 % || 1,05 % || 0,40 %

De financiële aanpassingen naar aanleiding van de routinecontrole van de eindverslagen (waarbij 100 % van het aantal subsidieovereenkomsten werd gecontroleerd) belopen 0,81 %, terwijl dit percentage varieert van 0,16 % in het geval van Erasmus-mobiliteit tot 2,55 % in het geval van de Leonardo-projecten. Bij de administratieve controles op basis van ingediende bewijsstukken voor een steekproef van subsidieovereenkomsten (tussen 10 en 25 % van de verzameling werd gecontroleerd) bedroeg dat cijfer gemiddeld 1,05 %, uiteenlopend van 0,32 % in het geval van Erasmus-mobiliteit tot 1,67 % in het geval van de Leonardo-projecten. Een soortgelijk patroon werd geconstateerd voor wat betreft de ex-postcontroles ter plekke.

Uit het bovenstaande blijkt dat het reële foutenpercentage rond 0,50 % bedraagt. Een dergelijk laag percentage komt eveneens naar voren uit onafhankelijke financiële controles van de overeenkomsten tussen de Commissie en de nationale agentschappen (0,07 % in 2010).

Het foutenpercentage voor het programma Jeugd in actie is moeilijker te bepalen. Op basis van de in 2010 uitgevoerde financiële controles van de overeenkomsten tussen de Commissie en de nationale agentschappen werd een foutenpercentage van 1,71 % vastgesteld, maar dit cijfer is in grote mate te wijten aan systematische fouten in één groot deelnemend land zijn gemaakt in het kader van de overeenkomsten tussen de Commissie en het desbetreffende nationale agentschap voor de jaren 2005 en 2007.

Het gecombineerde gemiddelde foutenpercentage voor beide programma's samen bedroeg 0,3 %.

Gezien het feit dat in het kader van het nieuwe programma rond 80 % van de begroting zal worden toegewezen aan acties voor leermobiliteit en dat de subsidies voor deze acties zullen worden verstrekt in de vorm van forfaitaire bedragen en bedragen op basis van tabellen voor de kosten per eenheid, mag worden verwacht dat het toch al lage foutenpercentage voor het programma als geheel laag zal blijven of nog verder zal kunnen worden teruggebracht.

Bovendien zal het foutenpercentage door de omzetting van individuele mobiliteitssubsidieovereenkomsten in overeenkomsten die door organisaties worden beheerd, naar verwachting verder dalen in de richting van het cijfer dat is geconstateerd bij de Erasmus-mobiliteitsacties.

Voor de acties in de rubrieken "samenwerking met het oog op innovatie en verspreiding van goede praktijken" en "ondersteuning van beleidshervormingen" voert de Commissie waar mogelijk, en met name voor strategische partnerschappen, forfaitaire subsidies, subsidies op basis van eenheidskosten en vaste subsidiebedragen in die afhankelijk zijn van de te verwachten resultaten en prestaties (een subsidiemechanisme dat vergelijkbaar is met dat van de in de bovenstaande tabel bedoelde partnerschappen).

Met betrekking tot de weinige acties voor welke de subsidies (althans gedeeltelijk) gebaseerd blijven op reële kosten, wordt een vereenvoudiging beoogd die met name moet worden bereikt door een nieuwe definitie van de subsidiabele kosten en een beperking van de bijdrage van de Unie aan bepaalde soorten directe kosten, in overeenstemming met de aanbevelingen van DG EAC naar aanleiding van een interne audit met betrekking tot het foutenpercentage bij direct beheer. De volgende financieringsmodellen en vereenvoudigingsmaatregelen voor beurzen worden beoogd:

-        vereenvoudigde vergoeding van reële directe kosten;

-        duidelijke definitie van de directe personeelskosten, met het oog op rechtszekerheid voor de begunstigden en verlaging van het foutenpercentage;

-        rechtszekerheid met betrekking tot de tijdsregistratie door vaststelling van duidelijke en eenvoudige minimumvoorwaarden in de deelnameregels;

-        Afschaffing van de tijdsregistratieplicht voor personeel dat voor 100 % aan een project van de Unie werkt;

-        De mogelijkheid om personeelskosten per eenheid (gemiddelde personeelskosten) toe te passen voor begunstigden die hun personeelskosten normaliter op deze wijze berekenen;

-        één vast subsidietarief voor indirecte kosten, dat alleen wordt toegepast op de directe personeelskosten;

-        voor acties die door het uitvoerend agentschap worden beheerd: het gebruik van auditcertificaten voor subsidies boven een bepaald drempelbedrag, waarmee de financieel controleurs certificeren dat de financiële verslagen aan de wettelijke en contractuele voorschriften voldoen;

Deze maatregelen moeten resulteren in een verlaging van het foutenpercentage voor bepaalde soorten projecten die thans relatief hoge foutenpercentages vertonen, zoals de Leonardo-projecten voor innovatieoverdracht en met name de acties die direct door de Commissie en het uitvoerend agentschap worden beheerd.

Verwachte resultaten/interne controledoelstelling

In het kader van de lopende programma's zijn voor de verschillende soorten acties reeds zeer gedetailleerde controlevereisten vastgesteld op basis van een risicoanalyse waarbij rekening wordt gehouden met de hoogte van de subsidie, de complexiteit van de actie, het aantal partners en de vraag of het om periodiek begunstigden gaat. In het nieuwe programma wordt een soortgelijke benadering gevolgd, waarbij echter ook rekening wordt gehouden met het verminderde risico als gevolg van de beoogde vereenvoudigingen. Een dergelijke vermindering mag ook worden verwacht op grond van de consistente lage foutenpercentages die voor het merendeel van de lopende programma's zijn geconstateerd. Een gedegen kennis van de controlesystemen en de resultaten daarvan maakt het mogelijk om controledoelstellingen te bepalen die op het te verwachten risico zijn gebaseerd.

Op grond van het bovenstaande worden voor de acties die door de nationale agentschappen worden beheerd de volgende indicatieve controledoelstellingen nagestreefd:

|| Leermobiliteit || Samenwerkingsprojecten

Systeemcontroles ter plekke bij periodiek begunstigden en de begunstigden met meerdere beurzen (met inbegrip van financiële controle ter plekke van de vorige overeenkomst indien van toepassing) || Voor nieuwe begunstigden: 1 controle tijdens het programmaperiode/ periodiek begunstigde met een beurs van >250.000€/jaar || 1 controle tijdens programmaperiode/ begunstigde met meerdere beurzen die >1.000.000€/ jaar ontvangt

Voor begunstigden die zijn gecontroleerd voor soortgelijke de acties bij de voorgaande programma's hangen de systeemcontroles af van de resultaten van eerdere controles

Controles ter plekke tijdens de actie van niet-periodiek begunstigden || 1 %, afhankelijk van de hoogte van de subsidie en de aard van de begunstigde

Routinecontroles van de eindverslagen || 100%

Administratieve controles van de bewijsstukken || 2-5%, afhankelijk van de hoogte van de subsidie en de aard van de begunstigde || 2-10%, afhankelijk van de hoogte van de subsidie, de aard van de subsidie en de aard van de begunstigde

Financiële controles ter plaatse achteraf || 0,25-1 %, afhankelijk van de hoogte en de aard van de subsidie, de aard van de begunstigde en de resultaten van eerdere controles.

Voor bijzonder kleine landen met een zeer beperkt aantal deelnemers per actie kunnen specifieke controledoelstellingen worden vastgesteld om te voorkomen dat als gevolg van de kwantitatieve minimumvereisten steeds dezelfde begunstigden jaarlijks grondige controles moeten ondergaan.

De gevallen waarin controles ter plekke tijdens de actie worden uitgevoerd, moeten zorgvuldig worden geselecteerd omdat deze controles in de regel niet tot financiële aanpassingen leiden, maar zeer hoge kosten met zich meebrengen voor het nationaal agentschap. Dergelijke controles zouden tot specifieke gebieden kunnen worden beperkt, bijvoorbeeld tot activiteiten waarbij veel ondernemingen, organen met beperkte financiële capaciteiten of informele groepen (met name in de jeugdsector) zijn betrokken, en kunnen worden gebaseerd op risico's die door middel van datamining zijn opgespoord.

Indien bij een bepaalde begunstigde ernstige problemen worden aangetroffen, kan de frequentie van de systeemcontroles ter plaatse van periodiek begunstigden in de looptijd van het programma worden verhoogd.

2. Betrouwbaarheid van de controleketen en het controlespoor

Voor de lopende programma's Een leven lang leren en Jeugd in actie is een degelijk controlesysteem ingevoerd om het gebruik van de door de nationale agentschappen in de lidstaten beheerde middelen van de Unie - die drie kwart van de programmabegroting uitmaken - te controleren. Het systeem is in 2007 opgezet en is in de afgelopen jaren verder ontwikkeld, zodat de soliditeit ervan inmiddels is erkend door de Europese Rekenkamer (betrouwbaarheidsverklaringen 2008, 2009 en 2010) en de Interne Auditdienst (audit van het beheers- en controlesysteem voor de door de nationale agentschappen beheerde middelen voor Een leven lang leren, uitgevoerd in 2009-2010).

Het door de Commissie voorgestelde nieuwe Financieel Reglement introduceert een nieuw element dat in aanmerking moet worden genomen voor de controleketen. Artikel 57, lid 5, onder d), schrijft namelijk voor dat instellingen zoals de nationale agentschappen een beheersverklaring betreffende de volledigheid, nauwkeurigheid en waarachtigheid van de rekeningen, de goede werking van het interne-controlesysteem, de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen en de eerbiediging van het beginsel van goed financieel beheer moeten indienen. Voorts vereist artikel 57, lid 5, onder e), een "verklaring van een onafhankelijk controleorgaan over alle onderdelen van de onder d) van dit lid bedoelde beheersverklaring". Op grond van het nieuw Financieel Reglement moet de beheersverklaring worden ingediend door de nationale agentschappen bij de Commissie vóór 1 februari en de onafhankelijke auditverklaring vóór 15 maart van het jaar na het jaar waarop het verslag betrekking heeft.

Door deze wijziging in het Financieel Reglement zal de controleketen voor programma-acties die door nationale agentschappen worden beheerd, worden goedgekeurd, waarbij wordt voortgebouwd op de bestaande goede praktijken om een goed gebruik van de middelen van de Unie te garanderen.

Voor de door de nationale agentschappen geïmplementeerde acties is de volgende controlestructuur gepland:

-        Op drie niveaus worden controles georganiseerd: door nationale agentschappen, door onafhankelijke auditorganen die door de lidstaten en de Commissie zijn aangewezen, waarbij de Commissie, met het oog op kostenefficiëntie, rekening zal houden met de door de andere instellingen verrichte controles. Hiertoe organiseert de Commissie een regelmatige uitwisseling van controle- en uitplanten tussen de betrokken actoren binnen een meerjarig auditkader.

-        De nationale agentschappen zijn verantwoordelijk voor de primaire controle van de begunstigden, maar de lidstaten houden toezicht op hun interne controlesysteem en de overeenstemming ervan met de toepasselijke voorschriften, en een onafhankelijk auditorgaan verzorgt de audit. De Commissie stelt de vereisten voor de controles op nationaal niveau vast om de coherentie en betrouwbaarheid van de controles te waarborgen en toe te zien op de uitvoering van de controles op het niveau van de lidstaten. Deze praktijk is reeds goed geïnstitutionaliseerd door de Commissie, die jaarlijks een zogenaamde Gids voor nationale agentschappen uitgeeft, die minimumeisen, controledoelstellingen en technische richtsnoeren voor nationale agentschappen bevat met het oog op primaire controles van begunstigden van de programma's. Hetzelfde geldt voor de Richtsnoeren voor nationale autoriteiten, waarin de minimale omvang van de secundaire controles wordt bepaald en methodische richtsnoeren worden verstrekt, om voor voldoende zekerheid te zorgen en de coherentie en onderlinge vergelijkbaarheid van de controles te waarborgen. Na de invoering van nieuwe vereisten voor Nationale agentschappen in het Financieel Reglement (zie met name artikel 57, lid 5, onder d) en e), worden de richtsnoeren voor de nationale autoriteiten vervangen door "overeengekomen procedures" voor de onafhankelijke auditorganen in het nieuwe programma.

-        Het huidige omslachtige systeem van door de lidstaten afgegeven garantieverklaringen wordt vervangen door een efficiëntere structuur:

▪        De lidstaten wijzen een nationaal agentschap aan en dienen vooraf een nalevingsbeoordeling in om naleving door het nationale agentschap van de door de Commissie vastgestelde minimumeisen met betrekking tot interne toezichtsnormen en voorschriften van de Unie voor het beheer voor de duur van het project van de gedecentraliseerde acties.

▪        De nationale agentschappen dienen bij de Commissie een jaarlijkse beheersverklaring in die haar jaarlijkse verslag over het beheer en de tenuitvoerlegging van het programma vergezelt, inclusief financiële verslaglegging en verslaglegging over de controles van begunstigden.

▪        Over de beheersverklaring van het nationale agentschap wordt een verklaring afgegeven door een onafhankelijk auditorgaan dat de noodzakelijke beroepsbekwaamheid heeft om audits van de publieke sector te verrichten. De lidstaat zal het onafhankelijke auditorgaan aanwijzen en erop toezien dat dit aan de door de Commissie vastgestelde minimumeisen voldoet.

▪        Het onafhankelijke auditorgaan is verantwoordelijk voor de controles en audits van het nationale agentschap overeenkomstig de nieuwe voorschriften van het Financieel Reglement, maar de lidstaten zien erop toe dat de nationale agentschappen voldoen aan de voorschriften van de Commissie en informeren de Commissie jaarlijks over de toezichts- en supervisieactiviteiten.

▪        De Commissie zelf houdt supervisie op het hele controlesysteem door middel van controles en audits (zowel systeem- als financiële audits) op nationaal niveau, en houdt daarbij naar behoren rekening met de controles en audits die door andere instellingen zijn verricht. De controles door de Commissie zijn derhalve evenredig aan de betrouwbaarheid van de nationale controlesystemen. Om lacunes en overlappingen te voorkomen, vindt een regelmatige uitwisseling van informatie over de op nationaal en Europees niveau uitgevoerde controles plaats.

Anders dan in de huidige programma's wordt van de lidstaten om redenen van efficiëntie en kosteneffectiviteit geen jaarlijkse beheersverklaring meer geëist, gezien de nieuwe vereisten in het Financieel Reglement voor nationale agentschappen (zie artikel 57, lid 5).

Zij blijven echter belast met de controle en supervisie op de tenuitvoerlegging van het programma op nationaal niveau en zullen de Commissie daarover jaarlijks informeren.

Om een hoogwaardige basis voor de jaarlijkse beheersverklaring door de directeur-generaal te bieden, wordt een permanent controlesysteem opgezet dat uit de volgende elementen bestaat:

▪        de beheersverklaring van het nationale agentschap, in te dienen uiterlijk 1 februari N+1,

▪        de onafhankelijke auditverklaring, in te dienen uiterlijk 15 maart N+1,

▪        de analyse door de Commissie van de beheersverklaring en de onafhankelijke auditverklaring en reacties daarop naar het nationale agentschap en de lidstaat, inclusief formele opmerkingen en aanbevelingen ingeval van niet-naleving of onderprestaties van het nationale agentschap,

▪        de informatie van de lidstaten, uiterlijk 30 oktober van elk jaar, over hun toezichts- en supervisieactiviteiten op het programma op nationaal niveau.

Naar verwachting zullen de kosten van de controles, samen met die van de systeemcontroles en de financiële audits door de Commissie, verder afnemen naar het niveau van de verhoudingsgewijs lage controlekosten van het programma Een leven lang leren (deze kosten bedragen momenteel iets minder dan 2 % van de jaarlijkse UNION-begroting voor de door de nationale agentschappen beheerde acties, waarvan 0,23 % voor rekening komt van de Europese Commissie, 0,16 % voor rekening van de lidstaten en 1,59 % voor rekening van de nationale agentschappen; tegen totale kosten van ongeveer 5,75% voor Jeugd in Actie, inclusief 1,0% voor de Europese Unie, 0,82% voor lidstaten en 3,93% voor Nationale agentschappen).

De kosten van de controles moeten met name op twee niveaus afnemen: op het niveau van de Unie, omdat hetzelfde aantal ambtenaren een wezenlijk groter budget zal beheren met minder nationale agentschappen; op het niveau van de lidstaten, omdat voor hun supervisie - gezien de taak van het onafhankelijke auditorgaan - minder directe controles nodig zijn. De kosten van de controles door de nationale agentschappen zullen waarschijnlijk ook afnemen, maar in geringere mate: weliswaar zal het minimale percentage begunstigden dat moet worden gecontroleerd worden verlaagd, maar zij beheren grotere budgetten en hebben daarom ook met meer begunstigden te maken;

Naargelang van de resultaten van de door de Commissie verrichte controles en audits, kan zij aan de nationale agentschappen voorzorgsmaatregelen (zoals een opschorting van vastleggingen of betalingen) en correctieve maatregelen (met name financiële correcties) opleggen. Beide soorten maatregelen werden reeds in het verleden toegepast en zijn een efficiënt middel gebleken om ernstige inbreuken op de voorschriften of slechte prestaties tegen te gaan.

Door een uitvoerend agentschap beheerde acties

De Commissie past de voor uitvoerende agentschappen voorgeschreven controlemaatregelen toe in overeenstemming met artikel 59 van het Financieel Reglement [in overeenstemming met Verordening (EG) nr. 58/2003 tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen].

Daarnaast ziet de Commissie erop toe en controleert zij dat het uitvoerend agentschap met betrekking tot de acties die het beheert passende controledoelstellingen verwezenlijkt. Dit toezicht wordt geïntegreerd in de samenwerking tussen het bevoegde DG en het uitvoerend agentschap en in de halfjaarlijkse rapportage door het agentschap.

In 2010 heeft het uitvoerend agentschap een voorbehoud gemaakt met betrekking tot het beheer van het lopende programma Jeugd in actie (2007-2013). Voor dit programma bedroeg de materialiteit voor de value-at-risk in 2010 7,38 %, wat evenwel overeenkwam met minder dan 0,5% van de totale subsidiebegroting voor 2010 van het uitvoerend agentschap. Gezien dit zeer lage percentage kon toch een algemene garantieverklaring voor het uitvoerend agentschap worden afgegeven. Uit een analyse van de fouten bleek dat deze voornamelijk te wijten waren aan het feit dat sommige begunstigden problemen hadden om adequate bewijsstukken te overleggen en dat sommige subsidiabiliteitsregels niet in acht waren genomen.

In 2011 werd een actieplan opgesteld en ten uitvoer gelegd dat erop gericht is om - voor alle door het agentschap beheerde programma's - de aan de begunstigden verstrekte informatie over financiële verplichtingen, audits en ex-postcontroles te verbeteren (via een informatiepakket of een verhoging van de efficiëntie en effectiviteit van controlebezoeken), de strategieën voor de administratieve controles te verbeteren en de auditstrategie van het agentschap te versterken.

Naar verwachting zal de tenuitvoerlegging van het actieplan door het agentschap het foutenpercentage tegen het einde van het huidige meerjarige financiële kader verminderen. Wat 2011 betreft, kan reeds worden geconcludeerd dat het geschatte foutenpercentage voor het programma Jeugd in actie ongeveer 1% zal bedragen. Gezien de tendens op middellange termijn moet het niveau van naleving voor de acties in het kader van het nieuwe programma daarom ruim onder de drempel van 2% blijven.

Daarnaast moeten de vereenvoudigingsmaatregelen waarin het voorgestelde programma voorziet de kans op fouten verder verminderen.

Door de Commissie beheerde acties

De Commissie is voornemens slechts een minimaal aantal subsidie- en dienstenovereenkomsten direct te beheren.

In 2009 en 2010 heeft DG EAC een voorbehoud gemaakt wat de tenuitvoerlegging van gecentraliseerde directe acties betreft. Net als in het geval van het uitvoerend agentschap kwam uit de analyse van de geconstateerde fouten naar voren dat deze voornamelijk te wijten waren aan het onvermogen van sommige begunstigden om bewijsstukken te overleggen of aan de gebrekkige kwaliteit van de documenten.

De inmiddels genomen correctieve maatregelen moeten ervoor zorgen dat de kans op soortgelijke fouten tegen het eind van het meerjarig financieel kader wordt verminderd. Deze maatregelen omvatten onder meer: voorlichtingsacties om de begunstigden bewust te maken van hun verplichtingen, een sterker gebruik van een resultaatgerichte benadering bij de projectafsluiting en van forfaitaire subsidiebedragen, de invoering begin 2010 van "overeengekomen procedures" voor de certificatie van audits op kostendeclaraties en op steekproeven gebaseerde controles van de bewijsstukken. Voorts wordt een gecentraliseerd financieel circuit opgezet om een pool van financiële deskundigheid te vormen voor het beheer van het verminderde aantal transacties.

Ook in het geval van gecentraliseerde directe transacties zullen de geplande vereenvoudigingen bijdragen tot een verlaging van het foutenpercentage.

3. Inefficiënt gebruik van administratieve middelen

Uit de studie naar de kosten van controles is gebleken dat een groot aantal nationale agentschappen meer en grondiger studies uitvoeren dan door de Europese Commissie voorgeschreven, zonder dat dit noodzakelijkerwijs een overtuigende meerwaarde oplevert. De Commissie schat dat de kosten van deze aanvullende controles bijna 20 % van de totale controlekosten van de nationale agentschappen uitmaken.

In het licht van de bezuinigingen op de overheidsuitgaven dienen dergelijke aanvullende controles in het nieuwe programma te worden beperkt tot risicogebieden en geïdentificeerde probleemgevallen. De Commissie zal de controlevoorschriften derhalve nader specificeren en de nationale agentschappen controle-instrumenten, zoals checklists, ter beschikking stellen om ervoor te zorgen dat in alle landen voor identieke acties identieke controles worden uitgevoerd.

Verdere besparingen op de administratieve uitgaven dienen te worden bereikt door de afschaffing van individuele subsidieovereenkomsten voor mobiliteit. Dat wil zeggen dat alle aan individuele begunstigden verstrekte subsidies voor leermobiliteit door het nationaal agentschap worden overgemaakt aan het orgaan dat de mobiliteitsactiviteiten organiseert (bijvoorbeeld universiteiten, scholen, opleidingsinstellingen) in plaats van aan individuele studenten en leerkrachten. Hierdoor wordt het aantal subsidieovereenkomsten aanzienlijk verminderd, wat voor de deelnemers en de beheersorganen in alle stadia van de projectcyclus minder administratieve lasten tot gevolg heeft.

Uit de studie naar de kosten van controles is gebleken dat de controlekosten ten dele afhankelijk zijn van het percentage van de programmabegroting dat door de nationale agentschappen wordt beheerd. Voor Een leven lang leren bedragen de kosten tussen de 1,26 % voor de zes grootste landen en de 3,35 % voor de zes kleinste landen. De variaties in het kostenniveau zijn nog groter voor het programma Jeugd in actie (met een begroting die ongeveer een zesde beloopt van die voor Een leven lang leren), namelijk: tussen de 3,66 % en de 12,62 %. Gezien deze verschillen pleit de Commissie er in haar voorstel voor om per land één enkel nationaal agentschap aan te wijzen, teneinde de kritische massa te verhogen en de beheerskosten terug te dringen.

4. Gebreken bij specifieke doelgroepen

Door de voorgestelde vereenvoudigingen van het subsidiebeheer, met name de bredere toepassing van forfaitaire bedragen en vaste subsidiebedragen, moet het foutenpercentage ook worden verminderd met betrekking tot deelnemers met een minder gedegen organisatie en beperktere financiële vermogens, in het bijzonder deelnemers in de jeugdsector, maar ook in de volwasseneneducatie.

De Commissie beseft dat door deze vereenvoudigingen een restrisico overblijft, dat onlosmakelijk is verbonden met het politieke besluit om met het oog op de programmadoelstellingen steun van de Unie te verlenen aan dergelijke deelnemers.

5. Voorkoming van dubbele subsidies

Zie punt 2.3 hieronder.

2.3.        Maatregelen ter voorkoming van fraude en onregelmatigheden

Vermeld de bestaande en geplande preventie- en beschermingsmaatregelen.

Er zij op gewezen dat zich in het kader van het programma over het algemeen slechts een beperkt aantal gevallen van fraude heeft voorgedaan. Op grond hiervan, en gezien de zeer lage foutenpercentages, moeten de maatregelen ter voorkoming van fraude en onregelmatigheden evenredig en kosteneffectief zijn.

Naar aanleiding van een interne controleaanbeveling heeft de Commissie geanalyseerd op welke gebieden potentieel sprake zou kunnen zijn van dubbele subsidies of overlappingen tussen de programma's Een leven lang leren en Jeugd in actie. Hoewel het verlenen van dubbele subsidies theoretisch niet kan worden uitgesloten, wordt dit probleem reeds doeltreffend aangepakt door preventieve controles in het aanvraagstadium, zowel door de nationale agentschappen als door het uitvoerend agentschap.

In het licht van het bovenstaande zijn voor het nieuwe programma de volgende maatregelen gepland om potentiële fraude en onregelmatigheden nog verder terug te dringen:

-        Reeds in de opzet van het programma wordt rekening gehouden met de voorkoming van potentiële fraude en onregelmatigheden. In de lopende programma's zijn op grond van de grote verscheidenheid van acties bepaalde overlappingen tussen activiteiten en deelnemers mogelijk. In de toekomst dient dit echter te worden uitgesloten door een opzet die in een duidelijke afbakening tussen de acties voorziet en voorkomt dat dezelfde deelnemer in het kader van verschillende acties identieke activiteiten kan ontplooien.

-        Er wordt een één centraal register geïntroduceerd (mogelijk een bestaand deelnemersportaal van de Commissie) waarin alle deelnemers worden opgenomen, zodat vooraf kan worden gecontroleerd of een organisatie aan verschillende acties van het programma of in verschillende landen deelneemt. Hierdoor wordt voorkomen dat aanvragers gaan "subsidie-shoppen" in verschillende deelnemende landen.

-        Voor alle programma-acties (zowel gecentraliseerde als gedecentraliseerde) wordt een gegevensopslagplaats opgezet, daar verder gebruik zal worden gemaakt van verschillende IT-gesteunde beheerinstrumenten.

-        De controle van de deelnemers op het gebied van leermobiliteit is mogelijk via de IT-toepassing "Mobility Tool", die het thans reeds mogelijk maakt om alle deelnemers aan de Leonardo da Vinci-mobiliteitsprojecten van het programma een Leven Lang Leren te registreren.

-        De nationale agentschappen en het uitvoerend agentschap moeten potentiële fraude en onregelmatigheden aan de Commissie melden, zowel ad hoc als in hun geregelde rapportage. Zij moeten ook procedures instellen om verdwenen programmamiddelen, ten onrechte uitbetaalde of door de begunstigden onjuist bestede middelen in te vorderen.

-        Met betrekking tot gevallen waarin een nationaal agentschap verantwoordelijk is voor fraude, onregelmatigheden of nalatigheden die ertoe leiden dat middelen van de Unie verloren gaan die niet meer kunnen worden teruggevorderd, is in het voorstel - net als in de thans toepasselijke voorschriften - bepaald dat de lidstaten voor dergelijke verliezen aansprakelijk zijn jegens de Commissie.

3.           GERAAMDE FINANCIELE GEVOLGEN VAN HET VOORSTEL/INITIATIEF

3.1.        Rubriek(en) van het meerjarige financiële kader en betrokken begrotingsonderde(e)l(en) voor uitgaven

· Bestaande begrotingsonderdelen voor uitgaven[36]

In volgorde van de rubrieken van het meerjarig financieel kader en de begrotingsonderdelen.

Rubriek van het meerjarige financiële kader || Begrotingsonderdeel || Soort uitgave || Bijdrage

Aantal [Omschrijving]________...___.] || GK/NGK ([37]) || van EVA-landen[38] || van kandidaat-lidstaten[39] || van derde landen || in de zin van artikel 18, lid 1, onder a bis), van het Financieel Reglement

5 || 15.01 Administratieve uitgaven voor het beleidsterrein "Onderwijs en cultuur", artikelen 1 t/m 3 || NGK || JA || JA || JA/ NEE || NEE

· Te creëren nieuwe begrotingsonderdelen

In volgorde van de rubrieken van het meerjarig financieel kader en de begrotingsonderdelen.

Rubriek van het meerjarig financieel kader || Begrotingsonderdeel || Soort krediet || Bijdrage

Aantal [Omschrijving]________...___.] || GK/ NGK || van EVA-landen || van kandidaat-lidstaten || van derde landen || in de zin van artikel 18, lid 1, onder a bis), van het Financieel Reglement

1 || 15.01.04.01 "Erasmus voor iedereen"- Uitgaven voor administratief beheer || NGK || JA || JA || JA/ NEE || NEE

4 || 15.01.04.02 "Erasmus voor iedereen" - internationaal - Uitgaven voor administratief beheer || NGK || JA || JA || JA/ NEE || NEE

1 || 15.02.01 "Erasmus voor iedereen" || GK || JA || JA || JA/ NEE || NEE

4 || 15.02.02 "Erasmus voor iedereen" - internationaal || GK || JA || JA || JA/ NEE || NEE

3.2.        Geraamde gevolgen voor de uitgaven

3.2.1.     Samenvatting van de geraamde gevolgen voor de uitgaven

in miljoen euro (tot op 3 decimalen) - Lopende prijzen

Rubriek van het meerjarige financiële kader: || 1 || Geïntegreerd programma Opleiding, Jeugd, Sport "Erasmus voor iedereen"

DG: EAC || || || 2014 || 2015 || 2016 || 2017 || 2018 || 2019 || 2020 || Na 2020 || TOTAAL

Ÿ Beleidskredieten || || || || || || || || ||

15.02.01 "Erasmus voor iedereen" || Vastleggingen || (1) || 1,467 || 1,763 || 2,072 || 2,390 || 2,722 || 3,065 || 3,421 || 0 || 16,899

Betalingen || (2) || 1,174 || 1,692 || 1,989 || 2,294 || 2,613 || 2,942 || 3,285 || 911 || 16,899

Uit de begroting van specifieke programma's gefinancierde administratieve kredieten[40] || || || || || || || || ||

15.01.04 "Erasmus voor iedereen"- Uitgaven voor administratief beheer[41] || || (3) || 43,118 || 48,218 || 51,247 || 56,904 || 61,481 || 67,313 || 71,595 || 0 || 400

TOTAAL kredieten voor DG EAC || Vastleggingen || =1+1a +3 || 1,510 || 1,811 || 2,123 || 2,447 || 2,783 || 3,132 || 3,493 || 0 || 17,299

Betalingen || =2+2a +3 || 1,217 || 1,740 || 2,040 || 2,351 || 2,674 || 3,009 || 3,356 || 911 || 17,299

DG: EAC || || || 2014 || 2015 || 2016 || 2017 || 2018 || 2019 || 2020 || Na 2020 || TOTAAL

Ÿ TOTAAL beleidskredieten H1 || Vastleggingen || (4) || 1,467 || 1,763 || 2,072 || 2,390 || 2,722 || 3,065 || 3,421 || 0 || 16,899

Betalingen || (5) || 1,174 || 1,692 || 1,989 || 2,294 || 2,613 || 2,942 || 3,285 || 911 || 16,899

Ÿ TOTAAL uit het budget van specifieke programma's gefinancierde administratieve kredieten || (6) || 43,118 || 48,218 || 51,247 || 56,904 || 61,481 || 67,313 || 71,595 || 0 || 400

TOTAAL kredieten onder RUBRIEK 1 van het meerjarige financiële kader || Vastleggingen || (7) =4+ 6 || 1,510 || 1,811 || 2,123 || 2,447 || 2,783 || 3,132 || 3,493 || 0 || 17,299

Betalingen || (8) =5+ 6 || 1,217 || 1,740 || 2,040 || 2,351 || 2,674 || 3,009 || 3,356 || 911 || 17,299

Wanneer het voorstel/initiatief gevolgen heeft voor meerdere rubrieken:

Rubriek 4 || || || 2014 || 2015 || 2016 || 2017 || 2018 || 2019 || 2020 || Na 2020 || TOTAAL

Ÿ 15.02.02 "Erasmus voor iedereen" - internationaal TOTAAL beleidskredieten || Vastleggingen || (1) || 215 || 227 || 236 || 247 || 257 || 272 || 285 || 0 || 1,739

Betalingen || (2) || 172 || 218 || 227 || 237 || 247 || 261 || 274 || 104 || 1,739

Ÿ 15.01.04.02 - TOTAAL uit het budget van specifieke programma's gefinancierde administratieve kredieten || (3) || 9 || 10 || 10 || 10 || 11 || 11 || 12 || 0 || 73

TOTAAL kredieten onder RUBRIEK 4 van het meerjarige financiële kader || Vastleggingen || (7) =4+ 6 || 224 || 237 || 246 || 257 || 268 || 283 || 297 || 0 || 1,812

Betalingen || (8) =5+ 6 || 181 || 228 || 237 || 247 || 258 || 272 || 286 || 104 || 1 812

                                                                                                                                                       

|| || || 2014 || 2015 || 2016 || 2017 || 20180 || 2019 || 2020 || Post 2020 || TOTAAL

TOTAAL kredieten onder de RUBRIEKEN 1 tot en met 4 van het meerjarige financiële kader (Referentiebedrag) || Vastleggingen || =7+9+11 || 1,734 || 2,048 || 2,369 || 2,704 || 3,051 || 3,415 || 3,790 || 0 || 19,111

Betalingen || =8+10+11 || 1,398 || 1,969 || 2,277 || 2,599 || 2,932 || 3,281 || 3,642 || 1,015 || 19,111

Rubriek van het meerjarige financiële kader: || 5 || "Administratieve uitgaven"

in miljoen euro (tot op 3 decimalen) - prijzen van 2011

|| || Jaar 2014 || Jaar 2015 || Jaar 2016 || Jaar 2017 || Jaar 2018 || Jaar 2019 || Jaar 2020 || TOTAAL

DG: EAC ||

Ÿ Personele middelen[42] || 170 * 0,127 +0,064 * 16 + 0,073 * 18 =23,928 || 170 * 0,127 +0,064 * 16 + 0,073 * 18 =23,928 || 170 * 0,127 +0,064 * 16 + 0,073 * 18 =23,928 || 170 * 0,127 +0,064 * 16 + 0,073 * 18 =23,928 || 170 * 0,127 +0,064 * 16 + 0,073 * 18 =23,928 || 170 * 0,127 +0,064 * 16 + 0,073 * 18 =23,928 || 170 * 0,127 +0,064 * 16 + 0,073 * 18 =23,928 ||  167,496

Ÿ Andere administratieve uitgaven || 0,3834 || 0,3834 || 0,3834 || 0,3834 || 0,3834 || 0,3834 || 0,3834 || 2,684

TOTAAL DG EAC || Kredieten || 24,311 || 24,311 || 24,311 || 24,311 || 24,311 || 24,311 || 24,311 || 170,180

TOTAAL kredieten onder RUBRIEK 5 van het meerjarige financiële kader || (totaal vastleggingen = totaal betalingen) || 24,311 || 24,311 || 24,311 || 24,311 || 24,311 || 24,311 || 24,311 || 170,180

in miljoen euro (tot op 3 decimalen) - Lopende prijzen

|| || Jaar 2014 || Jaar 2015 || Jaar 2016 || Jaar 2017 || Jaar 2018 || Jaar 2019 || Jaar 2020 || Post - 2020 || TOTAAL

TOTAAL kredieten onder de RUBRIEKEN 1 tot en met 5 van het meerjarige financiële kader || Vastleggingen || 1,758 || 2,072 || 2,393 || 2,729 || 3,076 || 3,439 || 3,814 || 0 || 19,281

Betalingen || 1,407 || 1,990 || 2,298 || 2,619 || 2,952 || 3,301 || 3,662 || 1,053 || 19,281

3.2.2.     Geraamde gevolgen voor de beleidskredieten

- "  Voor het voorstel/initiatief zijn geen beleidskredieten nodig

- x Voor het voorstel/initiatief zijn beleidskredieten nodig, zoals hieronder nader wordt beschreven:

Vastleggingskredieten, in miljoen euro (tot op 3 decimalen) - Lopende prijzen

Vermeld doelstellingen en outputs ò || Year d || Jaar 2014 || Jaar 2015 || Jaar 2016 || Jaar 2017 || Jaar 2018 || Jaar 2019 || Jaar 2020 || TOTAAL

|| || AANTAL

Individuele leermobiliteit || Soort output[43] || Gemid-delde kosten van de output || Aantal outputs || Kosten || Aantal outputs || Kosten || Aantal outputs || Kosten || Aantal outputs || Kosten || Aantal outputs || Kosten || Aantal outputs || Kosten || Aantal outputs || Kosten || Totaal aantal outputs || Totale kosten

Personeel (HO - BOO - Volwassenen - jongerenwerkers) || Individuele mobiliteit || 0,00157 || 80 000 || 117,073 || 103 847 || 155,029 || 125 229 || 190,665 || 146 498 || 227,510 || 170 723 || 270,426 || 194 152 || 313,734 || 221 851 || 365,617 || 1 042 300 || 1,640

Studenten (HO) || Individuele mobiliteit || 0,00238 || 230 000 || 512,530 || 250 767 || 570,048 || 269 387 || 624,549 || 287 908 || 680,843 || 309 004 || 745,321 || 329 407 || 810,541 || 353 527 || 887,181 || 2 030 000 || 4,831

Leerlingen (BOO) || Individuele mobiliteit || 0,00216 || 70 000 || 141,131 || 82 114 || 168,886 || 92 976 || 195,026 || 103 780 || 222,044 || 116 086 || 253,333 || 127 987 || 284,934 || 142 058 || 322,543 || 735 000 || 1,588

Lerenden (jongeren) || Individuele mobiliteit || 0,00155 || 75 000 || 109,032 || 75 865 || 112,509 || 76 641 || 115,919 || 77 413 || 119,428 || 78 292 || 123,196 || 79 142 || 127,043 || 80 147 || 131,213 || 542 500 || 838

|| || || || || || || || || || || || || || || ||

Intern. mobiliteit voor studenten en personeel H4[44] || Individuele mobiliteit || 0,00733 || 16 717 || 122 550 || 17 657 || 129 447 || 18 349 || 134 520 || 19 220 || 140 904 || 19 998 || 146 604 || 21 125 || 154 869 || 22 152 || 162 393 || 135 219 || 991 287

|| || || || || || || || || || || || || || || ||

Gezamenlijke graden[45] || Individuele mobiliteit || 0,03411 || 2 198 || 98,686 || 2 937 || 120,416 || 3 752 || 140,865 || 4 732 || 162,002 || 6 031 || 186,520 || 6 759 || 211,275 || 7 619 || 240,791 || 34 028 || 1 161

Masters (leningsgaranties) || Individuele mobiliteit || 0,00266 || 11 966 || 31,834 || 24 413 || 64,949 || 41 497 || 110,400 || 55 026 || 146,392 || 64 759 || 172,286 || 66 064 || 175,758 || 67 377 || 179,251 || 331 100 || 881

Subtotaal voor Individuele leermobiliteit || 485 880 || 1 133 || 557 600 || 1 321 || 627 831 || 1 512 || 694 576 || 1 699 || 764 892 || 1 898 || 824 637 || 2 078 || 894 730 || 2 289 || 4 850 147 || 11 930

Samenwerking met het oog op innovatie en verspreiding van goede praktijken || Soort output || Gemid-delde kosten van de output || Aantal outputs || Kosten || Aantal outputs || Kosten || Aantal outputs || Kosten || Aantal outputs || Kosten || Aantal outputs || Kosten || Aantal outputs || Kosten || Aantal outputs || Kosten || Totaal aantal outputs || Totale kosten

Strategische partnerschappen (klein) || Transnationale projecten || 0,11389 || 1 550 || 164,476 || 1 838 || 198,958 || 2 141 || 236,369 || 2 442 || 275,043 || 2 786 || 319,970 || 3 228 || 378,213 || 3 510 || 419,447 || 17 495 || 1 992,476

Strategische partnerschappen (middelgroot) || Transnationale projecten || 0,30928 || 325 || 93,115 || 500 || 146,085 || 657 || 195,714 || 813 || 247,037 || 990 || 307,046 || 1 193 || 377,379 || 1 365 || 440,419 || 5 842 || 1 806,795

Kennisallianties/ allianties voor bedrijfstakspecifieke vaardigheden || Transnationale projecten || 0,86238 || 14 || 11,142 || 29 || 23,632 || 43 || 35,319 || 56 || 47,407 || 71 || 61,575 || 86 || 75,861 || 104 || 93,097 || 404 || 348,033

Webplatforms || Webplatforms || 7,27300 || 3 || 22,284 || 3 || 22,732 || 3 || 23,184 || 3 || 23,648 || 3 || 24,120 || 3 || 24,606 || 3 || 26,604 || 3 || 167,179

Internationale capaciteitsopbouw in het HO || Transnationale projecten || 0,733 || 126 || 92,450 || 133 || 97,653 || 138 || 101,480 || 145 || 106,296 || 151 || 110,596 || 159 || 116,831 || 167 || 122,507 || 1 020 || 747,813

Subtotaal voor Samenwerking met het oog op innovatie en verspreiding van goede praktijken || 2 015 || 383,467 || 2 500 || 489,061 || 2 978 || 592,067 || 3 456 || 699,431 || 3 998 || 823,307 || 4 666 || 972,889 || 5 146 || 1 102 || 24 760 || 5 062,295

|| || || || || || || || || || || || || || || ||

Ondersteuning van beleidshervormingen || Soort output || Gemid-delde kosten van de output || Aantal outputs || Kosten || Aantal outputs || Kosten || Aantal outputs || Kosten || Aantal outputs || Kosten || Aantal outputs || Kosten || Aantal outputs || Kosten || Aantal outputs || Kosten || Totaal aantal outputs || Totale kosten

- Ondersteuning van beleidshervormingen || diverse || 102,332 || Ν/Α || 74,014 || Ν/Α || 78,537 || Ν/Α || 84,405 || Ν/Α || 104,727 || Ν/Α || 110,818 || Ν/Α || 123,212 || Ν/Α || 140,610 || Ν/Α || 716,323

|| || || || || || || || || || || || || || || ||

Jean Monnet-activiteiten || Soort output || Gemid-delde kosten van de output || Aantal outputs || Kosten || Aantal outputs || Kosten || Aantal outputs || Kosten || Aantal outputs || Kosten || Aantal outputs || Kosten || Aantal outputs || Kosten || Aantal outputs || Kosten || Totaal aantal outputs || Totale kosten

- Jean Monnet- activiteiten || diverse || 45,491 || Ν/Α || 36,834 || Ν/Α || 38,475 || Ν/Α || 42,120 || Ν/Α || 46,044 || Ν/Α || 48,943 || Ν/Α || 51,444 || Ν/Α || 54,575 || Ν/Α || 318,435

|| || || || || || || || || || || || || || || ||

Sportactiviteiten || Soort output || Gemid-delde kosten van de output || Aantal outputs || Kosten || Aantal outputs || Kosten || Aantal outputs || Kosten || Aantal outputs || Kosten || Aantal outputs || Kosten || Aantal outputs || Kosten || Aantal outputs || Kosten || Totaal aantal outputs || Totale kosten

Sportactiviteiten || Transnationale projecten || 34,118 || n.v.t. || 16,978 || n.v.t. || 23,815 || n.v.t. || 32,016 || n.v.t. || 36,035 || n.v.t. || 39,052 || n.v.t. || 44,525 || n.v.t. || 46,406 || n.v.t. || 238,827

|| || || || || || || || || || || || || || || ||

Exploitatiesubsidie || Soort output || Gemid-delde kosten van de output || Aan-tal out-puts || Kosten || Aan-tal out-puts || Kosten || Aan-tal out-puts || Kosten || Aan-tal out-puts || Kosten || Aan-tal out-puts || Kosten || Aan-tal out-puts || Kosten || Aan-tal out-puts || Kosten || Totaal aantal outputs || Totale kosten

Exploitatiesubsidie || Programma-beheer || 63,189 || n.v.t. || 47,751 || n.v.t. || 48,712 || n.v.t. || 55,200 || n.v.t. || 61,935 || n.v.t. || 68,915 || n.v.t. || 76,162 || n.v.t. || 83,650 || n.v.t. || 442,325

TOTALE KOSTEN Post 1 en Post 2 || || 1 682 || || 1 990 || || 2 308 || || 2 637 || || 2 979 || || 3 336 || || 3 706 || || 18 638

3.2.3.     Geraamde gevolgen voor de administratieve kredieten

3.2.3.1.  Samenvatting

- "  Voor het voorstel/initiatief zijn geen administratieve kredieten nodig

- x Voor het voorstel/initiatief zijn administratieve kredieten nodig, zoals hieronder nader wordt beschreven:

in miljoen euro (tot op 3 decimalen) - prijzen van 2011

|| 2014 || 2015 || 2016 || 2017 || 2018 || 2019 || 2020 || TOTAAL

RUBRIEK 5 van het meerjarige financiële kader || || || || || ||

Personele middelen || 23,928 || 23,928 || 23,928 || 23,928 || 23,928 || 23,928 || 23,928 || 167,496

Andere administratieve uitgaven || 0,3834 || 0,3834 || 0,3834 || 0,3834 || 0,3834 || 0,3834 || 0,3834 || 2,684

Subtotaal RUBRIEK 5 van het meerjarige financiële kader || 24,311 || 24,311 || 24,311 || 24,311 || 24,311 || 24,311 || 24,311 || 170,180

Buiten RUBRIEK 5[46] van het meerjarige financiële kader || || || || || ||

Personele middelen || || || || || || || ||

Andere administratieve uitgaven[47] || 52,118 || 58,218 || 61,247 || 66,904 || 72,481 || 78,313 || 83,595 || 472,877

Subtotaal buiten RUBRIEK 5 van het meerjarige financiële kader || 52,118 || 58,218 || 61,247 || 66,904 || 72,481 || 78,313 || 83,595 || 472,877

TOTAAL || 76,430 || 82,530 || 85,559 || 91,216 || 96,792 || 102,625 || 107,906 || 643,057

3.2.3.2.            Geraamde personeelsbehoeften

- "  Voor het voorstel/initiatief zijn geen personele middelen nodig

- x Voor het voorstel/initiatief zijn personele middelen nodig, zoals hieronder nader wordt beschreven:

Raming in voltijdequivalenten

|| || 2014 || 2015 || 2016 || 2017 || 2018 || 2019 || 2020

Ÿ Plaatsen volgens de formatie (ambtenaren en tijdelijke functionarissen) ||

|| 15 01 01 01 (zetel en vertegenwoordigingen van de Commissie) || 170 || 170 || 170 || 170 || 170 || 170 || 170

|| XX 01 01 02 (delegaties) || || || || || || ||

|| XX 01 05 01 (onderzoek door derden) || || || || || || ||

|| 10 01 05 01 (direct onderzoek) || || || || || || ||

|| Ÿ Extern personeel (in voltijdequivalenten: VTE)[48] ||

|| 15 01 02 01 (AC, END, INT van de "totale financiële middelen") || 34 || 34 || 34 || 34 || 34 || 34 || 34

|| XX 01 02 02 (AC, AL, END, INT en JED in de delegaties) || || || || || || ||

|| XX 01 04 yy[49] || - zetel[50] || || || || || || ||

|| - delegaties || || || || || || ||

|| XX 01 05 02 (CA, INT, SNE - indirect onderzoek) || || || || || || ||

|| 10 01 05 02 (CA, INT, SNE - direct onderzoek) || || || || || || ||

|| Andere begrotingsonderdelen (te vermelden) || || || || || || ||

|| TOTAAL || 204 || 204 || 204 || 204 || 204 || 204 || 204

XX is het beleidsterrein of de begrotingstitel.

De benodigde personele middelen zullen worden gefinancierd uit de middelen die reeds voor het beheer van deze actie zijn toegewezen en/of binnen het DG zijn herverdeeld, eventueel aangevuld met middelen die in het kader van de jaarlijkse toewijzingsprocedure met inachtneming van de budgettaire beperkingen aan het beherende DG kunnen worden toegewezen. . De bedragen en toerekeningen zullen worden aangepast, afhankelijk van de resultaten van het beoogde externalisatieproces.

Beschrijving van de uit te voeren taken:

Ambtenaren en tijdelijke functionarissen || Programmabeheer

Extern personeel || Programmabeheer

3.2.4.     Verenigbaarheid met het huidige meerjarige financiële kader

- x Het voorstel/initiatief is verenigbaar met het meerjarige financiële kader 2014-2020, als voorgesteld door de Commissie in haar Mededeling COM(2011) 500.

- "  Het voorstel/initiatief vergt herprogrammering van de betrokken rubriek van het meerjarige financiële kader.

Zet uiteen welke herprogrammering nodig is, onder vermelding van de betrokken begrotingsonderdelen en de desbetreffende bedragen.

[_]

- "  Het voorstel/initiatief vergt toepassing van het flexibiliteitsinstrument of herziening van het meerjarige financiële kader[51].

Zet uiteen wat nodig is, onder vermelding van de betrokken rubrieken en begrotingsonderdelen en de desbetreffende bedragen.

[_]

3.2.5.     Bijdragen van derden aan de financiering

- Het voorstel/initiatief voorziet niet in medefinanciering door derden

- Het voorstel/initiatief voorziet in medefinanciering, zoals hieronder wordt geraamd:

Kredieten in miljoenen euro's (tot op 3 decimalen)

|| Jaar 2014 || Jaar 2015 || Jaar 2016 || Jaar 2017 || Jaar 2018 || Jaar 2019 || Jaar 2020 || Totaal

Medefinancieringsbron || || || || || || || ||

Het voorstel voorziet in medefinanciering door de EVA-landen, Zwitserland, Turkije en de toetredingslanden, kandidaat-lidstaten en potentiële kandidaat-lidstaten die onder een pretoetredingsstrategie vallen.

3.3.        Geraamde gevolgen voor de ontvangsten

- x Het voorstel/initiatief heeft geen financiële gevolgen voor de ontvangsten.

- "  Het voorstel/initiatief heeft de hieronder beschreven financiële gevolgen:

"         voor de eigen middelen

"         voor de diverse ontvangsten

in miljoenen euro's (tot op 3 decimalen)

Begrotingsonderdeel voor ontvangsten: || Voor het lopende begrotingsjaar beschikbare kredieten || Gevolgen van het voorstel[52]

2014 || 2015 || 2016 || 2017 || 2018 || 2019 || 2020

Artikel ____. || || || || || || || ||

Vermeld voor de diverse ontvangsten die worden "toegewezen", het (de) betrokken begrotingsonderde(e)l(en) voor uitgaven.

[_]

Vermeld de wijze van berekening van de gevolgen voor de ontvangsten.

[_]

[1]               COM(2010)2020 definitief van 3.3.2010.

[2]               COM(2011)500 definitief van 29.6.2011.

[3]               PB L 11 van 16.1.2003, blz. 1.

[4]               PB C van, blz. .

[5]               PB C van, blz. .

[6]               COM(2011) 500 definitief van 29.6.2011.

[7]               PB L 327 van 24.11.2006, blz. 45.

[8]               PB L 327 van 24.11.2006, blz. 30.

[9]               PB L 340 van 19.1.2008, blz. 83.

[10]             PB L 378 van 27.12.2006, blz. 41.

[11]             COM(2010) 2020 van 3.3.2010.

[12]             COM(2010)477 definitief van 15.9.2010.

[13]             COM(2010)682 definitief van 26.11.2010.

[14]             PB C 311 van 19.12.2009, blz. 1 Resolutie van de Raad van 27 november 2009 over een nieuw kader voor Europese samenwerking in jeugdzaken (2010-2018).

[15]             PB L 375 van 23.12.2004, blz. 12.

[16]             COM(2008)425 definitief van 3.7.2008.

[17]             PB C 319 van 13.12.2008, blz. 20 Conclusies van de Raad over scholen voor de 21e eeuw.

[18]             PB C 119 van 28.5.2009, blz. 2. Conclusies van de Raad over ET 2020.

[19]             PB C 300 van 12.12.2007, blz. 6. Conclusies van de Raad over het verbeteren van de kwaliteit van de lerarenopleiding. PB C 302 van 12.12.2009, blz. 6. Conclusies van de Raad over de professionele ontwikkeling van leerkrachten en schoolleiders.

[20]             PB C 301 van 11.12.2009, blz. 5. Conclusies van de Raad over het onderwijs aan kinderen met een migrantenachtergrond, PB C 135 van 26.5.2010, blz. 2. Conclusies van de Raad over de sociale dimensie van onderwijs en opleiding.

[21]             PB C van, blz. .

[22]             COM(2011) 12 definitief van 18.11.2011.

[23]             PB L 390 van 31.12.2004, blz. 6.

[24]             PB C 111 van 6.5.2008, blz. 1.

[25]             PB C 155 van 8.7.2009, blz. 11.

[26]             COM(2001) 303 definitief van 25.5.2011.

[27]             PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13.

[28]             PB L [...] van [...], blz. [...].

[29]             Dit bedrag is afkomstig van het uitgavenniveau van de periode 2007-2013, verhoogd met een evaluatiefactor die het stijgingspercentage van de instrumenten van post 4 weergeeft.

[30]             PB L [...] van [...], blz. [...].

[31]             ABM: activiteitsgebaseerd beheer (Activity-Based Management) - ABB: activiteitsgebaseerde begroting (Activity-Based Budgeting).

[32]             In de zin van artikel 49, lid 6, onder a) of b), van het Financieel Reglement.

[33]             Socrates, Leonardo da Vinci en eLearning.

[34]             Nadere gegevens over de beheersvormen en verwijzingen naar het Financieel Reglement zijn beschikbaar op BudgWeb: http://www.cc.cec/budg/man/budgmanag/budgmanag_en.html

[35]             In de zin van artikel 185 van het Financieel Reglement.

[36]             Het begrotingsonderdeel/de begrotingsonderdelen voor het uitvoerend agentschap worden vastgesteld wanneer de uitgaven zich hebben gestabiliseerd.

[37]             GK = gesplitste kredieten / NGK = niet-gesplitste kredieten:

[38]             EVA: Europese Vrijhandelsassociatie.

[39]             Kandidaat-lidstaten en, indien van toepassing, potentiële kandidaat-lidstaten uit de Westelijke Balkan.

[40]             Technische en/of administratieve bijstand en uitgaven ter ondersteuning van de uitvoering van programma's en/of acties van de EU (vroegere "BA"-onderdelen), onderzoek door derden, eigen onderzoek.

[41]             De Commissie kan overwegen de uitvoering van het programma Erasmus voor iedereen (deels) te externaliseren naar een uitvoerend agentschap. De bedragen en de opsplitsing van de geraamde kosten moeten misschien worden aangepast aan de uiteindelijk overeengekomen externalisatiegraad. Dit omvat de administratieve uitgaven van het uitvoerend agentschap dat kan worden belast met de uitvoering van een deel van het programma (omvangrijke "backloading"). De administratieve uitgaven zouden voortdurend over tijd zijn.

[42]             Het total van 204 VTE omvat: beheer van nationale agentschappen, rechtstreeks beheer door de Commissie, supervisie en coördinatie met het uitvoerend agentschap alsmede alle personeel voor ondersteuning en coördinatie in verband met het programma.

[43]             Outputs zijn de te verstrekken producten en diensten (bv. aantal gefinancierde studentenuitwisselingen, aantal km aangelegde wegen, enz.).

[44]             Inclusief organisatie van mobiliteitsvergoedingen.

[45]                    Gemeenschappelijke master- en doctorsgraden, geselecteerd voor vijf edities in het kader van actie 1 van het Erasmus Mundus-programma in 2009-13 zullen gefinancierd blijven in het kader van "Erasmus voor iedereen" voor de resterende edities die zijn onderworpen aan een jaarlijkse vernieuwingsprocedure op basis van voortgangsrapportage en beschikbaarheid van middelen.

[46]             Technische en/of administratieve bijstand en uitgaven ter ondersteuning van de uitvoering van programma's en/of acties van de EU (vroegere "BA"-onderdelen), onderzoek door derden, eigen onderzoek.

[47]             Omvat H1 en H4. DG EAC overweegt de uitvoering van het programma te externaliseren naar het uitvoerend agentschap EACEA en naar nationale agentschappen. Bovengenoemde cijfers en begrotingsonderdelen zullen zo nodig worden aangepast overeenkomstig het beoogde externalisatieproces.

[48]             AC= Agent Contractuel (arbeidscontractant); INT = uitzendkrachten ("Intérimaire"); JED= jonge deskundige in delegaties (Jeune Expert en Délégation); LA= plaatselijk personeelslid; END= Expert National Détaché (gedetacheerd nationaal deskundige).

[49]             Submaximum voor extern personeel uit beleidskredieten (vroegere "BA"-onderdelen).

[50]             Vooral voor structuurfondsen, Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO) en Europees Visserijfonds (EVF).

[51]             Zie de punten 19 en 24 van het Interinstitutioneel Akkoord.

[52]             Voor traditionele eigen middelen (douanerechten en suikerheffingen) moeten nettobedragen worden vermeld, d.w.z. na aftrek van 25% aan inningskosten.