Verordening 2013/1023 - Wijziging van het Statuut van de ambtenaren van de EU en de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de EU

1.

Wettekst

29.10.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 287/15

 

VERORDENING (EU, EURATOM) Nr. 1023/2013 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 22 oktober 2013

tot wijziging van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie en de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Unie

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 336,

Gezien het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie, en met name artikel 12,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie, dat na overleg met het comité voor het statuut is ingediend,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Hof van Justitie (1),

Gezien het advies van de Rekenkamer (2),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (3),

Overwegende hetgeen volgt:

 

(1)

De Europese Unie en haar meer dan 50 instellingen en agentschappen moeten kunnen blijven beschikken over een kwalitatief hoogwaardig Europees overheidsapparaat, zodat zij haar doelstellingen kan verwezenlijken, haar beleid en werkzaamheden kan uitvoeren alsook haar taken kan uitvoeren overeenkomstig de Verdragen volgens de hoogst denkbare normen, zodat ze berekend is op de interne en de externe uitdagingen waarmee zij in de toekomst te maken zal krijgen en om de burgers van de Unie te dienen.

 

(2)

Het is bijgevolg noodzakelijk om voor een kader te zorgen voor het aantrekken, aanwerven en behouden van en hooggekwalificeerde en meertalige personeelsleden die worden aangeworven vanuit de breedst mogelijke geografische basis uit de burgers van de lidstaten, en met volledige inachtneming van het genderevenwicht, die onafhankelijk zijn en die voldoen aan de hoogste normen op het vlak van vakbekwaamheid, en om ervoor te zorgen dat die personeelsleden hun taken zo doeltreffend en doelmatig mogelijk kunnen uitvoeren. In dit opzicht is het nodig een oplossing te vinden voor de problemen die de instellingen momenteel ondervinden om ambtenaren of functionarissen uit bepaalde lidstaten aan te werven.

 

(3)

Gezien de verhouding van de omvang van het Europese ambtenarenapparaat tot de doelstellingen van de Unie en haar inwoneraantal, mag een verlaging van het aantal personeelsleden van de instellingen en agentschappen van de Unie niet leiden tot een aantasting van hun vermogen om hun taken, plichten en functies overeenkomstig hun verplichtingen en bevoegdheden uit hoofde van de Verdragen te vervullen. Er is in dit verband behoefte aan transparantie met betrekking tot de personeelskosten die elke instelling en elk agentschap met betrekking tot alle voor hen werkzame personeelscategorieën moet dragen.

 

(4)

Van het Europese ambtenarenapparaat wordt verwacht dat het voldoet aan de hoogste normen op het vlak van beroepsethiek en dat het te allen tijde onafhankelijk blijft. Met dit doel voor ogen moet titel II van het Statuut van de ambtenaren (4), waarin een kader voor rechten en verplichtingen wordt vastgesteld, verder worden verduidelijkt. Elk verzuim doorambtenaren of gewezen ambtenaren om deze verplichtingen na te leven, dient hen vatbaar te maken voor tuchtmaatregelen.

 

(5)

De waarde van het Europese ambtenarenapparaat ligt evenzeer in zijn culturele en taalkundige verscheidenheid, die alleen kan worden gegarandeerd als er voor een gepast evenwicht tussen de nationaliteiten van de ambtenaren wordt gezorgd. Bij aanwervingen en benoemingen moet erop worden toegezien dat het personeel met inachtneming van de breedst mogelijke geografische basis uit de onderdanen van alle lidstaten van de Europese Unie wordt aangeworven, zonder dat er echter ambten worden bestemd voor ingezetenen van een bepaalde lidstaat. Hiertoe en om potentiële aanzienlijke ongelijkheden tussen de nationaliteiten van ambtenaren die niet gerechtvaardigd zijn op grond van objectieve criteria, tegen te gaan, moet elke instelling billijke en gepaste maatregelen kunnen treffen. Dergelijke maatregelen mogen in geen geval leiden tot het hanteren van andere aanwervingscriteria dan die welke op verdiensten zijn gebaseerd. De Commissie moet het Europees Parlement en de Raad verslag uitbrengen over de tenuitvoerlegging van dergelijke maatregelen door de instellingen.

 

(6)

Om aanwervingen vanuit de breedst mogelijke geografische basis te bevorderen, moeten de instellingen zich inspannen voor de ondersteuning van meertalig en multicultureel onderwijs voor de kinderen van hun personeelsleden. Het is wenselijk dat een bijdrage door de Unie ten laste van haar begroting, te bepalen door de begrotingsautoriteit in overeenstemming met de desbetreffende regels, wordt voorzien voor de financiering van de Europese scholen. Indien dit noodzakelijk is in het belang van het functioneren van de instellingen, moet de Commissie de bevoegde autoriteiten kunnen vragen om de locatie van een nieuwe Europese school te heroverwegen.

 

(7)

Meer algemeen is het de bedoeling de personele middelen zo goed mogelijk te beheren in het kader van een Europees ambtenarenapparaat dat gekenmerkt wordt door uitmuntendheid, vakbekwaamheid, onafhankelijkheid, loyaliteit, onpartijdigheid en stabiliteit, alsook door culturele en taalverscheidenheid en aantrekkelijke aanwervingsvoorwaarden.

 

(8)

Ambtenaren moeten een proeftijd van negen maanden volbrengen. Bij het nemen van een besluit over de aanstelling in vaste dienst, houdt het voor aanstellingen bevoegde gezag rekening met het beoordelingsverslag over de proeftijd dat aan het eind van deze proeftijd wordt opgesteld, en met het gedrag van de ambtenaar op proef met betrekking tot de hem door het statuut opgelegde verplichtingen. In geval van duidelijke ongeschiktheid van de ambtenaar op proef moet het mogelijk zijn om te allen tijde een beoordeling van de ambtenaar op proef op te stellen. Zo niet mag het beoordelingverslag pas aan het eind van de proeftijd worden opgesteld.

 

(9)

Teneinde te waarborgen dat de koopkracht van de ambtenaren en de andere personeelsleden van de Europese Unie gelijke tred houdt met die van de nationale ambtenaren bij de nationale overheidsdiensten van de lidstaten, is het zeer belangrijk dat het beginsel van een meerjarig mechanisme voor de actualisering van de bezoldigingen, dat bekendstaat als "de methode", wordt gehandhaafd door ervoor te zorgen dat deze methode wordt toegepast tot eind 2023, met een evaluatie begin 2022, en door een mechanisme te voorzien voor de provisorische verlenging van de methode. Daarnaast moet er een mechanisme voorzien worden voor een automatische jaarlijkse actualisering van alle salarissen, pensioenen en toelagen, dat ook een automatische crisisclausule omvat, om de moeilijkheden die zich in het verleden hebben voorgedaan met betrekking tot de toepassing van de methode, te verhelpen. Met het oog hierop moeten de relevante bedragen in het statuut en in de regeling die van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Unie beschouwd worden als referentiebedragen, die regelmatig en automatisch zullen worden geactualiseerd. De geactualiseerde bedragen worden door de Commissie ter informatie in het Publicatieblad van de Europese Unie, serie C, bekendgemaakt. Dit actualiseringsmechanisme moet eveneens gebruikt worden voor alle andere gevallen waarin een dergelijke actualisering voorzien is.

 

(10)

Het is belangrijk dat ervoor wordt gezorgd dat de statistische gegevens die voor de actualisering van de bezoldigingen en de pensioenen worden gebruikt, van kwaliteit zijn. Overeenkomstig het beginsel van onpartijdigheid moeten de nationale diensten voor de statistiek of andere bevoegde instanties in de lidstaten de gegevens op nationaal niveau verzamelen en aan Eurostat overmaken.

 

(11)

De potentiële voordelen voor de ambtenaren en de andere personeelsleden van de Europese Unie van de toepassing van de methode moeten worden gecompenseerd door de herinvoering van het systeem van een "heffing". Net als voor wat de methode betreft, kan de toepassing van deze solidariteitsheffing provisorisch verlengd worden. In de huidige omstandigheden lijkt het passend om de solidariteitsheffing te verhogen ten opzichte van het niveau van de speciale heffing tussen 2004 en 2012 en een progressievere stijging toe te passen. Doel hiervan is rekening te houden met de bijzonder moeilijke economische en sociale situatie in de Unie en de gevolgen daarvan voor de overheidsfinanciën in de Unie. De noodzakelijke consolidering van de overheidsfinanciën in de Unie, ook op korte termijn, vereist een snelle en bijzondere solidariteitsinspanning vanwege het personeel van de instellingen van de Unie. Deze solidariteitsheffing moet bijgevolg met ingang van 1 januari 2014 gelden voor alle ambtenaren en andere personeelsleden van de Unie.

 

(12)

In zijn conclusies van 8 februari 2013 over het meerjarig financieel kader wees de Europese Raad erop dat indien men de overheidsfinanciën op korte, middellange en lange termijn wil consolideren, alle overheden en hun personeel een bijzondere inspanning zullen moeten leveren om efficiënter en doelmatiger te gaan werken en zich aan te passen aan de veranderende economische context. Hiermee trok de Raad in feite één lijn met de Commissie in haar voorstel van 2011 tot wijziging van het statuut van de ambtenaren van de Europese Unie en de regeling die van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Unie; met dit voorstel beoogde de Commissie immers kostenefficiëntie en erkende ze dat de uitdagingen waarmee de Europese Unie momenteel te maken heeft, een bijzondere inspanning vragen van alle overheidsdiensten en hun voltallige personeel om efficiënter te gaan werken en zich aan te passen aan de veranderende economische en sociale context. Daarnaast vroeg de Europese Raad in het kader van de hervorming van het statuut van de ambtenaren om een aanpassing van de salarissen en pensioenen van al het personeel van de instellingen van de Unie in de vorm van een schorsing van de salarismethode gedurende twee jaar, alsook, in het kader van de herziening van de salarismethode, om de invoering van de nieuwe solidariteitsheffing.

 

(13)

Gezien deze conclusies en om te kunnen voldoen aan toekomstige begrotingsbeperkingen alsook om te tonen dat het Europese ambtenarenapparaat solidair is met de strenge maatregelen die de lidstaten als gevolg van de ongekende financiële crisis en de bijzonder moeilijke sociale en economische situatie in de lidstaten en de Unie als geheel hebben genomen, is het noodzakelijk om de toepassing van de methode voor alle salarissen, pensioenen en toelagen van de ambtenaren gedurende twee jaar te schorsen en tegelijkertijd de solidariteitsheffing toe te passen.

 

(14)

De demografische ontwikkelingen en de veranderende leeftijdspiramide van de bevolking vereisen dat de pensioenleeftijd wordt verhoogd, hoewel er voor de ambtenaren en andere personeelsleden van de Europese Unie die reeds in dienst zijn, overgangsmaatregelen worden getroffen. Deze overgangsmaatregelen zijn noodzakelijk om de verworven rechten van de ambtenaren die reeds in dienst zijn en aan het theoretische pensioenfonds van de ambtenaren van de Europese Unie hebben bijgedragen, te eerbiedigen. De pensioenleeftijd moet ook worden versoepeld door het gemakkelijker te maken voor personeel om op vrijwillige basis tot 67 jaar te blijven werken en, in uitzonderlijke omstandigheden en onder specifieke voorwaarden, door te werken tot 70 jaar.

 

(15)

Aangezien de pensioenregeling van de Europese Unie in actuarieel evenwicht is en dat evenwicht op korte en lange termijn moet worden gehandhaafd, moeten de personeelsleden die vóór 1 januari 2014 in dienst zijn getreden, voor hun pensioenbijdrage worden gecompenseerd door overgangsmaatregelen, zoals een aangepast opbouwpercentage voor de dienstjaren na het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd (Barcelona-incentive) en door bij vervroegde pensionering tussen de leeftijd van 60 jaar en de wettelijke pensioenleeftijd slechts de helft van de vermindering toe te passen.

 

(16)

Algemeen aanvaarde actuariële praktijk vereist dat voor de rentepercentages en de salaristoename waarnemingen over een periode van twintig tot veertig jaar worden gebruikt, zodat het evenwicht van de pensioenregelingen wordt gegarandeerd. De voortschrijdende gemiddelden voor de rentepercentages en de salaristoename moeten derhalve worden verlengd tot dertig jaar, met een overgangsperiode van acht jaar.

 

(17)

De Raad verzocht de Commissie om een studie en de indiening van passende voorstellen in verband met artikel 5, lid 4, bijlage I, afdeling A, en artikel 45, lid 1, van het statuut, teneinde verantwoordelijkheid en rang duidelijk aan elkaar te koppelen en ervoor te zorgen dat er bij het vergelijkend onderzoek van de verdiensten in het kader van bevordering een grotere klemtoon wordt gelegd op het niveau van de verantwoordelijkheden.

 

(18)

Gelet op dit verzoek is het passend om de bevordering tot een hogere rang te doen afhangen van persoonlijke toewijding, de verbetering van vaardigheden en bekwaamheden, en de uitvoering van taken waarvan het belang rechtvaardigt dat de ambtenaar in die hogere rang wordt benoemd.

 

(19)

De loopbaan in de functiegroepen AD en AST moet zodanig worden geherstructureerd dat de hoogste rangen zullen worden voorbehouden aan een beperkt aantal ambtenaren die het hoogste niveau van verantwoordelijkheid dragen. Daarom kunnen administrateurs alleen opklimmen tot de rang van AD 12, tenzij ze benoemd worden voor een specifiek ambt boven die rang, en moeten de rangen AD 13 en 14 voorbehouden zijn voor ambtenaren met een functie die grote verantwoordelijkheden met zich meebrengt. Op dezelfde manier kunnen ambtenaren in rang AST 9 alleen worden bevorderd tot rang AST 10 volgens de in artikel 4 en artikel 29, lid 1, van het statuut vastgestelde procedure.

 

(20)

Om de loopbaanstructuren in de huidige vakgebieden van de AST-personeelsleden nog verder op de verschillende niveaus van verantwoordelijkheid af te stemmen en de onontbeerlijke bijdrage tot de beperking van de administratieve uitgaven te leveren, dient er een nieuwe functiegroep "AST/SC" voor secretariaat- en kantoormedewerkers te worden ingevoerd. De salarissen en de bevorderingspercentages dienen te garanderen dat het niveau van verantwoordelijkheid en dat van de bezoldigingen op een passende wijze in onderling verband staan. Op die manier zal het mogelijk zijn om een stabiel en breed Europees ambtenarenapparaat te behouden. De Commissie moet een analyse uitvoeren van en verslag uitbrengen over de omvang van deze nieuwe functiegroep en de gevolgen van de invoering ervan, waarbij ze met name rekening moet houden met de situatie van vrouwen, zodat het behoud van een stabiel en breed Europees ambtenarenapparaat gevrijwaard wordt.

 

(21)

De minimumperiode van twee jaar die een ambtenaar in een rang moet doorbrengen alvorens hij naar de eerstvolgende hogere rang kan overgaan, wordt gehandhaafd met als doel snellere bevorderingen mogelijk te maken voor ambtenaren die bijzonder goed presteren. Elke instelling moet erop toezien dat er in haar interne personeelsbeleid gebruik wordt gemaakt van de in het statuut voorziene mogelijkheden betreffende passende loopbanen voor ambtenaren met veel potentieel en goede prestaties.

 

(22)

De in de instellingen toegepaste werktijden moeten worden afgestemd op de werktijden die gelden in bepaalde lidstaten van de Europese Unie, teneinde de inkrimping van het aantal personeelsleden in de instellingen te compenseren. Bij deze aanpassing moet rekening worden gehouden met de werktijden die gelden voor de ambtenarenapparaten van de lidstaten. De invoering van een minimum wekelijkse werktijd zal ervoor zorgen dat de personeelsleden van de instellingen het werk dat uit de beleidsdoelstellingen van de Europese Unie voortvloeit, kunnen uitvoeren; terwijl tegelijkertijd de harmonisering van de arbeidsvoorwaarden in de instellingen in het belang is van de solidariteit door het gehele ambtenarenapparaat van de Unie heen.

 

(23)

Flexibele werktijdregelingen zijn een wezenlijk onderdeel van een moderne en efficiënte overheidsadministratie: zij maken gezinsvriendelijke arbeidsvoorwaarden mogelijk en garanderen een evenwicht tussen mannen en vrouwen in de instellingen. Daarom moet in het statuut een uitdrukkelijke verwijzing naar die regelingen worden opgenomen.

 

(24)

De regels inzake het aantal jaarlijkse reisdagen en de jaarlijkse vergoeding van de reiskosten tussen de standplaats en de plaats van herkomst moeten worden gemoderniseerd, gerationaliseerd en aan de status van expatriate worden gekoppeld, zodat de toepassing van die regels eenvoudiger en transparanter verloopt. Met name het aantal jaarlijkse reisdagen moet vervangen worden door thuisverlof en tot maximum twee en een halve dag worden beperkt.

 

(25)

Ook de regels inzake de vergoeding van verhuiskosten moeten worden vereenvoudigd, zodat de toepassing van die regels zowel voor de administratie als voor de betrokken personeelsleden gemakkelijker wordt. Daarom moeten plafonds voor de kosten worden ingevoerd, waarin rekening wordt gehouden met de gezinssituatie van de ambtenaar of het andere personeelslid en met de gemiddelde kosten van een verhuizing en de daarbij horende verzekering.

 

(26)

Sommige personeelsleden moeten frequent op dienstreis gaan naar de andere plaatsen waar hun instelling een zetel heeft. Momenteel houden de regels inzake dienstreizen niet doeltreffend rekening met die situatie. Deze regels moeten derhalve worden aangepast, om in die gevallen de verblijfkosten te vergoeden op basis van een forfaitair bedrag.

 

(27)

Het is passend om de arbeidsvoorwaarden voor personeel in derde landen te moderniseren en kosteneffectiever te maken, opdat kostenbesparingen worden gegenereerd. Rechten op jaarlijkse vakantie moeten worden aangepast en voorzieningen moeten worden getroffen voor de mogelijkheid om bij de berekening van de toelage wegens bijzondere levensomstandigheden rekening te houden met een breed spectrum aan parameters, zonder dat dit de globale doelstelling van de totstandbrenging van kostenbesparingen in de weg staat. De voorwaarden voor de toekenning van de huisvestingstoelage moeten worden herzien om beter rekening te houden met de plaatselijke omstandigheden en om de administratieve lasten te verminderen.

 

(28)

Het kader voor de aanwerving van arbeidscontractanten moet flexibeler worden. De instellingen van de Unie moeten derhalve in staat worden gesteld om arbeidscontractanten aan te werven voor een maximumduur van zes jaar voor het uitvoeren van werkzaamheden onder het toezicht van ambtenaren of tijdelijke functionarissen. Hoewel de grote meerderheid van de ambtenaren nog steeds via algemene vergelijkende onderzoeken zal worden aangeworven, moeten de instellingen daarnaast de mogelijkheid krijgen om interne vergelijkende onderzoeken te organiseren, waaraan in uitzonderlijke gevallen en onder specifieke voorwaarden ook arbeidscontractanten kunnen deelnemen.

 

(29)

Er moeten overgangsmaatregelen worden vastgesteld om ervoor te zorgen dat de nieuwe regels en maatregelen geleidelijk worden toegepast, terwijl de verworven rechten en legitieme verwachtingen van de personeelsleden die vóór de inwerkingtreding van deze wijzigingen van het statuut in dienst zijn getreden, worden geëerbiedigd.

 

(30)

De personeelsleden van de agentschappen vallen net als het andere statutaire personeel onder de pensioenregeling van de EU. Agentschappen die volledig zelf gefinancierd zijn, betalen momenteel de werkgeversbijdrage aan het stelsel. Om te zorgen voor begrotingstransparantie en evenwichtigere lastenverdeling, moeten agentschappen die gedeeltelijk uit de algemene begroting van de Europese Unie worden gefinancierd, het deel van de werkgeversbijdragen betalen dat overeenstemt met de verhouding tussen de ontvangsten van het agentschap zonder de subsidie uit de algemene begroting van de Europese Unie en zijn totale ontvangsten. Aangezien het met het oog op deze nieuwe bepaling mogelijk is dat de relevante regels betreffende de door de agentschappen ontvangen vergoedingen moeten worden aangepast, mag de bepaling pas vanaf 1 januari 2016 van kracht worden. Indien nodig moet de Commissie voorstellen indienen voor de aanpassing van deze regels.

 

(31)

Ten behoeve van vereenvoudiging en de samenhang van het personeelsbeleid moeten de regels die door de Commissie ter uitvoering van het statuut worden vastgesteld, van overeenkomstige toepassing zijn op de agentschappen. Omdat de agentschappen in een specifieke situatie verkeren, moeten zij echter het recht hebben om indien nodig de toestemming van de Commissie te vragen voor de vaststelling van uitvoeringsbepalingen die afwijken van die welke de Commissie heeft vastgesteld, of om de regels van de Commissie in het geheel niet toe te passen.

 

(32)

Het Hof van Justitie van de Europese Unie moet een register invoeren en beheren van alle regels die zijn vastgesteld om aan het statuut uitvoering te geven. Dit register, dat door alle instellingen, agentschappen en lidstaten kan worden geraadpleegd, zal de transparantie verhogen en bevorderen dat het statuut op consequente wijze wordt toegepast.

 

(33)

Om de regels inzake de vaststelling van uitvoeringsbepalingen, die van interne en administratieve aard zijn, te harmoniseren en te verduidelijken, is het passend om de desbetreffende beslissingsbevoegdheid toe te kennen aan het tot aanstelling bevoegde gezag en het tot het sluiten van overeenkomsten bevoegde gezagsorgaan.

 

(34)

Omdat er bij de agentschappen veel tijdelijke functionarissen werken en er een samenhangend personeelsbeleid moet worden vastgesteld, is het noodzakelijk om een nieuwe categorie tijdelijke functionarissen in te voeren en daarvoor specifieke regels vast te stellen.

 

(35)

De Commissie moet toezicht blijven houden op de begrotingssituatie van het gemeenschappelijk stelsel van ziektekostenverzekering en in geval van een structureel onevenwicht van het stelsel de nodige maatregelen nemen.

 

(36)

In artikel 15 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie staat dat bepaalde gegevens van ambtenaren en andere personeelsleden moeten worden doorgegeven aan de overheidsdiensten van de lidstaten.

 

(37)

Teneinde de in het statuut vastgelegde doelstellingen te verwezenlijken, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie handelingen vast te stellen, met name voor wat betreft bepaalde aspecten van de arbeidsvoorwaarden. De Commissie moet bij het voorbereiden en opstellen van gedelegeerde handelingen ervoor zorgen dat de desbetreffende documenten tijdig en op gepaste wijze gelijktijdig worden toegezonden aan het Europees Parlement en aan de Raad,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Het statuut van de ambtenaren van de Europese Unie wordt als volgt gewijzigd:

 

1.

Artikel 1 quinquies wordt als volgt gewijzigd:

 

a)

in lid 3 worden de woorden "De instellingen" vervangen door "De tot aanstelling bevoegde gezagsorganen van de instellingen";

 

b)

lid 4 wordt vervangen door:

"4.   Voor de toepassing van lid 1 wordt als persoon met een handicap aangemerkt, de persoon die een langdurige fysieke, mentale, intellectuele of zintuiglijke beperking heeft die hem, in wisselwerking met diverse hinderpalen, kunnen belemmeren om volledig, effectief en op voet van gelijkheid met anderen deel te nemen aan de samenleving. Dit gebrek wordt vastgesteld overeenkomstig de procedure van artikel 33.

Een persoon met een handicap voldoet aan de voorwaarden van artikel 28, onder e), wanneer hij in staat is, mits een aantal redelijke voorzieningen worden aangebracht, de fundamentele taken van het betrokken ambt te vervullen.

Onder "redelijke voorzieningen" om de fundamentele taken van een ambt te kunnen vervullen, wordt verstaan passende maatregelen, waar nodig, om een persoon met een handicap in staat te stellen om toegang te krijgen tot, deel te nemen aan, en carrière te maken in het arbeidsleven, of opleidingen te volgen, zonder dat dit voor de werkgever een onevenredig zware belasting vormt.

Het beginsel van gelijke behandeling belet de tot aanstelling bevoegde gezagsorganen van de instellingen niet om maatregelen te handhaven of aan te nemen waarbij voorzien wordt in specifieke voordelen om de uitoefening van een beroepsactiviteit door personen met een handicap te vereenvoudigen of om nadelen in de beroepsloopbaan te voorkomen of te compenseren.".

 

2.

Artikel 1 sexies, lid 1, wordt vervangen door:

"1.   Ambtenaren in actieve dienst hebben toegang tot door de instellingen genomen maatregelen van sociale aard, waaronder specifieke maatregelen om werk en gezin te combineren, en tot de door de in artikel 9 genoemde sociale diensten geboden dienstverlening. Gewezen ambtenaren kunnen toegang hebben tot beperkte specifieke maatregelen van sociale aard.".

 

3.

Artikel 5 wordt als volgt gewijzigd:

 

a)

lid 1 wordt vervangen door:

"1.   De ambten waarop dit statuut van toepassing is, zijn in functiegroepen ingedeeld naar gelang van de aard en het niveau van de werkzaamheden waarmee zij overeenkomen, te weten de functiegroep "administrateurs" (hierna "AD"), de functiegroep "assistenten" (hierna "AST") en de functiegroep "secretariaat- en kantoormedewerkers" (hierna "AST/SC").";

 

b)

lid 2 wordt vervangen door:

"2.   De functiegroep AD omvat twaalf rangen, die overeenkomen met leidinggevende functies, functies met een conceptueel of analytisch karakter en functies op taalkundig en wetenschappelijk gebied. De functiegroep AST omvat elf rangen, die overeenkomen met functies met een uitvoerend en technisch karakter. De functiegroep AST/SC omvat zes rangen, die overeenkomen met secretariaat- en kantoorfuncties.";

 

c)

in lid 3, onder a), worden na de woorden "in functiegroep AST" de woorden "en de functiegroep AST/SC" ingevoegd;

 

d)

lid 4 wordt vervangen door:

"4.   In bijlage I, afdeling A, is een overzicht van de verschillende standaardfuncties opgenomen. Het tot aanstelling bevoegde gezag van elke instelling kan op basis van dit overzicht en na overleg met het comité voor het statuut, uitvoeriger de bij ieder type van standaardfunctie behorende taken en bevoegdheden vaststellen.".

 

4.

Artikel 6 wordt vervangen door:

"Artikel 6

  • 1. 
    Het aantal ambten per rang en functiegroep is vastgesteld in de lijst van het aantal ambten die voor elke instelling aan de desbetreffende afdeling van de begroting is gehecht.
  • 2. 
    Onverminderd het beginsel van bevordering op grond van verdienste zoals neergelegd in artikel 45, garandeert die lijst van het aantal ambten dat voor elke instelling het aantal vacatures in elke rang van de lijst van het aantal ambten op 1 januari van elk jaar gelijk is aan het aantal ambtenaren in actieve dienst die zich op 1 januari van het jaar daarvoor in de lagere rang bevonden, vermenigvuldigd met de in bijlage I, afdeling B, voor die rang vastgestelde percentages. Deze percentages worden toegepast op basis van een gemiddelde over een periode van vijf jaar, met ingang van 1 januari 2014.
  • 3. 
    De in bijlage I, afdeling B, vastgestelde percentages worden opgenomen in het verslag als bedoeld in artikel 113.
  • 4. 
    De tenuitvoerlegging van de bepalingen met betrekking tot functiegroep AST/SC en de in artikel 31 van bijlage XIII opgenomen overgangsbepalingen, rekening houdend met de ontwikkeling van de behoefte binnen alle instellingen aan personeelsleden die secretariaat- en kantoorwerkzaamheden uitvoeren en de ontwikkeling van de vaste en tijdelijke ambten in de functiegroepen AST en AST/SC, maakt onderdeel uit van het verslag als bedoeld in artikel 113.".
 

5.

Artikel 9 wordt als volgt gewijzigd:

 

a)

lid 1 wordt vervangen door:

"1.   Onverminderd lid 1 bis, worden er bij elke instelling opgericht:

 

een personeelscomité, zo nodig verdeeld in afdelingen voor elke standplaats van het personeel;

 

één of, indien het aantal ambtenaren in de standplaatsen dit vereist, meer paritaire commissies;

 

één of, indien het aantal ambtenaren in de standplaatsen dit vereist, meer tuchtraden;

 

één of, indien het aantal ambtenaren in de standplaatsen dit vereist, meer paritaire raadgevende commissies voor de behandeling van gevallen van onvoldoende geschiktheid voor het ambt;

 

zo nodig een beoordelingscomité;

 

een invaliditeitscommissie,

die de taken vervullen die hun door dit statuut zijn toebedeeld.";

 

b)

lid 1 bis wordt vervangen door:

"1 bis.   Voor de toepassing van sommige bepalingen van dit statuut kan voor twee of meer instellingen een gemeenschappelijke paritaire commissie worden opgericht. De andere in lid 1 genoemde commissies en comités en de tuchtraad kunnen door twee of meer agentschappen als gemeenschappelijke organen worden opgericht.";

 

c)

in lid 2 wordt na de eerste alinea de volgende alinea ingevoegd:

"De agentschappen kunnen afwijken van de bepalingen van artikel 1 van bijlage II inzake het lidmaatschap van de personeelscomités om rekening te houden met de samenstelling van hun personeel. De agentschappen kunnen besluiten om geen plaatsvervangende leden aan te wijzen voor de paritaire commissie of commissies als voorzien in artikel 2 van bijlage II.".

 

6.

In artikel 10, eerste alinea, worden in de tweede zin de woorden "de instellingen" vervangen door "de tot aanstelling bevoegde gezagsorganen van de instellingen.".

 

7.

Artikel 11 wordt vervangen door:

"Artikel 11

Een ambtenaar houdt bij het uitoefenen van zijn werkzaamheden en bij het bepalen van zijn gedrag uitsluitend de belangen van de Unie voor ogen. Hij vraagt noch aanvaardt aanwijzingen van enige regering of van enig gezag, organisatie of persoon buiten zijn instelling. Hij vervult de hem toevertrouwde taken op objectieve en onpartijdige wijze en met inachtneming van zijn loyaliteitsplicht tegenover de Unie.

Een ambtenaar mag, zonder machtiging van het tot aanstelling bevoegde gezag, van een regering of wie dan ook buiten zijn instelling, geen eerbewijzen, onderscheidingen, gunsten, giften of beloningen van welke aard ook aanvaarden, behalve wegens vóór zijn aanstelling bewezen diensten of wegens diensten die gedurende bijzonder verlof voor militaire dienst of andere nationale dienst uit hoofde van zodanige dienst zijn bewezen.

Het tot aanstelling bevoegd gezag onderzoekt voordat een ambtenaar wordt aangeworven, of de kandidaat enig persoonlijk belang heeft dat zijn onafhankelijkheid in het gedrang zou kunnen brengen, of enig ander belangenconflict heeft. De kandidaat brengt het tot aanstelling bevoegde gezag daartoe van alle bestaande of potentiële belangenconflicten op de hoogte door gebruik te maken van een specifiek formulier. Het tot aanstelling bevoegd gezag houdt in dergelijke gevallen houdt het tot aanstelling bevoegde gezag hiermee rekening in een naar behoren met redenen omkleed advies. Indien nodig neemt het tot aanstelling bevoegde gezag de maatregelen waarnaar wordt verwezen in artikel 11 bis, lid 2.

Dit artikel is naar analogie van toepassing op ambtenaren die terugkeren van verlof om redenen van persoonlijke aard.".

 

8.

Artikel 16 wordt vervangen door:

"Artikel 16

De ambtenaar is gehouden na beëindiging van de dienst betamelijkheid en kiesheid te betrachten bij het aanvaarden van bepaalde functies of voordelen.

De ambtenaar die binnen twee jaar na beëindiging van de dienst al dan niet bezoldigde beroepsbezigheden wenst uit te oefenen, moet de instelling daarvan middels een specifiek formulier in kennis stellen. Als deze beroepsbezigheden verband houden met de werkzaamheden die de ambtenaar heeft verricht gedurende de drie jaren die aan de beëindiging van de dienst voorafgingen en mogelijk niet verenigbaar zijn met de legitieme belangen van de instelling, kan het tot aanstelling bevoegde gezag, naar gelang van het dienstbelang, besluiten de ambtenaar te verbieden de betrokken beroepsbezigheden uit te oefenen, of de uitoefening ervan aan bepaalde voorwaarden te onderwerpen. Het tot aanstelling bevoegde gezag deelt de betrokkene na raadpleging van de paritaire commissie binnen 30 werkdagen na daarvan in kennis te zijn gesteld, zijn besluit mede. Indien na afloop van die termijn geen mededeling is gedaan, wordt het geacht er stilzwijgend mee in te stemmen.

Het tot aanstelling bevoegde gezag verbiedt in beginsel gewezen hooggeplaatste ambtenaren als bepaald in de uitvoeringsmaatregelen om gedurende de 12 maanden na beëindiging van de dienst zich in te laten met lobby-activiteiten of belangbeharting voor hun bedrijf, klanten of werknemers bij personeel van hun voormalige instelling met betrekking tot kwesties waarvoor ze verantwoordelijk waren tijdens hun laatste drie dienstjaren.

Alle instellingen maken jaarlijks, in overeenstemming met de bepalingen van Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad (5) , informatie over de uitvoering van de derde alinea bekend, met inbegrip van een lijst van de beoordeelde gevallen.

 

9.

In artikel 18 wordt lid 1 vervangen door:

"1.   Alle rechten die verband houden met hetgeen door de ambtenaar in de uitoefening van zijn functie is verricht, vallen toe aan de Europese Unie wanneer deze verrichtingen met haar activiteiten verband houden, of aan de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie wanneer deze verrichtingen met de activiteiten van die Gemeenschap verband houden. De Unie of, in voorkomend geval, de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie kan vorderen dat de auteursrechten ten aanzien van deze activiteiten aan haar worden overgedragen.".

 

10.

Artikel 19 wordt vervangen door:

"Artikel 19

Een ambtenaar mag onder geen beding in rechte gewag maken van hetgeen hij in verband met zijn ambtsbezigheden heeft bevonden zonder machtiging van het tot aanstelling bevoegde gezag. Machtiging kan slechts worden geweigerd indien belangen van de Unie zulks vorderen en indien weigering niet kan leiden tot strafrechtelijke gevolgen voor de betrokken ambtenaar. Ook na beëindiging van de dienst blijft de ambtenaar hiertoe verplicht.

De eerste alinea is niet van toepassing op de ambtenaar of gewezen ambtenaar die als getuige optreedt voor het Hof van Justitie van de Europese Unie of voor de tuchtraad van een instelling voor een aangelegenheid die een personeelslid of een gewezen personeelslid van de Europese Unie betreft.".

 

11.

In artikel 21 bis wordt het volgende lid toegevoegd:

"3.   Een ambtenaar die zijn meerderen in kennis stelt van opdrachten die hem onregelmatig voorkwamen of waarvan de uitvoering naar zijn mening ernstige gevolgen zou kunnen hebben, mag om die reden geen nadelige gevolgen ondervinden.".

 

12.

Het volgende artikel wordt ingevoegd:

"Artikel 22 quater

Elke instelling stelt overeenkomstig artikelen 24 en 90 een procedure in voor de behandeling van door ambtenaren ingediende klachten over de wijze waarop zij zijn behandeld nadat of naar aanleiding van het feit dat zij hun verplichtingen uit hoofde van artikel 22 bis of artikel 22 ter zijn nagekomen. De betreffende instelling stelt zeker dat dergelijke klachten vertrouwelijk worden behandeld en, indien de omstandigheden zulks vereisen, vóór het verstrijken van de in artikel 90 vastgestelde termijnen worden behandeld.

Het tot aanstelling bevoegde gezag van elke instelling stelt interne voorschriften vast met betrekking tot onder meer:

 

het verstrekken aan de in artikel 22 bis, lid 1, of artikel 22 ter bedoelde ambtenaren van informatie over de behandeling van de door hen gemelde aangelegenheden,

 

de bescherming van de rechtmatige belangen van deze ambtenaren en hun persoonlijke levenssfeer, en

 

de procedure voor de behandeling van klachten als bedoeld in de eerste alinea van dit artikel.".

 

13.

In artikel 26 bis worden de woorden "de instelling" vervangen door "het tot aanstelling bevoegde gezag van de instelling".

 

14.

Artikel 27 wordt vervangen door:

"Artikel 27

De aanwerving is erop gericht de instelling de medewerking te verzekeren van ambtenaren die uit een oogpunt van vakbekwaamheid, prestatievermogen en integriteit aan de hoogste eisen voldoen en die uit de onderdanen van de lidstaten van de Unie zijn aangeworven met inachtneming van de breedst mogelijke geografische basis. Geen enkel ambt mag worden bestemd voor onderdanen van een bepaalde lidstaat.

Op grond van het beginsel van gelijkheid van alle burgers van de Unie kan elke instelling passende maatregelen treffen, wanneer een aanzienlijke onevenwicht tussen de nationaliteiten van de ambtenaren wordt vastgesteld, die niet op grond van objectieve criteria gerechtvaardigd is. Deze passende maatregelen moeten gerechtvaardigd zijn en mogen er nooit toe leiden dat andere aanwervingscriteria gelden dan die welke op verdienste zijn gebaseerd. Voordat dergelijke passende maatregelen worden getroffen, stelt het tot aanstelling bevoegde gezag van de betrokken instelling voor dit lid algemene uitvoeringsbepalingen vast overeenkomstig artikel 110.

Na een periode van drie jaar die op 1 januari 2014 aanvangt, brengt de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad verslag uit over de uitvoering van de tweede alinea.

Om aanwervingen op de breedst mogelijke geografische basis te bevorderen, spannen de instellingen zich in voor de ondersteuning van meertalig en multicultureel onderwijs voor de kinderen van hun personeelsleden.".

 

15.

In artikel 29 wordt lid 1 vervangen door:

"1.   Teneinde te voorzien in vacatures bij een instelling, onderzoekt het tot aanstelling bevoegde gezag eerst:

 

a)

de mogelijkheden om in het ambt te voorzien door middel van:

 

i)

overplaatsing, of

 

ii)

aanstelling overeenkomstig artikel 45 bis, of

 

iii)

bevordering

binnen de instelling;

 

b)

de verzoeken tot overgang van ambtenaren in dezelfde rang van andere instellingen, en/of

 

c)

indien niet op de onder a) en b) genoemde wijzen in de vacature kon worden voorzien, de mogelijkheid om in voorkomend geval gebruik te maken van lijsten van geschikte kandidaten in de zin van artikel 30, rekening houdend met de relevante bepalingen in bijlage III betreffende geschikte kandidaten, en/of

 

d)

de mogelijkheden om een vergelijkend onderzoek binnen de instelling te organiseren, dat alleen openstaat voor de ambtenaren en de tijdelijke functionarissen in de zin van artikel 2 van de regeling die van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Unie;

of gaat over tot een vergelijkend onderzoek op basis van schriftelijke bewijsstukken, van een examen of op de basis van beide. De procedure voor het vergelijkend onderzoek is vastgesteld in bijlage III.

Tot vergelijkend onderzoek kan eveneens worden overgegaan voor het vormen van een reserve voor aanwerving in de toekomst.

Zonder afbreuk te doen aan het beginsel dat de grote meerderheid van de ambtenaren op basis van algemene vergelijkende onderzoeken wordt aangeworven, kan het tot aanstelling bevoegde gezag in afwijking van punt d) en alleen in uitzonderlijke gevallen besluiten om een vergelijkend onderzoek binnen de instelling te organiseren dat ook openstaat voor de arbeidscontractanten in de zin van de artikelen 3 bis en 3 ter van de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Unie. Voor laatstgenoemde personeelscategorie gelden beperkingen met betrekking tot die mogelijkheid als omschreven in artikel 82, lid 7, van de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Unie, en met betrekking tot de specifieke functies die de arbeidscontracten mochten vervullen.".

 

16.

Artikel 30 wordt vervangen door:

"Artikel 30

Voor ieder vergelijkend onderzoek wordt door het tot aanstelling bevoegde gezag een jury benoemd. De jury stelt een lijst van geschikte kandidaten op.

Het tot aanstelling bevoegde gezag kiest uit deze lijst de kandidaat of kandidaten die het op de openstaande plaatsen aanstelt.

Deze kandidaten hebben toegang tot adequate informatie over passende vacatures die door de instellingen en agentschappen worden bekendgemaakt.".

 

17.

In de eerste alinea van artikel 31, lid 2, wordt de eerste zin vervangen door:

"Onverminderd artikel 29, lid 2, kunnen ambtenaren slechts worden aangeworven in de rang SC 1 of SC 2, in de rangen AST 1 tot en met AST 4 of in de rangen AD 5 tot en met AD 8.".

 

18.

In artikel 32, derde alinea, worden de woorden "de instelling" vervangen door "het tot aanstelling bevoegde gezag van elke instelling".

 

19.

Artikel 34 wordt vervangen door:

"Artikel 34

  • 1. 
    Ambtenaren dienen een proeftijd van negen maanden te volbrengen, voordat zij in vaste dienst kunnen worden aangesteld. Het besluit om een ambtenaar aan te stellen wordt genomen op basis van de in lid 3 bedoelde beoordeling alsook op basis van elementen betreffende het gedrag van de ambtenaar op proef met betrekking tot titel II waarover het tot aanstelling bevoegde gezag beschikt.

Wanneer de ambtenaar tijdens zijn proeftijd wegens ziekte, moederschapsverlof als bedoeld in artikel 58 of ongeval gedurende een aaneengesloten periode van ten minste één maand verhinderd is zijn werkzaamheden te verrichten, kan het tot aanstelling bevoegde gezag de proeftijd met een overeenkomstige periode verlengen. De totale duur van de proeftijd kan in geen geval meer bedragen dan 15 maanden.

  • 2. 
    In geval van duidelijke ongeschiktheid van de ambtenaar op proef kan op elk moment voor afloop van de proeftijd een beoordeling worden opgesteld.

Deze beoordeling wordt ter kennis gebracht van de betrokkene, die binnen acht werkdagen schriftelijk zijn opmerkingen kenbaar kan maken. De beoordeling en de opmerkingen worden door de hiërarchieke meerdere van de ambtenaar op proef onmiddellijk aan het tot aanstelling bevoegde gezag voorgelegd, dat binnen drie weken het paritaire Beoordelingscomité raadpleegt omtrent het verdere verloop van de proeftijd. Het tot aanstelling bevoegde gezag kan besluiten de ambtenaar op proef vóór het einde van de proeftijd, met een opzeggingstermijn van één maand, te ontslaan, of de ambtenaar voor de rest van de proeftijd in een andere dienst te werk te stellen.

  • 3. 
    Uiterlijk één maand vóór het verstrijken van de proeftijd wordt ten aanzien van de ambtenaar op proef een beoordeling opgesteld betreffende zijn geschiktheid voor het vervullen van de hem uit hoofde van zijn functie opgedragen taken, alsmede betreffende zijn prestaties en zijn gedrag in de dienst. Deze beoordeling wordt ter kennis gebracht van de betrokkene, die binnen acht werkdagen schriftelijk zijn opmerkingen kenbaar kan maken.

Indien er op grond van deze beoordeling aanleiding bestaat om de ambtenaar op proef te ontslaan of om, bij wijze van uitzondering, de proeftijd overeenkomstig lid 1 te verlengen, worden de beoordeling en de opmerkingen door de hiërarchieke meerdere van de ambtenaar op proef onmiddellijk aan het tot aanstelling bevoegde gezag voorgelegd, dat binnen drie weken het paritaire Beoordelingscomité raadpleegt omtrent het verdere verloop van de proeftijd.

De ambtenaar op proef die zich qua werk of gedrag niet voldoende geschikt heeft getoond om in vaste dienst te worden aangesteld, wordt ontslagen.

  • 4. 
    Tenzij hij onverwijld beroepswerkzaamheden kan hervatten, geniet de ontslagen ambtenaar op proef een vergoeding ten bedrage van drie maanden basissalaris wanneer hij meer dan een jaar in dienst is geweest, twee maanden basissalaris wanneer hij ten minste zes maanden in dienst is geweest en één maand basissalaris wanneer hij minder dan zes maanden in dienst is geweest.
  • 5. 
    Het bepaalde in de leden 2 tot en met 4 is niet van toepassing op de ambtenaar die vóór het verstrijken van zijn proeftijd zelf ontslag neemt.".
 

20.

In artikel 35 wordt het volgende punt toegevoegd:

 

"g)

Verlof in het belang van de dienst".

 

21.

In artikel 37, punt b), worden bij het tweede streepje de woorden "de instellingen" vervangen door "de tot aanstelling bevoegde gezagsorganen van de instellingen".

 

22.

Artikel 40 wordt als volgt gewijzigd:

 

a)

het volgende lid wordt ingevoegd:

"1 bis.   Tijdens het verlof om redenen van persoonlijke aard blijft artikel 12 ter van toepassing. Aan een ambtenaar wordt geen toestemming krachtens artikel 12 ter toegekend voor de uitoefening van een al dan niet bezoldigde beroepsbezigheid die lobbyen of belangenbehartiging jegens zijn instelling inhoudt en zou kunnen leiden tot het bestaan of de mogelijkheid van een conflict met de legitieme belangen van de instelling.";

 

b)

in lid 2, tweede alinea, worden de woorden "15 jaar" vervangen door "12 jaar";

 

c)

lid 2, derde alinea, wordt als volgt gewijzigd:

 

i)

punt ii) wordt vervangen door:

 

"ii)

zijn echtgenoot, die eveneens ambtenaar of ander personeelslid van de Unie is, te kunnen volgen wanneer deze wegens zijn werkzaamheden op een zodanige afstand van de standplaats van de betrokkene moet gaan wonen dat het aldaar vestigen van de gemeenschappelijke echtelijke woonplaats de betrokkene moeilijkheden zou veroorzaken bij het verrichten van zijn werkzaamheden; of";

 

ii)

het volgende punt wordt toegevoegd:

 

"iii)

zijn echtgenoot, een bloedverwant in opgaande of in neergaande lijn, of een broer of zuster bij te staan in geval van een ernstige ziekte of een handicap, naar behoren gestaafd door een medisch attest,".

 

23.

Artikel 42 bis wordt vervangen door:

"Artikel 42 bis

Iedere ambtenaar heeft, voor elk van zijn kinderen, recht op onbezoldigd ouderschapsverlof van ten hoogste zes maanden, dat moet worden opgenomen binnen een periode van twaalf jaar na de geboorte of de adoptie van het kind. De duur van het ouderschapsverlof kan worden verdubbeld voor alleenstaande ouders die krachtens de door het tot aanstelling bevoegde gezag van elke instelling vastgestelde uitvoeringsbepalingen als zodanig zijn erkend en voor ouders van kinderen ten laste met een handicap of ernstige ziekte die door de raadgevend arts van de instellingen is erkend. Het verlof kan in verschillende perioden van ten minste één maand worden opgenomen.

Gedurende het ouderschapsverlof blijft de ambtenaar bij het socialezekerheidsstelsel aangesloten. Hij blijft pensioenrechten verwerven en behoudt het recht op de kindertoelage en de schooltoelage. Hij blijft in zijn ambt gehandhaafd en behoudt het recht om in een hogere salaristrap te worden geplaatst of naar een hogere rang te worden bevorderd. Het verlof kan worden opgenomen in de vorm van volledige werkonderbreking of in de vorm van werkzaamheid op basis van halve werktijd. In laatstgenoemd geval wordt de in de eerste alinea bedoelde maximumperiode verdubbeld. Tijdens het ouderschapsverlof heeft een ambtenaar recht op een toelage van 911,73 EUR per maand, of op de helft daarvan als op basis van halve werktijd wordt gewerkt; hij mag in die periode evenwel geen andere bezoldigde beroepsbezigheden verrichten. De bijdragen in de socialezekerheidsregelingen als bedoeld in de artikelen 72 en 73 komen volledig ten laste van de instelling en worden berekend over het basissalaris van de ambtenaar. In het geval van werkzaamheid op basis van halve werktijd worden de bijdragen berekend over het verschil tussen het volledige basissalaris en het proportioneel verminderde basissalaris. Voor de berekening van de bijdragen over het werkelijk uitbetaalde gedeelte van het basissalaris worden de percentages toegepast die voor volledige werktijd gelden.

Voor een alleenstaande ouder en ouders van een kind ten laste met een handicap of ernstige ziekte die door de raadgevend arts is erkend als bedoeld in de eerste alinea, en wanneer het ouderschapsverlof door de vader tijdens het moederschapsverlof, dan wel door de vader of de moeder onmiddellijk na het moederschapsverlof, of tijdens of onmiddellijk na het adoptieverlof wordt opgenomen, bedraagt de toelage gedurende de eerste drie maanden van het ouderschapsverlof 1 215,63 EUR per maand of 50 % van dat bedrag als op basis van halve werktijd wordt gewerkt.

Ouderschapsverlof kan met zes maanden worden verlengd, met een toelage die beperkt is tot 50 % van het in de tweede alinea vermelde bedrag. Voor een alleenstaande ouder als bedoeld in de eerste alinea kan ouderschapsverlof worden verlengd met twaalf maanden, met een toelage die beperkt is tot 50 % van het in de derde alinea vermelde bedrag.

Op de in dit artikel genoemde bedragen worden dezelfde coëfficiënten voor de actualisering toegepast als op de bezoldigingen.".

 

24.

In hoofdstuk 2 van titel III wordt de volgende afdeling ingevoegd:

"Afdeling 7

Verlof in het belang van de dienst

Artikel 42 quater

Een ambtenaar met ten minste tien dienstjaren kan ten vroegste vijf jaar voor het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd bij besluit van het tot aanstelling bevoegde gezag op verlof in het belang van de dienst worden geplaatst om organisatorische redenen die verband houden met de verwerving van nieuwe bekwaamheden binnen de instellingen.

Het totale aantal ambtenaren die op verlof in het belang van de dienst worden geplaatst, mag niet meer bedragen dan 5 % van de ambtenaren in alle instellingen die het voorafgaande jaar met pensioen zijn gegaan. Het aldus berekende totale aantal wordt aan de instellingen toegewezen overeenkomstig het aantal ambtenaren in elke instelling op 31 december van het voorgaande jaar. Het getal dat uit deze toewijzing voortvloeit, wordt voor elke instelling naar boven afgerond tot het volgende gehele getal.

Dergelijk verlof heeft niet het karakter van een tuchtrechtelijke maatregel.

De duur van het verlof komt in beginsel overeen met de periode tot het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd. In een buitengewone situatie kan het tot aanstelling bevoegde gezag evenwel besluiten het verlof te beëindigen en de ambtenaar te herplaatsen.

Wanneer de op verlof in het belang van de dienst geplaatste ambtenaar de pensioengerechtigde leeftijd bereikt, wordt hij automatisch op pensioen gesteld.

Verlof in het belang van de dienst is aan de volgende regels onderworpen:

 

a)

de ambtenaar kan in zijn ambt worden vervangen door een andere ambtenaar;

 

b)

gedurende het verlof in het belang van de dienst neemt de salarisanciënniteit van de ambtenaar niet toe en komt hij niet in aanmerking voor bevordering.

De aldus op verlof gestelde ambtenaar ontvangt een toelage die overeenkomstig bijlage IV wordt berekend.

Op verzoek van de ambtenaar wordt op de toelage een bijdrage in de pensioenregeling ingehouden, die op basis van die uitkering wordt berekend. In een dergelijk geval wordt de dienstperiode als ambtenaar met verlof in het belang van de dienst in aanmerking genomen voor de berekening van de pensioenjaren in de zin van artikel 2 van bijlage VIII.

Op de vergoeding wordt geen aanpassingscoëfficiënt toegepast.".

 

25.

Artikel 43 wordt vervangen door:

"Artikel 43

Op de door het tot aanstelling bevoegde gezag van elke instelling overeenkomstig artikel 110 vastgestelde wijze wordt van iedere ambtenaar een jaarlijks beoordelingsrapport opgesteld inzake diens bekwaamheid, prestaties en gedrag in de dienst. In dit rapport wordt vermeld of het prestatieniveau van de ambtenaar al dan niet bevredigend is geweest. Het tot aanstelling bevoegde gezag van elke instelling stelt bepalingen vast die voorzien in de mogelijkheid van beroep tijdens de rapportageprocedure; betrokkenen moeten van dit recht gebruik maken vóór dat zij een klacht als bedoeld in artikel 90, lid 2, indienen.

Vanaf de rang AST 5 kan het rapport tevens een advies omvatten waarin wordt aangegeven of de ambtenaar, gelet op de door hem geleverde prestaties, over de mogelijkheden beschikt om een functie van administrateur te vervullen.

Dit rapport wordt ter kennis van de ambtenaar gebracht. Deze heeft het recht hieraan alle opmerkingen toe te voegen die hij dienstig acht.".

 

26.

Artikel 44 wordt vervangen door:

"Artikel 44

De ambtenaar die een anciënniteit van twee dienstjaren in een salaristrap van zijn rang heeft, gaat automatisch over naar de volgende salaristrap van die rang, tenzij zijn prestatieniveau in het laatste, in artikel 43 bedoelde beoordelingsrapport als onbevredigend is beoordeeld. Na uiterlijk vier jaar gaat de ambtenaar over naar de volgende salaristrap, behoudens toepassing van de procedure van artikel 51, lid 1.

Wanneer een ambtenaar tot hoofd van een administratieve eenheid, tot directeur of tot directeur-generaal in dezelfde rang wordt benoemd, gaat hij, mits zijn prestatieniveau in de eerste negen maanden na zijn benoeming bevredigend was als bedoeld in artikel 43, op het ogenblik dat de benoeming ingaat met terugwerkende kracht over naar de volgende salaristrap van deze rang. Deze overgang leidt tot een verhoging van het maandelijkse basissalaris die overeenkomt met het stijgingspercentage tussen de eerste en de tweede salaristrap in de desbetreffende rang. Als het bedrag van de normale salarisverhoging lager ligt of als de ambtenaar de laatste salaristrap van zijn rang al heeft bereikt, wordt zijn basissalaris tot zijn eerstvolgende bevordering verhoogd met een bedrag gelijk aan het stijgingspercentage tussen de eerste en de tweede salaristrap.".

 

27.

Artikel 45 wordt als volgt gewijzigd:

 

a)

lid 1 wordt vervangen door:

"1.   Bevordering wordt bij besluit van het tot aanstelling bevoegde gezag toegekend overeenkomstig artikel 6, lid 2. Tenzij de in artikel 4 en artikel 29, lid 1, vastgestelde procedure wordt toegepast, kunnen ambtenaren alleen worden bevorderd indien zij een ambt bekleden dat overeenstemt met één van de standaardfuncties die in bijlage I, afdeling A, bij de eerstvolgende hogere rang is vermeld. Bevordering wordt geëffectueerd door benoeming van de betrokken ambtenaar in de eerstvolgende hogere rang van de functiegroep waartoe hij behoort. Bevordering geschiedt uitsluitend op basis van een selectie onder de ambtenaren die een diensttijd van ten minste twee jaar in hun rang hebben volbracht, na een vergelijkende beoordeling van de verdiensten van de ambtenaren die voor bevordering in aanmerking komen. Bij de vergelijkende beoordeling van de verdiensten houdt het tot aanstelling bevoegde gezag in het bijzonder rekening met de beoordelingsrapporten van de ambtenaren, met het gebruik, in de uitoefening van hun ambt, van andere talen dan de taal waarvoor zij overeenkomstig artikel 28, onder f), van een grondige kennis blijk hebben gegeven, en met de door hen gedragen verantwoordelijkheden.";

 

b)

in lid 2 worden in de eerste zin de woorden "artikel 55 van het Verdrag betreffende de Europese Unie" vervangen door "artikel 55, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie";

 

c)

in lid 2 worden in de tweede zin de woorden "De instellingen" vervangen door "De tot aanstelling bevoegde gezagsorganen van de instellingen".

 

28.

Artikel 45 bis wordt als volgt gewijzigd:

 

a)

in lid 2, eerste alinea, worden de woorden "periodieke beoordelingsrapporten" vervangen door "jaarlijkse beoordelingsrapporten";

 

b)

in lid 5 worden de woorden "De instellingen stellen" vervangen door "Het tot aanstelling bevoegde gezag van elke instelling stelt".

 

29.

In artikel 48, derde alinea, worden de woorden "de functiegroep AST" vervangen door "van de functiegroepen AST en AST/SC".

 

30.

In artikel 50, achtste alinea, worden de woorden "55 jaar" vervangen door "58 jaar".

 

31.

Artikel 51 wordt vervangen door:

"Artikel 51

  • 1. 
    Het tot aanstelling bevoegde gezag van elke instelling stelt procedures vast die het mogelijk moeten maken gevallen van onvoldoende geschiktheid voor het ambt te onderkennen, te behandelen en tijdig op passende wijze te verhelpen.

Bij de vaststelling van interne bepalingen neemt het tot aanstelling bevoegde gezag van elke instelling de volgende vereisten in acht:

 

a)

een ambtenaar die, op basis van drie opeenvolgende onbevredigende jaarlijkse rapporten als bedoeld in artikel 43, geen blijk geeft van vooruitgang in zijn geschiktheid voor het ambt, wordt met één rang teruggezet. Indien uit de daaropvolgende twee jaarlijkse rapporten nog steeds een onbevredigend prestatieniveau blijkt, wordt de ambtenaar ontslagen;

 

b)

elk voorstel tot terugzetting in rang of ontslag moet met redenen zijn omkleed en moet ter kennis van de betrokken ambtenaar worden gebracht. Het voorstel van het tot aanstelling bevoegde gezag wordt voorgelegd aan de in artikel 9, lid 6, bedoelde paritaire raadgevende commissie.

  • 2. 
    De ambtenaar heeft het recht zijn volledige persoonsdossier in te zien en kopieën te maken van alle documenten die de procedure betreffen. Hij heeft ten minste 15, en ten hoogste 30 dagen, na ontvangst van het voorstel om zijn verdediging voor te bereiden. Hij kan zich daarbij laten bijstaan door een persoon van zijn keuze. De ambtenaar kan zijn opmerkingen schriftelijk kenbaar maken. Hij wordt gehoord door de paritaire raadgevende commissie. De ambtenaar kan ook getuigen oproepen.
  • 3. 
    De instelling wordt voor de paritaire raadgevende commissie vertegenwoordigd door een daartoe door het tot aanstelling bevoegde gezag aangewezen ambtenaar. Die ambtenaar heeft dezelfde rechten als de betrokken ambtenaar.
  • 4. 
    De paritaire raadgevende commissie brengt, na bestudering van het voorstel op grond van lid 1, onder b), en in voorkomend geval van de schriftelijke of mondelinge verklaringen van de betrokken ambtenaar of van getuigen, bij meerderheid van stemmen een met redenen omkleed advies uit omtrent de maatregel die zij in het licht van de haar voorgelegde feiten aangewezen acht. Dat advies wordt binnen een termijn van twee maanden, te rekenen vanaf de dag waarop het voorstel aan het paritair adviesorgaan is voorgelegd, naar het tot aanstelling bevoegde gezag en naar de betrokken ambtenaar gezonden. De voorzitter van de paritaire raadgevende commissie neemt niet aan de stemming deel, tenzij het een procedurekwestie betreft of wanneer de stemmen staken.
  • 5. 
    De ambtenaar die wegens onvoldoende geschiktheid voor het ambt wordt ontslagen, heeft gedurende de in lid 6 bedoelde periode recht op een maandelijkse ontslagvergoeding gelijk aan het maandelijkse basissalaris van een ambtenaar in de eerste salaristrap van rang AST 1. Tijdens deze periode heeft hij tevens recht op de in artikel 67 bedoelde gezinstoelagen. De kostwinnerstoelage wordt berekend op basis van het maandelijkse basissalaris van een ambtenaar in rang AST 1, overeenkomstig het bepaalde in artikel 1 van bijlage VII.

Als de ambtenaar ontslag neemt nadat de in de leden 1 en 2 bedoelde procedure is ingeleid, of als hij reeds aanspraak maakt op de onmiddellijke betaling van een volledig pensioen, wordt geen vergoeding uitgekeerd. Indien hij recht heeft op een nationale werkloosheidsuitkering, wordt het bedrag daarvan op bovengenoemde vergoeding in mindering gebracht.

  • 6. 
    De periode tijdens welke de in lid 5 bedoelde vergoeding wordt uitgekeerd, bedraagt:
 

a)

drie maanden voor een ambtenaar die op het ogenblik dat het besluit tot ontslag is genomen, minder dan vijf dienstjaren heeft volbracht;

 

b)

zes maanden voor een ambtenaar die ten minste vijf, maar minder dan 10 dienstjaren heeft volbracht;

 

c)

negen maanden voor een ambtenaar die ten minste tien, maar minder dan twintig dienstjaren heeft volbracht;

 

d)

twaalf maanden voor een ambtenaar die meer dan twintig dienstjaren heeft volbracht.

  • 7. 
    Een ambtenaar die wegens ongeschiktheid voor het ambt is teruggezet in rang, kan na een termijn van zes jaar verzoeken dat iedere verwijzing naar deze maatregel uit zijn persoonsdossier wordt verwijderd.
  • 8. 
    Wanneer de in dit artikel bedoelde procedure niet tot ontslag of tot terugzetting in rang van de ambtenaar leidt, heeft de ambtenaar recht op vergoeding van de kosten die hij naar aanleiding van de procedure redelijkerwijs heeft gemaakt, en met name van de honoraria van een verdediger die niet tot de instelling behoort.".
 

32.

Artikel 52 wordt vervangen door:

"Artikel 52

Onverminderd het in artikel 50 bepaalde wordt de ambtenaar gepensioneerd:

 

a)

hetzij ambtshalve op de laatste dag van de maand waarin hij de 66-jarige leeftijd bereikt;

 

b)

hetzij op zijn verzoek op de laatste dag van de in dit verzoek genoemde maand, wanneer hij de pensioengerechtigde heeft bereikt of wanneer hij tussen de 58 jaar oud en de pensioengerechtigde leeftijd is en voldoet aan de voorwaarden voor toekenning van een onmiddellijk ingaand pensioen overeenkomstig artikel 9 van bijlage VIII. Artikel 48, tweede alinea, tweede zin, is van overeenkomstige toepassing.

De ambtenaar kan echter op eigen verzoek en op voorwaarde dat het tot aanstelling bevoegde gezag van oordeel is dat het verzoek in het belang van de dienst is, doorwerken tot de leeftijd van 67 jaar, of in uitzonderlijk geval tot de leeftijd van 70 jaar, in welk geval hij automatisch op de laatste dag van de maand waarin hij die leeftijd bereikt, op pensioen zal worden gesteld.

Indien het tot aanstelling bevoegde gezag besluit de ambtenaar toe te staan om door te werken na de leeftijd van 66 jaar, wordt die toestemming gegeven voor een periode van ten hoogste één jaar. Het kan op verzoek van de ambtenaar worden verlengd.".

 

33.

Artikel 55 wordt als volgt gewijzigd:

 

a)

de alinea's worden genummerd;

 

b)

in lid 2 wordt de eerste zin vervangen door:

"De normale arbeidsduur bedraagt 40 tot 42 uur per week, overeenkomstig een door het tot aanstelling bevoegde gezag vastgesteld rooster.";

 

c)

in lid 3 wordt de tweede zin vervangen door:

"Het tot aanstelling bevoegde gezag van elke instelling legt na raadpleging van het personeelscomité nadere regels vast voor de toepassing van dit lid.";

 

d)

het volgende lid wordt toegevoegd:

"4.   Het tot aanstelling bevoegde gezag van elke instelling kan flexibele werktijdregelingen invoeren. De ambtenaren in rang AD/AST 9 en hoger kunnen in het kader van deze regelingen geen compensatie krijgen voor volledige werkdagen. Deze regelingen zijn niet van toepassing op ambtenaren op wie de bepalingen van artikel 44, lid 2, van toepassing zijn. Deze ambtenaren beheren hun werktijd in overleg met hun meerderen.".

 

34.

Artikel 55 bis, lid 2, wordt vervangen door:

"2.   De ambtenaar heeft recht op toestemming in de volgende gevallen:

 

a)

om te zorgen voor een ten laste komend kind jonger dan 9 jaar,

 

b)

om te zorgen voor een kind tussen 9 en 12 jaar, indien de vermindering van de arbeidsduur niet meer dan 20 % van de normale arbeidsduur bedraagt,

 

c)

om te zorgen voor een ten laste komend kind tot het de leeftijd van 14 jaar bereikt ingeval de ambtenaar een alleenstaande ouder is,

 

d)

in het geval van ernstige moeilijkheden, om te zorgen voor een ten laste komend kind tot het de leeftijd van 14 jaar bereikt, indien de vermindering van de arbeidsduur niet meer dan 5 % van de normale arbeidsduur bedraagt. In dit geval zijn de eerste twee leden van artikel 3 van bijlage IV bis niet van toepassing. Indien beide ouders in dienst van de Unie zijn, heeft slechts één van hen beide recht op deze vermindering van de arbeidsduur,

 

e)

om te zorgen voor een ernstig zieke of gehandicapte echtgenoot, bloedverwant in opgaande of in neergaande lijn, of broer of zuster,

 

f)

om een aanvullende opleiding te volgen, of

 

g)

vanaf een leeftijd van 58 jaar gedurende de laatste drie jaar vóór het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd.

Indien een verzoek om deeltijd te mogen werken wordt ingediend om een aanvullende opleiding te volgen, of gedurende de laatste drie jaar vóór het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, doch niet vóór de leeftijd van 58 jaar, kan de tot aanstelling bevoegde autoriteit alleen in uitzonderlijke omstandigheden en omwille van redenen van zwaarwegend dienstbelang het verzoek weigeren of de datum waarop de deeltijd ingaat, uitstellen.

Wanneer van deze mogelijkheid gebruik wordt gemaakt om voor een ernstig zieke echtgenoot, bloedverwant in opgaande of in neergaande lijn, of broer of zuster te zorgen, of om een aanvullende opleiding te volgen, mogen de perioden van deeltijdse arbeid over de gehele loopbaan van de ambtenaar in totaal niet meer dan vijf jaar bedragen.".

 

35.

In artikel 56 wordt de derde alinea vervangen door:

"De door ambtenaren in de rangen SC 1 tot en met SC 6 en de rangen AST 1 tot en met AST 4 verrichte overuren geven, overeenkomstig de bepalingen van bijlage VI, recht op compensatie in vrije tijd of, indien het belang van de dienst niet toestaat compensatie in vrije tijd te verlenen in de twee maanden volgende op die waarin de overuren werden verricht, op beloning.".

 

36.

In artikel 56 bis wordt de tweede alinea vervangen door:

"Na raadpleging van het comité voor het statuut stelt de Commissie door middel van gedelegeerde handelingen overeenkomstig de artikelen 111 en 112 de categorieën van begunstigden, de voorwaarden voor toekenning en de hoogte van deze toeslagen vast.".

 

37.

In artikel 56 ter wordt de tweede alinea vervangen door:

"Na raadpleging van het comité voor het statuut stelt de Commissie door middel van gedelegeerde handelingen overeenkomstig de artikelen 111 en 112 de categorieën van begunstigden, de voorwaarden voor toekenning en de hoogte van deze toeslagen vast.".

 

38.

In artikel 56 quater wordt de tweede alinea vervangen door:

"Na raadpleging van het comité voor het statuut stelt de Commissie door middel van gedelegeerde handelingen overeenkomstig de artikelen 111 en 112 de categorieën van begunstigden, de voorwaarden voor toekenning en de hoogte van de bijzondere toeslagen vast.".

 

39.

In artikel 57, eerste alinea, worden de woorden "de instellingen" vervangen door "de tot aanstelling bevoegde gezagsorganen van de instellingen".

 

40.

Artikel 58 wordt vervangen door:

"Artikel 58

Zwangere vrouwen hebben in aanvulling op het verlof als voorzien in artikel 57, na overlegging van een medisch attest, recht op een verlof van 20 weken. Dat verlof gaat ten vroegste in zes weken vóór de in het attest aangegeven vermoedelijke datum van de bevalling, en eindigt ten vroegste 14 weken na de datum van de bevalling. In geval van geboorte van een meerling, voortijdige bevalling of geboorte van een kind met een handicap of ernstige ziekte, wordt een verlof van 24 weken toegekend. In de zin van dit artikel wordt onder voortijdige bevalling een bevalling verstaan die vóór het einde van de 34ste week van de zwangerschap plaatsvindt.".

 

41.

Artikel 61 worden vervangen door:

"Artikel 61

Lijsten van feestdagen worden tussen de tot aanstelling bevoegde gezagsorganen van de instellingen van de Unie opgesteld na raadpleging van het comité voor het statuut";

 

42.

Artikel 63 wordt vervangen door:

"Artikel 63

De bezoldiging van de ambtenaar wordt uitgedrukt in euro. Zij wordt uitbetaald in de valuta van het land waar de ambtenaar zijn functie uitoefent of in euro.

De bezoldiging, uitbetaald in een andere valuta dan de euro, wordt berekend op basis van de wisselkoersen die gebruikt worden voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie op 1 juli van dat jaar.

De wisselkoersen worden jaarlijks met terugwerkende kracht geactualiseerd bij de jaarlijkse actualisering van het bezoldigingspeil waarin artikel 65 voorziet.".

 

43.

Artikel 64 wordt vervangen door:

"Artikel 64

Op de bezoldiging van de ambtenaar, uitgedrukt in euro, wordt, na aftrek van de verplichte inhoudingen genoemd in dit statuut of in de ter toepassing daarvan vastgestelde verordeningen, een aanpassingscoëfficiënt van meer dan, minder dan of gelijk aan 100 % toegepast, naar gelang van de levensomstandigheden in de verschillende plaatsen van tewerkstelling.

De aanpassingscoëfficiënten worden vastgesteld of ingetrokken, alsook jaarlijks overeenkomstig bijlage XI geactualiseerd. Wat de actualisering betreft, wordt onder alle waarden referentiewaarden verstaan. De Commissie maakt de geactualiseerde waarden binnen twee weken na de actualisering ter informatie in de C-serie van het Publicatieblad van de Europese Unie bekend.

Geen correctiecoëfficiënt zal worden toegepast in België en in Luxemburg, gezien hun speciale referentiepositie als hoofdvestigingsplaats en oorspronkelijke vestigingsplaats van de meeste instellingen.".

 

44.

Artikel 65 wordt vervangen door:

"Artikel 65

  • 1. 
    Het bezoldigingspeil van de ambtenaren en de andere personeelsleden van de Europese Unie wordt jaarlijks geactualiseerd, rekening houdend met het economisch en sociaal beleid van de Unie. Er wordt in het bijzonder rekening gehouden met eventuele verhogingen van het bezoldigingspeil van de ambtenaren in de lidstaten en met de behoeften wat betreft aanwerving. De actualisering van het bezoldigingspeil wordt ten uitvoer gelegd overeenkomstig bijlage XI. Deze actualisering vindt vóór het einde van elk jaar plaats in het licht van een verslag van de Commissie, op basis van statististische gegevens die door het Bureau voor de statistiek van de Europese Unie zijn vastgesteld met instemming van de nationale diensten voor de statistiek van de lidstaten; de statistische gegevens weerspiegelen de stand per 1 juli in elk van de lidstaten. Dit verslag bevat gegevens met betrekking tot de begrotingsgevolgen voor de bezoldiging en pensioenen van de ambtenaren van de Unie. Het wordt aan het Europees Parlement en de Raad voorgelegd.

De bedragen in artikel 42 bis, tweede en derde alinea, de artikelen 66 en 69, artikel 1, lid 1, artikel 2, lid 1, artikel 3, leden 1 en 2, artikel 4, lid 1, artikel 7, lid 2, artikel 8, lid 2, artikel 10, lid 1, van bijlage VII en artikel 8, lid 2, van bijlage XIII, de bedragen in het oude artikel 4 bis van bijlage VII die overeenkomstig artikel 18, lid 1, van bijlage XIII, moeten worden geactualiseerd, de bedragen in artikel 24, lid 3, artikel 28 bis, lid 3, tweede alinea, artikel 28 bis, lid 7, de artikelen 93 en 94, artikel 96, lid 3, tweede alinea, en artikel 96, lid 7, de artikelen 133, 134 en 136 van de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden, de bedragen in artikel 1, lid 1, eerste alinea, van Verordening (EGKS, EEG, Euratom) nr. 300/76 van de Raad (6), en de coëfficiënt voor de bedragen in artikel 4 van Verordening (EEG, Euratom, EGKS) nr. 260/68 van de Raad (7) worden jaarlijks overeenkomstig bijlage XI geactualiseerd. De Commissie maakt de geactualiseerde bedragen binnen twee weken na de actualisering, ter informatie in de C-serie van het Publicatieblad van de Europese Unie bekend.

  • 2. 
    Bij aanzienlijke wijziging van de kosten van levensonderhoud worden de in lid 1 bedoelde bedragen en de in artikel 64 bedoelde aanpassingscoëfficiënten overeenkomstig bijlage XI geactualiseerd. De Commissie maakt de geactualiseerde bedragen en de aanpassingscoëfficiënten binnen twee weken na de actualisering ter informatie in de C-serie van het Publicatieblad van de Europese Unie bekend.
  • 3. 
    Onder de in de leden 1 en 2 bedoelde bedragen en aanpassingscoëfficiënten als bedoeld in artikel 64 worden verstaan bedragen waarvan de actuele waarde op enig moment kan worden geactualiseerd zonder tussenkomst van een andere rechtshandeling.
  • 4. 
    Onverminderd artikel 3, leden 5 en 6, van bijlage XI, vindt in de jaren 2013 en 2014 geen actualisering zoals bedoeld in de leden 1 en 2 plaats.
 

45.

Artikel 66 wordt als volgt gewijzigd:

 

a)

de inleidende zin van de eerste alinea wordt vervangen door:

"Voor elke rang en salaristrap in de functiegroepen AD en AST wordt het maandelijkse basissalaris overeenkomstig onderstaande tabel vastgesteld:";

 

b)

het volgende lid wordt toegevoegd:

"Voor elke rang en salaristrap in de functiegroep AST/SC wordt het maandelijkse basissalaris overeenkomstig onderstaande tabel vastgesteld:

 
 

Salaristrap

Rang

1

2

3

4

5

SC 6

4 349,59

4 532,36

4 722,82

4 854,21

4 921,28

SC 5

3 844,31

4 005,85

4 174,78

4 290,31

4 349,59

SC 4

3 397,73

3 540,50

3 689,28

3 791,92

3 844,31

SC 3

3 003,02

3 129,21

3 260,71

3 351,42

3 397,73

SC 2

2 654,17

2 765,70

2 881,92

2 962,10

3 003,02

SC 1

2 345,84

2 444,41

2 547,14

2 617,99

2 654,17".

 

46.

Artikel 66 bis wordt als volgt gewijzigd:

"Artikel 66 bis

  • 1. 
    Teneinde rekening te houden met de toepassing van de methode voor de actualisering van de bezoldigingen en de pensioenen van de ambtenaren, wordt er, onverminderd het bepaalde in artikel 65, lid 3, tijdelijk en voor een periode die aanvangt op 1 januari 2014 en afloopt op 31 december 2023, een maatregel ingevoerd, "solidariteitsheffing" genoemd, die, in afwijking van artikel 3, lid 1, van Verordening (EEG, Euratom, EGKS) nr. 260/68, van toepassing is op de door de Unie aan de ambtenaren in actieve dienst betaalde bezoldigingen.
  • 2. 
    Deze solidariteitsheffing, die van toepassing is op de in lid 3 bedoelde heffingsgrondslag, bedraagt 6 %. Voor ambtenaren in rang AD 15, tweede salaristrap, en hoger, geldt evenwel een solidariteitsheffing van 7 %.
 

3.

a)

De heffingsgrondslag voor de solidariteitsheffing is het basissalaris waarvan wordt uitgegaan voor de berekening van de bezoldiging, verminderd met:

 

i)

de bijdrage voor het stelsel van sociale zekerheid en de pensioenbijdrage alsmede de belasting welke, vóór enige aftrek uit hoofde van de solidariteitsheffing, verschuldigd zou zijn door een ambtenaar van dezelfde rang en dezelfde salaristrap die geen personen ten laste heeft in de zin van artikel 2 van bijlage VII, en

 

ii)

een bedrag dat gelijk is aan het basissalaris van een ambtenaar van rang AST 1, eerste salaristrap.

b)

De elementen op grond waarvan de heffingsgrondslag voor de solidariteitsheffing wordt vastgesteld, worden uitgedrukt in euro met toepassing van een wegingscoëfficiënt van 100.

  • 4. 
    De solidariteitsheffing wordt iedere maand ingehouden; de opbrengst ervan wordt als ontvangst in de algemene begroting van de Europese Unie opgevoerd.".
 

47.

Artikel 67,lid 3, wordt vervangen door:

"3.   De kindertoelage kan bij een bijzonder met redenen omkleed besluit van het tot aanstelling bevoegde gezag worden verdubbeld op grond van medische bewijsstukken waaruit blijkt dat het desbetreffende kind een handicap of een langdurige ziekte heeft die voor de ambtenaar een zware financiële last is.".

 

48.

Artikel 72 wordt als volgt gewijzigd:

 

a)

in lid 1, eerste alinea, eerste zin, en in lid 1, derde alinea, worden de woorden "de instellingen" vervangen door "de tot aanstelling bevoegde gezagsorganen van de instellingen";

 

b)

in lid 2 worden de woorden "tot de leeftijd van 63 jaar" vervangen door "tot de pensioengerechtigde leeftijd";

 

c)

in lid 2 bis, onder i) en ii), worden de woorden "tot de leeftijd van 63 jaar" vervangen door "tot de pensioengerechtigde leeftijd";

 

d)

in lid 2 ter worden de woorden "rang 1" vervangen door "rang AST 1".

 

49.

In artikel 73, lid 1, worden de woorden "de instellingen" vervangen door "de als tot aanstelling bevoegde gezag optredende instanties van de instellingen".

 

50.

In artikel 76 bis worden in de tweede zin de woorden "de instellingen" vervangen door "de tot aanstelling bevoegde gezagsorganen van de instellingen".

 

51.

Artikel 77 wordt vervangen door:

"Artikel 77

De ambtenaar die ten minste tien dienstjaren heeft vervuld, heeft recht op ouderdomspensioen. Ongeacht zijn diensttijd heeft hij echter recht op dit pensioen wanneer hij ouder is dan de pensioengerechtigde leeftijd, indien hij tijdens een periode waarin hij ter beschikking stond niet kon worden herplaatst, dan wel bij pensionering om redenen van dienstbelang.

Het maximale ouderdomspensioen bedraagt 70 % van het laatste basissalaris, dat behoort bij de laatste rang waarin de ambtenaar ten minste een jaar ingedeeld is geweest. Voor elk dienstjaar, berekend overeenkomstig artikel 3 van bijlage VIII, wordt aan de ambtenaar 1,80 % van dit laatste basissalaris uitgekeerd.

Voor ambtenaren die werkzaam zijn geweest bij een persoon die een mandaat vervult dat is bedoeld in het Verdrag betreffende de Europese Unie of het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, of bij een gekozen voorzitter van een instelling of van een orgaan van de Unie, of bij de gekozen leider van een politieke fractie van het Europees Parlement, worden de pensioenrechten betreffende de pensioenjaren die in de uitoefening van een der hiervoor genoemde functies zijn verworven, berekend over het laatste in die functie ontvangen basissalaris, als dit basissalaris hoger is dan het basissalaris dat overeenkomstig de tweede alinea van dit artikel in aanmerking wordt genomen.

Het ouderdomspensioen per dienstjaar kan niet minder dan 4 % van het minimum voor levensonderhoud bedragen.

De pensioengerechtigde leeftijd is 66 jaar.

De pensioengerechtigde leeftijd wordt elke vijf jaar, en voor het eerst op 1 januari 2014, opnieuw beoordeeld op basis van het verslag van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad. Het verslag bevat in het bijzonder gegevens met betrekking tot de ontwikkeling van de pensioengerechtigde leeftijd van de ambtenaren van de lidstaten en de ontwikkeling van de levensverwachting van de ambtenaren van de instellingen.

In voorkomend geval presenteert de Commissie een voorstel tot wijziging van de pensioengerechtigde leeftijd overeenkomstig de conclusies in dit verslag, waarbij zij in het bijzonder rekening houdt met de ontwikkelingen in de lidstaten.".

 

52.

Artikel 78 wordt vervangen door:

"Artikel 78

Overeenkomstig de artikelen 13 tot en met 16 van bijlage VIII heeft de ambtenaar recht op een invaliditeitsuitkering wanneer hij blijvend invalide wordt, en deze invaliditeit als volledig wordt beschouwd, waardoor het hem niet mogelijk is werkzaamheden te verrichten die met een ambt van zijn functiegroep overeenkomen.

Artikel 52 is van overeenkomstige toepassing op degenen die een invaliditeitsuitkering ontvangen. Indien de ontvanger van een invaliditeitsuitkering met pensioen gaat voordat hij de leeftijd van 66 jaar heeft bereikt en zonder de maximale pensioenrechten te hebben opgebouwd, zijn de algemene regels betreffende ouderdomspensioen van toepassing. Het bedrag van het pensioen wordt berekend op basis van het basissalaris dat behoort bij de rang en de salaristrap waarin de betrokken ambtenaar was ingedeeld op het ogenblik dat hij invalide werd verklaard.

De invaliditeitsuitkering bedraagt 70 % van het laatste basissalaris van de ambtenaar. Zij mag evenwel niet minder bedragen dan het minimum voor levensonderhoud.

De invaliditeitsuitkering wordt betaald uit pensioenbijdragen die op basis van die uitkering worden berekend.

Indien de invaliditeit het gevolg is van een ongeval tijdens of in verband met de dienst, van een beroepsziekte of van een daad van zelfopoffering in het algemeen belang of ten gevolge van het feit dat hij zijn leven heeft gewaagd om een mensenleven te redden, mag de invaliditeitsuitkering niet minder bedragen dan 120 % van het minimum voor levensonderhoud. In dat geval komt daarnaast de gehele bijdrage in de pensioenregeling ten laste van de begroting van instelling of het orgaan als bedoeld in artikel 1 ter.".

 

53.

De zesde alinea van artikel 80 wordt vervangen door:

"De rechten, bedoeld in de eerste, tweede en derde alinea, zijn van toepassing in geval van overlijden van een gewezen ambtenaar die recht heeft op een vergoeding uit hoofde van artikel 50 van het statuut, artikel 5 van Verordening (EEG, Euratom, EGKS) nr. 259/68 van de Raad (8), artikel 3 van Verordening (Euratom, EGKS, EEG) nr. 2530/72 van de Raad (9) of artikel 3 van Verordening (EGKS, EEG, Euratom) nr. 1543/73 van de Raad (10) , alsmede in geval van overlijden van een gewezen ambtenaar die zijn dienst vóór het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd heeft beëindigd en verzocht heeft in het genot te worden gesteld van een tot de eerste dag van de kalendermaand volgende op die waarin hij de pensioengerechtigde leeftijd zou hebben bereikt, uitgesteld ouderdomspensioen.

 

54.

Artikel 81 bis, lid 1, wordt als volgt gewijzigd:

 

a)

in punt b) wordt het getal "65" vervangen door "66";

 

b)

punt d) wordt vervangen door:

 

"d)

in geval van overlijden van een gewezen ambtenaar die zijn dienst vóór het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd heeft beëindigd en verzocht heeft in het genot te worden gesteld van een tot de eerste dag van de kalendermaand, volgende op die waarin hij de pensioengerechtigde leeftijd zou hebben bereikt, uitgesteld ouderdomspensioen, het bedrag van het ouderdomspensioen waarop de betrokkene wanneer hij in leven was gebleven op de pensioengerechtigde leeftijd recht zou hebben gehad, vermeerderd en verminderd overeenkomstig het bepaalde onder b)";

 

c)

in punt e) worden de woorden "vergoeding zoals bedoeld in artikel 41 of 50" vervangen door "vergoeding zoals bedoeld in artikel 41, 42 quater of 50".

 

55.

In artikel 82 wordt lid 2 vervangen door:

"2.   Wanneer de bezoldigingen overeenkomstig artikel 65, lid 1, worden geactualiseerd, geldt deze actualisering ook voor de pensioenen.".

 

56.

In artikel 83, lid 1, wordt de tweede alinea geschrapt.

 

57.

Artikel 83 bis, leden 2, 3, 4 en 5, worden vervangen door:

"2.   De in artikel 1 bis bedoelde organen die geen subsidies uit de algemene begroting van de Europese Unie ontvangen, maken het totaalbedrag van de voor de financiering van de pensioenregeling noodzakelijke bijdragen aan die begroting over. De agentschappen die gedeeltelijk uit die begroting worden gefinancierd, betalen vanaf 1 januari 2016 het deel van de werkgeversbijdragen dat overeenstemt met de verhouding tussen de ontvangsten van het agentschap zonder de subsidie uit de algemene begroting van de Europese Unie en zijn totale ontvangsten.

  • 3. 
    Het evenwicht van de pensioenregeling wordt gewaarborgd door de pensioengerechtigde leeftijd en de bijdrage in de pensioenregeling. Op het moment van de vijfjaarlijkse actuariële evaluatie zoals bedoeld in bijlage XII wordt de bijdrage in de pensioenregeling geactualiseerd teneinde het evenwicht van de pensioenregeling te waarborgen.
  • 4. 
    De Commissie dient ieder jaar, overeenkomstig artikel 1, lid 2, van bijlage XII, een bijgewerkte versie van de in lid 3 bedoelde actuariële raming in. Wanneer daaruit blijkt dat het geldende bijdragepercentage met 0,25 procentpunt of meer afwijkt van het bijdragepercentage dat nodig is om het actuariële evenwicht te garanderen, wordt het bijdragepercentage overeenkomstig het bepaalde in bijlage XII aangepast.
  • 5. 
    Voor de toepassing van de leden 3 en 4 van dit artikel wordt het in artikel 83, lid 2, bedoelde referentiecijfer geactualiseerd. De Commissie maakt de aldus tot stand gekomen geactualiseerde bijdrage binnen twee weken na de actualisering ter informatie in de C-serie van het Publicatieblad van de Europese Unie bekend.".
 

58.

Titel VIII wordt geschrapt.

 

59.

Artikel 110 wordt vervangen door:

"Artikel 110

  • 1. 
    De algemene bepalingen ter uitvoering van dit statuut worden door het tot aanstelling bevoegde gezag van elke instelling vastgesteld na raadpleging van het personeelscomité en het comité voor het statuut.
  • 2. 
    De door de Commissie vastgestelde bepalingen ter uitvoering van dit statuut, waaronder de in lid 1 bedoelde algemene uitvoeringsbepalingen, zijn van overeenkomstige toepassing op de agentschappen. De Commissie brengt te dien einde alle uitvoeringsbepalingen onmiddellijk na de vaststelling ervan ter kennis van de agentschappen.

De uitvoeringsbepalingen treden bij de agentschappen in werking negen maanden na hun inwerkingtreding bij de Commissie of negen maanden na de datum waarop de Commissie de vaststelling van de betreffende uitvoeringsbepaling ter kennis van de agentschappen heeft gebracht, naargelang welke datum de laatste is. Onverminderd het voorgaande kan een agentschap besluiten dat deze uitvoeringsbepalingen op een vroegere datum in werking zullen treden.

In afwijking van het voorgaande kan een agentschap vóór het verstrijken van de termijn van negen maanden als bedoeld in de tweede alinea van dit lid en na raadpleging van zijn personeelscomité, uitvoeringsbepalingen die verschillen van die welke door de Commissie zijn vastgesteld, ter goedkeuring bij de Commissie indienen. Onder dezelfde voorwaarden kan een agentschap verzoeken dat de Commissie ermee instemt dat sommige van deze uitvoeringsbepalingen niet worden toegepast. In dat laatste geval kan de Commissie in plaats van het verzoek te aanvaarden of af te wijzen, van het agentschap verlangen dat het uitvoeringsvoorschriften die verschillen van die welke door de Commissie zijn vastgesteld, bij haar ter goedkeuring indient.

De termijn van negen maanden als bedoeld in de tweede alinea van dit lid wordt opgeschort vanaf de datum waarop het agentschap om de toestemming van de Commissie heeft verzocht, tot de datum waarop de Commissie haar standpunt heeft meegedeeld.

Een agentschap kan ook, na raadpleging van zijn personeelscomité, uitvoeringsbepalingen ter goedkeuring bij de Commissie indienen die andere onderwerpen betreffen dan de uitvoeringsbepalingen die door de Commissie zijn vastgesteld.

Voor de vaststelling van de uitvoeringsbepalingen worden de agentschappen vertegenwoordigd door de raad van bestuur of door een gelijkwaardig orgaan dat in het besluit van de Unie waarbij zij zijn opgericht, is aangewezen.

  • 3. 
    Voor het aannemen van de in onderling overleg door de instellingen vast te stellen regelingen, worden de agentschappen niet met de instellingen gelijkgesteld. Niettemin moet de Commissie de agentschappen raadplegen alvorens dergelijke regelingen worden aangenomen.
  • 4. 
    De bepalingen ter uitvoering van dit statuut, waaronder de in lid 1 bedoelde algemene uitvoeringsbepalingen, en de regelingen die in onderling overleg tussen het tot aanstelling bevoegde gezag van de instellingen zijn vastgesteld, worden ter kennis van het personeel gebracht.
  • 5. 
    De diensten van de instellingen en de agentschappen plegen regelmatig overleg met elkaar over de toepassing van dit statuut. Bij dit overleg zijn de agentschappen gezamenlijk vertegenwoordigd volgens de regels die zij daartoe in onderling overleg vaststellen.
  • 6. 
    Het Hof van Justitie van de Europese Unie beheert een register van de bepalingen die door het tot aanstelling bevoegde gezag van elke instelling ter uitvoering van dit statuut worden vastgesteld, en van de bepalingen die de agentschappen volgens de in lid 2 beschreven procedure hebben vastgesteld in afwijking van de voorschriften die door de Commissie zijn vastgesteld, met inbegrip van wijzigingen daarvan. De instellingen en agentschappen hebben rechtstreeks toegang tot dit register en hebben het recht in hun eigen bepalingen wijzigingen aan te brengen. De lidstaten hebben er rechtstreeks toegang toe. Bovendien brengt de Commissie om de drie jaar bij het Europees Parlement en de Raad verslag uit over de bepalingen die door elk tot aanstelling bevoegde gezag ter uitvoering van dit statuut zijn vastgesteld.".
 

60.

De volgende artikelen worden toegevoegd:

"Artikel 111

De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 112 gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende bepaalde aspecten van de arbeidsvoorwaarden, bepaalde aspecten van de uitvoering van de bepalingen inzake bezoldigingen en de socialezekerheidsregelingen.

Artikel 112

  • 1. 
    De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.
  • 2. 
    De in de artikelen 56 bis, 56 ter en 56 quater van het statuut, artikel 13, lid 3, van bijlage VII en artikel 9 van bijlage XI daarvan, en de artikelen 28 bis, lid 11, en 96, lid 11, van de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor onbepaalde tijd met ingang van 1 januari 2014.
  • 3. 
    Het Europees Parlement of de Raad kan de in de artikelen 56 bis, 56 ter en 56 quater van het statuut, artikel 13, lid 3, van bijlage VII en artikel 9 van bijlage XI daarvan, en de artikelen 28 bis, lid 11, en 96, lid 11, van de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.
  • 4. 
    Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en aan de Raad.
  • 5. 
    Een gedelegeerde handeling die overeenkomstig artikelen 56 bis, 56 ter en 56 quater van het statuut, artikel 13, lid 3, van bijlage VII of artikel 9 van bijlage XI daarvan, of de artikel 28 bis, lid 11, of artikel 96, lid 11, van de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden is vastgesteld, treedt alleen in werking als het Europees Parlement noch de Raad binnen een termijn van twee maanden na de datum van kennisgeving van die handeling aan het Europees Parlement en de Raad daartegen bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van deze termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.

Artikel 113

De Commissie legt uiterlijk 31 december 2020 aan het Europees Parlement en de Raad een verslag voor waarin de werking van dit statuut wordt beoordeeld.".

 

61.

Bijlage I wordt als volgt gewijzigd:

 

a)

Afdeling A wordt vervangen door:

"A.   Standaardfuncties in elk van de in artikel 5, lid 4, bedoelde functiegroepen

  • 1. 
    Functiegroep AD
 

Directeur-generaal

AD 15 - AD 16

Directeur

AD 14 - AD 15

Adviseur of gelijkwaardig

AD 13 - AD 14

Afdelingshoofd of gelijkwaardig

AD 9 - AD 14

Administrateur

AD 5 - AD 12

  • 2. 
    Functiegroep AST
 

Senior assistent

Uitvoering van administratieve, technische of opleidingsactiviteiten die een hoge mate van autonomie vereisen met een grote verantwoordelijkheid voor personeelsbeheer, uitvoering van begroting of politieke coördinatie

AST 10 - AST 11

Assistent

Uitvoering van administratieve, technische of opleidingsactiviteiten die een zekere mate van autonomie vereisen, met name wat de uitvoering betreft van de voorschriften en regelgeving of algemene instructies, of als persoonlijk assistent van een lid van een instelling, van een kabinetschef van een lid of van een (adjunct-) directeur-generaal of een gelijkwaardige senior manager

AST 1 - AST 9

  • 3. 
    Functiegroep AST/SC
 

Secretariaatsmedewerker/Kantoormedewerker

Uitvoering van kantoor- en secretariaatwerkzaamheden, kantoorbeheer en andere gelijkwaardige taken die een zekere mate van autonomie vereisen (11)

SC 1 - SC 6

 

b)

Afdeling B wordt als volgt gewijzigd:

"B.   Vermenigvuldigingsfactoren voor de gelijkwaardigheid van gemiddelde loopbaanprofielen

 

1.

Vermenigvuldigingsfactoren voor de gelijkwaardigheid van gemiddelde loopbaanprofielen in de functiegroepen AST en AD:

 

Rang

Assistenten

Administrateurs

13

15 %

12

15 %

11

25 %

10

20 %

25 %

9

8 %

25 %

8

25 %

33 %

7

25 %

36 %

6

25 %

36 %

5

25 %

36 %

4

33 %

3

33 %

2

33 %

1

33 %

 

2.

Vermenigvuldigingsfactoren voor de gelijkwaardigheid van gemiddelde loopbaanprofielen in de functiegroep AST/SC:

 

Rang

Secretariaatsmedewerkers / Kantoormedewerkers

SC 6

SC 5

12 %

SC 4

15 %

SC 3

17 %

SC 2

20 %

SC 1

25 %".

 

62.

Bijlage II wordt als volgt gewijzigd:

 

a)

in artikel 1, eerste alinea, worden in de tweede zin de woorden "De instelling" vervangen door "Het tot aanstelling bevoegde gezag van elke instelling";

 

b)

in artikel 1, tweede alinea, wordt de tweede zin vervangen door:

"Het tot aanstelling bevoegde gezag van elke instelling kan evenwel besluiten dat de regels voor de verkiezing moeten worden vastgesteld overeenkomstig het resultaat van een onder het personeel van de instelling georganiseerd referendum";

 

c)

in artikel 1, vierde alinea, worden de woorden "de twee functiegroepen" vervangen door "de drie functiegroepen";

 

d)

in artikel 2, tweede alinea, worden bij het eerste streepje de woorden ", derde alinea," geschrapt.

 

63.

Het enig artikel van bijlage IV wordt als volgt gewijzigd:

 

a)

in lid 1, tweede alinea, worden de woorden "de 63-jarige leeftijd" en "de leeftijd van 63 jaar" vervangen door "de leeftijd van 66 jaar";

 

b)

in lid 1 wordt de derde alinea geschrapt;

 

c)

op de laatste regel van de tabel in lid 3 worden de woorden "59 tot en met 64" vervangen door "59 tot en met 65";

 

d)

In lid 4, vierde alinea, worden de woorden "de 63-jarige leeftijd" en "de leeftijd van 63 jaar" vervangen door "de leeftijd van 66 jaar".

 

64.

Bijlage IV bis wordt als volgt gewijzigd:

 

a)

in artikel 1, tweede alinea, worden de woorden "artikel 55" vervangen door "artikel 55 bis, lid 2, onder g)";

 

b)

in artikel 4, eerste alinea, worden de woorden "de ambtenaar die ouder is dan 55 jaar en toestemming heeft gekregen om bij wijze van voorbereiding op zijn pensioen halftijds te werken" vervangen door "de ambtenaar die overeenkomstig artikel 55 bis, lid 2, onder g), van het statuut toestemming heeft gekregen om deeltijds te werken".

 

65.

Bijlage V wordt als volgt gewijzigd:

 

a)

artikel 6 wordt vervangen door:

"Artikel 6

Behalve vakantieverlof kan aan de ambtenaar, op zijn verzoek, buitengewoon verlof worden verleend. Onderstaande gevallen geven in het bijzonder recht op dit verlof binnen de daarbij aangegeven grenzen:

 

huwelijk van de ambtenaar: 4 dagen;

 

verhuizing van de ambtenaar: ten hoogste 2 dagen;

 

ernstige ziekte van de echtgenoot: ten hoogste 3 dagen;

 

overlijden van de echtgenoot: 4 dagen;

 

ernstige ziekte van een bloedverwant in opgaande lijn: ten hoogste 2 dagen;

 

overlijden van een bloedverwant in opgaande lijn: 2 dagen;

 

huwelijk van een kind: 2 dagen;

 

geboorte van een kind: 10 dagen, op te nemen binnen 14 weken na de geboorte;

 

geboorte van een kind met een handicap of een ernstige ziekte: 20 dagen, op te nemen binnen 14 weken na de geboorte;

 

overlijden van de echtgenote tijdens het moederschapsverlof: een aantal dagen dat gelijk is aan het nog resterende moederschapsverlof; wanneer de echtgenote geen ambtenaar is, worden voor de berekening van de duur van het nog resterende moederschapsverlof de bepalingen van artikel 58 van het statuut toegepast;

 

ernstige ziekte van een kind: ten hoogste 2 dagen;

 

bijzonder ernstige ziekte van een kind, gestaafd door een medisch attest, of opname in een ziekenhuis van een kind van ten hoogste twaalf jaar: ten hoogste vijf dagen;

 

overlijden van een kind: 4 dagen;

 

adoptie van een kind: 20 weken; in geval van adoptie van een gehandicapt kind: 24 weken.

 

De adoptie van een kind kan slechts recht geven op één periode van buitengewoon verlof, die over de adoptieouders kan worden verdeeld als beiden ambtenaar zijn. Het verlof wordt alleen toegestaan als de echtgenoot van de ambtenaar ten minste deeltijds een bezoldigde activiteit uitoefent. Als de echtgenoot buiten de instellingen van de Unie werkzaam is en recht heeft op soortgelijk verlof, wordt een overeenkomstig aantal dagen op het verlof van de ambtenaar in mindering gebracht.

 

Het tot aanstelling bevoegde gezag kan de adoptieouders extra buitengewoon verlof toekennen wanneer volgens de wetgeving van het land waar de adoptieprocedure plaatsvindt (een ander land dan dat van de standplaats van de ambtenaar), een verblijf ter plaatse van een van de adoptieouders vereist is.

 

Aan de ambtenaar die geen recht heeft op het bovenbedoelde buitengewoon verlof van 20 of 24 weken kan een buitengewoon verlof van tien dagen worden toegekend; dit extra buitengewoon verlof wordt slechts één keer per adoptie toegekend.

Bovendien kan de instelling buitengewoon verlof verlenen in het geval van bij- en nascholing, binnen de grenzen van het door de instelling krachtens artikel 24 bis, van het statuut vastgestelde bij- en nascholingsprogramma.

Buitengewoon verlof kan voorts bij wijze van uitzondering worden toegekend ingeval van buitengewoon werk dat verder gaat dan de normale verplichtingen van een ambtenaar. Dergelijk bijzonder verlof wordt toegekend ten laatste drie maanden nadat het tot aanstelling bevoegde gezag een besluit heeft genomen over de buitengewone aard van het werk van de ambtenaar.

In de zin van dit artikel wordt de ongehuwde partner van een ambtenaar als de echtgenoot beschouwd indien aan de eerste drie voorwaarden van artikel 1, lid 2, onder c), van bijlage VII is voldaan.

In geval van buitengewoon verlof krachtens deze afdeling worden, naar gelang van de behoeften, de eventuele reisdagen bij bijzonder besluit vastgesteld.";

 

b)

artikel 7 wordt vervangen door:

"Artikel 7

Ambtenaren die recht hebben op de ontheemdingstoelage of de toelage voor verblijf in het buitenland hebben elk jaar recht op twee en een halve dag bijkomend verlof om hun thuisland te bezoeken.

De eerste alinea is van toepassing op de ambtenaar van wie de standplaats op het grondgebied van een van de lidstaten is gelegen. Is de standplaats buiten dat grondgebied gelegen, dan wordt de duur van het thuisverlof naar gelang van de behoeften vastgesteld bij bijzonder besluit.".

 

66.

Bijlage VI wordt als volgt gewijzigd:

 

a)

artikel 1 wordt vervangen door:

"Artikel 1

Binnen de in artikel 56 van het statuut vastgestelde grenzen geeft overwerk, verricht door ambtenaren van de rangen SC 1 tot en met SC 6 of de rangen AST 1 tot en met AST 4, recht op compensatie in vrije tijd of beloning volgens onderstaande regels:

 

a)

ieder uur overwerk geeft recht op compensatie in de vorm van anderhalf uur vrij; een overuur, verricht tussen 22 uur en 7 uur of op een zon- of feestdag wordt echter met twee uur vrij gecompenseerd; bij de toekenning van vrije tijd wordt rekening gehouden met het belang van de dienst en met de wensen van de betrokkene;

 

b)

indien het belang van de dienst deze compensatie niet mogelijk maakt in de twee maanden volgende op die waarin het overwerk is verricht, verleent het tot aanstelling bevoegde gezag machtiging tot beloning van de niet gecompenseerde overuren ten bedrage van 0,56 % van het maandelijkse basissalaris voor elk overuur, met inachtneming van het onder a) bepaalde;

 

c)

slechts overwerk gedurende meer dan 30 minuten wordt als overuur gecompenseerd of beloond.";

 

b)

artikel 3 wordt vervangen door:

"Artikel 3

In afwijking van de voorgaande bepalingen kan overwerk, verricht door bepaalde groepen ambtenaren van de rangen SC 1 tot en met SC 6 en de rangen AST 1 tot en met AST 4, die onder bijzondere omstandigheden werkzaam zijn, worden beloond met een vaste toelage; het tot aanstelling bevoegde gezag bepaalt, na raadpleging van de paritaire commissie, het bedrag van deze toelage en de omstandigheden waaronder zij wordt toegekend.".

 

67.

Bijlage VII wordt als volgt gewijzigd:

 

a)

in artikel 1, lid 3, worden de woorden "rang 3" vervangen door "rang AST 3";

 

b)

artikel 3, lid 1, tweede alinea, wordt vervangen door:

"Het recht op de toelage gaat in op de eerste dag van de maand waarin het kind voor het eerst een instelling voor lager onderwijs gaat bezoeken, en eindigt aan het einde van de maand waarin het zijn opleiding voltooit of, indien dat eerder is, aan het einde van de maand waarin het de 26-jarige leeftijd bereikt.";

 

c)

artikel 7 wordt vervangen door:

"Artikel 7

  • 1. 
    De ambtenaar heeft recht op betaling van een forfaitair bedrag voor reiskosten, voor zichzelf, zijn echtgenoot en de personen te zijnen laste, die daadwerkelijk met hem samenwonen:
 

a)

bij zijn indiensttreding en wel van de plaats van aanwerving naar de standplaats;

 

b)

bij beëindiging van de dienst in de zin van artikel 47 van het statuut, van de standplaats naar de plaats van herkomst zoals deze in lid 4 van dit artikel wordt omschreven;

 

c)

bij overplaatsing die een verandering van standplaats met zich brengt.

Bij overlijden van de ambtenaar hebben zijn overlevende echtgenoot en de personen te zijnen laste naar dezelfde maatstaven recht op betaling van een forfaitair bedrag.

De reiskosten voor kinderen die gedurende het volledige kalenderjaar jonger zijn dan twee jaar, worden niet vergoed.

  • 2. 
    Het forfaitair bedrag is gebaseerd op een vergoeding per kilometer geografische afstand tussen de in lid 1 bedoelde plaatsen.

De kilometervergoeding bedraagt:

 

0 euro per km voor het gedeelte van de afstand tussen

0 tot en met 200 km

0,1895 euro per km voor het gedeelte van de afstand tussen

201 tot en met 1 000 km

0,3158 euro per km voor het gedeelte van de afstand tussen

1 001 tot en met 2 000 km

0,1895 euro per km voor het gedeelte van de afstand tussen

2 001 tot en met 3 000 km

0,0631 euro per km voor het gedeelte van de afstand tussen

3 001 tot en met 4 000 km

0,0305 euro per km voor het gedeelte van de afstand tussen

4 001 tot en met 10 000 km

0 euro per km voor het gedeelte van de afstand dat hoger ligt dan

10 000 km.

Aan deze kilometervergoeding wordt een forfaitair supplement toegevoegd van:

 

94,74 euro als de geografische afstand tussen de in lid 1 bedoelde plaatsen tussen 600 en 1 200 km ligt;

 

189,46 euro als de geografische afstand tussen de in lid 1 bedoelde plaatsen meer dan 1 200 km bedraagt.

De kilometervergoeding en het forfaitair supplement worden elk jaar op dezelfde wijze geactualiseerd als de bezoldigingen.

  • 3. 
    In afwijking van lid 2 kunnen de reiskosten bij een overplaatsing met een verandering van standplaats binnen het grondgebied van de lidstaten van de Europese Unie naar een standplaats buiten dat grondgebied of een overplaatsing met een verandering van standplaats buiten deze gebieden, worden vergoed met een forfaitair bedrag berekend op basis van de reiskosten per vliegtuig in de klasse die onmiddellijk boven economy class ligt.
  • 4. 
    De plaats van herkomst van de ambtenaar wordt bij zijn indiensttreding vastgesteld; hierbij wordt rekening gehouden met de plaats van aanwerving of, op uitdrukkelijk en gemotiveerd verzoek, met de plaats die het centrum van zijn belangen vormt. Deze vaststelling kan later, gedurende de tijd waarin de ambtenaar in dienst is, of ter gelegenheid van zijn vertrek, bij bijzonder besluit van het tot aanstelling bevoegde gezag worden herzien. Zolang de ambtenaar in dienst is, kan dit besluit echter slechts bij uitzondering worden genomen na overlegging van bewijsstukken die zijn verzoek deugdelijk staven.

Deze herziening mag echter niet leiden tot verplaatsing van het centrum van de belangen van de ambtenaar van een plaats binnen naar een plaats buiten het grondgebied van de lidstaten van de Unie, de landen en gebieden die worden genoemd in bijlage II bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en de lidstaten van de Europese Vrijhandelsassociatie.";

 

d)

artikel 8 wordt vervangen door:

"Artikel 8

  • 1. 
    De ambtenaar die recht heeft op de ontheemdingstoelage of de toelage voor verblijf in het buitenland, heeft binnen de in lid 2 gestelde grens voor zichzelf en, indien hij recht heeft op de kostwinnerstoelage, voor zijn echtgenoot en de personen te zijnen laste in de zin van artikel 2, eenmaal per kalenderjaar recht op betaling van een forfaitair bedrag voor de reiskosten van zijn standplaats naar zijn plaats van herkomst in de zin van artikel 7.

Wanneer beide echtgenoten ambtenaar van de Europese Unie zijn heeft ieder van hen recht op betaling van het forfaitair bedrag voor de reiskosten voor hemzelf en voor de ten laste komende personen, volgens bovenstaande bepalingen; voor elke ten laste komende persoon wordt slechts éénmaal betaald. Voor de ten laste komende kinderen wordt de betaling overeenkomstig het verzoek van de echtgenoten vastgesteld op basis van de plaats van herkomst van een van beide echtgenoten.

Wanneer de ambtenaar in de loop van het jaar in het huwelijk treedt en daardoor het recht op de kostwinnerstoelage verkrijgt, worden de voor de echtgenoot verschuldigde reiskosten berekend naar rato van de tijd tussen de huwelijksdag en het einde van het lopende jaar.

Wanneer zich, na uitbetaling van de desbetreffende bedragen, een wijziging in de samenstelling van het gezin voordoet waardoor de berekeningsgrondslag verandert, is de ambtenaar niet tot terugbetaling verplicht.

De reiskosten voor kinderen die gedurende het volledige kalenderjaar jonger zijn dan twee jaar, worden niet vergoed.

  • 2. 
    Het forfaitair bedrag is gebaseerd op een vergoeding per kilometer geografische afstand tussen de standplaats van de ambtenaar en zijn plaats van herkomst.

Wanneer de plaats van herkomst in de zin van artikel 7 gelegen is buiten het grondgebied van de lidstaten van de Unie en buiten de landen en gebieden die worden genoemd in bijlage II bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en de lidstaten van de Europese Vrijhandelsassociatie, wordt het forfaitair bedrag gebaseerd op een vergoeding per kilometer geografische afstand tussen de standplaats van de ambtenaar en de hoofdstad van de lidstaat waarvan hij een onderdaan is. Ambtenaren van wie de plaats van herkomst is gelegen buiten het grondgebied van de lidstaten van de Unie en buiten de landen en gebieden die worden genoemd in bijlage II bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en de lidstaten van de Europese Vrijhandelsassociatie, en die geen onderdaan zijn van een van die lidstaten, hebben geen recht op betaling van het forfaitair bedrag.

De kilometervergoeding bedraagt:

 

0 euro per km voor het gedeelte van de afstand tussen

0 tot en met 200 km

0,3790 euro per km voor het gedeelte van de afstand tussen

201 tot en met 1 000 km

0,6316 euro per km voor het gedeelte van de afstand tussen

1 001 tot en met 2 000 km

0,3790 euro per km voor het gedeelte van de afstand tussen

2 001 tot en met 3 000 km

0,1262 euro per km voor het gedeelte van de afstand tussen

3 001 tot en met 4 000 km

0,0609 euro per km voor het gedeelte van de afstand tussen

4 001 tot en met 10 000 km

0 euro per km voor het gedeelte van de afstand dat hoger ligt dan

10 000 km

Aan deze kilometervergoeding wordt een forfaitair supplement toegevoegd van:

 

189,48 euro als de geografische afstand tussen de standplaats en de plaats van herkomst tussen 600 en 1 200 km bedraagt;

 

378,93 euro als de geografische afstand tussen de standplaats en de plaats van herkomst meer dan 1 200 km bedraagt.

De kilometervergoeding en het forfaitair supplement worden elk jaar in dezelfde verhouding geactualiseerd als de bezoldigingen.

  • 3. 
    De ambtenaar wiens dienst tijdens een kalenderjaar anders dan door overlijden eindigt of aan wie om redenen van persoonlijke aard gedurende een deel van het jaar verlof wordt verleend, heeft, indien hij in dat jaar minder dan negen maanden in actieve dienst van een instelling van de Unie is geweest, slechts recht op een deel van het in de leden 1 en 2 bedoelde forfaitaire bedrag, berekend naar rato van de in actieve dienst doorgebrachte tijd.
  • 4. 
    De leden 1, 2 en 3 van dit artikel zijn van toepassing op de ambtenaar van wie de standplaats op het grondgebied van een van de lidstaten is gelegen. De ambtenaar van wie de standplaats buiten dat grondgebied is gelegen, heeft, voor zichzelf en, indien hij recht heeft op de kostwinnerstoelage, voor zijn echtgenoot en de personen te zijnen laste in de zin van artikel 2, eenmaal per kalenderjaar recht op betaling van een forfaitair bedrag voor de reiskosten naar zijn plaats van herkomst of op vergoeding van de reiskosten naar een andere plaats, voor zover deze de kosten van een reis naar de plaats van herkomst niet overschrijden. Wanneer de echtgenoot en de in de zin van artikel 2, lid 2, ten laste komende personen evenwel niet met de ambtenaar in de standplaats samenwonen, hebben zij eenmaal per kalenderjaar recht op vergoeding van de reiskosten van de plaats van herkomst naar de standplaats of op vergoeding van de reiskosten naar een andere plaats, voor zover deze de kosten van een reis van de plaats van herkomst naar de standplaats niet overschrijden.

De betaling van het forfaitaire bedrag wordt berekend op basis van de reiskosten per vliegtuig in economy class.";

 

e)

artikel 9 wordt vervangen door:

"Artikel 9

  • 1. 
    Aan de ambtenaar die bij indiensttreding of bij een latere verandering van standplaats tijdens de dienst verplicht is van woonplaats te veranderen teneinde de bepalingen van artikel 20 van het statuut na te leven, en die geen vergoeding van dezelfde kosten uit andere bron mocht genieten, worden de kosten van verhuizing van zijn persoonlijke inboedel, met inbegrip van verzekeringskosten ter dekking van eenvoudig risico (breuk, diefstal, brand), binnen de grenzen van de plafonds voor de kosten vergoed.

Bij de vaststelling van de plafonds is rekening gehouden met de gezinssituatie van de ambtenaar op het ogenblik van de verhuizing en de gemiddelde verhuis- en bijbehorende verzekeringskosten.

Het tot aanstelling bevoegde gezag van elke instelling stelt in verband met dit lid algemene uitvoeringsbepalingen vast.

  • 2. 
    Bij beëindiging van de dienst of bij overlijden van een ambtenaar worden de verhuiskosten van de standplaats naar zijn plaats van herkomst binnen de in lid 1 vastgestelde grenzen vergoed. Indien de overleden ambtenaar ongehuwd was, worden deze kosten aan zijn rechtverkrijgenden vergoed.
  • 3. 
    De ambtenaar in vaste dienst moet binnen één jaar na het verstrijken van de proeftijd verhuizen. Bij beëindiging van de dienst moet de verhuizing plaatsvinden binnen drie jaar als bepaald in artikel 6, lid 4, tweede alinea. Als de verhuizing na het verstrijken van de in dit lid opgenomen termijnen plaatsvindt, kunnen de kosten slechts in uitzonderingsgevallen en krachtens bijzonder besluit van het tot aanstelling bevoegde gezag worden vergoed.";
 

f)

artikel 13 wordt als volgt gewijzigd:

 

i)

lid 3 wordt vervangen door:

"3.   De Commissie herziet om de twee jaar de in lid 2, onder a), vermelde tarieven. Deze herziening is gebaseerd op een verslag over de prijzen van hotels, restaurants en cateringdiensten, waarbij de indices voor de ontwikkeling van deze prijzen in aanmerking worden genomen. Voor deze herziening treedt de Commissie op door middel van gedelegeerde handelingen overeenkomstig de artikelen 111 en 112 van het statuut.";

 

ii)

het volgende lid wordt toegevoegd:

"4.   In afwijking van lid 1 kunnen de verblijfkosten van ambtenaren tijdens dienstreizen naar de andere plaatsen van de zetels van hun instelling, die in Protocol Nr. 6 bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie zijn vastgesteld, worden vergoed op basis van een forfaitair bedrag dat het voor de betrokken lidstaten vastgestelde maximum niet overschrijdt.";

 

g)

in artikel 13 bis worden de woorden "diverse instellingen" vervangen door "tot aanstelling bevoegde gezagsorganen van de diverse instellingen";

 

h)

artikel 17 wordt als volgt gewijzigd:

 

i)

lid 1 wordt vervangen door:

"1.   De aan de ambtenaar verschuldigde bedragen worden uitbetaald op de plaats en in de valuta van het land waar de ambtenaar zijn functies uitoefent of, op verzoek van de ambtenaar, in euro via een bank binnen de Europese Unie";

 

ii)

in lid 2 wordt de eerste alinea vervangen door:

"De ambtenaar kan verzoeken om een bijzondere regelmatige overmaking van een deel van zijn bezoldiging, onder de voorwaarden die zijn vastgelegd in een regeling die het tot aanstelling bevoegde gezag van elke instelling, na raadpleging van het comité voor het statuut, in gemeenschappelijk overleg vaststellen.";

 

iii)

in lid 3 worden in de eerste zin na het woord "geschieden" de woorden "in de valuta van de betrokken lidstaat" ingevoegd;

 

iv)

In lid 4 worden in de eerste zin na de woorden "over te maken" de woorden "in de plaatselijke valuta" ingevoegd.

 

68.

Bijlage VIII wordt als volgt gewijzigd:

 

a)

in punt b) van artikel 3 worden de woorden "de artikelen 41 en 50" vervangen door "de artikelen 41, 42 quater en 50";

 

b)

artikel 5 wordt vervangen door:

"Artikel 5

Niettegenstaande de bepalingen van artikel 2 van deze bijlage heeft de ambtenaar die na het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd in dienst blijft, recht op een verhoging van het pensioen gelijk aan 1,5 % van het basissalaris aan de hand waarvan zijn pensioen wordt berekend voor ieder na deze leeftijd vervuld dienstjaar, onder de voorwaarde dat het totale pensioen vermeerderd met de verhoging niet meer bedraagt dan 70 % van zijn laatste basissalaris als bedoeld in de tweede alinea of de derde alinea, naar gelang van het geval, van artikel 77 van het statuut.

Een dergelijke verhoging wordt eveneens toegekend bij overlijden, indien de ambtenaar tot na de pensioengerechtigde leeftijd in dienst is gebleven.";

 

c)

in artikel 6 worden de woorden "in rang 1, eerste salaristrap" vervangen door "in rang AST 1, eerste salaristrap";

 

d)

artikel 9 wordt vervangen door:

"Artikel 9

De ambtenaar die de dienst vóór de pensioengerechtigde leeftijd beëindigt, kan verzoeken in het genot te worden gesteld van:

 

a)

een tot de eerste dag van de kalendermaand, volgende op de maand waarin hij de pensioengerechtigde leeftijd bereikt, uitgesteld ouderdomspensioen; of

 

b)

een onmiddellijk ingaand ouderdomspensioen mits hij ten minste de leeftijd van 58 jaar heeft bereikt. In dit geval wordt het ouderdomspensioen verlaagd naar gelang van zijn leeftijd op het ogenblik waarop hij in het genot van dit pensioen wordt gesteld.

Het pensioen wordt verminderd met 3,5 % voor ieder jaar voorafgaand aan het jaar waarin de ambtenaar recht zou hebben verkregen op een ouderdomspensioen in de zin van artikel 77 van het statuut. Indien het verschil tussen de leeftijd waarop het recht op een ouderdomspensioen in de zin van artikel 77 wordt verkregen en de leeftijd van de betrokkene op genoemd tijdstip meer dan een geheel aantal jaren bedraagt, wordt nog een jaar in mindering gebracht.";

 

e)

in artikel 11, lid 2, worden in de tweede alinea de woorden "de instelling" vervangen door "het tot aanstelling bevoegde gezag van elke instelling";

 

f)

artikel 12 wordt als volgt gewijzigd:

 

i)

lid 1 wordt vervangen door:

"1.   De ambtenaar die de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt en wiens dienst anders dan door overlijden of wegens invaliditeit eindigt zonder dat hij aanspraak kan maken op een onmiddellijk ingaand of uitgesteld ouderdomspensioen, heeft bij zijn vertrek recht op:

 

a)

een uitkering bij vertrek gelijk aan driemaal de op zijn basissalaris ingehouden pensioenbijdragen, verminderd met de bedragen die zijn betaald bij toepassing van de artikelen 42 en 112 van de regeling die van toepassing is op de andere personeelsleden, indien hij ten minste gedurende een jaar in dienst is geweest en geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid waarin in artikel 11, lid 2, is voorzien;

 

b)

in de andere gevallen, op toepassing van artikel 11, lid 1, of op overschrijving van een bedrag gelijk aan de actuariële tegenwaarde van zijn pensioenrechten naar een particuliere verzekeringsmaatschappij of een pensioenfonds van zijn keuze, op voorwaarde dat wordt gegarandeerd dat:

 

i)

het kapitaal niet wordt uitgekeerd;

 

ii)

ten vroegste vanaf de leeftijd van 60 jaar en ten laatste vanaf de leeftijd van 66 jaar een maandelijkse rente wordt uitbetaald;

 

iii)

voorzieningen inzake overlevingspensioenen worden getroffen;

 

iv)

de overdracht naar een andere verzekering of een ander fonds alleen wordt toegestaan onder de in de punten i), ii) en iii), genoemde voorwaarden.";

 

ii)

lid 2 wordt vervangen door:

"2.   In afwijking van lid 1, onder b), heeft de ambtenaar die de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt en die sinds zijn indiensttreding ter wille van het behoud of de opbouw van zijn pensioenrechten pensioenbijdragen heeft betaald aan een nationaal pensioenstelsel, een particuliere verzekering of een pensioenfonds van zijn keuze die voldoen aan de in het vorige lid 1 genoemde voorwaarden, en wiens dienst anders dan door overlijden of invaliditeit eindigt zonder dat hij aanspraak kan maken op een onmiddellijk ingaand of een uitgesteld ouderdomspensioen, bij zijn vertrek recht op een uitkering bij vertrek gelijk aan de actuariële tegenwaarde van zijn tijdens zijn loopbaan bij de instellingen opgebouwde pensioenrechten. In dit geval worden de betalingen ten behoeve van de opbouw of het behoud van zijn pensioenrechten binnen het nationale pensioenstelsel, overeenkomstig de artikelen 42 of 112 van de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden, in mindering gebracht op de uitkering bij vertrek.";

 

g)

in artikel 15 worden de woorden "63-jarige leeftijd" vervangen door "pensioengerechtigde leeftijd";

 

h)

in artikel 18 bis worden de woorden "63-jarige leeftijd" vervangen door "pensioengerechtigde leeftijd";

 

i)

in artikel 27, tweede alinea, wordt het woord "aangepast" vervangen door "geactualiseerd";

 

j)

artikel 45 wordt als volgt gewijzigd:

 

i)

in de derde alinea worden de woorden "lidstaat waar zij hun verblijfplaats hebben" vervangen door "Europese Unie";

 

ii)

in de vierde alinea worden in de eerste zin na het woord "bank" de woorden "in de Europese Unie of" ingevoegd;

 

iii)

in de vierde alinea worden in de tweede zin de woorden "in euro" en de woorden "via een bank in het land van vestiging van de zetel van de instelling, dan wel" geschrapt.

 

69.

Bijlage IX wordt als volgt gewijzigd:

 

a)

in artikel 2, lid 3, worden de woorden "De instellingen stellen" vervangen door "Het tot aanstelling bevoegde gezag van elke instelling stelt";

 

b)

in artikel 5, lid 1, wordt de eerste zin vervangen door:

"In elke instelling wordt een tuchtraad, hierna "de raad" genoemd, ingesteld, tenzij twee of meer agentschappen besluiten overeenkomstig artikel 9, lid 1 bis, van het statuut een gemeenschappelijke raad in te stellen.";

 

c)

artikel 30 wordt vervangen door:

"Artikel 30

Onverminderd artikel 2, lid 3, stelt het tot aanstelling bevoegde gezag van elke instelling als het dat nodig acht, na raadpleging van het personeelscomité de bepalingen voor de uitvoering van deze bijlage vast.".

 

70.

Bijlage X wordt als volgt gewijzigd:

 

a)

artikel 6 wordt vervangen door:

"Artikel 6

De ambtenaar heeft per kalenderjaar recht op een vakantieverlof van twee werkdagen per dienstmaand.

Niettegenstaande lid 1 van dit artikel hebben ambtenaren die op 1 januari 2014 reeds gestationeerd zijn in een derde land recht op:

 

drie werkdagen van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2014;

 

twee en een halve werkdag van 1 januari 2015 tot en met 31 december 2015.";

 

b)

artikel 7 wordt vervangen door:

"Artikel 7

Bij indiensttreding en beëindiging van de dienst in een derde land geeft een deel van een jaar recht op een verlof van twee werkdagen per volle dienstmaand, een deel van een maand recht op een verlof van twee werkdagen indien dat deel langer is dan 15 dagen, en op een werkdag indien dat deel 15 dagen of minder bedraagt.

Indien de ambtenaar zijn vakantieverlof anders dan om redenen van dienstbelang vóór het einde van het kalenderjaar niet volledig heeft opgenomen, kan hij ten hoogste 14 werkdagen naar het volgende jaar doen overboeken.";

 

c)

aan artikel 8 wordt de volgende alinea toegevoegd:

"Ambtenaren die overeenkomstig artikel 24 bis van het statuut aan bij- en nascholingsactiviteiten deelnemen en aan wie overeenkomstig de eerste alinea van dit artikel ontspanningsverlof is verleend, streven ernaar indien mogelijk hun opleidingsverblijf te combineren met hun ontspanningsverlof.";

 

d)

in artikel 9 wordt lid 1 vervangen door:

"1.   Het vakantieverlof kan in zijn geheel of in delen worden opgenomen, al naar de wens van de ambtenaar en met inachtneming van het belang van de dienst. Het moet evenwel ten minste één periode van twee achtereenvolgende weken bevatten.";

 

e)

artikel 10 wordt vervangen door:

"Artikel 10

  • 1. 
    Volgens de plaats waar de ambtenaar is tewerkgesteld, wordt een toelage wegens bijzondere levensomstandigheden vastgesteld die wordt uitgedrukt in een percentage van een referentiebedrag. Dit referentiebedrag bestaat uit het totale bedrag van het basissalaris alsmede de ontheemdingstoelage, de kostwinnerstoelage en de kindertoelage, onder aftrek van de in dit statuut of in de ter toepassing daarvan vastgestelde verordeningen bedoelde verplichte inhoudingen.

Wanneer de ambtenaar is tewerkgesteld in een land waarin de levensomstandigheden kunnen worden beschouwd als gelijkwaardig aan die welke gewoonlijk in de Europese Unie heersen, wordt een dergelijke toelage niet uitbetaald.

Voor de andere standplaatsen worden voor de vaststelling van de toelage wegens bijzondere levensomstandigheden onder meer de volgende parameters in aanmerking genomen:

 

de situatie op het gebied van de volksgezondheid en de ziekenhuisverpleging,

 

de veiligheid,

 

het klimaat,

 

de mate van isolement,

 

andere plaatselijke levensomstandigheden.

De voor elke standplaats vastgestelde toelage wegens bijzondere levensomstandigheden wordt jaarlijks geëvalueerd en, eventueel, herzien door het tot aanstelling bevoegde gezag, na advies van het personeelscomité.

Het tot aanstelling bevoegde gezag mag besluiten een aanvullende premie te verstrekken naast de toelage wegens bijzondere levensomstandigheden in gevallen waarin een ambtenaar meer dan één tewerkstelling heeft gehad in een standplaats die wordt aangemerkt als moeilijk of zeer moeilijk. Deze aanvullende premie mag niet meer bedragen dan 5 % van het in het eerste lid bedoelde referentiebedrag en het tot aanstelling bevoegde gezag dient zijn individuele besluiten naar behoren te motiveren met het oog op gelijke behandeling, waarbij uitgegaan dient te worden van de moeilijkheidsgraad van de vorige tewerkstelling.

  • 2. 
    Indien de levensomstandigheden in de standplaats de lichamelijke veiligheid van de ambtenaar in gevaar brengen, wordt hem tijdelijk bij een bijzonder, met redenen omkleed besluit van het tot aanstelling bevoegde gezag een aanvullende toelage uitbetaald. Die toelage wordt vastgesteld als een percentage van het referentiebedrag als bedoeld in lid l, eerste alinea:
 

wanneer het gezag zijn personeelsleden aanbeveelt hun gezin of overige afhankelijke personen niet in de betrokken standplaats te vestigen, mits zij gevolg geven aan die aanbeveling;

 

wanneer het gezag besluit het aantal in de betrokken standplaats werkzame personeelsleden tijdelijk te verminderen.

Het tot aanstelling bevoegde gezag kan in naar behoren gemotiveerde gevallen ook besluiten dat een post niet geschikt is voor een gezin. Bovengenoemde toelage wordt betaald aan personeelsleden die dit besluit respecteren.

  • 3. 
    Het tot aanstelling bevoegde gezag stelt nadere bepalingen vast met betrekking tot de toepassing van dit artikel.";
 

f)

in artikel 11 wordt in de eerste zin het woord "België" vervangen door "de Europese Unie";

 

g)

artikel 13 wordt vervangen door:

"Artikel 13

Teneinde de ambtenaren ongeacht hun standplaats zoveel mogelijk een gelijkwaardige koopkracht te waarborgen, wordt de in artikel 12 bedoelde aanpassingscoëfficiënt eenmaal per jaar geactualiseerd overeenkomstig bijlage XI. Wat de actualisering betreft, wordt onder alle waarden referentiewaarden verstaan. De Commissie maakt de geactualiseerde waarden binnen twee weken na de actualisering ter informatie in de C-serie van het Publicatieblad van de Europese Unie bekend.

Indien de aan de hand van de aanpassingscoëfficiënt en de desbetreffende wisselkoers gemeten wijziging van de kosten van levensonderhoud evenwel sinds de laatste actualisering voor een bepaald land meer dan 5 % blijkt te bedragen, vindt er een tussentijdse actualisering plaats voor de aanpassing van die coëfficiënt volgens de in de eerste alinea genoemde procedure.";

 

h)

artikel 23 wordt vervangen door:

"Artikel 23

Op basis van een door het tot aanstelling bevoegde gezag op te stellen lijst van landen, en wanneer er aan de ambtenaar geen woning ter beschikking wordt gesteld, betaalt het tot aanstelling bevoegde gezag de ambtenaar hetzij een huisvestingstoelage hetzij vergoedt hij de door de ambtenaar betaalde huur.

De huisvestingstoelage wordt betaald na overlegging van een huurcontract, tenzij het tot aanstelling bevoegde gezag deze eis niet stelt om naar behoren gemotiveerde redenen die verband houden met de praktijken en plaatselijke omstandigheden in de standplaats in het desbetreffende derde land. De huisvestingstoelage wordt in eerste instantie berekend aan de hand van het niveau van de functie van de ambtenaar en in tweede instantie aan de hand van de samenstelling van het gezin dat te zijnen laste komt.

De huur wordt vergoed, mits de woning uitdrukkelijk is goedgekeurd door het tot aanstelling bevoegde gezag en deze beantwoordt aan het niveau van zijn functie en aan de samenstelling van het gezin dat te zijnen laste komt.

Het tot aanstelling bevoegde gezag stelt nadere bepalingen vast met betrekking tot de toepassing van dit artikel. De huisvestingstoelage mag onder geen voorwaarde hoger zijn dan de kosten die de ambtenaar maakt.".

 

71.

Bijlage XI wordt vervangen door:

"BIJLAGE XI

WIJZE VAN TOEPASSING VAN DE ARTIKELEN 64 EN 65 VAN HET STATUUT

HOOFDSTUK 1

JAARLIJKSE ACTUALISERING VAN HET BEZOLDIGINGSPEIL (ARTIKEL 65, LID 1, VAN HET STATUUT)

Afdeling 1

Elementen van de jaarlijkse actualiseringen

Artikel 1

  • 1. 
    Verslag van het Bureau voor de statistiek van de Europese Unie (Eurostat)

Ten behoeve van de actualisering als bedoeld in artikel 65, lid 1, van het statuut en in artikel 13 van bijlage X, stelt Eurostat jaarlijks vóór het einde van de maand oktober een verslag op over de ontwikkeling van de kosten van levensonderhoud in België en Luxemburg, over de economische pariteiten tussen Brussel en bepaalde plaatsen in de lidstaten en zo nodig in derde landen, en over de ontwikkeling van de koopkracht van salarissen van de nationale ambtenaren van de centrale overheidsdiensten.

  • 2. 
    Ontwikkeling van de kosten van levensonderhoud in België en Luxemburg

Eurostat stelt een indexcijfer vast om de ontwikkeling van de kosten van levensonderhoud voor ambtenaren van de Unie in België en Luxemburg te meten. Dit indexcijfer (hierna het "gezamenlijk indexcijfer" genoemd) wordt berekend door de nationale inflatie te wegen (zoals aangegeven door de geharmoniseerde indexcijfers van de consumptieprijzen (Harmonised Indices of Consumer Prices -HCIP) in het geval van België en de consumentenprijsindex (Consumer Prices Index - CPI) in het geval van Luxemburg) tussen de maand juni van het voorafgaande jaar en de maand juni van het lopende jaar volgens de verdeling van het personeel dat in die lidstaten werkt.

  • 3. 
    Ontwikkeling van de kosten van levensonderhoud buiten Brussel
 

a)

Eurostat berekent, met inachtneming van het advies van de nationale instituten voor de statistiek en van andere instanties van de lidstaten zoals bedoeld in Verordening (EG) nr. 223/2009 van het Europees Parlement en de Raad (12) (hierna "nationale instituten voor de statistiek of andere instanties in de lidstaten") de economische pariteiten die de gelijkwaardigheden in koopkracht vaststellen:

 

i)

van de bezoldigingen die worden uitbetaald aan de ambtenaren van de Unie die de hoofdsteden van de lidstaten als standplaats hebben (met uitzondering van Nederland, waar het indexcijfer van Den Haag wordt gebruikt in plaats van dat van Amsterdam) en aan de ambtenaren in bepaalde andere standplaatsen, gemeten aan Brussel,

 

ii)

van de pensioenen van de Europese Gemeenschappen die in de lidstaten worden uitbetaald, gemeten aan België.

 

b)

De economische pariteiten hebben betrekking op de maand juni van elk jaar.

 

c)

De economische pariteiten worden zodanig berekend dat elke wezenlijke post ten minste twee maal per jaar kan worden geactualiseerd en ten minste een maal per vijf jaar kan worden geverifieerd door middel van een rechtstreeks onderzoek. Eurostat actualiseert de economische pariteiten op basis van de ontwikkeling van het geharmoniseerde indexcijfer van de consumentenprijzen van de lidstaten en de meest geschikte indexcijfers als vastgesteld door de Groep artikelen 64 en 65 van het statuut als bedoeld in artikel 13.

 

d)

De ontwikkeling van de kosten van levensonderhoud buiten België en Luxemburg gedurende de referentieperiode wordt gemeten met behulp van de impliciete indexcijfers. Deze indexcijfers komen overeen met het product van het gezamenlijk indexcijfer en de schommeling van de economische pariteit.

  • 4. 
    Ontwikkeling van de koopkracht van de bezoldigingen van de bij de centrale overheidsdiensten werkende nationale ambtenaren (specifieke indicatoren)
 

a)

Teneinde de procentuele opwaartse of neerwaartse koopkrachtontwikkeling van de bezoldigingen in de nationale overheidsdiensten te meten stelt Eurostat, aan de hand van de gegevens die vóór eind september door de betrokken nationale instituten voor de statistiek of andere instanties in de lidstaten zijn verstrekt, specifieke indicatoren vast welke de ontwikkeling van de reële bezoldigingen van de nationale ambtenaren in dienst van de centrale overheid tussen de maand juli van het voorafgaande jaar en de maand juli van het lopende jaar weergeven. De twee bezoldigingen moeten één twaalfde van alle op jaarbasis betaalde elementen bevatten.

De vaststelling van de specifieke indicatoren geschiedt in tweeërlei vorm:

 

i)

een indicator voor elk van de functiegroepen zoals zij gedefinieerd zijn in het statuut,

 

ii)

een gemiddelde indicator met een weging op basis van de omvang van het personeelsbestand van de nationale ambtenaren voor elke functiegroep.

Elke van die indicatoren wordt vastgesteld in reële bruto- en nettocijfers. Voor de overgang van bruto- naar nettocijfers wordt rekening gehouden met de verplichte inhoudingen en met algemene fiscale factoren.

Voor de vaststelling van de bruto- en netto-indicatoren voor de hele Europese Unie gebruikt Eurostat een steekproef samengesteld uit de volgende lidstaten: België, Duitsland, Spanje, Frankrijk, Italië, Luxemburg, Nederland, Oostenrijk, Polen, Zweden en het Verenigd Koninkrijk. Het Europees Parlement en de Raad kunnen, op voorstel van de Commissie op grond van artikel 336 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie een andere steekproef vaststellen die ten minste 75 % van het bruto binnenlands product (bbp) van de Europese Unie moet vertegenwoordigen en van toepassing is vanaf het jaar volgende op dat van de vaststelling ervan. De uitkomsten per land worden gewogen met het met behulp van de koopkrachtpariteiten gemeten aandeel van het passende gecumuleerde nationale BBP in het totaal van de Europese Unie, zoals dat aandeel is aangegeven in de meest recente statistieken die zijn gepubliceerd volgens de definities van de nationale rekeningen in het op het betrokken tijdstip geldende Europees stelsel van economische rekeningen.

 

b)

Op verzoek van Eurostat verstrekken de nationale instituten voor de statistiek of andere instanties in de lidstaten aan Eurostat de aanvullende gegevens die het met het oog op de vaststelling van een specifieke indicator die op een juiste wijze de ontwikkeling van de koopkracht van de nationale ambtenaren meet, nodig acht.

Indien Eurostat, na de nationale bureaus voor de statistiek, instituten of andere instanties opnieuw te hebben geraadpleegd, in de verkregen gegevens statistische onjuistheden ontdekt of constateert dat vaststelling van de indicatoren die op een statistisch juiste wijze de ontwikkeling van het reële inkomen van de ambtenaren van een bepaalde lidstaat weergeven, niet mogelijk is, brengt het aan de Commissie verslag uit en verstrekt het deze instelling alle gegevens die zij nodig heeft om zich een oordeel te vormen.

 

c)

Naast de specifieke indicatoren berekent Eurostat passende controle-indicatoren. Een daarvan bestaat in gegevens betreffende de loonsom in reële termen per hoofd in de centrale overheidsdiensten, vastgesteld volgens de definities van de nationale rekeningen in het op het betrokken tijdstip geldende Europees stelsel van economische rekeningen.

Eurostat geeft bij zijn verslag over de specifieke indicatoren commentaar over de verschillen tussen deze indicatoren en de ontwikkeling van de controle-indicatoren als bedoeld in dit punt.

Artikel 2

Voor de toepassing van artikel 15 van deze bijlage ziet de Commissie regelmatig toe op de behoeften van de instellingen op het gebied van de aanwerving.

Afdeling 2

Wijze van jaarlijkse actualisering van de bezoldigingen en de pensioenen

Artikel 3

 

1.

Overeenkomstig artikel 65 van het statuut worden de bezoldigingen en de pensioenen op basis van de in afdeling 1 van deze bijlage opgenomen criteria vóór het einde van elk jaar met ingang van 1 juli geactualiseerd.

 

2.

De waarde van de actualisering is gelijk aan het product van de specifieke indicator en het gezamenlijk indexcijfer. De actualisering wordt op nettobasis vastgesteld en kan worden uitgedrukt in een voor allen gelijk percentage.

 

3.

De aldus vastgestelde actualisering van de bezoldigingen wordt, volgens de hierna beschreven methode, verwerkt in de schaal van de basissalarissen die is opgenomen in artikel 66 van het statuut en in bijlage XIII van het statuut en in de artikelen 20, 93 en 133 van de regeling die van toepassing is op de andere personeelsleden:

 

a)

het bedrag van de nettobezoldiging en het nettopensioen zonder aanpassingscoëfficiënt wordt verhoogd of verlaagd met de waarde van de actualisering als hierboven bedoeld;

 

b)

de nieuwe tabel van de basissalarissen wordt bepaald door het brutobedrag vast te stellen dat, na aftrek van de belastingen ingevolge het bepaalde in lid 4 en van de verplichte inhoudingen krachtens de socialezekerheids- en pensioenregelingen, met het bedrag van de nettobezoldiging overeenstemt;

 

c)

voor deze omzetting van nettobedragen in brutobedragen wordt rekening gehouden met de situatie van een ongehuwde ambtenaar die niet voor de vergoedingen en toelagen als bedoeld in het statuut in aanmerking komt.

 

4.

Voor de toepassing van Verordening (EEG, Euratom, EGKS) nr. 260/68 worden de in artikel 4 van die verordening bedoelde bedragen vermenigvuldigd met een factor bestaande uit:

 

a)

de factor die uit de vorige actualisering voortvloeit, en/of

 

b)

de waarde van de actualisering van de bezoldigingen, bedoeld in lid 2.

 

5.

In België en Luxemburg is geen aanpassingscoëfficiënt van toepassing. De aanpassingscoëfficiënten die van toepassing zijn op:

 

a)

de bezoldiging van de ambtenaren van de Europese Unie die werkzaam zijn in de andere lidstaten of in bepaalde andere standplaatsen,

 

b)

in afwijking van artikel 82, lid 1, van het statuut, de pensioenen van de Europese Unie die in de andere lidstaten worden uitbetaald voor het deel van het pensioen dat overeenkomt met de vóór 1 mei 2004 opgebouwde rechten;

worden verkregen door de in artikel 1 van deze bijlage bedoelde economische pariteiten en de in artikel 63 van het statuut bedoelde wisselkoersen voor de desbetreffende landen aan elkaar te relateren.

De in artikel 8 bedoelde regeling is van toepassing in geval van terugwerkende kracht van de werking van de in standplaatsen met een sterke inflatie toepasselijke aanpassingscoëfficiënten.

 

6.

De bezoldigingen van de betrokken ambtenaren en de pensioenen van de gewezen ambtenaren en andere rechthebbenden worden tussen de datum waarop de volgende actualisering van kracht wordt en de datum van inwerkingtreding van die actualisering, met terugwerkende kracht in positieve of in negatieve zin door de instellingen geactualiseerd.

Als in het kader van die actualisering met terugwerkende kracht een teveel ontvangen bedrag moet worden teruggevorderd, kan dat worden gespreid over een periode van maximaal 12 maanden na de datum van inwerkingtreding van de volgende jaarlijkse actualisering.

HOOFDSTUK 2

TUSSENTIJDSE ACTUALISERINGEN VAN DE BEZOLDIGINGEN EN DE PENSIOENEN (ARTIKEL 65, LID 2, VAN HET STATUUT)

Artikel 4

 

1.

Bij aanzienlijke wijziging van de kosten van levensonderhoud tussen juni en december ten opzichte van de in artikel 6 vastgestelde drempelwaarde wordt een tussentijdse actualisering uitgevoerd van de bezoldigingen en de pensioenen als bedoeld in artikel 65, lid 2, van het statuut met ingang van 1 januari, waarbij tevens rekening wordt gehouden met de prognose inzake de ontwikkeling van de koopkracht tijdens de lopende referentieperiode van één jaar.

 

2.

Met dergelijke tussentijdse actualiseringen wordt bij de jaarlijkse actualisering van de salarissen rekening gehouden.

Artikel 5

 

1.

De prognose inzake de ontwikkeling van de koopkracht tijdens de betrokken periode wordt aan de hand van de gegevens die tijdens de in artikel 13 bedoelde bijeenkomst worden verstrekt, ieder jaar in maart door Eurostat opgesteld.

Indien die prognose een negatief percentage te zien geeft, wordt de helft daarvan van de tussentijdse actualisering afgetrokken.

 

2.

De ontwikkeling van de kosten van levensonderhoud voor België en Luxemburg wordt gemeten met behulp van de gemeenschappelijke index over de periode van juni tot december van het voorafgaande kalenderjaar.

 

3.

Voor elk van de standplaatsen waarvoor een aanpassingscoëfficiënt is vastgesteld (met uitsluiting van België en Luxemburg), wordt een raming gemaakt voor de maand december van de in artikel 1, lid 3, genoemde economische pariteiten. De ontwikkeling van de kosten van levensonderhoud wordt berekend overeenkomstig de in artikel 1, lid 3, opgenomen regels.

Artikel 6

 

1.

De in artikel 5, lid 2, genoemde drempel waarboven een stijging voor de periode van zes maanden als aanzienlijk wordt beschouwd, is het percentage dat overeenkomt met 6 % voor een periode van 12 maanden.

 

2.

Voor de toepassing van de drempel wordt de volgende procedure gevolgd, behoudens toepassing van artikel 5, lid 1, tweede alinea van deze bijlage:

 

a)

als de bovenbedoelde drempel in België en Luxemburg wordt bereikt of overschreden (gemeten naar de ontwikkeling van de gemeenschappelijke index Brussel tussen juni en december), wordt de bezoldiging voor alle standplaatsen geactualiseerd volgens de procedure voor de jaarlijkse actualisering;

 

b)

als de drempel in België en Luxemburg niet wordt bereikt, worden slechts de aanpassingscoëfficiënten van de standplaatsen waarvan de ontwikkeling van de kosten van levensonderhoud (uitgedrukt in die van de impliciete indexcijfers tussen juni en december) deze drempel te boven gaat, geactualiseerd.

Artikel 7

Voor de toepassing van artikel 6 van deze bijlage geldt het volgende:

De waarde van de actualisering is de gemeenschappelijke index, vermenigvuldigd, indien van toepassing, met de helft van de prognose van de specifieke indicator, als deze waarde negatief is.

De aanpassingscoëfficiënten zijn gelijk aan de verhouding tussen de betrokken economische pariteit en de betrokken wisselkoers als bedoeld in artikel 63 van het statuut, die, als de actualiseringsdrempel niet is bereikt voor België en Luxemburg, wordt vermenigvuldigd met de waarde van de actualisering.

HOOFDSTUK 3

DATUM WAAROP DE AANPASSINGSCOËFFICIËNTEN VAN KRACHT WORDEN (STANDPLAATSEN MET EEN STERKE STIJGING VAN DE KOSTEN VAN LEVENSONDERHOUD)

Artikel 8

 

1.

Voor de plaatsen met een sterke stijging van de kosten van levensonderhoud (gemeten aan de hand van de ontwikkeling van de impliciete indexcijfers), wordt de aanpassingscoëfficiënt van kracht vóór 1 januari wat de tussentijdse actualisering en vóór 1 juli wat de jaarlijkse actualisering betreft. Het is daarbij de bedoeling het verlies aan koopkracht terug te brengen tot het koopkrachtverlies dat zou worden genoteerd in een standplaats waar de ontwikkeling van de kosten van levensonderhoud overeenkomt met de drempel.

 

2.

De datum waarop de jaarlijkse actualisering van kracht wordt, is:

 

a)

16 mei voor de standplaatsen waar de inflatiepercentage hoger is dan 6 %, en

 

b)

1 mei voor de standplaatsen waar de inflatiepercentage hoger is dan 10 %.

 

3.

De datum waarop de tussentijdse actualisering van kracht wordt is:

 

a)

16 november voor de standplaatsen waar de inflatiepercentage hoger is dan 6 %, en

 

b)

1 november voor de standplaatsen waar de inflatiepercentage hoger is dan 10 %.

HOOFDSTUK 4

INVOERING EN AFSCHAFFING VAN AANPASSINGSCOËFFICIËNTEN (ARTIKEL 64 VAN HET STATUUT)

Artikel 9

 

1.

De bevoegde instanties van de betrokken lidstaten, de administratie van een instelling van de Unie of de vertegenwoordigers van de ambtenaren van de Unie in een bepaalde standplaats kunnen verzoeken om invoering van een aanpassingscoëfficiënt voor de betrokken plaats.

Dergelijk verzoek moet worden gestaafd met objectieve gegevens die, voor een periode van verschillende jaren, aantonen dat de koopkracht in een bepaalde standplaats aanzienlijk afwijkt van die welke in de hoofdstad van de desbetreffende lidstaat wordt geconstateerd (behalve voor Nederland, waar men zich op Den Haag in plaats van op Amsterdam baseert). Als Eurostat bevestigt dat het om een aanzienlijke (meer dan 5 %) en duurzame afwijking gaat, stelt de Commissie door middel van gedelegeerde handelingen overeenkomstig de artikelen 111 en 112 van het statuut, een aanpassingscoëfficiënt voor die standplaats vast.

 

2.

De Commissie besluit door middel van gedelegeerde handelingen overeenkomstig de artikelen 111 en 112 van het statuut om een voor een bepaalde standplaats geldende aanpassingscoëfficiënt niet meer toe te passen. In dergelijke gevallen is het besluit gebaseerd op een van de volgende elementen:

 

a)

een verzoek van de bevoegde instanties van de betrokken lidstaat, de administratie van een instelling van de Unie of de vertegenwoordigers van de ambtenaren van de Unie in een bepaalde standplaats waaruit blijkt dat de mate waarin de kosten van levensonderhoud in die standplaats afwijken van die welke in de hoofdstad van de betrokken lidstaat worden geconstateerd, niet meer van betekenis is (minder dan 2 %). Een dergelijke convergentie moet houdbaar zijn en moet door Eurostat worden bevestigd,

 

b)

het feit dat er in die plaats niet langer ambtenaren en tijdelijke functionarissen van de Unie werkzaam zijn.

HOOFDSTUK 5

BEPERKINGS- EN UITZONDERINGSCLAUSULE

Artikel 10

Voor de waarde van de specifieke indicator die wordt gebruikt voor de jaarlijkse actualisering, geldt een bovengrens van 2 % en een ondergrens van – 2 %. Als de waarde van de specifieke indicator hoger ligt dan de bovengrens of lager dan de ondergrens, wordt voor de berekening van de actualiseringswaarde gebruik gemaakt van de grenswaarde.

De eerste alinea is niet van toepassing indien artikel 11 van toepassing is.

Het restant van de jaarlijkse actualisering dat het gevolg is van het verschil tussen de actualiseringswaarde die is berekend met de specifieke indicator en de actualiseringswaarde die is berekend met de grenswaarde, wordt toegepast vanaf 1 april van het volgende jaar.

Artikel 11

 

1.

Als het reële bruto binnenlands product van de Unie voor het lopende jaar volgens de ramingen van de Commissie daalt en de specifieke indicator positief is, wordt slechts een deel van de specifieke indicator gebruikt om de waarde van de actualisering te berekenen. Het restant van de actualiseringswaarde dat overeenkomt met het restant van de specifieke indicator, wordt toegepast vanaf een latere datum in het volgende jaar. Met dit restant van de actualiseringswaarde wordt geen rekening gehouden voor de toepassing van artikel 10. De waarde van het bbp van de Unie, de gevolgen voor de splitsing van de specifieke indicator en de toepassingsdatum worden bepaald overeenkomstig de volgende tabel:

 

Bruto binnenlands product van de Unie

Gevolgen voor de specifieke indicator

Datum van betaling van het tweede deel

[– 0,1 %; – 1 %]

33 %; 67 %

1 april van het jaar n + 1

[– 1 %; – 3 %]

0 %; 100 %

1 april van het jaar n + 1

minder dan – 3 %

0 %

 

2.

Indien er een verschil is tussen de ramingen op grond van lid 1 en de definitieve gegevens betreffende het bruto binnenlands product van de Unie die door de Commissie worden verstrekt en als deze definitieve gegevens zouden zorgen voor een verandering van de gevolgen die in de bedoelde tabel op grond van lid 1 staan vermeld, worden overeenkomstig de tabel de nodige correcties aangebracht, inclusief met terugwerkende kracht, zowel in positieve als in negatieve zin.

 

3.

Elk als gevolg van een correctie geactualiseerd referentiebedrag wordt door de Commissie binnen twee weken na de correctie ter informatie gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie, serie C.

 

4.

Als de toepassing van lid 1 of 2 als resultaat heeft dat de waarde van de specifieke indicator niet leidt tot een actualisering van de bezoldigingen en de pensioenen, dient deze waarde als basis voor de berekening van een actualisering in de toekomst, zodra de cumulatieve toename van het bruto binnenlands product in de Unie, gemeten vanaf het jaar waarin lid 1 of 2 is toegepast, positief wordt. In elk geval gelden voor de in de eerste zin genoemde waarde naar analogie de grenzen en de principes die zijn vastgesteld in artikel 10 van deze bijlage. De evolutie van het bruto binnenlands product van de Unie wordt hiertoe regelmatig door Eurostat gemeten.

 

5.

Indien nodig blijven de wettelijke gevolgen van de toepassing van artikel 10 en dit artikel ook ten volle gelden na afloop van de geldigheid van deze bijlage overeenkomstig artikel 15.

HOOFDSTUK 6

ROL VAN EUROSTAT EN BETREKKINGEN MET DE NATIONALE DIENSTEN VOOR DE STATISTIEK OF ANDERE PASSENDE AUTORITEITEN IN DE LIDSTATEN

Artikel 12

Eurostat heeft tot taak toe te zien op de kwaliteit van de basisgegevens en de statistische methoden die worden gehanteerd met het oog op het bijeenbrengen van de elementen die bij de actualisering van de bezoldigingen in aanmerking worden genomen. Eurostat heeft met name tot taak alle voor dit toezicht benodigde beoordelingen en studies uit te voeren.

Artikel 13

Eurostat roept jaarlijks in maart een werkgroep bijeen, "Groep artikel 64 en 65 van het statuut" genaamd, die uit deskundigen van de nationale diensten voor de statistiek of andere toepasselijke autoriteiten van de lidstaten is samengesteld.

Bij die gelegenheid worden de statistische methoden en de toepassing ervan onderzocht wat betreft de specifieke indicatoren en de controle-indicatoren, de gemeenschappelijke index en de economische pariteiten.

De elementen aan de hand waarvan de prognose van de ontwikkeling van de koopkracht met het oog op de tussentijdse actualisering van de bezoldigingen kan worden opgesteld, alsmede de gegevens in verband met de ontwikkeling van de arbeidsduur in de centrale overheidsdiensten, moeten tijdens de vergadering van deze groep worden meegedeeld.

Artikel 14

Elke lidstaat deelt Eurostat op verzoek de elementen mee die rechtstreeks of onrechtstreeks van invloed zijn op de samenstelling en ontwikkeling van de bezoldigingen van de nationale ambtenaren van de centrale overheidsdiensten.

HOOFDSTUK 7

SLOTBEPALING EN HERZIENINGSCLAUSULE

Artikel 15

 

1.

De bepalingen van deze bijlage zijn van toepassing vanaf 1 januari 2014 tot en met 31 december 2023.

 

2.

Vóór 31 maart 2022 legt de Commissie het Europees Parlement en de Raad een verslag voor. In het verslag wordt rekening gehouden met de op grond van artikel 2 van deze bijlage uitgevoerde enquête en met name beoordeeld of de evolutie van de koopkracht van de bezoldigingen en pensioenen van de ambtenaren van de Unie in overeenstemming is met de veranderingen van de koopkracht van de salarissen van de nationale ambtenaren van de centrale overheidsdiensten. Op basis van dit verslag dient de Commissie, indien nodig, een voorstel in om deze bijlage alsook artikel 66 bis van het statuut te wijzigen op basis van artikel 336 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.

 

3.

Zolang het Europees Parlement en de Raad geen verordening op basis van een Commissievoorstel hebben vastgesteld, blijven deze bijlage en artikel 66 bis van het statuut voorlopig van toepassing na de termijnen die zijn vastgesteld in lid 1 van dit artikel en in artikel 66 bis van het statuut.

 

4.

Eind 2018 dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een tussentijds verslag in over de toepassing van deze bijlage en artikel 66 bis van het statuut.".

 

72.

Bijlage XII wordt als volgt gewijzigd:

 

a)

artikel 2 wordt vervangen door:

"Artikel 2

  • 1. 
    Indien de bijdrage moet worden geactualiseerd, gebeurt dit met ingang van 1 juli en tegelijk met de in artikel 65 van het statuut bedoelde jaarlijkse actualisering van de bezoldigingen. Actualiseringen mogen niet leiden tot een bijdrage die meer dan één procentpunt hoger of lager is dan het percentage van het voorafgaande jaar.
  • 2. 
    Het verschil tussen de actualisering van de bijdrage die het gevolg zou zijn geweest van de actuariële berekening en de actualisering ten gevolge van het in de laatste zin van lid 1 bedoelde verschil wordt niet gecompenseerd noch, dientengevolge, in latere actuariële berekeningen verwerkt. De bijdrage die uit de actuariële berekening zou zijn voortgevloeid, wordt vermeld in de in artikel 1 genoemde raming."
 

b)

in artikel 4, lid 6, worden de woorden "12 jaar" vervangen door "30 jaar";

 

c)

in artikel 10, lid 2, en artikel 11, lid 2, worden de woorden "12 jaren" vervangen door "30 jaren";

 

d)

het volgende artikel wordt ingevoegd:

"Artikel 11 bis

Tot 2020 wordt voor de toepassing van artikel 4, lid 6, artikel 10, lid 2, en artikel 11, lid 2, het voortschrijdend gemiddelde berekend op basis van de volgende perioden:

 
 

In 2014 – 16 jaar

 
 

In 2015 – 18 jaar

 
 

In 2016 – 20 jaar

 
 

In 2017 – 22 jaar

 
 

In 2018 – 24 jaar

 
 

In 2019 – 26 jaar

 
 

In 2020 – 28 jaar";

 

e)

artikel 12 wordt vervangen door:

"Artikel 12

Het in de artikelen 4 en 8 van bijlage VIII genoemde percentage voor de berekening van de samengestelde rente worden als het in artikel 10 bedoelde werkelijke percentage vastgesteld en - indien nodig - bij de vijfjaarlijkse actuariële raming geactualiseerd.

Ten aanzien van de actualisering wordt het percentage als bedoeld in de artikelen 4 en 8 van bijlage VIII begrepen als een referentiepercentage. De Commissie maakt het geactualiseerde werkelijke percentage binnen twee weken na de actualisering ter informatie in de C-serie van het Publicatieblad van de Europese Unie bekend.";

 

f)

artikel 14 wordt vervangen door:

"Artikel 14

  • 1. 
    In 2022 brengt de Commissie verslag uit bij het Europees Parlement en de Raad. In het verslag wordt rekening gehouden met de budgettaire gevolgen van deze bijlage en het actuariële evenwicht van het pensioenstelsel beoordeeld. Op basis van dit verslag dient de Commissie indien nodig een voorstel in om deze bijlage te wijzigen.
  • 2. 
    In 2018 dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een tussentijds verslag in over de toepassing van deze bijlage.".
 

73.

Bijlage XIII wordt als volgt gewijzigd:

 

a)

in de derde alinea van artikel 7, lid 2, wordt het woord "aanpassing" vervangen door "actualisering";

 

b)

artikel 10, de artikelen 14 tot en met 17 en artikel 18, lid 2, worden geschrapt;

 

c)

in artikel 18, lid 1, wordt het woord "aangepast" vervangen door "geactualiseerd" en het woord "salarisaanpassing" door "actualisering van de salarissen";

 

d)

artikel 19 wordt vervangen door:

"Artikel 19

Niettegenstaande de bepalingen van Verordening (EU) nr. 1023/2013 van het Europees Parlement en de Raad (13) blijven de artikelen 63, 64, 65, 82 en 83 bis van het statuut, de bijlagen XI en XII hierbij en de artikelen 20, lid 1, 64, 92 en 132 van de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden, zoals zij golden vóór 1.11.2013, van kracht uitsluitend voor een aanpassing die eventueel nodig is om te voldoen aan een uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie op grond van artikel 266 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie over de toepassing van de bedoelde artikelen.

 

e)

artikel 20 wordt als volgt gewijzigd:

 

i)

lid 2 wordt geschrapt;

 

ii)

in lid 3 wordt de tweede alinea vervangen door:

"De aanpassingscoëfficiënt wordt op deze pensioenen alleen toegepast indien hij overeenkomt met hun laatste standplaats of met het land van hun plaats van herkomst in de zin van artikel 7, lid 4, van bijlage VII. Om gezinsredenen of op medische gronden kunnen ambtenaren die een pensioen ontvangen het tot aanstelling bevoegde gezag vragen hun plaats van herkomst te wijzigen. Een dergelijk besluit kan alleen worden genomen als de betrokken ambtenaar hiervoor de passende bewijsstukken overlegt.";

 

iii)

in lid 4 wordt de laatste zin geschrapt;

 

f)

artikel 21 wordt vervangen door:

"Artikel 21

In afwijking van artikel 77, tweede alinea, tweede zin, van het statuut verwerft de ambtenaar die vóór 1 mei 2004 in dienst is getreden per dienstjaar 2 % van zijn daar vermelde salaris, berekend volgens de bepalingen van artikel 3 van bijlage VIII.

De ambtenaar die in de periode van 1 mei 2004 tot en met 31 december 2013 in dienst is getreden, verwerft per dienstjaar 1,9 % van zijn daar vermelde salaris, berekend volgens de bepalingen van artikel 3 van bijlage VIII.";

 

g)

artikel 22 wordt vervangen door:

"Artikel 22

  • 1. 
    De ambtenaar die op 1 mei 2004 minstens 20 dienstjaren heeft, heeft op 60 jaar recht op het ouderdomspensioen.

De ambtenaar die op 1 mei 2014 minstens 35 jaar oud is en vóór 1 januari 2014 in dienst is getreden, heeft recht op het ouderdomspensioen op de leeftijd die in de volgende tabel is opgenomen:

 

Leeftijd op 1 mei 2014

Pensioengerechtigde leeftijd

Leeftijd op 1 mei 2014

Pensioengerechtigde leeftijd

60 jaar en ouder

60 jaar

47 jaar

62 jaar 6 maanden

59 jaar

60 jaar 2 maanden

46 jaar

62 jaar 8 maanden

58 jaar

60 jaar 4 maanden

45 jaar

62 jaar 10 maanden

57 jaar

60 jaar 6 maanden

44 jaar

63 jaar 2 maanden

56 jaar

60 jaar 8 maanden

43 jaar

63 jaar 4 maanden

55 jaar

61 jaar

42 jaar

63 jaar 6 maanden

54 jaar

61 jaar 2 maanden

41 jaar

63 jaar 8 maanden

53 jaar

61 jaar 4 maanden

40 jaar

63 jaar 10 maanden

52 jaar

61 jaar 6 maanden

39 jaar

64 jaar 3 maanden

51 jaar

61 jaar 8 maanden

38 jaar

64 jaar 4 maanden

50 jaar

61 jaar 11 maanden

37 jaar

64 jaar 5 maanden

49 jaar

62 jaar 2 maanden

36 jaar

64 jaar 6 maanden

48 jaar

62 jaar 4 maanden

35 jaar

64 jaar 8 maanden

De ambtenaar die op 1 mei 2014 jonger dan 35 jaar is, heeft op 65 jaar recht op het ouderdomspensioen.

Voor ambtenaren die op 1 mei 2014 minstens 45 jaar oud zijn en tussen 1 mei 2004 en 31 december 2013 in dienst zijn getreden, blijft de pensioengerechtigde leeftijd echter 63 jaar.

Voor ambtenaren die vóór 1 januari 2014 in dienst zijn getreden, wordt de voor alle verwijzingen naar de pensioengerechtigde leeftijd in dit statuut in aanmerking te nemen pensioengerechtigde leeftijd vastgesteld volgens bovenstaande bepalingen, voor zover in dit statuut niet anders is bepaald.

  • 2. 
    Onverminderd het bepaalde in artikel 2 van bijlage VIII heeft de ambtenaar die vóór 1 januari 2014 in dienst is getreden en na het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd in dienst blijft, recht op een aanvullende verhoging van 2,5 % van zijn laatste basissalaris voor elk na deze leeftijd vervuld dienstjaar, zonder dat zijn totale pensioen meer mag bedragen dan 70 % van zijn laatste basissalaris in de zin van, naar gelang van het geval, de tweede of derde alinea van artikel 77 van het statuut.

Indien de ambtenaar op 1 mei 2004 minstens 50 jaar oud is of minstens 20 dienstjaren heeft, is de in de vorige alinea bedoelde pensioenverhoging minstens gelijk aan 5 % van het bedrag van de pensioenrechten die hij op 60 jaar heeft verworven.

Deze verhoging wordt ook toegekend in geval van overlijden, indien de ambtenaar in dienst is gebleven na de leeftijd waarop hij het recht op een ouderdomspensioen zou hebben verworven.

Indien, overeenkomstig bijlage IV bis, een ambtenaar die vóór 1 januari 2014 in dienst is getreden en op basis van een halve werktijd werkzaam is, aan de pensioenregeling bijdraagt naar verhouding van de gewerkte tijd, worden de in dit lid bedoelde pensioenrechtenverhogingen in dezelfde verhouding toegepast.

  • 3. 
    Indien de ambtenaar met pensioen gaat voordat hij de in dit artikel vastgelegde pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, wordt slechts de helft van de in artikel 9, lid 1, onder b), van bijlage VIII vastgelegde vermindering toegepast voor de periode tussen de leeftijd van 60 jaar en de pensioengerechtigde leeftijd.
  • 4. 
    In afwijking van de tweede alinea van lid 1 van het enig artikel van bijlage IV ontvangt een ambtenaar waarvoor overeenkomstig lid 1 een pensioengerechtigde leeftijd van minder dan 65 jaar van toepassing is, de vergoeding waarin die bijlage voorziet onder de daarin vastgestelde voorwaarden tot de dag waarop hij zijn pensioengerechtigde leeftijd bereikt.

Na deze leeftijd en ten hoogste tot de leeftijd van 65 jaar, behoudt de ambtenaar evenwel deze vergoeding, zolang hij het maximale percentage van het ouderdomspensioen nog niet heeft bereikt, tenzij artikel 42 quater van het statuut van toepassing was.";

 

h)

artikel 23 wordt vervangen door:

"Artikel 23

  • 1. 
    Als artikel 52, onder a), van het statuut van toepassing is, wordt een ambtenaar die in dienst was vóór 1 januari 2014, onverminderd de bepalingen van artikel 50, automatisch op pensioen gesteld op de laatste dag van de maand waarin hij de leeftijd bereikt van 65 jaar. Voor ambtenaren die vóór 1 januari 2014 in dienst waren, worden de woorden "leeftijd van 66 jaar" in artikel 78, tweede alinea, en artikel 81 bis, lid 1, onder b), van het statuut en in artikel 12, lid 1, onder b), gelezen als "leeftijd van 65 jaar".
  • 2. 
    Niettegenstaande artikel 52 van het statuut kunnen ambtenaren die vóór 1 januari 2014 in dienst zijn getreden en de dienst beëindigen vóór de leeftijd waarop zij overeenkomstig artikel 22 recht zouden hebben op een ouderdomspensioen, verzoeken om toepassing van artikel 9, onder b), van bijlage VIII vanaf de leeftijd die overeenkomstig onderstaande tabel is vastgesteld:
 

a)

tot 31 december 2015 vanaf de leeftijd van 55 jaar;

 

b)

tot 31 december 2016 vanaf de leeftijd van 57 jaar.

  • 3. 
    In afwijking van artikel 50, achtste alinea, van het statuut heeft een ambtenaar die overeenkomstig artikel 50, eerste alinea, van het statuut met pensioen gaat om redenen van dienstbelang, recht op de betaling van een pensioen in overeenstemming met artikel 9 van bijlage VIII overeenkomstig onderstaande tabel:
 

Datum van de beslissing overeenkomstig artikel 50, eerste paragraaf

Leeftijd

tot 31 december 2016

55 jaar

na 31 december 2016

58 jaar".

 

i)

het volgende artikel wordt ingevoegd:

"Artikel 24 bis

Voor pensioenen die vóór 1 januari 2014 zijn vastgesteld, wordt het pensioenrecht van de rechthebbende ook na deze datum gehandhaafd volgens de regels die van toepassing waren op de datum waarop dit recht voor het eerst werd vastgesteld. Hetzelfde geldt voor dekking door het gemeenschappelijk stelsel van ziektekostenverzekering.";

 

j)

artikel 28 wordt vervangen door:

"Artikel 28

  • 1. 
    Functionarissen als bedoeld in artikel 2 van de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden waarvan de overeenkomst op 1 mei 2004 liep en die vervolgens vóór 1 januari 2014 tot ambtenaar worden benoemd, hebben bij pensionering recht op een actuariële aanpassing van de pensioenrechten die zij als tijdelijke functionaris hebben opgebouwd, rekening houdend met de verandering van hun pensioenleeftijd als bedoeld in artikel 77 van het statuut.
  • 2. 
    Functionarissen als bedoeld in artikel 2 en de artikelen 3 bis en 3 ter van de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden waarvan de overeenkomst op 1 januari 2014 loopt en die vervolgens tot ambtenaar worden benoemd, hebben bij pensionering recht op een actuariële aanpassing van de pensioenrechten die zij als tijdelijke functionaris of arbeidscontractant hebben opgebouwd, rekening houdend met de verandering van hun pensioenleeftijd als bedoeld in artikel 77 van het statuut, mits zij op 1 mei 2014 minstens 35 jaar oud zijn.";
 

k)

de volgende afdeling wordt toegevoegd:

"Afdeling 5

Artikel 30

  • 1. 
    In afwijking van punt 2 van afdeling A van bijlage I is het onderstaande overzicht van standaardfuncties in de functiegroep AD van toepassing op ambtenaren die op 31 december 2013 in dienst zijn:
 

Directeur-generaal

AD 15 – AD 16

Directeur

AD 14 – AD 15

Afdelingshoofd of gelijkwaardig

AD 9 – AD 14

Adviseur of gelijkwaardig

AD 13 – AD 14

Senior administrateur in de overgangsfase

AD 14

Administrateur in de overgangsfase

AD 13

Administrateur

AD 5 – AD 12

  • 2. 
    Met ingang van 1 januari 2014 deelt het tot aanstelling bevoegde gezag de ambtenaren in functiegroep AD die op 31 december 2013 in dienst zijn, als volgt in:
 

a)

De ambtenaren die op 31 december 2013 behoren tot rang AD 14 en niet directeur of gelijkwaardig, afdelingshoofd of gelijkwaardig of adviseur of gelijkwaardig zijn, worden in de standaardfunctie senior administrateur in de overgangsfase ingedeeld.

 

b)

De ambtenaren die op 31 december 2013 behoren tot rang AD 13 en niet afdelingshoofd of gelijkwaardig of adviseur of gelijkwaardig zijn, worden in de standaardfunctie administrateur in de overgangsfase ingedeeld.

 

c)

De ambtenaren die op 31 december 2013 behoren tot rang AD 9 tot en met AD 14 en afdelingshoofd of gelijkwaardig zijn, worden in de standaardfunctie afdelingshoofd of gelijkwaardig ingedeeld.

 

d)

De ambtenaren die op 31 december 2013 behoren tot rang AD 13 of AD 14 en adviseur of gelijkwaardig zijn, worden in de standaardfunctie adviseur of gelijkwaardig ingedeeld.

 

e)

De ambtenaren die op 31 december 2013 behoren tot rang AD 5 tot en met AD 12 en niet afdelingshoofd of gelijkwaardig zijn, worden in de standaardfunctie administrateur ingedeeld.

  • 3. 
    In afwijking van lid 2 kunnen ambtenaren die behoren tot rang AD 9 tot en met AD 14 en speciale verantwoordelijkheden hebben, vóór 31 december 2015 door het tot aanstelling bevoegde gezag in de standaardfunctie afdelingshoofd of gelijkwaardig of adviseur of gelijkwaardig worden ingedeeld. Elk tot aanstelling bevoegde gezag stelt bepalingen vast om aan dit artikel uitvoering te geven. Het totale aantal ambtenaren dat van deze bepaling profiteert, mag echter niet hoger zijn dan 5 % van het aantal ambtenaren in de functiegroep AD op 31 december 2013.
  • 4. 
    De indeling in een standaardfunctie geldt totdat aan de ambtenaar een nieuwe taak wordt toebedeeld die overeenstemt met een andere standaardfunctie.
  • 5. 
    Op voorwaarde dat zij voldoen aan de in artikel 44, eerste alinea, vastgestelde voorwaarden, ontvangen ambtenaren in rang AD 12, vijfde salaristrap met als functie administrateur vanaf 1 januari 2016 een verhoging van het basissalaris gelijk aan het verschil tussen het salaris van rang AD 12, salaristrap 4 en dat van rang AD 12, salaristrap 3.
  • 6. 
    Op voorwaarde dat zij voldoen aan de in artikel 44, eerste alinea, vastgestelde voorwaarden, ontvangen ambtenaren in rang AD 12, vijfde salaristrap met als functie administrateur op wie de maatregel in lid 5 van toepassing is, na twee jaar een bijkomende verhoging van het basissalaris gelijk aan het verschil tussen het salaris van rang AD 12, salaristrap 5 en dat van rang AD 12, salaristrap 4.
  • 7. 
    In afwijking van lid 5 zijn de volgende bepalingen van toepassing op ambtenaren in rang AD 12 met als functie administrateur die vóór 1 mei 2004 zijn aangeworven en niet werden bevorderd tussen 1 mei 2004 en 31 december 2013:
 

a)

op voorwaarde dat zij voldoen aan de in artikel 44, eerste alinea, vastgestelde voorwaarden, ontvangen ambtenaren in de achtste salaristrap vanaf 1 januari 2016 een verhoging van het basissalaris gelijk aan het verschil tussen het salaris van rang AD 12, salaristrap 4 en dat van rang AD 12, salaristrap 3;

 

b)

op voorwaarde dat de maatregel in punt a) op hen van toepassing is, ontvangen ambtenaren in salaristrap 8 na twee jaar een bijkomende verhoging van het basissalaris gelijk aan het verschil tussen het salaris van rang AD 12, salaristrap 5 en dat van rang AD 12, salaristrap 4.

  • 8. 
    Op voorwaarde dat zij voldoen aan de in artikel 44, eerste alinea, vastgestelde voorwaarden, ontvangen ambtenaren in rang AD 13, vijfde salaristrap met als functie administrateur in de overgangsfase vanaf 1 januari 2016 een verhoging van het basissalaris gelijk aan het verschil tussen het salaris van rang AD 13, salaristrap 4 en dat van rang AD 13, salaristrap 3.
  • 9. 
    Op voorwaarde dat zij voldoen aan de in artikel 44, eerste alinea, vastgestelde voorwaarden, ontvangen ambtenaren in rang AD 13, vijfde salaristrap met als functie administrateur in de overgangsfase op wie de maatregel in lid 8 van toepassing is, na twee jaar een bijkomende verhoging van het basissalaris gelijk aan het verschil tussen het salaris van rang AD 13, salaristrap 5 en dat van rang AD 13, salaristrap 4.
  • 10. 
    Ambtenaren die de in leden 5 tot en met 9 vastgestelde verhoging van het basissalaris ontvangen en vervolgens in dezelfde rang worden aangesteld tot afdelingshoofd of gelijkwaardig of adviseur of gelijkwaardig, behouden deze verhoging van het basissalaris.
  • 11. 
    In afwijking van de eerste zin van artikel 46 worden ambtenaren die in de eerstvolgende hogere rang worden benoemd en op wie de in leden 5, 6, 8 en 9 vastgestelde verhoging van het basissalaris van toepassing is, benoemd in de tweede salaristrap van die rang. Zij verliezen het voordeel van de in leden 5, 6, 8 en 9 vastgestelde verhoging van het basissalaris.
  • 12. 
    De in lid 7 vastgestelde verhoging van het basissalaris wordt niet betaald na bevordering en wordt niet opgenomen in de grondslag om de in artikel 7, lid 5, van bijlage XIII bedoelde verhoging van het basismaandsalaris te bepalen.

Artikel 31

  • 1. 
    In afwijking van punt 2 van afdeling A van bijlage I is het onderstaande overzicht van standaardfuncties in de functiegroep AST van toepassing op ambtenaren die op 31 december 2013 in dienst zijn:
 

Senior assistent in de overgangsfase

AST 10 – AST 11

Assistent in de overgangsfase

AST 1 – AST 9

Administratief assistent in de overgangsfase

AST 1 – AST 7

Ondersteunend medewerker in de overgangsfase

AST 1 – AST 5

  • 2. 
    Met ingang van 1 januari 2014 deelt het tot aanstelling bevoegde gezag de ambtenaren in functiegroep AST die op 31 december 2013 in dienst zijn, als volgt in:
 

a)

De ambtenaren die op 31 december 2013 behoren tot rang AST 10 of AST 11, worden als "senior assistent in de overgangsfase" ingedeeld.

 

b)

De ambtenaren die niet onder punt a) vallen en die vóór 1 mei 2004 tot de vroegere categorie B behoorden of die vóór 1 mei 2004 tot de vroegere categorie C of D behoorden en zonder beperking zijn toegetreden tot de functiegroep AST, alsook de ambtenaren die na 1 mei 2004 zijn aangeworven in de functiegroep AST, worden als assistent in de overgangsfase ingedeeld.

 

c)

De ambtenaren die niet onder de punten a) en b) vallen en die vóór 1 mei 2004 tot de vroegere categorie C behoorden, worden ingedeeld als administratief assistent in de overgangsfase.

 

d)

De ambtenaren die niet onder de punten a) en b) vallen en die vóór 1 mei 2004 tot de vroegere categorie D behoorden, worden ingedeeld als ondersteunend medewerker in de overgangsfase.

  • 3. 
    De indeling in een standaardfunctie geldt totdat aan de ambtenaar een nieuwe taak wordt toebedeeld die overeenstemt met een andere standaardfunctie. Administratieve assistenten in de overgangsfase en ondersteunende medewerkers in de overgangsfase kunnen enkel overeenkomstig de in artikelen 4 en 29, lid 1, van het statuut vastgestelde procedure worden benoemd in de standaardfunctie assistent zoals gedefinieerd in afdeling A van bijlage I. Bevordering wordt alleen toegestaan binnen de loopbaanstromen die overeenstemmen met elke in lid 1 vermelde standaardfunctie.
  • 4. 
    In afwijking van artikel 6, lid 1, van het statuut en van bijlage I, afdeling B, wordt het met het oog op bevordering vereiste aantal vacante betrekkingen in de volgende hogere rang apart berekend voor de ondersteunende medewerkers in de overgangsfase. De volgende vermenigvuldigingspercentages zijn van toepassing:
 
 

Rang

Percentage

Ondersteunende medewerkers in de overgangsfase

5

4

10 %

3

22 %

2

22 %

1

Voor de ondersteunende medewerkers in de overgangsfase wordt het vergelijkend onderzoek van de verdiensten (artikel 45, lid 1, van het statuut) verricht tussen de in aanmerking komende ambtenaren van deze rang en indeling.

  • 5. 
    De administratieve assistenten in de overgangsfase en de ondersteunende medewerkers in de overgangsfase die vóór 1 mei 2004 tot de vroegere categorie C of D behoorden, blijven overeenkomstig de bepalingen van bijlage VI recht hebben op compensatie in vrije tijd of op beloning, indien het belang van de dienst niet toestaat compensatie in vrije tijd te verlenen in de twee maanden volgende op die waarin de overuren werden verricht.
  • 6. 
    De ambtenaren die op grond van artikel 55 bis, lid 2, onder g), van het statuut en artikel 4 van bijlage IV bis bij het statuut deeltijds mochten werken voor een periode die vóór 1 januari 2014 van start ging en na die datum voortloopt, mogen tot ten hoogste vijf jaar onder dezelfde voorwaarden deeltijds blijven werken.
  • 7. 
    Voor ambtenaren wier pensioenleeftijd in overeenstemming met artikel 22 van deze bijlage minder dan 65 jaar bedraagt, mag de in artikel 55 bis, lid 2, onder g), van dit statuut bedoelde periode van drie jaar hun pensioenleeftijd overschrijden, zonder echter de leeftijd van 65 jaar te overschrijden.

Artikel 32

In afwijking van artikel 1, vierde alinea, eerste zin, van bijlage II bij het statuut hoeft de vertegenwoordiging van de functiegroep AST/SC in het personeelscomité niet te zijn verzekerd tot de volgende verkiezingen van een nieuw personeelscomité waarin de functiegroep AST/SC kan worden vertegenwoordigd.

Artikel 33

In afwijking van artikel 40, lid 2, van het statuut mag, wanneer een ambtenaar op 31 december 2013 meer dan 10 jaar over de gehele loopbaan op verlof om redenen van persoonlijke aard is geweest, het verlof om redenen van persoonlijke aard over de gehele loopbaan van de ambtenaar in totaal niet meer dan 15 jaar bedragen.".

Artikel 2

De regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Unie wordt als volgt gewijzigd:

 

1.

In artikel 1 wordt het tweede streepje geschrapt.

 

2.

In artikel 2 wordt het volgende punt toegevoegd:

 

"f)

het personeelslid, aangesteld om een ambt te vervullen dat is opgenomen in de lijst van het aantal ambten, gevoegd bij de afdeling van de begroting die op een agentschap in de zin van artikel 1 bis, lid 2, van het statuut betrekking heeft en aan welk ambt de begrotingsautoriteiten een tijdelijk karakter hebben verleend, met uitzondering van de hoofden van agentschappen en de adjunct-hoofden van agentschappen overeenkomstig het besluit van de Unie waarbij het agentschap wordt opgericht en ambtenaren die in het belang van de dienst aan een agentschap worden gedetacheerd.".

 

3.

Artikel 3 wordt geschrapt.

 

4.

In artikel 3 ter, onder b), wordt punt i) vervangen door:

 

"i)

ambtenaren of tijdelijke functionarissen in de functiegroepen AST/SC en AST;".

 

5.

In artikel 8, eerste alinea, worden de woorden "artikel 2, onder a)" vervangen door "artikel 2, onder a), of artikel 2, onder f)".

 

6.

In artikel 10 wordt lid 4 geschrapt.

 

7.

Artikel 11 wordt als volgt gewijzigd:

 

a)

in de eerste alinea worden in de eerste zin de woorden "de artikelen 11 tot en met 26" vervangen door "de artikelen 11 tot en met 26 bis";

 

b)

in de derde alinea worden de woorden "tweede alinea" vervangen door "derde alinea".

 

8.

Artikel 12 wordt als volgt gewijzigd:

 

a)

lid 1 wordt vervangen door:

"1.   De aanstelling van tijdelijke functionarissen is erop gericht de instelling de medewerking te verzekeren van personen die uit een oogpunt van vakbekwaamheid, prestatievermogen en integriteit aan de hoogste eisen voldoen en die uit de onderdanen van de lidstaten van de Unie zijn aangeworven met inachtneming van de breedst mogelijke geografische basis.

Bij de keuze van de tijdelijke functionarissen wordt geen onderscheid gemaakt ten aanzien van ras, politieke, filosofische of godsdienstige overtuiging, geslacht of seksuele geaardheid, burgerlijke staat of gezinssituatie.

Geen enkel ambt mag worden bestemd voor onderdanen van een bepaalde lidstaat. Op grond van het beginsel van gelijkheid van alle burgers van de Unie kan elke instelling echter passende maatregelen treffen, wanneer een aanzienlijke onevenwichtig in de nationaliteiten van de tijdelijke functionarissen wordt vastgesteld, die niet op grond van objectieve criteria gerechtvaardigd is. Deze passende maatregelen moeten gerechtvaardigd zijn en mogen er nooit toe leiden dat andere aanwervingscriteria gelden dan die welke op verdienste zijn gebaseerd. Voordat dergelijke passende maatregelen worden getroffen, stelt het in artikel 6, eerste alinea, bedoelde gezagsorgaan voor dit lid algemene uitvoeringsvoorschriften vast overeenkomstig artikel 110 van het statuut.

Na een periode van drie jaar die op 1 januari 2014 aanvangt, brengt de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad verslag uit over de uitvoering van de voorgaande alinea.

Om aanwervingen op de breedst mogelijke geografische basis te bevorderen, spannen de instellingen zich in voor de ondersteuning van meertalig en multicultureel onderwijs voor de kinderen van hun personeelsleden.";

 

b)

in lid 5 worden de woorden "Elke instelling" vervangen door "Het in artikel 6, eerste alinea, bedoelde gezagsorgaan".

 

9.

Artikel 14 wordt vervangen door:

"Artikel 14

  • 1. 
    Voor de tijdelijke functionaris geldt een proeftijd van negen maanden.

Wanneer de tijdelijke functionaris tijdens zijn proeftijd wegens ziekte, moederschapsverlof in de zin van artikel 58 van het statuut of ongeval gedurende een aaneengesloten periode van ten minste één maand verhinderd is zijn werkzaamheden te verrichten, kan het in artikel 6, eerste alinea, bedoelde gezagsorgaan de proeftijd met een overeenkomstige periode verlengen. De totale duur van de proeftijd kan in geen geval meer bedragen dan 15 maanden.

  • 2. 
    Ingeval een tijdelijke functionaris op proef duidelijk ongeschikt blijkt te zijn, kan er op ieder ogenblik voor het verstrijken van de proeftijd een rapport worden opgesteld.

Van dat rapport wordt kennis gegeven aan de betrokkene, die binnen acht werkdagen schriftelijk zijn opmerkingen kenbaar kan maken. Het rapport en de opmerkingen worden door de hiërarchieke meerdere van de tijdelijke functionaris onmiddellijk aan het in artikel 6, eerste alinea, bedoelde gezagsorgaan voorgelegd. Op grond van dat rapport kan het in artikel 6, eerste alinea, bedoelde gezagsorgaan besluiten de tijdelijke functionaris vóór het verstrijken van de proeftijd te ontslaan met inachtneming van een opzeggingstermijn van een maand, of de tijdelijke functionaris in een andere dienst tewerk te stellen voor de rest van de proeftijd.

  • 3. 
    Uiterlijk een maand vóór het verstrijken van zijn proeftijd wordt van de tijdelijke functionaris een beoordelingsrapport opgesteld inzake zijn geschiktheid voor het vervullen van de aan zijn functie verbonden taken, zijn prestaties en zijn gedrag in de dienst. Dit rapport wordt ter kennis gebracht van de tijdelijke functionaris, die binnen acht werkdagen schriftelijk zijn opmerkingen hierover kan maken.

Indien er op grond van dit rapport aanleiding bestaat om de arbeidscontractant te ontslaan of om, bij wijze van uitzondering, de proeftijd te verlengen, worden het rapport en de opmerkingen door de hiërarchieke meerdere van de tijdelijke functionaris onmiddellijk aan het in artikel 6, eerste alinea, bedoelde bevoegde gezag voorgelegd.

Een tijdelijke functionaris die zich qua werk of gedrag niet voldoende geschikt heeft getoond om na de proefperiode in zijn ambt te worden aangesteld, wordt ontslagen.

Het definitieve besluit wordt genomen op basis van het in dit lid bedoelde rapport alsook op basis van elementen betreffende het gedrag van de tijdelijke functionaris met betrekking tot titel II van het statuut waarover het in artikel 6, eerste alinea, bedoelde gezagsorgaan beschikt.

  • 4. 
    Een tijdelijk functionaris op proef die wordt ontslagen ontvangt een vergoeding, gelijk aan een derde van zijn basissalaris vermenigvuldigd met het aantal maanden werkelijk gepresteerde dienst.".
 

10.

In artikel 15, lid 1, wordt aan de eerste alinea de volgende zin toegevoegd:

"De tijdelijke functionaris die is ingedeeld overeenkomstig de door het in artikel 6, eerste alinea, bedoelde gezagsorgaan vastgestelde indelingscriteria, behoudt de salarisanciënniteit die hij in die hoedanigheid heeft verworven wanneer hij onmiddellijk na de voorafgaande periode van diensttijd als tijdelijk functionaris, opnieuw als tijdelijk functionaris in dezelfde rang wordt aangeworven.".

 

11.

Artikel 16 wordt vervangen door:

"Artikel 16

Het bepaalde in de artikelen 42 bis en 42 ter, en in de artikelen 55 tot en met 61 van het statuut betreffende arbeidsduur en rooster, overwerk, continudienst, wachtdiensten op het werk of thuis, verlof en feestdagen, zijn van overeenkomstige toepassing. Buitengewoon verlof, ouderschapsverlof en verlof om gezinsredenen kunnen niet na het einde van de overeenkomst worden voortgezet. Bovendien zijn de artikelen 41, 42, 45 en 46 van het statuut van overeenkomstige toepassing op de in artikel 29 van bijlage XIII bij het statuut bedoelde tijdelijke functionarissen, ongeacht de datum waarop ze zijn aangesteld.

Het ziekteverlof met behoud van bezoldiging als bedoeld in artikel 59 van het statuut bedraagt niet meer dan drie maanden of de duur van de reeds door de functionaris volbrachte diensttijd, wanneer die langer is. Dit verlof kan niet na het einde van de overeenkomst worden voortgezet.

Na het verstrijken van bovenstaande termijnen ontvangt de functionaris wiens dienst niet wordt beëindigd ondanks het feit dat hij zijn werkzaamheden nog niet kan hervatten, onbezoldigd ziekteverlof.

De functionaris die een beroepsziekte heeft opgedaan of aan wie ter gelegenheid van de uitoefening van zijn functie een ongeval is overkomen, blijft echter gedurende de gehele periode van zijn arbeidsongeschiktheid zijn volledige bezoldiging ontvangen zolang hij niet in het genot van het in artikel 33 bedoelde invaliditeitspensioen is gesteld.".

 

12.

Artikel 17 wordt vervangen door:

"Artikel 17

Bij wijze van uitzondering kan aan de tijdelijke functionaris op diens verzoek onbezoldigd verlof om dwingende redenen van persoonlijke aard worden verleend. Tijdens het verlof om redenen van persoonlijke aard blijft artikel 12 ter van het statuut van toepassing.

Aan een tijdelijk functionaris wordt geen machtiging krachtens artikel 12 ter toegekend voor de uitoefening van een al dan niet bezoldigde beroepsbezigheid die lobbyen of belangenbehartiging bij zijn instelling inhoudt, dan wel zou kunnen leiden tot het bestaan of de mogelijkheid van een conflict met de legitieme belangen van de dienst.

Het gezag bedoeld in artikel 6, eerste alinea, bepaalt de duur van dit verlof, dat een vierde van de duur van de reeds volbrachte diensttijd niet mag overschrijden en evenmin langer mag duren dan:

 

drie maanden wanneer de functionaris minder dan vier jaar anciënniteit heeft;

 

twaalf maanden in de andere gevallen.

De duur van het in de eerste alinea bedoelde verlof wordt niet in aanmerking genomen bij de toepassing van artikel 44, eerste alinea, van het statuut.

Tijdens de duur van het verlof van de tijdelijke functionaris wordt de dekking van de uit ziekte en ongevallen voortvloeiende kosten als bedoeld in artikel 28 geschorst.

Indien de tijdelijke functionaris echter geen winstgevende beroepsbezigheid uitoefent, kan hij op zijn verzoek, in te dienen uiterlijk in de maand volgende op het begin van het onbezoldigde verlof, verder in aanmerking blijven komen voor de dekking tegen de in artikel 28 bedoelde risico's op voorwaarde dat hij tijdens de duur van zijn verlof de helft van de benodigde bijdragen als bepaald in dat artikel voor zijn rekening neemt; de bijdragen worden berekend over het laatste basissalaris van de tijdelijke functionaris.

Voorts kan een tijdelijk functionaris in de zin van artikel 2, onder c) of d), die aantoont geen pensioenrechten via een andere pensioenregeling te kunnen verkrijgen, op zijn verzoek tijdens de duur van het onbezoldigde verlof verdere pensioenrechten blijven verwerven, op voorwaarde dat hij een bijdrage betaalt gelijk aan driemaal het in artikel 41 bedoelde percentage; de bijdragen worden berekend op grond van het basissalaris van de tijdelijke functionaris, overeenkomstig met zijn rang en salaristrap.

Het moederschapsverlof en de uitbetaling ervan worden gewaarborgd voor vrouwen voor wie het moederschapsverlof is ingegaan vóór het eind van hun contract.".

 

13.

Artikel 20 wordt als volgt gewijzigd:

 

a)

in lid 1 wordt het woord "aanpassing" vervangen door "actualisering";

 

b)

in lid 3 worden de woorden "speciale heffing" vervangen door "solidariteitsheffing";

 

c)

lid 4 wordt vervangen door:

"4.   Artikel 44 van het statuut is van overeenkomstige toepassing op de tijdelijke functionarissen.".

 

14.

Artikel 28 bis wordt als volgt gewijzigd:

 

a)

in de laatste zin van lid 3 wordt het woord "aangepast" vervangen door "geactualiseerd";

 

b)

in lid 10 worden de woorden "de instellingen van de Unie" vervangen door "de in artikel 6, eerste alinea, bedoelde gezagsorganen van de instellingen";

 

c)

lid 11 wordt vervangen door:

"Om de twee jaar legt de Commissie een verslag over de financiële situatie van de regeling inzake de werkloosheidsverzekering voor. Los van dat verslag kan de Commissie door middel van gedelegeerde handelingen overeenkomstig de artikelen 111 en 112 van het statuut de in lid 7 van dit artikel bedoelde bijdragen aanpassen, als het evenwicht van de regeling dat vereist.".

 

15.

In artikel 33 worden de woorden "leeftijd van 65 jaar" vervangen door "leeftijd van 66 jaar".

 

16.

Artikel 34 wordt vervangen door:

"Artikel 34

De rechtverkrijgenden van een overleden functionaris, zoals deze worden omschreven in hoofdstuk 4 van bijlage VIII van het statuut, genieten overlevingspensioen overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 35 tot en met 38.

Bij overlijden van een gewezen functionaris die een invaliditeitsuitkering ontving, alsmede bij overlijden van een gewezen functionaris als bedoeld in artikel 2, onder a), c), d), e) of f), die een ouderdomspensioen genoot dan wel zijn dienst vóór het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd had beëindigd en had verzocht om uitstel van de toekenning van het genot van ouderdomspensioen tot de eerste dag van de kalendermaand volgende op die waarin hij de pensioengerechtigde leeftijd zou hebben bereikt, hebben de rechtverkrijgenden zoals die in hoofdstuk 4 van bijlage VIII van het statuut zijn bepaald, onder de in die bijlage vastgestelde voorwaarden recht op overlevingspensioen.

Op de echtgenoot en de personen die worden aangemerkt als ten laste komend van een functionaris, van een gewezen functionaris die een invaliditeitsuitkering ontvangt of een ouderdomspensioen geniet, of van een gewezen functionaris die zijn dienst vóór de pensioengerechtigde leeftijd had beëindigd en verzocht had in het genot te worden gesteld van een tot de eerste dag van de kalendermaand, volgende op die waarin hij de pensioengerechtigde leeftijd zou hebben bereikt, uitgesteld ouderdomspensioen, zijn de bepalingen van de hoofdstukken 5 en 6 van bijlage VIII van het statuut betreffende de voorlopige pensioenen van overeenkomstige toepassing, wanneer de verblijfplaats van die functionaris of gewezen functionaris sedert meer dan één jaar onbekend is.".

 

17.

In artikel 36 worden in de derde zin de woorden "artikel 2, onder a), c) of d)" vervangen door "artikel 2, onder a), c), d), e) of f)".

 

18.

In artikel 37 worden in de vierde alinea de woorden "63-jarige leeftijd" vervangen door "pensioenleeftijd" en worden de woorden "artikel 2, onder a), c) of d)" vervangen door "artikel 2, onder a), c), d), e) of f)".

 

19.

In artikel 39 wordt lid 1 vervangen door:

"1.   Bij beëindiging van de dienst heeft de in artikel 2 bedoelde functionaris recht op een ouderdomspensioen, op overschrijving van de actuariële tegenwaarde of op een uitkering bij vertrek onder de voorwaarden vastgesteld in titel V, hoofdstuk 3, van het statuut en in bijlage VIII bij het statuut. Wanneer de functionaris recht heeft op een ouderdomspensioen, worden zijn pensioenrechten verminderd naar evenredigheid van het bedrag van de betalingen die ingevolge artikel 42 zijn gedaan.".

 

20.

In artikel 42 wordt de eerste alinea vervangen door:

"Onder door het in artikel 6, eerste alinea, bedoelde gezagsorgaan te bepalen voorwaarden kan een functionaris dit gezagsorgaan verzoeken de betalingen te doen die hij eventueel moet verrichten voor de totstandkoming of handhaving van zijn pensioenrechten in zijn land van herkomst.".

 

21.

Artikel 47 wordt vervangen door:

"Artikel 47

Afgezien van overlijden eindigt de dienst van tijdelijke functionarissen:

 

a)

aan het einde van de maand waarin de functionaris de leeftijd van 66 jaar bereikt, of, indien van toepassing, op de datum die overeenkomstig artikel 52, tweede en derde alinea, van het statuut is vastgesteld; of

 

b)

bij overeenkomsten voor bepaalde tijd:

 

i)

op het tijdstip dat in de overeenkomst is bepaald;

 

ii)

na afloop van de opzeggingstermijn die in de overeenkomst is vastgesteld en op grond waarvan de functionaris of de instelling de mogelijkheid heeft de overeenkomst op te zeggen voordat de geldigheidsduur ervan is verstreken. Deze opzeggingstermijn moet ten minste één maand per volbracht dienstjaar bedragen, met een minimum van één maand en een maximum van drie maanden. Voor tijdelijke functionarissen van wie de overeenkomst verlengd is, mag de opzeggingstermijn ten hoogste zes maanden bedragen. De opzeggingstermijn mag evenwel niet ingaan tijdens een met een medisch attest bevestigde zwangerschap, tijdens een moederschapsverlof of tijdens een ziekteverlof voor zover dit niet langer dan drie maanden duurt. Voorts wordt de opzeggingstermijn tijdens een met een medisch attest bevestigde zwangerschap, tijdens een moederschapsverlof of tijdens een ziekteverlof binnen bovengenoemde grens geschorst. Bij opzegging van de overeenkomst door de instelling heeft de functionaris recht op een vergoeding gelijk aan een derde van zijn basissalaris over het tijdvak tussen de datum waarop zijn dienst eindigt en die waarop de geldigheidsduur van zijn overeenkomst verstrijkt;

 

iii)

wanneer hij niet meer voldoet aan de in artikel 12, lid 2, onder a), vastgestelde voorwaarden, onverminderd de eventuele toepassing van de in dat artikel bedoelde uitzondering. Als een dergelijke uitzondering niet wordt toegestaan, is de in punt ii) bedoelde opzeggingstermijn van toepassing; of

 

c)

bij overeenkomsten voor onbepaalde tijd:

 

i)

na afloop van de in de overeenkomst vastgestelde opzeggingstermijn; deze moet ten minste één maand per volbracht dienstjaar bedragen, met een minimum van drie maanden en een maximum van tien maanden. De opzeggingstermijn mag evenwel niet ingaan tijdens een met een medisch attest bevestigde zwangerschap, tijdens een moederschapsverlof of tijdens een ziekteverlof voor zover dit niet langer dan drie maanden duurt. Voorts wordt de opzeggingstermijn tijdens een met een medisch attest bevestigde zwangerschap, tijdens een moederschapsverlof of tijdens een ziekteverlof binnen bovengenoemde grens geschorst; of

 

ii)

wanneer hij niet meer voldoet aan de in artikel 12, lid 2, onder a), vastgestelde voorwaarden, onverminderd de eventuele toepassing van de in dat artikel bedoelde uitzondering. Als een dergelijke uitzondering niet wordt toegestaan, is de in punt i) bedoelde opzeggingstermijn van toepassing.".

 

22.

Het volgende artikel wordt ingevoegd:

"Artikel 48 bis

Tijdens een zittingsperiode kan artikel 50 van het statuut op overeenkomstige wijze worden toegepast op maximaal vijf tijdelijke functionarissen van fracties in het Europees Parlement in rang AD 15 of AD 16, mits zij de leeftijd van 55 jaar hebben bereikt, 25 dienstjaren in de instellingen hebben verricht en ten minste 2,5 jaar anciënniteit in hun laatste rang hebben.".

 

23.

In artikel 50 quater wordt lid 2 geschrapt.

 

24.

Aan titel II wordt het volgende hoofdstuk toegevoegd:

"HOOFDSTUK 11

BIJZONDERE BEPALINGEN VOOR TIJDELIJKE FUNCTIONARISSEN ALS BEDOELD IN ARTIKEL 2, ONDER F)

Artikel 51

Artikel 37, met uitzondering van de eerste alinea, onder b), en artikel 38 van het statuut zijn van overeenkomstige toepassing op de in artikel 2, onder f), bedoelde tijdelijke functionarissen.

Artikel 52

In afwijking van artikel 17, derde alinea, kan aan de in artikel 2, onder f), bedoelde tijdelijke functionarissen met een overeenkomst van onbepaalde duur, ongeacht hun anciënniteit, onbezoldigd verlof worden verleend dat niet langer mag duren dan een jaar.

Dergelijk verlof mag over de gehele loopbaan van de functionaris in totaal niet meer dan twaalf jaar bedragen.

Een andere persoon kan worden aangeworven voor het ambt dat door de tijdelijke functionaris wordt vervuld.

Na het verstrijken van zijn verlof moet de tijdelijke functionaris bij de eerste vacature worden herplaatst in een tot zijn functiegroep behorend ambt dat met zijn rang overeenkomt, mits hij de voor dit ambt vereiste geschiktheid bezit. Indien hij het hem aangeboden ambt weigert, behoudt hij, onder dezelfde voorwaarden, het recht om bij de tweede vacature te worden herplaatst in een tot zijn functiegroep behorend ambt dat met zijn rang overeenkomt; indien hij een tweede maal weigert, kan de instelling hem zonder opzegtermijn zijn ontslag geven. Tot de datum van zijn daadwerkelijke herplaatsing of detachering blijft de functionaris met verlof om redenen van persoonlijke aard zonder bezoldiging.

Artikel 53

De in artikel 2, onder f), bedoelde tijdelijke functionaris wordt aangeworven op basis van een selectieprocedure die door een of meer agentschappen wordt georganiseerd. Het Europees Bureau voor Personeelsselectie biedt, op verzoek van het betrokken agentschap of de betrokken agentschappen, de agentschappen bijstand, met name bij het vaststellen van de inhoud van de examens en het organiseren van de selectieprocedures. Het Bureau garandeert de transparantie van de selectieprocedure.

In geval van een externe selectieprocedure worden de in artikel 2, onder f), bedoelde tijdelijke functionarissen alleen in de rangen SC 1 tot SC 2, AST 1 tot en met AST 4 of AD 5 tot en met AD 8 aangeworven. Het agentschap kan echter zo nodig en in naar behoren gemotiveerde gevallen de aanwerving toestaan in de rangen AD 9, AD 10, AD 11 en, bij wijze van uitzondering, in rang AD 12, voor ambten met overeenkomstige verantwoordelijkheden en binnen de grenzen van de goedgekeurde personeelsformatie. Het totale aantal aanwervingen in de rangen AD 9 tot en met AD 12 in een agentschap mag niet meer bedragen dan 20 % van het totale aantal aanwervingen van tijdelijke functionarissen in de functiegroep AD, berekend over een periode van vijf jaar.

Artikel 54

Bij de in artikel 2, onder f), bedoelde tijdelijke functionarissen geschiedt indeling in de eerstvolgende hogere rang uitsluitend door selectie onder de functionarissen die een diensttijd van ten minste twee jaar in hun rang hebben volbracht, op grond van een vergelijkend onderzoek van de verdiensten van die tijdelijke functionarissen en van de beoordelingsrapporten die over hen zijn uitgebracht. Artikel 45, lid 1, laatste zin, en artikel 45, lid 2, van het statuut zijn van overeenkomstige toepassing. De vermenigvuldigingsfactoren voor de gelijkwaardigheid van gemiddelde loopbaanprofielen, die in bijlage I, afdeling B, bij het statuut zijn opgenomen voor ambtenaren, mogen niet worden overschreden.

Elk agentschap stelt voor dit artikel uitvoeringsbepalingen vast overeenkomstig artikel 110 van het statuut.

Artikel 55

Een in artikel 2, onder f), bedoelde tijdelijke functionaris die, na een interne bekendmaking van een vacature, een ander ambt binnen zijn functiegroep vervult, mag niet in een lagere rang of een lagere salaristrap worden ingedeeld dan de rang en de salaristrap die bij zijn vorige ambt hoorden, mits zijn rang een van de in de kennisgeving van de vacature vermelde rangen is.

Deze bepalingen zijn ook van toepassing als de betrokken tijdelijke functionaris onmiddellijk na het verstrijken van een overeenkomst als tijdelijk functionaris met een agentschap, een nieuwe overeenkomst sluit met een ander agentschap.

Artikel 56

Elk agentschap stelt algemene bepalingen vast inzake de procedures voor het aanwerven en het inzetten van tijdelijke functionarissen in de zin van artikel 2, onder f), overeenkomstig artikel 110, lid 2, van het statuut.".

 

25.

Titel III wordt geschrapt.

 

26.

In artikel 79, lid 2, worden de woorden "Elke instelling" vervangen door "Het in artikel 6, eerste alinea, bedoelde gezagsorgaan".

 

27.

Artikel 80 wordt als volgt gewijzigd:

 

a)

lid 3 wordt vervangen door:

"3.   Het in artikel 6, eerste alinea, bedoelde gezagsorgaan van iedere instelling, agentschap of entiteit als bedoeld in artikel 3 bis kan, na raadpleging van het comité voor het statuut, de aan ieder type werkzaamheden verbonden bevoegdheden nader vaststellen op basis van deze tabel.";

 

b)

lid 4 wordt vervangen door:

"4.   De artikelen 1 quinquies en 1 sexies van het statuut zijn van overeenkomstige toepassing.".

 

28.

Artikel 82 wordt als volgt gewijzigd:

 

a)

in lid 6 worden de woorden "Elke instelling" vervangen door "Het in artikel 6, eerste alinea, bedoelde gezagsorgaan";

 

b)

het volgende lid wordt toegevoegd:

"7.   Arbeidscontractanten in de functiegroepen II, III en IV mogen slechts aan interne vergelijkende onderzoeken deelnemen nadat zij drie dienstjaren in de instelling hebben volbracht. Arbeidscontractanten in functiegroep II krijgen alleen toegang tot vergelijkende onderzoeken in de rangen SC 1 en 2, arbeidscontractanten in functiegroep III tot vergelijkende onderzoeken in de rangen AST 1 en 2 en arbeidscontractanten in functiegroep IV tot vergelijkende onderzoeken in de rangen AD 5 en 6. Het totale aantal kandidaten die arbeidscontractanten zijn op openstaande posten en die worden aangesteld in een van deze rangen, mag nooit meer bedragen dan 5 % van het totale aantal aanstellingen in deze functiegroepen dat jaarlijks plaatsvindt krachtens artikel 30, tweede alinea, van het statuut.".

 

29.

Artikel 84 wordt vervangen door:

"Artikel 84

  • 1. 
    De arbeidscontractant met een overeenkomst voor ten minste één jaar doorloopt een proeftijd gedurende de eerste zes maanden van zijn diensttijd als hij tot functiegroep I behoort en gedurende de eerste negen maanden als hij tot een van de overige functiegroepen behoort.

Wanneer een arbeidscontractant tijdens zijn proeftijd wegens ziekte, ouderschapsverlof uit hoofde van artikel 58 van het statuut of ongeval gedurende een aaneensluitende periode van ten minste één maand verhinderd is zijn werkzaamheden te verrichten, kan het in artikel 6, eerste alinea, bedoelde bevoegde gezag de proeftijd met een overeenkomstige periode verlengen. De totale duur van de proeftijd kan in geen geval meer bedragen dan 15 maanden.

  • 2. 
    Indien een arbeidscontractant duidelijk ongeschikt blijkt te zijn, kan op ieder ogenblik vóór het einde van de proeftijd een beoordelingsrapport worden opgesteld.

Dit rapport wordt ter kennis gebracht van de betrokkene, die binnen acht werkdagen schriftelijk zijn opmerkingen kenbaar kan maken. Het rapport en de opmerkingen worden door de hiërarchieke meerdere van de arbeidscontractant onmiddellijk aan het in artikel 6, eerste alinea, bedoelde gezagsorgaan voorgelegd. Op basis van het rapport kan het in artikel 6, eerste alinea, bedoelde gezagsorgaan besluiten de arbeidscontractant vóór het einde van de proeftijd, met een opzeggingstermijn van één maand, te ontslaan, of de arbeidscontractant in een andere dienst tewerk te stellen voor de rest van de proeftijd.

  • 3. 
    Uiterlijk een maand vóór het verstrijken van zijn proeftijd wordt van de arbeidscontractant een beoordelingsrapport opgesteld inzake zijn geschiktheid voor het vervullen van de aan zijn functie verbonden taken, zijn prestaties en zijn gedrag in de dienst. Dit rapport wordt ter kennis gebracht van de arbeidscontractant, die binnen acht werkdagen schriftelijk zijn opmerkingen hierover kan maken.

Indien er op grond van dit rapport aanleiding bestaat om de arbeidscontractant te ontslaan of om, bij wijze van uitzondering, de proeftijd te verlengen, worden het rapport en de opmerkingen door de hiërarchieke meerdere van de arbeidscontractant onmiddellijk aan het in artikel 6, eerste alinea, bedoelde gezagsorgaan voorgelegd.

Een arbeidscontractant die zich qua werk of gedrag niet voldoende geschikt heeft getoond om na de proefperiode in zijn ambt te worden aangesteld, wordt ontslagen.

Het definitieve besluit wordt genomen op basis van het in dit lid bedoelde rapport alsook op basis van elementen betreffende het gedrag van de arbeidscontractant met betrekking tot titel II van het statuut waarover het in artikel 6, eerste alinea, bedoelde gezagsorgaan beschikt.

  • 4. 
    Wanneer een arbeidscontractant tijdens zijn proeftijd wordt ontslagen, ontvangt hij een vergoeding gelijk aan een derde van zijn basissalaris per doorlopen proeftijdmaand.".
 

30.

In artikel 85, lid 3, worden de woorden "artikel 314 van het EG-Verdrag" vervangen door de woorden "artikel 55, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie".

 

31.

Artikel 86, lid 1, wordt als volgt gewijzigd:

 

a)

aan de tweede alinea wordt de volgende zin toegevoegd:

"Artikel 32, tweede alinea, van het statuut is evenwel van overeenkomstige toepassing op arbeidscontractanten die in rang 1 worden aangeworven.";

 

b)

de volgende alinea wordt toegevoegd:

"Voor dit lid worden algemene uitvoeringsbepalingen vastgesteld overeenkomstig artikel 110 van het statuut.".

 

32.

In artikel 88, eerste alinea, worden in punt b) de woorden "drie jaar" vervangen door "zes jaar".

 

33.

Artikel 91 wordt vervangen door:

"Artikel 91

De artikelen 16 tot en met 18 zijn van overeenkomstige toepassing.

De tweede zin van artikel 55, lid 4, van het statuut is niet van overeenkomstige toepassing op arbeidscontractanten.

Overuren die door arbeidscontractanten in de functiegroepen III en IV worden verricht, geven geen recht op compensatie of beloning.

Overuren die door arbeidscontractanten in de functiegroepen I en II worden verricht, geven, onder de voorwaarden van bijlage VI bij het statuut, recht op compensatie in vrije tijd of, indien het belang van de dienst niet toestaat compensatie te verlenen in de twee maanden volgende op die waarin de overuren werden verricht, op beloning.".

 

34.

In artikel 95 worden de woorden "leeftijd van 63 jaar" vervangen door "pensioengerechtigde leeftijd".

 

35.

Artikel 96 wordt als volgt gewijzigd:

 

a)

in lid 3 wordt het woord "aangepast" vervangen door "geactualiseerd";

 

b)

lid 11 wordt vervangen door:

"11.   Om de twee jaar legt de Commissie een verslag over de financiële situatie van de regeling inzake de werkloosheidsverzekering voor. Los van dat verslag kan de Commissie door middel van gedelegeerde handelingen overeenkomstig de artikelen 112 en 112 van het statuut de in lid 7 bedoelde bijdragen aanpassen, als het evenwicht van de regeling dat vereist.".

 

36.

In de tweede zin van artikel 101, lid 1, tweede alinea, worden de woorden "leeftijd van 65 jaar" vervangen door "leeftijd van 66 jaar".

 

37.

Artikel 103 wordt als volgt gewijzigd:

 

a)

lid 2 wordt vervangen door:

"2.   Bij overlijden van een gewezen arbeidscontractant die een invaliditeitsuitkering ontvangt of van een gewezen arbeidscontractant die een ouderdomspensioen ontvangt of die de dienst vóór het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd heeft beëindigd en om een tot de eerste dag van de kalendermaand volgende op die waarin hij de pensioengerechtigde leeftijd zou hebben bereikt, uitgesteld ouderdomspensioen heeft verzocht, hebben de rechtverkrijgenden als bedoeld in hoofdstuk 4 van bijlage VIII bij het statuut, recht op een overlevingspensioen onder de in deze bijlage vermelde voorwaarden.";

 

b)

lid 3 wordt vervangen door:

"3.   Wanneer de verblijfplaats van een arbeidscontractant die een invaliditeitsuitkering of een ouderdomspensioen ontvangt of van een gewezen arbeidscontractant die de dienst vóór het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd heeft beëindigd en om een tot de eerste dag van de kalendermaand volgende op die waarin hij de pensioengerechtigde leeftijd bereikt, uitgesteld ouderdomspensioen heeft verzocht, gedurende langer dan een jaar onbekend is, zijn de bepalingen van de hoofdstukken 5 en 6 van bijlage VIII bij het statuut, betreffende de voorlopige pensioenen, van overeenkomstige toepassing op de echtgenoot en de personen die als te zijnen laste komend zijn aangemerkt.".

 

38.

In artikel 106, lid 4, worden de woorden "63-jarige leeftijd" vervangen door "pensioengerechtigde leeftijd".

 

39.

In artikel 120 worden de woorden "elke instelling" vervangen door "het in artikel 6, eerste alinea, bedoelde gezagsorgaan".

 

40.

Het volgende artikel wordt ingevoegd:

"Artikel 132 bis

Overeenkomstig de in artikel 125, lid 1, bedoelde uitvoeringsbepalingen en op uitdrukkelijk verzoek van het lid of de leden dat/die zij assisteren, kunnen geaccrediteerde parlementaire medewerkers uit de vergoeding voor parlementaire medewerkers van het desbetreffende lid eenmalig een inrichtingsvergoeding ontvangen mits zij aantonen dat zij genoodzaakt waren van woonplaats te veranderen. Het bedrag van de vergoeding is niet hoger dan één maand basissalaris van de medewerker.".

 

41.

Artikel 139 wordt als volgt gewijzigd:

 

a)

lid 1 wordt als volgt gewijzigd:

 

i)

punt b) wordt vervangen door:

 

"b)

aan het einde van de maand waarin de geaccrediteerde parlementaire medewerker de leeftijd van 66 jaar bereikt, of, bij wijze van uitzondering, op de datum die overeenkomstig artikel 52, tweede en derde alinea, van het statuut is vastgesteld;";

 

ii)

punt d) wordt vervangen door:

 

"d)

rekening houdend met het feit dat vertrouwen de basis vormt van de beroepsrelatie tussen het lid en zijn geaccrediteerde parlementaire medewerker, na afloop van de opzeggingstermijn die is vastgesteld in de overeenkomst en op grond waarvan de geaccrediteerde parlementaire medewerker of het Europees Parlement, handelend op verzoek van het lid of de leden van het Europees Parlement ter assistering van wie de geaccrediteerde parlementaire medewerker is aangeworven, het recht heeft de overeenkomst op te zeggen voordat de geldigheidsduur ervan is verstreken. Deze opzeggingstermijn moet ten minste één maand per volbracht dienstjaar bedragen, met een minimum van één maand en een maximum van drie maanden. De opzeggingstermijn mag evenwel niet ingaan tijdens een met een medisch attest bevestigde zwangerschap, tijdens een moederschapsverlof of tijdens een ziekteverlof voor zover dit niet langer dan drie maanden duurt. Voorts wordt de opzeggingstermijn tijdens een met een medisch attest bevestigde zwangerschap, tijdens een moederschapsverlof of tijdens een ziekteverlof binnen deze grens geschorst;";

 

b)

het volgende lid wordt ingevoegd:

"3 bis.   De in artikel 125, lid 1, bedoelde uitvoeringsbepalingen voorzien in een bemiddelingsprocedure die van toepassing is vóór de opzegging van het contract van een geaccrediteerde parlementaire medewerker, op verzoek van het lid of de leden van het Europees Parlement ter assistering van wie de geaccrediteerde parlementaire medewerker is aangeworven, in overeenstemming met lid 1, onder d), en lid 3.".

 

42.

In artikel 141 worden de woorden "elke instelling" vervangen door "het in artikel 6, eerste alinea, bedoelde gezagsorgaan".

 

43.

Het volgende artikel wordt ingevoegd:

"Artikel 142 bis

De Commissie legt uiterlijk 31 december 2020 aan het Europees Parlement en de Raad een verslag voor waarin de werking van deze regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden wordt beoordeeld.".

 

44.

De bijlage wordt als volgt gewijzigd:

 

a)

aan artikel 1, lid 1, worden de volgende zinnen toegevoegd:

"Artikel 21, artikel 22, met uitzondering van lid 4, artikel 23, artikel 24 bis en artikel 31, leden 6 en 7, van die bijlage zijn van overeenkomstige toepassing op andere personeelsleden die op 31 december 2013 in dienst zijn. Artikel 30 en artikel 31, leden 1, 2, 3 en 5, van die bijlage zijn van overeenkomstige toepassing op tijdelijke functionarissen die op 31 december 2013 in dienst zijn. Voor personeelsleden die vóór 1 januari 2014 in dienst getreden zijn, worden de woorden "leeftijd van 66 jaar" in artikel 33, lid 1, tweede alinea, in artikel 47, onder a), in artikel 101, lid 1, tweede alinea, en in artikel 139, lid 1, onder b), van de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden gelezen als "leeftijd van 65 jaar".";

 

b)

het volgende artikel wordt toegevoegd:

"Artikel 6

Met ingang van 1 januari 2014 worden de overeenkomsten van de in artikel 2, onder a), van de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden bedoelde tijdelijke functionarissen die op 31 december 2013 bij een agentschap in dienst zijn, zonder selectieprocedure omgevormd in overeenkomsten die vallen onder punt f) van artikel 2 van deze regeling. De voorwaarden van de overeenkomst blijven voor het overige ongewijzigd. Dit artikel is niet van toepassing op de overeenkomsten van tijdelijke functionarissen die zijn aangeworven als hoofd of adjunct-hoofd van een agentschap overeenkomstig het besluit van de Unie waarbij het agentschap wordt opgericht of op functionarissen die in het belang van de dienst naar een agentschap zijn gedetacheerd.".

Artikel 3

  • 1. 
    Deze verordening treedt in werking op de derde dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
  • 2. 
    Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2014, met uitzondering van artikel 1, punt 44, en artikel 1, punt 73, onder d), die van toepassing zijn met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze verordening.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Straatsburg, 22 oktober 2013.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

  • M. 
    SCHULZ

Voor de Raad

De voorzitter

  • V. 
    LEŠKEVIČIUS
 

  • (1) 
    Advies van 22 maart 2012 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).
  • (3) 
    Standpunt van het Europees Parlement van 2 juli 2013 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en Besluit van de Raad van 10 oktober 2013.
  • (4) 
    Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen zoals vervat in Verordening (EEG, Euratom, EGKS) nr. 259/68 van de Raad (PB L 56 van 4.3.1968, blz. 1).
  • (5) 
    Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2000 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de communautaire instellingen en organen en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB L 8 van 12.1.2001, blz. 1).".
  • (6) 
    Verordening (EGKS, EEG, Euratom) nr. 300/76 van de Raad van 9 februari 1976 tot vaststelling van de categorieën van begunstigden, de voorwaarden voor toekenning en de hoogte van de toeslagen die kunnen worden toegekend aan ambtenaren die hun werkzaamheden verrichten in het kader van een continu- of ploegendienst (PB L 38 van 13.2.1976, blz. 1).
  • (7) 
    Verordening (EEG, Euratom, EGKS) nr. 260/68 van de Raad van 29 februari 1968 tot vaststelling van de voorwaarden en de wijze van heffing van de belasting ten bate van de Europese Gemeenschappen (PB L 56 van 4.3.1068, blz. 8).".
  • (8) 
    Verordening (EEG, Euratom, EGKS) nr. 259/68 van de Raad van 29 februari 1968 tot vaststelling van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen en de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van deze Gemeenschappen, alsmede van bijzondere maatregelen welke tijdelijk op de ambtenaren van de Commissie van toepassing zijn (PB L 56 van 4.3.1968, blz. 1).
  • (9) 
    Verordening (Euratom, EGKS, EEG) nr. 2530/72 van de Raad van 4 december 1972 tot vaststelling van de bijzondere tijdelijke maatregelen betreffende de aanwerving van ambtenaren van de Europese Gemeenschappen ingevolge de toetreding van nieuwe lidstaten, alsmede betreffende de beëindiging van de dienst van ambtenaren van deze Gemeenschappen (PB L 272 van 5.12. 1972, blz. 1).
  • Verordening (EGKS, EEG, Euratom) nr. 1543/73 van de Raad van 4 juni 1973 tot vaststelling van de bijzondere maatregelen welke tijdelijk van toepassing zijn op de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen die bezoldigd worden uit de kredieten voor onderzoek en investeringen (PB L 155 van 11.6.1973, blz. 1).".
  • Het aantal parlementsboden bij het Europees Parlement mag niet meer bedragen dan 85.";
  • Verordening (EG) nr. 223/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2009 betreffende de Europese statistiek en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) betreffende de toezending van onder de statistische geheimhoudingsplicht vallende gegevens aan het Bureau voor de Statistiek van de Europese Gemeenschappen, Verordening (EG) nr. 322/97 van de Raad betreffende de communautaire statistiek en Besluit 89/382/EEG, Euratom van de Raad tot oprichting van een Comité statistisch programma van de Europese Gemeenschappen (PB L 87 van 31.3.2009, blz. 164).
  • Verordening (EU) nr. 1023/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2013 tot wijziging van het statuut van de ambtenaren van de Europese Unie en de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Unie (PB L 287 van 29.10.2013, blz. 15).";
 

Deze samenvatting is overgenomen van EUR-Lex.