Verordening 2021/692 - Programma “Burgers, gelijkheid, rechten en waarden”

1.

Wettekst

5.5.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 156/1

 

VERORDENING (EU) 2021/692 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 28 april 2021

tot vaststelling van het programma “Burgers, gelijkheid, rechten en waarden” en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 1381/2013 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (EU) nr. 390/2014 van de Raad

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 16, lid 2, artikel 19, lid 2, artikel 21, lid 2, artikel 24, artikel 167 en artikel 168,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Gezien het advies van het Comité van de Regio’s (2),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (3),

Overwegende hetgeen volgt:

 

(1)

Overeenkomstig artikel 2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) zijn de waarden waarop de Unie berust, eerbied voor de menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid, de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten, waaronder de rechten van personen die tot minderheden behoren. Die waarden hebben de lidstaten gemeen in een samenleving die gekenmerkt wordt door pluralisme, non-discriminatie, verdraagzaamheid, rechtvaardigheid, solidariteit en gelijkheid van vrouwen en mannen. Voorts bepaalt artikel 3 VEU dat de Unie als doel heeft de vrede, haar waarden en het welzijn van haar volkeren te bevorderen en dat de Unie haar rijke verscheidenheid van cultuur en taal moet eerbiedigen en moet toezien op de instandhouding en de ontwikkeling van het Europese culturele erfgoed. Die waarden worden bevestigd en verwoord in de rechten, vrijheden en beginselen die zijn vastgelegd in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (“het Handvest”).

 

(2)

Het is van cruciaal belang dat die rechten en waarden voortdurend actief worden ontwikkeld, beschermd, bevorderd, gehandhaafd en verspreid onder de burgers en volkeren, en dat ze centraal blijven staan in het project van de Unie: als de bescherming van die rechten en waarden in een lidstaat verslechtert, kan dit immers schadelijke gevolgen hebben voor de Unie in haar geheel. Daarom dient in de algemene begroting van de Unie een nieuwe post Fonds voor justitie, rechten en waarden te worden opgenomen, bestaande uit het programma “Burgers, gelijkheid, rechten en waarden” en het programma “Justitie”, dat werd vastgesteld bij Verordening (EU) 2021/693 van het Europees Parlement en de Raad (4). Nu de Europese samenlevingen worden geconfronteerd met extremisme, radicalisering en verdeeldheid, en het onafhankelijke maatschappelijke middenveld steeds minder ruimte krijgt, is het belangrijker dan ooit om justitie, rechten en de waarden van de Unie - eerbied voor de menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid, de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten - te bevorderen, te versterken en te verdedigen. Dit zal vergaande en rechtstreekse gevolgen hebben voor het politieke, sociale, culturele en economische leven in de Unie. Als onderdeel van het nieuwe Fonds voor justitie, rechten en waarden zal het programma “Justitie”, in overeenstemming met het bij Verordening (EU) nr. 1382/2013 van het Europees Parlement en de Raad (5) voor de periode 2014-2020 vastgestelde programma “Justitie”, de verdere ontwikkeling van een Unieruimte van recht op basis van de rechtsstaat, de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechterlijke macht, wederzijdse erkenning en wederzijds vertrouwen, toegang tot de rechter en grensoverschrijdende samenwerking, blijven steunen.

In het programma “Burgers, gelijkheid, rechten en waarden” (het “programma”) worden het bij Verordening (EU) nr. 1381/2013 van het Europees Parlement en de Raad (6) vastgestelde programma “Rechten, gelijkheid en burgerschap” voor de periode 2014-2020 en het bij Verordening (EU) nr. 390/2014 van de Raad (7) vastgestelde programma “Europa voor de burger” (de “voorloperprogramma’s”) samengebracht.

 

(3)

Het programma moet een looptijd krijgen van zeven jaar om het gelijk te laten lopen met het meerjarig financieel kader dat is vastgesteld bij Verordening (EU, Euratom) 2020/2093 van de Raad (8).

 

(4)

Het Fonds voor justitie, rechten en waarden en zijn twee onderliggende financieringsprogramma’s zullen gericht zijn op personen en entiteiten die onze gemeenschappelijke waarden en onze rijke diversiteit, alsook onze rechten en gelijkheid, levend en vitaal houden. Het uiteindelijke doel is om een op rechten gebaseerde, gelijke, open, pluralistische, inclusieve en democratische samenleving te bevorderen en in stand te houden. Dat omvat een levendig en mondig maatschappelijk middenveld waarbij de democratische, civiele en sociale participatie van de mensen wordt aangemoedigd en de rijke diversiteit van de Europese samenleving, op basis van onze gemeenschappelijke waarden, geschiedenis en herinnering, wordt bevorderd. Overeenkomstig artikel 11 VEU zijn de instellingen van de Unie verplicht een open, transparante en regelmatige dialoog met het maatschappelijk middenveld te voeren en de burgers en representatieve organisaties langs passende wegen de mogelijkheid te bieden hun mening over alle onderdelen van het optreden van de Unie kenbaar te maken en daarover in het openbaar in discussie te treden.

 

(5)

Een open, transparante en regelmatige dialoog met de begunstigden van het programma en andere relevante belanghebbenden moet worden ingesteld door de oprichting van een groep voor de dialoog met het maatschappelijk middenveld. De groep voor de dialoog met het maatschappelijk middenveld moet een open en informeel discussieforum zijn en moet bijdragen aan de uitwisseling van ervaringen en goede praktijken, alsook aan de bespreking van beleidsontwikkelingen met betrekking tot de gebieden en doelstellingen van het programma en daaraan verwante gebieden. De groep voor de dialoog met het maatschappelijk middenveld mag geen verantwoordelijkheid dragen op het gebied van het beheer van het programma.

 

(6)

Door voort te bouwen op de positieve ervaringen die met de voorloperprogramma’s zijn opgedaan en deze verder te ontwikkelen, moet het programma het mogelijk maken synergieën te ontwikkelen teneinde de uitdagingen aan te gaan die verbonden zijn aan de bevordering en bescherming van de waarden van de Unie, en teneinde de kritische omvang te bereiken die noodzakelijk is om concrete praktische resultaten te behalen. Dit zal het mogelijk maken om het potentieel voor synergieën optimaal te benutten teneinde de opgenomen beleidsterreinen effectiever te ondersteunen en het potentieel van de daarmee verband houdende beleidsmaatregelen om personen en het maatschappelijk middenveld te bereiken, te vergroten, waarbij een evenwichtige geografische verdeling wordt nagestreefd. Om resultaat te boeken, moet het programma door middel van een gerichte maatwerkaanpak rekening houden met de specifieke aard van de verschillende beleidsmaatregelen, de uiteenlopende doelgroepen ervan en hun specifieke behoeften.

 

(7)

Volledige eerbiediging en bevordering van de rechtsstaat en de democratie zijn van fundamenteel belang om het vertrouwen van de burgers in de Unie op te bouwen en ervoor te zorgen dat de lidstaten elkaar vertrouwen. Door rechten en waarden te bevorderen zal het programma bijdragen aan de opbouw van een meer democratische Unie, de eerbiediging van de rechtsstaat en de democratische dialoog, transparantie en goed bestuur, ook daar waar de ruimte voor het maatschappelijk middenveld krimpt.

 

(8)

Om de Unie dichter bij haar burgers te brengen en democratische participatie te bevorderen, zijn allerlei acties en gecoördineerde inspanningen vereist. Het Europees burgerschap en de Europese identiteit moeten worden ontwikkeld en gepropageerd door aan te moedigen dat burgers inzicht krijgen in het beleidsvormingsproces, en door burgerparticipatie bij het optreden van de Unie te bevorderen. Door bovendien burgers nader tot elkaar brengen via stedenbanden en netwerken van steden en steun te verlenen aan lokale, regionale, nationale en transnationale organisaties uit het maatschappelijk middenveld die actief zijn op gebieden die onder het programma vallen, zullen burgers niet alleen meer betrokken raken bij de samenleving maar gaan ze uiteindelijk ook actief deelnemen aan het democratisch leven van de Unie. Tegelijkertijd ontstaat mede dankzij het steunen van activiteiten die wederzijds begrip, interculturele dialoog, culturele en taaldiversiteit, sociale inclusie en respect voor anderen bevorderen, een gevoel tot de Unie te behoren en een gemeenschappelijk burgerschap te hebben als onderdeel van een Europese identiteit, gebaseerd op een gedeeld inzicht in onze gemeenschappelijke Europese waarden, cultuur, geschiedenis en erfgoed. Het is van groot belang een sterker gevoel van betrokkenheid bij de Unie en een beter besef van de waarden van de Unie te bevorderen bij de burgers van haar ultraperifere gebieden, die immers zeer afgelegen liggen, op grote afstand van het Europese continent.

 

(9)

Herdenkingsactiviteiten en kritische reflectie over Europa’s verleden zijn noodzakelijk om de burgers, met name jongeren, bewust te maken van hun gemeenschappelijke geschiedenis en waarden, als fundament voor een gemeenschappelijke toekomst. Bij herdenkingsactiviteiten moet worden stilgestaan bij het ontstaan van totalitaire regimes in de moderne Europese geschiedenis, met name het nazisme, dat geleid heeft tot de holocaust, het fascisme, het stalinisme en totalitaire communistische regimes, en moeten de slachtoffers van hun misdaden worden herdacht. Zij moeten ook activiteiten omvatten in verband met andere beslissende momenten en ijkpunten in de recente Europese geschiedenis. Om een Europese identiteit op basis van gemeenschappelijke waarden en een saamhorigheidsgevoel te creëren, moet ook rekening worden gehouden met het belang van historische, sociale, culturele en interculturele factoren.

 

(10)

Burgers moeten zich beter bewust zijn van de rechten die zij aan het burgerschap van de Unie ontlenen en zij moeten met een gerust hart kunnen wonen, reizen, studeren, werken en vrijwilligerswerk doen in een andere lidstaat. Zij moeten al hun burgerschapsrechten kunnen genieten en uitoefenen en erop kunnen vertrouwen dat zij gelijke toegang hebben tot, en volledig aanspraak kunnen maken op hun rechten en op de bescherming daarvan, zonder enige discriminatie, en waar zij zich ook bevinden in de Unie. Het maatschappelijk middenveld moet steun krijgen voor het bevorderen, beschermen en bewustmaken van de waarden van de Unie en voor het bijdragen aan de daadwerkelijke uitoefening van rechten uit hoofde van het Unierecht.

 

(11)

Gendergelijkheid is een fundamentele waarde en een doelstelling van de Unie. Algemeen gesproken stagneert de vooruitgang op het gebied van gendergelijkheid echter. Door discriminatie en ongelijke behandeling en diverse vormen van geweld worden de grondrechten van vrouwen en meisjes geschonden en wordt verhinderd dat zij op politiek, sociaal en economisch gebied volwaardig kunnen deelnemen aan de samenleving. Bovendien vormt het bestaan van politieke, structurele en culturele barrières een belemmering voor de verwezenlijking van echte gendergelijkheid. Bevordering van gendergelijkheid en gendermainstreaming bij alle activiteiten van de Unie is derhalve een kerntaak van de Unie en een motor voor economische groei en maatschappelijke ontwikkeling, en moet door het programma worden ondersteund. Het is bijzonder belangrijk om stereotypen actief te bestrijden en om stille en intersectionele discriminatie aan te pakken. Gelijke toegang tot werk, gelijke participatie op de arbeidsmarkt en het wegnemen van belemmeringen voor loopbaanontwikkeling in alle sectoren, bijvoorbeeld de rechterlijke macht en sectoren die verband houden met wetenschap, technologie, engineering en wiskunde, zijn pijlers van gendergelijkheid. Er moet ook aandacht worden besteed aan de balans tussen werk en privé en aan de gelijke verdeling tussen mannen en vrouwen van onbetaalde huishoudelijke taken en de onbetaalde zorg voor kinderen, ouderen en andere afhankelijke personen, aangezien het aangelegenheden betreft die intrinsiek verbonden zijn met het bereiken van gelijke economische onafhankelijkheid en economische participatie, en met het bereiken van gelijkheid tussen vrouwen en mannen.

 

(12)

Gendergerelateerd geweld en geweld tegen risicogroepen (kinderen, jongeren en andere risicogroepen zoals LHBTIQ-personen en personen met een handicap) vormen een ernstige schending van de grondrechten en komen nog altijd in de hele Unie voor, in alle sociale en economische contexten, met ernstige gevolgen voor de lichamelijke, geestelijke en psychologische gezondheid van de slachtoffers en voor de samenleving in haar geheel. Gendergerelateerd geweld en intimidatie, zowel in de huiselijke als in de publieke sfeer, hebben de meeste impact op vrouwen. De bestrijding van dergelijk geweld en dergelijke intimidatie is daarom een essentiële maatregel ter bevordering van gendergelijkheid. In het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (het Verdrag van Istanbul) wordt geweld tegen vrouwen gedefinieerd als alle vormen van gendergerelateerd geweld die leiden of waarschijnlijk zullen leiden tot fysiek, seksueel of psychologisch letsel of leed of economische schade voor vrouwen, met inbegrip van bedreiging met dit soort geweld, dwang of willekeurige vrijheidsberoving, ongeacht of dit in het openbaar of in de privésfeer geschiedt. De bestrijding van gendergerelateerd geweld vergt een multidimensionale benadering en omvat een aanpak van de juridische, economische, onderwijs- en gezondheidsaspecten ervan. Het is ook nodig genderstereotypen van jongs af aan actief te bestrijden, alsmede alle vormen van haattaal en onlinegeweld. In deze context blijft het van essentieel belang om vrouwenrechtenorganisaties en andere actoren die op dit gebied actief zijn, te ondersteunen. Kinderen, jongeren en andere risicogroepen, zoals LHBTIQ-personen en personen met een handicap, lopen ook meer kans om het slachtoffer te worden van geweld, vooral in het gezin en in intieme relaties.

Er moeten maatregelen worden genomen om de rechten van risicopersonen te bevorderen — met name de rechten van kinderen, met inbegrip van kinderen die wees zijn geworden als gevolg van misdrijven in huiselijke kring of anderszins, en andere bijzonder kwetsbare groepen kinderen — en om bij te dragen aan hun bescherming en hun recht op ontwikkeling en waardigheid te garanderen. Bestrijding van alle vormen van geweld, met name gendergerelateerd geweld, bevordering van de preventie ervan en bescherming en ondersteuning van de slachtoffers ervan zijn prioriteiten van de Unie die mensen helpen van hun grondrechten te genieten en bijdragen aan gendergelijkheid. Die prioriteiten moeten door het programma worden ondersteund. Beklemtoond wordt hoe belangrijk het is dat uit hoofde van het programma subsidies worden verstrekt aan organisaties uit het maatschappelijk middenveld die gendergelijkheid bevorderen, gendergerelateerd geweld bestrijden en werk maken van het bevorderen van de rechten van vrouwen, met inbegrip van de seksuele en reproductieve gezondheid en rechten en de rechten van LHBTIQ-personen in alle lidstaten. Al die activiteiten zijn erop gericht de kernwaarden van de Unie te bevorderen en zouden daarom zonder uitzondering in de hele Unie moeten worden ondersteund.

 

(13)

Om alle vormen van geweld te voorkomen en bestrijden en de slachtoffers te beschermen, zijn een sterke politieke wil en gecoördineerde maatregelen vereist op basis van de methoden en resultaten van de eerdere “Daphne”-programma’s, het vorige programma “Rechten, gelijkheid en burgerschap” en het vorige programma “Justitie”. Met name heeft de “Daphne”-financiering ter voorkoming en bestrijding van geweld tegen kinderen, jongeren en vrouwen en ter bescherming van slachtoffers vanaf het begin in 1997 veel succes gehad, zowel wat betreft populariteit bij de belanghebbenden (overheden, academische instellingen en niet-gouvernementele organisaties) als wat betreft de resultaten van de gefinancierde projecten. Het “Daphne”-programma heeft projecten gefinancierd ter bewustmaking en ter ondersteuning van slachtoffers en van de activiteiten van organisaties uit het maatschappelijk middenveld die in de praktijk werkzaam zijn. Het heeft alle vormen van geweld aangepakt, met inbegrip van huiselijk geweld, seksueel geweld, mensenhandel, stalking en schadelijke traditionele praktijken, zoals genitale verminking van vrouwen, alsook nieuwe vormen van geweld, zoals cyberpesten en online intimidatie. Gezien het nog steeds alarmerende aantal slachtoffers van gendergerelateerd geweld is het belangrijk dat al die acties worden voortgezet, met een afzonderlijke begrotingstoewijzing voor de activiteiten ter uitvoering van de specifieke doelstelling inzake het voorkomen en bestrijden van alle vormen van gendergerelateerd geweld in het kader van Daphne, en dat met de resultaten en de daaruit getrokken lessen terdege rekening wordt gehouden bij de uitvoering van het programma.

 

(14)

Non-discriminatie is een grondbeginsel van de Unie. Artikel 19 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) bepaalt dat maatregelen worden genomen om discriminatie op grond van geslacht, ras of etnische afstamming, godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele oriëntatie te bestrijden. Non-discriminatie is ook verankerd in artikel 21 van het Handvest. Er moet rekening worden gehouden met de specifieke kenmerken van verschillende vormen van discriminatie, met inbegrip van directe, indirecte en structurele discriminatie, en ter voorkoming en bestrijding van discriminatie op een of meer gronden moeten parallel passende maatregelen worden genomen. Via het programma moet steun worden verleend aan acties ter voorkoming en bestrijding van alle vormen van discriminatie, racisme, vreemdelingenhaat, afrofobie, antisemitisme, zigeunerhaat, moslimhaat en alle vormen van onverdraagzaamheid, waaronder homofobie, bifobie, transfobie, interfobie en onverdraagzaamheid op basis van genderidentiteit, zowel online als offline, alsook onverdraagzaamheid tegen leden van minderheden, waarbij rekening moet worden gehouden met meervoudige discriminatie. In dat verband moet ook bijzondere aandacht worden besteed aan het voorkomen en bestrijden van alle vormen van geweld, haat, segregatie en stigmatisering, alsook aan het bestrijden van pesten, intimidatie en onverdraagzame behandeling. Het programma moet worden uitgevoerd samen met andere Unie-activiteiten met hetzelfde doel, op zodanige wijze dat ze elkaar versterken, en dat geldt met name voor de activiteiten bedoeld in de mededeling van de Commissie van 5 april 2011 over “een EU-kader voor de nationale strategieën voor integratie van de Roma tot 2020” en in de aanbeveling van de Raad van 9 december 2013 over doeltreffende maatregelen voor integratie van de Roma in de lidstaten (9).

 

(15)

Sociale en omgevingsdrempels en een gebrek aan toegankelijkheid vormen een belemmering voor de volledige en doeltreffende participatie in de samenleving van personen met een handicap op voet van gelijkheid met anderen. Personen met een handicap krijgen te maken met obstakels bij onder meer de toegang tot de arbeidsmarkt, het volgen van inclusief kwaliteitsonderwijs, het voorkomen van armoede en sociale uitsluiting, de toegang tot culturele initiatieven en de media, en de uitoefening van politieke rechten. De Unie en de lidstaten, als partijen bij het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap, hebben zich ertoe verbonden het volledige genot van alle mensenrechten en fundamentele vrijheden, op voet van gelijkheid, door alle personen met een handicap te bevorderen, te beschermen en te waarborgen. Dat verdrag is een integrerend onderdeel geworden van de rechtsorde van de Unie.

 

(16)

Het recht op eerbiediging van het privéleven, het familie- en gezinsleven, de woning en de communicatie is een grondrecht dat is vastgelegd in artikel 7 van het Handvest. De bescherming van persoonsgegevens is een grondrecht dat is vastgelegd in artikel 16 VWEU en artikel 8 van het Handvest. Op de naleving van de regels voor de bescherming van persoonsgegevens wordt controle uitgeoefend door onafhankelijke toezichthoudende autoriteiten. Het juridisch kader van de Unie, en met name Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad (10) en Richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees Parlement en de Raad (11), bevat bepalingen die waarborgen dat het recht op de bescherming van persoonsgegevens effectief wordt gehandhaafd. Bij die rechtsinstrumenten zijn de nationale toezichthoudende autoriteiten voor gegevensbescherming belast met de taak de publieke bekendheid met en het inzicht in de risico’s, voorschriften, waarborgen en rechten in verband met de verwerking van persoonsgegevens te bevorderen. Gezien het belang van het recht op de bescherming van persoonsgegevens in tijden van snelle technologische ontwikkelingen moet de Unie in staat zijn aan bewustmaking te doen, onder andere door organisaties uit het maatschappelijk middenveld te steunen die ijveren voor de bescherming van persoonsgegevens overeenkomstig de Unienormen, en studies en andere relevante activiteiten te verrichten.

 

(17)

Artikel 24 VWEU verplicht het Europees Parlement en de Raad bepalingen vast te stellen voor de procedures en voorwaarden voor een burgerinitiatief in de zin van artikel 11 VEU. Zij hebben dat gedaan bij Verordening (EU) 2019/788 van het Europees Parlement en de Raad (12). Het programma moet voorzien in de financiering van de technische en organisatorische ondersteuning voor de uitvoering van die verordening en zo de grondslag vormen om de burgers hun recht te laten uitoefenen Europese burgerinitiatieven te organiseren en er steun aan te betuigen.

 

(18)

Overeenkomstig de artikelen 8 en 10 VWEU moeten gendermainstreaming en de mainstreaming van non-discriminatie worden ondersteund in alle activiteiten van het programma. Bij een tussentijdse en een eindevaluatie van het programma moeten de gendereffecten worden geëvalueerd om te beoordelen in hoeverre het programma bijdraagt aan gendergelijkheid en of het geen onbedoelde negatieve gevolgen voor de gendergelijkheid heeft. In deze context en rekening houdend met de verschillende aard en omvang van de activiteiten van de diverse onderdelen van het programma, zal het belangrijk zijn dat de door projectpromotoren verzamelde individuele gegevens waar mogelijk worden uitgesplitst naar geslacht. Ook is het van belang aanvragers informatie te verstrekken over de wijze waarop rekening moet worden gehouden met gendergelijkheid, onder meer informatie over het gebruik van instrumenten voor gendermainstreaming, zoals genderbudgettering en gendereffectbeoordelingen, indien nodig. Bij het raadplegen van deskundigen en belanghebbenden moet rekening worden gehouden met genderevenwicht.

 

(19)

Op grond van artikel 3 VEU moet de Unie onder meer de bescherming van de rechten van het kind bevorderen, overeenkomstig artikel 24 van het Handvest en het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van het kind.

 

(20)

Overeenkomstig Uniehandelingen inzake gelijke behandeling hebben de lidstaten onafhankelijke organen voor de bevordering van gelijke behandeling (“gelijkheidsorganen”) opgericht, teneinde discriminatie op grond van ras, etnische afstamming en geslacht te bestrijden. Veel lidstaten gaan echter verder dan de vereisten van die Uniehandelingen en hebben ervoor gezorgd dat gelijkheidsorganen ook bevoegd zijn om op te treden tegen discriminatie op andere gronden, zoals taal, leeftijd, geslachtskenmerken, genderidentiteit en genderdiversiteit, seksuele oriëntatie, godsdienst en overtuiging, en handicaps. Gelijkheidsorganen spelen een belangrijke rol voor het bevorderen van gelijkheid en voor het waarborgen van de effectieve toepassing van de wetgeving inzake gelijke behandeling, door met name onafhankelijke bijstand te verlenen aan slachtoffers van discriminatie, onafhankelijke onderzoeken over discriminatie uit te voeren, onafhankelijke rapporten te publiceren en aanbevelingen te doen over elk onderwerp in verband met discriminatie in hun respectieve lidstaten. Het is van essentieel belang dat de werkzaamheden van gelijkheidsorganen op dit punt op Unieniveau worden gecoördineerd.

Het Europees netwerk van organen voor de bevordering van gelijke behandeling (Equinet) werd in 2007 opgericht en bestaat uit de nationale organen voor de bevordering van gelijke behandeling, zoals vastgelegd in de Richtlijnen 2000/43/EG (13) en 2004/113/EG (14) van de Raad en de Richtlijnen 2006/54/EG (15) en 2010/41/EU (16) van het Europees Parlement en de Raad. Op 22 juni 2018 werd door de Commissie Aanbeveling (EU) 2018/951 (17) vastgesteld betreffende normen voor gelijkheidsorganen, met betrekking tot hun mandaat, onafhankelijkheid, doeltreffendheid en hun onderlinge coördinatie en samenwerking. Equinet neemt hierbij een uitzonderlijke positie in, omdat het de enige entiteit is die zorgt voor de coördinatie van activiteiten tussen de gelijkheidsorganen. De coördinatie door Equinet is van cruciaal belang voor de doeltreffende uitvoering van het Unierecht inzake antidiscriminatie in de lidstaten en moet worden ondersteund door het programma.

 

(21)

Om een gebruiksvriendelijke toegang tot het programma te vergemakkelijken en onpartijdig advies, praktische informatie en bijstand te verstrekken aan aanvragers, belanghebbenden en begunstigden met betrekking tot alle aspecten van het programma, moeten de lidstaten contactpunten voor het programma kunnen opzetten. De contactpunten voor het programma moeten hun taken onafhankelijk uitvoeren en zonder overheidsbemoeienis in hun besluitvorming. Het is belangrijk dat de lidstaten het meest geschikte beheer van dergelijke contactpunten voor het programma kunnen kiezen, onder meer via overheidsinstanties, organisaties uit het maatschappelijk middenveld of consortia daarvan. De contactpunten voor het programma zouden geen verantwoordelijkheden mogen hebben op het gebied van het beheer van het programma.

 

(22)

Onafhankelijke mensenrechteninstanties en organisaties uit het maatschappelijk middenveld spelen een essentiële rol bij de bevordering, bescherming en bewustmaking van de gemeenschappelijke waarden van de Unie, en leveren een essentiële bijdrage aan het daadwerkelijke genot van de rechten die voortvloeien uit het Unierecht, waaronder het Handvest. Zoals ook is aangegeven in de resolutie van het Europees Parlement van 19 april 2018 (18) zijn een verhoging van de financiering en voldoende financiële steun van cruciaal belang voor de ontwikkeling van een gunstige en duurzame omgeving voor organisaties uit het maatschappelijk middenveld zodat zij hun rol kunnen versterken en hun taken onafhankelijk en doeltreffend kunnen uitoefenen. De Uniefinanciering moet de inspanningen op nationaal niveau aanvullen door bij te dragen aan de ondersteuning, empowerment en capaciteitsuitbreiding van onafhankelijke organisaties uit het maatschappelijk middenveld die zich voor rechten en waarden inzetten en waarvan de activiteiten bijdragen aan de strategische handhaving van de rechten die voortvloeien uit het Unierecht, met inbegrip van het Handvest, onder meer door belangenbehartiging zoals strategische procesvoering, campagnevoering, communicatie en ander optreden als waakhond, alsook aan de bevordering, bescherming en bewustmaking van de waarden van de Unie op lokaal, regionaal, nationaal en transnationaal niveau. Het programma moet op een gebruiksvriendelijke manier worden uitgevoerd, bijvoorbeeld via een gebruiksvriendelijke procedure voor aanvragen en verslaglegging. Bijzondere aandacht moet worden besteed aan de toegankelijkheid van het programma voor organisaties uit het maatschappelijk middenveld op lokaal, regionaal, nationaal, en transnationaal niveau, met inbegrip van lokale organisaties uit het maatschappelijk middenveld die dicht bij de mensen staan, en aan de capaciteit van de begunstigden. Dit houdt in dat rekening moet worden gehouden met het verlenen van financiële steun aan derden, indien van toepassing.

 

(23)

De Commissie moet zorgen voor de algehele samenhang, complementariteit en synergieën met het werk van de organen en instanties van de Unie, met name het Europees Instituut voor gendergelijkheid en het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten, en moet rekening houden met de werkzaamheden van andere nationale en internationale actoren op de gebieden die onder het programma vallen.

 

(24)

Het programma moet onder bepaalde voorwaarden openstaan voor deelname van de landen van de Europese Vrijhandelsassociatie (EVA) die lid zijn van de Europese Economische Ruimte (EER). Toetredende staten, kandidaat-lidstaten, potentiële kandidaat-lidstaten die onder een pretoetredingsstrategie vallen, landen die onder het Europees nabuurschapsbeleid vallen en andere derde landen moeten eveneens aan het programma kunnen deelnemen.

 

(25)

Om de middelen uit de algemene begroting van de Unie efficiënt te kunnen toewijzen, moeten alle in het kader van het programma uitgevoerde acties toegevoegde waarde voor de Unie hebben, complementair zijn met het optreden van de lidstaten en samenhang met andere acties van de Unie vertonen. Er moet worden gestreefd naar samenhang, complementariteit en synergieën met financieringsprogramma’s ter ondersteuning van onderling nauw verbonden beleidsterreinen, met name met het programma “Justitie”, alsook met het programma “Creatief Europa”, vastgesteld bij Verordening (EU) XXXX/XXXX van het Europees Parlement en de Raad (19) en Erasmus+, vastgesteld bij Verordening (EU) XXXX/XXXX van het Europees Parlement en de Raad (20), teneinde het potentieel van kruisbestuiving op het gebied van cultuur, media, kunst, onderwijs en creativiteit te verwezenlijken. Er dienen synergieën te worden gecreëerd met andere financieringsprogramma’s van de Unie, met name op het gebied van werkgelegenheid en de bestrijding van sociale uitsluiting, in het bijzonder met het Europees Sociaal Fonds Plus, alsook op het gebied van de interne markt, ondernemerschap, jeugdzaken, gezondheid, burgerschap, justitie, migratie, veiligheid, onderzoek, innovatie, technologie, industrie, cohesie, toerisme, externe betrekkingen, handel en duurzame ontwikkeling.

 

(26)

In deze verordening worden de financiële middelen voor de gehele looptijd van het programma vastgelegd die in het kader van de jaarlijkse begrotingsprocedure voor het Europees Parlement en de Raad het voornaamste referentiebedrag vormen in de zin van punt 18 van het Interinstitutioneel Akkoord van 16 december 2020 tussen het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie betreffende begrotingsdiscipline, samenwerking in begrotingszaken en goed financieel beheer, alsmede betreffende nieuwe eigen middelen, met inbegrip van een routekaart voor de invoering van nieuwe eigen middelen (21).

 

(27)

Overeenkomstig artikel 193, lid 2, van Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad (22) (het “Financieel Reglement”) kan subsidiëring van reeds begonnen acties worden toegestaan indien de aanvrager kan aantonen dat het noodzakelijk was met de actie te beginnen vóór de ondertekening van de subsidieovereenkomst. Vóór de datum van indiening van de subsidieaanvraag gemaakte kosten zijn evenwel, behalve in naar behoren gemotiveerde uitzonderlijke gevallen, niet subsidiabel. Om te voorkomen dat Uniefinanciering onderbroken wordt en de belangen van de Unie aldus mogelijk geschaad worden, moet het gedurende een beperkte periode aan het begin van het meerjarig financieel kader 2021-2027 mogelijk zijn om kosten die gemaakt zijn in verband met reeds begonnen acties die uit hoofde van deze verordening worden ondersteund, met ingang van 1 januari 2021 als subsidiabel te beschouwen, zelfs indien die kosten gemaakt zijn vóór de indiening van de subsidieaanvraag.

 

(28)

Het Financieel Reglement is op het programma van toepassing. Het Financieel Reglement stelt regels voor de uitvoering van de Uniebegroting vast, waaronder de regels voor subsidies, prijzen, aanbestedingen, indirect beheer, financieringsinstrumenten, begrotingsgaranties, financiële bijstand en de vergoeding van externe deskundigen.

 

(29)

De financieringsvormen en de uitvoeringsmethodes in het kader van deze verordening moeten worden gekozen op basis van hun capaciteit voor het verwezenlijken van de specifieke doelstellingen van de acties en voor het behalen van resultaten, waarbij met name rekening wordt gehouden met de kosten van controles, de administratieve lasten, de capaciteit van de betrokken belanghebbenden en de beoogde begunstigden, en het verwachte risico van niet-naleving. Daarbij moet het gebruik van vaste bedragen, financiering volgens een vast percentage en eenheidskosten worden overwogen, alsmede niet aan de kosten gekoppelde financiering als bedoeld in artikel 125, lid 1, van het Financieel Reglement.

 

(30)

Overeenkomstig het Financieel Reglement, Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad (23) en Verordeningen (EG, Euratom) nr. 2988/95 (24), (Euratom, EG) nr. 2185/96 (25) en (EU) 2017/1939 (26) van de Raad moeten de financiële belangen van de Unie worden beschermd door middel van evenredige maatregelen, onder meer maatregelen met betrekking tot preventie, opsporing, correctie en onderzoek van onregelmatigheden, waaronder fraude, met betrekking tot terugvordering van verloren gegane, ten onrechte betaalde of onjuist bestede financiële middelen, en, waar passend, met betrekking tot het opleggen van administratieve sancties. Met name heeft het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) overeenkomstig Verordeningen (Euratom, EG) nr. 2185/96 en (EU, Euratom) nr. 883/2013 de bevoegdheid administratieve onderzoeken uit te voeren, met inbegrip van controles en verificaties ter plaatse, om vast te stellen of er sprake is van fraude, corruptie of andere onwettige activiteiten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad. Het Europees Openbaar Ministerie (EOM) is overeenkomstig Verordening (EU) 2017/1939 bevoegd over te gaan tot onderzoek en vervolging van strafbare feiten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad, als bepaald in Richtlijn (EU) 2017/1371 van het Europees Parlement en de Raad (27).

Personen of entiteiten die middelen van de Unie ontvangen, moeten overeenkomstig het Financieel Reglement volledig meewerken aan de bescherming van de financiële belangen van de Unie, de nodige rechten en toegang verlenen aan de Commissie, OLAF, de Rekenkamer en, ten aanzien van de lidstaten die deelnemen aan de nauwere samenwerking op grond van Verordening (EU) 2017/1939, het EOM, alsmede ervoor zorgen dat derden die betrokken zijn bij de uitvoering van financiële middelen van de Unie, gelijkwaardige rechten verlenen.

 

(31)

Derde landen die lid zijn van de EER kunnen aan programma’s van de Unie deelnemen in het kader van de samenwerking die is ingesteld uit hoofde van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (28), waarin is bepaald dat de programma’s worden uitgevoerd op basis van een uit hoofde van die overeenkomst vastgesteld besluit. Derde landen kunnen ook deelnemen op basis van andere rechtsinstrumenten. Er moet een specifieke bepaling in deze verordening worden opgenomen die derde landen verplicht om de verantwoordelijke ordonnateur, OLAF en de Rekenkamer de nodige rechten en toegang te verlenen zodat deze hun respectieve bevoegdheden ten volle kunnen uitoefenen.

 

(32)

De horizontale financiële regels die het Europees Parlement en de Raad op basis van artikel 322 VWEU hebben vastgesteld, zijn op deze verordening van toepassing. Die regels zijn neergelegd in het Financieel Reglement en bepalen met name de procedure voor het opstellen en uitvoeren van de begroting door middel van subsidies, aanbestedingen, prijzen en indirecte uitvoering, en voorzien in controles op de verantwoordelijkheid van de financiële actoren. De op basis van artikel 322 VWEU vastgestelde voorschriften omvatten ook een algemeen conditionaliteitsregime ter bescherming van de Uniebegroting.

 

(33)

Op grond van Besluit 2013/755/EU van de Raad (29) komen personen en desbetreffende overheids- en/of particuliere instanties en instellingen in landen en gebieden overzee in aanmerking voor financiering, overeenkomstig de voorschriften en doelstellingen van het programma en eventuele regelingen die van toepassing zijn op de lidstaat waarmee het desbetreffende land of gebied overzee banden heeft.

 

(34)

Om recht te doen aan het belang van de strijd tegen de klimaatverandering, conform de toezeggingen van de Unie om de Overeenkomst van Parijs die is aangenomen in het kader van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering uit te voeren en de duurzame-ontwikkelingsdoelen van de Verenigde Naties te verwezenlijken, is het Programma bedoeld om bij te dragen aan het mainstreamen van klimaatacties en aan het verwezenlijken van de algemene doelstelling dat 30 % van de Uniebegrotingsuitgaven aan klimaatdoelstellingen wordt besteed, alsmede aan de ambitie om in 2024 7,5 % en in 2026 en 2027 10 % van de begroting voor biodiversiteitsuitgaven te bestemmen, daarbij rekening houdend met de bestaande overlappingen tussen klimaat- en biodiversiteitsdoelstellingen. Het programma zou activiteiten moeten ondersteunen die stroken met de klimaat- en milieunormen en -prioriteiten van de Unie en het niet-schadenbeginsel van de Europese Green Deal. Acties op dit gebied zouden gekozen moeten worden tijdens de voorbereiding en uitvoering van het programma, en opnieuw beoordeeld moeten worden in het kader van de toepasselijke evaluaties en toetsingsprocessen.

 

(35)

Op grond van de punten 22 en 23 van het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven (30) moet het programma worden geëvalueerd op basis van overeenkomstig specifieke monitoringvoorschriften verzamelde informatie, waarbij administratieve lasten, in het bijzonder voor de lidstaten, en overregulering moeten worden vermeden. Die voorschriften moeten, waar passend, meetbare indicatoren omvatten als maatstaf om de effecten van het programma in de praktijk te evalueren.

 

(36)

Om ervoor te zorgen dat de voortgang van het programma bij de verwezenlijking van de doelstellingen ervan doeltreffend wordt beoordeeld, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen ten aanzien van de indicatoren die zijn vastgesteld in de artikelen 14 en 16 en in bijlage II. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadplegingen overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen gebeuren in overeenstemming met de beginselen vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven. Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die de gedelegeerde handelingen voorbereiden.

 

(37)

Om eenvormige voorwaarden voor de uitvoering van deze verordening te waarborgen, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad (31).

 

(38)

Daar de doelstellingen van deze verordening, namelijk de bescherming en bevordering van de rechten en waarden die in de Verdragen, het Handvest en de toepasselijke internationale mensenrechtenverdragen zijn verankerd, niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt, maar vanwege de omvang en de gevolgen van het optreden beter door de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 VWEU neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om die doelstellingen te verwezenlijken.

 

(39)

Verordeningen (EU) nr. 1381/2013 en (EU) nr. 390/2014 moeten daarom worden ingetrokken.

 

(40)

Om ervoor te zorgen dat de steun voor het betrokken beleidsgebied ononderbroken doorloopt en de uitvoering van start kan gaan vanaf het begin van het meerjarig financieel kader 2021-2027, moet deze verordening met spoed in werking treden, en met terugwerkende kracht van toepassing zijn vanaf 1 januari 2021,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

Onderwerp

Bij deze verordening wordt het programma “Burgers, gelijkheid, rechten en waarden” (het “programma”) vastgesteld voor de duur van het meerjarig financieel kader 2021-2027, dat is vastgesteld bij Verordening (EU, Euratom) 2020/2093.

Deze verordening legt de doelstellingen van het programma, de begroting voor de periode 2021-2027, de vormen van financiering door de Unie en de regels voor de verstrekking van die financiering vast.

Artikel 2

Doelstellingen van het programma

  • 1. 
    De algemene doelstelling van het programma is de bescherming en bevordering van de rechten en waarden die in de Verdragen, het Handvest en de toepasselijke internationale mensenrechtenverdragen zijn verankerd, met name door ondersteuning van organisaties uit het maatschappelijk middenveld en andere belanghebbenden die actief zijn op lokaal, regionaal, nationaal en transnationaal niveau, en door het aanmoedigen van democratische en burgerparticipatie, met het oog op de instandhouding en verdere ontwikkeling van open, op rechten gebaseerde, democratische, gelijke en inclusieve samenlevingen die gebaseerd zijn op de rechtsstaat.
  • 2. 
    Binnen de in lid 1 vervatte algemene doelstelling heeft het programma de volgende specifieke doelstellingen, die overeenstemmen met de onderdelen van het programma:
 

a)

bescherming en bevordering van de waarden van de Unie (onderdeel “Waarden van de Unie”);

 

b)

bevordering van rechten, non-discriminatie en gelijkheid, met inbegrip van gendergelijkheid, en bevordering van gendermainstreaming en de mainstreaming van non-discriminatie (onderdeel “Gelijkheid, rechten en gendergelijkheid”);

 

c)

bevordering van de betrokkenheid van de burgers bij en hun participatie in het democratisch leven van de Unie en van uitwisselingen tussen burgers van verschillende lidstaten, en beter bekend maken van hun gemeenschappelijke Europese geschiedenis (onderdeel “Betrokkenheid en participatie van de burgers”);

 

d)

bestrijding van geweld, met inbegrip van gendergerelateerd geweld (onderdeel “Daphne”).

Artikel 3

Onderdeel “Waarden van de Unie”

Binnen de algemene doelstelling in artikel 2, lid 1, en de specifieke doelstelling in artikel 2, lid 2, punt a), is het programma vooral gericht op het beschermen, bevorderen en bewustmaken van rechten door financiële steun te verlenen aan organisaties uit het maatschappelijk middenveld die op lokaal, regionaal, nationaal en transnationaal niveau actief zijn met het bevorderen en ontwikkelen van die rechten, waarbij tevens de waarden van de Unie beter beschermd en bevorderd en de rechtsstaat beter gerespecteerd wordt en bijgedragen wordt aan de opbouw van een meer democratische Unie, democratische dialoog, transparantie en goed bestuur.

Artikel 4

Onderdeel “Gelijkheid, rechten en gendergelijkheid”

Binnen de algemene doelstelling in artikel 2, lid 1, en de specifieke doelstelling in artikel 2, lid 2, punt b), is het programma vooral gericht op:

 

1)

het bevorderen van gelijkheid en het voorkomen en bestrijden van ongelijkheid en discriminatie op grond van geslacht, ras of etnische afstamming, godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele oriëntatie, en het eerbiedigen van het beginsel van non-discriminatie op de in artikel 21 van het Handvest bedoelde gronden;

 

2)

het ondersteunen, bevorderen en uitvoeren van integrale beleidsmaatregelen die gericht zijn op:

 

a)

het bevorderen van de volledige uitoefening van rechten door vrouwen, van gendergelijkheid, met inbegrip van de balans tussen werk en privé, van empowerment van vrouwen en van gendermainstreaming;

 

b)

het bevorderen van non-discriminatie en van de mainstreaming ervan;

 

c)

het bestrijden van racisme, vreemdelingenhaat en alle vormen van onverdraagzaamheid, met inbegrip van homofobie, bifobie, transfobie en interfobie en intolerantie op basis van genderidentiteit, zowel online als offline;

 

d)

het beschermen en bevorderen van de rechten van het kind;

 

e)

het beschermen en bevorderen van de rechten van personen met een handicap;

 

3)

het beschermen en bevorderen van de burgerschapsrechten van de Unie en van het recht op de bescherming van persoonsgegevens.

Artikel 5

Onderdeel “Betrokkenheid en participatie van de burgers”

Binnen de algemene doelstelling in artikel 2, lid 1, en de specifieke doelstelling in artikel 2, lid 2, punt c), is het programma vooral gericht op:

 

1)

het ondersteunen van projecten ter herdenking van beslissende momenten in de moderne Europese geschiedenis, zoals het aan de macht komen van autoritaire en totalitaire regimes, met inbegrip van de oorzaken en gevolgen daarvan, en projecten ter bewustmaking van de Europese burgers van hun gemeenschappelijke geschiedenis, cultuur, cultureel erfgoed en waarden, zodat ze meer inzicht krijgen in de Unie, in haar oorsprong, doel, diversiteit en verwezenlijkingen en in het belang van wederzijds begrip en verdraagzaamheid;

 

2)

het bevorderen van de participatie en bijdrage van burgers en representatieve organisaties aan het democratische en maatschappelijke leven van de Unie door hen in staat te stellen hun standpunten kenbaar te maken en daarover in het openbaar in discussie te treden, met betrekking tot alle onderdelen van het Unie-optreden;

 

3)

het bevorderen van uitwisselingen tussen burgers van verschillende landen, met name via stedenbanden en netwerken van steden, zodat zij de rijkdom en diversiteit van het gemeenschappelijk erfgoed van de Unie praktisch kunnen ervaren en er zich bewust kunnen worden dat die rijkdom en diversiteit een solide basis vormen voor een gemeenschappelijke toekomst;

Artikel 6

Onderdeel “Daphne”

Binnen de algemene doelstelling in artikel 2, lid 1, en de specifieke doelstelling in artikel 2, lid 2, punt d), is het programma vooral gericht op:

 

1)

het voorkomen en bestrijden op alle niveaus van alle vormen van gendergerelateerd geweld tegen vrouwen en meisjes en van huiselijk geweld, mede door het bevorderen van de normen die zijn vastgesteld in het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (het Verdrag van Istanbul);

 

2)

het voorkomen en bestrijden van alle vormen van geweld tegen kinderen, jongeren en andere risicogroepen, zoals LHBTIQ-personen en personen met een handicap;

 

3)

het ondersteunen en beschermen van alle directe en indirecte slachtoffers van de in de punten 1) en 2) bedoelde vormen van geweld, zoals de slachtoffers van huiselijk geweld binnen de familiekring of in intieme relaties, met inbegrip van kinderen die wees zijn geworden als gevolg van misdrijven in huiselijke kring, en het ondersteunen en waarborgen van hetzelfde beschermingsniveau in de hele Unie voor slachtoffers van gendergerelateerd geweld.

Artikel 7

Begroting

  • 1. 
    De financiële middelen voor de uitvoering van het programma voor de periode van 1 januari 2021 tot en met 31 december 2027 bedragen 641 705 000 EUR in lopende prijzen.
  • 2. 
    Als gevolg van de in artikel 5 van Verordening (EU, Euratom) 2020/2093 vastgestelde programmaspecifieke aanpassing wordt het in lid 1 van dit artikel vermelde bedrag verhoogd met een extra toewijzing van 800 000 000 EUR in prijzen van 2018, zoals vastgesteld in bijlage II bij die verordening.
  • 3. 
    Van het in lid 1 vermelde bedrag worden de onderstaande indicatieve bedragen toegewezen aan de volgende doelstellingen:
 

a)

297 366 097 EUR in lopende prijzen, d.w.z. 46,34 % van de financiële middelen, voor de specifieke doelstellingen vermeld in artikel 2, lid 2, punt a);

 

b)

169 410 120 EUR in lopende prijzen, d.w.z. 26,4 % van de financiële middelen, voor de specifieke doelstellingen vermeld in artikel 2, lid 2, punten b) en d);

 

c)

174 928 783 EUR in lopende prijzen, d.w.z. 27,26 % van de financiële middelen, voor de specifieke doelstellingen vermeld in artikel 2, lid 2, punt c).

  • 4. 
    Van het in lid 2 vermelde bedrag worden de onderstaande indicatieve bedragen toegewezen aan de volgende doelstellingen:
 

a)

43,00 %, zijnde tot maximaal 344 000 000 EUR in prijzen van 2018, voor de specifieke doelstellingen vermeld in artikel 2, lid 2, punt a);

 

b)

23,07 %, zijnde tot maximaal 184 560 000 EUR in prijzen van 2018, voor de specifieke doelstellingen vermeld in artikel 2, lid 2, punten b) en d);

 

c)

23,93 %, zijnde tot maximaal 191 440 000 EUR in prijzen van 2018, voor de specifieke doelstellingen vermeld in artikel 2, lid 2, punt c);

 

d)

10,00 %, zijnde tot maximaal 80 000 000 EUR in prijzen van 2018, voor alle in artikel 2, lid 2, vermelde doelstellingen.

  • 5. 
    Van de in lid 3, punten a) en b), en in lid 4, punten a) en b), vermelde bedragen wordt ten minste 50 % toegewezen aan door organisaties uit het maatschappelijk middenveld verrichte ondersteuningsactiviteiten; daarvan wordt ten minste 40 % toegewezen aan lokale en regionale organisaties uit het maatschappelijk middenveld.
  • 6. 
    Van de in lid 3, punt b), en in lid 4, punt b), vermelde bedragen wordt ten minste 40 % toegewezen aan ondersteuningsactiviteiten waarmee beoogd wordt alle vormen van gendergerelateerd geweld op alle niveaus te voorkomen en te bestrijden, en ten minste 15 % aan activiteiten ter bevordering van de volledige uitoefening van rechten door vrouwen, van gendergelijkheid, met inbegrip van de balans tussen werk en privé, van empowerment van vrouwen en van gendermainstreaming.
  • 7. 
    Van de in lid 3, punt c), en in lid 4, punt c), vermelde bedragen wordt ten minste 65 % toegewezen aan democratische participatie en 15 % aan herdenkingsactiviteiten.
  • 8. 
    De Commissie wijkt met ten hoogste tien procentpunten af van de toegewezen percentages van de programmamiddelen zoals deze in de leden 6 en 7 zijn vastgelegd.
  • 9. 
    De in de leden 1 en 2 vermelde bedragen kunnen worden gebruikt voor technische en administratieve bijstand bij het uitvoeren van het programma, zoals werkzaamheden op het gebied van voorbereiding, monitoring, controle, audit en evaluatie, met inbegrip van institutionele informatietechnologiesystemen, studies, expertbijeenkomsten en mededelingen over prioriteiten en gebieden die verband houden met de algemene doelstellingen van het programma.
  • 10. 
    Overeenkomstig artikel 193, lid 2, tweede alinea, punt a), van het Financieel Reglement, en rekening houdend met de vertraagde inwerkingtreding van deze verordening en met het oog op de continuïteit, kunnen kosten die gemaakt zijn in verband met acties die uit hoofde van deze verordening worden ondersteund, met ingang van 1 januari 2021 gedurende een beperkte periode als subsidiabel worden beschouwd, zelfs indien die kosten gemaakt zijn vóór de indiening van de subsidieaanvraag.
  • 11. 
    Aan de lidstaten toegewezen middelen in gedeeld beheer kunnen, op verzoek van de betrokken lidstaat, onder de voorwaarden van artikel 26 van een verordening van het Europees Parlement en de Raad houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds Plus, het Cohesiefonds, het Fonds voor een rechtvaardige transitie en het Europees Fonds voor maritieme zaken, visserij en aquacultuur en de financiële regels voor die fondsen en voor het Fonds voor asiel, migratie en integratie, het Fonds voor interne veiligheid en het Instrument voor financiële steun voor grensbeheer en visabeleid (“de verordening gemeenschappelijke bepalingen voor 2021-2027”) worden overgedragen naar het programma. De Commissie voert die middelen op directe wijze uit overeenkomstig artikel 62, lid 1, eerste alinea, punt a), van het Financieel Reglement, dan wel op indirecte wijze overeenkomstig punt c) van die alinea. Die middelen worden gebruikt ten voordele van de betrokken lidstaat.

Artikel 8

Met het programma geassocieerde derde landen

Het programma staat open voor deelname van de volgende derde landen:

 

a)

landen van de EVA die lid zijn van de EER, in overeenstemming met de in de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte vastgelegde voorwaarden;

 

b)

toetredende staten, kandidaat-lidstaten en potentiële kandidaat-lidstaten, in overeenstemming met de algemene beginselen en algemene voorwaarden voor deelname van die landen aan programma’s van de Unie zoals vastgesteld in de desbetreffende kaderovereenkomsten en besluiten van de Associatieraad of in soortgelijke overeenkomsten, en in overeenstemming met de specifieke voorwaarden die zijn vastgesteld in overeenkomsten tussen de Unie en die landen;

 

c)

landen van het Europees nabuurschapsbeleid, in overeenstemming met de algemene beginselen en algemene voorwaarden voor deelname van die landen aan programma’s van de Unie zoals vastgesteld in de desbetreffende kaderovereenkomsten en besluiten van de Associatieraad of in soortgelijke overeenkomsten, en in overeenstemming met de specifieke voorwaarden die zijn vastgesteld in overeenkomsten tussen de Unie en die landen;

 

d)

andere derde landen, in overeenstemming met de voorwaarden die zijn vastgesteld in een specifieke overeenkomst betreffende de deelname van het derde land aan programma’s van de Unie, op voorwaarde dat de overeenkomst:

 

i)

zorgt voor een billijk evenwicht tussen de bijdragen van en de voordelen voor het derde land dat aan programma’s van de Unie deelneemt;

 

ii)

de voorwaarden voor deelname aan de programma’s, met inbegrip van de berekening van de financiële bijdragen aan afzonderlijke programma’s, en de administratieve kosten ervan vaststelt;

 

iii)

het derde land geen beslissingsbevoegdheid ten aanzien van het Unieprogramma verleent;

 

iv)

de rechten van de Unie waarborgt om voor een goed financieel beheer te zorgen en de financiële belangen van de Unie te beschermen.

De in de eerste alinea, punt d), ii), bedoelde bijdragen vormen bestemmingsontvangsten overeenkomstig artikel 21, lid 5, van het Financieel Reglement.

Artikel 9

Uitvoering en vormen van Uniefinanciering

  • 1. 
    Het programma wordt uitgevoerd in direct beheer in overeenstemming met het Financieel Reglement of in indirect beheer door de in artikel 62, lid 1, eerste alinea, punt c), daarvan bedoelde organen.
  • 2. 
    Uit het programma kan financiering worden verstrekt in een van de vormen vastgesteld in het Financieel Reglement.
  • 3. 
    Bijdragen aan een systeem voor onderlinge verzekeringen kunnen dienen ter dekking van het risico dat verbonden is aan de terugvordering van door de begunstigden verschuldigde middelen en worden beschouwd als een toereikende garantie uit hoofde van het Financieel Reglement. De bepalingen van artikel 37, lid 7, van Verordening (EU) 2021/695 van het Europees Parlement en de Raad (32) zijn van toepassing.

Artikel 10

Soorten acties

Acties die bijdragen aan de verwezenlijking van een specifieke doelstelling in artikel 2 kunnen financiering krijgen uit hoofde van deze verordening. Met name de in bijlage I opgenomen activiteiten komen in aanmerking voor financiering.

Artikel 11

Groep voor de dialoog met het maatschappelijk middenveld

De Commissie richt een groep voor de dialoog met het maatschappelijk middenveld op om te zorgen voor een regelmatige, open en transparante dialoog met de begunstigden van het programma en andere relevante belanghebbenden, teneinde ervaringen en goede praktijken uit te wisselen en beleidsontwikkelingen te bespreken met betrekking tot de gebieden en doelstellingen van het programma en daaraan verwante gebieden.

HOOFDSTUK II

SUBSIDIES

Artikel 12

Subsidies

  • 1. 
    Subsidies in het kader van het programma worden toegekend en beheerd in overeenstemming met titel VIII van het Financieel Reglement.
  • 2. 
    Leden van het evaluatiecomité kunnen externe deskundigen zijn.

Artikel 13

Cumulatieve en alternatieve financiering

  • 1. 
    Aan een actie waaraan een bijdrage uit hoofde van het programma is toegekend, kan ook een bijdrage uit een ander Unieprogramma worden toegekend, inclusief fondsen in gedeeld beheer, op voorwaarde dat de bijdragen niet dezelfde kosten dekken. De regels van het desbetreffende Unieprogramma zijn van toepassing op de overeenkomstige bijdrage aan de actie. De cumulatieve financiering mag niet hoger zijn dan de totale subsidiabele kosten van de actie. De steun uit de verschillende programma’s van de Unie kan op een pro-ratabasis worden berekend in overeenstemming met de documenten waarin de steunvoorwaarden zijn vastgesteld.
  • 2. 
    Acties waaraan uit hoofde van het programma een Excellentiekeurmerk is toegekend, komen in aanmerking voor steun uit het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling of het Europees Sociaal Fonds+, overeenkomstig artikel 73, lid 4, van de verordening gemeenschappelijke bepalingen voor 2021-2027 indien zij voldoen aan de volgende cumulatieve voorwaarden:
 

a)

zij zijn beoordeeld na een oproep tot het indienen van voorstellen in het kader van het programma;

 

b)

zij voldoen aan de minimale kwaliteitseisen van die oproep tot het indienen van voorstellen;

 

c)

zij kunnen als gevolg van budgettaire beperkingen niet uit de middelen van die oproep tot het indienen van voorstellen worden gefinancierd.

Artikel 14

Subsidiabele entiteiten

  • 1. 
    Naast de in artikel 197 van het Financieel Reglement vermelde criteria zijn de in de leden 2 en 3 van dit artikel vastgestelde subsidiabiliteitscriteria van toepassing.
  • 2. 
    De volgende entiteiten zijn subsidiabel:
 

a)

juridische entiteiten die gevestigd zijn in:

 

i)

een lidstaat, of een met een lidstaat verbonden land of gebied overzee;

 

ii)

een met het programma geassocieerd derde land, met uitzondering van de specifieke doelstelling bedoeld in artikel 2, lid 2, punt a);

 

b)

juridische entiteiten die zijn opgericht uit hoofde van het Unierecht, of internationale organisaties.

  • 3. 
    Zonder oproep tot het indienen van voorstellen kan uit hoofde van artikel 7, lid 3, punt b), en artikel 7, lid 4, punt b), een exploitatiesubsidie worden toegekend aan het Europees netwerk van nationale organen voor de bevordering van gelijke behandeling (Equinet) ter dekking van uitgaven die betrekking hebben op het permanente werkprogramma van Equinet.

HOOFDSTUK III

PROGRAMMERING, MONITORING, EVALUATIE EN CONTROLE

Artikel 15

Werkprogramma

  • 1. 
    Het programma wordt uitgevoerd door middel van werkprogramma’s als bedoeld in artikel 110 van het Financieel Reglement.
  • 2. 
    Het werkprogramma wordt door de Commissie vastgesteld door middel van een uitvoeringshandeling. Die uitvoeringshandeling wordt vastgesteld volgens de in artikel 22 bedoelde onderzoeksprocedure.

Artikel 16

Monitoring en verslaglegging

De indicatoren voor de verslaglegging over de voortgang van het programma bij de verwezenlijking van de in artikel 2 vastgelegde specifieke doelstellingen zijn in bijlage II opgenomen.

Om ervoor te zorgen dat de voortgang van het programma bij de verwezenlijking van de doelstellingen ervan doeltreffend wordt beoordeeld, is de Commissie bevoegd overeenkomstig artikel 18 gedelegeerde handelingen vast te stellen om bijlage II te wijzigen teneinde de indicatoren indien nodig te herzien, alsook om deze verordening aan te vullen met bepalingen betreffende de vaststelling van een monitoring- en evaluatiekader.

Het prestatieverslagleggingssysteem waarborgt dat gegevens voor het toezicht op de uitvoering en de resultaten van het programma efficiënt, doeltreffend en tijdig worden verzameld.

Daartoe worden evenredige verslagleggingsvereisten opgelegd aan de ontvangers van financiële middelen van de Unie alsmede, waar passend, aan de lidstaten.

Artikel 17

Evaluatie

  • 1. 
    Evaluaties van het programma worden tijdig uitgevoerd zodat zij in de besluitvorming kunnen worden meegenomen.
  • 2. 
    De Commissie voert een tussentijdse evaluatie van het programma uit zodra voldoende informatie over de uitvoering van het programma beschikbaar is, doch uiterlijk vier jaar nadat met de uitvoering ervan is begonnen. Bij de tussentijdse evaluatie wordt rekening gehouden met de evaluaties van het langetermijneffect van de voorloperprogramma’s.
  • 3. 
    De Commissie voert een eindevaluatie van het programma uit aan het einde van de uitvoering ervan, doch uiterlijk vier jaar na afloop van de in artikel 1 genoemde periode.
  • 4. 
    De Commissie deelt de conclusies van de evaluaties tezamen met haar opmerkingen mee aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s.

Artikel 18

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

  • 1. 
    De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.
  • 2. 
    De in artikel 16 bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend tot en met 31 december 2027.
  • 3. 
    Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 16 bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.
  • 4. 
    Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven.
  • 5. 
    Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.
  • 6. 
    Een op grond van artikel 16 vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien noch het Europees Parlement, noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad vóór het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.

Artikel 19

Bescherming van de financiële belangen van de Unie

Indien een derde land aan het programma deelneemt door middel van een op grond van een internationale overeenkomst of op basis van een ander rechtsinstrument vastgesteld besluit, verleent het derde land de nodige rechten en toegang aan de verantwoordelijke ordonnateur, OLAF en de Rekenkamer, zodat deze hun respectieve bevoegdheden ten volle kunnen uitoefenen. In het geval van OLAF omvatten dergelijke rechten het recht om onderzoeken, met inbegrip van controles en verificaties ter plaatse, uit te voeren als bepaald in Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013.

HOOFDSTUK IV

OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 20

Informatie, communicatie en publiciteit

  • 1. 
    De ontvangers van Uniefinanciering erkennen de oorsprong van die middelen en geven zichtbaarheid aan de Uniefinanciering, met name wanneer zij de acties en de resultaten ervan promoten, door meerdere doelgroepen, waaronder de media en het grote publiek, op samenhangende, doeltreffende en proportionele wijze te informeren.
  • 2. 
    De Commissie voert informatie- en communicatieacties uit met betrekking tot het programma, de op grond van het programma ondernomen acties en de resultaten ervan.
  • 3. 
    De aan het programma toegewezen financiële middelen dragen tevens bij aan de institutionele communicatie over de politieke prioriteiten van de Unie, voor zover die prioriteiten verband houden met de in artikel 2 bedoelde doelstellingen.

Artikel 21

Contactpunten voor het programma

Alle lidstaten kunnen contactpunten voor het programma oprichten met verantwoordelijkheid voor het verstrekken van onpartijdig advies, praktische informatie en bijstand aan aanvragers, belanghebbenden en begunstigden van het programma met betrekking tot alle aspecten ervan, inclusief de aanvraagprocedure, de verspreiding van gebruiksvriendelijke informatie en van programmaresultaten, situaties waar partners worden gezocht, opleiding en formaliteiten.

De contactpunten voor het programma voeren hun taken onafhankelijk uit.

Artikel 22

Comitéprocedure

  • 1. 
    De Commissie wordt bijgestaan door een comité. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.
  • 2. 
    Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.
  • 3. 
    Het comité kan in specifieke configuraties bijeenkomen voor het bespreken van de afzonderlijke onderdelen van het programma.

Artikel 23

Intrekking

Verordeningen (EU) nr. 1381/2013 en (EU) nr. 390/2014 worden met ingang van 1 januari 2021 ingetrokken.

Artikel 24

Overgangsbepalingen

  • 1. 
    Deze verordening doet geen afbreuk aan de voortzetting of de wijziging van acties die geïnitieerd zijn op grond van Verordeningen (EU) nr. 1381/2013 en (EU) nr. 390/2014, die op die acties van toepassing blijven totdat die acties worden afgesloten.
  • 2. 
    De financiële middelen voor het programma kunnen tevens de uitgaven voor technische en administratieve bijstand dekken die noodzakelijk zijn om de overgang te waarborgen tussen het programma en de maatregelen die zijn vastgesteld op grond van Verordeningen (EU) nr. 1381/2013 en (EU) nr. 390/2014.
  • 3. 
    Zo nodig kunnen voor het beheer van acties die op 31 december 2027 nog niet zijn voltooid, ook na 2027 kredieten ter dekking van de in artikel 7, lid 9, bedoelde uitgaven in de Uniebegroting worden opgenomen.

Artikel 25

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2021.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 28 april 2021.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

  • D. 
    M. SASSOLI

Voor de Raad

De voorzitster

  • A. 
    P. ZACARIAS
 

  • (3) 
    Standpunt van het Europees Parlement van 17 april 2019 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en standpunt van de Raad in eerste lezing van 19 april 2021 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad). Standpunt van het Europees Parlement van 28 april 2021.
  • (4) 
    Verordening (EU) 2021/693 van het Europees Parlement en de Raad van 28 april 2021 tot vaststelling van het programma “Justitie” en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 1382/2013 (zie bladzijde 21 van dit Publicatieblad).
  • (5) 
    Verordening (EU) nr. 1382/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een programma “Justitie” voor de periode 2014-2020 (PB L 354 van 28.12.2013, blz. 73).
  • (6) 
    Verordening (EU) nr. 1381/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een programma “Rechten, gelijkheid en burgerschap” voor de periode 2014–2020 (PB L 354 van 28.12.2013, blz. 62).
  • (7) 
    Verordening (EU) nr. 390/2014 van de Raad van 14 april 2014 tot vaststelling van het programma “Europa voor de burger” voor de periode 2014–2020 (PB L 115 van 17.4.2014, blz. 3).
  • Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1).
  • Richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad (PB L 119 van 4.5.2016, blz. 89).
  • Richtlijn 2000/43/EG van de Raad van 29 juni 2000 houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht ras of etnische afstamming (PB L 180 van 19.7.2000, blz. 22).
  • Richtlijn 2004/113/EG van de Raad van 13 december 2004 houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de toegang tot en het aanbod van goederen en diensten (PB L 373 van 21.12.2004, blz. 37).
  • Richtlijn 2006/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep (PB L 204 van 26.7.2006, blz. 23).
  • Richtlijn 2010/41/EU van het Europees Parlement en de Raad van 7 juli 2010 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van zelfstandig werkzame mannen en vrouwen en tot intrekking van Richtlijn 86/613/EEG van de Raad (PB L 180 van 15.7.2010, blz. 1).
  • Verordening (EU) XXXX/XXXX van het Europees Parlement en de Raad van XXX tot vaststelling van het programma Creatief Europa (2021-2027) en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 1295/2013 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).
  • Verordening (EU) XXXX/XXXX van het Europees Parlement en de Raad van XXX tot vaststelling van “Erasmus+”: het programma van de Unie voor onderwijs en, opleiding, jeugd en sport, en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 1288/2013 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).
  • Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 (PB L 193 van 30.7.2018, blz. 1).
  • Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 september 2013 betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (Euratom) nr. 1074/1999 van de Raad (PB L 248 van 18.9.2013, blz. 1).
  • Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad van 18 december 1995 betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen (PB L 312 van 23.12.1995, blz. 1).
  • Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad van 11 november 1996 betreffende de controles en verificaties ter plaatse die door de Commissie worden uitgevoerd ter bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen tegen fraudes en andere onregelmatigheden (PB L 292 van 15.11.1996, blz. 2).
  • Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad van 12 oktober 2017 betreffende nauwere samenwerking bij de instelling van het Europees Openbaar Ministerie (“EOM”) (PB L 283 van 31.10.2017, blz. 1).
  • Richtlijn (EU) 2017/1371 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2017 betreffende de strafrechtelijke bestrijding van fraude die de financiële belangen van de Unie schaadt (PB L 198 van 28.7.2017, blz. 29).
  • Besluit 2013/755/EU van de Raad van 25 november 2013 betreffende de associatie van de landen en gebieden overzee met de Europese Unie (“LGO-besluit”) (PB L 344 van 19.12.2013, blz. 1).
  • Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).
  • Verordening (EU) 2021/695 van het Europees Parlement en de Raad van 28 april 2021 tot vaststelling van Horizon Europa — het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie, tot vaststelling van de regels voor deelname en verspreiding en tot intrekking van Verordeningen (EU) nr. 1290/2013 en (EU) nr. 1291/2013 (PB L 170 12.5.2021, blz. 1).
 

BIJLAGE I

DOOR HET PROGRAMMA ONDERSTEUNDE ACTIVITEITEN

De in artikel 2 vermelde algemene en specifieke doelstellingen van het programma worden met name nagestreefd door het ondersteunen van de volgende activiteiten:

 

1)

bewustmaking, promotieactiviteiten en de verspreiding van informatie binnen de gebieden en doelstellingen van het programma ter verbetering van kennis over rechten en waarden en daarmee verband houdende beleidsmaatregelen;

 

2)

wederzijds leren en de uitwisseling van goede praktijken tussen belanghebbenden om kennis en wederzijds begrip te versterken;

 

3)

analyse- en monitoringactiviteiten ter verbetering van het inzicht in de situatie in de lidstaten en de Unie op de onder het programma vallende gebieden, alsmede ter verbetering van de uitvoering van het recht, het beleid en de waarden van de Unie binnen de lidstaten, met activiteiten als de verzameling van gegevens en statistieken; het ontwikkelen van gemeenschappelijke methoden en, waar passend, van indicatoren of van benchmarks; studies, onderzoek, analyses en enquêtes; evaluaties; effectbeoordeling, en het opstellen en publiceren van handleidingen, verslagen en educatief materiaal;

 

4)

opleiding van relevante belanghebbenden ter verbetering van kennis van de beleidsmaatregelen en de rechten op de onder het programma vallende gebieden;

 

5)

ontwikkeling en onderhoud van tools op het gebied van informatie- en communicatietechnologie;

 

6)

ondersteuning van organisaties uit het maatschappelijk middenveld en belanghebbenden in de non-profitsector die actief zijn op de onder het programma vallende gebieden:

 

a)

om hun reactievermogen te vergroten en te zorgen voor adequate toegang tot hun diensten, adviesactiviteiten en ondersteuningsactiviteiten voor alle burgers;

 

b)

om aan belangenbehartiging te doen ter bevordering van rechten, waarbij tevens de waarden van de Unie beter worden beschermd en bevorderd en de rechtsstaat beter gerespecteerd wordt, en een bijdrage wordt geleverd aan de democratische dialoog, transparantie en goed bestuur, ook daar waar de ruimte voor het maatschappelijk middenveld krimpt;

 

7)

vergroting van de bekendheid van de burgers, met name jongeren, met de Europese cultuur, het Europees cultureel erfgoed, de Europese identiteit en de Europese geschiedenis, ook wat betreft totalitaire en autoritaire regimes en andere beslissende episodes in de recente Europese geschiedenis, om de gedachtenis levend te houden en de betrokkenheid van de Europese burgers bij de Unie te vergroten, en om verdraagzaamheid, wederzijds begrip, interculturele dialoog en respect voor diversiteit aan te moedigen;

 

8)

burgers van verschillende nationaliteiten en culturen met elkaar in contact brengen door hun de mogelijkheid te bieden deel te nemen aan activiteiten in het kader van stedenbanden en projecten van organisaties uit het maatschappelijk middenveld, om zo de voorwaarden te scheppen voor een benadering die meer van onderop komt en democratische en burgerparticipatie te bevorderen;

 

9)

aanmoediging en facilitering van actieve en inclusieve deelname aan de opbouw van een meer democratische Unie en vergroting van de bekendheid met rechten en waarden door ondersteuning van organisaties uit het maatschappelijk middenveld;

 

10)

ontwikkeling van de capaciteit van Europese netwerken om het recht, de waarden, de beleidsdoelstellingen en de strategieën van de Unie verder te ontwikkelen en te bevorderen;

 

11)

financiering van de technische en organisatorische ondersteuning voor de uitvoering van Verordening (EU) 2019/788 en zo de grondslag vormen om de burgers hun recht te laten uitoefenen Europese burgerinitiatieven te starten en er steun aan te betuigen;

 

12)

bevordering van de kennis over het programma, en van de verspreiding en overdraagbaarheid van de resultaten ervan, en bevordering van de bewustmaking, onder meer door het opzetten en ondersteunen van contactpunten voor het programma.

 

BIJLAGE II

INDICATOREN

Het programma wordt gemonitord aan de hand van een reeks indicatoren om te meten in hoeverre de algemene en specifieke doelstellingen ervan zijn verwezenlijkt, terwijl de administratieve lasten en de kosten zo laag mogelijk worden gehouden. Daartoe zullen gegevens worden vergaard met betrekking tot de onderstaande indicatoren:

 

1)

het aantal personen dat is bereikt door:

 

a)

opleidingsactiviteiten;

 

b)

activiteiten inzake wederzijds leren en de uitwisseling van goede praktijken;

 

c)

activiteiten inzake bewustmaking, informatievoorziening en gegevensverspreiding;

 

2)

het aantal organisaties uit het maatschappelijk middenveld dat is bereikt door ondersteunings- en capaciteitsopbouwactiviteiten;

 

3)

het aantal transnationale netwerken en initiatieven inzake Europese herinnering en Europees erfgoed dat via het programma tot stand is gekomen.

Alle individuele gegevens worden waar mogelijk uitgesplitst naar geslacht. Bij de tussentijdse en eindevaluaties van het programma wordt gefocust op elk onderdeel en elke activiteit, en er wordt geëvalueerd vanuit het perspectief van gendergelijkheid en het effect op gendergelijkheid wordt beoordeeld.

 

Deze samenvatting is overgenomen van EUR-Lex.