Belasting op rente van spaargelden - Informatie-uitwisseling - EU monitor

EU monitor
Woensdag 23 april 2014
kalender

1.

Tekst

RAAD VAN Brussel, 28 september 2000 (10.10)

DE EUROPESE UNIE (OR. fr)

11797/00

LIMITE

FISC 133

NOTA VAN HET VOORZITTERSCHAP aan: de Groep belastingvraagstukken (directe belastingen) d.d.: 2 en 3 oktober 2000

Betreft: Belasting op rente van spaargelden - Informatie-uitwisseling

De delegaties treffen hierbij een nota van het voorzitterschap aan over de nadere bepalingen van informatie-uitwisseling.

NL

1. INLEIDING

De Europese Raad van Feira heeft als beginsel vastgesteld dat informatie-uitwisseling het einddoel is voor de Europese Gemeenschap. Zo dient volgens de conclusies van Santa Maria da Feira

(punt 42) voorzien te worden in "een geleidelijke ontwikkeling van de uitwisseling van informatie als de grondslag voor de belasting op inkomsten uit spaargelden van niet-ingezetenen ".

Met deze nota wordt beoogd de contouren te schetsen van een systeem voor informatieuitwisseling, dat zowel tijdens als na de overgangsperiode - als definitieve regeling - zou moeten worden toegepast.

2. AUTOMATISCH EN PERIODIEK KARAKTER VAN DE INFORMATIE-

UITWISSELING

2.1. Automatisch karakter

In het verslag van de Groep op hoog niveau inzake belasting (het zogenaamde "Baganha-verslag" - doc. 8998/00 FISC 73) wordt gesteld dat de uitwisseling van informatie automatisch moet plaatsvinden. In het door de Commissie ingediende richtlijnvoorstel wordt eveneens uitgegaan van het beginsel dat informatieverstrekking automatisch plaatsvindt (artikel 7, lid 3).

Het alternatief voor het beginsel van automatische informatieverstrekking zou zijn om informatie te verstrekken op verzoek van de belastingdienst van de fiscale woonstaat van de uiteindelijk gerechtigde.

Het voorzitterschap is van mening dat met informatieverstrekking op verzoek niet de beoogde effectieve minimumbelasting op rente van spaargeld zou kunnen worden gewaarborgd.

Vraag:

Delen de lidstaten deze mening?

NL

2.2. Periodiek karakter van de informatie-uitwisseling

In artikel 7 van het richtlijnvoorstel wordt het volgende bepaald: "De verstrekking van de gegevens geschiedt automatisch en gebeurt ten minste eenmaal per jaar, binnen zes maanden na het einde van het voorgaande kalenderjaar voor in de loop van dat kalenderjaar verrichte rente uitkeringen .".

Het voorzitterschap stelt voor dat de lidstaten in de richtlijn het algemene kader voor de frequentie van de informatie-uitwisseling vaststellen en elke lidstaat de mogelijkheid laten de regeling verder in te vullen.

Denkbaar zou zijn dat voor de informatieverstrekking een maximumtermijn van zes maanden na het einde van het kalenderjaar wordt vastgesteld, maar dat het de lidstaten vrij staat een kortere termijn te hanteren.

Vraag:

Zijn de lidstaten het eens met het uitgangspunt dat automatische informatieverstrekking uiterlijk binnen zes maanden na het einde van het voorgaande kalenderjaar dient plaats te vinden?

3. BESTEMMING VAN DE INFORMATIE

3.1. Wederkerigheid

Na het verstrijken van de overgangsperiode moeten alle lidstaten de gemeenschappelijke regeling inzake informatie-uitwisseling toepassen.

In dit verband rijst de vraagt hoe het informatiesysteem zich verhoudt met het stelsel van bronbelasting tijdens de overgangsperiode.

In de conclusies van de Europese Raad van Feira van 19 en 20 juni 2000 is sprake van informatieuitwisseling tijdens de overgangsperiode (bijlage IV, punt 2, onder b), van de conclusies: "Tot dat ogenblik wisselen de lidstaten met de andere lidstaten gegevens uit over inkomsten uit spaar gelden ").

Volgens de definitieve regeling dient een lidstaat informatie uit te wisselen met al zijn partners.

NL

Met betrekking tot het systeem van informatie-uitwisseling is het voorzitterschap van mening dat het in de overgangsperiode toegepaste systeem niet anders zou moeten zijn dan het definitieve systeem, behoudens gefundeerde afwijkingen.

Het is zaak de administratieve lasten voor de uitbetalende instanties van de staten die informatie uitwisselen, zoveel mogelijk te beperken door hen niet te verplichten twee verschillende systemen voor het verzamelen van informatie te hanteren.

Om deze reden zou het voorzitterschap ervoor pleiten dat in de overgangsperiode de informatie wordt toegezonden door de lidstaat van de uitbetalende instantie aan elke fiscale woonstaat van de uiteindelijk gerechtigde, zoals dit ook het geval zal zijn volgens de definitieve regeling.

Vraag:

Kunnen de lidstaten instemmen met deze optie?

3.2. Verzender en ontvanger van de informatie

Volgens het voorzitterschap dient de informatieverstrekking plaats te vinden tussen de bevoegde autoriteiten van de staat van de uitbetalende instantie en de fiscale woonstaat van de uiteindelijk gerechtigde.

De uitbetalende instantie heeft vooraf aan haar bevoegde autoriteit de informatie meegedeeld welke die instantie gehouden is te verzamelen (zie verderop).

Vraag:

Delen de delegaties dit gezichtspunt?

4. INHOUD VAN DE INFORMATIE-UITWISSELING

In het verslag van de bovengenoemde Groep op hoog niveau inzake belastingen (doc. 8998/00

FISC 73) wordt gesteld dat "de uitwisseling van informatie (…) ten minste de naam, het adres en het rekeningnummer van de belegger, alsook het bedrag van de rente [betreft] ".

In het richtlijnvoorstel van de Commissie wordt in artikel 7 (Het informatiestelsel ) bepaald dat de lidstaat van de uitbetalende instantie aan de lidstaat van de uiteindelijk begunstigde de gegevens meedeelt die nodig zijn voor de correcte vaststelling van de verschuldigde belasting. Deze gegevens bestaan ten minste uit de opgave van het bedrag van de uitgekeerde rente, de datum van deze uitkering, de identificatie van de uiteindelijk gerechtigde en de door hem opgegeven woonplaats.

NL

Over de inhoud van de informatie-uitwisseling is reeds op 26 juli 2000 door deze groep en op

26 september 2000 door de Groep op hoog niveau gesproken. Het voorzitterschap meent echter dat bij deze besprekingen een aantal aspecten niet aan bod is gekomen.

4.1. Informatie over de identiteit van de uiteindelijk gerechtigde

Dit punt is nog niet onder Frans voorzitterschap in de groep besproken.

De uitbetalende instantie is gehouden de personen te identificeren aan wie zij de rente uitkeert die onder de werkingssfeer van de richtlijn valt. Deze identificatie wordt door de uitbetalende instantie verricht bij de opening van de rekening. Bepaalde gegevens die op dat moment door de uitbetalende instantie worden verzameld, zullen aldus aan de bevoegde autoriteiten van haar staat kunnen worden verstrekt.

Het voorzitterschap gaat uit van het beginsel dat uitsluitend informatie mag worden verstrekt die de belastingdienst in de fiscale woonstaat van de uiteindelijk gerechtigde in staat stelt om de aan controle onderworpen belastingplichtige te identificeren. Informatie waarmee de uitbetalende instantie in een vroeger stadium de plaats van verblijf van de uiteindelijk gerechtigde kan bepalen, zou niet hoeven te worden verstrekt. Door het informatie-uitwisselingssysteem moet de belastingdienst van de fiscale woonstaat een doeltreffende controle mogelijk maken van de belastingplichtigen door de belastingdienst van hun staat van ingezetenschap, zonder dat deze dienst verplicht is gebruik te maken van de administratieve bijstand om zijn recht tot informatieverstrekking uit te oefenen.

Volgens het voorzitterschap zou de informatieverstrekking aldus betrekking moeten hebben op ten minste de naam en het adres van de uiteindelijk gerechtigde. Bovendien zou de uitkerende instantie mededeling moeten doen van het rekeningnummer en de informatie op basis waarvan de uitbetalende instantie kan worden geïdentificeerd.

De lidstaten van de uitbetalende instantie kunnen echter bepalen dat andere informatie in verband met de identiteit van de uiteindelijk gerechtigde wordt verstrekt.

Vraag:

Gaan de lidstaten akkoord met dit voorstel?

NL

4.2. Informatie over rente-uitkeringen

De groep heeft onder Frans voorzitterschap besprekingen gewijd aan de inhoud van de informatie die nodig is voor de vaststelling van de belastingaanslag.

Tijdens deze besprekingen hebben de lidstaten op de mogelijkheid gewezen dat de informatieuitwisseling betrekking heeft op het bedrag van de rente of op de gegevens die de belastingdienst van de fiscale woonstaat van de uiteindelijk gerechtigde absoluut nodig heeft om de rente te kunnen berekenen (doc. 10723/00 FISC 108 en 11541/00 FISC 124).

De aanbevelingen van het voorzitterschap per type product zijn in het onderstaande overzicht weergegeven:

Producten Verstrekte informatie 1) Uitgekeerde rente Rentebedrag

  • 2) 
    Distributiefondsen

• Fondsen die uitsluitend uit rentedragende Totaal bedrag van de uitgekeerde winst

instrumenten bestaan

• Gemengde fondsen Rentebedrag (« look-through »)

  • 3) 
    Couponwassen Identificatie van de titel/aankoopprijs, cessieprijs, acquisitiedatum en cessiedatum
  • 4) 
    Nulcoupons (mededeling in geval van Aankoopprijs, overdrachtprijs, aankoopdatum overdracht) en overdrachtsdatum 5) Kapitalisatiefondsen (uitsluitend voor Zelfde oplossing als onder 4) fondsen die hoofdzakelijk uit renteinstrumenten bestaan)
  • 6) 
    Couponwassen in beleggingsfondsen • Distributiefondsen: zie 2)

    • Kapitalisatiefondsen: zie 5)

NL

Dit punt werd in de vergadering van de Groep op hoog niveau op 26 september jongstleden opnieuw besproken en zal voor een volgende vergadering op de agenda geplaatst worden. Het wordt hier slechts voor de volledigheid vermeld en zal niet in deze vergadering aan de orde komen.

5. TECHNISCHE UITVOERING VAN DE PROCEDURES VOOR INFORMATIE-

VERSTREKKING

Aangezien de Raad en de Commissie is opgedragen vóór het einde van het jaar overeenstemming te bereiken over de kernbepalingen van de richtlijn, stelt het voorzitterschap voor om de bespreking van de technische toepassing van de procedures uit te stellen totdat deze overeenstemming bereikt is, parallel met de besprekingen met derde staten.

Een specifieke werkgroep zou deze taak op zich kunnen nemen.

Daarbij zou voortgebouwd kunnen worden op de werkzaamheden die door het comité voor belastingvraagstukken van de OESO zijn verricht met betrekking tot automatische informatieuitwisseling. Meer bepaald de werkgroep TIES (Taxation Information Exchange System ) van het comité voor belastingvraagstukken van de OESO heeft verschillende studies uitgevoerd, met name over de computerondersteunde vertaling van belastingregelingen.

Vraag:

Delen de lidstaten dit gezichtspunt?

6. DIVERSEN

6.1. Administratieve bijstand

In het door de Commissie ingediende richtlijnvoorstel wordt in artikel 7, lid 4, het volgende bepaald: "Voor de in het kader van deze richtlijn te verstrekken gegevens is artikel 8 van Richtlijn 77/799/EEG niet van toepassing ".

Artikel 8 van de richtlijn betreffende de wederzijdse bijstand van de bevoegde autoriteiten van de lidstaten op het gebied van de directe belastingen (zie bijlage) heeft betrekking op de begrenzing van de informatie-uitwisseling. Daarin wordt meer in het bijzonder bepaald dat de informatieuitwisseling beperkt blijft tot de wetgeving of de administratieve praktijk van de lidstaat die de informatie moet verstrekken. Indien de informatieverstrekking ertoe zou leiden dat een beroepsgeheim wordt onthuld, of wanneer de in de informatie geïnteresseerde staat niet in staat is gelijksoortige informatie te verstrekken, kan de informatieverstrekking worden geweigerd.

NL

Het voorzitterschap stelt voor de Commissie te volgen in haar voorstel om aan artikel 7 een nieuw lid 4 toe te voegen.

Vraag:

Gaan de lidstaten hiermee akkoord?

6.2. De situatie m.b.t. bronbelasting van het type "debiteur"

In de vergadering van 18 en 19 september heeft de groep het punt van de verdeling van de opbrengsten besproken. De Groep op hoog niveau heeft dit punt eveneens aan de orde gesteld in zijn vergadering van 26 september.

Daarbij heeft hij een bespreking gewijd aan de situatie met betrekking tot bronbelasting van het type "debiteur" waarin de nationale wetgeving of bilaterale belastingverdragen voorzien.

Het voorzitterschap heeft voorgesteld deze belasting in de overgangsperiode te handhaven in de lidstaten die bronbelasting kennen, vooral omdat deze belasting na deze periode zal blijven bestaan.

Een meerderheid van de delegaties heeft zich uitgesproken voor handhaving van deze belasting gedurende de overgangsperiode.

Volgens het voorzitterschap dienen deze heffingen gehandhaafd te worden, ongeacht of de staat voor informatie-uitwisseling dan wel voor bronheffing heeft gekozen.

Dit punt wordt hier slechts voor de volledigheid vermeld en zal niet in deze vergadering aan de orde komen.

_______________

NL

BIJLAGE

RICHTLIJN VAN DE RAAD

van 19 december 1977

betreffende de wederzijdse bijstand van de bevoegde autoriteiten van de lidstaten

op het gebied van de directe belastingen

Artikel 8 Begrenzing van de uitwisseling van inlichtingen

  • 1. 
    De bepalingen van deze richtlijn verplichten niet tot het instellen van een onderzoek of het verstrekken van inlichtingen wanneer de wetgeving of de administratieve praktijk van de lidstaat die de inlichtingen zou moeten verstrekken de bevoegde autoriteit niet toestaat voor eigen doeleinden een zodanig onderzoek in te stellen of zodanige inlichtingen in te winnen of te gebruiken.
  • 2. 
    Het verstrekken van inlichtingen kan worden geweigerd indien dit zou leiden tot de onthulling van een bedrijfs-, nijverheids-, handels- of beroepsgeheim of van een fabrieks- of handelswerkwijze of van gegevens waarvan de onthulling in strijd zou zijn met de openbare orde.
  • 3. 
    De bevoegde autoriteit van een lidstaat kan het verstrekken van inlichtingen weigeren wanneer de lidstaat voor wie de inlichtingen zijn bestemd op rechts- of feitelijke gronden niet in staat is gelijksoortige inlichtingen te verstrekken.

____________

NL

2.

Originele weergave

afbeelding document
 
 

3.

Meer informatie

31 mrt
'76
COM(1976)119 - Wederzijdse bijstand van de bevoegde autoriteiten van de lidstaten op het gebied van de directe belastingen