Artikelen bij COM(2005)362-1 - Veterinairrechtelijke voorschriften voor aquacultuurdieren en de producten daarvan en betreffende de preventie en bestrijding van bepaalde ziekten bij waterdieren - EU monitor

EU monitor
Vrijdag 22 februari 2019
kalender

Dit is een beperkte versie

U kijkt naar een beperkte versie van dit dossier in de EU Monitor.


HOOFDSTUK I - ONDERWERP, WERKINGSSFEER EN DEFINITIES


Artikel 1

Onderwerp

1. In deze richtlijn worden vastgesteld:

a) de veterinairrechtelijke voorschriften voor het in de handel brengen, de invoer en de doorvoer van aquacultuurdieren en de producten daarvan;

b) minimale preventieve maatregelen om de bevoegde autoriteiten, de exploitanten van aquacultuurproductiebedrijven en andere bij deze sector betrokken personen beter bewust te maken van en voor te bereiden op ziekten bij aquacultuurdieren;

c) minimale bestrijdingsmaatregelen die bij een verdenking of het uitbreken van bepaalde ziekten bij waterdieren worden toegepast.

2. Het staat de lidstaten vrij stringentere maatregelen vast te stellen op het binnen de werkingssfeer van hoofdstuk II, artikel 13, en van hoofdstuk V vallende gebied, mits deze maatregelen geen afbreuk doen aan de handel met andere lidstaten.

Artikel 2

Werkingssfeer

1. Deze richtlijn is niet van toepassing op

a) in niet-commerciële aquaria gekweekte waterdieren voor sierdoeleinden;

b) verzamelde of gevangen in het wild levende waterdieren die rechtstreeks voor de voedselketen bestemd zijn;

c) voor de productie van vismeel, visvoer, visolie en soortgelijke producten gevangen waterdieren.

2. Hoofdstuk II, hoofdstuk III, afdelingen 1 tot en met 4, en hoofdstuk VII zijn niet van toepassing wanneer waterdieren in dierenwinkels, tuincentra of commerciële aquaria worden gehouden:

a) die niet in rechtstreeks contact staan met de natuurlijke wateren in de Gemeenschap,

of

b) die over een systeem voor de behandeling van effluenten beschikken waardoor het risico van de overdracht van ziekten naar de natuurlijke wateren tot een aanvaardbaar niveau wordt teruggebracht.

3. Deze richtlijn geldt onverminderd de bepalingen inzake de instandhouding van de soorten of het introduceren van niet-inheemse soorten.

Artikel 3

Definities

1. Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:

a) „aquacultuur”: de kweek of de teelt van aquatische organismen, waarbij technieken worden gebruikt om de aangroei van de betrokken organismen te verhogen tot boven de natuurlijke capaciteiten van het milieu; deze organismen blijven in de gehele fase van de kweek of de teelt, tot en met de oogst, eigendom van een natuurlijke persoon of een rechtspersoon;

b) „aquacultuurdier”: een waterdier in al zijn levensfases, inclusief in een kwekerij of kweekgebied van weekdieren gekweekte eieren en sperma/gameten, met inbegrip van een waterdier uit het wild dat voor een kwekerij of een kweekgebied van kweekdieren bestemd is;

c) „aquacultuurproductiebedrijf”: onderneming, zowel publiek- als privaatrechtelijk, die, al dan niet met winstoogmerk, met het kweken, houden of telen van aquacultuurdieren samenhangende activiteiten uitvoert;

d) „exploitant van een aquacultuurproductiebedrijf”: natuurlijke persoon of rechtspersoon die verantwoordelijk is voor de naleving van de in deze richtlijn vastgestelde voorschriften in het onder zijn leiding staande aquacultuurproductiebedrijf;

e) „waterdier”:

i) vis die behoort tot de superklasse Agnatha en de klassen Chondrichthyes en Osteichthyes;

ii) weekdier van het phylum Mollusca;

iii) schaaldier van het subphylum Crustacea;

f) „vergunninghoudend verwerkingsbedrijf”: een levensmiddelenbedrijf dat overeenkomstig artikel 4 van Verordening (EG) nr. 853/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong (17) erkend is met het oog op het verwerken van aquacultuurdieren voor voedingsdoeleinden en waaraan in overeenstemming met de artikelen 4 en 5 van deze richtlijn een vergunning is verleend;

g) „exploitant van een vergunninghoudend verwerkingsbedrijf”: natuurlijke persoon of rechtspersoon die verantwoordelijk is voor de naleving van de in deze richtlijn vastgestelde voorschriften in een onder zijn leiding staand vergunninghoudend verwerkingsbedrijf;

h) „kwekerij”: gebouwen, gesloten ruimte of installaties van een aquacultuurproductiebedrijf waar aquacultuurdieren worden gekweekt om in de handel te worden gebracht, met uitzondering echter van bedrijven waar wilde waterdieren die voor menselijke consumptie verzameld of gevangen worden, in afwachting van de slacht tijdelijk worden gehouden zonder te worden gevoederd;

i) „kweken”: het kweken van aquacultuurdieren in een kwekerij of in een kweekgebied van weekdieren;

j) „kweekgebied van weekdieren”: een productiegebied of heruitzettingsgebied waarbinnen alle aquacultuurproductiebedrijven hun bedrijfsactiviteiten overeenkomstig een gemeenschappelijk bioveiligheidssysteem uitvoeren;

k) „waterdier voor sierdoeleinden”: een waterdier dat uitsluitend voor sierdoeleinden wordt gehouden, gekweekt of in de handel gebracht;

l) „in de handel brengen”: de verkoop, met inbegrip van het te koop aanbieden, of enige andere vorm van al dan niet gratis overdracht, alsmede iedere vorm van verplaatsing van aquacultuurdieren;

m) „productiegebied”: een gebied in zoet water, in zee, in een estuarium, op het land of in een lagune waarin zich hetzij natuurlijke gronden voor weekdieren, hetzij gebieden die worden gebruikt voor de kweek van weekdieren bevinden en waar weekdieren worden verzameld;

n) „put-en-take-visbedrijven”: vijvers of andere voorzieningen waar het bestand uitsluitend voor de recreatievisserij in stand wordt gehouden door de aanvulling met aquacultuurdieren;

o) „heruitzettingsgebied”: een gebied in zoet water, in zee, in een lagune of in een estuarium dat duidelijk met boeien, palen of andere verankerde materialen is afgebakend en dat uitsluitend bestemd is voor de natuurlijke zuivering van levende weekdieren;

p) „wild waterdier”: een waterdier dat geen aquacultuurdier is.

2. Voor de toepassing van deze richtlijn gelden tevens:

a) de technische definities in bijlage I;

b) in voorkomend geval, de definities vervat in:

i) de artikelen 2 en 3 van Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden (18);

ii) artikel 2 van Verordening (EG) nr. 852/2004;

iii) artikel 2 van Verordening (EG) nr. 853/2004;

iv) artikel 2 van Verordening (EG) nr. 882/2004.

HOOFDSTUK I - I


AQUACULTUURPRODUCTIEBEDRIJVEN EN VERGUNNINGHOUDENDE VERWERKINGSBEDRIJVEN

Artikel 4

Vergunningverlening aan aquacultuurproductiebedrijven en verwerkingsbedrijven

1. De lidstaten zien erop toe dat overeenkomstig artikel 5 door de bevoegde autoriteit aan alle aquacultuurproductiebedrijven naar behoren een vergunning wordt verleend.

Een dergelijke vergunning kan - voor zover van toepassing - voor verscheidene aquacultuurproductiebedrijven voor weekdieren in een kweekgebied van weekdieren gelden.

Verzendingscentra, zuiveringscentra of soortgelijke bedrijven binnen een kweekgebied voor weekdieren beschikken echter over een afzonderlijke vergunning.

2. De lidstaten dragen er zorg voor dat overeenkomstig artikel 5 door de bevoegde autoriteit aan alle verwerkingsbedrijven die aquacultuurdieren slachten met het oog op ziektebestrijding, overeenkomstig artikel 33 van hoofdstuk V, naar behoren een vergunning wordt verleend.

3. De lidstaten zien erop toe dat aquacultuurproductiebedrijven en vergunninghoudende verwerkingsbedrijven elk een eigen vergunningsnummer hebben.

4. In afwijking van de in lid 1 bedoelde eis inzake vergunningverlening kunnen de lidstaten alleen de registratie, door de bevoegde autoriteit, van het volgende eisen:

a) andere voorzieningen dan aquacultuurproductiebedrijven, waar niet voor de handel bestemde waterdieren worden gehouden;

b) „put-en-take-visbedrijven”;

c) aquacultuurproductiebedrijven die aquacultuurdieren uitsluitend voor menselijke consumptie in de handel brengen overeenkomstig artikel 1, lid 3, onder c), van Verordening (EG) nr. 853/2004.

In die gevallen zijn de bepalingen van deze richtlijn van overeenkomstige toepassing, waarbij de aard, de kenmerken en de ligging van de betrokken installatie, „put-en-take-visbedrijven” of andere bedrijven en het risico dat als gevolg van de activiteiten daarvan ziekten bij waterdieren worden overgedragen op andere populaties waterdieren, in aanmerking worden genomen.

5. Indien de bepalingen van deze richtlijn niet worden nageleefd, treft de bevoegde autoriteit maatregelen overeenkomstig artikel 54 van Verordening (EG) nr. 882/2004.

Artikel 5

Vergunningsvoorwaarden

1. De lidstaten zien erop toe dat de bevoegde autoriteit de in artikel 4, leden 1 en 2, bedoelde vergunningen slechts verleent indien de exploitant van het aquacultuurproductiebedrijf of de exploitant van het vergunninghoudende verwerkingsbedrijf:

a) voldoet aan de desbetreffende voorschriften van de artikelen 8, 9 en 10;

b) een systeem heeft ingevoerd, waarmee hij kan aantonen dat aan de desbetreffende voorschriften is voldaan;

c) onder toezicht van de bevoegde autoriteit blijft, die de in artikel 54, lid 1, vastgelegde taken uitvoert.

2. Als de desbetreffende activiteiten tot een onaanvaardbaar risico van verspreiding van de ziekten naar kwekerijen, kweekgebieden van weekdieren of bestanden van wilde waterdieren in de omgeving van kwekerijen of kweekgebieden van weekdieren leiden, wordt er geen vergunning verleend.

Voordat een vergunning geweigerd wordt, moeten er risicobeperkende maatregelen, waaronder een alternatieve locatie voor de desbetreffende bedrijfsactiviteit, worden overwogen.

3. De lidstaten dragen er zorg voor dat de exploitant van het aquacultuurproductiebedrijf of de exploitant van het vergunninghoudende verwerkingsbedrijf alle relevante informatie, met inbegrip van de overeenkomstig bijlage II vereiste informatie, overlegt zodat de bevoegde autoriteit kan beoordelen of aan de voorwaarden voor een vergunning wordt voldaan.

Artikel 6

Register

De lidstaten leggen een register van aquacultuurproductiebedrijven en vergunninghoudende verwerkingsbedrijven aan met ten minste de in bijlage II vermelde informatie, houden dit voortdurend bij en maken het toegankelijk voor het publiek.

Artikel 7

Officiële controles

1. Overeenkomstig artikel 3 van Verordening (EG) nr. 882/2004 voert de bevoegde autoriteit officiële controles uit van de aquacultuurproductiebedrijven en vergunninghoudende verwerkingsbedrijven.

2. De in lid 1 bedoelde officiële controles bestaan minimaal uit geregelde inspecties, bezoeken en controles en, indien passend, bemonstering van elk aquacultuurproductiebedrijf, in het licht van het risico dat het aquacultuurproductiebedrijf en het vergunninghoudende verwerkingsbedrijf ten aanzien van de insleep en de verspreiding van ziekten oplevert. Aanbevelingen met betrekking tot de frequentie van deze controles, al naar gelang van de gezondheidstatus van het betrokken gebied of compartiment, staan in bijlage III, deel B.

3. Overeenkomstig de procedure van artikel 62, lid 2, kunnen nadere bepalingen voor de uitvoering van dit artikel worden vastgesteld.

Artikel 8

Registratieverplichtingen - Traceerbaarheid

1. De lidstaten dragen er zorg voor dat aquacultuurproductiebedrijven een register bijhouden van:

a) alle verplaatsingen van aquacultuurdieren en producten daarvan naar en van de kwekerij of het kweekgebied van weekdieren;

b) de mortaliteit in iedere epizoötiologische eenheid, al naar gelang van het productietype;

c) de resultaten van het in artikel 10 bedoelde programma voor op risico's gebaseerde bewaking van de diergezondheid.

2. De lidstaten zien erop toe dat vergunninghoudende verwerkingsbedrijven een register bijhouden van alle verplaatsingen van aquacultuurdieren en producten daarvan naar en van het bedrijf.

3. De lidstaten dragen er zorg voor dat in het geval van vervoer van aquacultuurdieren de vervoerders een register bijhouden van:

a) de mortaliteit tijdens het vervoer, voor zover dit voor het soort vervoer en de vervoerde soorten in de praktijk mogelijk is;

b) de door het vervoermiddel bezochte kwekerijen, kweekgebieden voor weekdieren en verwerkingsbedrijven,

en

c) de waterverversing tijdens het vervoer, met name de herkomst van nieuw water en de plaats van lozing van gebruikt water.

4. Onverminderd specifieke bepalingen betreffende traceerbaarheid zorgen de lidstaten ervoor dat alle door de exploitanten van aquacultuurproductiebedrijven overeenkomstig lid 1, onder a), genoteerde verplaatsingen van dieren op een zodanige wijze worden geregistreerd dat het traceren van de plaatsen van oorsprong en bestemming kan worden gewaarborgd. De lidstaten kunnen bepalen dat deze verplaatsingen in een nationaal register worden opgenomen en in elektronische vorm worden bijgehouden.

Artikel 9

Goede hygiënische methoden

De lidstaten dragen er zorg voor dat de aquacultuurproductiebedrijven en vergunninghoudende verwerkingsbedrijven afhankelijk van de desbetreffende activiteit goede hygiënische methoden toepassen om de insleep en de verspreiding van ziekten te voorkomen.

Artikel 10

Programma voor de bewaking van de diergezondheid

1. De lidstaten zien erop toe dat in alle kwekerijen en kweekgebieden van weekdieren een op het productietype afgestemd op risico's gebaseerd programma voor de bewaking van de diergezondheid wordt toegepast.

2. Het in lid 1 bedoelde op risico's gebaseerde programma voor de bewaking van de diergezondheid heeft de opsporing tot doel van:

a) een eventuele toegenomen sterfte in alle kwekerijen en kweekgebieden van weekdieren, naar gelang van het productietype,

en

b) de in bijlage IV, deel II, vermelde ziekten in kwekerijen en kweekgebieden van weekdieren waar voor deze ziekten gevoelige soorten aanwezig zijn.

3. Aanbevelingen met betrekking tot de periodiciteit van deze programma's voor de bewaking van de diergezondheid, al naar gelang van de gezondheidstatus van het betrokken gebied of compartiment, staan in bijlage III, deel B. Deze bewaking geschiedt onverminderd de bemonstering en bewaking uit hoofde van hoofdstuk V of artikel 49, lid 3, artikel 50, lid 4, en artikel 52.

4. Het in lid 1 bedoelde op risico's gebaseerde programma voor de bewaking van de diergezondheid houdt rekening met de richtsnoeren die de Commissie zal opstellen volgens de procedure van artikel 62, lid 2.

5. In het licht van het resultaat van officiële controles overeenkomstig artikel 7 en van communautaire controles overeenkomstig artikel 58 en van elke andere relevante informatie legt de Commissie de Raad een verslag voor over de algemene werking van de op risico's gebaseerde bewaking van de diergezondheid in de lidstaten. Dit verslag kan, in voorkomend geval, vergezeld gaan van een passend voorstel, overeenkomstig de in artikel 62, lid 2, bedoelde procedure, waarin nadere bepalingen voor de uitvoering van dit artikel worden vastgesteld.

HOOFDSTUK III - VETERINAIRRECHTELIJKE BEPALINGEN INZAKE HET IN DE HANDEL BRENGEN VAN AQUACULTUURDIEREN EN DE PRODUCTEN DAARVAN


AFDELING 1

Algemene bepalingen

Artikel 11

Werkingssfeer

1. Tenzij anders bepaald, is dit hoofdstuk slechts van toepassing op de in bijlage IV, deel II, vermelde ziekten en de daarvoor gevoelige soorten.

2. De lidstaten mogen onder strikt toezicht van de bevoegde autoriteit toestaan dat aquacultuurdieren en de producten daarvan, die niet in overeenstemming zijn met dit hoofdstuk, voor wetenschappelijke doeleinden in de handel worden gebracht.

De bevoegde autoriteit ziet erop toe dat, wanneer deze dieren en producten in de handel worden gebracht, de gezondheidsstatus op de plaats van bestemming of op doorvoerplaatsen met betrekking tot de in bijlage IV, deel II, vermelde ziekten van waterdieren geen gevaar loopt.

Dergelijke verplaatsingen tussen lidstaten mogen slechts plaatsvinden indien de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten hiervan vooraf in kennis zijn gesteld.

Artikel 12

Algemene voorschriften inzake het in de handel brengen van aquacultuurdieren

1. De lidstaten zien erop toe dat, wanneer aquacultuurdieren en de producten daarvan in de handel worden gebracht, de gezondheidsstatus op de plaats van bestemming met betrekking tot de in bijlage IV, deel II, vermelde ziekten van waterdieren geen gevaar loopt.

2. Dit hoofdstuk bevat gedetailleerde regels betreffende de verplaatsing van aquacultuurdieren, in het bijzonder verplaatsingen tussen lidstaten, gebieden of compartimenten met een verschillende gezondheidsstatus zoals bedoeld in bijlage III, deel A.

Artikel 13

Voorschriften inzake ziektepreventie in verband met vervoer

1. De lidstaten zien erop toe dat:

a) tijdens het vervoer van aquacultuurdieren de noodzakelijke ziektepreventiemaatregelen worden genomen, zodat de gezondheidsstatus van deze dieren gedurende het vervoer niet wordt gewijzigd en het risico van verspreiding van ziekten wordt teruggedrongen,

en

b) de aquacultuurdieren onder zodanige omstandigheden worden vervoerd dat de gezondheidsstatus ervan en de gezondheidsstatus van de plaats van bestemming en - voor zover van toepassing - van doorvoerplaatsen niet in gevaar wordt gebracht.

Dit lid is ook van toepassing op niet in bijlage IV, deel II, vermelde ziekten en daarvoor gevoelige soorten.

2. De lidstaten zien erop toe dat tijdens het vervoer water wordt ververst op plaatsen en onder omstandigheden die geen gevaar opleveren voor de gezondheidsstatus van:

a) de vervoerde aquacultuurdieren;

b) waterdieren op de plaats waar het water wordt ververst,

en

c) waterdieren op de plaats van bestemming.

Artikel 14

Diergezondheidscertificering

1. De lidstaten zien erop toe dat voor het in de handel brengen van aquacultuurdieren diergezondheidscertificaten worden afgegeven wanneer de dieren worden binnengebracht in een overeenkomstig artikel 49 of artikel 50 ziektevrij verklaarde lidstaat, respectievelijk ziektevrij verklaard gebied of compartiment of in een lidstaat, gebied of compartiment waarvoor een bestrijdings- of uitroeiingsprogramma overeenkomstig artikel 44, lid 1 of lid 2, geldt, voor:

a) de kweek en de uitzetting in het wild,

of

b) de verdere verwerking met het oog op menselijke consumptie, tenzij:

i) ten aanzien van vis: zij vóór verzending geslacht en gestript zijn;

ii) ten aanzien van weekdieren en schaaldieren: zij in de vorm van niet-verwerkte of verwerkte producten verzonden zijn.

2. De lidstaten zien er eveneens op toe dat voor het in de handel brengen van aquacultuurdieren diergezondheidscertificaten worden afgegeven wanneer de dieren met toestemming een gebied verlaten waarvoor de bepalingen inzake bestrijding van hoofdstuk V, afdelingen 3, 4, 5 en 6, gelden.

Dit lid is ook van toepassing op niet in bijlage IV, deel II, vermelde ziekten en daarvoor gevoelige soorten.

3. Voor de onderstaande verplaatsingen geldt een kennisgevingsverplichting in het kader van het in artikel 20, lid 1, van Richtlijn 90/425/EEG bedoelde geïnformatiseerde systeem:

a) verplaatsingen van aquacultuurdieren tussen lidstaten waar een diergezondheidscertificaat overeenkomstig de leden 1 en 2 vereist is,

en

b) alle andere verplaatsingen van levende aquacultuurdieren voor de kweek of voor uiteenzetting in het wild tussen lidstaten waar uit hoofde van deze richtlijn geen diergezondheidscertificaat is vereist.

4. De lidstaten mogen ertoe besluiten het in lid 3 bedoelde geïnformatiseerde systeem te gebruiken voor het traceren van volledig op hun grondgebied plaatsvindende verplaatsingen.

AFDELING 2

Aquacultuurdieren bestemd voor de kweek of om in het wild te worden uitgezet

Artikel 15

Algemene voorschriften inzake het in de handel brengen van aquacultuurdieren bestemd voor de kweek of om in het wild te worden uitgezet

1. Onverminderd de bepalingen van hoofdstuk V dragen de lidstaten er zorg voor dat voor kweekdoeleinden in de handel gebrachte aquacultuurdieren:

a) klinisch gezond zijn,

en

b) niet afkomstig zijn van een kwekerij of kweekgebied van weekdieren waar zich een onopgeloste verhoogde sterfte voordoet.

Dit lid is ook van toepassing op niet in bijlage IV, deel II, vermelde ziekten en daarvoor gevoelige soorten.

2. In afwijking van lid 1, onder b), mogen de lidstaten evenwel, op basis van een risicobeoordeling, het in de handel brengen van dergelijke dieren toestaan op voorwaarde dat deze afkomstig zijn van een gedeelte van de kwekerij of het kweekgebied van weekdieren dat onafhankelijk is van de epizoötiologische eenheid waar de verhoogde sterfte zich heeft voorgedaan.

3. De lidstaten dragen er zorg voor dat aquacultuurdieren die in overeenstemming met de in hoofdstuk V bedoelde ziektebestrijdingsmaatregelen bestemd zijn om vernietigd of geslacht te worden, niet in de handel worden gebracht voor de kweek of om in het wild te worden uitgezet.

4. Aquacultuurdieren mogen alleen in het wild of in „put-en-take-visbedrijven” worden uitgezet indien zij:

a) voldoen aan de voorschriften van lid 1;

b) afkomstig zijn van een kwekerij of een kweekgebied van weekdieren met een gezondheidsstatus zoals bedoeld in bijlage III, deel A, die ten minste gelijk is aan die van de wateren waarin zij worden uitgezet.

De lidstaten kunnen evenwel vereisen dat de aquacultuurdieren uit een overeenkomstig artikel 49 of artikel 50 ziektevrij verklaard gebied afkomstig zijn. Zij kunnen tevens besluiten dit lid toe te passen op overeenkomstig artikel 43 opgestelde en uitgevoerde programma's.

Artikel 16

Het binnenbrengen van tot gevoelige soorten behorende aquacultuurdieren in ziektevrije gebieden

1. Tot gevoelige soorten behorende aquacultuurdieren kunnen in lidstaten, gebieden of compartimenten die overeenkomstig artikel 49 of artikel 50 ziektevrij verklaard zijn, worden binnengebracht voor de kweek of om in het wild te worden uitgezet, indien zij uit lidstaten, gebieden of compartimenten afkomstig zijn die ook vrij van die ziekte zijn verklaard.

2. Indien op wetenschappelijke gronden kan worden aangenomen dat gevoelige soorten in bepaalde levensstadia de ziekte in kwestie niet overdragen, is lid 1 in deze levensstadia niet van toepassing.

Overeenkomstig de in artikel 62, lid 2, bedoelde procedure wordt een lijst van soorten en levensstadia waarop de eerste alinea van toepassing is, vastgesteld en, zo nodig, gewijzigd in het licht van de wetenschappelijke en technische ontwikkelingen.

Artikel 17

Het binnenbrengen van tot ziektedragende soorten behorende levende aquacultuurdieren in ziektevrije gebieden

1. Indien op grond van wetenschappelijke gegevens of praktische ervaring kan worden vastgesteld dat andere dan de in bijlage IV, deel II, genoemde soorten de overdracht van een specifieke ziekte kunnen veroorzaken door als ziektedragende soort te fungeren, zien de lidstaten erop toe dat een dergelijke ziektedragende soort, indien deze, voor de kweek of om in het wild te worden uitgezet, in lidstaten, gebieden of compartimenten is binnengebracht die overeenkomstig artikel 49 of artikel 50 vrij van die specifieke ziekte zijn verklaard:

a) afkomstig is uit andere lidstaten, gebieden of compartimenten, die ook vrij van die specifieke ziekte zijn verklaard,

of

b) gedurende een passende tijd in quarantainevoorzieningen wordt gehouden in water dat vrij is van het desbetreffende pathogeen, indien uit de beschikbare wetenschappelijke gegevens of praktische ervaring is gebleken dat dit volstaat om het risico van overdracht van de specifieke ziekte tot een voor het voorkómen van de overdracht van de betrokken ziekte aanvaardbaar niveau terug te brengen.

2. Volgens de in artikel 62, lid 2, bedoelde procedure wordt een lijst van ziektedragende soorten en levensstadia van die soorten waarop dit artikel van toepassing is, en, in voorkomend geval, van de voorwaarden waaronder deze soorten een ziekte kunnen overdragen, vastgesteld en, zo nodig, in het licht van de wetenschappelijke en technologische ontwikkelingen gewijzigd.

3. In afwachting van de mogelijke opneming van een soort op de in lid 2 bedoelde lijst kan de Commissie, volgens de in artikel 62, lid 3, bedoelde procedure, de lidstaten toestaan de in lid 1 bedoelde maatregelen toe te passen.

AFDELING 3

Voor menselijke consumptie bestemde aquacultuurdieren en producten daarvan

Artikel 18

Aquacultuurdieren en producten daarvan die in de handel worden gebracht voor verdere verwerking met het oog op menselijke consumptie

1. De lidstaten dragen er zorg voor dat aquacultuurdieren van voor één of meer in bijlage IV, deel II, genoemde niet-exotische ziekten gevoelige soorten en de producten daarvan alleen voor verdere verwerking in de handel mogen worden gebracht in lidstaten, gebieden en compartimenten die overeenkomstig artikel 49 of artikel 50 van die ziekten vrij verklaard zijn, indien zij aan een van de volgende voorwaarden voldoen:

a) zij zijn afkomstig uit lidstaten, gebieden en compartimenten die ook vrij van die ziekte zijn verklaard;

b) zij zijn verwerkt in een vergunninghoudend verwerkingsbedrijf onder omstandigheden die de verspreiding van ziekten voorkomen;

c) ten aanzien van vis: zij zijn vóór verzending geslacht en gestript;

d) ten aanzien van weekdieren en schaaldieren: zij zijn in de vorm van niet-verwerkte of van verwerkte producten verzonden.

2. De lidstaten dragen er zorg voor dat levende aquacultuurdieren van voor één of meer in bijlage IV, deel II, genoemde niet-exotische ziekten gevoelige soorten en de producten daarvan die in de handel worden gebracht voor verdere verwerking in lidstaten, gebieden en compartimenten die overeenkomstig de artikelen 49 en 50 van die ziekten vrij verklaard zijn, alleen tijdelijk op de plaats van verwerking mogen worden opgeslagen indien:

a) zij afkomstig zijn uit lidstaten, gebieden en compartimenten die ook vrij van die ziekte zijn verklaard,

of

b) tijdelijk in verzendingscentra, zuiveringscentra of soortgelijke bedrijven worden gehouden die over systemen voor de behandeling van effluenten beschikken waarmee de desbetreffende pathogenen geïnactiveerd worden, of waar de effluenten andere behandelingen ondergaan, waardoor het risico van overdracht van de ziekten naar de natuurlijke wateren tot een aanvaardbaar niveau wordt teruggebracht.

Artikel 19

Aquacultuurdieren en producten daarvan die zonder verdere verwerking voor menselijke consumptie in de handel worden gebracht

1. Deze afdeling is niet van toepassing indien aquacultuurdieren van voor één of meer in bijlage IV, deel II, genoemde ziekten gevoelige soorten en de producten daarvan zonder verdere verwerking voor menselijke consumptie in de handel worden gebracht, mits zij zijn verpakt in detailverpakkingen, die aan de bepalingen inzake verpakking en etikettering van Verordening (EG) nr. 853/2004 voldoen.

2. Indien levende weekdieren en schaaldieren van voor één of meer in bijlage IV, deel II, genoemde ziekten gevoelige soorten tijdelijk in communautaire wateren worden uitgezet of in verzendingscentra, zuiveringscentra of soortgelijke bedrijven worden binnengebracht, voldoen zij aan artikel 18, lid 2.

AFDELING 4

Wilde waterdieren

Artikel 20

Uitzetten van wilde waterdieren in ziektevrij verklaarde lidstaten, gebieden of compartimenten

1. Wilde waterdieren van voor één of meer in bijlage IV, deel II, genoemde ziekten gevoelige soorten, die in niet overeenkomstig artikel 49 of artikel 50 ziektevrij verklaarde lidstaten, gebieden of compartimenten gevangen zijn, worden onder toezicht van de bevoegde autoriteit gedurende een periode die lang genoeg is om het risico van overdracht van de ziekte tot een aanvaardbaar niveau terug te brengen, in daartoe geschikte voorzieningen in quarantaine geplaatst, voordat zij in een kwekerij of kweekgebied van weekdieren kunnen worden uitgezet die in een lidstaat, gebied of compartiment is gelegen die/dat overeenkomstig artikel 49 of artikel 50 vrij verklaard is van de desbetreffende ziekte.

2. De lidstaten kunnen traditionele, extensieve aquacultuurmethoden in lagunes zonder de in lid 1 bedoelde quarantaine toestaan, mits een risicobeoordeling wordt uitgevoerd en het risico niet hoger wordt geacht dan hetgeen van de toepassing van lid 1 wordt verwacht.

AFDELING 5

Waterdieren voor sierdoeleinden

Artikel 21

Het in de handel brengen van waterdieren voor sierdoeleinden

1. De lidstaten dragen er zorg voor dat het in de handel brengen van waterdieren voor sierdoeleinden de gezondheidsstatus van waterdieren met betrekking tot de in bijlage IV, deel II, vermelde ziekten niet in gevaar brengt.

2. Dit artikel is ook van toepassing op niet in bijlage IV, deel II, vermelde ziekten.

HOOFDSTUK IV - HET BINNENBRENGEN IN DE GEMEENSCHAP VAN AQUACULTUURDIEREN EN DE PRODUCTEN DAARVAN UIT DERDE LANDEN


Artikel 22

Algemene voorschriften inzake het binnenbrengen van aquacultuurdieren en de producten daarvan uit derde landen

De lidstaten zien erop toe dat aquacultuurdieren en de producten daarvan alleen uit derde landen en delen van derde landen die voorkomen op een overeenkomstig de procedure van artikel 62, lid 2, opgestelde en bijgehouden lijst, in de Gemeenschap worden binnengebracht.

Artikel 23

Lijst van derde landen en delen van derde landen waaruit het binnenbrengen van aquacultuurdieren en de producten daarvan is toegestaan

1. Een derde land of een deel van een derde land wordt alleen op de in artikel 22 bedoelde lijst geplaatst indien een beoordeling van dat land of dat deel van een derde land door de Gemeenschap heeft aangetoond dat de bevoegde autoriteit passende garanties ten aanzien van de naleving van de relevante veterinairrechtelijke bepalingen van de Gemeenschapswetgeving biedt.

2. De Commissie kan besluiten dat een inspectie overeenkomstig artikel 58, lid 2, noodzakelijk is ter aanvulling van de in lid 1 bedoelde beoordeling van het derde land of deel van het derde land.

3. Bij het opstellen en aanpassen van de in artikel 22 bedoelde lijsten wordt in het bijzonder gelet op:

a) de wetgeving van het derde land,

b) de organisatie van de bevoegde autoriteit in het derde land en de inspectiediensten ervan, de bevoegdheden van deze diensten, het toezicht erop en de deze diensten ter beschikking staande middelen, met inbegrip van personeel, ten behoeve van een doeltreffende toepassing van de nationale wetgeving;

c) de geldende veterinairrechtelijke voorschriften inzake waterdieren voor het produceren, verwerken, hanteren, opslaan en verzenden van voor de Gemeenschap bestemde levende aquacultuurdieren;

d) de garanties die de bevoegde autoriteit van het derde land ten aanzien van de naleving van of de gelijkwaardigheid met de in de Gemeenschap geldende veterinairrechtelijke voorschriften inzake waterdieren kan bieden;

e) de ervaringen met het in de handel brengen van levende aquacultuurdieren uit het derde land en de resultaten van alle verrichte invoercontroles;

f) de resultaten van de communautaire beoordeling, met name de resultaten van de beoordeling door de bevoegde autoriteiten van het derde land, of, indien de Commissie daarom verzoekt, het door de bevoegde autoriteiten van het derde land ingediende verslag over de verrichte inspecties;

g) de gezondheidsstatus van gekweekte en wilde waterdieren in het derde land, met name wat betreft exotische dierziekten en aspecten van de algemene gezondheidssituatie van waterdieren in het derde land die een gevaar voor de gezondheidssituatie van waterdieren in de Gemeenschap kunnen vormen;

h) de regelmaat en snelheid waarmee het derde land informatie verschaft, en de correctheid van die informatie, over besmettelijke ziekten van waterdieren op zijn grondgebied, met name de ziekten die voorkomen op de OIE-lijsten van ziekten waarvoor een aangifteplicht geldt,

en

i) de in het derde land geldende regelgeving inzake preventie en bestrijding van ziekten bij waterdieren, en de toepassing daarvan, met inbegrip van de voorschriften inzake de invoer uit andere landen.

4. De Commissie zorgt ervoor dat alle overeenkomstig artikel 22 opgestelde of geactualiseerde lijsten openbaar worden gemaakt.

5. Lijsten overeenkomstig artikel 22 kunnen met andere, voor diergezondheids- of volksgezondheidsdoeleinden opgestelde lijsten worden gecombineerd.

Artikel 24

Documenten

1. Een document dat een diergezondheidscertificaat bevat, vergezelt zendingen aquacultuurdieren en de producten daarvan bij binnenkomst in de Gemeenschap.

2. In het diergezondheidscertificaat wordt bevestigd dat de zending voldoet aan:

a) de voorschriften van deze richtlijn voor dergelijke producten,

en

b) de overeenkomstig artikel 25, onder a), vastgelegde bijzondere invoervoorwaarden.

3. Het document kan ook gegevens bevatten die krachtens andere bepalingen van de communautaire wetgeving inzake de volks- en diergezondheid vereist zijn.

Artikel 25

Uitvoeringsbepalingen

Voor zover nodig kunnen overeenkomstig de in artikel 62, lid 2, bedoelde procedure uitvoeringsbepalingen voor de toepassing van dit hoofdstuk worden vastgesteld. Die bepalingen kunnen met name betrekking hebben op:

a) bijzondere invoervoorwaarden voor ieder derde land, delen daarvan of voor groepen derde landen;

b) de criteria voor de indeling van derde landen en delen daarvan ten aanzien van ziekten van waterdieren;

c) het gebruik van elektronische documenten;

d) modellen van diergezondheidscertificaten en andere documenten,

en

e) procedures en certificaten voor doorvoer.

HOOFDSTUK V - MELDING VAN ZIEKTEN EN MINIMUMMAATREGELEN BETREFFENDE DE BESTRIJDING ERVAN BIJ WATERDIEREN


AFDELING 1

Melding van ziekten

Artikel 26

Melding op nationaal niveau

1. De lidstaten zien erop toe dat:

a) indien er redenen bestaan voor de verdenking van de aanwezigheid van een in bijlage IV, deel II, vermelde ziekte of de aanwezigheid van een van deze ziekten bij waterdieren is bevestigd, deze verdenking en/of deze bevestiging onmiddellijk aan de bevoegde autoriteit wordt gemeld,

en

b) wanneer er sprake is van een verhoogde sterfte onder aquacultuurdieren, dit onmiddellijk voor verder onderzoek aan de bevoegde autoriteit of een particuliere dierenarts wordt gemeld.

2. De lidstaten dragen er zorg voor dat de volgende personen worden verplicht om de in lid 1 bedoelde informatie te melden:

a) de eigenaar en alle personen die waterdieren verzorgen;

b) personen die aquacultuurdieren tijdens het vervoer begeleiden;

c) dierenartsen en andere bij diensten voor de gezondheid van waterdieren werkzame personen;

d) officiële dierenartsen, leidinggevend personeel van veterinaire of andere officiële of particuliere laboratoria,

en

e) andere personen die beroepshalve betrokken zijn bij waterdieren van gevoelige soorten of de producten van dergelijke dieren.

Artikel 27

Melding aan de andere lidstaten, de Commissie en de lidstaten van de Europese Vrijhandelsassociatie (EVA)

De lidstaten stellen de andere lidstaten, de Commissie en de lidstaten van de EVA binnen 24 uur in kennis van de bevestiging van:

a) een in bijlage IV, deel II, vermelde exotische ziekte;

b) een in bijlage IV, deel II, vermelde niet-exotische ziekte, indien de lidstaten, gebieden of compartimenten in kwestie vrij van die ziekte zijn verklaard.

AFDELING 2

Verdenking van een op de lijst vermelde ziekte - Epizoötiologisch onderzoek

Artikel 28

Eerste bestrijdingsmaatregelen

De lidstaten zien erop toe dat bij verdenking van een in bijlage IV, deel II, vermelde exotische ziekte, of bij verdenking van een in bijlage IV, deel II, vermelde niet-exotische ziekte, in lidstaten, gebieden of compartimenten met een gezondheidsstatus van categorie I of categorie III, zoals bedoeld in bijlage III, deel A, voor de desbetreffende ziekte:

a) geschikte monsters worden genomen en in een overeenkomstig artikel 57 aangewezen laboratorium worden onderzocht;

b) in afwachting van de uitslag van het onder a) bedoelde onderzoek:

i) de kwekerij of het kweekgebied van weekdieren waar de verdenking van ziekte bestaat, onder officiële bewaking wordt geplaatst en de passende bestrijdingsmaatregelen worden genomen om te voorkomen dat de ziekte op andere waterdieren wordt overgedragen;

ii) geen aquacultuurdieren zonder toestemming van de bevoegde autoriteit de getroffen kwekerijen of kweekgebieden van weekdieren waar de verdenking van ziekte bestaat, binnenkomen of verlaten;

iii) het in artikel 29 bedoelde epizoötiologische onderzoek wordt aangevat.

Artikel 29

Epizoötiologisch onderzoek

1. De lidstaten dragen er zorg voor dat het overeenkomstig artikel 28, onder b), iii), aangevatte epizoötiologische onderzoek wordt uitgevoerd. indien het onderzoek overeenkomstig artikel 28, onder a), de aanwezigheid aantoont van:

a) een in bijlage IV, deel II, vermelde exotische ziekte in een lidstaat,

of

b) een in bijlage IV, deel II, vermelde niet-exotische ziekte in lidstaten, gebieden of compartimenten met een gezondheidsstatus van categorie I of categorie III, zoals bedoeld in bijlage III, deel A, voor de desbetreffende ziekte.

2. Het in lid 1 bedoelde epizoötiologische onderzoek heeft tot doel om:

a) te bepalen vanwaar en op welke wijze de ziekte kan zijn binnengebracht;

b) na te gaan of aquacultuurdieren gedurende de periode voorafgaande aan de kennisgeving van de in artikel 26, lid 1, bedoelde verdenking de kwekerij of het kweekgebied van weekdieren hebben verlaten;

c) na te gaan of andere kwekerijen besmet zijn.

3. Indien uit het epizoötiologische onderzoek overeenkomstig lid 1 blijkt dat de ziekte zich wellicht in één of meer kwekerijen, kweekgebieden van weekdieren of open wateren heeft verspreid, ziet de getroffen lidstaat erop toe dat de in artikel 28 vermelde maatregelen in deze kwekerijen, kweekgebieden van weekdieren of open wateren worden toegepast.

De bevoegde autoriteit kan - in het geval van uitgestrekte stroom- of kustgebieden - besluiten om artikel 28 op een minder uitgebreid gebied in de omgeving van de kwekerijen of de kweekgebieden van weekdieren die van besmetting verdacht worden, toe te passen, indien zij van oordeel is dat een dergelijk minder uitgebreid gebied voldoende groot is om te waarborgen dat de ziekte zich niet verder verspreidt.

4. Indien nodig, wordt de bevoegde autoriteit van aangrenzende lidstaten of derde landen van de verdenking van ziekte in kennis gesteld.

De bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten nemen in dat geval de noodzakelijke stappen om de in dit artikel bedoelde maatregelen op hun grondgebied toe te passen.

Artikel 30

Opheffing van de beperkende maatregelen

De bevoegde autoriteit heft de in artikel 28, onder b), bedoelde beperkende maatregelen op, indien uit het in dat artikel onder a) bedoelde onderzoek niet de aanwezigheid van de ziekte blijkt.

AFDELING 3

Minimale bestrijdingsmaatregelen bij bevestiging van exotische ziekten bij aquacultuurdieren

Artikel 31

Inleidende bepaling

Deze afdeling is van toepassing bij bevestiging van een in bijlage IV, deel II, vermelde exotische ziekte bij aquacultuurdieren.

Artikel 32

Algemene maatregelen

De lidstaten zien erop toe dat:

a) de kwekerij of het kweekgebied van weekdieren officieel besmet wordt verklaard;

b) er rondom de besmet verklaarde kwekerijen of kweekgebieden voor weekdieren een voor de desbetreffende ziekte adequaat beperkingsgebied wordt ingesteld, dat een beschermings- en een toezichtsgebied omvat;

c) er geen dieren worden uitgezet en geen aquacultuurdieren het beperkingsgebied binnenkomen of verlaten, tenzij de bevoegde autoriteit hiertoe toestemming heeft verleend;

d) alle aanvullende maatregelen die nodig zijn om de verdere verspreiding van de ziekte te voorkomen, worden uitgevoerd.

Artikel 33

Verzamelen en verdere verwerking

1. Aquacultuurdieren die een voor de handel geschikte maat hebben bereikt, en geen klinische ziektesymptomen vertonen, mogen onder toezicht van de bevoegde autoriteit voor menselijke consumptie of voor verdere verwerking worden verzameld.

2. Verzamelen, binnenbrengen in verzendings- of zuiveringscentra, verdere verwerking of andere met de voorbereiding van aquacultuurdieren voor de voedselketen verband houdende werkzaamheden worden onder omstandigheden uitgevoerd die de verspreiding van het ziekteverwekkende pathogeen voorkomen.

3. Verzendingscentra, zuiveringscentra en soortgelijke bedrijven beschikken over systemen voor de behandeling van effluenten waarmee het ziekteverwekkende pathogeen wordt geïnactiveerd, of het effluent ondergaat andere behandelingen, waardoor het risico van overdracht van de ziekten naar de natuurlijke wateren tot een aanvaardbaar niveau wordt teruggebracht.

4. Verdere verwerking vindt plaats in vergunninghoudende verwerkingsbedrijven.

Artikel 34

Verwijdering en vernietiging

1. De lidstaten dragen er zorg voor dat dode vis en dode schaaldieren en levende vis en levende schaaldieren die klinische ziektesymptomen vertonen, onder toezicht van de bevoegde autoriteit overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1774/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 3 oktober 2002 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten (19) en in overeenstemming met het in artikel 47 van deze richtlijn bedoelde rampenplan zo spoedig mogelijk worden verwijderd en vernietigd.

2. Aquacultuurdieren die nog geen voor de handel geschikte maat hebben bereikt en geen klinische ziektesymptomen vertonen, worden, binnen een passende termijn en afhankelijk van het productietype en het risico dat deze dieren voor de verdere verspreiding van de ziekte opleveren, onder toezicht van de bevoegde autoriteit overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1774/2002 en in overeenstemming met het in artikel 47 van deze richtlijn bedoelde rampenplan verwijderd en vernietigd.

Artikel 35

Stillegging

Besmette kwekerijen of kweekgebieden van weekdieren worden, zo mogelijk, gedurende een voldoende lange periode nadat de dieren eruit zijn verwijderd, stilgelegd en - voor zover van toepassing - gereinigd en ontsmet.

Besluiten betreffende het stilleggen van kwekerijen en kweekgebieden van weekdieren waar aquacultuurdieren worden gekweekt die niet gevoelig zijn voor de desbetreffende ziekte, zijn op een risicoanalyse gebaseerd.

Artikel 36

Bescherming van waterdieren

De lidstaten nemen de nodige maatregelen om te voorkomen dat de ziekte op andere waterdieren wordt overgedragen.

Artikel 37

Opheffing van de maatregelen

De in deze afdeling bedoelde maatregelen worden gehandhaafd totdat:

a) de in deze afdeling vastgestelde uitroeiingmaatregelen uitgevoerd zijn;

b) in het beperkingsgebied voor de desbetreffende ziekte en voor de types getroffen aquacultuurproductiebedrijven adequate bemonstering en bewaking met negatief resultaat zijn uitgevoerd.

AFDELING 4

Minimale bestrijdingsmaatregelen bij bevestiging van niet-exotische ziekten bij aquacultuurdieren

Artikel 38

Algemene bepalingen

1. Bij bevestiging van een in bijlage IV, deel II, vermelde niet-exotische ziekte in lidstaten, gebieden of compartimenten die vrij zijn verklaard van die ziekte:

a) neemt de betrokken lidstaat de in afdeling 3 vastgelegde maatregelen om de ziektevrije status terug te krijgen,

of

b) stelt de betrokken lidstaat overeenkomstig artikel 44, lid 2, een uitroeiingsprogramma op.

2. Indien een lidstaat besluit om de in afdeling 3 bedoelde maatregelen toe te passen, kan hij, in afwijking van artikel 34, lid 2, toestaan dat klinisch gezonde dieren tot een voor de handel geschikte maat worden opgekweekt voordat zij voor menselijke consumptie worden geslacht, of dat zij naar een ander besmet gebied of compartiment worden overgebracht. In dergelijke gevallen worden maatregelen genomen om de verdere verspreiding van de ziekte te beperken en, voor zover mogelijk, te voorkomen.

3. Indien de betrokken lidstaat afziet van het opnieuw verwerven van de ziektevrije status, is artikel 39 van toepassing.

Artikel 39

Inperkingsmaatregelen

Bij bevestiging van een in bijlage IV, deel II, vermelde niet-exotische ziekte in lidstaten, gebieden of compartimenten die niet vrij van die ziekte zijn verklaard, neemt de betrokken lidstaat maatregelen om de ziekte onder controle te krijgen.

Deze maatregelen omvatten minimaal het volgende:

a) de kwekerij of het kweekgebied van weekdieren wordt besmet verklaard;

b) rondom de besmet verklaarde kwekerijen of kweekgebieden voor weekdieren wordt een voor de desbetreffende ziekte adequaat beperkingsgebied ingesteld, dat een beschermings- en een toezichtsgebied omvat;

c) de verplaatsing van aquacultuurdieren uit het beperkingsgebied wordt zodanig beperkt dat deze dieren slechts:

i) overeenkomstig artikel 12, lid 2, in kwekerijen of kweekgebieden van weekdieren mogen worden binnengebracht,

of

ii) overeenkomstig artikel 33, lid 1, voor menselijke consumptie mogen worden verzameld en geslacht;

d) de verwijdering en vernietiging van dode vis en dode schaaldieren onder toezicht van de bevoegde autoriteit overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1774/2002, binnen een passende termijn waarbij rekening wordt gehouden met het type productie en het risico dat deze dode dieren voor de verdere verspreiding van de ziekte opleveren.

AFDELING 5

Minimale bestrijdingsmaatregelen bij bevestiging van in bijlage IV, deel II, vermelde ziekten bij wilde waterdieren

Artikel 40

Bestrijding van in bijlage IV, deel II, vermelde ziekten bij wilde waterdieren

1. Indien wilde waterdieren besmet zijn of verdacht worden van besmetting met in bijlage IV, deel II, vermelde exotische ziekten, controleert de betrokken lidstaat de situatie en neemt hij maatregelen om de verdere verspreiding van de ziekte te beperken en, voor zover mogelijk, te voorkomen.

2. Indien wilde waterdieren besmet zijn of verdacht worden van besmetting met in bijlage IV, deel II, vermelde niet-exotische ziekten in lidstaten, gebieden of compartimenten die van die ziekte vrij verklaard zijn, controleert de betrokken lidstaat eveneens de situatie en neemt hij maatregelen om de verdere verspreiding van de ziekte te beperken en, voor zover mogelijk, te voorkomen.

3. De lidstaten stellen de Commissie en de overige lidstaten in het in artikel 62, lid 1, genoemde comité in kennis van de overeenkomstig de leden 1 en 2 door hen genomen maatregelen.

AFDELING 6

Bestrijdingsmaatregelen bij nieuwe ziekten

Artikel 41

Nieuwe ziekten

1. De lidstaten nemen passende maatregelen om een nieuwe ziekte onder controle te krijgen en om de verspreiding ervan te voorkomen, indien de nieuwe ziekte de gezondheidssituatie van waterdieren in gevaar zou kunnen brengen.

2. Indien zich een nieuwe ziekte voordoet, stelt de betrokken lidstaat de andere lidstaten, de Commissie en de lidstaten van de EVA zo spoedig mogelijk hiervan in kennis, indien de bevindingen voor een andere lidstaat uit epizoötiologisch oogpunt van belang zijn.

3. Binnen vier weken na de in lid 2 vereiste kennisgeving aan de andere lidstaten, de Commissie en de leden van de EVA wordt de kwestie onder de aandacht van het in artikel 62, lid 1, bedoelde comité gebracht. De door de betrokken lidstaat krachtens lid 1 van dit artikel genomen maatregelen kunnen volgens de in artikel 62, lid 2, bedoelde procedure worden verlengd, gewijzigd of ingetrokken.

4. Zo nodig wordt een nieuwe ziekte of een nieuwe gastheersoort voor een reeds op de lijst in bijlage IV, deel II, opgenomen ziekte volgens de procedure van artikel 62, lid 2, aan die lijst toegevoegd.

AFDELING 7

Alternatieve maatregelen en nationale bepalingen

Artikel 42

Procedure voor het nemen van epizoötiologische maatregelen op ad-hocbasis voor in bijlage IV, deel II, vermelde ziekten

Overeenkomstig de in artikel 62, lid 2, bedoelde procedure kan voor een beperkte termijn onder voor de epizoötiologische situatie adequate voorwaarden worden besloten ad-hocmaatregelen te nemen indien:

a) de maatregelen in dit hoofdstuk niet voor de epizoötiologische situatie geschikt blijken,

of

b) de ziekte zich ondanks de overeenkomstig dit hoofdstuk genomen maatregelen lijkt te verspreiden.

Artikel 43

Bepalingen ter beperking van het effect van de niet in bijlage IV, deel II, vermelde ziekten

1. Indien een niet in bijlage IV, deel II, vermelde ziekte een aanzienlijk risico voor de gezondheidssituatie van aquacultuurdieren of wilde waterdieren of voor het milieu in een lidstaat vormt, kan de betrokken lidstaat maatregelen nemen voor de preventie van de invoering of de bestrijding van die ziekte.

De lidstaten dragen er zorg voor dat die maatregelen niet verder gaan dan hetgeen geschikt en noodzakelijk is voor de preventie van de invoering of de bestrijding van de ziekte.

2. De lidstaten stellen de Commissie in kennis van alle in lid 1 bedoelde maatregelen die een nadelige invloed op de handel tussen de lidstaten kunnen hebben. Deze maatregelen worden volgens de in artikel 62, lid 2, vermelde procedure goedgekeurd.

3. De in lid 2 genoemde goedkeuring wordt alleen verleend indien het instellen van intracommunautaire handelsbeperkingen noodzakelijk is voor de preventie van de invoering of de bestrijding van de ziekte, rekening houdend met de bepalingen van de hoofdstukken II, III, IV en V.

HOOFDSTUK V - I


BESTRIJDINGSPROGRAMMA'S EN VACCINATIE

AFDELING 1

Bewaking- en uitroeiingsprogramma's

Artikel 44

Opstelling en goedkeuring van bewakings- en uitroeiingsprogramma's

1. Indien een, voor zover bekend, niet besmette lidstaat die niet vrij verklaard is (categorie III van bijlage III, deel A) van één of meer van de in bijlage IV, deel II, vermelde niet-exotische ziekten, een bewakingsprogramma opstelt om de ziektevrije status voor één of meer van deze ziekten te verkrijgen, dient hij dat programma overeenkomstig de in artikel 62, lid 2, bedoelde procedure ter goedkeuring in.

Overeenkomstig die procedure kunnen dergelijke programma's ook worden gewijzigd of beëindigd.

De specifieke voorschriften inzake bewaking, bemonstering en diagnosemethoden zijn die welke in artikel 49, lid 3 worden bedoeld.

Indien een in dit lid bedoeld programma echter bestemd is voor afzonderlijke compartimenten of gebieden, die minder dan 75 % van het grondgebied van de lidstaat omvatten, en het gebied of compartiment uit een niet met een andere lidstaat of derde land gedeeld stroomgebied bestaat, is de procedure van artikel 50, lid 2, van toepassing voor de goedkeuring, wijziging of beëindiging van een dergelijk programma.

2. Indien een lidstaat waarvan bekend is dat hij besmet is (categorie V van bijlage III, deel A) met één of meer van de in bijlage IV, deel II, vermelde niet-exotische ziekten, een uitroeiingsprogramma voor één of meer van deze ziekten opstelt, dient hij dat programma overeenkomstig de in artikel 62, lid 2, bedoelde procedure ter goedkeuring in.

Overeenkomstig die procedure kunnen dergelijke programma's ook worden gewijzigd of beëindigd.

3. Overeenkomstig artikel 51 wordt op communautair niveau een overzicht van de overeenkomstig de leden 1 en 2 van dit artikel goedgekeurde programma's ter beschikking gesteld.

4. Vanaf de datum van goedkeuring van de in dit artikel bedoelde programma's zijn de voorschriften en maatregelen die zijn vervat in artikel 14, hoofdstuk III, afdelingen 2, 3, 4 en 5, hoofdstuk V, afdeling 2, en artikel 38, lid 1, betreffende van ziekte vrij verklaarde gebieden, van toepassing op de gebieden waarop de programma's betrekking hebben.

Artikel 45

Inhoud van de programma's

De programma's worden slechts goedgekeurd indien zij het volgende bevatten:

a) een beschrijving van de epizoötiologische situatie van de ziekte vóór de begindatum van het programma;

b) een kosten-batenanalyse van het programma;

c) de vermoedelijke duur van het programma en de op de einddatum van het programma te verwezenlijken doelstelling,

en

d) een beschrijving en afbakening van het geografische en bestuurlijke gebied waar het programma wordt uitgevoerd.

Artikel 46

Uitvoeringstermijn van de programma's

1. De programma's lopen tot het tijdstip waarop:

a) de in bijlage V vastgestelde voorschriften zijn nagekomen en de lidstaten, gebieden of compartimenten vrij verklaard zijn van de ziekte,

of

b) het programma door de bevoegde autoriteit van de betrokken lidstaat of door de Commissie wordt gestaakt, met name wanneer het niet langer aan het gestelde doel beantwoordt.

2. Als het programma in overeenstemming met lid 1, onder b), wordt gestaakt, past de betrokken lidstaat vanaf de datum waarop het programma wordt gestaakt de inperkingsmaatregelen van artikel 39 toe.

AFDELING 2

Rampenplan voor nieuwe en exotische ziekten

Artikel 47

Rampenplan voor nieuwe en exotische ziekten

1. Iedere lidstaat stelt een rampenplan op met de nationale maatregelen die moeten worden genomen om uiterste waakzaamheid en een hoge staat van paraatheid voor de ziekte te handhaven en de bescherming van het milieu te waarborgen.

2. Het rampenplan:

a) geeft de bevoegde autoriteit de bevoegdheid en de middelen om toegang te krijgen tot alle voorzieningen, apparatuur, personeel en ander materiaal, nodig voor de snelle en efficiënte uitroeiing van een uitgebroken ziekte;

b) garandeert coördinatie en overeenstemming met aangrenzende lidstaten en moedigt samenwerking met aangrenzende derde landen aan,

en

c) bevat - voor zover van toepassing - nauwkeurige gegevens betreffende de hoeveelheden vaccin en de vaccinatievoorschriften die in het geval van noodvaccinatie noodzakelijk worden geacht.

3. De lidstaten voldoen bij de opstelling van rampenplannen aan de in bijlage VII vastgelegde criteria en voorschriften.

4. De lidstaten leggen de rampenplannen ter goedkeuring voor overeenkomstig de procedure van artikel 62, lid 2.

Iedere lidstaat past zijn rampenplan om de vijf jaar aan en legt dit aangepaste plan overeenkomstig voornoemde procedure ter goedkeuring voor.

5. Het rampenplan wordt bij het uitbreken van een nieuwe ziekte en van een in bijlage IV, deel II, vermelde exotische ziekte uitgevoerd.

AFDELING 3

Vaccinatie

Artikel 48

Vaccinatie

1. De lidstaten dragen er zorg voor dat vaccinatie tegen de in bijlage IV, deel II, vermelde exotische ziekten verboden is, tenzij de vaccinatie in overeenstemming met artikel 41, 42 of 47 toegestaan is.

2. De lidstaten dragen er zorg voor dat vaccinatie tegen de in bijlage IV, deel II, vermelde niet-exotische ziekten verboden is in delen van hun grondgebied die overeenkomstig artikel 49 of artikel 50 vrij verklaard zijn van de desbetreffende ziekten of waar een overeenkomstig artikel 44, lid 1, goedgekeurd bewakings- en uitroeiingsprogramma van toepassing is.

De lidstaten kunnen de vaccinatie toestaan in delen van hun grondgebied die niet vrij verklaard zijn van de desbetreffende ziekten of waar de vaccinatie deel uitmaakt van een overeenkomstig artikel 44, lid 2, goedgekeurd uitroeiingsprogramma.

3. De lidstaten zien erop toe dat de bij Richtlijn 2001/82/EG en Verordening (EG) nr. 726/2004 toegestane vaccins worden gebruikt.

4. De leden 1 en 2 zijn niet van toepassing op wetenschappelijke studies ten behoeve van de ontwikkeling en het testen van vaccins onder gecontroleerde omstandigheden.

De lidstaten dragen er zorg voor dat tijdens deze studies adequate maatregelen worden genomen ter bescherming van andere waterdieren tegen de schadelijke gevolgen van de in het kader van de studies uitgevoerde vaccinaties.

HOOFDSTUK VII - ZIEKTEVRIJE STATUS


Artikel 49

Ziektevrije lidstaat

1. Een lidstaat wordt volgens de in artikel 62, lid 2, bedoelde procedure vrij verklaard van een of meer van de in bijlage IV, deel II, vermelde niet-exotische ziekten, indien aan lid 2 van dit artikel wordt voldaan, en:

a) geen van de gevoelige soorten op zijn grondgebied aanwezig is,

of

b) het pathogeen, voor zover bekend, niet kan overleven in de lidstaat en de bron van zijn water,

of

c) de lidstaat voldoet aan de in bijlage V, deel I, vastgestelde voorwaarden.

2. Indien aangrenzende lidstaten of met aangrenzende lidstaten gedeelde stroomgebieden niet ziektevrij verklaard zijn, stelt de lidstaat op zijn grondgebied de benodigde bufferzones in. De bufferzones worden zodanig afgebakend dat hierdoor de ziektevrije lidstaat tegen passieve insleep van de ziekte wordt beschermd.

3. De specifieke voorschriften inzake bewaking, bufferzones, bemonstering en diagnosemethoden die door de lidstaten worden toegepast om overeenkomstig dit artikel de ziektevrije status te verkrijgen, worden volgens de procedure van artikel 62, lid 2, vastgesteld.

Artikel 50

Ziektevrij gebied of compartiment

1. Een lidstaat kan een gebied of een compartiment op zijn grondgebied vrij verklaren van één of meer van de in bijlage IV, deel II, vermelde niet-exotische ziekten indien:

a) geen van de ziektegevoelige soorten in het gebied of compartiment en - voor zover van toepassing - in de bron van zijn water aanwezig is,

of

b) het pathogeen, voor zover bekend, niet in het gebied of compartiment en - voor zover van toepassing - in de bron van zijn water kan overleven,

of

c) het gebied of compartiment voldoet aan de in bijlage V, deel II, vastgestelde voorwaarden.

2. De lidstaten leggen de in lid 1 bedoelde verklaring af bij het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid volgens de onderstaande procedure:

a) de verklaring wordt met bewijsmateriaal gestaafd in een volgens de procedure van artikel 62, lid 2, te bepalen vorm en is elektronisch toegankelijk voor de Commissie en de lidstaten overeenkomstig het vereiste in artikel 59;

b) de Commissie voegt de kennisgeving van de verklaring als punt van informatie toe aan de agenda van de volgende vergadering van het in artikel 62, lid 1, bedoelde Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid. De verklaring wordt 60 dagen na de datum van de vergadering van kracht;

c) binnen die periode kunnen de Commissie en de lidstaten de lidstaat die de verklaring heeft afgelegd, om verduidelijking of aanvullende informatie over het bewijsmateriaal verzoeken;

d) wanneer ten minste één lidstaat, of de Commissie, binnen de in onder b) genoemde termijn schriftelijke opmerkingen heeft gemaakt, waarin aanzienlijke objectieve twijfels worden geuit over het bewijsmateriaal, onderzoeken de Commissie en de betrokken lidstaten samen het voorgelegde bewijsmateriaal om de twijfels weg te nemen. In dat geval kan de onder b) bedoelde periode met 30 dagen worden verlengd. Deze opmerkingen worden voorgelegd aan de lidstaat die de verklaring heeft afgelegd, en aan de Commissie;

e) wanneer de onder d) bedoelde bemiddeling mislukt, kan de Commissie besluiten overeenkomstig artikel 58 een inspectie ter plaatse te verrichten om na te gaan of de ingediende verklaring aan de criteria van lid 1 voldoet, tenzij de lidstaat die de verklaring heeft afgelegd, zijn verklaring intrekt;

f) in voorkomend geval wordt in het licht van de bereikte resultaten volgens de procedure van artikel 62, lid 2, een besluit genomen om de verklaring van de lidstaat zelf betreffende de ziektevrije status van het betrokken gebied of compartiment op te schorten.

3. Indien (een) gebied(en) of compartiment(en) overeenkomstig lid 1 meer dan 75 % van het grondgebied van de lidstaat omvat(ten), of indien het gebied of compartiment uit een met een andere lidstaat of derde land gedeeld stroomgebied bestaat, wordt de in lid 2 bedoelde procedure vervangen door de procedure van artikel 62, lid 2.

4. De specifieke voorschriften inzake bewaking, bemonstering en diagnosemethoden die door de lidstaten worden toegepast om overeenkomstig dit artikel de ziektevrije status te verkrijgen, worden volgens de procedure van artikel 62, lid 2, vastgelegd.

Artikel 51

Lijst van ziektevrije lidstaten, gebieden of compartimenten

1. Iedere lidstaat stelt een lijst op van overeenkomstig artikel 50, lid 2, ziektevrij verklaarde gebieden en compartimenten en werkt deze geregeld bij. Deze lijsten worden voor het publiek toegankelijk gemaakt.

2. De Commissie stelt een lijst op van overeenkomstig artikel 49 of artikel 50, lid 3, ziektevrij verklaarde lidstaten, gebieden en compartimenten en werkt deze geregeld bij. Zij maakt de lijst voor het publiek toegankelijk.

Artikel 52

Handhaving van de ziektevrije status

Een lidstaat die overeenkomstig artikel 49 vrij is verklaard van één of meer van de in bijlage IV, deel II, vermelde niet-exotische ziekten, kan de gerichte bewaking staken en zijn ziektevrije status behouden, mits de omstandigheden waardoor de desbetreffende ziekte klinisch tot uiting kan komen, aanwezig zijn en de relevante bepalingen van deze richtlijn worden toegepast.

Ten aanzien van ziektevrije gebieden of compartimenten in niet ziektevrij verklaarde lidstaten en in alle gevallen waarin de omstandigheden zodanig zijn dat de desbetreffende ziekte klinisch niet tot uiting kan komen, wordt de gerichte bewaking evenwel in overeenstemming met de respectievelijk in artikel 49, lid 3, of artikel 50, lid 4, bedoelde methoden naar behoren voortgezet, op een niveau dat overeenstemt met de ernst van het risico.

Artikel 53

Opschorting en herinvoering van de ziektevrije status

1. Indien een lidstaat reden heeft om te veronderstellen dat niet wordt voldaan aan één of meer van de voorwaarden voor de handhaving van de ziektevrije status van de lidstaat, of een gebied of compartiment ervan, schort die lidstaat de handel in gevoelige en ziektedragende soorten naar andere lidstaten, gebieden of compartimenten met een hogere gezondheidsstatus voor de desbetreffende ziekte, zoals bepaald in bijlage III, deel A, onmiddellijk op en past hij de bepalingen van de hoofdstuk V, afdelingen 2 en 4, toe.

2. Indien het epizoötiologische onderzoek overeenkomstig artikel 29, lid 1, bevestigt dat de vermoedelijke inbreuk niet heeft plaatsgevonden, wordt de ziektevrije status van de lidstaat, het gebied of het compartiment hersteld.

3. Indien het epizoötiologische onderzoek bevestigt dat het zeer waarschijnlijk is dat besmetting heeft plaatsgevonden, wordt de ziektevrije status van de lidstaat, het gebied of het compartiment ingetrokken volgens de procedure aan de hand waarvan de status was toegekend. Voordat de ziektevrije status wordt hersteld, wordt aan de voorschriften van bijlage V voldaan.

HOOFDSTUK VIII - BEVOEGDE AUTORITEITEN EN LABORATORIA


Artikel 54

Algemene verplichtingen

1. Iedere lidstaat wijst de in het kader van deze richtlijn bevoegde autoriteiten aan en stelt de Commissie hiervan in kennis.

De bevoegde autoriteiten oefenen hun taken en bevoegdheden uit overeenkomstig Verordening (EG) nr. 882/2004.

2. Iedere lidstaat draagt er zorg voor dat de door hem in het kader van deze richtlijn aangewezen bevoegde autoriteiten en de overige voor kwesties betreffende de aquacultuur, waterdieren en levensmiddelen en diervoeders afkomstig van aquacultuur verantwoordelijke autoriteiten, op basis van een vrije uitwisseling van informatie die voor de uitvoering van deze richtlijn van belang is, voortdurend doeltreffend samenwerken.

Ook wordt er, voor zover noodzakelijk, informatie tussen de bevoegde autoriteiten van de diverse lidstaten uitgewisseld.

3. Iedere lidstaat draagt er zorg voor dat de bevoegde autoriteiten toegang hebben tot de passende laboratoriumdiensten en de meest recente expertise op het gebied van risicoanalyse en epizoötiologie en dat er tussen de bevoegde autoriteiten en de laboratoria een vrije uitwisseling van informatie plaatsvindt die voor de uitvoering van deze richtlijn van belang is.

Artikel 55

Communautaire referentielaboratoria

1. Overeenkomstig de in artikel 62, lid 2, bedoelde procedure worden voor een volgens dezelfde procedure te bepalen termijn communautaire referentielaboratoria ten behoeve van de voor deze richtlijn relevante ziekten bij waterdieren aangewezen.

2. De communautaire referentielaboratoria voor ziekten bij waterdieren oefenen de in bijlage VI, deel I, vastgelegde bevoegdheden en taken uit.

3. Vóór het einde van de in lid 1 bedoelde termijn evalueert de Commissie de aanwijzing van de communautaire referentielaboratoria in het licht van de wijze waarop deze de in lid 2 bedoelde bevoegdheden en taken hebben uitgeoefend.

Artikel 56

Nationale referentielaboratoria

1. De lidstaten dragen er zorg voor dat voor elk van de in artikel 55 bedoelde communautaire referentielaboratoria een nationaal referentielaboratoria wordt aangewezen.

De lidstaten mogen een in een andere lidstaat of in een lidstaat van de EVA gelegen laboratorium aanwijzen; ook kan één enkel laboratorium als nationaal referentielaboratorium voor meer dan een lidstaat dienen.

2. De lidstaten delen de Commissie, het desbetreffende communautaire referentielaboratorium en de overige lidstaten de naam en het adres van ieder aangewezen nationaal referentielaboratorium mee, alsmede alle wijzigingen van deze gegevens.

3. Het nationale referentielaboratorium werkt samen met het in artikel 55 bedoelde desbetreffende communautaire referentielaboratorium.

4. Om een efficiënte diagnostiek op het gehele grondgebied van een lidstaat in overeenstemming met deze richtlijn te garanderen, werkt het nationale referentielaboratorium samen met alle overeenkomstig artikel 57 aangewezen laboratoria die zich op het grondgebied van dezelfde lidstaat bevinden.

5. De lidstaten zien erop toe dat alle nationale referentielaboratoria op hun grondgebied over voldoende voorzieningen en een voldoende aantal ervaren personeelsleden beschikken om de bij deze richtlijn vereiste laboratoriumonderzoeken te kunnen uitvoeren en om de in bijlage VI, deel II, vastgelegde bevoegdheden en taken te kunnen uitoefenen.

Artikel 57

Diagnostiek en diagnosemethoden

De lidstaten zien erop toe dat:

a) de laboratoriumonderzoeken in het kader van deze richtlijn in hiertoe door de bevoegde autoriteit aangewezen laboratoria worden uitgevoerd;

b) laboratoriumonderzoeken in het geval van verdenking of bevestiging van de aanwezigheid van de in bijlage IV, deel II, vermelde ziekten worden uitgevoerd, door middel van diagnosemethoden die volgens de in artikel 62, lid 2, bedoelde procedure zijn vastgelegd,

en

c) overeenkomstig dit artikel voor diagnostiek aangewezen laboratoria de in bijlage VI, deel III, vastgelegde bevoegdheden en taken uitoefenen.

HOOFDSTUK IX - INSPECTIES, ELEKTRONISCHE GEGEVENSUITWISSELING EN SANCTIES


Artikel 58

Communautaire inspecties en audits

1. Deskundigen van de Commissie mogen inspecties ter plaatse, waaronder audits, uitvoeren in samenwerking met de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, voor zover deze ten behoeve van de uniforme toepassing van deze richtlijn noodzakelijk zijn.

De lidstaten op het grondgebied waarvan deze inspecties en audits worden uitgevoerd, bieden de deskundigen bij de uitvoering van hun taken alle benodigde ondersteuning.

De Commissie stelt de bevoegde autoriteit van de bevindingen van deze inspecties en audits in kennis.

2. Deskundigen van de Commissie mogen in derde landen, in samenwerking met de bevoegde autoriteiten van het betrokken derde land, ook inspecties ter plaatse, waaronder audits, uitvoeren om de naleving van of de gelijkwaardigheid met de in de Gemeenschap geldende veterinairrechtelijke voorschriften inzake waterdieren te controleren.

3. Indien er gedurende een inspectie van de Commissie een ernstig risico voor de diergezondheid wordt geconstateerd, neemt de betrokken lidstaat onmiddellijk alle maatregelen ter bescherming van de diergezondheid.

Indien zulke maatregelen niet worden genomen, of ontoereikend worden geacht, worden de maatregelen ter bescherming van de diergezondheid overeenkomstig de in artikel 62, lid 3, bedoelde procedure genomen en wordt de betrokken lidstaat hiervan in kennis gesteld.

Artikel 59

Elektronische gegevensuitwisseling

1. De lidstaten dragen er zorg voor dat uiterlijk op 1 augustus 2008 alle procedures en formaliteiten ten behoeve van de elektronische gegevensuitwisseling overeenkomstig artikel 6, artikel 50, lid 2, artikel 51, lid 1, en artikel 56, lid 2, van kracht zijn.

2. Overeenkomstig de in artikel 62, lid 2, bedoelde procedure stelt de Commissie uitvoeringsbepalingen vast voor de uitvoering van lid 1 om de interoperabiliteit van de informatiesystemen en het gebruik van elektronische procedures tussen de lidstaten te vereenvoudigen.

Artikel 60

Sancties

De lidstaten stellen voorschriften vast inzake de bij overtredingen van ingevolge deze richtlijn vastgestelde nationale bepalingen toe te passen sancties en nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat die sancties ook worden toegepast. De sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn. De lidstaten stellen de Commissie uiterlijk op de in artikel 65, lid 1, aangegeven datum van deze bepalingen in kennis en delen haar eventuele latere wijzigingen onverwijld mee.

HOOFDSTUK - X


WIJZIGINGEN, UITVOERINGSBEPALINGEN EN COMITÉPROCEDURE

Artikel 61

Wijzigingen en uitvoeringsbepalingen

1. Artikel 50, lid 2, kan overeenkomstig de in artikel 62, lid 2, bedoelde procedure gewijzigd worden.

2. De bijlagen bij deze richtlijn kunnen overeenkomstig de in artikel 62, lid 2, bedoelde procedure gewijzigd worden.

3. De voor de toepassing van deze richtlijn noodzakelijke maatregelen kunnen overeenkomstig de in artikel 62, lid 2, bedoelde procedure worden vastgesteld.

Artikel 62

Comitéprocedure

1. De Commissie wordt bijgestaan door het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid (hierna „het Comité” genoemd).

2. In de gevallen waarin naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 5 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing.

De in artikel 5, lid 6, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn bedraagt drie maanden.

3. In de gevallen waarin naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 5 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing.

De in artikel 5, lid 6, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn bedraagt 15 dagen.

4. Het Comité stelt zijn reglement van orde vast.

HOOFDSTUK XI - OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN


Artikel 63

Intrekking

1. De Richtlijnen 91/67/EEG, 93/53/EEG en 95/70/EG worden met ingang van 1 augustus 2008 ingetrokken.

2. Verwijzingen naar de ingetrokken richtlijnen gelden als verwijzingen naar de onderhavige richtlijn en worden gelezen volgens de concordantietabel in bijlage VIII.

3. Beschikking 2004/453/EG blijft voor de toepassing van deze richtlijn van kracht in afwachting van de aanneming van de voorschriften overeenkomstig artikel 43 van deze richtlijn, die uiterlijk drie jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn worden aangenomen.

Artikel 64

Overgangsbepalingen

Overgangsbepalingen kunnen volgens de in artikel 62, lid 2, bedoelde procedure worden vastgesteld voor een periode van vier jaar te rekenen vanaf 14 december 2006.

Artikel 65

Omzetting

1. De lidstaten dragen zorg voor vaststelling en bekendmaking uiterlijk op 1 mei 2008 van de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen om vóór 14 december 2008 aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan in kennis.

Zij passen die bepalingen toe met ingang van 1 augustus 2008.

Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in de bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor de verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2. De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mee die zij met betrekking tot de toepassing van deze richtlijn vaststellen.

Artikel 66

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 67

Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.