Artikelen bij COM(2012)363 - Voorstel voor het bestrijden van fraude met EU-gelden middels strafrecht - EU monitor

EU monitor
Dinsdag 21 mei 2019
kalender

Dit is een beperkte versie

U kijkt naar een beperkte versie van dit dossier in de EU Monitor.


TITEL I - ONDERWERP, DEFINITIES EN TOEPASSINGSGEBIED

Artikel 1 - Onderwerp

Bij deze richtlijn worden minimumregels vastgesteld voor het omschrijven van strafbare feiten en sancties betreffende de bestrijding van fraude en andere onwettige activiteiten waardoor de financiŽle belangen van de Unie worden geschaad, met als doel, in overeenstemming met het acquis van de Unie op dit gebied, de bescherming tegen strafbare feiten die deze financiŽle belangen schaden, te verhogen.

Artikel 2 - Definities en toepassingsgebied

1. In deze richtlijn wordt verstaan onder:

a) ĄfinanciŽle belangen van de UnieĒ: alle ontvangsten, uitgaven en activa die worden gedekt door, zijn verworven in het kader van, of zijn verschuldigd aan:

i) de begroting van de Unie;

ii) de begrotingen van de instellingen, organen en instanties van de Unie die op grond van de Verdragen zijn opgericht, en de begrotingen die zij direct dan wel indirect beheren en controleren;

b) ĄrechtspersoonĒ: een entiteit met rechtspersoonlijkheid krachtens het toepasselijke recht, met uitzondering van staten of overheidsinstanties bij de uitoefening van hun openbare macht en van publiekrechtelijke internationale organisaties.

2. Wat betreft ontvangsten uit eigen middelen uit de btw, is deze richtlijn uitsluitend van toepassing in gevallen van ernstige inbreuken op het gemeenschappelijk btw-stelsel. Voor de toepassing van deze richtlijn worden inbreuken op het gemeenschappelijk btw-stelsel als ernstig beschouwd indien het in artikel 3, lid 2, onder d), beschreven opzettelijke handelen of nalaten betrekking heeft op het grondgebied van twee of meer lidstaten van de Unie en er een totale schade van ten minste 10†000†000 EUR mee is gemoeid.

3. Deze richtlijn laat de inrichting en de werking van de belastingadministratie van de lidstaten onverlet.

TITEL II - STRAFBARE FEITEN MET BETREKKING TOT FRAUDE WAARDOOR DE FINANCIňLE BELANGEN VAN DE UNIE WORDEN GESCHAAD

Artikel 3 - Fraude waardoor de financiŽle belangen van de Unie worden geschaad

1. De lidstaten nemen de nodige maatregelen om te waarborgen dat fraude waardoor de financiŽle belangen van de Unie worden geschaad, een strafbaar feit vormt, wanneer deze opzettelijk wordt gepleegd.

2. Voor de toepassing van deze richtlijn wordt als fraude waardoor de financiŽle belangen van de Unie worden geschaad, beschouwd:

a) wat uitgaven die geen verband houden met aanbestedingen betreft, elk handelen of nalaten waarbij:

i) valse, onjuiste of onvolledige verklaringen of documenten worden gebruikt of overgelegd, met als gevolg dat middelen of activa afkomstig van de begroting van de Unie of van de door of voor de Unie beheerde begrotingen wederrechtelijk worden ontvangen of achtergehouden;

ii) met hetzelfde gevolg, in strijd met een specifieke verplichting informatie wordt achtergehouden, of

iii) deze middelen of activa worden misbruikt door ze voor andere doelen aan te wenden dan die waarvoor ze oorspronkelijk zijn toegekend;

b) wat uitgaven in verband met aanbestedingen betreft, elk handelen of nalaten, tenminste wanneer gepleegd met het oog op een onrechtmatig voordeel voor de dader of een derde en ten nadele van de financiŽle belangen van de Unie, waarbij:

i) valse, onjuiste of onvolledige verklaringen of documenten worden gebruikt of overgelegd, met als gevolg dat middelen of activa afkomstig van de begroting van de Unie of van de door of voor de Unie beheerde begrotingen wederrechtelijk worden ontvangen of achtergehouden;

ii) met hetzelfde gevolg, in strijd met een specifieke verplichting informatie wordt achtergehouden, of

iii) deze middelen of activa worden misbruikt door ze voor andere doelen aan te wenden dan die waarvoor ze oorspronkelijk werden toegekend, hetgeen de financiŽle belangen van de Unie schaadt;

c) wat betreft andere ontvangsten dan de onder d) bedoelde ontvangsten uit eigen middelen uit de btw, elk handelen of nalaten waarbij:

i) valse, onjuiste of onvolledige verklaringen of documenten worden gebruikt of overgelegd, met als gevolg dat de middelen van de begroting van de Unie of van de door of voor de Unie beheerde begrotingen, wederrechtelijk worden verminderd;

ii) met hetzelfde gevolg, in strijd met een specifieke verplichting informatie wordt achtergehouden, of

iii) met hetzelfde gevolg, van een rechtmatig verkregen voordeel misbruik wordt gemaakt;

d) wat betreft ontvangsten uit eigen middelen uit de btw, elk handelen of nalaten in het kader van grensoverschrijdende frauduleuze constructies waarbij:

i) valse, onjuiste of onvolledige btw-gerelateerde verklaringen of documenten worden gebruikt of overgelegd, met als gevolg dat de middelen van de begroting van de Unie worden verminderd;

ii) met hetzelfde gevolg, in strijd met een specifieke verplichting btw-gerelateerde informatie wordt achtergehouden, of

iii) correcte btw-gerelateerde verklaringen worden overgelegd met het oog op frauduleuze verhulling van niet-betaling of wederrechtelijke vestiging van rechten op†btw-teruggaven.

Artikel 4 - Andere strafbare feiten waardoor de financiŽle belangen van de Unie worden geschaad

1. De lidstaten nemen de nodige maatregelen om er voor te zorgen dat het witwassen van geld zoals omschreven in artikel†1, lid†3, van Richtlijn (EU) 2015/849, waarbij voorwerpen betrokken zijn die afkomstig zijn uit de strafbare feiten waarop de onderhavige richtlijn betrekking heeft, een strafbaar feit vormt.

2. De lidstaten nemen de nodige maatregelen om er voor te zorgen dat passieve en actieve corruptie, wanneer opzettelijk gepleegd, strafbare feiten vormen.

a) Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder Ąpassieve corruptieĒ: de handeling van een overheidsfunctionaris die onmiddellijk of middellijk voordelen, ongeacht de aard daarvan, voor zichzelf of voor een ander vraagt of aanneemt, dan wel ingaat op een desbetreffende toezegging teneinde een ambtshandeling of een handeling in de uitoefening van zijn ambt te verrichten of na te laten waardoor de financiŽle belangen van de Unie worden of kunnen worden geschaad;

b) Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder Ąactieve corruptieĒ: de handeling van iemand die een overheidsfunctionaris onmiddellijk of middellijk een voordeel, ongeacht de aard daarvan, voor zichzelf of voor een ander toezegt, aanbiedt of verstrekt om een ambtshandeling of een handeling in de uitoefening van zijn ambt te verrichten of na te laten waardoor de financiŽle belangen van de Unie worden of kunnen worden geschaad.

3. De lidstaten nemen de nodige maatregelen om er voor te zorgen dat wederrechtelijke toe-eigening, wanneer opzettelijk gepleegd, een strafbaar feit vormt.

Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder Ąwederrechtelijke toe-eigeningĒ: de handeling van een overheidsfunctionaris die onmiddellijk of middellijk is belast met het beheer van middelen of activa, die het toekennen of toewijzen van middelen en het zich toe-eigenen of gebruiken van activa inhoudt, voor andere doeleinden dan die waarvoor zij bestemd waren, waardoor de financiŽle belangen van de Unie worden geschaad.

4. Voor de toepassing van deze richtlijn wordt onder ĄoverheidsfunctionarisĒ verstaan:

a) een ambtenaar van de Unie of een nationale ambtenaar, met inbegrip van elke nationale ambtenaar van een andere lidstaat en elke nationale ambtenaar van een derde land;

i) onder Ąambtenaar van de UnieĒ wordt eenieder verstaan die:

ó als ambtenaar, of als ander personeelslid op grond van een overeenkomst, door de Unie is aangesteld in de zin van het Statuut van de ambtenaren en van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Unie, vastgesteld bij Verordening (EEG, Euratom, EGKS) nr. 259/68 van de Raad†(16) (Ąhet StatuutĒ), of

ó door een lidstaat of door een overheids- of particuliere instelling ter beschikking van de Unie is gesteld om functies uit te oefenen die overeenstemmen met de functies die worden uitgeoefend door ambtenaren van de Unie of andere personeelsleden.

Onverminderd de bepalingen betreffende voorrechten en immuniteiten in Protocollen nr.†3 en nr. 7, worden de leden van instellingen, organen en instanties van de Unie die overeenkomstig de Verdragen zijn ingesteld en het personeel van die organen, aan ambtenaren van de Unie gelijkgesteld, voor zover het Statuut niet op hen van toepassing is;

ii) Ąnationaal ambtenaarĒ wordt uitgelegd overeenkomstig de definitie van ĄambtenaarĒ of ĄoverheidsfunctionarisĒ in de zin van het nationale recht van de lidstaat of het derde land waar de betrokkene zijn taken uitvoert.

In geval van een door een lidstaat ingestelde strafvervolging tegen een nationaal ambtenaar van†een andere lidstaat of tegen een nationaal ambtenaar van een derde land, is eerstgenoemde lidstaat evenwel slechts gehouden de definitie van Ąnationaal ambtenaarĒ toe te passen voor zover die definitie verenigbaar is met zijn nationale recht.

De term Ąnationaal ambtenaarĒ omvat eenieder die een uitvoerend, bestuurlijk of rechterlijk ambt op nationaal, regionaal of lokaal niveau bekleedt. Eenieder die een wetgevend ambt op nationaal, regionaal of lokaal niveau bekleedt, wordt aan een nationaal ambtenaar gelijkgesteld.

b) ieder ander die als daartoe aangewezen persoon een overheidsfunctie bekleedt die het beheer van of de besluitvorming inzake de financiŽle belangen van de Unie in de lidstaten of in derde landen behelst.

TITEL III - ALGEMENE BEPALINGEN INZAKE FRAUDE EN ANDERE STRAFBARE FEITEN WAARDOOR DE FINANCIňLE BELANGEN VAN DE UNIE WORDEN GESCHAAD


Artikel†5

Uitlokking, medeplichtigheid en poging

1. De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat uitlokking van en medeplichtigheid aan het plegen van de in de artikelen 3 en 4 bedoelde strafbare feiten strafbaar worden gesteld.

2. De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat een poging om een van de in artikel†3 en artikel†4, lid†3, bedoelde strafbare feiten te plegen, strafbaar wordt gesteld.

Artikel 6 - Aansprakelijkheid van rechtspersonen

1. De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat rechtspersonen aansprakelijk kunnen worden gesteld voor elk van de in de artikelen 3, 4 en 5 genoemde strafbare feiten wanneer die feiten tot hun voordeel zijn gepleegd door elke persoon die hetzij individueel hetzij als deel van een orgaan van de rechtspersoon optreedt, en bij de rechtspersoon een leidende functie bekleedt, die gebaseerd is op:

a) de bevoegdheid om de rechtspersoon te vertegenwoordigen;

b) de bevoegdheid om namens de rechtspersoon beslissingen te nemen, of

c) de bevoegdheid om binnen de rechtspersoon toezicht uit te oefenen.

2. Tevens nemen de lidstaten de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat rechtspersonen aansprakelijk kunnen worden gesteld wanneer als gevolg van gebrekkig toezicht of gebrekkige controle door een in lid 1 van dit artikel bedoelde persoon strafbare feiten als bedoeld in artikel 3, 4 of 5 konden worden gepleegd door een persoon die onder diens gezag staat ten voordele van die rechtspersoon.

3. De aansprakelijkheid van rechtspersonen krachtens de leden 1 en 2 van dit artikel sluit de strafvervolging niet uit van natuurlijke personen die dader van de in de artikelen 3 en 4 bedoelde strafbare feiten zijn of die uit hoofde van artikel†5 strafrechtelijk aansprakelijk zijn.

Artikel 7 - Sancties met betrekking tot natuurlijke personen

1. Ten aanzien van natuurlijke personen zorgen de lidstaten ervoor dat de in de artikelen 3, 4 en 5 bedoelde strafbare feiten met doeltreffende, evenredige en afschrikkende strafrechtelijke sancties kunnen worden bestraft.

2. De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de in de artikelen 3 en 4 bedoelde strafbare feiten kunnen worden bestraft met een maximumsanctie die een gevangenisstraf inhoudt.

3. De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de in de artikelen 3 en 4 bedoelde strafbare feiten kunnen worden bestraft met een maximumsanctie van ten minste vier jaar gevangenisstraf wanneer er aanzienlijke schade of een aanzienlijk voordeel mee is gemoeid.

De schade of het voordeel als gevolg van de in artikel 3, lid 2, onder a), b) en c), en in artikel 4 bedoelde strafbare feiten wordt als aanzienlijk beschouwd wanneer er met de schade of het voordeel meer dan 100†000 EUR is gemoeid.

De schade of het voordeel als gevolg van de in artikel†3, lid 2, onder†d), bedoelde strafbare feiten wordt, met inachtneming van artikel†2, lid†2, altijd als aanzienlijk beschouwd.

Ook in andere ernstige, in hun nationale recht omschreven, omstandigheden kunnen de lidstaten in een maximumsanctie van ten minste vier jaar gevangenisstraf voorzien.

4. Indien met een strafbaar feit als bedoeld in artikel 3, lid 2, onder a), b) of c), of in artikel 4 schade van minder dan 10†000 EUR of een voordeel van minder dan 10†000 EUR is gemoeid, kunnen de lidstaten in andere dan strafrechtelijke sancties voorzien.

5. Lid 1 geldt onverminderd de uitoefening van disciplinaire bevoegdheden tegen overheidsfunctionarissen door de bevoegde autoriteiten.

Artikel 8 - Verzwarende omstandigheid

De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat wanneer een strafbaar feit als bedoeld in artikel 3, 4 of 5 wordt gepleegd in het verband van een criminele organisatie in de zin van Kaderbesluit 2008/841/JBZ, dit als een verzwarende omstandigheid wordt beschouwd.

Artikel 9 - Sancties met betrekking tot rechtspersonen

De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat met betrekking tot een rechtspersoon die volgens artikel†6 aansprakelijk is gesteld, doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties kunnen worden getroffen; deze sancties omvatten strafrechtelijke of niet-strafrechtelijke geldboetes en kunnen andere sancties omvatten, zoals:

a) de uitsluiting van door de overheid verleende voordelen of steun;

b) de tijdelijke of permanente uitsluiting van aanbestedingsprocedures;

c) een tijdelijk of permanent verbod op het uitoefenen van commerciŽle activiteiten;

d) de plaatsing onder toezicht van de rechter;

e) een gerechtelijke maatregel tot liquidatie;

f) de tijdelijke of permanente sluiting van vestigingen die zijn gebruikt voor het plegen van het strafbare feit.

Artikel 10 - Bevriezing en confiscatie

De lidstaten nemen de nodige maatregelen om de bevriezing en confiscatie van daarbij gebruikte hulpmiddelen en opbrengsten van de in de artikelen†3, 4 en†5 bedoelde strafbare feiten mogelijk te maken. De lidstaten die gebonden zijn door Richtlijn 2014/42/EU van het Europees Parlement en de Raad†(17), doen dat overeenkomstig die richtlijn.

Artikel 11 - Rechtsmacht

1. Elke lidstaat neemt de nodige maatregelen om zijn rechtsmacht te vestigen ten aanzien van de in de artikelen 3, 4 en 5 bedoelde strafbare feiten die:

a) geheel of gedeeltelijk op zijn grondgebied zijn gepleegd, of

b) zijn gepleegd door een eigen onderdaan.

2. Elke lidstaat neemt de nodige maatregelen om zijn rechtsmacht te vestigen ten aanzien van de in de artikelen†3, 4 en†5 bedoelde strafbare feiten die worden gepleegd door een persoon op wie op het tijdstip van het strafbare feit het Statuut van toepassing is. Elke lidstaat kan afzien van de toepassing van de rechtsmachtsregels van dit lid of deze slechts in specifieke gevallen toepassen, dan wel slechts wanneer specifieke voorwaarden zijn vervuld, en stelt de Commissie daarvan in kennis.

3. Een lidstaat stelt in de volgende situaties de Commissie in kennis van zijn besluit om zijn rechtsmacht uit te breiden tot strafbare feiten als bedoeld in artikel†3, 4 of†5 die buiten zijn grondgebied zijn gepleegd:

a) de dader heeft zijn vaste woon- of verblijfplaats op zijn grondgebied;

b) het strafbare feit is gepleegd in het voordeel van een op het grondgebied van die lidstaat gevestigde rechtspersoon, of

c) het strafbare feit is gepleegd door een ambtenaar van die lidstaat in het kader van de uitoefening van zijn ambt.

4. In de in lid 1, onder†b), bedoelde gevallen nemen de lidstaten de nodige maatregelen om te waarborgen dat de uitoefening van hun rechtsmacht niet afhangt van de voorwaarde dat een strafvervolging slechts kan worden ingesteld indien het slachtoffer aangifte heeft gedaan op de plaats waar het strafbare feit is gepleegd of indien de staat van de plaats waar het strafbare feit is gepleegd, een aanklacht heeft geformuleerd.

Artikel 12 - Verjaringstermijnen voor strafbare feiten waardoor de financiŽle belangen van de Unie worden geschaad

1. De lidstaten nemen de nodige maatregelen om te voorzien in een verjaringstermijn waardoor de in de artikelen 3, 4 en 5 bedoelde strafbare feiten voldoende lange tijd nadat deze zijn gepleegd nog aan onderzoek, strafvervolging, een proces en een rechterlijke beslissing kunnen worden onderworpen, zodat die strafbare feiten effectief kunnen worden aangepakt.

2. De lidstaten nemen de nodige maatregelen om er voor te zorgen dat strafbare feiten als bedoeld in de artikelen†3, 4 en†5 die kunnen worden bestraft met een maximumsanctie van ten minste vier jaar gevangenisstraf, gedurende ten minste vijf jaar vanaf het tijdstip waarop het strafbare feit werd gepleegd, aan onderzoek, strafvervolging, een proces en een rechterlijke beslissing kunnen worden onderworpen.

3. In afwijking van lid†2 kunnen de lidstaten een verjaringstermijn van minder dan vijf jaar, doch niet minder dan drie jaar, vaststellen, mits die termijn door bepaalde handelingen kan worden gestuit of geschorst.

4. De lidstaten nemen de nodige maatregelen om de tenuitvoerlegging mogelijk te maken van:

a) een sanctie van meer dan ťťn jaar gevangenisstraf, of anders

b) een gevangenisstraf in geval van een strafbaar feit waarop een maximumsanctie van ten minste vier jaar gevangenisstraf staat,

die na een definitief vonnis wegens een strafbaar feit als bedoeld in artikel†3, 4 of†5 is opgelegd gedurende ten minste vijf jaar vanaf de datum van de definitieve veroordeling. Die termijn kan verlengingen van de verjaringstermijn omvatten die voortvloeien uit een stuiting of schorsing.

Artikel 13 - Terugvordering

Deze richtlijn vormt geen beletsel voor de terugvordering:

1) op Unieniveau, van bedragen die in de context van het plegen van de strafbare feiten als bedoeld in artikel†3, lid†2, onder†a), b) of†c), of in artikel 4 of 5, ten onrechte zijn betaald;

2) op nationaal niveau, van btw die in de context van het plegen van de strafbare feiten als bedoeld in artikel†3, lid†2, onder†d), of in artikel†4 of 5, niet is betaald.

Artikel 14 - Verhouding tot andere toepasselijke rechtshandelingen van de Unie

De toepassing van de administratieve maatregelen, sancties en boetes die zijn vastgesteld in het Unierecht, met name in de zin van de artikelen 4 en 5 van Verordening (EG, Euratom) nr.†2988/95, of in het nationale recht dat is vastgesteld overeenkomstig een specifieke verplichting uit hoofde van het Unierecht, doet geen afbreuk aan deze richtlijn. De lidstaten zorgen ervoor dat strafrechtelijke procedures die zijn ingesteld op grond van nationale bepalingen tot uitvoering van deze richtlijn, de juiste en effectieve toepassing van administratieve maatregelen, sancties en boetes die zijn vastgesteld in het Unierecht of in nationale uitvoeringsbepalingen en die niet kunnen worden gelijkgesteld aan strafvorderingen, niet buitensporig beÔnvloeden.

TITEL IV - SLOTBEPALINGEN

Artikel 15 - Samenwerking tussen de lidstaten en de Commissie (OLAF) en andere instellingen, organen of instanties van de Unie

1. Onverminderd de regels inzake grensoverschrijdende samenwerking en wederzijdse rechtshulp in strafzaken, werken de lidstaten, Eurojust, het Europees Openbaar Ministerie en de Commissie binnen de grenzen van hun respectieve bevoegdheden samen bij de bestrijding van de in de artikelen†3, 4 en†5 bedoelde strafbare feiten. Daartoe verleent de Commissie, en in voorkomend geval Eurojust, de technische en operationele bijstand die de bevoegde nationale autoriteiten nodig hebben om coŲrdinatie van het door hen ingestelde onderzoek te vergemakkelijken.

2. De bevoegde autoriteiten van de lidstaten kunnen binnen de grenzen van hun bevoegdheid gegevens uitwisselen met de Commissie teneinde de vaststelling van de feiten te vergemakkelijken en het daadwerkelijk optreden tegen de in de artikelen 3, 4 en 5 bedoelde strafbare feiten te waarborgen. De Commissie en de bevoegde nationale autoriteiten houden in elke specifieke zaak rekening met de eisen inzake geheimhouding en met de regels inzake gegevensbescherming. Onverminderd het nationale recht betreffende toegang tot informatie kan een lidstaat daartoe bij het verstrekken van informatie aan de Commissie bijzondere voorwaarden stellen aan het gebruik van die informatie door de Commissie of door een andere lidstaat waaraan die informatie wordt doorgegeven.

3. De Rekenkamer en de controleurs die belast zijn met het controleren van de begrotingen van de krachtens de Verdragen opgerichte instellingen, organen en instanties van de Unie, alsmede van de door de instellingen beheerde en gecontroleerde begrotingen, melden aan OLAF en aan andere bevoegde autoriteiten alle feiten waarvan zij tijdens hun taakuitoefening kennis krijgen en die zouden kunnen worden aangemerkt als in artikel 3, 4 of 5 bedoelde strafbare feiten. De lidstaten waarborgen dat de nationale controle-instanties dit ook doen.

Artikel 16 - Vervanging van de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiŽle belangen van de Europese Gemeenschappen

De Overeenkomst van 26 juli 1995 aangaande de bescherming van de financiŽle belangen van de Europese Gemeenschappen, met inbegrip van de bijbehorende Protocollen van 27†september†1996, 29†november 1996 en 19†juni 1997, wordt door deze richtlijn vervangen voor de lidstaten die erdoor gebonden zijn, met ingang van 6 juli 2019.

Voor de lidstaten die door deze richtlijn gebonden zijn, gelden verwijzingen naar de Overeenkomst als verwijzingen naar deze richtlijn.

Artikel†17

Omzetting

1. De lidstaten dienen uiterlijk op 6 juli 2019 de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen en bekend te maken om aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mede. Zij passen die bepalingen toe met ingang van 6 juli 2019.

Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiŽle bekendmaking ervan naar deze richtlijn verwezen. In de bepalingen wordt ook vermeld dat, voor de lidstaten die door deze richtlijn gebonden zijn, verwijzingen in bestaande wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen naar de door deze richtlijn vervangen overeenkomst, gelden als verwijzingen naar deze richtlijn. De regels voor die verwijzing en de formulering van die vermelding worden vastgesteld door de lidstaten.

2. De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mede die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 18 - Verslaglegging en beoordeling

1. Uiterlijk op 6 juli 2021 dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in waarin wordt beoordeeld in hoeverre de lidstaten de nodige maatregelen hebben genomen om aan deze richtlijn te voldoen.

2. Onverminderd verslagleggingsverplichtingen krachtens andere rechtshandelingen van de Unie, zenden de lidstaten de Commissie jaarlijks de volgende statistieken over de in de artikelen†3, 4 en 5 bedoelde strafbare feiten toe, voor zover deze op centraal niveau in de betrokken lidstaat beschikbaar zijn:

a) het aantal keren dat er strafvervolging is ingesteld, het aantal keren dat een onderzoek heeft geleid tot seponering, het aantal keren dat een berechting heeft geleid tot een vrijspraak en tot een veroordeling, en het aantal lopende strafrechtelijke procedures;

b) de bij strafrechtelijke procedures teruggekregen bedragen en de geraamde schade.

3. Uiterlijk op 6 juli 2024 dient de Commissie, rekening houdend met haar uit hoofde van lid 1 ingediende verslag en met de uit hoofde van lid 2 toegezonden statistieken van de lidstaten, bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in met een beoordeling van het effect van het nationale recht tot omzetting van deze richtlijn op de preventie van fraude waardoor de financiŽle belangen van de Unie worden geschaad.

4. Uiterlijk op 6 juli 2022 dient de Commissie, aan de hand van de uit hoofde van lid 2 door de lidstaten toegezonden statistieken, bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in, waarbij ten aanzien van de algemene doelstelling van verhoging van de bescherming van de financiŽle belangen van de Unie beoordeeld wordt of:

a) de drempel in artikel 2, lid 2, passend is;

b) de bepalingen inzake verjaringstermijnen als bedoeld in artikel†12 voldoende doeltreffend zijn;

c) deze richtlijn doeltreffend is ten aanzien van fraudegevallen bij openbare aanbestedingen.

5. De in de leden 3 en 4 bedoelde verslagen gaan, indien nodig, vergezeld van een wetgevingsvoorstel, dat een specifieke bepaling inzake fraude bij openbare aanbestedingen kan bevatten.

Artikel 19 - Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 20 - Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten overeenkomstig de Verdragen.