Artikelen bij COM(2018)325 - Stelsel van eigen middelen van de EU - EU monitor

EU monitor
Dinsdag 17 september 2019
kalender

Dit is een beperkte versie

U kijkt naar een beperkte versie van dit dossier in de EU Monitor.

dossier COM(2018)325 - Stelsel van eigen middelen van de EU.
document COM(2018)325 NLEN
datum 2†mei†2018


Artikel†1
Onderwerp

Bij dit besluit worden de voorschriften vastgesteld voor de toekenning van de eigen middelen van de Unie om de financiering van de jaarlijkse begroting van de Unie te waarborgen.

Artikel†2
CategorieŽn eigen middelen

1. De in de begroting van de Unie opgevoerde eigen middelen worden gevormd door de ontvangsten uit:

(a)traditionele eigen middelen bestaande uit de heffingen, premies, extra bedragen of compenserende bedragen, aanvullende bedragen of aanvullende elementen, rechten van het gemeenschappelijk douanetarief en de overige door de instellingen van de Unie ingevoerde of in te voeren rechten op het handelsverkeer met derde landen, de douanerechten op de onder het vervallen Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal vallende producten, alsmede de bijdragen en andere heffingen die in het kader van de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker zijn vastgesteld;

(b)de toepassing van een uniform afdrachtpercentage op een deel van de ontvangsten uit de belasting over de toegevoegde waarde geÔnd op de tegen het normale tarief belastbare leveringen gedeeld door het nationale normale tarief voor de belasting over de toegevoegde waarde; het daadwerkelijke afdrachtpercentage bedraagt niet meer dan 2†%;

(c)de toepassing van een uniform afdrachtpercentage op het aan elke lidstaat volgens de Unieregels inzake de gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting toegewezen aandeel van de belastbare winst; het daadwerkelijke afdrachtpercentage bedraagt niet meer dan 6†%;

(d)de toepassing van een uniform afdrachtpercentage op het bedrag dat wordt vertegenwoordigd door de ontvangsten uit de in artikel 10, lid 2, onder a), van Richtlijn 2003/87/EG genoemde te veilen rechten en de marktwaarde van de voorlopige kosteloze toewijzing van rechten voor de modernisering van de energiesector als bepaald in artikel 10 quater, lid 3, van die richtlijn; het daadwerkelijke afdrachtpercentage bedraagt niet meer dan 30†%;

(e)de toepassing van een uniform afdrachtpercentage op het gewicht van kunststof verpakkingsafval dat niet wordt gerecycleerd; het daadwerkelijke afdrachtpercentage bedraagt niet meer dan 1,00 EUR per kilogram;

(f)de toepassing van een in het kader van de begrotingsprocedure en met inachtneming van alle overige ontvangsten vast te stellen uniform afdrachtpercentage op de som van het bruto nationaal inkomen van alle lidstaten.

Voor de toepassing van lid 1, onder c), is het uniforme afdrachtpercentage alleen van toepassing op de winst van de belastingplichtigen voor wie de Unieregels inzake de gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag verplicht zijn.

Voor de toepassing van lid 1, onder f), is het uniforme afdrachtpercentage van toepassing op het bruto nationaal inkomen van elke lidstaat.

Oostenrijk krijgt op zijn jaarlijkse op het bruto nationaal inkomen gebaseerde bijdrage een brutokorting van 110 miljoen EUR in 2021, 88 miljoen EUR in 2022, 66 miljoen EUR in 2023, 44 miljoen EUR in 2024 en 22 miljoen EUR in 2025. Denemarken krijgt op zijn jaarlijkse op het bruto nationaal inkomen gebaseerde bijdrage een brutokorting van 118 miljoen EUR in 2021, 94 miljoen EUR in 2022, 71 miljoen EUR in 2023, 47 miljoen EUR in 2024 en 24 miljoen EUR in 2025. Duitsland krijgt op zijn jaarlijkse op het bruto nationaal inkomen gebaseerde bijdrage een brutokorting van 2†799 miljoen EUR in 2021, 2†239 miljoen EUR in 2022, 1†679 miljoen EUR in 2023, 1†119 miljoen EUR in 2024 en 560 miljoen EUR in 2025. Nederland krijgt op zijn jaarlijkse op het bruto nationaal inkomen gebaseerde bijdrage een brutokorting van 1†259 miljoen EUR in 2021, 1†007 miljoen EUR in 2022, 755 miljoen EUR in 2023, 503 miljoen EUR in 2024 en 252 miljoen EUR in 2025. Zweden krijgt op zijn jaarlijkse op het bruto nationaal inkomen gebaseerde bijdrage een brutokorting van 578 miljoen EUR in 2021, 462 miljoen EUR in 2022, 347 miljoen EUR in 2023, 231 miljoen EUR in 2024 en 116 miljoen EUR in 2025. Die bedragen zijn uitgedrukt in prijzen van 2018 en omgerekend tegen lopende prijzen door toepassing van de meest recente deflator voor het bruto binnenlands product voor de Unie uitgedrukt in euro, zoals verschaft door de Commissie, die beschikbaar is wanneer de ontwerpbegroting wordt opgesteld. Die brutokortingen worden door alle lidstaten gefinancierd.


2. De ontvangsten uit nieuwe heffingen die in het kader van een gemeenschappelijk beleid overeenkomstig het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie worden ingesteld, voor zover de procedure van artikel†311 van dat Verdrag is gevolgd, vormen eveneens eigen middelen die op de begroting van de Unie worden opgevoerd.

3. Indien de begroting bij het begin van het begrotingsjaar niet is vastgesteld, blijven de bestaande afdrachtpercentages voor het bruto nationaal inkomen van toepassing tot de inwerkingtreding van de nieuwe percentages.

Artikel†3
Maximum van de eigen middelen

1. Het totale bedrag van de aan de Unie ter dekking van de jaarlijkse betalingskredieten toegewezen eigen middelen is niet hoger dan 1,29†% van de som van het bruto nationaal inkomen van alle lidstaten.

2. De totale jaarlijks in de begroting van de Unie opgevoerde vastleggingskredieten bedragen niet meer dan 1,35†% van de som van het bruto nationaal inkomen van alle lidstaten.

3. Er wordt een gepaste verhouding tussen vastleggingskredieten en betalingskredieten in acht genomen om ervoor te zorgen dat zij verenigbaar zijn en om in de volgende jaren de hand te kunnen houden aan het in lid†1 bepaalde maximum.

Artikel†4
Universaliteitsbeginsel

De in artikel†2 bedoelde ontvangsten worden zonder onderscheid gebruikt voor de financiering van alle uitgaven die in de begroting van de Unie zijn opgevoerd.

Artikel†5
Overdracht van het overschot

Het eventuele overschot van de ontvangsten van de Unie ten opzichte van de totale werkelijke uitgaven gedurende een begrotingsjaar wordt naar het volgende begrotingsjaar overgedragen.

Artikel†6
Inning van de eigen middelen en terbeschikkingstelling ervan aan de Commissie

1. De in artikel†2, lid†1, onder a), bedoelde eigen middelen van de Unie worden door de lidstaten geÔnd overeenkomstig de nationale wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen. De lidstaten passen die bepalingen waar nodig aan opdat zij aan de Unievoorschriften voldoen.

De Commissie onderzoekt de desbetreffende nationale bepalingen waarvan de lidstaten haar in kennis stellen, deelt de lidstaten de aanpassingen mee die zij noodzakelijk acht om deze bepalingen in overeenstemming te brengen met de Unievoorschriften, en brengt zo nodig verslag uit aan de begrotingsautoriteit.

2. De lidstaten houden 10†% van de in lid 2, onder a), bedoelde bedragen in als inningskosten.

3. De lidstaten stellen de in artikel 2, lid 1, van dit besluit bedoelde middelen ter beschikking van de Commissie, in overeenstemming met verordeningen die op grond van artikel 322, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie zijn vastgesteld.

Artikel†7
Uitvoeringsmaatregelen

De Raad stelt, overeenkomstig de procedure van artikel†311, vierde alinea, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, de uitvoeringsmaatregelen vast ten aanzien van de volgende elementen van het stelsel van eigen middelen:

(a)regels voor het vaststellen van de in artikel 2, lid 1, genoemde ter beschikking te stellen bedragen aan eigen middelen, met inbegrip van de in artikel 2, lid 1, onder b) tot en met e), genoemde afdrachtpercentages voor de eigen middelen, binnen de in die punten bepaalde marges, alsmede de berekening van de op het bruto nationaal inkomen gebaseerde categorie eigen middelen als bedoeld in artikel 2, lid 1, onder f);

(b)de bepalingen en regelingen die noodzakelijk zijn voor de uitoefening van de controle en het toezicht op de inning van de in artikel 2, lid 1, bedoelde ontvangsten, met inbegrip van regels betreffende de controles en bevoegdheden van ambtenaren en andere personeelsleden die door Commissie zijn gemachtigd om controles uit te voeren, en eventuele relevante rapportagevereisten;

(c)het referentie bruto nationaal inkomen, de bepalingen inzake de aanpassing van het bruto nationaal inkomen en de bepalingen om, voor de toepassing van artikel 2, lid 1, onder f), en artikel 3, in het geval van significante veranderingen in het bruto nationaal inkomen de maxima voor betalingskredieten en vastleggingskredieten opnieuw te berekenen;

(d)de procedure voor de berekening en budgettering van het saldo van de jaarlijkse begroting als bedoeld in artikel†5.

Artikel†8
Overgangs- en slotbepalingen

1. Behoudens het bepaalde in lid†2, wordt Besluit 2014/335/EG, Euratom ingetrokken. Verwijzingen naar Besluit 70/243/EGKS, EEG, Euratom van de Raad 21 , Besluit 85/257/EEG, Euratom van de Raad 22 , Besluit 88/376/EEG, Euratom van de Raad 23 , Besluit 94/728/EG, Euratom van de Raad 24 , Besluit 2000/597/EG, Euratom van de Raad 25 , Besluit 2007/436/EG, Euratom van de Raad 26 of Besluit 2014/335/EG, Euratom 27 worden beschouwd als verwijzingen naar het onderhavige besluit en worden gelezen volgens de in de bijlage bij dit besluit opgenomen concordantietabel.

2. De artikelen†2, 4, en 5 van Besluit 94/728/EG, Euratom, de artikelen 2, 4 en 5 van Besluit 2000/597/EG, Euratom, de artikelen 2, 4 en 5 van Besluit 2007/436/EG, Euratom en de artikelen 2, 4 en 5 van Besluit 2014/335/EU blijven van toepassing op de berekening en de aanpassing van de ontvangsten die voortvloeien uit de toepassing van een afdrachtpercentage op de grondslag voor de belasting over de toegevoegde waarde die op uniforme wijze is vastgesteld en beperkt tot 50†% ŗ 55†% van het bruto nationaal product of bruto nationaal inkomen van elke lidstaat, al naargelang het jaar, en op de berekening van de correctie voor begrotingsonevenwichtigheden ten behoeve van het Verenigd Koninkrijk voor de jaren 1995 tot 2020 en op de financiering door andere lidstaten van de correcties ten behoeve van het Verenigd Koninkrijk.

3. Op de in artikel†2, lid†1, onder a), bedoelde bedragen die vůůr 28†februari†2001 door de lidstaten beschikbaar hadden moeten worden gesteld overeenkomstig de geldende Unievoorschriften, wordt door de lidstaten 10†% als inningskosten ingehouden.

4. Op de in artikel†2, lid†1, onder a), bedoelde bedragen die tussen 1†maart†2001 en 28†februari†2014 door de lidstaten beschikbaar hadden moeten worden gesteld overeenkomstig de geldende Unievoorschriften, wordt door de lidstaten 25†% als inningskosten ingehouden.

5. Op de in artikel†2, lid†1, onder a), bedoelde bedragen die tussen 1 maart 2014 en 28 februari 2021 door de lidstaten beschikbaar hadden moeten worden gesteld overeenkomstig de geldende Unievoorschriften, wordt door de lidstaten 20†% als inningskosten ingehouden.

6. Voor de toepassing van dit besluit dienen alle bedragen te worden uitgedrukt in euro.

Artikel†9
Inwerkingtreding

Dit besluit wordt door de secretaris-generaal van de Raad ter kennis van de lidstaten gebracht.

De lidstaten stellen de secretaris-generaal van de Raad onverwijld in kennis van de voltooiing van de volgens hun grondwettelijke bepalingen voor de aanneming van dit besluit vereiste procedures.

Dit besluit treedt in werking op de eerste dag van de tweede maand na de datum van ontvangst van de laatste van de in de tweede alinea bedoelde kennisgevingen.

Het is van toepassing met ingang van 1 januari 2021.

Evenwel zijn artikel 2, lid 1, onder c), en artikel 2, lid 1, tweede alinea, van dit besluit van toepassing vanaf 1 januari van het tweede jaar na de datum van toepassing van nationale bepalingen tot omzetting van de Richtlijn van de Raad betreffende een gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting.


Artikel†10
Publicatie

Dit besluit wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.