Artikelen bij COM(2018)380 - Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (EFG) - EU monitor

EU monitor
Maandag 25 mei 2020
kalender

Artikelen bij COM(2018)380 - Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (EFG)

Dit is een beperkte versie

U kijkt naar een beperkte versie van dit dossier in de EU Monitor.

dossier COM(2018)380 - Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (EFG).
document COM(2018)380 NLEN
datum 30 mei 2018

Artikel 1 - Voorwerp

Bij deze verordening wordt het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (EFG) opgericht.

In deze verordening worden de doelstellingen van het EFG, de vormen van financiering door de Unie alsmede de regels voor de verstrekking van die financiering vastgelegd, met inbegrip van de aanvragen van de lidstaten voor financiële bijdragen uit het EFG voor maatregelen die gericht zijn op de in artikel 7 bedoelde begunstigden.

Artikel 2 - Taken

Het EFG draagt bij tot een betere verdeling van de voordelen van de globalisering en de technologische vooruitgang door ontslagen werknemers te helpen aan te passen aan structurele veranderingen. Als zodanig draagt het EFG bij tot de uitvoering van de in de Europese pijler van sociale rechten bepaalde beginselen en verbetert het de economische samenhang tussen de regio's en de lidstaten.

Artikel 3 - Doelstellingen

1. De algemene doelstelling van het programma is solidariteit te betonen met en steun te verlenen aan ontslagen werknemers en zelfstandigen die hun werkzaamheden hebben beëindigd als gevolg van onverwachte grote herstructureringen, zoals bedoeld in artikel 5.

2. De specifieke doelstelling van het EFG is steun te verlenen in geval van onverwachte grote herstructureringen, met name wanneer die zijn veroorzaakt door uitdagingen die verband houden met de globalisering, zoals veranderingen in de wereldhandelspatronen, handelsgeschillen, financiële of economische crises, de overgang naar een koolstofarme economie of als gevolg van de digitalisering of automatisering. Bijzondere nadruk wordt gelegd op maatregelen die de meest kansarme groepen helpen.

Artikel 4 - Definities Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder

a) 'ontslagen werknemer': een werknemer wiens arbeidsovereenkomst voortijdig is beëindigd door gedwongen ontslag, of wiens arbeidsovereenkomst om economische redenen niet is verlengd;

b) 'zelfstandige': een persoon die niet meer dan tien werknemers in dienst had;

c) 'begunstigde': een persoon die deelneemt aan de door het EFG medegefinancierde maatregelen;

d) 'onregelmatigheid': elke inbreuk op het toepasselijke recht als gevolg van een handeling of nalatigheid van een bij de uitvoering van het EFG betrokken economisch subject waarbij de begroting van de Unie door een onverschuldigde uitgave wordt of zou kunnen worden benadeeld.

Artikel 5 - Criteria voor steunverlening

1. De lidstaten kunnen financiële steun uit het EFG aanvragen voor maatregelen die gericht zijn op ontslagen werknemers en zelfstandigen, in overeenstemming met de in dit artikel vastgelegde bepalingen.

2. Een financiële bijdrage uit het EFG wordt toegekend bij grote herstructureringen die tot gevolg hebben:

a) de beëindiging van de werkzaamheden van meer dan 250 ontslagen werknemers of zelfstandigen binnen een referentieperiode van vier maanden in een onderneming in een lidstaat, ook wanneer die beëindiging van toepassing is bij leveranciers of downstreamproducenten;

b) de beëindiging van de werkzaamheden van meer dan 250 ontslagen werknemers of zelfstandigen binnen een referentieperiode van zes maanden, met name in kmo's, die alle actief zijn in dezelfde NACE Rev. 2-afdeling en gelegen zijn in een NUTS 2-regio of twee aan elkaar grenzende NUTS 2regio's of in meer dan twee aan elkaar grenzende NUTS 2-regio's, mits meer dan 250 werknemers of zelfstandigen zijn getroffen in twee van de regio's tezamen;

c) de beëindiging van de werkzaamheden van meer dan 250 ontslagen werknemers of zelfstandigen binnen een referentieperiode van vier maanden, met name in kmo's, die actief zijn in dezelfde of verschillende NACE Rev. 2-afdelingen en gelegen zijn in dezelfde NUTS 2-regio.

3. Op kleine arbeidsmarkten of in uitzonderlijke omstandigheden, met name ten aanzien van aanvragen door kmo's, die door de aanvragende lidstaat naar behoren worden onderbouwd, kan een aanvraag voor een financiële bijdrage op grond van dit artikel, zelfs als niet volledig voldaan wordt aan de criteria van lid 1, onder a), b) of c), als ontvankelijk worden aangemerkt, wanneer de gedwongen ontslagen ernstige gevolgen hebben voor de werkgelegenheid en de lokale of regionale economie. De aanvragende lidstaat vermeldt aan welke van de criteria voor steunverlening van lid 1, onder a), b) of c), niet volledig wordt voldaan. Het totaalbedrag van de aanvragen voor uitzonderlijke omstandigheden mag niet meer bedragen dan 15 % van het jaarlijkse maximumbedrag van het EFG.

4. Het EFG kan niet worden ingezet wanneer werknemers worden ontslagen als gevolg van bezuinigingen van een lidstaat op de begroting waardoor sectoren worden getroffen die afhankelijk zijn van overheidsfinanciering.

Artikel 6 - Berekening van de ontslagen en beëindigingen van werkzaamheden

1. De aanvragende lidstaat specificeert de methode die gebruikt wordt om het in artikel 4 vermelde aantal werknemers en zelfstandigen te berekenen voor de toepassing van artikel 5.

2. De aanvragende lidstaat berekent het in lid 1 bedoelde aantal door uit te gaan van een van de volgende data:

a) de datum waarop de werkgever overeenkomstig artikel 3, lid 1, van Richtlijn 98/59/EG van de Raad 36 de bevoegde overheidsinstantie schriftelijk kennisgeeft van het voorgenomen collectief ontslag;

b) de datum van de individuele kennisgeving door de werkgever dat de arbeidsovereenkomst van de betrokken werknemer tijdelijk of definitief beëindigd wordt;

c) de datum van de feitelijke beëindiging of de afloop van de arbeidsovereenkomst;

d) de beëindiging van de terbeschikkingstelling aan de inlenende onderneming; of

e) voor een zelfstandige, de datum van beëindiging van de werkzaamheden zoals bepaald in overeenstemming met de nationale wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen.

In de onder a) bedoelde gevallen verstrekt de aanvragende lidstaat de Commissie aanvullende informatie over het werkelijke aantal gedwongen ontslagen overeenkomstig artikel 5, lid 1, van deze verordening, voordat de evaluatie door de Commissie wordt afgerond.

Artikel 7 - In aanmerking komende begunstigden

De aanvragende lidstaat kan een door het EFG medegefinancierd gecoördineerd pakket van individuele diensten in overeenstemming met artikel 8 aanbieden aan in aanmerking komende begunstigden, onder wie:

a) ontslagen werknemers en zelfstandigen die hun werkzaamheden hebben beëindigd, berekend overeenkomstig artikel 6, binnen de in artikel 5 bedoelde referentieperioden;

b) ontslagen werknemers en zelfstandigen die hun werkzaamheden hebben beëindigd, berekend overeenkomstig artikel 6, buiten de in artikel 5 bedoelde referentieperioden, namelijk zes maanden voor het begin van de referentieperiode of tussen het einde van de referentieperiode en de laatste dag vóór de datum van de voltooiing van de beoordeling door de Commissie.

De in de eerste alinea, onder b), bedoelde werknemers en zelfstandigen worden geacht in aanmerking te komen, op voorwaarde dat een duidelijk oorzakelijk verband kan worden gelegd met de gebeurtenis die aanleiding gaf tot de gedwongen ontslagen in de referentieperiode.

Artikel 8 - Subsidiabele maatregelen

1. Een financiële bijdrage uit het EFG kan worden bestemd voor actieve arbeidsmarktmaatregelen in het kader van een gecoördineerd pakket van individuele dienstverlening, om de beoogde begunstigden, en in het bijzonder de meest kansarme ontslagen werknemers, weer aan een dienstbetrekking of zelfstandige arbeid te helpen.

De verspreiding van vaardigheden die vereist zijn in het digitale industriële tijdperk moet een verplicht horizontaal onderdeel vormen van de gecoördineerde pakketten van individuele diensten die worden aangeboden. Het opleidingsniveau moet worden aangepast aan de kwalificaties en behoeften van de betrokken begunstigde.

Het gecoördineerde pakket van individuele dienstverlening kan met name het volgende omvatten:

a) opleiding en omscholing op maat, onder meer op het gebied van informatie-en communicatietechnologie en andere vaardigheden die vereist zijn in het digitale tijdperk, certificering van opgedane ervaring, hulp bij het zoeken van een baan, loopbaanbegeleiding, adviesverlening, begeleiding door een mentor, outplacementbegeleiding, bevordering van ondernemerschap, steun bij het uitoefenen van een zelfstandige activiteit, het opzetten van een eigen bedrijf en een overname door werknemers, en samenwerkingsactiviteiten;

b) speciale tijdelijke maatregelen, zoals sollicitatietoelagen, premies bij indiensttreding voor werkgevers, mobiliteitstoelagen, opleidings- of dagvergoedingen, waaronder toelagen voor verzorgers.

De kosten van de onder b) bedoelde maatregelen mogen niet meer bedragen dan 35 % van de totale kosten voor het gecoördineerde pakket van de in dit lid vermelde individuele dienstverlening.

De investeringskosten voor wie zich als zelfstandige vestigt of een eigen bedrijf opricht of voor overnames door werknemers mogen niet meer dan 20 000 EUR per ontslagen werknemer bedragen.

Bij het samenstellen van het gecoördineerde pakket van individuele dienstverlening wordt rekening gehouden met de toekomstperspectieven op de arbeidsmarkt en de vereiste vaardigheden. Het gecoördineerde pakket is verenigbaar met de overgang naar een hulpbronnenefficiënte en duurzame economie en in het pakket ligt de nadruk op de verspreiding van vaardigheden die in het digitale industriële tijdperk vereist zijn en wordt rekening gehouden met de vraag op de lokale arbeidsmarkt.

2. De volgende maatregelen komen niet in aanmerking voor een financiële bijdrage uit het EFG:

a) speciale tijdelijke maatregelen als bedoeld in lid 1, onder b), waaraan niet de voorwaarde verbonden is dat de beoogde begunstigden actief deelnemen aan activiteiten op het gebied van het zoeken naar werk of opleiding;

b) maatregelen waarvoor ondernemingen krachtens het nationale recht of collectieve arbeidsovereenkomsten verantwoordelijk zijn.

De door het EFG ondersteunde maatregelen treden niet in de plaats van maatregelen die gericht zijn op passieve sociale bescherming.

3. Het gecoördineerde pakket van dienstverlening wordt uitgewerkt in overleg met de beoogde begunstigden of hun vertegenwoordigers, of met de sociale partners.

4. Op initiatief van de aanvragende lidstaat kan een financiële bijdrage uit het EFG beschikbaar worden gesteld voor de activiteiten op het vlak van voorbereiding, beheer, voorlichting en publiciteit en controle en rapportage.

Artikel 9 - Aanvragen

1. De aanvragende lidstaat dient binnen een periode van twaalf weken na de datum waarop is voldaan aan de criteria in artikel 5, lid 2 of 3, een aanvraag in bij de Commissie.

2. Binnen tien werkdagen na de datum van indiening van de aanvraag of, in voorkomend geval, na de datum waarop de Commissie de vertaling van de aanvraag heeft ontvangen, naargelang van welke datum het laatst valt, deelt de Commissie de lidstaat eventueel mee welke aanvullende gegevens zij nodig heeft om de aanvraag te kunnen beoordelen.

3. Indien de Commissie om aanvullende gegevens verzoekt, antwoordt de lidstaat binnen tien werkdagen na de datum van het verzoek. Op het naar behoren gemotiveerd verzoek van de betrokken lidstaat verlengt de Commissie die termijn met tien werkdagen.

4. Aan de hand van de door de lidstaat verstrekte gegevens beoordeelt de Commissie binnen zestig werkdagen na ontvangst van de volledige aanvraag of, indien van toepassing, de vertaling daarvan, definitief of de aanvraag aan de voorwaarden voor het toekennen van een financiële bijdrage voldoet. Indien de Commissie bij uitzondering niet aan deze deadline kan voldoen, licht zij schriftelijk toe om welke reden.

5. Een aanvraag moet de volgende gegevens bevatten:

a) een beoordeling van het aantal gedwongen ontslagen overeenkomstig artikel 6, met inbegrip van de berekeningsmethode;

b) indien de onderneming waar de gedwongen ontslagen zijn gevallen, haar activiteiten na die ontslagen heeft voortgezet, de bevestiging dat zij aan haar wettelijke verplichtingen ten aanzien van de gedwongen ontslagen heeft voldaan;

c) een korte beschrijving van de gebeurtenissen die tot het ontslag van de werknemers hebben geleid;

d) indien van toepassing, gegevens van de ondernemingen, leveranciers of downstreamproducenten en sectoren waar de gedwongen ontslagen zijn gevallen, en categorieën beoogde begunstigden, uitgesplitst naar gender, leeftijdscategorie en onderwijsniveau;

e) het verwachte effect van de gedwongen ontslagen op de lokale, regionale of nationale economie en de werkgelegenheid;

f) een gedetailleerde beschrijving van het gecoördineerde pakket van individuele dienstverlening en de daarmee verband houdende uitgaven, waaronder met name maatregelen ter ondersteuning van werkgelegenheidsinitiatieven voor kansarme, oudere en jongere begunstigden;

g) een toelichting van de mate waarin de aanbevelingen van het EU-kwaliteitskader voor anticipatie op veranderingen en herstructurering in aanmerking zijn genomen en over de complementariteit van het gecoördineerde pakket van individuele dienstverlening met door andere nationale fondsen of fondsen van de Unie gefinancierde acties, met inbegrip van informatie over maatregelen die voor de betrokken ondernemingen waar de ontslagen zijn gevallen krachtens het nationale recht of collectieve arbeidsovereenkomsten verplicht zijn;

h) de geraamde begroting voor de afzonderlijke onderdelen van het gecoördineerde pakket van individuele dienstverlening ter ondersteuning van de beoogde begunstigden, en voor elke vorm van activiteiten inzake voorbereiding, beheer, voorlichting en publiciteit, controle en rapportage;

i) indicatieve, door de lidstaat bepaalde dossierspecifieke doelstellingen met betrekking tot het herintredingspercentage van begunstigden zes maanden na het einde van de uitvoeringsperiode, met het oog op evaluatie;

j) de data waarop met de individuele dienstverlening aan de beoogde begunstigden en de activiteiten tot uitvoering van het EFG, zoals vermeld in artikel 8, is begonnen of waarop verwacht wordt daarmee te beginnen;

k) de procedures aan de hand waarvan de beoogde begunstigden of hun vertegenwoordigers, of de sociale partners alsmede lokale en regionale overheden of andere belanghebbenden zijn geraadpleegd, voor zover van toepassing;

l) een verklaring dat de aangevraagde EFG-steun in overeenstemming is met de procedurele en materiële voorschriften van de Unie inzake staatssteun, alsook een verklaring waarin wordt aangegeven waarom het gecoördineerde pakket van individuele dienstverlening niet in de plaats komt van maatregelen waarvoor bedrijven krachtens het nationale recht of collectieve arbeidsovereenkomsten verantwoordelijk zijn;

m) de bronnen van nationale voorfinanciering of medefinanciering en andere medefinanciering, indien van toepassing.

Artikel 10 - Complementariteit, naleving en coördinatie

1. Een financiële bijdrage uit het EFG is geen vervanging van de maatregelen die bedrijven krachtens het nationale recht of collectieve arbeidsovereenkomsten moeten nemen.

2. De ondersteuning van de beoogde begunstigden vormt een aanvulling op de nationale, regionale en lokale maatregelen van de lidstaten, met inbegrip van maatregelen die worden medegefinancierd uit fondsen van de Unie, in overeenstemming met de aanbevelingen van het EU-kwaliteitskader voor anticipatie op veranderingen en herstructurering.

3. De financiële bijdrage uit het EFG blijft beperkt tot hetgeen noodzakelijk is om aan de beoogde begunstigden tijdelijke, eenmalige steun te verlenen. De door het EFG ondersteunde maatregelen zijn in overeenstemming met het recht van de Unie en dat van de lidstaten, met inbegrip van de voorschriften inzake staatssteun.

4. Overeenkomstig hun respectieve verantwoordelijkheden dragen de Commissie en de aanvragende lidstaat zorg voor de coördinatie van de steun uit de fondsen van de Unie.

5. De aanvragende lidstaat garandeert dat voor de specifieke maatregelen waarvoor uit het EFG een financiële bijdrage wordt ontvangen, geen steun uit andere financieringsinstrumenten van de Unie ter beschikking wordt gesteld.

Artikel 11 - Gelijkheid van mannen en vrouwen en non-discriminatie

De Commissie en de lidstaten garanderen dat de gelijkheid van mannen en vrouwen en de integratie van het genderperspectief een wezenlijk deel uitmaken van en bevorderd worden in de verschillende stadia van de uitvoering van de financiële bijdrage uit het EFG.

De Commissie en de lidstaten nemen alle nodige maatregelen ter voorkoming van elke discriminatie op grond van gender, genderidentiteit, ras, etnische afstamming, godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele gerichtheid bij de toegang tot het EFG en in de verschillende stadia van de uitvoering van de financiële bijdrage.

Artikel 12 - Technische bijstand op initiatief van de Commissie

1. Op initiatief van de Commissie kan maximaal 0,5 % van het jaarlijkse maximumbedrag van het EFG worden gebruikt voor technische en administratieve bijstand voor de uitvoering ervan, zoals werkzaamheden op het gebied van voorbereiding, monitoring, controle, audit en evaluatie, daaronder begrepen institutionele informatietechnologiesystemen, communicatiemaatregelen en maatregelen die de zichtbaarheid van het EFG vergroten, alsook andere maatregelen voor administratieve en technische bijstand. Dergelijke maatregelen kunnen betrekking hebben op toekomstige en eerdere programmeringsperioden.

2. Met inachtneming van het in lid 1 genoemde maximumbedrag dient de Commissie een verzoek in tot overschrijving van kredieten voor technische bijstand naar de desbetreffende begrotingsonderdelen, in overeenstemming met artikel 31 van het Financieel Reglement.

3. De Commissie voert de technische bijstand uit op eigen initiatief onder direct of indirect beheer in overeenstemming met [artikel 62, lid 1, onder a) en c),] van het Financieel Reglement.

4. De technische bijstand van de Commissie omvat het verstrekken van informatie en richtsnoeren aan de lidstaten voor het gebruik van, het toezicht op en de evaluatie van het EFG. De Commissie verstrekt ook informatie over en duidelijke richtsnoeren voor het gebruik van het EFG aan de Europese en nationale sociale partners. De richtsnoeren kunnen ook betrekking hebben op de oprichting van taskforces in gevallen van ernstige economische ontwrichtingen in een lidstaat.

Artikel 13 - Informatie, communicatie en publiciteit

1. De lidstaten erkennen de oorsprong van en geven zichtbaarheid aan de financiering van de Unie door aan meerdere doelgroepen samenhangende, doeltreffende en doelgerichte informatie te verstrekken, waaronder doelgerichte informatie aan de beoogde begunstigden, de lokale en regionale autoriteiten, de sociale partners, de media en het grote publiek.

De lidstaten gebruiken het EU-embleem in overeenstemming met [bijlage VIII bij de verordening gemeenschappelijke bepalingen] in combinatie met een financieringsverklaring ("gefinancierd/medegefinancierd door de Europese Unie").

2. De Commissie verzorgt een online aanwezigheid met informatie in alle officiële talen van de instellingen van de Unie die zij regelmatig bijwerkt, voor het verstrekken van geactualiseerde informatie over het EFG, richtsnoeren voor de indiening van aanvragen en informatie over ingewilligde en afgewezen aanvragen en over de rol van het Europees Parlement en de Raad in de begrotingsprocedure.

3. De Commissie voert aan de hand van ervaringen informatie- en communicatieactiviteiten uit betreffende EFG-dossiers en -resultaten met als doel de effectiviteit van het EFG te verbeteren en ervoor te zorgen dat burgers en werknemers in de Unie op de hoogte zijn van het bestaan van het EFG.

De lidstaten zorgen ervoor dat alle materiaal voor communicatie en zichtbaarheid beschikbaar wordt gesteld op verzoek van de instellingen, organen of agentschappen van de Unie en dat aan de Unie een kosteloze, niet-exclusieve en onherroepelijke licentie wordt toegekend voor het gebruik van dergelijk materiaal en eventuele reeds bestaande daaraan verbonden rechten. Via de licentie worden aan de Unie de volgende rechten toegekend:

• intern gebruik, d.w.z. het recht om het materiaal voor communicatie en zichtbaarheid te reproduceren, te kopiëren en beschikbaar te stellen aan de instellingen en agentschappen van de EU en van de EU-lidstaten en hun personeel;

• reproductie van het materiaal voor communicatie en zichtbaarheid, geheel of gedeeltelijk, met welk middel en in welke vorm dan ook;

• communicatie van het materiaal voor communicatie en zichtbaarheid aan het publiek met gebruikmaking van alle mogelijke communicatiemiddelen;

• verspreiding van het materiaal voor communicatie en zichtbaarheid (of kopieën daarvan) in alle mogelijke vormen onder het publiek;

• opslag en archivering van het materiaal voor communicatie en zichtbaarheid;

• recht om sublicenties voor het materiaal voor communicatie en zichtbaarheid te verlenen aan derden.

Aan de Unie kunnen aanvullende rechten worden toegekend.

4. De uit hoofde van deze verordening voor communicatie toegewezen middelen dragen ook bij tot de institutionele communicatie van de beleidsprioriteiten van de Unie, mits deze verband houden met de in artikel 3 vermelde algemene doelstelling.

Artikel 14 - Bepaling van de financiële bijdrage

1. Op basis van de overeenkomstig artikel 9 uitgevoerde beoordeling voert de Commissie, aan de hand van met name het aantal beoogde begunstigden, de voorgestelde maatregelen en de geraamde kosten, een evaluatie uit en doet zo snel mogelijk een voorstel inzake de hoogte van de eventuele financiële bijdrage uit het EFG die kan worden verstrekt binnen de grenzen van de beschikbare middelen.

2. Het medefinancieringspercentage van het EFG voor de aangeboden maatregelen wordt afgestemd op het hoogste medefinancieringspercentage van het ESF+ in de respectieve lidstaat.

3. Als de Commissie op basis van de overeenkomstig artikel 9 uitgevoerde beoordeling van mening is dat aan de voorwaarden voor een financiële bijdrage op grond van deze verordening wordt voldaan, zet zij onmiddellijk de in artikel 16 bedoelde procedure in gang.

4. Als de Commissie op grond van de in artikel 9 uitgevoerde beoordeling van mening is dat niet aan de voorwaarden voor een financiële bijdrage uit hoofde van deze verordening wordt voldaan, stelt zij de aanvragende lidstaat daarvan onmiddellijk in kennis.

Artikel 15 - Subsidiabiliteitsperiode

1. Uitgaven komen in aanmerking voor een financiële bijdrage uit het EFG vanaf de in de aanvraag op grond van artikel 9, lid 5, onder j), bedoelde data waarop de betrokken lidstaat aanvangt of verwacht wordt aan te vangen met individuele dienstverlening aan de beoogde begunstigden of betalingsverplichtingen op zich neemt voor de administratieve uitgaven betreffende de uitvoering van het EFG overeenkomstig artikel 8, leden 1 en 4.

2. De lidstaat voert de in artikel 8 bedoelde subsidiabele maatregelen zo spoedig mogelijk en uiterlijk 24 maanden na de datum van inwerkingtreding van het besluit betreffende de financiële bijdrage uit.

3. De uitvoeringsperiode is de periode vanaf de in de aanvraag op grond van artikel 9, lid 5, onder j), bedoelde data waarop de betrokken lidstaat aanvangt met de individuele dienstverlening aan de beoogde begunstigden en met de in artikel 8 bedoelde activiteiten tot uitvoering van het EFG, en eindigt 24 maanden na de datum van inwerkingtreding van het besluit betreffende de financiële bijdrage.

4. Wanneer een begunstigde een onderwijs- of opleidingscursus volgt die twee jaar of langer duurt, komen de uitgaven voor een dergelijke cursus in aanmerking voor medefinanciering door het EFG tot de datum waarop het in artikel 20, lid 1, bedoelde eindverslag moet worden ingediend, mits de desbetreffende uitgaven zijn gedaan vóór die datum.

5. Uitgaven uit hoofde van artikel 8, lid 4, zijn subsidiabel tot de uiterste termijn voor de indiening van het eindverslag overeenkomstig artikel 20, lid 1.

Artikel 16 - Begrotingsprocedure en uitvoering van de begroting

1. Als de Commissie heeft geconcludeerd dat aan de voorwaarden voor de toekenning van een financiële bijdrage uit het EFG is voldaan, dient zij een verzoek in tot overschrijving naar de desbetreffende begrotingsonderdelen overeenkomstig artikel 31 van het Financieel Reglement.

2. Het verzoek tot overschrijving moet vergezeld gaan van een samenvatting van het onderzoek van de subsidiabiliteit van de aanvraag.

3. De Commissie stelt door middel van een uitvoeringshandeling een besluit betreffende een financiële bijdrage vast, dat in werking treedt op de datum waarop het Europees Parlement en de Raad de Commissie in kennis stellen van de goedkeuring van de begrotingsoverschrijving. Dit besluit vormt een financieringsbesluit in de zin van artikel 110 van het Financieel Reglement.

Artikel 17 - Betaling en gebruik van de financiële bijdrage

1. Na de inwerkingtreding van een besluit betreffende een financiële bijdrage overeenkomstig artikel 16, lid 3, betaalt de Commissie de financiële bijdrage, in een enkele voorfinancieringsbetaling van 100 %, in principe binnen 15 werkdagen aan de betrokken lidstaat uit. De voorfinanciering wordt vereffend wanneer de lidstaat de gecertificeerde uitgavenstaat indient overeenkomstig artikel 20, lid 1. Het ongebruikte bedrag wordt aan de Commissie terugbetaald.

2. De in lid 1 bedoelde financiële bijdrage valt onder het gedeeld beheer overeenkomstig artikel 63 van het Financieel Reglement.

3. De gedetailleerde technische financieringsvoorwaarden worden door de Commissie bepaald in het in artikel 16, lid 3, bedoelde besluit betreffende een financiële bijdrage.

4. Bij de uitvoering van de maatregelen van het gecoördineerde pakket van individuele dienstverlening kan de betrokken lidstaat bij de Commissie een voorstel indienen om de opgenomen acties te wijzigen door andere, in artikel 8, lid 1, onder a) en b), vermelde subsidiabele maatregelen toe te voegen, mits die wijzigingen naar behoren gemotiveerd zijn en in totaal niet meer bedragen dan de in artikel 16, lid 3, bedoelde financiële bijdrage. De Commissie beoordeelt de voorgestelde wijzigingen; indien zij ermee akkoord gaat, wijzigt zij het besluit betreffende een financiële bijdrage dienovereenkomstig.

5. De betrokken lidstaat heeft het recht bedragen te herverdelen tussen de begrotingsonderdelen van het op grond van artikel 16, lid 3, vastgestelde besluit betreffende een financiële bijdrage. Indien de herverdeling een verhoging met meer dan 20 % inhoudt voor een of meer van de vermelde onderdelen, stelt de lidstaat de Commissie vooraf in kennis.

Artikel 18 - Gebruik van de euro

De in de aanvragen, besluiten betreffende financiële bijdragen en verslagen in verband met deze verordening genoemde bedragen worden in euro's uitgedrukt.

Artikel 19 - Indicatoren

1. Indicatoren om verslag uit te brengen over de door het programma geboekte vooruitgang bij het verwezenlijken van de in artikel 3 vermelde doelstellingen zijn vastgesteld in de bijlage.

2. Het prestatieverslagleggingssysteem waarborgt dat de gegevens voor het monitoren van de uitvoering en de resultaten van het programma op efficiënte en doeltreffende wijze en tijdig worden verzameld. Daartoe worden evenredige verslagleggingsvereisten opgelegd aan de lidstaten.

3. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 25 gedelegeerde handelingen vast te stellen om de indicatoren in de bijlage te wijzigen, als zulks noodzakelijk wordt geacht om het gebruik van het Fonds doeltreffend te kunnen beoordelen.

Artikel 20 - Eindverslag en afsluiting

1. Uiterlijk aan het einde van de zevende maand na afloop van de in artikel 15, lid 3, bedoelde termijn, dient de betrokken lidstaat bij de Commissie een eindverslag in over de uitvoering van de financiële bijdrage, met onder andere informatie over:

a) het soort maatregelen en de belangrijkste resultaten, met toelichting van de uitdagingen, de opgedane ervaring, de synergieën en de complementariteit met andere EU-fondsen, en met vermelding van eventuele complementariteit met maatregelen die door andere nationale of Unieprogramma's worden gefinancierd in overeenstemming met het EU-kwaliteitskader voor anticipatie op veranderingen en herstructurering;

b) de namen van de organen die het maatregelenpakket in de lidstaten verzorgen;

c) de in artikel 19 bedoelde indicatoren;

d) de resultaten van een enquête onder begunstigden die zes maanden na het einde van de uitvoeringsperiode wordt gehouden en die informatie bevat over de waargenomen verandering in de inzetbaarheid van de begunstigden, of, voor degenen die al werk hebben gevonden, meer informatie bevat over de kwaliteit van het gevonden werk, zoals de wijzigingen op het vlak van arbeidstijden, de mate van verantwoordelijkheid of de wijziging van het salarisniveau in vergelijking met het vorige werk, en de sector waarin de betrokkene werk heeft gevonden, met uitsplitsing per gender, leeftijdsgroep en onderwijsniveau;

e) het feit of de onderneming waar de ontslagen vallen, met uitzondering van micro-ondernemingen en kmo's, de afgelopen vijf jaar staatssteun heeft ontvangen of eerdere financiering uit het Cohesiefonds of de structuurfondsen van de Unie;

f) een verklaring waarin de uitgaven worden verantwoord.

2. Uiterlijk aan het einde van de negentiende maand na afloop van de in artikel 15, lid 3, bedoelde termijn, dient de betrokken lidstaat de gegevensverzameling in met informatie over de in punt 3 van de bijlage vermelde resultaatindicator op langere termijn.

3. Uiterlijk zes maanden nadat de Commissie alle overeenkomstig lid 1 vereiste gegevens heeft ontvangen, sluit zij de financiële bijdrage af door het eindbedrag van de financiële bijdrage uit het EFG te bepalen alsook het eventuele saldo dat de betrokken lidstaat verschuldigd is overeenkomstig artikel 24. De afsluiting vindt enkel plaats indien de resultaatindicator op langere termijn wordt verstrekt overeenkomstig lid 2.

Artikel 21 - Tweejaarlijks verslag

1. Uiterlijk 1 augustus 2021 en vervolgens om de twee jaar, dient de Commissie een omvattend kwantitatief en kwalitatief verslag in bij het Europees Parlement en de Raad over de activiteiten die in de twee voorafgaande jaren op grond van deze verordening en Verordening (EU) nr. 1309/2013 zijn ondernomen. Het verslag heeft in hoofdzaak betrekking op de door het EFG behaalde resultaten en bevat met name informatie over de ingediende aanvragen, de goedgekeurde besluiten, de gefinancierde maatregelen, met inbegrip van statistieken betreffende de in de bijlage vastgestelde indicatoren, en de complementariteit van die maatregelen met maatregelen die worden gefinancierd uit andere fondsen van de Unie, met name het ESF+, alsook informatie over de afsluiting van de financiële bijdragen, en het bevat tevens een overzicht van de aanvragen die zijn afgewezen of gereduceerd omdat er onvoldoende middelen beschikbaar waren of omdat zij niet aan de criteria voldeden.

2. Het verslag wordt ter informatie aan de Rekenkamer, het Europees Economisch en Sociaal Comité, het Comité van de Regio's en de sociale partners toegezonden.

Artikel 22 - Evaluatie

1. De Commissie verricht om de vier jaar op eigen initiatief en in nauwe samenwerking met de lidstaten een evaluatie van de financiële bijdragen uit het EFG.

2. De resultaten van de in lid 1 bedoelde evaluaties worden ter informatie toegezonden aan het Europees Parlement, de Raad, de Rekenkamer, het Europees Economisch en Sociaal Comité, het Comité van de Regio's en de sociale partners. Bij de ontwikkeling van nieuwe programma's op het gebied van werkgelegenheid en sociale zaken of de verdere ontwikkeling van bestaande programma's moet rekening worden gehouden met de aanbevelingen in de evaluaties.

3. De in lid 1 bedoelde evaluaties bevatten relevante statistieken betreffende de financiële bijdragen, uitgesplitst per lidstaat.

4. Om ervoor te zorgen dat de voortgang van het EFG bij het behalen van de doelstellingen ervan doeltreffend wordt beoordeeld, is de Commissie bevoegd overeenkomstig artikel 25 gedelegeerde handelingen vast te stellen om de bijlage te wijzigen met het oog op herziening of aanvulling van de indicatoren, indien nodig, en deze verordening aan te vullen met bepalingen betreffende de vaststelling van een kader voor toezicht en evaluatie.

Artikel 23 - Beheer en financiële controle

1. Onverminderd de verantwoordelijkheid van de Commissie voor de uitvoering van de algemene begroting van de Unie, zijn de lidstaten verantwoordelijk voor het beheer en de financiële controle van de door het EFG gefinancierde maatregelen. Dit houdt in dat zij:

a) verifiëren dat de nodige beheers- en controleregelingen zijn getroffen en dat deze zodanig worden toegepast dat de middelen van de Unie op efficiënte en correcte wijze worden gebruikt en dat het beginsel van goed financieel beheer wordt nageleefd;

b) ervoor zorgen dat in de overeenkomsten met de organen die het gecoördineerde pakket van individuele dienstverlening verzorgen het verstrekken van toezichtsgegevens als een verplichting is opgenomen;

c) verifiëren dat de gefinancierde maatregelen naar behoren zijn uitgevoerd;

d) vaststellen dat de gefinancierde uitgaven worden onderbouwd door verifieerbare bewijsstukken, wettelijk zijn en geen onregelmatigheden vertonen;

e) onregelmatigheden, waaronder fraude, voorkomen, opsporen en corrigeren, en onterecht betaalde bedragen terugvorderen, in voorkomend geval verhoogd met rente wegens laattijdige betaling. De lidstaten rapporteren onregelmatigheden, waaronder fraude, aan de Commissie.

2. Voor de toepassing van artikel [63, lid 3,?] van het Financieel Reglement wijzen de lidstaten de organen aan die bevoegd zijn om de uit het EFG gefinancierde maatregelen te beheren en te controleren. Deze organen verstrekken de Commissie de in [artikel 63, leden 5, 6) en 7)?] van het Financieel Reglement bedoelde informatie over de uitvoering van de financiële bijdrage wanneer het in artikel 20, lid 1, van deze verordening bedoelde eindverslag wordt ingediend.

Wanneer de uit hoofde van Verordening (EU) nr. 1309/2013 aangewezen autoriteiten voldoende garanties bieden dat de betalingen wettig en regelmatig zijn en correct worden geboekt, kan de betrokken lidstaat de Commissie ervan in kennis stellen dat deze autoriteiten uit hoofde van deze verordening worden bevestigd. In dat geval geeft de lidstaat aan welke autoriteiten worden bevestigd en welke functie zij hebben.

3. Bij het vaststellen van een onregelmatigheid gaan de lidstaten over tot de nodige financiële correcties. De correcties door de lidstaten houden in dat de financiële bijdrage geheel of gedeeltelijk wordt ingetrokken. Bedragen die door een geconstateerde onregelmatigheid ten onrechte zijn uitbetaald, worden door de lidstaat teruggevorderd en aan de Commissie terugbetaald; indien terugbetaling door de desbetreffende lidstaat niet binnen de daarvoor gestelde termijn plaatsvindt, is achterstandsrente verschuldigd.

4. In het kader van haar verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de algemene begroting van de Unie stelt de Commissie alles in het werk om te verifiëren of de gefinancierde acties conform het beginsel van goed financieel beheer zijn uitgevoerd. Het is de verantwoordelijkheid van de aanvragende lidstaat zorg te dragen voor een goed functionerend systeem voor beheer en controle. De Commissie verifieert of dergelijke systemen inderdaad aanwezig zijn.

Onverminderd de bevoegdheden van de Rekenkamer en de controles van de lidstaten overeenkomstig de nationale wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen, mogen ambtenaren of vertegenwoordigers van de Commissie de door het EFG gefinancierde maatregelen ter plaatse controleren, waaronder door middel van steekproeven, mits deze controles ten minste één werkdag van tevoren worden aangekondigd. De Commissie stelt de aanvragende lidstaat in kennis van de controle teneinde alle nodige medewerking te verkrijgen. Aan deze controles mogen ambtenaren of vertegenwoordigers van de betrokken lidstaat deelnemen.

5. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 25 gedelegeerde handelingen vast te stellen om lid 1, onder e), aan te vullen met de criteria waarbij wordt bepaald welke onregelmatigheden moeten worden gerapporteerd en welke gegevens moeten worden verstrekt.

6. Om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van dit artikel, stelt de Commissie door middel van een uitvoeringshandeling het model vast voor de rapportering van onregelmatigheden volgens de in artikel 26, lid 2, bedoelde raadplegingsprocedure.

7. De lidstaat zorgt ervoor dat alle bewijsstukken met betrekking tot uitgaven gedurende een periode van drie jaar na de afsluiting van een financiële bijdrage uit het EFG ter beschikking van de Commissie en de Rekenkamer worden gehouden.

Artikel 24 - Terugvordering van de financiële bijdrage

1. Als de daadwerkelijke kosten van het gecoördineerde pakket van individuele dienstverlening lager uitvallen dan de financiële bijdrage uit hoofde van artikel 16, vordert de Commissie het overeenkomstige bedrag terug nadat zij de betrokken lidstaat de gelegenheid heeft gegeven opmerkingen te maken.

2. Als de Commissie na de nodige verificatie vaststelt dat een lidstaat niet voldoet, hetzij aan de in het besluit betreffende een financiële bijdrage vastgelegde verplichtingen, hetzij aan zijn verplichtingen op grond van artikel 23, lid 1, geeft zij de betrokken lidstaat de gelegenheid opmerkingen te maken. Indien geen overeenstemming is bereikt, stelt de Commissie door middel van een uitvoeringshandeling een besluit vast om tot de vereiste financiële correcties over te gaan door de bijdrage uit het EFG aan de desbetreffende maatregel geheel of gedeeltelijk in te trekken. Zij neemt dit besluit binnen twaalf maanden na ontvangst van de opmerkingen van de lidstaat. Bedragen die door een geconstateerde onregelmatigheid ten onrechte zijn uitbetaald, worden door de betrokken lidstaat teruggevorderd; indien terugbetaling door de aanvragende lidstaat niet binnen de daarvoor gestelde termijn plaatsvindt, is achterstandsrente verschuldigd.

Artikel 25 - Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1. De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2. De in artikel 19, lid 3, en artikel 23, lid 5, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor onbepaalde tijd vanaf de datum van inwerkingtreding van deze verordening.

3. Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 19, lid 3, en artikel 23, lid 5, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het besluit laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4. Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven van 13 april 2016.

5. Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

6. Een overeenkomstig artikel 19, lid 3, en artikel 23, lid 5, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.

Artikel 26 - Comitéprocedure

1. De Commissie wordt bijgestaan door een comité. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.

2. Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 4 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

Artikel 27 - Overgangsbepaling

Verordening (EU) nr. 1309/2013 blijft van toepassing op aanvragen die tot en met 31 december 2020 worden ingediend. Zij is van toepassing tot de afsluiting van de respectieve dossiers.

Artikel 28 - Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is van toepassing op de aanvragen die vanaf 1 januari 2021 worden ingediend.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.