Artikelen bij COM(2018)437 - Programma voor onderzoek en opleiding van Euratom voor de periode 2021-2025 ter aanvulling van Horizon Europa - het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie - EU monitor

EU monitor
Donderdag 21 november 2019
kalender

Dit is een beperkte versie

U kijkt naar een beperkte versie van dit dossier in de EU Monitor.



HOOFDSTUK I

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1 - Voorwerp†

Bij deze verordening worden het programma voor onderzoek en opleiding van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie voor de periode van 1†januari 2021 tot en met 31†december 2025 ("het programma") alsmede de regels voor deelname aan en verspreiding van de resultaten van de in het kader van dit programma uitgevoerde acties onder contract vastgesteld.

In deze verordening worden de doelstellingen van het programma, de begroting voor de periode†2021-2025, de vormen van financiering door de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie ("de Gemeenschap") alsmede de regels voor de verstrekking van die financiering vastgelegd.

Artikel 2 - Definities

Voor de toepassing van deze verordening gelden de definities van Verordening (EU)nr.†xxx van het Europees Parlement en de Raad ("Horizon†Europa") 29 . Verwijzingen in de definities naar de Unie en het programma gelden als verwijzingen naar de Gemeenschap en dit programma. In afwijking daarvan wordt onder 'werkprogramma' verstaan het door de Commissie goedgekeurde document voor de uitvoering van het programma overeenkomstig artikel†16 van deze verordening.

Artikel 3 - Doelstellingen van het programma

1. De algemene doelstellingen van het programma zijn:

a) verrichten van onderzoeks- en opleidingsactiviteiten op het gebied van kernenergie, ter ondersteuning van de voortdurende verbetering van nucleaire veiligheid en beveiliging en stralingsbescherming;

b) op langere termijn kunnen bijdragen tot het op efficiŽnte, veilige en betrouwbare wijze koolstofvrij maken van het energiesysteem.

2. De specifieke doelstellingen van het programma zijn:

a) verbeteren van het veilige en betrouwbare gebruik van kernenergie en van de toepassingen van ioniserende straling voor andere doeleinden dan de opwekking van elektriciteit, waaronder begrepen nucleaire veiligheid, beveiliging en veiligheidscontroles, stralingsbescherming, veilig beheer van verbruikte splijtstof en radioactief afval alsmede ontmanteling;

b) op peil houden en verder ontwikkelen van expertise en competenties in de Gemeenschap;

c) bevorderen van de ontwikkeling van fusie-energie en bijdragen tot de uitvoering van het stappenplan inzake kernfusie;

d) ondersteunen van het beleid van de Gemeenschap inzake nucleaire veiligheid, beveiliging en veiligheidscontroles.

3. De in de leden†1 en 2 genoemde doelstellingen worden uitgevoerd overeenkomstig bijlage†I.

Artikel 4 - Begroting

1. De financiŽle middelen voor de uitvoering van het programma bedragen 1†675†000†000†EUR in lopende prijzen.

2. De indicatieve verdeling van het in lid†1 bedoelde bedrag is als volgt:

a) 724†563†000†EUR voor onderzoek naar en ontwikkeling van kernfusie;†

b) 330†930†000†EUR voor kernsplijting, veiligheid en stralingsbescherming;

c) 619†507†000†EUR voor eigen acties van het Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek.

De Commissie mag in het kader van de jaarlijkse begrotingsprocedure niet afwijken van het in lid†2, onder†c), van dit artikel bedoelde bedrag.

3. Het in lid†1 bedoelde bedrag kan ook uitgaven dekken voor werkzaamheden op het gebied van voorbereiding, monitoring, controle, audit en evaluatie alsmede andere werkzaamheden, en uitgaven die nodig zijn voor het beheer en de uitvoering van het programma, met inbegrip van administratieve uitgaven, en voor de beoordeling van de verwezenlijking van de doelstellingen ervan. Het kan bovendien uitgaven dekken met betrekking tot studies, vergaderingen van deskundigen, informatie- en communicatieacties, voor zover zij verband houden met de doelstellingen van het programma, alsmede uitgaven in verband met informatietechnologienetwerken voor informatieverwerking en -uitwisseling, daaronder begrepen institutionele informatietechnologie-instrumenten, en andere uitgaven voor technische en administratieve bijstand die nodig is voor het beheer van het programma.

4. Zo nodig kunnen voor het beheer van acties die op 31†december 2027 nog niet zijn voltooid, ook na 2025 kredieten ter dekking van de in lid†3 bedoelde uitgaven in de begroting worden opgenomen.

5. Vastleggingen in de begroting voor acties waarvan de uitvoering zich over meer dan ťťn begrotingsjaar uitstrekt, mogen in jaartranches worden verdeeld.

6. Onverminderd het Financieel Reglement kunnen uitgaven voor acties die voortvloeien uit in het eerste werkprogramma opgenomen projecten vanaf 1†januari 2021 in aanmerking komen.

7. Op verzoek van de lidstaten kunnen de middelen die aan hen in gedeeld beheer zijn toegewezen en die overeenkomstig artikel†21 van Verordening (EU) XX [verordening gemeenschappelijke bepalingen] overdraagbaar zijn, worden overgeschreven naar het programma. De Commissie voert die middelen overeenkomstig artikel†62, lid†1, onder†a), van het Financieel Reglement op directe wijze dan wel overeenkomstig artikel†62, lid†1, onder†c), van het Financieel Reglement op indirecte wijze uit. Indien mogelijk worden die middelen gebruikt ten voordele van de betrokken lidstaat.

Artikel 5 - Met het programma geassocieerde derde landen

1. Het programma staat open voor de associatie van de volgende derde landen:

a)toetredingslanden, kandidaat-lidstaten en potentiŽle kandidaten, in overeenstemming met de algemene beginselen en algemene voorwaarden voor deelname van die landen aan programma's van de Gemeenschap zoals vastgesteld in de desbetreffende kaderovereenkomsten en besluiten van de Associatieraad, of in soortgelijke overeenkomsten, alsmede in overeenstemming met de specifieke voorwaarden die zijn vastgesteld in overeenkomsten tussen de Gemeenschap en die landen;

b)landen die onder het Europees nabuurschapsbeleid vallen, in overeenstemming met de algemene beginselen en algemene voorwaarden voor deelname van die landen aan programma's van de Gemeenschap zoals vastgesteld in de desbetreffende kaderovereenkomsten en besluiten van de Associatieraad, of in soortgelijke overeenkomsten, alsmede in overeenstemming met de specifieke voorwaarden die zijn vastgesteld in overeenkomsten tussen de Gemeenschap en die landen;

c)derde landen en gebieden die aan elk van de volgende criteria voldoen:

Ėgoede capaciteiten op het gebied van wetenschap, technologie en innovatie;

Ėinzet voor een op regels gebaseerde open markteconomie, met inbegrip van een eerlijke en billijke benadering inzake intellectuele-eigendomsrechten, ondersteund door democratische instellingen;

Ėactieve bevordering van beleidsmaatregelen ter verbetering van het economische en sociale welzijn van de burgers.

De associatie van elk van de derde landen als bedoeld onder†c) met het programma moet in overeenstemming zijn met de voorwaarden die zijn vastgesteld in een specifieke overeenkomst betreffende de deelname van het derde land aan een programma van de Gemeenschap of van de Unie, op voorwaarde dat de overeenkomst:

Ėeen billijk evenwicht waarborgt tussen de bijdragen van en de voordelen voor het derde land dat aan het programma deelneemt;

Ėde voorwaarden voor deelname aan het programma vaststelt, met inbegrip van de berekening van de financiŽle bijdragen aan het programma en de administratieve kosten ervan. Deze bijdragen worden aangemerkt als bestemmingsontvangsten overeenkomstig artikel†21, lid†5, van het Financieel Reglement;

Ėhet derde land geen beslissingsbevoegdheid ten aanzien van het programma verleent;

Ėde rechten van de Unie om naar een goed financieel beheer te streven en haar financiŽle belangen te beschermen, waarborgt.

2. Voor de reikwijdte van de associatie van elk derde land met het programma wordt rekening gehouden met de doelstelling van bevordering van economische groei in de Unie door middel van innovatie. Dienovereenkomstig kunnen voor een specifiek land, met uitzondering van de toetredingslanden, kandidaat-lidstaten en potentiŽle kandidaten, bepaalde delen van het programma worden uitgesloten van de associatieovereenkomst.

3. De associatieovereenkomst voorziet, in voorkomend geval, in de deelname van in de Unie gevestigde juridische entiteiten aan soortgelijke programma's van geassocieerde landen overeenkomstig de daarin vastgestelde voorwaarden.

4. De voorwaarden voor de vaststelling van de hoogte van de financiŽle bijdrage waarborgen een automatische correctie van aanzienlijke onevenwichtigheden in vergelijking met het bedrag dat de in het geassocieerde land gevestigde entiteiten door deelname aan het programma ontvangen, waarbij rekening wordt gehouden met de kosten van het beheer, de uitvoering en het functioneren van het programma.

Artikel 6 - Uitvoering en vormen van financiering

1. Het programma wordt uitgevoerd in direct beheer in overeenstemming met het Financieel Reglement of in indirect beheer met financieringsorganen als bedoeld in artikel†61, lid†1, onder†c), van het Financieel Reglement.

2. In het kader van het programma kan financiering worden verstrekt in een van de vormen als vastgesteld in het Financieel Reglement, met name subsidies, prijzen en aanbestedingen. Er kan eveneens financiering worden verstrekt in de vorm van financieringsinstrumenten in het kader van blendingverrichtingen.

3. De belangrijkste soorten actie waarvan in het kader van het programma gebruik moet worden gemaakt, zijn uitgewerkt en omschreven in bijlage†II bij Horizon†Europa.

4. Het programma ondersteunt tevens de eigen acties van het JRC.

Artikel 7 - Europese partnerschappen

1. Bepaalde delen van het programma kunnen worden uitgevoerd door middel van Europese partnerschappen.

2. De betrokkenheid van de Gemeenschap bij Europese partnerschappen kan een van de volgende vormen aannemen:

a) deelname aan partnerschappen die worden opgezet op basis van memoranda van overeenstemming of contractuele regelingen tussen de Commissie en publieke of private partners, waarin de doelstellingen van het partnerschap, de daarmee verband houdende door de partners aangegane verbintenissen in verband met financiŽle bijdragen en/of bijdragen in natura, de belangrijkste prestatie- en impactindicatoren en de te verrichten prestaties worden gespecificeerd. Hieronder vallen onder meer de vaststelling van aanvullende onderzoeks- en innovatieactiviteiten die door de partners en in het kader van het programma worden uitgevoerd (medegeprogrammeerde Europese partnerschappen);

b) deelname en financiŽle bijdrage aan een programma voor onderzoeks- en innovatieactiviteiten, op basis van de door de partners aangegane verbintenis tot het leveren van financiŽle bijdragen en bijdragen in natura en tot het integreren van hun relevante activiteiten met gebruikmaking van een medefinancieringsactie van het programma (medegefinancierde Europese partnerschappen).

3. Europese partnerschappen:

a) worden opgezet in gevallen waarin de doelstellingen van het programma doeltreffender door die partnerschappen dan door de Gemeenschap alleen kunnen worden verwezenlijkt;

b) worden gestoeld op de beginselen van toegevoegde waarde voor de Unie, transparantie, openheid, impact, hefboomeffect, financiŽle verbintenis voor de lange termijn door alle betrokken partijen, flexibiliteit, samenhang en complementariteit met initiatieven op lokaal, regionaal, nationaal, internationaal en Unieniveau;

c) worden in de tijd beperkt en omvatten de voorwaarden voor het geleidelijk beŽindigen van de financiering uit het programma.

4. De voorschriften en criteria voor de selectie, uitvoering, monitoring, evaluatie en geleidelijke beŽindiging ervan worden vastgesteld in bijlage†III bij Horizon†Europa.

Artikel 8 - Open toegang en open wetenschap

De bepalingen van Horizon†Europa inzake open toegang en open wetenschap zijn van toepassing op het programma.

Artikel 9 - In aanmerking komende acties en regels voor deelname en verspreiding van onderzoeksresultaten

1. Alleen acties voor de verwezenlijking van de doelstellingen als bedoeld in artikel†3 komen in aanmerking voor financiering.

2. Behoudens het bepaalde in de leden†3 en 4 is titel†II van Horizon†Europa, betreffende de regels voor deelname, van toepassing op de door het programma ondersteunde acties. Verwijzingen daarin naar de Unie en het programma gelden in voorkomend geval als verwijzingen naar de Gemeenschap en dit programma. Verwijzingen daarin naar 'veiligheidsvoorschriften' omvatten de defensiebelangen van de lidstaten in de zin van artikel†24 van het Euratom-Verdrag.

3. In afwijking van artikel†36, lid†4, van Horizon†Europa kan het recht om bezwaar te maken ook gelden voor de verlening van niet-exclusieve licenties.

4. In afwijking van artikel†37, lid†5, van Horizon†Europa verleent een begunstigde die financiŽle steun van de Gemeenschap heeft ontvangen de instellingen van de Gemeenschap, de financieringsorganen of de gemeenschappelijke onderneming 'Fusion for Energy' ("Fusie voor energie"), met het oog op de ontwikkeling, uitvoering en monitoring van de beleidsmaatregelen en programma's van de Gemeenschap of de verplichtingen die zij zijn aangegaan in het kader van de internationale samenwerking met derde landen en internationale organisaties, toegang tot zijn resultaten. Die toegangsrechten omvatten het recht om derden toestemming te verlenen de resultaten bij overheidsopdrachten te gebruiken alsook het recht om sublicenties te verlenen, zijn beperkt tot niet-commercieel en niet-competitief gebruik en worden vrij van auteursrechten verleend.

5. Het in het kader van Horizon†Europa opgezette onderlingeverzekeringsmechanisme dekt de risico's van het niet terugkrijgen van bedragen die de begunstigden uit hoofde van de onderhavige verordening aan de Commissie of financieringsorganen verschuldigd zijn.

Artikel 10 - Cumulatieve, aanvullende en gecombineerde financiering

1. Het programma wordt uitgevoerd in synergie met andere financieringsprogramma's van de Unie. Teneinde de doelstellingen van het programma te verwezenlijken en de gemeenschappelijke uitdagingen van het programma en Horizon†Europa aan te gaan, kunnen horizontale activiteiten betreffende de doelstellingen van het programma en/of activiteiten waarmee uitvoering wordt gegeven aan Horizon†Europa, in aanmerking komen voor een financiŽle bijdrage van de Gemeenschap. In het bijzonder kan in het kader van het programma een financiŽle bijdrage worden geleverd aan de Marie SkĀodowska-Curie-acties (MSCA), ter ondersteuning van activiteiten die van belang zijn voor onderzoek inzake kernenergie.

2. Voor een actie waarvoor een bijdrage uit een ander programma van de Unie is ontvangen, kan ook een bijdrage in het kader van het programma worden ontvangen, op voorwaarde dat de bijdragen niet dezelfde kosten dekken. De regels van elk bijdragend programma van de Unie gelden voor de respectievelijke bijdrage daaruit aan de actie. De cumulatieve financiering mag niet meer bedragen dan de totale subsidiabele kosten van de actie en de steun uit de verschillende programma's van de Unie kan naar rato worden berekend overeenkomstig de documenten waarin de voorwaarden voor de steun zijn vastgesteld.

3. Voor acties die voldoen aan elk van de volgende vergelijkende voorwaarden:

a) beoordeeld zijn in het kader van een oproep tot het indienen van voorstellen op grond van het programma;

b) voldoen aan de minimumeisen inzake kwaliteit van die oproep tot het indienen van voorstellen;

c) niet gefinancierd kunnen worden in het kader van die oproep tot het indienen van voorstellen vanwege budgettaire beperkingen,

kan steun worden ontvangen uit het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Cohesiefonds, het Europees Sociaal Fonds+ of het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling, overeenkomstig artikel†, lid†5, van Verordening (EU)†XX [verordening gemeenschappelijke bepalingen] en artikel† van Verordening (EU)†XX [betreffende de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid], op voorwaarde dat die acties verenigbaar zijn met de doelstellingen van het betrokken programma. Hierbij gelden de regels van het fonds waaruit steun wordt ontvangen. †††

HOOFDSTUK II

PROGRAMMERING, MONITORING, EVALUATIE EN CONTROLE

Artikel 11 - Werkprogramma's

1. Het programma wordt uitgevoerd door middel van werkprogramma's als bedoeld in artikel†110 van het Financieel Reglement, bij wege van uitvoeringshandelingen overeenkomstig de onderzoeksprocedure als bedoeld in artikel†16, lid†4. In de werkprogramma's wordt in voorkomend geval het voor blendingverrichtingen gereserveerde totaalbedrag opgenomen.

2. Behalve de in artikel†110 van het Financieel Reglement vastgestelde vereisten omvatten de werkprogramma's:

a) een indicatie van het voor elke actie toegewezen bedrag en een indicatief tijdschema voor de uitvoering ervan;

b) voor subsidieaanvragen de prioriteiten, de selectie- en gunningscriteria en het relatieve gewicht van de verschillende gunningscriteria, en het maximale financieringspercentage voor de totale subsidiabele kosten;

c) eventuele bijkomende verplichtingen voor de begunstigden, in overeenstemming met de artikelen†35 en 37 van Horizon†Europa.

3. Voor meerjarige werkprogramma's voor eigen acties van het JRC wint de Commissie het advies van de raad van beheer van het JRC in overeenkomstig Besluit 96/282/Euratom.

Artikel 12 - Monitoring en verslaglegging

1. Indicatoren om verslag uit te brengen over de door het programma geboekte vooruitgang bij het verwezenlijken van de in artikel†3 vermelde doelstellingen zijn vastgesteld in bijlage†II op basis van effecttrajecten.

2. Om een doeltreffende beoordeling te waarborgen van de door het programma geboekte vooruitgang bij het verwezenlijken van de doelstellingen ervan, stelt de Commissie uitvoeringshandelingen vast om de bepalingen voor een monitoring- en evaluatiekader uit te werken, ook door middel van wijzigingen van bijlage†II om indien nodig de indicatoren voor de effecttrajecten te herzien en aan te vullen en om uitgangswaarden en streefcijfers vast te stellen. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de raadplegingsprocedure overeenkomstig artikel†16, lid†3.

3. Het prestatieverslagleggingssysteem waarborgt dat de gegevens voor het monitoren van de uitvoering en de resultaten van het programma op efficiŽnte en doeltreffende wijze en tijdig worden verzameld. Daartoe worden evenredige verslagleggingsvereisten opgelegd aan de ontvangers van middelen van de Gemeenschap en, in voorkomend geval, aan de lidstaten.

Artikel 13 - Informatie, communicatie, publiciteit alsmede verspreiding en gebruik van resultaten

1. De ontvangers van financiering uit hoofde van het programma erkennen de oorsprong van en geven zichtbaarheid aan de financiering van de Gemeenschap (met name wanneer zij de acties en de resultaten ervan promoten) door meerdere doelgroepen, waaronder de media en het grote publiek, doelgericht en op samenhangende, doeltreffende en evenredige wijze te informeren.

2. De Commissie voert informatie- en communicatieactiviteiten uit met betrekking tot het programma alsmede de acties en de resultaten ervan. De aan het programma toegewezen financiŽle middelen dragen tevens bij aan de institutionele communicatie over de politieke prioriteiten van de Gemeenschap, voor zover zij verband houden met de in artikel†3 bedoelde doelstellingen.

3. De Commissie stelt tevens een strategie voor de verspreiding en het gebruik van de resultaten op met het oog op grotere beschikbaarheid en verbreiding van de resultaten en kennis op het gebied van onderzoek en innovatie in het kader van het programma, met het doel om het gebruik daarvan sneller ingang op de markt te doen vinden en de impact van het programma te versterken. De aan het programma toegewezen financiŽle middelen dragen tevens bij aan de institutionele communicatie over de politieke prioriteiten van de Gemeenschap alsmede aan activiteiten op het gebied van informatie, communicatie, publiciteit en verspreiding en gebruik van resultaten, voor zover zij verband houden met de in artikel†3 bedoelde doelstellingen.

Artikel 14 - Evaluatie

1. Evaluaties worden tijdig uitgevoerd zodat zij in de besluitvorming over het programma, het vervolgprogramma daarvan en andere voor onderzoek en innovatie relevante initiatieven kunnen worden meegenomen.

2. De tussentijdse evaluatie van het programma wordt uitgevoerd zodra voldoende informatie over de uitvoering van het programma beschikbaar is, doch uiterlijk drie jaar nadat met de uitvoering van het programma is begonnen. Zij omvat een beoordeling van de langetermijngevolgen van de vorige Euratom-programma's en vormt de grondslag voor de eventueel noodzakelijke aanpassing van de uitvoering van het programma.

3. Aan het einde van de uitvoering van het programma, doch uiterlijk vier jaar na afloop van de in artikel†1 genoemde periode, voert de Commissie een eindevaluatie van het programma uit. Zij omvat een beoordeling van de langetermijngevolgen van de vorige programma's.

4. De Commissie deelt de conclusies van de evaluaties tezamen met haar opmerkingen mee aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comitť en het Comitť van de Regio's.

Artikel 15 - Audits

1. Het controlesysteem van het programma zorgt voor een passend evenwicht tussen vertrouwen en controle, met inachtneming van de administratieve en andere kosten van de controles op alle niveaus, met name voor de begunstigden.

2. Acties die tegelijkertijd uit verschillende programma's van de Unie worden gefinancierd, worden slechts ťťn keer aan een audit onderworpen, waarbij alle betrokken programma's en de desbetreffende toepasselijke regels ervan worden bestreken.

3. De Commissie of het financieringsorgaan kan zich baseren op gecombineerde systeemonderzoeken op het niveau van de begunstigden. Deze gecombineerde onderzoeken zijn voor bepaalde soorten begunstigden facultatief en bestaan in een systeem- en procesaudit, aangevuld met een audit van de verrichtingen, die wordt uitgevoerd door een bekwame onafhankelijke auditor die bevoegd is wettelijke audits van boekhoudbescheiden uit te voeren in overeenstemming met Richtlijn†2006/43/EG van het Europees Parlement en de Raad. Zij kunnen door de Commissie of het financieringsorgaan worden gebruikt voor de vaststelling van de algemene zekerheid wat goed financieel beheer van de uitgaven betreft en voor heroverweging van het niveau van ex-postaudits en van de verklaringen inzake de financiŽle staten.

4. De Commissie of het financieringsorgaan kan zich overeenkomstig artikel†127 van het Financieel Reglement baseren op audits naar het gebruik van de bijdragen van de Gemeenschap die zijn uitgevoerd door andere personen of entiteiten, daaronder begrepen andere personen of entiteiten die niet door de instellingen of organen van de Unie zijn gemachtigd.

5. Er kunnen tot twee jaar na betaling van het saldo audits worden uitgevoerd.

Artikel 16 - Comitťprocedure

1. De Commissie wordt bijgestaan door een comitť. Dat comitť is een comitť in de zin van Verordening (EU) nr.†182/2011.

2. Het comitť komt in twee verschillende samenstellingen bijeen, respectievelijk voor de met kernsplijting en voor de met kernfusie verband houdende aspecten van het programma.

3. Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel†4 van Verordening (EU) nr.†182/2011 van toepassing.

4. Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel†5 van Verordening (EU) nr.†182/2011 van toepassing.

5. Als het advies van het comitť via een schriftelijke procedure moet worden verkregen, wordt die procedure zonder gevolg beŽindigd wanneer, binnen de termijn voor het uitbrengen van het advies, de voorzitter van het comitť daartoe besluit of een eenvoudige meerderheid van de leden van het comitť daarom verzoekt.

6. De Commissie houdt het comitť regelmatig op de hoogte van de algehele voortgang bij de uitvoering van het programma, en stelt het tijdig in kennis van alle op grond van het programma voorgestelde of gefinancierde acties.

Artikel 17 - Bescherming van de financiŽle belangen van de Unie

1. De Commissie, of haar vertegenwoordigers, en de Rekenkamer zijn bevoegd om audits te†verrichten, of, in het geval van internationale organisaties, om controles te verrichten overeenkomstig met die organisaties gesloten overeenkomsten, op basis van documenten en ter plaatse, bij alle subsidiebegunstigden, contractanten en subcontractanten die middelen van de Unie hebben ontvangen uit hoofde van deze verordening.

2. Het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) kan, overeenkomstig de bepalingen en procedures van Verordening (EU, Euratom) nr.†883/2013 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (Euratom, EG) nr.†2185/96 van de Raad, administratieve onderzoeken, daaronder begrepen controles en verificaties ter plaatse, uitvoeren om vast te stellen of er sprake is van fraude, corruptie of andere onwettige activiteiten in verband met financiering of begrotingsgaranties van de Unie uit hoofde van deze verordening, waardoor de financiŽle belangen van de Unie zijn geschaad.

3. Van de bevoegde autoriteiten van derde landen en van internationale organisaties kan tevens worden verlangd dat zij in overeenstemming met de overeenkomsten inzake wederzijdse rechtshulp samenwerken met het Europees Openbaar Ministerie (EOM), wanneer dit een onderzoek instelt naar strafbare feiten die overeenkomstig Verordening (EU) 2017/1939 onder zijn bevoegdheid vallen.

4. Onverminderd de leden†1 en 2 bevatten de samenwerkingsovereenkomsten met derde landen en met internationale organisaties, contracten, subsidieovereenkomsten en andere juridische verbintenissen alsmede overeenkomsten tot vaststelling van een begrotingsgarantie die voortvloeien uit de toepassing van deze verordening, bepalingen die de Commissie, de Rekenkamer en OLAF uitdrukkelijk de bevoegdheid geven dergelijke audits en dergelijke controles en verificaties ter plaatse binnen hun respectieve bevoegdheden te verrichten. Hieronder vallen ook bepalingen waarmee wordt gewaarborgd dat derden die betrokken zijn bij de uitvoering van middelen van de Unie of bij een geheel of gedeeltelijk door een begrotingsgarantie ondersteunde financieringsverrichting, gelijkwaardige rechten verlenen.


HOOFDSTUK†III

OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 18 - Intrekking

Verordening†[nr. ... tot vaststelling van het Euratom-programma 2019-2020] wordt ingetrokken met ingang van 1†januari 2021.

Artikel 19 - Overgangsbepalingen

1. Deze verordening doet geen afbreuk aan de voortzetting of de wijziging van de betrokken acties op grond van Verordening [het Euratom-programma 2019-2020], die op die acties van toepassing blijft totdat zij worden afgesloten.†

2. Eventueel overblijvende taken van het bij Verordening [het Euratom-programma 2019-2020] ingestelde comitť zullen, indien nodig, worden uitgevoerd door het in artikel†16 bedoelde comitť.

3. De financiŽle middelen voor het programma kunnen eveneens de uitgaven dekken voor noodzakelijke technische en administratieve bijstand om de overgang te waarborgen tussen het programma en de maatregelen die zijn vastgesteld in het kader van het voorgaande programma [het Euratom-programma 2019-2020].

4. Terugvloeiende middelen uit financieringsinstrumenten die zijn ingesteld bij Verordening [het Euratom-programma 2019-2020] kunnen worden geÔnvesteerd in het bij Verordening†XX 30 ingestelde InvestEU-programma.

Artikel 20 - Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.