Artikelen bij COM(2018)443 - Fiscalis-programma voor samenwerking op het gebied van belastingen - EU monitor

EU monitor
Woensdag 20 november 2019
kalender

Dit is een beperkte versie

U kijkt naar een beperkte versie van dit dossier in de EU Monitor.


HOOFDSTUK I - ALGEMENE BEPALINGEN


Artikelá1

Onderwerp

1. Bij deze verordening wordt het Fiscalis-programma voor samenwerking op het gebied van belastingen ("programma") vastgesteld.

2. In deze verordening worden de doelstellingen van het programma, de begroting voor de periodeá2021-2027, de vormen van financiering door de Unie alsmede de regels voor de verstrekking van die financiering vastgelegd.

Artikelá2

Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

(1)"belastingen": aangelegenheden, daaronder begrepen de inrichting, uitvoering, handhaving en naleving, met betrekking tot de volgende belastingen en rechten:

(a)belasting over de toegevoegde waarde zoals bepaald in Richtlijn 2006/112/EG 29 van de Raad;

(b)accijnzen op alcohol zoals bepaald in Richtlijn 92/83/EEG 30 van de Raad;

(c)accijnzen op tabaksproducten zoals bepaald in Richtlijn 2011/64/EU 31 van de Raad;

(d)belastingen op energieproducten en elektriciteit zoals bepaald in Richtlijn 2003/96/EG 32 van de Raad;

(e)andere belastingen en rechten zoals bedoeld in artikelá2, lidá1, onderáa), vanáRichtlijn 2010/24/EU 33 van de Raad, voor zover zij van belang zijn voor de eengemaakte markt en de administratieve samenwerking tussen de lidstaten;

(2)"belastingautoriteiten": de voor belastingheffing of voor belastinggerelateerde taken bevoegde overheden en andere lichamen;

(3)"Europese elektronische systemen": de elektronische systemen die noodzakelijk zijn voor de belastingheffing en voor de uitvoering van de missie van de belastingautoriteiten;

(4)"derde land": een land dat geen lid van de Unie is.

Artikelá3

Doelstellingen van het programma

1. De algemene doelstelling van het programma bestaat erin de belastingautoriteiten en de belastingheffing te ondersteunen om de werking van de eengemaakte markt te verbeteren, het concurrentievermogen van de Unie te bevorderen en de financiŰle en economische belangen van de Unie en haar lidstaten te beschermen.

2. De specifieke doelstelling van het programma bestaat erin het fiscale beleid, de fiscale samenwerking en de bestuurlijke capaciteitsopbouw te ondersteunen, daaronder begrepen competentieontwikkeling en ontwikkeling en exploitatie van de Europese elektronische systemen.

Artikelá4

Begroting

1. De financiŰle middelen voor de uitvoering van het programma voor de periode 2021-2027 bedragen 270á000á000 EUR in lopende prijzen.

2. Het in lidá1 bedoelde bedrag kan ook uitgaven dekken voor werkzaamheden op het gebied van voorbereiding, toezicht, controle, audit en evaluatie alsmede andere werkzaamheden voor het beheer van het programma en de beoordeling van de verwezenlijking van de doelstellingen ervan. Het kan bovendien uitgaven dekken met betrekking tot studies, vergaderingen van deskundigen, informatie- en communicatieacties, voor zover zij verband houden met de doelstellingen van het programma, alsmede uitgaven in verband met informatietechnologienetwerken voor informatieverwerking en -uitwisseling, daaronder begrepen institutionele informatietechnologie-instrumenten, en andere uitgaven voor technische en administratieve bijstand die nodig is voor het beheer van het programma.

Artikelá5

Met het programma geassocieerde derde landen

Het programma staat open voor deelname van de volgende derde landen:

(a)toetredingslanden, kandidaat-lidstaten en potentiŰle kandidaten, in overeenstemming met de algemene beginselen en algemene voorwaarden voor deelname van die landen aan programma's van de Unie zoals vastgesteld in de desbetreffende kaderovereenkomsten en besluiten van de Associatieraad, of in soortgelijke overeenkomsten, alsmede in overeenstemming met de specifieke voorwaarden die zijn vastgesteld in overeenkomsten tussen de Unie en die landen;

(b)landen die onder het Europees nabuurschapsbeleid vallen, in overeenstemming met de algemene beginselen en algemene voorwaarden voor deelname van die landen aan programma's van de Unie zoals vastgesteld in de desbetreffende kaderovereenkomsten en besluiten van de Associatieraad, of in soortgelijke overeenkomsten, alsmede in overeenstemming met de specifieke voorwaarden die zijn vastgesteld in overeenkomsten tussen de Unie en die landen, mits de toepasselijke wetgeving en bestuurlijke methoden in deze landen voldoende zijn aangepast aan die in de Unie;

(c)andere derde landen in overeenstemming met de voorwaarden die in een specifieke overeenkomst met betrekking tot de deelname van het derde land aan een programma van de Unie zijn vastgesteld, mits die overeenkomst:

ľeen billijk evenwicht garandeert tussen de bijdragen en de baten van het derde land dat aan de programma's van de Unie deelneemt;

ľde voorwaarden voor deelname aan de programma's vaststelt, met inbegrip van de berekening van de financiŰle bijdragen aan individuele programma's en de administratieve kosten ervan. Deze bijdragen vormen bestemmingsontvangsten overeenkomstig artikel [21, lid 5,] van Verordening [2018/XXX] [het nieuwe Financieel Reglement];

ľhet derde land geen beslissingsbevoegdheid ten aanzien van het programma verleent;

ľde rechten van de Unie waarborgt om te zorgen voor een goed financieel beheer en haar financiŰle belangen te beschermen.

Artikelá6

Uitvoering en vormen van EU-financiering

1. Het programma wordt uitgevoerd in direct beheer in overeenstemming met het Financieel Reglement.

2. In het kader van het programma kan financiering worden verstrekt in een van de vormen als vastgesteld in het Financieel Reglement, met name subsidies, prijzen, aanbestedingen en vergoeding van reis- en verblijfkosten van externe deskundigen.

HOOFDSTUK II - SUBSIDIABILITEIT


Artikelá7

In aanmerking komende acties

1. Alleen acties voor de verwezenlijking van de doelstellingen als bedoeld in artikelá3 komen in aanmerking voor financiering.

2. De in lid 1 bedoelde acties omvatten:

(a)bijeenkomsten en soortgelijke ad-hocevenementen;

(b)projectgebaseerde gestructureerde samenwerking;

(c)acties ten behoeve van IT-capaciteitsopbouw, met name de ontwikkeling en exploitatie van Europese elektronische systemen;

(d)acties ten behoeve van competentieontwikkeling en capaciteitsopbouw;

(e)ondersteunende en andere acties, daaronder begrepen:

(1)studies;

(2)innoverende activiteiten, met name proof-of-concepts, proefprojecten en prototype-ontwikkeling;

(3)gezamenlijk ontwikkelde communicatieacties;

(4)alle andere acties waarin de in artikel 13 bedoelde werkprogramma's voorzien, die nodig zijn ter verwezenlijking of ter ondersteuning van de in artikel 3 genoemde doelstellingen.

In bijlage 1 is een niet-uitputtende lijst opgenomen van mogelijke vormen van acties als bedoeld onder a), b) en d).

3. Acties bestaande in de ontwikkeling en exploitatie van aanpassingen of uitbreidingen van de gemeenschappelijke componenten van de Europese elektronische systemen met het oog op samenwerking met derde landen die niet met het programma geassocieerd zijn, of internationale organisaties komen in aanmerking voor financiering wanneer zij van belang zijn voor de Unie. De Commissie treft de nodige administratieve regelingen, die kunnen voorzien in een financiŰle bijdrage van de betrokken derde partijen aan deze acties.

4. Wanneer een actie ten behoeve van IT-capaciteitsopbouw als bedoeld in lid 2, onder c), betrekking heeft op de ontwikkeling en exploitatie van een Europees elektronisch systeem, komen uitsluitend de kosten in verband met de aan de Commissie toevertrouwde verantwoordelijkheden overeenkomstig artikel 11, lid 2, in aanmerking voor financiering uit het programma. De lidstaten dragen de kosten in verband met de aan hen toevertrouwde verantwoordelijkheden overeenkomstig artikel 11, lid 3.

Artikelá8

Externe deskundigen

1. Wanneer dit ten goede komt van de verwezenlijking van de acties waarmee de in artikel 3 genoemde doelstellingen ten uitvoer worden gelegd, kunnen vertegenwoordigers van overheidsinstanties, ook van derde landen die niet met het programma geassocieerd zijn overeenkomstig artikel 5, vertegenwoordigers van internationale en andere relevante organisaties, van marktdeelnemers en organisaties die marktdeelnemers vertegenwoordigers, en van de civil society als externe deskundigen deelnemen aan acties die in het kader van het programma worden opgezet.

2. De kosten van de in lid 1 bedoelde externe deskundigen komen in aanmerking voor vergoeding uit hoofde van het programma in overeenstemming met de bepalingen van artikelá238 van het Financieel Reglement.

3. De externe deskundigen worden door de Commissie geselecteerd op basis van hun vaardigheden, ervaring en kennis met betrekking tot de specifieke actie, waarbij mogelijke belangenconflicten worden vermeden.

HOOFDSTUK III - SUBSIDIES


Artikelá9

Toekenning, complementariteit en gecombineerde financiering

1. Subsidies in het kader van het programma worden toegekend en beheerd in overeenstemming met titeláVIII van het Financieel Reglement.

2. Aan een actie waaraan in het kader van een ander programma van de Unie een bijdrage is toegekend, kan ook een bijdrage worden toegekend uit hoofde van dit programma, op voorwaarde dat de bijdrage niet dezelfde kosten dekt. De regels van elk programma van de Unie waaruit een bijdrage wordt ontvangen, zijn van toepassing op de desbetreffende bijdrage aan de actie. De cumulatieve financiering mag niet hoger zijn dan de totale subsidiabele kosten van de actie en de steun uit de verschillende programma's van de Unie kan op een pro-ratabasis worden berekend in overeenstemming met de documenten waarin de steunvoorwaarden zijn vastgesteld.

3. In overeenstemming met artikel 198, onder f), van het Financieel Reglement worden de subsidies toegekend zonder oproep tot het indienen van voorstellen wanneer de in aanmerking komende entiteiten belastingautoriteiten zijn van de lidstaten en van de derde landen die met het programma zijn geassocieerd als bedoeld in artikel 5 van deze verordening, mits aan de in dat artikel gestelde voorwaarden is voldaan.

Artikelá10

Medefinancieringspercentages

1. In afwijking van artikel 190 van het Financieel Reglement kan het programma tot 100á% van de subsidiabele kosten van een actie financieren.

2. Het toepasselijke medefinancieringspercentage wanneer voor acties subsidieverlening vereist is, wordt vastgesteld in de in artikel 13 bedoelde meerjarige werkprogramma's.

HOOFDSTUK IV - SPECIFIEKE BEPALINGEN BETREFFENDE ACTIES VOOR IT-CAPACITEITSOPBOUW


Artikelá11

Verantwoordelijkheden

1. De Commissie en de lidstaten dragen samen zorg voor de ontwikkeling en de exploitatie, daaronder begrepen ontwerp, specificatie, conformiteitsbeoordeling, uitrol, onderhoud, ontwikkeling, beveiliging, kwaliteitsborging en kwaliteitsbewaking, van de Europese elektronische systemen die in het in artikel 12 genoemde strategische meerjarenplan voor belastingen zijn opgenomen.

2. De Commissie draagt met name zorg voor:

(a)de ontwikkeling en exploitatie van gemeenschappelijke componenten zoals vastgelegd in het in artikel 12 genoemde strategische meerjarenplan voor belastingen;

(b)de algehele co÷rdinatie van de ontwikkeling en exploitatie van Europese elektronische systemen met het oog op de werking, interconnectiviteit en voortdurende verbetering alsook de synchrone implementatie ervan;

(c)de co÷rdinatie op Unieniveau van Europese elektronische systemen met het oog op de bevordering en implementatie ervan op nationaal niveau;

(d)de co÷rdinatie van de ontwikkeling en exploitatie van Europese elektronische systemen wat betreft de wisselwerking met derde landen, met uitzondering van acties die worden opgezet om aan nationale vereisten te voldoen;

(e)de co÷rdinatie van Europese elektronische systemen met andere relevante acties op het gebied van e-overheid op Unieniveau.

3. De lidstaten dragen met name zorg voor:

(a)de ontwikkeling en exploitatie van nationale componenten zoals vastgelegd in het in artikel 12 genoemde strategische meerjarenplan voor belastingen;

(b)de co÷rdinatie van de ontwikkeling en exploitatie van de nationale componenten van Europese elektronische systemen op nationaal niveau;

(c)de co÷rdinatie van Europese elektronische systemen met andere relevante acties op het gebied van e-overheid op nationaal niveau;

(d)de regelmatige verstrekking van informatie aan de Commissie over de maatregelen die zij hebben genomen om hun respectieve autoriteiten of marktdeelnemers in staat te stellen ten volle gebruik te maken van de Europese elektronische systemen;

(e)de implementatie van Europese elektronische systemen op nationaal niveau.

Artikelá12

Strategisch meerjarenplan voor belastingen (MASP-T)

1. De Commissie stelt een strategisch meerjarenplan voor belastingen op en werkt dit regelmatig bij; het plan bevat een lijst van alle taken die van belang zijn voor de ontwikkeling en exploitatie van Europese elektronische systemen, waarbij elk systeem, of onderdeel ervan, is ingedeeld als:

(a)een gemeenschappelijke component: een component van de Europese elektronische systemen die op Unieniveau ontwikkeld is en voor alle lidstaten beschikbaar is, dan wel door de Commissie als gemeenschappelijk is aangemerkt om redenen van efficiency, veiligheid en rationalisering;

(b)een nationale component: een component van de Europese elektronische systemen die op nationaal niveau ontwikkeld is en beschikbaar is in de lidstaat die hem heeft gecreŰerd of daaraan heeft bijgedragen;

(c)of een combinatie van beide componenten.

2. Het strategische meerjarenplan voor belastingen omvat ook innovatie- en proefprojecten alsook de ondersteunende methodologieŰn en instrumenten met betrekking tot de Europese elektronische systemen.

3. De lidstaten stellen de Commissie in kennis van de voltooiing van elke taak die hen in het kader van het in lid 1 bedoelde strategische meerjarenplan voor belastingen is toevertrouwd. Zij brengen ook regelmatig verslag uit bij de Commissie over de vorderingen die zij met hun taken maken.

4. De lidstaten doen de Commissie uiterlijk op 31ámaart een jaarlijks voortgangsverslag over de uitvoering van het in lid 1 bedoelde strategische meerjarenplan voor belastingen toekomen over het tijdvak 1ájanuari - 31ádecember van het voorgaande jaar. Deze jaarlijkse verslagen worden gebaseerd op een vooraf vastgesteld model.

5. De Commissie stelt uiterlijk op 31 oktober op basis van de in lid 4 bedoelde jaarlijkse verslagen een geconsolideerd verslag op met een evaluatie van de door de lidstaten en de Commissie gemaakte vorderingen bij de uitvoering van het in lid 1 bedoelde plan, en zij maakt dat verslag bekend.

HOOFDSTUK V - PROGRAMMERING, TOEZICHT, EVALUATIE EN CONTROLE


Artikelá13

Werkprogramma

1. Het programma wordt uitgevoerd door middel van meerjarige werkprogramma's als bedoeld in artikelá108 van het Financieel Reglement.

2. De meerjarige werkprogramma's worden door de Commissie vastgesteld door middel van uitvoeringshandelingen. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 18, lid 2, bedoelde procedure vastgesteld.

Artikelá14

Toezicht en verslaglegging

1. Indicatoren om verslag uit te brengen over de door het programma geboekte vooruitgang bij het verwezenlijken van de in artikelá3 vermelde specifieke doelstellingen zijn vastgesteld in bijlageá2.

2. Om te garanderen dat de door het programma geboekte vooruitgang bij het verwezenlijken van de doelstellingen ervan doeltreffend wordt beoordeeld, is de Commissie bevoegd gedelegeerde handelingen vast te stellen overeenkomstig artikel 17 om bijlage 2 te wijzigen teneinde zo nodig de indicatoren te herzien of te vervolledigen, en om deze verordening aan te vullen met bepalingen inzake de opstelling van een toezichts- en evaluatiekader.

3. Het prestatierapportagesysteem waarborgt dat de gegevens voor het toezicht op de uitvoering en de resultaten van het programma op efficiŰnte en doeltreffende wijze en tijdig worden verzameld. Te dien einde moeten evenredige rapportagevereisten worden opgelegd aan de ontvangers van middelen van de Unie.

Artikelá15

Evaluatie

1. Evaluaties worden tijdig verricht zodat zij in de besluitvorming kunnen worden meegenomen.

2. De tussentijdse evaluatie van het programma wordt verricht zodra voldoende informatie over de uitvoering van het programma beschikbaar is, doch uiterlijk vier jaar nadat met de uitvoering van het programma is begonnen.

3. Aan het einde van de uitvoering van het programma, doch uiterlijk vier jaar na afloop van de in artikelá1 genoemde periode, verricht de Commissie een eindevaluatie van het programma.

4. De Commissie deelt de conclusies van de evaluaties tezamen met haar opmerkingen mee aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal ComitÚ en het ComitÚ van de Regio's.

Artikelá16

Audits en onderzoeken

Indien een derde land aan het programma deelneemt op grond van een besluit in het kader van een internationale overeenkomst of een ander rechtsinstrument, verleent het derde land de nodige rechten en toegang aan de bevoegde ordonnateur, het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en de Europese Rekenkamer, zodat deze hun respectieve bevoegdheden ten volle kunnen uitoefenen. In het geval van OLAF omvatten deze rechten het recht om onderzoeken te verrichten, waaronder controles en verificaties ter plaatse als bedoeld in Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF).

HOOFDSTUK VI - UITOEFENING VAN DE BEVOEGDHEIDSDELEGATIE EN COMIT╔PROCEDURE


Artikelá17

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1. De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2. De in artikelá14, lid 2, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend tot en met 31ádecember 2028.

3. Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 14, lid 2, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beŰindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4. Vˇˇr de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven van 13áapril 2016.

5. Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

6. Een overeenkomstig artikel 14, lid 2, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben meegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.

Artikelá18

ComitÚprocedure

1. De Commissie wordt bijgestaan door een comitÚ, het 'ComitÚ Fiscalis-programma' genoemd. Dat comitÚ is een comitÚ in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.

2. Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikelá5 van Verordening (EU) nr.á182/2011 van toepassing.

HOOFDSTUK VII - OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN


Artikelá19

Informatie, communicatie en publiciteit

1. De ontvangers van financiering van de Unie erkennen de oorsprong van en geven zichtbaarheid aan de financiering van de Unie (met name wanneer zij de acties en de resultaten ervan promoten) door meerdere doelgroepen, waaronder de media en het grote publiek, doelgericht en op samenhangende, doeltreffende en evenredige wijze te informeren.

2. De Commissie voert informatie- en communicatieacties uit met betrekking tot het programma alsmede de acties en de resultaten ervan. De aan het programma toegewezen financiŰle middelen dragen tevens bij aan de institutionele communicatie over de politieke prioriteiten van de Unie, voor zover zij verband houden met de in artikelá3 bedoelde doelstellingen.

Artikelá20

Intrekking

Verordening (EU) nr.á1286/2013 wordt ingetrokken met ingang van 1 januari 2021.

Artikelá21

Overgangsbepalingen

1. Deze verordening doet geen afbreuk aan de voortzetting of de wijziging van de betrokken acties tot de afsluiting ervan op grond van Verordening (EU) nr. 1286/2013, die op de betrokken acties van toepassing blijft totdat zij worden afgesloten.

2. De financiŰle middelen voor het programma kunnen eveneens de uitgaven dekken voor noodzakelijke technische en administratieve bijstand om de overgang te waarborgen tussen het programma en de maatregelen die zijn vastgesteld in het kader van het voorgaande programma, Verordening (EU) nr.á1286/2013.

3. Zo nodig kunnen voor het beheer van acties die op 31 december 2027 nog niet zijn voltooid, ook na 2027 kredieten ter dekking van de in artikel 4, lid 2, bedoelde uitgaven in de begroting worden opgenomen.

Artikelá22

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.