Artikelen bij COM(2018)630 - Europees centrum voor industrie, technologie en onderzoek inzake cyberbeveiliging en nationale coŲrdinatiecentra - Bijdrage aan de bijeenkomst van de leiders, september 2018 - EU monitor

EU monitor
Zondag 22 september 2019
kalender

Dit is een beperkte versie

U kijkt naar een beperkte versie van dit dossier in de EU Monitor.



HOOFDSTUK I

ALGEMENE BEPALINGEN EN BEGINSELEN VAN HET KENNISCENTRUM EN HET NETWERK

Artikel†1

Voorwerp

1. Bij deze verordening worden het Europees kenniscentrum voor industrie, technologie en onderzoek op het gebied van cyberbeveiliging (het 'kenniscentrum') en het netwerk van nationale coŲrdinatiecentra opgericht en worden regels vastgesteld voor de aanwijzing van nationale coŲrdinatiecentra en voor de oprichting van de kennisgemeenschap voor cyberbeveiliging.†

2. Het kenniscentrum draagt bij aan de uitvoering van het onderdeel cyberbeveiliging van het bij Verordening XXX vastgestelde programma Digitaal Europa, en met name aan acties met betrekking tot artikel†6 van Verordening (EU) XXX [programma Digitaal Europa], alsook van het bij Verordening XXX vastgestelde programma Horizon Europa, en met name punt†2.2.6 van pijler†II van bijlage†I bij Besluit nr.†XXX tot vaststelling van het specifieke programma tot uitvoering van Horizon Europa Ė het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie [referentienummer van het specifieke programma].

3. De zetel van het kenniscentrum bevindt zich in [Brussel, BelgiŽ].

4. Het kenniscentrum heeft rechtspersoonlijkheid. In elke lidstaat bezit het de ruimste handelingsbevoegdheid die door de wetgeving van de betrokken lidstaat aan rechtspersonen wordt verleend. Het kan met name roerende en onroerende goederen verkrijgen of vervreemden en in rechte optreden.

Artikel†2

Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

(1)"cyberbeveiliging": de bescherming van netwerk- en informatiesystemen, de gebruikers ervan en andere personen tegen cyberdreigingen;

(2)"cyberbeveiligingsproducten en -oplossingen": ICT-producten, -diensten of -processen met het specifieke doel om netwerk- en informatiesystemen, de gebruikers ervan en getroffen personen tegen cyberdreigingen te beschermen;

(3)"overheidsinstantie": elke regering of andere overheidsdienst, met inbegrip van publieke adviesorganen, op nationaal, regionaal of lokaal niveau, of elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die overeenkomstig het nationale recht publieke bestuursfuncties vervult, met inbegrip van specifieke taken;

(4)"deelnemende lidstaat": een lidstaat die vrijwillig financieel bijdraagt aan de administratieve en operationele kosten van het kenniscentrum.

Artikel†3

Opdracht van het kenniscentrum en het netwerk

1. Het kenniscentrum en het netwerk helpen de Unie om:

(a)de technologische en industriŽle capaciteiten op het gebied van cyberbeveiliging die nodig zijn voor de beveiliging van de digitale eengemaakte markt, te behouden en te ontwikkelen;

(b)het concurrentievermogen van de cyberbeveiligingsbranche in de Unie te vergroten en van cyberbeveiliging een concurrentievoordeel te maken voor andere industrieŽn in de Unie.

2. In voorkomend geval voert het kenniscentrum zijn taken uit in samenwerking met het netwerk van nationale coŲrdinatiecentra en met een kennisgemeenschap voor cyberbeveiliging.

Artikel†4

Doelstellingen en taken van het kenniscentrum

Het kenniscentrum heeft de volgende doelstellingen en bijbehorende taken:

1. de werkzaamheden van het in artikel 6 bedoelde netwerk van nationale coŲrdinatiecentra ("het netwerk") en de in artikel†8 bedoelde kennisgemeenschap voor cyberbeveiliging vergemakkelijken en helpen coŲrdineren;

2. bijdragen aan de uitvoering van het onderdeel cyberbeveiliging van het bij Verordening XXX 26 vastgestelde programma Digitaal Europa, en met name aan acties met betrekking tot artikel†6 van Verordening (EU) XXX [programma Digitaal Europa], alsook van het bij Verordening XXX 27 vastgestelde programma Horizon Europa, en met name punt†2.2.6 van pijler†II van bijlage†I bij Besluit nr.†XXX tot vaststelling van het specifieke programma tot uitvoering van Horizon Europa Ė het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie [referentienummer van het specifieke programma], en van andere programma's van de Unie indien hierin wordt voorzien in rechtshandelingen van de Unie;

3. de capaciteit, de kennis en de infrastructuur op het gebied van cyberbeveiliging verbeteren ten behoeve van de industrie, de publieke sector en de onderzoeksgemeenschappen, door de volgende taken uit te voeren:

(a)wat de geavanceerde industriŽle en onderzoeksinfrastructuren en aanverwante diensten op het gebied van cyberbeveiliging betreft, dergelijke infrastructuren en aanverwante diensten aankopen, upgraden, exploiteren en beschikbaar stellen aan een grote groep gebruikers uit de publieke sector, de onderzoeks- en wetenschapsgemeenschap en de industrie, waaronder het MKB, in de hele Unie;

(b)wat de geavanceerde industriŽle en onderzoeksinfrastructuren en aanverwante diensten op het gebied van cyberbeveiliging betreft, ondersteuning bieden, ook financieel, aan andere entiteiten om dergelijke infrastructuren en aanverwante diensten aan te kopen, te upgraden, te exploiteren en beschikbaar te stellen aan een grote groep gebruikers uit de publieke sector, de onderzoeks- en wetenschapsgemeenschap en de industrie, waaronder het MKB, in de hele Unie;

(c)kennis over cyberbeveiliging verstrekken en technische bijstand leveren aan de industrie en overheidsinstanties, met name door steun te verlenen aan maatregelen voor een gemakkelijkere toegang tot de in het netwerk en de kennisgemeenschap voor cyberbeveiliging beschikbare expertise;

4. bijdragen tot de ruime aanwending van geavanceerde cyberbeveiligingsproducten en -oplossingen in de hele economie, door:

(a)onderzoek op het gebied van cyberbeveiliging, ontwikkeling en aanwending van cyberbeveiligingsproducten en -oplossingen in de Unie door overheidsinstanties en verwerkende industrieŽn te stimuleren;

(b)overheidsinstanties, industrieŽn aan de vraagzijde en andere gebruikers te helpen om de meest recente cyberbeveiligingsoplossingen te gebruiken en te integreren;

(c)ondersteuning te bieden aan met name overheidsinstanties bij het plaatsen van overheidsopdrachten, of namens overheidsinstanties opdrachten voor geavanceerde cyberbeveiligingsproducten en -oplossingen te plaatsen;

(d)startende, kleine en middelgrote ondernemingen in de cyberbeveiligingsbranche financieel en technisch bij te staan zodat zij aansluiting vinden bij potentiŽle markten en investeringen aantrekken;

5. zorgen voor een beter begrip van cyberbeveiliging en helpen om het gebrek aan cyberbeveiligingsvaardigheden in de Unie aan te pakken door:

(a)de verdere ontwikkeling van cyberbeveiligingsvaardigheden te ondersteunen, in voorkomend geval samen met de relevante EU-agentschappen en -organen, waaronder het Enisa;

6. bijdragen aan de versterking van het onderzoek en de ontwikkeling op het gebied van cyberbeveiliging in de Unie door:

(a)financiŽle steun te verlenen voor onderzoek op het gebied van cyberbeveiliging, op basis van een gemeenschappelijke, voortdurend geŽvalueerde en verbeterde meerjarige strategische, industriŽle, agenda voor technologie en onderzoek;

(b)in samenwerking met de industrie en het netwerk steun te verlenen aan grootschalige onderzoeks- en demonstratieprojecten voor technologische vermogens op het gebied van cyberbeveiliging van de volgende generatie;

(c)steun te verlenen aan onderzoek en innovatie op het gebied van de standaardisatie van cyberbeveiligingstechnologie;

7. de samenwerking tussen de civiele en de defensieindustrie verbeteren als het gaat om cyberbeveiligingstechnologieŽn en -toepassingen voor tweeŽrlei gebruik, door:

(a)de lidstaten en belanghebbenden uit het bedrijfsleven en de onderzoekswereld te ondersteunen op het vlak van onderzoek, ontwikkeling en aanwending;

(b)bij te dragen aan de samenwerking tussen de lidstaten door middel van steun voor onderwijs, opleiding en oefeningen;

(c)belanghebbenden samen te brengen om synergieŽn te bevorderen tussen civiel en militair cyberbeveiligingsonderzoek en de civiele en de militaire cyberbeveiligingsmarkt;

8. de synergieŽn tussen de civiele en de defensiedimensie van cyberbeveiliging versterken in verband met het Europees Defensiefonds, door:

(a)advies te verstrekken, expertise te delen en samenwerking te bevorderen tussen relevante belanghebbenden;

(b)op verzoek van de lidstaten multinationale cyberdefensieprojecten te beheren en op die manier op te treden als projectmanager in de zin van Verordening XXX [Verordening tot oprichting van het Europees Defensiefonds].

Artikel†5

Investeringen in en gebruik van infrastructuur, capaciteit, producten of oplossingen

1. Terwijl het kenniscentrum financiering voor infrastructuur, capaciteit, producten of oplossingen overeenkomstig artikel†4, punten†3 en†4, verstrekt in de vorm van een subsidie of een prijs, kan in het werkplan van het kenniscentrum met name het volgende worden gespecificeerd:

(a)regels voor de exploitatie van infrastructuur of capaciteit, waarbij eventueel de exploitatie aan een onderbrengende entiteit kan worden toevertrouwd op basis van door het kenniscentrum te bepalen criteria;

(b)regels voor de toegang tot en het gebruik van infrastructuur of capaciteit.

2. Het kenniscentrum kan verantwoordelijk zijn voor de algemene uitvoering van relevante gezamenlijke aanbestedingsacties, waaronder precommerciŽle aanbestedingen, namens leden van het netwerk, leden van de kennisgemeenschap voor cyberbeveiliging, of andere derde partijen die gebruikers van cyberbeveiligingsproducten en -oplossingen vertegenwoordigen. Daartoe kan het kenniscentrum worden bijgestaan door een of meer nationale coŲrdinatiecentra of leden van de kennisgemeenschap voor cyberbeveiliging.

Artikel†6

Aanwijzing van nationale coŲrdinatiecentra

1. Uiterlijk op [datum] wijst elke lidstaat de entiteit aan die optreedt als nationaal coŲrdinatiecentrum voor de toepassing van deze verordening en stelt de lidstaat de Commissie hiervan in kennis.

2. Op basis van een beoordeling van de vraag of die entiteit aan de in lid†4 vastgelegde criteria voldoet, besluit de Commissie binnen zes maanden na de aanwijzing door de lidstaat of de entiteit geaccrediteerd wordt als nationaal coŲrdinatiecentrum, dan wel of de aanwijzing wordt afgewezen. De Commissie maakt de lijst van nationale coŲrdinatiecentra bekend.

3. De lidstaten kunnen te allen tijde een nieuwe entiteit als nationaal coŲrdinatiecentrum aanwijzen voor de toepassing van deze verordening. De leden†1 en†2 zijn van toepassing op de aanwijzing van elke nieuwe entiteit.

4. Het aangewezen nationale coŲrdinatiecentrum beschikt over het vermogen om het kenniscentrum en het netwerk te ondersteunen bij de uitvoering van hun taken als bedoeld in artikel†3 van deze verordening. Het beschikt over of heeft rechtstreekse toegang tot technologische expertise op het gebied van cyberbeveiliging en kan effectief in dialoog gaan en samenwerken met de industrie, de overheidssector en de onderzoeksgemeenschap.

5. De betrekkingen tussen het kenniscentrum en de nationale coŲrdinatiecentra worden onderhouden op basis van een contractuele overeenkomst tussen het kenniscentrum en elk van de nationale coŲrdinatiecentra. De overeenkomst omvat de regels voor de betrekkingen en de verdeling van taken tussen het kenniscentrum en elk nationaal coŲrdinatiecentrum.

6. Het netwerk van nationale coŲrdinatiecentra bestaat uit alle door de lidstaten aangewezen nationale coŲrdinatiecentra.

Artikel†7

Taken van de nationale coŲrdinatiecentra

1. De nationale coŲrdinatiecentra vervullen de volgende taken:

(a)ze ondersteunen het kenniscentrum bij de verwezenlijking van zijn doelstellingen en in het bijzonder bij de coŲrdinatie van de kennisgemeenschap voor cyberbeveiliging;

(b)ze bevorderen op lidstaatniveau de deelname van de industrie en andere actoren aan grensoverschrijdende projecten;

(c)samen met het kenniscentrum dragen ze bij aan de identificatie en de aanpak van sectorspecifieke industriŽle uitdagingen op het gebied van cyberbeveiliging;

(d)ze treden op nationaal niveau op als contactpunt voor de kennisgemeenschap voor cyberbeveiliging en voor het kenniscentrum;

(e)ze streven naar synergieŽn met relevante activiteiten op nationaal en regionaal niveau;

(f)ze voeren specifieke acties uit waaraan het kenniscentrum subsidies heeft toegekend, bijvoorbeeld door middel van financiŽle steun aan derden overeenkomstig artikel†204 van Verordening XXX [nieuw Financieel Reglement] onder de in de betrokken subsidieovereenkomsten gespecificeerde voorwaarden;

(g)ze bevorderen en verspreiden de relevante resultaten van de werkzaamheden van het netwerk, de kennisgemeenschap voor cyberbeveiliging en het kenniscentrum op nationaal of regionaal niveau;

(h)ze beoordelen verzoeken van een in dezelfde lidstaat als het coŲrdinatiecentrum opgerichte entiteit om deel te gaan uitmaken van de kennisgemeenschap voor cyberbeveiliging.

2. Voor de toepassing van punt†f) kan de financiŽle steun aan derden in een van de in artikel†125 van Verordening XXX [nieuw Financieel Reglement] genoemde vormen worden verleend, ook in de vorm van vaste bedragen.

3. Nationale coŲrdinatiecentra kunnen overeenkomstig artikel†195, onder d), van Verordening XXX [nieuw Financieel Reglement] van de Unie een subsidie ontvangen voor de uitvoering van de in dit artikel omschreven taken.

4. De nationale coŲrdinatiecentra werken waar nodig via het netwerk samen om de in lid†1, onder†a), b), c), e) en†g) bedoelde taken uit te voeren.

Artikel†8

De kennisgemeenschap voor cyberbeveiliging

1. De kennisgemeenschap voor cyberbeveiliging draagt bij aan de in artikel†3 vastgelegde opdracht van het kenniscentrum en versterkt en verspreidt expertise over cyberbeveiliging in de hele Unie.

2. De kennisgemeenschap voor cyberbeveiliging bestaat uit industriŽle en academische organisaties, onderzoeksorganisaties zonder winstoogmerk, en uit verenigingen, publieke en andere entiteiten die zich bezighouden met operationele en technische aangelegenheden. De kennisgemeenschap brengt de voornaamste partijen bijeen die belang hebben bij de technologische en industriŽle capaciteit op het gebied van cyberbeveiliging in de Unie. Nationale coŲrdinatiecentra en instellingen en organen van de Unie met relevante deskundigheid worden erbij betrokken.

3. Alleen entiteiten die in de Unie gevestigd zijn, kunnen als lid van de kennisgemeenschap voor cyberbeveiliging worden geaccrediteerd. Zij tonen aan dat zij over deskundigheid op het gebied van cyberbeveiliging beschikken met betrekking tot ten minste ťťn van de volgende domeinen:

(a)onderzoek;

(b)industriŽle ontwikkeling;

(c)opleiding en onderwijs.

4. Het kenniscentrum accrediteert entiteiten die naar nationaal recht zijn opgericht als lid van de kennisgemeenschap voor cyberbeveiliging, nadat het nationaal coŲrdinatiecentrum van de lidstaat waar de entiteit is gevestigd, heeft geoordeeld over de vraag of die entiteit voldoet aan de criteria van lid†3. Een accreditatie is niet in de tijd beperkt, maar kan te allen tijde door het kenniscentrum worden ingetrokken als het relevante nationale coŲrdinatiecentrum of het kenniscentrum zelf van oordeel is dat de entiteit niet aan de criteria van lid†3 voldoet of onder de relevante bepalingen van artikel†136 van Verordening XXX [nieuw financieel reglement] valt.

5. Het kenniscentrum accrediteert de relevante organen, agentschappen en bureaus van de Unie als leden van de kennisgemeenschap voor cyberbeveiliging, nadat het heeft beoordeeld of die entiteit aan de criteria van lid†3 voldoet. Een accreditatie is niet in de tijd beperkt, maar kan te allen tijde door het kenniscentrum worden ingetrokken als het van oordeel is dat de entiteit niet aan de criteria van lid†3 voldoet of onder de relevante bepalingen van artikel†136 van Verordening XXX [nieuw financieel reglement] valt.

6. De vertegenwoordigers van de Commissie kunnen aan de werkzaamheden van de kennisgemeenschap deelnemen.

Artikel†9

Taken van de leden van de kennisgemeenschap voor cyberbeveiliging

De leden van de kennisgemeenschap voor cyberbeveiliging:

(1)ondersteunen het kenniscentrum bij de verwezenlijking van de in de artikelen†3 en†4 genoemde opdracht en doelstellingen, en werken hiertoe nauw samen met het kenniscentrum en de betrokken nationale coŲrdinatiecentra;

(2)nemen deel aan activiteiten die door het kenniscentrum en de nationale coŲrdinatiecentra worden gepromoot;

(3)nemen in voorkomend geval deel aan werkgroepen die door de raad van bestuur van het kenniscentrum zijn opgericht voor de uitvoering van specifieke activiteiten zoals voorzien in het werkplan van het kenniscentrum;

(4)bieden waar relevant ondersteuning aan het kenniscentrum en de nationale coŲrdinatiecentra bij de promotie van specifieke projecten;

(5)bevorderen en verspreiden de relevante resultaten van de binnen de gemeenschap uitgevoerde activiteiten en projecten. †††

Artikel†10

Samenwerking van het kenniscentrum met instellingen, organen, bureaus en agentschappen van de Unie

1. Het kenniscentrum werkt samen met relevante instellingen, organen, bureaus en agentschappen van de Unie, waaronder het Agentschap van de Europese Unie voor netwerk- en informatiebeveiliging, het computercrisisresponsteam (CERT-EU), de Europese Dienst voor extern optreden, het Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek van de Commissie, het Uitvoerend Agentschap onderzoek, het Uitvoerend Agentschap innovatie en netwerken, het Europees Centrum voor de bestrijding van cybercriminaliteit bij Europol en het Europees Defensieagentschap.

2. Dergelijke samenwerking vindt plaats op basis van werkafspraken. Deze afspraken worden vooraf ter goedkeuring aan de Commissie voorgelegd.

HOOFDSTUK II

ORGANISATIE VAN HET KENNISCENTRUM

Artikel†11

Lidmaatschap en structuur

1. De leden van het kenniscentrum zijn de Unie, vertegenwoordigd door de Commissie, en de lidstaten.

2. De structuur van het kenniscentrum omvat:

(a)een raad van bestuur, die de in artikel†13 vastgestelde taken uitoefent;

(b)een uitvoerend directeur, die de in artikel†16 vastgestelde taken uitoefent;

(c)een industrieel en wetenschappelijk adviescomitť, dat de in artikel†20 vastgestelde taken uitvoert.

AFDELING I - RAAD VAN BESTUUR



Artikel†12

Samenstelling van de raad van bestuur

1. De raad van bestuur bestaat uit ťťn vertegenwoordiger van elke lidstaat en vijf vertegenwoordigers van de Commissie namens de Unie.

2. Elk lid van de raad van bestuur heeft een plaatsvervanger om het lid te vertegenwoordigen in geval van afwezigheid.

3. De leden van de raad van bestuur en hun plaatsvervangers worden benoemd op grond van hun kennis op het gebied van technologie en op grond van hun relevante bestuurlijke, administratieve en budgettaire vaardigheden. De Commissie en de lidstaten spannen zich ter wille van de continuÔteit van het werk van de raad van bestuur in om het verloop onder hun vertegenwoordigers in de raad van bestuur te beperken. De Commissie en de lidstaten streven naar een evenwichtige deelname van mannen en vrouwen in de raad van bestuur.

4. De ambtstermijn van de leden van de raad van bestuur en hun plaatsvervangers bedraagt vier jaar. Die termijn kan worden verlengd.

5. De leden van de raad van bestuur handelen onafhankelijk en op transparante wijze in het belang van het kenniscentrum en staan in voor de doelstellingen, opdracht, identiteit, autonomie en samenhang ervan.

6. De Commissie kan indien nodig waarnemers uitnodigen, waaronder vertegenwoordigers van relevante organen, bureaus en agentschappen van de Unie, om deel te nemen aan de vergaderingen van de raad van bestuur.

7. Het Agentschap van de Europese Unie voor netwerk- en informatiebeveiliging (Enisa) is een permanente waarnemer in de raad van bestuur.

Artikel†13

Taken van de raad van bestuur

1. De raad van bestuur draagt de volledige verantwoordelijkheid voor de strategische koers en de werkzaamheden van het kenniscentrum en houdt toezicht op de uitvoering van zijn activiteiten.

2. De raad van bestuur stelt zijn reglement van orde vast. Dat reglement voorziet in specifieke procedures om belangenconflicten te identificeren en te voorkomen en de vertrouwelijkheid van alle gevoelige informatie te waarborgen.

3. De raad van bestuur neemt de noodzakelijke strategische besluiten en moet met name:

(a)een strategisch meerjarenplan vaststellen dat een overzicht bevat van de belangrijkste prioriteiten en geplande initiatieven van het kenniscentrum, met inbegrip van een raming van de financieringsbehoeften en -bronnen;

(b)op basis van een voorstel van de uitvoerend directeur het werkplan, de jaarrekeningen en balans, alsook het jaarlijks activiteitenverslag van het kenniscentrum vaststellen;

(c)de specifieke financiŽle regels van het kenniscentrum vaststellen overeenkomstig [artikel†70 van het Financieel Reglement];

(d)een procedure voor de benoeming van de uitvoerend directeur vaststellen;

(e)de criteria en procedures vaststellen voor de beoordeling en accreditatie van de entiteiten als leden van de kennisgemeenschap voor cyberbeveiliging;

(f) †††de uitvoerend directeur benoemen, ontslaan, zijn of haar ambtstermijn verlengen, hem of haar begeleiden en toezicht houden op zijn of haar prestaties, en de rekenplichtige benoemen;

(g)de jaarlijkse begroting van het kenniscentrum goedkeuren, met inbegrip van de daarmee overeenstemmende personeelsformatie waarin, uitgedrukt in voltijdsequivalenten, het aantal tijdelijke ambten per functiegroep en per rang, het aantal arbeidscontractanten en het aantal gedetacheerde nationale deskundigen is aangegeven;

(h)regels inzake belangenconflicten vaststellen;

(i)werkgroepen oprichten met leden van de kennisgemeenschap voor cyberbeveiliging;

(j)leden van het industrieel en wetenschappelijk adviescomitť benoemen;

(k)in overeenstemming met Gedelegeerde Verordening (EG, Euratom) nr.†1271/2013 van de Commissie 28 een interne auditfunctie oprichten;

(l)het kenniscentrum in de hele wereld promoten om de aantrekkelijkheid ervan te vergroten en ervoor te zorgen dat het een instelling voor cyberbeveiliging van wereldklasse wordt;

(m)het communicatiebeleid van het kenniscentrum vaststellen op aanbeveling van de uitvoerend directeur;

(n)er toezicht op houden dat passend gevolg wordt gegeven aan de conclusies van evaluaties achteraf;

(o)in voorkomend geval, regels vaststellen ter uitvoering van het Statuut en de Regeling die van toepassing is op de andere personeelsleden van de Unie overeenkomstig artikel†31, lid†3;

(p)in voorkomend geval, regels vaststellen voor de detachering van nationale deskundigen naar het kenniscentrum en voor het inzetten van stagiairs overeenkomstig artikel†32, lid†2;

(q)beveiligingsvoorschriften voor het kenniscentrum vaststellen;

(r)een fraudebestrijdingsstrategie vaststellen die in verhouding staat tot de frauderisicoís, rekening houdend met een kosten-batenanalyse van de uit te voeren maatregelen;

(s)de methode voor de berekening van de financiŽle bijdrage van de lidstaten vaststellen;

(t)de verantwoordelijkheid dragen voor elke taak die niet specifiek aan een bepaald orgaan van het kenniscentrum is toegewezen; de raad van bestuur kan dergelijke taken opdragen aan iedere persoon in het kenniscentrum.

Artikel†14

Voorzitter en vergaderingen van de raad van bestuur

1. De raad van bestuur kiest onder zijn stemgerechtigde leden een voorzitter en een vicevoorzitter voor een periode van twee jaar. De raad van bestuur kan ertoe besluiten het mandaat van de voorzitter en de vicevoorzitter eenmaal te verlengen. Indien hun lidmaatschap van de raad van bestuur echter tijdens hun ambtstermijn afloopt, loopt hun ambtstermijn automatisch op diezelfde datum af. De vicevoorzitter vervangt ambtshalve de voorzitter wanneer deze is verhinderd zijn of haar taken te verrichten. De voorzitter neemt aan de stemming deel.

2. De raad van bestuur belegt ten minste driemaal per jaar een gewone vergadering. De raad van bestuur kan buitengewone vergaderingen beleggen op verzoek van de Commissie, op verzoek van een derde van al zijn leden, op verzoek van de voorzitter of op verzoek van de uitvoerend directeur met het oog op de vervulling van zijn of haar taken.

3. De uitvoerend directeur neemt deel aan de beraadslagingen, tenzij de raad van bestuur daar anders over beslist, maar heeft geen stemrecht. De raad van bestuur kan per geval andere personen uitnodigen om de vergaderingen als waarnemers bij te wonen.

4. Op uitnodiging van de voorzitter kunnen leden van het industrieel en wetenschappelijk adviescomitť zonder stemrecht deelnemen aan de vergaderingen van de raad van bestuur.

5. De leden van de raad van bestuur en hun plaatsvervangers kunnen zich overeenkomstig de bepalingen van het reglement van orde tijdens de vergaderingen laten bijstaan door adviseurs of deskundigen.

6. Het kenniscentrum vervult de secretariaatstaken voor de raad van bestuur.

Artikel†15

Stemprocedure in de raad van bestuur

1. De Unie heeft een aandeel van 50†% in de stemmen. De stemrechten van de Unie zijn ondeelbaar.

2. Elke deelnemende lidstaat heeft ťťn stem.

3. De raad van bestuur neemt besluiten met een meerderheid van ten minste 75†% van alle stemmen, met inbegrip van de stemmen van de afwezige leden, die ten minste 75†% van de totale financiŽle bijdragen aan het kenniscentrum vertegenwoordigt. De financiŽle bijdrage wordt berekend op basis van de door de lidstaten voorgestelde geraamde uitgaven, als bedoeld in artikel†17, lid†2, onder†c), en gebaseerd op het in artikel†22, lid†5, bedoelde verslag over de hoogte van de bijdragen van de deelnemende lidstaten.

4. Alleen de vertegenwoordigers van de Commissie en de vertegenwoordigers van de deelnemende lidstaten hebben stemrecht.

5. De voorzitter neemt aan de stemming deel.

AFDELING II - UITVOEREND DIRECTEUR



Artikel†16

Benoeming, ontslag of verlenging van de ambtstermijn van de uitvoerend directeur

1. De uitvoerend directeur beschikt over grote deskundigheid en heeft een goede reputatie op de gebieden waarop het kenniscentrum opereert.

2. De uitvoerend directeur wordt in dienst genomen als een tijdelijke functionaris van het kenniscentrum overeenkomstig artikel†2, onder†a), van de Regeling die van toepassing is op de andere personeelsleden.

3. De uitvoerend directeur wordt na een open en transparante selectieprocedure door de raad van bestuur aangesteld uit een lijst van door de Commissie voorgedragen kandidaten.

4. Voor de sluiting van het contract met de uitvoerend directeur wordt het kenniscentrum vertegenwoordigd door de voorzitter van de raad van bestuur.

5. De ambtstermijn van de uitvoerend directeur bedraagt vier jaar. Aan het eind van deze termijn voert de Commissie een beoordeling uit waarin rekening wordt gehouden met de evaluatie van de prestaties van de uitvoerend directeur en de toekomstige taken en uitdagingen van het kenniscentrum.

6. Op voorstel van de Commissie, die rekening houdt met de in lid†5 bedoelde beoordeling, kan de raad van bestuur de ambtstermijn van de uitvoerend directeur eenmaal verlengen met ten hoogste vier jaar.

7. Een uitvoerend directeur wiens ambtstermijn is verlengd, mag niet deelnemen aan een andere selectieprocedure voor dezelfde betrekking.

8. De uitvoerend directeur wordt uitsluitend uit zijn of haar functie ontheven bij besluit van de raad van bestuur op voorstel van de Commissie.

Artikel†17

Taken van de uitvoerend directeur

1. De uitvoerend directeur is verantwoordelijk voor de werkzaamheden en de dagelijkse leiding en is de wettelijke vertegenwoordiger van het kenniscentrum. De uitvoerend directeur legt verantwoording af aan de raad van bestuur en verricht zijn of haar taken in alle onafhankelijkheid binnen de grenzen van de hem of haar verleende bevoegdheden.

2. De uitvoerend directeur voert op onafhankelijke wijze met name de volgende taken uit:

(a)de besluiten van de raad van bestuur uitvoeren;

(b)de werkzaamheden van de raad van bestuur ondersteunen, het secretariaat van de vergaderingen verzorgen en alle informatie verstrekken die voor de vervulling van de taken van de raad van bestuur nodig is;

(c)na overleg met de raad van bestuur en de Commissie, het ontwerp van strategisch meerjarenplan en het ontwerp van jaarlijks werkplan van het kenniscentrum opstellen en ter goedkeuring voorleggen aan de raad van bestuur, en in dat werkplan een omschrijving geven van het toepassingsgebied van de oproepen tot het indienen van voorstellen, de oproepen tot het indienen van blijken van belangstelling en de aanbestedingen die nodig zijn voor de uitvoering van het werkplan en de bijbehorende uitgavenramingen, zoals voorgesteld door de lidstaten en de Commissie;

(d)de ontwerpjaarbegroting opstellen en ter goedkeuring voorleggen aan de raad van bestuur, met inbegrip van de bijbehorende personeelsformatie, waarin het aantal tijdelijke aanstellingen per functiegroep en per rang en het aantal contractmedewerkers en gedetacheerde nationale deskundigen wordt vermeld, uitgedrukt in voltijdequivalenten;

(e)het werkplan uitvoeren en hierover verslag uitbrengen aan de raad van bestuur;

(f)het ontwerp van jaarlijks activiteitenverslag van het kenniscentrum, met daarin de informatie over de overeenkomstige uitgaven, opstellen;

(g)zorgen voor de uitvoering van doeltreffende toezichts- en evaluatieprocedures met betrekking tot de prestaties van het kenniscentrum;

(h)een actieplan opstellen voor de follow-up van de conclusies van de beoordelingen achteraf, en om de twee jaar aan de Commissie verslag uitbrengen over de geboekte vooruitgang;

(i)de overeenkomsten met de nationale coŲrdinatiecentra voorbereiden, erover onderhandelen en deze sluiten;

(j)de verantwoordelijkheid dragen voor administratieve en financiŽle zaken en personeelsaangelegenheden, met inbegrip van de uitvoering van de begroting van het kenniscentrum, waarbij naar behoren rekening wordt gehouden met het advies van de interne auditfunctie, binnen de grenzen van de delegatie door de raad van bestuur;

(k)de uitschrijving van oproepen tot het indienen van voorstellen goedkeuren en beheren in overeenstemming met het werkplan, en de subsidieovereenkomsten en -besluiten administreren;

(l)de lijst met acties goedkeuren die voor financiering zijn geselecteerd op basis van de door een panel van onafhankelijke deskundigen opgestelde ranglijst;

(m)de uitschrijving van aanbestedingen goedkeuren en beheren in overeenstemming met het werkplan, en de contracten administreren;

(n)de voor financiering geselecteerde offertes goedkeuren;

(o)het ontwerp van jaarrekening en jaarbalans voorleggen aan de interne auditfunctie, en vervolgens aan de raad van bestuur;

(p)ervoor zorgen dat risicoanalyses en risicobeheer worden toegepast;

(q)afzonderlijke subsidieovereenkomsten, besluiten en contracten ondertekenen;

(r)contracten voor opdrachten ondertekenen;

(s)een actieplan opstellen voor de follow-up van de conclusies van interne of externe auditverslagen, alsook van onderzoeken van het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF), en verslag uitbrengen over de geboekte vooruitgang, tweemaal per jaar aan de Commissie en op regelmatige tijdstippen aan de raad van bestuur;

(t)een ontwerp van financiŽle regeling opstellen die van toepassing is op het kenniscentrum;

(u)een doeltreffend en efficiŽnt internecontrolesysteem instellen, toezien op de werking ervan en elke ingrijpende wijziging aan de raad van bestuur melden;

(v)zorgen voor doeltreffende communicatie met de instellingen van de Unie;

(w)alle andere maatregelen nemen die nodig zijn voor de beoordeling van de voortgang die het kenniscentrum boekt bij de verwezenlijking van zijn opdracht en de in de artikelen†3 en†4 van deze verordening vastgestelde doelstellingen;

(x)alle andere taken uitvoeren die de raad van bestuur aan hem of haar heeft toevertrouwd of gedelegeerd.

AFDELING III - INDUSTRIEEL EN WETENSCHAPPELIJK ADVIESCOMIT…



Artikel†18

Samenstelling van het industrieel en wetenschappelijk adviescomitť

1. Het industrieel en wetenschappelijk adviescomitť bestaat uit maximaal 16†leden. De raad van bestuur kiest de leden uit de vertegenwoordigers van de entiteiten van de kennisgemeenschap voor cyberbeveiliging.

2. De leden van het industrieel en wetenschappelijk adviescomitť beschikken over deskundigheid met betrekking tot onderzoek op het gebied van cyberbeveiliging, industriŽle ontwikkeling, professionele diensten of de aanwending daarvan. De vereisten met betrekking tot dergelijke deskundigheid worden nader gespecificeerd door de raad van bestuur.

3. De procedures voor de benoeming van de leden door de raad van bestuur en de werking van het adviescomitť worden vastgesteld in het reglement van orde van het kenniscentrum en worden openbaar gemaakt.

4. De ambtstermijn van de leden van het industrieel en wetenschappelijk adviescomitť bedraagt drie jaar. Die termijn kan worden verlengd.

5. Vertegenwoordigers van de Commissie en van het Europees Agentschap voor netwerk- en informatiebeveiliging kunnen deelnemen en ondersteuning verlenen aan de werkzaamheden van het industrieel en wetenschappelijk adviescomitť.

Artikel†19

Werking van het industrieel en wetenschappelijk adviescomitť

1. Het industrieel en wetenschappelijk adviescomitť komt ten minste tweemaal per jaar bijeen.

2. Het industrieel en wetenschappelijk adviescomitť kan de raad van bestuur adviseren over de oprichting van werkgroepen voor specifieke kwesties die van belang zijn voor de werkzaamheden van het kenniscentrum, waarbij een of meer leden van het industrieel en wetenschappelijk adviescomitť eventueel instaan voor de algemene coŲrdinatie.

3. Het industrieel en wetenschappelijk adviescomitť kiest zijn voorzitter.

4. Het industrieel en wetenschappelijk adviescomitť stelt haar reglement van orde vast, met daarin onder meer de regels voor de benoeming van de vertegenwoordigers die het adviescomitť vertegenwoordigen, alsook de duur van hun benoeming.

Artikel†20

Taken van het industrieel en wetenschappelijk adviescomitť

Het industrieel en wetenschappelijk adviescomitť geeft het kenniscentrum advies met betrekking tot de uitoefening van de activiteiten van het kenniscentrum en heeft ook de volgende taken:

(1)het biedt de uitvoerend directeur en de raad van bestuur strategisch advies en input voor het opstellen van het werkplan en het strategisch meerjarenplan binnen de door de raad van bestuur vastgestelde termijnen;

(2)het organiseert openbare raadplegingen waaraan alle publieke en private belanghebbenden op het gebied van cyberbeveiliging kunnen deelnemen, teneinde de input voor het in lid†1 bedoelde strategische advies te verzamelen;

(3)het bevordert het werkplan en het strategische meerjarenplan van het kenniscentrum en verzamelt er feedback over.

HOOFDSTUK III - FINANCIňLE BEPALINGEN


Artikel†21

FinanciŽle bijdrage van de Unie

1. De bijdrage van de Unie voor de administratieve en operationele kosten van het kenniscentrum omvat:

(a)1†981†668†000†EUR uit het programma Digitaal Europa, waaronder tot 23†746†000†EUR voor administratieve kosten;

(b)een bedrag uit het programma Horizon†Europa, onder meer voor administratieve kosten, dat moet worden bepaald met inachtneming van het strategische planningsproces dat moet worden uitgevoerd overeenkomstig artikel†6, lid†6, van Verordening XXX [Verordening Horizon Europa].

2. De maximale bijdrage van de Unie wordt betaald uit de kredieten van de algemene begroting van de Unie die zijn toegewezen aan het [programma Digitaal Europa] en aan het specifieke programma tot uitvoering van Horizon Europa, vastgesteld bij Besluit XXX.

3. Het kenniscentrum voert overeenkomstig artikel†62, onder†c), punt†iv), van Verordening (EU, Euratom) XXX 29 [het Financieel Reglement] maatregelen uit van [het programma Digitaal Europa] en [het programma Horizon Europa] op het gebied van cyberbeveiliging.

4. De financiŽle bijdrage van de Unie dekt de in artikel†4, lid†8, onder†b), bedoelde taken niet.

Artikel†22

Bijdragen van de deelnemende lidstaten

1. De deelnemende lidstaten leveren een totale bijdrage aan de operationele en administratieve kosten van het kenniscentrum van ten minste dezelfde hoogte als genoemd in artikel†21, lid†1, van deze verordening.

2. Voor de beoordeling van de in lid†1 en artikel†23, lid†3, onder†b), punt†ii), bedoelde bijdragen worden de kosten vastgesteld overeenkomstig de gebruikelijke kostenberekeningsmethoden van de desbetreffende lidstaten, overeenkomstig de boekhoudkundige normen die van toepassing zijn in de lidstaat en overeenkomstig de van toepassing zijnde internationale boekhoudnormen en internationale normen voor financiŽle verslaglegging (IFRS). De kosten worden gecertificeerd door een onafhankelijke externe auditor die is aangewezen door de betrokken lidstaat. De waarderingsmethode van de bijdragen kan door het kenniscentrum worden geverifieerd indien er enige onduidelijkheid is ontstaan door de certificering.

3. Wanneer een deelnemende lidstaat zijn verplichtingen in verband met zijn financiŽle bijdrage niet nakomt, maakt de uitvoerend directeur daarvan schriftelijk melding en stelt hij een redelijke termijn vast waarbinnen de betalingsachterstand moet worden weggewerkt. Indien de betalingsachterstand niet binnen die termijn is weggewerkt, roept de uitvoerend directeur een vergadering van de raad van bestuur bijeen om te besluiten of het stemrecht van de in gebreke blijvende lidstaat moet worden ingetrokken, dan wel of andere maatregelen moeten worden genomen tot deze zijn verbintenissen wel nakomt. Het stemrecht van de in gebreke blijvende lidstaat wordt opgeschort totdat zijn betalingsachterstand is weggewerkt.

4. De Commissie kan de financiŽle bijdrage van de Unie aan het kenniscentrum beŽindigen, evenredig verlagen of schorsen, indien de deelnemende lidstaten de in lid†1 bedoelde bijdragen niet, slechts gedeeltelijk of te laat verstrekken.

5. De deelnemende lidstaten brengen jaarlijks uiterlijk op 31†januari aan de raad van bestuur verslag uit over de hoogte van de bijdragen die zij in elk van de voorgaande begrotingsjaren overeenkomstig lid†1 hebben geleverd.

Artikel†23

Kosten en middelen van het kenniscentrum

1. Het kenniscentrum wordt door de Unie en de lidstaten gezamenlijk gefinancierd door middel van in tranches betaalde financiŽle bijdragen en bijdragen die bestaan uit kosten die door de nationale coŲrdinatiecentra en begunstigden worden gemaakt bij de uitvoering van acties die niet door het kenniscentrum worden vergoed.

2. De administratieve kosten van het kenniscentrum bedragen niet meer dan [getal]†EUR en worden bekostigd uit financiŽle bijdragen die op jaarbasis gelijkelijk worden verdeeld over de Unie en de deelnemende lidstaten. Indien een deel van de bijdragen voor de administratieve kosten niet wordt gebruikt, kan het ter beschikking worden gesteld om de operationele kosten van het kenniscentrum te dekken.

3. De operationele kosten van het kenniscentrum worden gedekt door:

(a)de financiŽle bijdrage van de Unie;

(b)bijdragen van de deelnemende lidstaten in de vorm van:

i) financiŽle bijdragen; en

ii) in voorkomend geval, bijdragen in natura van de deelnemende lidstaten bestaande uit de kosten die door de nationale coŲrdinatiecentra en de begunstigden worden gemaakt bij de uitvoering van indirecte acties, verminderd met de bijdrage van het kenniscentrum en andere bijdragen van de Unie in die kosten;

4. De in de begroting van het kenniscentrum opgenomen middelen bestaan uit de volgende bijdragen:

(a)de financiŽle bijdragen van de deelnemende lidstaten aan de administratieve kosten;

(b)de financiŽle bijdragen van de deelnemende lidstaten aan de operationele kosten;

(c)alle inkomsten die door het kenniscentrum worden gegenereerd;

(d)alle andere financiŽle bijdragen, middelen en inkomsten.

5. Intresten op de bijdragen die door de deelnemende lidstaten aan het kenniscentrum worden betaald, gelden als inkomsten.

6. Alle middelen van het kenniscentrum en zijn activiteiten zijn erop gericht de in artikel†4 genoemde doelstellingen te bereiken.

7. Het kenniscentrum is eigenaar van alle activa die het genereert of die eraan zijn overgedragen voor de verwezenlijking van zijn doelstellingen.

8. Behalve bij ontbinding van het kenniscentrum, worden de inkomsten, voor zover zij meer bedragen dan de uitgaven, niet aan de deelnemende leden van het kenniscentrum uitbetaald.

Artikel†24

FinanciŽle verbintenissen

De financiŽle verbintenissen van het kenniscentrum mogen het bedrag van de beschikbare of door zijn leden voor zijn begroting vastgelegde financiŽle middelen niet overschrijden.

Artikel†25

Begrotingsjaar

Het begrotingsjaar begint op 1†januari en eindigt op 31†december.

Artikel†26

Opstelling van de begroting

1. De uitvoerend directeur stelt jaarlijks een ontwerpraming op van de ontvangsten en uitgaven van het kenniscentrum voor het volgende begrotingsjaar en zendt die, samen met een ontwerpoverzicht van de personeelsformatie, aan de raad van bestuur. De ontvangsten en uitgaven zijn in evenwicht. De uitgaven van het kenniscentrum omvatten de personele, administratieve, infrastructurele en operationele uitgaven. De administratieve uitgaven worden tot een minimum beperkt.

2. De raad van bestuur stelt jaarlijks de raming van de ontvangsten en uitgaven van het kenniscentrum voor het volgende begrotingsjaar vast op basis van de in lid†1 bedoelde opgestelde ontwerpraming van de ontvangsten en uitgaven.

3. Uiterlijk op 31†januari van elk jaar stuurt de raad van bestuur de in lid†2 bedoelde raming, die deel uitmaakt van het ontwerp van het enig programmeringsdocument, naar de Commissie.

4. Op basis van deze raming voert de Commissie in het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie, dat zij overeenkomstig de artikelen†313 en 314 VWEU bij het Europees Parlement en de Raad indient, de ramingen op die zij nodig acht voor het overzicht van de personeelsformatie en voor de bijdrage ten laste van de algemene begroting.

5. Het Europees Parlement en de Raad keuren de kredieten voor de bijdrage aan het kenniscentrum goed.

6. Het Europees Parlement en de Raad stellen de personeelsformatie van het kenniscentrum vast.

7. De raad van bestuur stelt, samen met het werkplan, de begroting van het kenniscentrum vast. De begroting wordt definitief na de definitieve vaststelling van de algemene begroting van de Unie. Voor zover van toepassing past de raad van bestuur de begroting en het werkplan van het kenniscentrum aan in overeenstemming met de algemene begroting van de Unie.

Artikel†27

Indiening van de rekeningen van het kenniscentrum en kwijting

De indiening van de voorlopige en definitieve rekeningen van het kenniscentrum en de kwijting verlopen volgens de regels en het tijdschema van het Financieel Reglement en de overeenkomstig artikel†29 vastgestelde financiŽle regels.

Artikel†28

Operationele en financiŽle verslaglegging

1. De uitvoerend directeur brengt jaarlijks verslag uit aan de raad van bestuur over de uitvoering van zijn/haar taken in overeenstemming met de financiŽle regels van het kenniscentrum.

2. Binnen twee maanden na de sluiting van elk begrotingsjaar legt de uitvoerend directeur de raad van bestuur ter goedkeuring een jaarlijks activiteitenverslag voor over de door het kenniscentrum in het voorafgaande kalenderjaar gemaakte vorderingen, met name in vergelijking met het werkplan voor dat jaar. Dit verslag bevat informatie over onder meer de volgende zaken:

(a)uitgevoerde operationele acties en de daarmee verband houdende uitgaven;

(b)de ingediende acties, met inbegrip van een opsplitsing per soort deelnemer, waaronder kmo's, en per lidstaat;

(c)de voor financiering aangewezen acties, met inbegrip van een opsplitsing per soort deelnemer, waaronder kmo's, en per lidstaat, met vermelding van de bijdrage van het kenniscentrum aan de afzonderlijke deelnemers en acties;

(d)vorderingen met de verwezenlijking van de in artikel†4 omschreven doelstellingen, en voorstellen voor verdere noodzakelijke werkzaamheden ter verwezenlijking van die doelstellingen.

3. Na goedkeuring door de raad van bestuur wordt het jaarlijkse activiteitenverslag openbaar gemaakt.

Artikel†29

FinanciŽle regels

Het kenniscentrum stelt zijn specifieke financiŽle regels vast overeenkomstig artikel†70 van Verordening XXX [nieuw Financieel Reglement].

Artikel†30

Bescherming van de financiŽle belangen

1. Het kenniscentrum neemt passende maatregelen om ervoor te zorgen dat bij de uitvoering van uit hoofde van deze verordening gefinancierde acties, de financiŽle belangen van de Unie via de toepassing van preventieve maatregelen tegen fraude, corruptie en andere onwettige activiteiten worden beschermd door middel van doeltreffende controles en, indien onregelmatigheden worden ontdekt, door middel van terugvordering van de onverschuldigd betaalde bedragen en, voor zover van toepassing, door middel van doeltreffende, evenredige en afschrikkende bestuurlijke sancties.

2. Het kenniscentrum verleent personeelsleden van de Commissie en andere door haar gemachtigde personen alsmede de Rekenkamer toegang tot zijn terreinen en gebouwen en tot alle informatie, ook in elektronisch formaat, die benodigd is voor het verrichten van hun controles.

3. Het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) kan overeenkomstig de bepalingen en procedures vastgesteld in Verordening (Euratom, EG) nr.†2185/96 van de Raad 30 en Verordening†(EU, Euratom) nr.†883/2013 van het Europees Parlement en de Raad 31 onderzoeken, waaronder controles en verificaties ter plaatse, uitvoeren om vast te stellen of er sprake is van fraude, corruptie of andere onwettige activiteiten waardoor de financiŽle belangen van de Unie worden geschaad in verband met een direct of indirect uit hoofde van deze verordening gefinancierde subsidieovereenkomst dan wel een contract.

4. Onverminderd de leden†1, 2 en†3 van dit artikel bevatten de contracten en subsidieovereenkomsten die uit de toepassing van deze verordening voortvloeien, bepalingen die de Commissie, het kenniscentrum, de Rekenkamer en OLAF uitdrukkelijk de bevoegdheid geven dergelijke controles en onderzoeken binnen hun respectieve bevoegdheden te verrichten. Wanneer de uitvoering van een actie geheel of gedeeltelijk uitbesteed of verder gedelegeerd wordt, of wanneer hiervoor een overheidsopdracht moet worden geplaatst of financiŽle steun moet worden verleend aan een derde, wordt in het contract of de subsidieovereenkomst bepaald dat de contractant of de begunstigde ervan verplicht is van elke betrokken derde te verlangen dat deze uitdrukkelijk de bevoegdheid van de Commissie, het kenniscentrum, de Rekenkamer en OLAF aanvaardt.

HOOFDSTUK†IV

PERSONEEL VAN HET KENNISCENTRUM

Artikel†31

Personeel

1. Het Statuut van de ambtenaren en de Regeling die van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Unie, vastgesteld bij Verordening (EEG, Euratom, EGKS) nr. 259/68 van de Raad 32 ("het Statuut" en 'de Regeling die van toepassing is op andere personeelsleden'), en de door de instellingen van de Europese Unie gezamenlijk vastgestelde regelingen ter uitvoering van het Statuut en de Regeling die van toepassing is op andere personeelsleden, zijn van toepassing op het personeel van het kenniscentrum.

2. De raad van bestuur oefent met betrekking tot het personeel van het kenniscentrum de bevoegdheden tot aanstelling uit die krachtens het Statuut aan het tot aanstelling bevoegde gezag zijn toegekend en de bevoegdheden krachtens de Regeling die van toepassing is op de andere personeelsleden zijn toegekend aan het tot het sluiten van arbeidscontracten bevoegde gezag (de 'bevoegdheden tot aanstelling').

3. Overeenkomstig artikel†110 van het Statuut stelt de raad van bestuur, op grond van artikel†2, lid†1, van het Statuut en van artikel†6 van de Regeling die van toepassing is op de andere personeelsleden, een besluit vast om de bevoegdheden tot aanstelling te delegeren aan de uitvoerend directeur en de voorwaarden vast te stellen waaronder die delegatie kan worden geschorst. De uitvoerend directeur mag deze bevoegdheid op zijn beurt subdelegeren.

4. Indien uitzonderlijke omstandigheden dit vereisen, kan de raad van bestuur een besluit nemen om de delegatie van de bevoegdheden tot aanstelling aan de uitvoerend directeur en elke door deze laatste verleende subdelegatie tijdelijk te schorsen. In een dergelijk geval oefent de raad van bestuur de bevoegdheden tot aanstelling zelf uit of worden deze gedelegeerd aan een van zijn leden of aan een ander personeelslid van het kenniscentrum dan de uitvoerend directeur.

5. De raad van bestuur stelt overeenkomstig artikel†110 van het Statuut bepalingen vast voor de tenuitvoerlegging van het Statuut en de Regeling die van toepassing is op de andere personeelsleden.

6. De personele middelen worden bepaald in de personeelsformatie van het kenniscentrum, waarin het aantal tijdelijke aanstellingen per functiegroep en per rang alsmede het aantal arbeidscontractanten worden vermeld uitgedrukt in voltijdequivalenten, in overeenstemming met de jaarbegroting van het kenniscentrum.

7. Het personeel van het kenniscentrum bestaat uit tijdelijke functionarissen en arbeidscontractanten.

8. Alle personeelskosten zijn ten laste van het kenniscentrum.

Artikel†32

Gedetacheerde nationale deskundigen en andere personeel

1. Het kenniscentrum kan gebruikmaken van gedetacheerde nationale deskundigen of ander personeel dat niet in dienst is van het kenniscentrum.

2. In overleg met de Commissie stelt de raad van bestuur een besluit vast met regels voor de detachering van nationale deskundigen bij het kenniscentrum.

Artikel†33

Voorrechten en immuniteiten

Protocol nr.†7 inzake voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie, dat aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie is gehecht, is van toepassing op het kenniscentrum en zijn personeelsleden.

HOOFDSTUK†V

GEMEENSCHAPPELIJKE BEPALINGEN

Artikel†34

Beveiligingsvoorschriften

1. Artikel†12, lid†7, van Verordening (EU) XXX [programma Digitaal Europa] is van toepassing bij deelname aan alle door het kenniscentrum gefinancierde acties.

2. Voor uit Horizon Europa gefinancierde acties gelden de volgende specifieke beveiligingsvoorschriften:

(a)voor de toepassing van artikel†34, lid†1 [Eigendom en bescherming] van Verordening (EU) XXX [Horizon Europa] kan, indien het werkplan hierin voorziet, de verlening van niet-exclusieve licenties worden beperkt tot derde partijen die zijn gevestigd of geacht worden te zijn gevestigd in de lidstaten en waarover door lidstaten en/of onderdanen van lidstaten zeggenschap wordt uitgeoefend;

(b)voor de toepassing van artikel†36, lid†4, onder†b), [Overdracht en licentieverlening] van Verordening (EU) XXX [Horizon Europa], is de overdracht of licentieverlening aan een in een geassocieerd land of in de Unie gevestigde juridische entiteit waarover vanuit derde landen zeggenschap wordt uitgeoefend, ook een grond om bezwaar te maken tegen de overdracht van de eigendom van resultaten of tegen de verlening van een exclusieve licentie voor resultaten;

(c)voor de toepassing van artikel†37, lid†3 [Toegangsrechten] van Verordening (EU) XXX [Horizon Europa] kan, indien het werkplan hierin voorziet, de verlening van toegang tot resultaten en background alleen worden beperkt tot juridische entiteiten die zijn gevestigd of geacht worden te zijn gevestigd in de lidstaten en waarover door lidstaten en/of onderdanen van lidstaten zeggenschap wordt uitgeoefend.

Artikel†35

Transparantie

1. Het kenniscentrum verricht zijn werkzaamheden met een hoge mate van transparantie.

2. Het kenniscentrum ziet erop toe dat geÔnteresseerden en alle belanghebbenden van passende, objectieve, betrouwbare en gemakkelijk toegankelijke informatie worden voorzien, in het bijzonder met betrekking tot de resultaten van zijn werkzaamheden. Tevens maakt het de overeenkomstig artikel†41 afgelegde belangenverklaringen openbaar.

3. De raad van bestuur kan op voorstel van de uitvoerend directeur belanghebbenden toestemming geven om de uitvoering van activiteiten van het kenniscentrum te observeren.

4. Het kenniscentrum legt in zijn reglement van orde de praktische regelingen voor de toepassing van de in de leden†1 en†2 bedoelde transparantiebepalingen vast. Voor uit Horizon Europa gefinancierde acties zal hiervoor naar behoren rekening worden gehouden met de bepalingen van bijlage†III bij de verordening betreffende Horizon Europa.

Artikel†36

Beveiligingsvoorschriften voor de bescherming van gerubriceerde informatie en gevoelige niet-gerubriceerde informatie

1. Onverminderd artikel†35 onthult het kenniscentrum aan derden geen verwerkte of ontvangen informatie waarvoor een met redenen omkleed verzoek om gehele of gedeeltelijke vertrouwelijke behandeling is ingediend.

2. De leden van de raad van bestuur, de uitvoerend directeur, de leden van het industrieel en wetenschappelijk adviescomitť, de externe deskundigen die deelnemen aan ad-hocwerkgroepen en de personeelsleden van het kenniscentrum houden zich ook na het beŽindigen van hun functie aan de geheimhoudingsplicht uit hoofde van artikel†339 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.

3. De raad van bestuur van het kenniscentrum stelt, na goedkeuring door de Commissie, de beveiligingsvoorschriften van het kenniscentrum vast op basis van de beginselen en regels die zijn vastgelegd in de beveiligingsvoorschriften van de Commissie voor de bescherming van gerubriceerde EU-informatie (EUCI) en gevoelige niet-gerubriceerde informatie, waaronder voorschriften betreffende de verwerking en opslag van dergelijke informatie, zoals omschreven in Besluiten (EU, Euratom) 2015/443 33 en 2015/444 34 .

4. Het kenniscentrum kan alle nodige maatregelen nemen om de uitwisseling van voor zijn taken relevante informatie met de Commissie en de lidstaten en, indien van toepassing, de relevante agentschappen en organen van de Unie, te vergemakkelijken. Voor elke administratieve regeling inzake het delen van EUCI of, bij het ontbreken van een dergelijke regeling, voor elke uitzonderlijke ad-hocvrijgave van EUCI is voorafgaande toestemming van de Commissie vereist.

Artikel†37

Toegang tot documenten

1. Verordening (EG) nr.†1049/2001 is van toepassing op de documenten die bij het kenniscentrum berusten.

2. De raad van bestuur stelt binnen zes maanden na de oprichting van het kenniscentrum regelingen voor de uitvoering van Verordening (EG) nr.†1049/2001 vast.

3. Tegen besluiten van het kenniscentrum uit hoofde van artikel†8 van Verordening (EG) nr.†1049/2001 kan een klacht bij de ombudsman worden ingediend uit hoofde van artikel†228 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie of een beroep bij het Hof van Justitie van de Europese Unie worden ingesteld uit hoofde van artikel†263 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.

Artikel†38

Toezicht, evaluatie en toetsing

1. Het kenniscentrum zorgt ervoor dat zijn activiteiten, met inbegrip van de activiteiten die door de nationale coŲrdinatiecentra en het netwerk worden beheerd, onderworpen zijn aan permanent en systematisch toezicht en periodieke evaluatie. Het kenniscentrum zorgt ervoor dat de gegevens voor het toezicht op de uitvoering en de resultaten van het programma efficiŽnt, doeltreffend en tijdig worden verzameld en dat evenredige verslagleggingsvereisten worden opgelegd aan de ontvangers van middelen van de Unie en de lidstaten. De resultaten van de evaluatie worden bekendgemaakt.

2. Zodra voldoende informatie over de uitvoering van deze verordening beschikbaar is, maar uiterlijk drie jaar nadat met de uitvoering ervan is begonnen, voert de Commissie een tussentijdse evaluatie van het kenniscentrum uit. De Commissie stelt een verslag over die evaluatie op en zendt dat uiterlijk op 31†december 2024 aan het Europees Parlement en de Raad toe. Het kenniscentrum en de lidstaten verstrekken de Commissie de informatie die zij voor de opstelling van dat verslag nodig heeft.

3. De in lid†2 bedoelde evaluatie omvat een beoordeling van de door het kenniscentrum behaalde resultaten met betrekking tot zijn doelstellingen, mandaat en taken. Indien de Commissie van oordeel is dat de voortzetting van het kenniscentrum gezien de daaraan toegewezen doelstellingen, taken en mandaat gerechtvaardigd is, kan zij voorstellen de in artikel†46 genoemde looptijd van het mandaat van het kenniscentrum te verlengen.

4. Op grond van de conclusies van de in lid†2 bedoelde tussentijdse evaluatie kan de Commissie handelen in overeenstemming met [artikel†22, lid†5,] of andere passende maatregelen treffen.

5. Het toezicht, de evaluatie, de uitfasering en de verlenging van de bijdrage uit Horizon Europa gebeuren overeenkomstig de bepalingen van de artikelen†8, 45 en 47 en bijlage†III van de verordening betreffende Horizon†Europa en de overeengekomen uitvoeringsbepalingen.

6. Het toezicht, de verslaglegging en de evaluatie van de bijdrage uit Digitaal Europa gebeuren overeenkomstig de bepalingen van de artikelen†24 en 25 van het programma Digitaal Europa.

7. In geval van ontbinding van het kenniscentrum verricht de Commissie binnen zes maanden na de ontbinding van het kenniscentrum, maar niet later dan twee jaar na de inleiding van de in artikel†46 van deze verordening bedoelde ontbindingsprocedure, een eindevaluatie van het kenniscentrum. De resultaten van deze eindevaluatie worden bij het Europees Parlement en de Raad ingediend.

Artikel†39

Aansprakelijkheid van het kenniscentrum

1. De contractuele aansprakelijkheid van het kenniscentrum valt onder het recht dat van toepassing is op de overeenkomst, het besluit of het contract in kwestie.

2. In geval van niet-contractuele aansprakelijkheid vergoedt het kenniscentrum, overeenkomstig de algemene beginselen die de wetgevingen van de lidstaten gemeen hebben, alle schade die door zijn personeel bij de uitoefening van hun taken is veroorzaakt.

3. Elke betaling door het kenniscentrum in verband met de aansprakelijkheid als bedoeld in de leden†1 en 2 en de daarmee verband houdende kosten en uitgaven worden beschouwd als uitgaven van het kenniscentrum en worden door zijn middelen gedekt.

4. Het kenniscentrum is als enige verantwoordelijk voor het nakomen van zijn verplichtingen.

Artikel†40

Bevoegdheid van het Hof van Justitie van de Europese Unie en toepasselijk recht

1. Het Hof van Justitie van de Europese Unie is bevoegd uitspraak te doen:

(1)wanneer door het kenniscentrum gesloten overeenkomsten, besluiten en contracten een arbitragebeding bevatten;

(2)in geschillen over de vergoeding van schade die door personeelsleden van het kenniscentrum wordt veroorzaakt bij de uitoefening van hun taken;

(3)in elk geschil tussen het kenniscentrum en zijn personeel binnen de grenzen en onder de voorwaarden vastgelegd in het Statuut.

2. In alle aangelegenheden die niet bij deze verordening of bij andere rechtshandelingen van de Unie zijn geregeld, is het recht van de lidstaat waar de zetel van het kenniscentrum zich bevindt, van toepassing.

Artikel†41

Aansprakelijkheid van leden en verzekering

1. De financiŽle aansprakelijkheid van de leden voor de schulden van het kenniscentrum is beperkt tot de door hen reeds betaalde bijdrage aan de administratieve kosten.

2. Het kenniscentrum sluit de nodige verzekeringen af en houdt deze aan.

Artikel†42

Belangenconflicten

De raad van bestuur van het kenniscentrum kan regels vaststellen om belangenconflicten met betrekking tot zijn leden, zijn organen en zijn personeel te voorkomen en te beheersen. Deze regels omvatten de bepalingen ter voorkoming van belangenconflicten met betrekking tot de vertegenwoordigers van de leden die zitting hebben in de raad van bestuur, alsook in het industrieel en wetenschappelijk adviescomitť, overeenkomstig Verordening XXX [nieuw Financieel Reglement].

Artikel†43

Bescherming van persoonsgegevens

1. Op de verwerking van persoonsgegevens door het kenniscentrum is Verordening (EU) XXX/2018 van het Europees Parlement en de Raad van toepassing.

2. De raad van bestuur stelt uitvoeringsvoorschriften als bedoeld in artikel†xx, lid†3, van Verordening (EU) xxx/2018 vast. De raad van bestuur kan aanvullende maatregelen vaststellen met het oog op de toepassing van Verordening (EU) xxx/2018 door het kenniscentrum.

Artikel†44

Ondersteuning door de onderbrengende lidstaat

Tussen het kenniscentrum en de lidstaat [BelgiŽ] waar zijn zetel zich bevindt, kan een administratieve overeenkomst worden gesloten betreffende voorrechten, immuniteiten en andere ondersteuning die door die lidstaat aan het kenniscentrum worden verleend.

HOOFDSTUK†VII

SLOTBEPALINGEN

Artikel†45

InitiŽle acties

1. De Commissie is belast met de oprichting en de initiŽle werking van het kenniscentrum totdat het over voldoende operationele capaciteit beschikt om zijn eigen begroting uit te voeren. Overeenkomstig het recht van de Unie betrekt de Commissie de bevoegde organen van het kenniscentrum bij de uitvoering van alle nodige maatregelen.

2. Voor de toepassing van lid†1 kan de Commissie, totdat de uitvoerend directeur zijn of haar taken opneemt na zijn of haar benoeming door de raad van bestuur in overeenstemming met artikel†16, een tijdelijk uitvoerend directeur aanstellen en de taken waarmee de uitvoerend directeur belast is uitvoeren; deze kan worden bijgestaan door een beperkt aantal ambtenaren van de Commissie. De Commissie kan tijdelijk een beperkt aantal van haar ambtenaren toewijzen.

3. De tijdelijk uitvoerend directeur kan alle betalingen binnen de kredieten van de jaarbegroting van het kenniscentrum goedkeuren wanneer deze zijn goedgekeurd door de raad van bestuur, en kan besluiten aannemen en overeenkomsten en contracten sluiten, met inbegrip van personeelscontracten, wanneer de personeelsformatie van het kenniscentrum is vastgesteld.

4. De tijdelijk uitvoerend directeur bepaalt in samenspraak met de uitvoerend directeur van het kenniscentrum en na goedkeuring door de raad van bestuur op welke datum het kenniscentrum de capaciteit heeft om zijn eigen begroting uit te voeren. Vanaf dat moment onthoudt de Commissie zich van het aangaan van verbintenissen en het uitvoeren van betalingen voor de activiteiten van het kenniscentrum.

Artikel†46

Duur

1. Het kenniscentrum wordt opgericht voor de periode van 1†januari 2021 tot en met 31†december 2029.

2. Aan het einde van deze periode wordt de ontbindingsprocedure ingeleid, tenzij door een herziening van deze verordening anders wordt besloten. De ontbindingsprocedure wordt automatisch ingeleid ingeval de Unie zich uit het kenniscentrum terugtrekt of ingeval alle deelnemende lidstaten dat doen.

3. Voor de uitvoering van de procedure tot ontbinding van het kenniscentrum benoemt de raad van bestuur een of meer vereffenaars die handelen volgens de besluiten van de raad van bestuur.

4. Wanneer het kenniscentrum wordt ontbonden, worden zijn activa gebruikt ter voldoening van zijn verplichtingen en voor de uitgaven in verband met zijn ontbinding. Een eventueel overschot wordt verdeeld over de Unie en de deelnemende lidstaten in verhouding tot hun financiŽle bijdragen aan het kenniscentrum. Een eventueel overschot dat de Unie toevalt, wordt teruggeboekt naar de begroting van de Unie.

Artikel†47

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.