Artikelen bij COM(2020)842 - Betwistbare en eerlijke markten in de digitale sector (wet inzake digitale markten)

Dit is een beperkte versie

U kijkt naar een beperkte versie van dit dossier in de EU Monitor.



Hoofdstuk I

Onderwerp, toepassingsgebied en definities

Inhoudsopgave

Artikel 1 - Onderwerp en toepassingsgebied

1. Deze verordening stelt geharmoniseerde regels vast voor betwistbare en eerlijke markten in de digitale sector van de hele Unie waarop poortwachters aanwezig zijn.

2. Deze verordening is van toepassing op kernplatformdiensten die door poortwachters worden verleend of aangeboden aan zakelijke gebruikers die in de Unie zijn gevestigd, of aan eindgebruikers die in de Unie zijn gevestigd of zich aldaar bevinden, ongeacht de plaats van vestiging of de verblijfplaats van de poortwachters en ongeacht het recht dat anders op de dienstverlening van toepassing zou zijn.

3. Deze verordening is niet van toepassing op markten:

a) die verband houden met elektronischecommunicatienetwerken als gedefinieerd in artikel 2, punt 1, van Richtlijn (EU) 2018/1972 van het Europees Parlement en de Raad 37 ;

b) die verband houden elektronischecommunicatiediensten als gedefinieerd in artikel 2, punt 4, van Richtlijn (EU) 2018/1972, met uitzondering van die welke verband houden met interpersoonlijke communicatiediensten als gedefinieerd in artikel 2, punt 4, b), van die richtlijn.

4. Deze verordening doet met betrekking tot interpersoonlijke communicatiediensten geen afbreuk aan de bevoegdheden en taken die krachtens artikel 61 van Richtlijn (EU) 2018/1972 aan de nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties zijn toegekend.

5. De lidstaten leggen de poortwachters geen verdere wettelijke of bestuursrechtelijke verplichtingen op om betwistbare en eerlijke markten te garanderen. Dit laat regels die andere legitieme openbare belangen nastreven, in overeenstemming met het recht van de Unie, onverlet. Met name belet niets in deze verordening de lidstaten om, teneinde consumenten te beschermen of oneerlijke concurrentie te bestrijden, aan ondernemingen, met inbegrip van aanbieders van kernplatformdiensten, verplichtingen op te leggen die verenigbaar zijn met het recht van de Unie, indien deze verplichtingen geen verband houden met de status van de betrokken ondernemingen als poortwachter in de zin van deze verordening.

6. Deze verordening doet geen afbreuk aan de toepassing van de artikelen 101 en 102 VWEU. Evenmin doet zij afbreuk aan de toepassing van: nationale regels die mededingingsverstorende overeenkomsten, besluiten van ondernemersverenigingen, onderling afgestemde feitelijke gedragingen en misbruik van machtsposities verbieden; nationale mededingingsregels die andere vormen van eenzijdige gedragingen verbieden, voor zover deze worden toegepast op andere ondernemingen dan poortwachters, of erop neerkomen dat aanvullende verplichtingen aan poortwachters worden opgelegd; Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad 38 en nationale regels inzake concentratiecontrole; Verordening (EU) 2019/1150 en Verordening (EU) .../... van het Europees Parlement en de Raad 39 .

7. De nationale autoriteiten nemen geen besluiten die in strijd zijn met een door de Commissie uit hoofde van deze verordening vastgesteld besluit. De Commissie en de lidstaten voeren hun handhavingsmaatregelen uit in nauwe samenwerking en onderlinge coördinatie.

Artikel 2 - Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

(1) “poortwachter”: een overeenkomstig artikel 3 aangewezen aanbieder van kernplatformdiensten;

(2) “kernplatformdienst”: een van de volgende diensten:

a) onlinetussenhandelsdienst;

b) onlinezoekmachine;

c) online socialenetwerkdienst;

d) videoplatformdienst;

e) nummeronafhankelijke interpersoonlijke communicatiedienst;

f) besturingssysteem;

g) cloudcomputerdienst;

h) advertentiedienst, waaronder advertentienetwerken, advertentie-uitwisselingsdiensten en ander advertentietussenhandelsdiensten, aangeboden door een aanbieder van een van de onder a) tot en met g) genoemde kernplatformdiensten;

(3) “dienst van de informatiemaatschappij”: een dienst in de zin van artikel 1, lid 1, punt b), van Richtlijn (EU) 2015/1535;

(4) “digitale sector”: de sector van producten en diensten die worden geleverd door middel van of via diensten van de informatiemaatschappij;

(5) “onlinetussenhandelsdienst”: dienst als gedefinieerd in artikel 2, punt 2, van Verordening (EU) 2019/1150;

(6) “onlinezoekmachine”: een digitale dienst als gedefinieerd in artikel 2, punt 5, van Verordening (EU) 2019/1150;

(7) “online socialenetwerkdienst”: een platform dat eindgebruikers in staat stelt via meerdere apparaten met elkaar in verbinding te treden, inhoud te delen, te ontdekken en met elkaar te communiceren, met name via chats, posts, video’s en aanbevelingen;

(8) “videoplatformdienst”: een dienst als gedefinieerd in artikel 1, punt 1, a bis, van Verordening 2010/13/EU 40 ;

(9) “nummeronafhankelijke interpersoonlijke communicatiedienst”: een dienst als gedefinieerd in artikel 2, punt 7, van Richtlijn (EU) 2018/1972;

(10) “besturingssysteem”: systeemsoftware die de basisfuncties van de hardware of software regelt en softwaretoepassingen daarop mogelijk maakt;

(11) “cloudcomputerdienst”: een digitale dienst als gedefinieerd in artikel 4, punt 19, van Richtlijn (EU) 2016/1148 van het Europees Parlement en de Raad 41 ;

(12) “appstore”: een soort onlinetussenhandelsdienst die gericht is op softwaretoepassingen als te verstrekken product of dienst;

(13) “softwaretoepassing”: een digitaal product dat of een digitale dienst die op een besturingssysteem draait;

(14) “ondersteunende dienst”: dienst die wordt aangeboden in de context van of samen met kernplatformdiensten, met inbegrip van betalingsdiensten als gedefinieerd in artikel 4, punt 3, van Richtlijn (EU) 2015/2366 en technische diensten ter ondersteuning van het aanbieden van betalingsdiensten als omschreven in artikel 3, punt j), van Richtlijn (EU) 2015/2366 alsmede fulfilment-, identificatie- of advertentiediensten;

(15) “identificatiedienst”: een type ondersteunende dienst die om het even welke soort verificatie van de identiteit van eindgebruikers of zakelijke gebruikers mogelijk maakt, ongeacht de gebruikte technologie;

(16) “eindgebruiker”: elke natuurlijke of rechtspersoon die gebruikmaakt van kernplatformdiensten anders dan als zakelijke gebruiker;

(17) “zakelijke gebruiker”: een natuurlijke of rechtspersoon die in commerciële of professionele hoedanigheid gebruikmaakt van kernplatformdiensten ten behoeve van of in het kader van het aanbieden van goederen of diensten aan eindgebruikers;

(18) “rangschikking”: het relatieve belang dat wordt gegeven aan goederen of diensten die worden aangeboden via onlinetussenhandelsdiensten of online socialenetwerkdiensten, of de relevantie die onlinezoekmachines geven aan zoekresultaten, zoals gepresenteerd, georganiseerd of meegedeeld door respectievelijk de aanbieders van onlinetussenhandelsdiensten, online socialenetwerkdiensten of onlinezoekmachines, ongeacht de voor die presentatie, organisatie of communicatie gebruikte technologische middelen;

(19) “gegevens”: elke digitale weergave van handelingen, feiten of informatie en elke compilatie van dergelijke handelingen, feiten of informatie, ook in de vorm van geluidsopnamen, visuele of audiovisuele opnamen;

(20) “persoonsgegevens”: alle informatie als gedefinieerd in artikel 4, punt 1, van Verordening (EU) 2016/679;

(21) “niet-persoonsgebonden gegevens”: andere informatie dan persoonsgegevens als gedefinieerd in artikel 4, punt 1, van Verordening (EU) 2016/679;

(22) “onderneming”: alle verbonden bedrijven of verbonden ondernemingen die een groep vormen in de vorm van directe of indirecte zeggenschap over een bedrijf of onderneming door een ander en die een economische activiteit uitoefenen, ongeacht hun rechtsvorm en de wijze waarop zij worden gefinancierd;

(23) “zeggenschap”: de mogelijkheid om een beslissende invloed uit te oefenen op een onderneming in de zin van Verordening (EU) nr. 139/2004.

Hoofdstuk II

Poortwachters

Artikel 3 - Aanwijzing van poortwachters

1. Een aanbieder van kernplatformdiensten wordt als poortwachter aangewezen indien deze:

a) een aanzienlijke impact heeft op de interne markt;

b) een kernplatformdienst exploiteert die voor zakelijke gebruikers als een belangrijke toegangspoort fungeert om eindgebruikers te bereiken; en

c) met betrekking tot haar activiteiten een stevig verankerde en duurzame positie inneemt of naar verwachting in de nabije toekomst een dergelijke positie zal innemen.

2. Een aanbieder van kernplatformdiensten wordt geacht te voldoen aan:

a) de eis van lid 1, punt a), indien de onderneming waartoe deze behoort in de laatste drie boekjaren in de Europese Economische Ruimte (EER) een jaaromzet van ten minste 6,5 miljard EUR heeft behaald, of indien de gemiddelde marktkapitalisatie of een gelijkwaardige reële marktwaarde van de onderneming waartoe deze behoort in het laatste boekjaar ten minste 65 miljard EUR bedroeg, en indien deze in ten minste drie lidstaten een kernplatformdienst aanbiedt;

b) de eis van lid 1, punt b), indien deze een kernplatformdienst aanbiedt met meer dan 45 miljoen maandelijkse actieve eindgebruikers die in de Unie zijn gevestigd of zich aldaar bevinden en meer dan 10 000 jaarlijkse actieve, in de Unie gevestigde zakelijke gebruikers in het laatste boekjaar;

voor de toepassing van de eerste alinea wordt met maandelijkse actieve eindgebruikers het gemiddelde aantal maandelijkse actieve eindgebruikers gedurende het grootste deel van het laatste boekjaar bedoeld;

c) de eis van lid 1, punt c), indien in elk van de laatste drie boekjaren aan de in punt b) genoemde drempels is voldaan.

3. Wanneer een aanbieder van kernplatformdiensten voldoet aan alle drempels van lid 2, stelt deze de Commissie daarvan in kennis binnen drie maanden nadat deze drempels zijn bereikt, en verstrekt deze de Commissie de in lid 2 bedoelde relevante informatie. Die kennisgeving bevat de in lid 2 bedoelde relevante informatie voor elk van de kernplatformdiensten van de aanbieder die aan de drempels van lid 2, punt b), voldoet. De kennisgeving wordt geactualiseerd wanneer andere kernplatformdiensten afzonderlijk aan de drempels van lid 2, punt b), voldoen.

Ook als een betrokken aanbieder van kernplatformdiensten de Commissie niet in kennis stelt van de krachtens dit lid vereiste informatie, kan de Commissie deze aanbieder te allen tijde als poortwachter aanwijzen overeenkomstig lid 4.

4. De Commissie wijst onverwijld en uiterlijk 60 dagen na ontvangst van de in lid 3 bedoelde volledige informatie de aanbieder van kernplatformdiensten die aan alle drempels van lid 2 voldoet, aan als poortwachter, tenzij die aanbieder in zijn kennisgeving voldoende onderbouwde argumenten aanvoert om aan te tonen dat hij, in de omstandigheden waarin de betrokken kernplatformdienst actief is en rekening houdend met de in lid 6 vermelde elementen, niet aan de eisen van lid 1 voldoet.

Wanneer de poortwachter voldoende onderbouwde argumenten aanvoert om aan te tonen dat hij niet aan de eisen van lid 1 voldoet, past de Commissie lid 6 toe om te beoordelen of aan de criteria van lid 1 is voldaan.

5. De Commissie is overeenkomstig artikel 37 bevoegd om gedelegeerde handelingen vast te stellen om de methode te specificeren aan de hand waarvan wordt bepaald of aan de in lid 2 vastgestelde kwantitatieve drempels is voldaan, en om deze waar nodig regelmatig aan te passen aan marktontwikkelingen en technologische ontwikkelingen, met name met betrekking tot de drempel in lid 2, punt a).

6. Handelend volgens de procedure van artikel 15 kan de Commissie elke aanbieder van kernplatformdiensten die aan elk van de eisen van lid 1 voldoet, maar niet aan elk van de drempels van lid 2 voldoet, of die voldoende onderbouwde argumenten overeenkomstig lid 4 heeft aangevoerd, aanwijzen als poortwachter.

Daartoe houdt de Commissie rekening met de volgende elementen:

a) de omvang, waaronder omzet en marktkapitalisatie, de activiteiten en de positie van de aanbieder van kernplatformdiensten;

b) het aantal zakelijke gebruikers dat afhankelijk is van de kernplatformdienst om eindgebruikers te bereiken, alsook het aantal eindgebruikers;

c) toetredingsdrempels als gevolg van netwerkeffecten en gegevensgestuurde voordelen, met name met betrekking tot de toegang van de aanbieder tot en de verzameling door de aanbieder van persoonsgegevens en niet-persoonsgebonden gegevens of de analysecapaciteiten van de aanbieder;

d) schaal- en breedtevoordelen waarvan de aanbieder profiteert, ook met betrekking tot gegevens;

e) lock-in van zakelijke gebruikers of eindgebruikers;

f) andere structurele kenmerken van de markt.

Bij haar beoordeling houdt de Commissie rekening met de te verwachten ontwikkelingen van deze elementen.

Indien de aanbieder van een kernplatformdienst die aan de kwantitatieve drempels van lid 2 voldoet, de door de Commissie gelaste onderzoeksmaatregelen in significante mate niet naleeft, ook niet nadat de aanbieder is verzocht binnen een redelijke termijn aan de eisen te voldoen en opmerkingen in te dienen, heeft de Commissie het recht deze aanbieder als poortwachter aan te wijzen.

Indien de aanbieder van een kernplatformdienst die niet aan de kwantitatieve drempels van lid 2 voldoet, de door de Commissie gelaste onderzoeksmaatregelen in significante mate niet naleeft, ook niet nadat de aanbieder is verzocht binnen een redelijke termijn aan de eisen te voldoen en opmerkingen in te dienen, heeft de Commissie het recht deze aanbieder als poortwachter aan te wijzen op basis van beschikbare gegevens.

7. Voor elke overeenkomstig lid 4 of lid 6 geïdentificeerde poortwachter stelt de Commissie vast tot welke betrokken onderneming deze behoort en stelt zij een lijst op van de betrokken kernplatformdiensten die binnen dezelfde onderneming worden aangeboden en die afzonderlijk als belangrijke toegangspoort voor zakelijke gebruikers fungeren om eindgebruikers te bereiken als bedoeld in lid 1, punt b).

8. De poortwachter voldoet binnen zes maanden nadat een kernplatformdienst op de in lid 7 van dit artikel bedoelde lijst is opgenomen, aan de verplichtingen van de artikelen 5 en 6.

Artikel 4 - Herziening van de status van poortwachters

1. De Commissie kan op verzoek of op eigen initiatief te allen tijde een overeenkomstig artikel 3 vastgesteld besluit heroverwegen, wijzigen of intrekken om een van de volgende redenen:

a) er is een wezenlijke verandering opgetreden in de feiten waarop het besluit steunt;

b) het besluit berustte op door de ondernemingen verstrekte onvolledige, onjuiste of misleidende informatie.

2. De Commissie herziet regelmatig, en ten minste om de twee jaar, of de aangewezen poortwachters nog steeds voldoen aan de eisen van artikel 3, lid 1, dan wel of nieuwe aanbieders van kernplatformdiensten aan die eisen voldoen. Bij de periodieke herziening wordt ook onderzocht of de lijst van betrokken kernplatformdiensten van de poortwachter moet worden aangepast.

Indien de Commissie op basis van de herziening overeenkomstig de eerste alinea tot de bevinding komt dat de feiten waarop de aanwijzing van aanbieders van kernplatformdiensten als poortwachters is gebaseerd, zijn veranderd, neemt zij dienovereenkomstig een besluit.

3. De Commissie publiceert en actualiseert op continue basis de lijst van poortwachters en de lijst van de kernplatformdiensten waarvoor de poortwachters aan de verplichtingen van de artikelen 5 en 6 moeten voldoen.

HOOFDSTUK III

Praktijken van poortwachters die de betwistbaarheid beperken of oneerlijk zijn

Artikel 5 - Verplichtingen voor poortwachters

Met betrekking tot elk van zijn overeenkomstig artikel 3, lid 7, geïdentificeerde kernplatformdiensten doet een poortwachter het volgende:    

a) de poortwachter combineert geen persoonsgegevens die afkomstig zijn van deze kernplatformdiensten met persoonsgegevens van andere diensten die door de poortwachter worden aangeboden of met persoonsgegevens van diensten van derden, en meldt eindgebruikers niet aan op andere diensten van de poortwachter teneinde persoonsgegevens te combineren, tenzij de eindgebruiker de specifieke keuze heeft gekregen en toestemming heeft verleend in de zin van Verordening (EU) 2016/679 ;

b) de poortwachter laat zakelijke gebruikers toe dezelfde producten of diensten aan eindgebruikers aan te bieden via onlinetussenhandelsdiensten van derden tegen prijzen of onder voorwaarden die verschillen van die welke via de onlinetussenhandelsdiensten van de poortwachter worden aangeboden;

c) de poortwachter laat zakelijke gebruikers toe aanbiedingen aan eindgebruikers die via de kernplatformdienst zijn verworven, te promoten en contracten met deze eindgebruikers te sluiten, ongeacht of zij daarvoor gebruikmaken van de kernplatformdiensten van de poortwachter, en laat eindgebruikers toe om via de kernplatformdiensten van de poortwachter toegang te krijgen tot en gebruik te maken van inhoud, abonnementen, functies of andere artikelen door middel van de softwaretoepassing van een zakelijke gebruiker, wanneer deze artikelen door de eindgebruikers van de desbetreffende zakelijke gebruiker zijn gekocht zonder gebruik te maken van de kernplatformdiensten van de poortwachter;

d) de poortwachter belet de zakelijke gebruikers niet of beperkt hen niet in hun mogelijkheden om bij een bevoegde overheidsinstantie problemen aan te kaarten in verband met praktijken van poortwachters;

e) de poortwachter verplicht zakelijke gebruikers niet een identificatiedienst van de poortwachter te gebruiken, aan te bieden of daarmee te interageren in het kader van diensten die worden aangeboden door zakelijke gebruikers die gebruikmaken van de kernplatformdiensten van die poortwachter;

f) de poortwachter verplicht zakelijke gebruikers of eindgebruikers niet zich te abonneren op of zich te registreren bij andere kernplatformdiensten die overeenkomstig artikel 3 zijn geïdentificeerd of die voldoen aan de drempels van artikel 3, lid 2, punt b), als voorwaarde voor toegang tot, inschrijving op of registratie op een van hun overeenkomstig dat artikel geïdentificeerde kernplatformdiensten;

g) de poortwachter verstrekt de adverteerders en uitgevers aan wie hij advertentiediensten verleent op hun verzoek informatie over de prijs die de adverteerder en de uitgever hebben betaald, alsook over het bedrag of de vergoeding die aan de uitgever is betaald, voor de publicatie van een bepaalde advertentie en voor elk van de door de poortwachter geleverde betrokken advertentiediensten.

Artikel 6 - Verplichtingen voor poortwachters die nader kunnen worden gespecificeerd

1. Met betrekking tot elk van zijn overeenkomstig artikel 3, lid 7, geïdentificeerde kernplatformdiensten doet een poortwachter het volgende:

a) wanneer een poortwachter de concurrentie aangaat met zakelijke gebruikers, onthoudt hij zich van het gebruik van gegevens die niet openbaar beschikbaar zijn en die worden gegenereerd door activiteiten van die zakelijke gebruikers, alsook van de eindgebruikers van die zakelijke gebruikers of van zijn kernplatformdiensten, of die worden verstrekt door die zakelijke gebruikers van zijn kernplatformdiensten of door de eindgebruikers van die zakelijke gebruikers;

b) de poortwachter laat eindgebruikers toe voorgeïnstalleerde softwaretoepassingen op zijn kernplatformdienst te verwijderen, onverminderd de mogelijkheid voor een poortwachter om dergelijke verwijdering te beperken met betrekking tot softwaretoepassingen die essentieel zijn voor de werking van het besturingssysteem of van het apparaat en die in technisch opzicht niet op zichzelf door derden kunnen worden aangeboden;

c) de poortwachter maakt het mogelijk om softwaretoepassingen of appstores van derden die gebruikmaken van of in wisselwerking staan met de besturingssystemen van die poortwachter, te installeren en effectief te gebruiken, en maakt de toegang tot deze softwaretoepassingen of appstores met andere middelen dan de kernplatformdiensten van die poortwachter mogelijk. De poortwachter wordt niet belet evenredige maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat softwaretoepassingen of appstores van derden de integriteit van de hardware of het besturingssysteem die door de poortwachter ter beschikking worden gesteld, niet in gevaar brengen;

d) de poortwachter geeft in rangschikkingen geen gunstigere behandeling aan diensten en producten die worden aangeboden door de poortwachter zelf of door een derde die tot dezelfde onderneming behoort, in vergelijking met soortgelijke diensten of producten van derden, en de poortwachter past eerlijke en niet-discriminerende voorwaarden voor die rangschikking toe;

e) de poortwachter legt geen technische beperking op aan het vermogen van eindgebruikers om over te stappen en zich te abonneren op andere softwaretoepassingen en diensten waartoe toegang kan worden verkregen via het besturingssysteem van de poortwachter, ook wat betreft de keuze van de aanbieder van internettoegang voor eindgebruikers;

f) de poortwachter maakt het voor zakelijke gebruikers en aanbieders van ondersteunende diensten mogelijk toegang te krijgen tot en te interageren met dezelfde functies van het besturingssysteem, van de hardware en van de software die beschikbaar zijn of worden gebruikt bij het verlenen van ondersteunende diensten door de poortwachter;

g) de poortwachter biedt adverteerders en uitgevers op verzoek en kosteloos toegang tot de instrumenten voor prestatiemeting van de poortwachter en tot de informatie die adverteerders en uitgevers nodig hebben om zelf een onafhankelijke verificatie van hun advertentieportefeuille uit te voeren;

h) de poortwachter zorgt voor effectieve portabiliteit van gegevens die zijn gegenereerd door de activiteit van een zakelijke gebruiker of eindgebruiker, en stelt met name instrumenten ter beschikking aan eindgebruikers om de gegevensportabiliteit te vergemakkelijken, in overeenstemming met Verordening (EU) 2016/679, onder meer door continue toegang in real time te bieden;

i) de poortwachter biedt zakelijke gebruikers of door een zakelijke gebruiker gemachtigde derden kosteloos en op doeltreffende, hoogwaardige wijze continue en in real time toegang tot en gebruik van geaggregeerde of niet-geaggregeerde gegevens die worden verstrekt voor of gegenereerd in het kader van het gebruik van de betrokken kernplatformdiensten door die zakelijke gebruikers en de eindgebruikers die betrokken zijn bij de producten of diensten die door die zakelijke gebruikers worden geleverd; de poortwachter maakt de toegang tot en het gebruik van persoonsgegevens alleen mogelijk indien deze rechtstreeks verband houden met het gebruik door de eindgebruiker van producten of diensten die door de betrokken zakelijke gebruiker worden aangeboden via de betrokken kernplatformdienst, en wanneer de eindgebruiker voor een dergelijke uitwisseling toestemming geeft in de zin van Verordening (EU) 2016/679 ;

j) de poortwachter verleent alle derde aanbieders van onlinezoekmachines op hun verzoek onder eerlijke, redelijke en niet-discriminerende voorwaarden toegang tot gegevens over rangschikkingen, zoekopdrachten, clicks en weergaven in verband met gratis en betaalde zoekopdrachten die door eindgebruikers op onlinezoekmachines van de poortwachter zijn gegenereerd, mits de gegevens over zoekopdrachten, clicks en weergaven die persoonsgegevens zijn, geanonimiseerd worden;

k) de poortwachter past eerlijke en niet-discriminerende algemene voorwaarden toe voor de toegang door zakelijke gebruikers tot zijn overeenkomstig artikel 3 van deze verordening aangewezen appstore.

2. Voor de toepassing van lid 1, punt a), omvatten niet openbaar beschikbare gegevens alle door zakelijke gebruikers gegenereerde geaggregeerde en niet-geaggregeerde gegevens die kunnen worden afgeleid uit of verzameld aan de hand van de commerciële activiteiten van zakelijke gebruikers of hun klanten op de kernplatformdienst van de poortwachter.

Artikel 7 - Naleving van verplichtingen voor poortwachters

1. De maatregelen die de poortwachter uitvoert om aan de in de artikelen 5 en 6 vastgestelde verplichtingen te voldoen, zijn doeltreffend voor de verwezenlijking van de doelstelling van de desbetreffende verplichting. De poortwachter zorgt ervoor dat deze maatregelen worden uitgevoerd in overeenstemming met Verordening (EU) 2016/679 en Richtlijn 2002/58/EG en de wetgeving inzake cyberbeveiliging, consumentenbescherming en productveiligheid.

2. Indien de Commissie vaststelt dat de maatregelen die de poortwachter voornemens is uit te voeren overeenkomstig lid 1, of die hij heeft uitgevoerd, de effectieve naleving van de desbetreffende verplichtingen van artikel 6 niet garanderen, kan zij bij besluit bepalen welke maatregelen de betrokken poortwachter moet nemen. De Commissie neemt een dergelijk besluit binnen zes maanden na inleiding van de procedure overeenkomstig artikel 18.

3. Lid 2 van dit artikel laat de bevoegdheden van de Commissie op grond van de artikelen 25, 26 en 27 onverlet.

4. Met het oog op de vaststelling van het in lid 2 bedoelde besluit deelt de Commissie haar voorlopige bevindingen mee binnen drie maanden na de inleiding van de procedure. In de voorlopige bevindingen licht de Commissie toe welke maatregelen zij overweegt te nemen of welke maatregelen volgens haar door de betrokken aanbieder van kernplatformdiensten moeten worden genomen om de bezwaren in de voorlopige bevindingen doeltreffend aan te pakken.

5. Bij het specificeren van de in lid 2 bedoelde maatregelen zorgt de Commissie ervoor dat de maatregelen doeltreffend zijn voor de verwezenlijking van de doelstellingen van de desbetreffende verplichting en evenredig zijn in de specifieke omstandigheden van de poortwachter en de betrokken dienst.

6. Voor het specificeren van de verplichtingen uit hoofde van artikel 6, lid 1, punten j) en k), beoordeelt de Commissie ook of de voorgenomen of uitgevoerde maatregelen waarborgen dat er geen resterend onevenwicht is tussen de rechten en de plichten voor zakelijke gebruikers en of de maatregelen zelf de poortwachter geen voordeel verschaffen dat niet in verhouding staat tot de dienst die de poortwachter aan zakelijke gebruikers verleent.

7. Een poortwachter kan de Commissie verzoeken een procedure in te leiden overeenkomstig artikel 18 om te bepalen of de maatregelen die de poortwachter voornemens is uit te voeren of ten uitvoer heeft gelegd op grond van artikel 6, doeltreffend zijn om het doel van de desbetreffende verplichting in de specifieke omstandigheden te verwezenlijken. Een poortwachter kan bij zijn verzoek een gemotiveerde kennisgeving indienen om met name uit te leggen waarom de maatregelen die hij voornemens is uit te voeren of ten uitvoer heeft gelegd, doeltreffend zijn voor de verwezenlijking van de doelstelling van de desbetreffende verplichting in de specifieke omstandigheden.

Artikel 8 - Opschorting

1. Bij wijze van uitzondering kan de Commissie, op een met redenen omkleed verzoek van de poortwachter, met een besluit dat overeenkomstig de in artikel 32, lid 4, bedoelde raadplegingsprocedure wordt vastgesteld, een in de artikelen 5 en 6 bedoelde specifieke verplichting voor een kernplatformdienst geheel of gedeeltelijk opschorten, indien de poortwachter aantoont dat de naleving van die specifieke verplichting, als gevolg van uitzonderlijke omstandigheden buiten de wil van de poortwachter, de economische levensvatbaarheid van de activiteiten van de poortwachter in de Unie in gevaar zou brengen, en alleen voor zover nodig om deze bedreiging voor zijn levensvatbaarheid aan te pakken. De Commissie streeft ernaar het opschortingsbesluit onverwijld en uiterlijk drie maanden na ontvangst van een volledig met redenen omkleed verzoek vast te stellen.

2. Indien de opschorting overeenkomstig lid 1 wordt verleend, herziet de Commissie jaarlijks haar opschortingsbesluit. Na een dergelijke herziening heft de Commissie de opschorting op of besluit zij dat nog steeds aan de voorwaarden van lid 1 wordt voldaan.

3. Op een met redenen omkleed verzoek van een poortwachter kan de Commissie de toepassing van de desbetreffende verplichting op een of meer afzonderlijke kernplatformdiensten reeds vóór het in lid 1 bedoelde besluit voorlopig opschorten.

Wanneer de Commissie het verzoek beoordeelt, houdt zij met name rekening met de gevolgen van de naleving van de specifieke verplichting voor de economische levensvatbaarheid van de activiteiten van de poortwachter in de Unie alsook voor derden. Aan de opschorting kunnen voorwaarden en verplichtingen worden verbonden die door de Commissie worden vastgesteld om een eerlijk evenwicht te bewaren tussen deze belangen en de doelstellingen van deze verordening. Een dergelijk verzoek kan te allen tijde worden gedaan en ingewilligd in afwachting van de beoordeling van de Commissie overeenkomstig lid 1.

Artikel 9 - Vrijstelling op grond van dwingende redenen van algemeen belang

1. De Commissie kan, op een met redenen omkleed verzoek van een poortwachter of op eigen initiatief, bij besluit dat wordt vastgesteld overeenkomstig de in artikel 32, lid 4, bedoelde raadplegingsprocedure, de poortwachter geheel of gedeeltelijk vrijstellen van een specifieke verplichting van de artikelen 5 en 6 met betrekking tot een overeenkomstig artikel 3, lid 7, geïdentificeerde individuele kernplatformdienst, indien een dergelijke vrijstelling gerechtvaardigd is om de in lid 2 van dit artikel genoemde redenen. De Commissie stelt het vrijstellingsbesluit uiterlijk drie maanden na ontvangst van een volledig met redenen omkleed verzoek vast.

2. Een vrijstelling overeenkomstig lid 1 kan alleen worden verleend op grond van de bescherming van:

a) de openbare zedelijkheid;

b) de volksgezondheid;

c) de openbare veiligheid.

3. Op een met redenen omkleed verzoek van een poortwachter of op eigen initiatief kan de Commissie de toepassing van de desbetreffende verplichting op een of meer afzonderlijke kernplatformdiensten reeds vóór het in lid 1 bedoelde besluit voorlopig opschorten.

Wanneer de Commissie het verzoek beoordeelt, houdt zij met name rekening met de gevolgen van de naleving van de specifieke verplichting op de in lid 2 vermelde gronden, alsook op de betrokken poortwachter en derden. Aan de opschorting kunnen voorwaarden en verplichtingen worden verbonden die door de Commissie worden vastgesteld om een eerlijk evenwicht te bewaren tussen de doelstellingen van de gronden van lid 2 en de doelstellingen van deze verordening. Een dergelijk verzoek kan te allen tijde worden gedaan en ingewilligd in afwachting van de beoordeling van de Commissie overeenkomstig lid 1.

Artikel 10 - Actualisering van de verplichtingen voor poortwachters

1. De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 34 gedelegeerde handelingen vast te stellen met het oog op de actualisering van de in de artikelen 5 en 6 vastgestelde verplichtingen wanneer zij op basis van een marktonderzoek overeenkomstig artikel 17 heeft vastgesteld dat nieuwe verplichtingen nodig zijn om praktijken aan te pakken die de betwistbaarheid van kernplatformdiensten beperken of die oneerlijk zijn op dezelfde wijze als de praktijken waarop de verplichtingen van de artikelen 5 en 6 betrekking hebben.

1. Een praktijk in de zin van lid 1 wordt als oneerlijk of als beperkend voor de betwistbaarheid van kernplatformdiensten beschouwd wanneer:

a) er een onevenwicht is tussen de rechten en plichten van zakelijke gebruikers en de poortwachter een voordeel verkrijgt van zakelijke gebruikers dat niet in verhouding staat tot de dienst die de poortwachter aan zakelijke gebruikers verleent; of

b) de betwistbaarheid van de markten wordt verzwakt als gevolg van een dergelijke praktijk van poortwachters.

Artikel 11 - Bestrijding van ontduiking

1. Een poortwachter ziet erop toe dat de verplichtingen van de artikelen 5 en 6 volledig en daadwerkelijk worden nagekomen. De verplichtingen van de artikelen 5 en 6 zijn van toepassing op de overeenkomstig artikel 3 aangewezen kernplatformdiensten en de uitvoering ervan wordt niet ondermijnd door gedragingen van de onderneming waartoe de poortwachter behoort, ongeacht of dit gedrag van contractuele, commerciële, technische of andere aard is.

2. Wanneer toestemming voor het verzamelen en verwerken van persoonsgegevens vereist is om naleving van deze verordening te waarborgen, neemt een poortwachter de nodige maatregelen om zakelijke gebruikers in staat te stellen rechtstreeks de vereiste toestemming te verkrijgen voor de verwerking ervan, indien dit vereist is op grond van Verordening (EU) 2016/679 en Richtlijn 2002/58/EG, of om op andere manieren aan de regels en beginselen inzake gegevensbescherming en privacy van de Unie te voldoen, onder meer door zakelijke gebruikers in voorkomend geval naar behoren geanonimiseerde gegevens te verstrekken. De poortwachter mag het verkrijgen van deze toestemming door de zakelijke gebruiker niet belastender maken dan voor zijn eigen diensten.

3. Een poortwachter zorgt niet voor een verslechtering van de voorwaarden of kwaliteit van de kernplatformdiensten die worden verleend aan zakelijke gebruikers of eindgebruikers die gebruikmaken van de in de artikelen 5 en 6 vastgestelde rechten of keuzes, of maakt de uitoefening van die rechten of keuzes niet onnodig moeilijk.

Artikel 12 - Informatieplicht inzake concentraties

1. Een poortwachter informeert de Commissie over elke voorgenomen concentratie in de zin van artikel 3 van Verordening (EG) nr. 139/2004 waarbij een andere aanbieder van kernplatformdiensten of enige andere in de digitale sector verleende dienst betrokken is, ongeacht of deze moet worden aangemeld bij een mededingingsautoriteit van de Unie op grond van Verordening (EG) nr. 139/2004 of bij een bevoegde nationale mededingingsautoriteit op grond van nationale concentratieregels.

Een poortwachter informeert de Commissie over een dergelijke concentratie voordat deze tot stand wordt gebracht en na de sluiting van de overeenkomst, de aankondiging van het openbaar bod of de verwerving van een zeggenschapsbelang.

2. De aanmelding overeenkomstig lid 1 bevat ten minste een beschrijving van, in het geval van de overnamekandidaten, hun omzet in de EER en hun wereldwijde jaaromzet, in het geval van alle betrokken kernplatformdiensten, hun respectieve jaarlijkse omzet in de EER, hun aantal jaarlijkse actieve zakelijke gebruikers en hun aantal maandelijkse actieve eindgebruikers, alsmede de redenen voor de voorgenomen concentratie.

3. Indien na een concentratie als bedoeld in lid 1 extra kernplatformdiensten afzonderlijk voldoen aan de drempels van artikel 3, lid 2, punt b), stelt de betrokken poortwachter de Commissie daarvan binnen drie maanden na de totstandbrenging van de concentratie in kennis en verstrekt hij de Commissie de in artikel 3, lid 2, bedoelde informatie.

Artikel 13 - Verplichte controle

Binnen zes maanden na zijn aanwijzing overeenkomstig artikel 3 dient een poortwachter bij de Commissie een door een onafhankelijke instantie gecontroleerde beschrijving in van alle technieken voor de profilering van consumenten die de poortwachter toepast op of tussen zijn overeenkomstig artikel 3 geïdentificeerde kernplatformdiensten. Deze beschrijving wordt ten minste eenmaal per jaar bijgewerkt.

HOOFDSTUK IV

Marktonderzoek

Artikel 14 - Inleiding van een marktonderzoek

1. Wanneer de Commissie voornemens is een marktonderzoek uit te voeren met het oog op de eventuele vaststelling van besluiten op grond van de artikelen 15, 16 en 17, stelt zij een besluit tot inleiding van een marktonderzoek vast.

2. In het besluit tot inleiding wordt het volgende vermeld:

a) de datum van inleiding van het onderzoek;

b) de beschrijving van de kwestie waarop het onderzoek betrekking heeft;

c) het doel van het onderzoek.

3. De Commissie kan een door haar afgesloten marktonderzoek heropenen indien:

a) er een materiële wijziging optreedt in de feiten waarop het besluit steunt;

b) het besluit berustte op door de betrokken ondernemingen verstrekte onvolledige, onjuiste of misleidende informatie.

Artikel 15 - Marktonderzoek voor de aanwijzing van poortwachters

1. De Commissie kan een marktonderzoek uitvoeren om na te gaan of een aanbieder van kernplatformdiensten moet worden aangewezen als poortwachter overeenkomstig artikel 3, lid 6, of om kernplatformdiensten voor een poortwachter te identificeren overeenkomstig artikel 3, lid 7. Zij streeft ernaar haar onderzoek af te ronden door binnen twaalf maanden na de inleiding van het marktonderzoek een besluit vast te stellen overeenkomstig de in artikel 32, lid 4, bedoelde raadplegingsprocedure.

2. In de loop van een marktonderzoek overeenkomstig lid 1 streeft de Commissie ernaar haar voorlopige bevindingen binnen zes maanden na de inleiding van het onderzoek mee te delen aan de betrokken aanbieder van kernplatformdiensten. In de voorlopige bevindingen licht de Commissie toe of zij tot nader order van mening is dat de aanbieder van kernplatformdiensten overeenkomstig artikel 3, lid 6, als poortwachter moet worden aangewezen.

3. Indien de aanbieder van kernplatformdiensten voldoet aan de in artikel 3, lid 2, vastgestelde drempels, maar overeenkomstig artikel 3, lid 4, voldoende onderbouwde argumenten heeft aangevoerd, tracht de Commissie het marktonderzoek binnen vijf maanden na de inleiding ervan af te ronden door middel van een besluit overeenkomstig lid 1. In dat geval streeft de Commissie ernaar haar voorlopige bevindingen overeenkomstig lid 2 binnen drie maanden na de inleiding van het onderzoek mee te delen aan de aanbieder van kernplatformdiensten.

4. Wanneer de Commissie overeenkomstig artikel 3, lid 6, een aanbieder van kernplatformdiensten aanwijst als poortwachter die met betrekking tot zijn activiteiten nog geen stevig verankerde en duurzame positie inneemt, maar dat naar verwachting in de nabije toekomst wel zal doen, verklaart zij alleen de verplichtingen van artikel 5, punt b), en artikel 6, lid 1, punten e), f), h) en i), zoals gespecificeerd in het aanwijzingsbesluit, van toepassing op die poortwachter. De Commissie verklaart alleen die verplichtingen van toepassing die passend en noodzakelijk zijn om te voorkomen dat de betrokken poortwachter met betrekking tot zijn activiteiten op oneerlijke wijze een stevig verankerde en duurzame positie verwerft. De Commissie herziet een dergelijke aanwijzing volgens de procedure van artikel 4.

Artikel 16 - Marktonderzoek naar systematische niet-naleving

1. Wanneer uit het marktonderzoek blijkt dat een poortwachter systematisch de in de artikelen 5 en 6 vastgestelde verplichtingen heeft geschonden en zijn poortwachterspositie met betrekking tot de kenmerken van artikel 3, lid 1, verder heeft versterkt of uitgebreid, kan de Commissie bij besluit dat wordt vastgesteld overeenkomstig de in artikel 32, lid 4, bedoelde raadplegingsprocedure, aan die poortwachter alle gedragscorrigerende of structurele maatregelen opleggen die in verhouding staan tot de begane inbreuk en noodzakelijk zijn om de naleving van deze verordening te waarborgen. De Commissie rondt haar onderzoek af door binnen twaalf maanden na inleiding van het marktonderzoek een besluit vast te stellen.

2. De Commissie kan alleen structurele maatregelen overeenkomstig lid 1 opleggen als er niet een even doeltreffende gedragscorrigerende maatregel bestaat of als een dergelijke even doeltreffende maatregel voor de betrokken poortwachter belastender zou zijn dan de structurele maatregel.

3. Een poortwachter wordt geacht zich schuldig te hebben gemaakt aan een systematische niet-naleving van de in de artikelen 5 en 6 vastgestelde verplichtingen indien de Commissie binnen een periode van vijf jaar voorafgaand aan de vaststelling van het besluit tot inleiding van een marktonderzoek met het oog op de eventuele vaststelling van een besluit uit hoofde van dit artikel ten minste drie niet-nalevingsbesluiten of besluiten tot oplegging van een boete op grond van respectievelijk de artikelen 25 en 26 heeft genomen tegen een poortwachter met betrekking tot een van zijn kernplatformdiensten.

4. Een poortwachter wordt geacht zijn poortwachterspositie met betrekking tot de in artikel 3, lid 1, bedoelde kenmerken verder te hebben versterkt of uitgebreid, indien zijn invloed op de interne markt verder is toegenomen, zijn belang is toegenomen als toegangspoort voor zakelijke gebruikers om eindgebruikers te bereiken of de poortwachter met betrekking tot zijn activiteiten zijn positie nog steviger verankerd en verder verduurzaamd heeft.

5. De Commissie deelt haar bezwaren binnen zes maanden na inleiding van het onderzoek mee aan de betrokken poortwachter. In haar bezwaren licht de Commissie toe of zij voorlopig van oordeel is dat aan de voorwaarden van lid 1 is voldaan en welke corrigerende maatregelen zij voorlopig noodzakelijk en evenredig acht.

6. De Commissie kan het marktonderzoek te allen tijde verlengen indien de verlenging om objectieve redenen gerechtvaardigd en evenredig is. De verlenging kan gelden voor de termijn waarbinnen de Commissie bezwaar moet maken, of voor de termijn waarbinnen het definitieve besluit moet worden vastgesteld. De totale duur van een of meer verlengingen overeenkomstig dit lid mag niet meer dan zes maanden bedragen. De Commissie kan toezeggingen overeenkomstig artikel 23 in overweging nemen en deze bindend maken bij haar besluit.

Artikel 17 - Marktonderzoek naar nieuwe diensten en nieuwe praktijken

De Commissie kan een marktonderzoek uitvoeren om na te gaan of een of meer diensten in de digitale sector moeten worden toegevoegd aan de lijst van kernplatformdiensten of om soorten praktijken op te sporen die de betwistbaarheid van kernplatformdiensten kunnen beperken of oneerlijk kunnen zijn en die niet effectief door deze verordening worden aangepakt. Zij brengt uiterlijk 24 maanden na de inleiding van het marktonderzoek een openbaar verslag uit.

In voorkomend geval gaat dat verslag:

a) vergezeld van een voorstel tot wijziging van deze verordening teneinde extra diensten in de digitale sector op te nemen in de lijst van kernplatformdiensten van artikel 2, punt 2;

b) vergezeld van een gedelegeerde handeling tot wijziging van de artikelen 5 of 6, zoals bepaald in artikel 10.

HOOFDSTUK V

Bevoegdheden op het gebied van onderzoek, handhaving en toezicht

Artikel 18 - Inleiding van de procedure

Wanneer de Commissie voornemens is een procedure te voeren met het oog op de eventuele vaststelling van besluiten op grond van de artikelen 7, 25 en 26, stelt zij een besluit tot inleiding van een procedure vast.

Artikel 19 - Verzoeken om inlichtingen

1. De Commissie kan op eenvoudig verzoek of bij besluit van ondernemingen en ondernemersverenigingen verlangen dat deze alle nodige informatie verstrekken, onder meer met het oog op het toezicht op alsmede de uitvoering en de handhaving van de in deze verordening vastgestelde regels. De Commissie kan ook op eenvoudig verzoek of bij besluit om toegang tot databanken en algoritmen van ondernemingen verzoeken en om uitleg daarover vragen.

2. Voorafgaand aan de inleiding van een marktonderzoek op grond van artikel 14 of een procedure op grond van artikel 18 kan de Commissie ondernemingen en ondernemersverenigingen overeenkomstig lid 1 ook om inlichtingen verzoeken.

3. Bij het toezenden van een eenvoudig verzoek om inlichtingen aan een onderneming of ondernemersvereniging vermeldt de Commissie het doel van het verzoek, specificeert zij welke inlichtingen vereist zijn en stelt zij de termijn vast waarbinnen de inlichtingen moeten worden verstrekt, alsmede de sancties die bij artikel 26 op het verstrekken van onvolledige, onjuiste of misleidende inlichtingen of uitleg zijn gesteld.

4. Wanneer de Commissie bij besluit van ondernemingen en ondernemersverenigingen verlangt dat zij inlichtingen verstrekken, vermeldt zij het doel van het verzoek, specificeert zij welke inlichtingen vereist zijn en stelt zij de termijn vast voor het verstrekken van deze inlichtingen. Wanneer de Commissie bij besluit van ondernemingen verlangt dat zij toegang verlenen tot databanken en algoritmen, vermeldt zij de rechtsgrond voor en het doel van het verzoek en stelt zij de termijn vast voor het verstrekken van deze inlichtingen. Het besluit vermeldt ook de sancties bedoeld in artikel 26 en vermeldt de sancties bedoeld in artikel 27 of legt deze laatste sancties op. Het besluit vermeldt tevens het recht om bij het Hof van Justitie beroep tegen het besluit in te stellen.

5. De ondernemingen of ondernemersverenigingen of hun vertegenwoordigers verstrekken de gevraagde inlichtingen namens de betrokken onderneming of ondernemersvereniging. Naar behoren gemachtigde advocaten kunnen namens hun cliënten de gevraagde inlichtingen verstrekken. De cliënten blijven volledig aansprakelijk indien de verstrekte inlichtingen onvolledig, onjuist of misleidend zijn.

6. Op verzoek van de Commissie verstrekken de regeringen en autoriteiten van de lidstaten de Commissie alle inlichtingen die zij nodig heeft om de haar bij deze verordening opgedragen taken te vervullen.

Artikel 20 - Bevoegdheid tot het horen en het afnemen van verklaringen

De Commissie kan alle natuurlijke personen of rechtspersonen die daarin toestemmen, horen met het oog op het verzamelen van informatie met betrekking tot het voorwerp van een onderzoek, onder meer inzake het toezicht op alsmede de uitvoering en de handhaving van de in deze verordening vastgestelde regels.

Artikel 21 - Bevoegdheden voor het verrichten van inspecties ter plaatse

1. De Commissie kan inspecties ter plaatse verrichten in de gebouwen van een onderneming of ondernemersvereniging.

2. Inspecties ter plaatse kunnen ook worden uitgevoerd met de hulp van overeenkomstig artikel 24, lid 2, door de Commissie aangewezen auditoren of deskundigen.

3. Tijdens inspecties ter plaatse kunnen de Commissie en de door haar aangewezen auditoren of deskundigen van de onderneming of ondernemersvereniging verlangen dat deze toegang verschaft tot en uitleg geeft over haar organisatie, werking, IT-systemen, algoritmen, gegevensverwerking en zakelijke gedragingen. De Commissie en de door haar aangewezen auditoren of deskundigen kunnen vragen stellen aan stafpersoneel.

4. Wanneer de Commissie bij besluit een inspectie ter plaatse gelast, zijn de betrokken ondernemingen of ondernemersverenigingen verplicht zich aan die inspectie te onderwerpen. In het besluit wordt vermeld wat het voorwerp en het doel van de inspectie ter plaatse zijn en op welke datum de inspectie een aanvang neemt, en wordt gewezen op de sancties bedoeld in de artikelen 26 en 27, alsook op het recht om bij het Hof van Justitie beroep tegen het besluit in te stellen.

Artikel 22 - Voorlopige maatregelen

1. In dringende gevallen waarin zakelijke gebruikers of eindgebruikers van poortwachters ernstig en onherstelbaar dreigen te worden geschaad, kan de Commissie bij besluit overeenkomstig de in artikel 32, lid 4, bedoelde raadplegingsprocedure voorlopige maatregelen tegen een poortwachter gelasten op grond van de voorlopige vaststelling van een inbreuk op de artikelen 5 en 6.

2. Een besluit op grond van lid 1 kan alleen worden genomen in het kader van een procedure die is ingeleid met het oog op de eventuele vaststelling van een besluit inzake niet-naleving overeenkomstig artikel 25, lid 1. Een dergelijk besluit is gedurende een bepaalde periode van toepassing en kan worden verlengd in zoverre dit nodig en dienstig is.

Artikel 23 - Toezeggingen

1. Indien de betrokken poortwachter in de loop van de procedures overeenkomstig de artikelen 16 of 25 toezeggingen doet met betrekking tot de betrokken kernplatformdiensten om de naleving van de in de artikelen 5 en 6 vastgestelde verplichtingen te waarborgen, kan de Commissie bij een besluit dat is vastgesteld overeenkomstig de in artikel 32, lid 4, bedoelde raadplegingsprocedure, die toezeggingen bindend maken voor die poortwachter en verklaren dat er geen verdere gronden voor optreden zijn.

2. De Commissie kan, op verzoek of op eigen initiatief, bij besluit de betrokken procedure heropenen indien:

a) er een materiële wijziging optreedt in de feiten waarop het besluit steunt;

b) de betrokken poortwachter in strijd met de door hem gedane toezeggingen handelt;

c) het besluit berustte op door de partijen verstrekte onvolledige, onjuiste of misleidende informatie.

3. Indien de Commissie van oordeel is dat de door de betrokken poortwachter ingediende toezeggingen niet kunnen garanderen dat de verplichtingen van de artikelen 5 en 6 daadwerkelijk worden nageleefd, zet zij in het besluit tot afsluiting van de desbetreffende procedure uiteen waarom zij deze toezeggingen niet bindend heeft gemaakt.

Artikel 24 - Toezicht op verplichtingen en maatregelen

1. De Commissie kan de nodige maatregelen nemen om toezicht te houden op de daadwerkelijke uitvoering en naleving van de verplichtingen van de artikelen 5 en 6 en de krachtens de artikelen 7, 16, 22 en 23 genomen besluiten.

2. De in lid 1 bedoelde maatregelen kunnen bestaan uit de aanstelling van onafhankelijke externe deskundigen en auditoren om de Commissie bij te staan bij het toezicht op de verplichtingen en maatregelen en om de Commissie specifieke deskundigheid of kennis te verstrekken.

Artikel 25 - Niet-naleving

1. De Commissie neemt een niet-nalevingsbesluit overeenkomstig de in artikel 32, lid 4, bedoelde raadplegingsprocedure wanneer zij vaststelt dat een poortwachter een of meer van de volgende verplichtingen, maatregelen of toezeggingen niet naleeft:

a) om het even welke verplichting van artikel 5 of 6;

b) maatregelen die zijn gespecificeerd in een krachtens artikel 7, lid 2, vastgesteld besluit;

c) op grond van artikel 16, lid 1, gelaste maatregelen;

d) op grond van artikel 22 gelaste voorlopige maatregelen; of

e) toezeggingen die overeenkomstig artikel 23 juridisch bindend zijn gemaakt.

2. Alvorens het in lid 1 bedoelde besluit te nemen, deelt de Commissie haar voorlopige bevindingen mee aan de betrokken poortwachter. In de voorlopige bevindingen licht de Commissie toe welke maatregelen zij overweegt te nemen of welke maatregelen volgens haar door de poortwachter moeten worden genomen om de bezwaren in de voorlopige bevindingen doeltreffend aan te pakken.

3. In het overeenkomstig lid 1 vastgestelde niet-nalevingsbesluit gelast de Commissie de poortwachter de niet-naleving binnen een passende termijn te beëindigen en toe te lichten hoe hij van plan is aan het besluit te voldoen.

4. De poortwachter verstrekt de Commissie een beschrijving van de maatregelen die hij heeft genomen om ervoor te zorgen dat het overeenkomstig lid 1 vastgestelde besluit wordt nageleefd.

5. Indien de Commissie vaststelt dat niet aan de voorwaarden van lid 1 is voldaan, sluit zij het onderzoek bij besluit af.

Artikel 26 - Geldboeten

1. In het in artikel 25 bedoelde besluit kan de Commissie aan een poortwachter geldboeten opleggen van ten hoogste 10 % van zijn totale omzet in het voorgaande boekjaar, indien zij vaststelt dat de poortwachter opzettelijk of uit onachtzaamheid niet voldoet aan:

a) om het even welke verplichting van de artikelen 5 en 6;

b) de maatregelen die de Commissie krachtens een besluit op grond van artikel 7, lid 2, heeft vastgesteld;

c) op grond van artikel 16, lid 1, gelaste maatregelen;

d) een besluit waarbij voorlopige maatregelen op grond van artikel 22 worden gelast;

e) een toezegging die overeenkomstig artikel 23 juridisch bindend is gemaakt.

2. De Commissie kan bij besluit aan ondernemingen en ondernemersverenigingen geldboeten van ten hoogste 1 % van hun totale omzet in het voorafgaande boekjaar opleggen, indien deze opzettelijk of uit onachtzaamheid:

a) verzuimen binnen de termijn informatie te verstrekken die nodig is voor de beoordeling van hun aanwijzing als poortwachter overeenkomstig artikel 3, lid 2, of onjuiste, onvolledige of misleidende informatie verstrekken;

b) nalaten kennis te geven van informatie die vereist is op grond van artikel 12 of onjuiste, onvolledige of misleidende informatie verstrekken;

c) verzuimen de overeenkomstig artikel 13 vereiste beschrijving over te leggen;

d) onjuiste, onvolledige of misleidende informatie of toelichtingen verstrekken die op grond van de artikelen 19 of artikel 20 worden gevraagd;

e) geen toegang verlenen tot databanken en algoritmen overeenkomstig artikel 19;

f) nalaten door een personeelslid verstrekte onjuiste, onvolledige of misleidende informatie binnen een door de Commissie gestelde termijn te corrigeren of geen volledige informatie verstrekken of willen verstrekken over feiten die verband houden met het voorwerp en het doel van een inspectie overeenkomstig artikel 21;

g) weigeren zich aan een inspectie ter plaatse overeenkomstig artikel 21 te onderwerpen.

3. Bij de vaststelling van het bedrag van de geldboete wordt rekening gehouden met de ernst, de duur, de herhaling en, wat de krachtens lid 2 opgelegde geldboeten betreft, met de vertraging van de procedure.

4. Wanneer aan een ondernemersvereniging een geldboete is opgelegd rekening houdend met de totale omzet van haar leden, en deze vereniging insolvent is, is de vereniging verplicht om van haar leden bijdragen te vragen om de geldboete te kunnen betalen.

Wanneer die bijdragen niet binnen een door de Commissie vastgestelde termijn aan de vereniging zijn betaald, kan de Commissie elke onderneming waarvan de vertegenwoordigers lid waren van de betrokken besluitvormende organen van de vereniging, rechtstreeks tot betaling van de boete aanspreken.

Nadat de Commissie overeenkomstig de tweede alinea betaling heeft geëist, kan zij de betaling van het saldo eisen van elk lid van de vereniging dat actief was op de markt waarop de inbreuk heeft plaatsgevonden, indien dit noodzakelijk is om ervoor te zorgen dat de geldboete volledig wordt betaald.

De Commissie mag echter geen betaling uit hoofde van de tweede en derde alinea eisen van ondernemingen die aantonen dat zij de inbreukmakende beslissing van de vereniging niet hebben uitgevoerd en hetzij niet op de hoogte waren van het bestaan ervan, hetzij er actief afstand van hebben genomen vóór de aanvang van het onderzoek van de Commissie naar de zaak.

De financiële aansprakelijkheid van elke onderneming met betrekking tot de betaling van de boete bedraagt niet meer dan 10 % van haar totale omzet in het vorige boekjaar.

Artikel 27 - Dwangsommen

1. De Commissie kan bij besluit aan ondernemingen, waaronder in voorkomend geval poortwachters, dwangsommen opleggen van ten hoogste 5 % van de gemiddelde dagelijkse omzet in het voorafgaande boekjaar voor elke dag waarmee de in haar besluit vastgestelde termijn wordt overschreden, teneinde hen te dwingen:

a) het in artikel 16, lid 1, bedoelde besluit na te leven;

b) juiste en volledige inlichtingen te verstrekken binnen de termijn die vereist is op grond van een verzoek om inlichtingen dat bij besluit wordt gedaan overeenkomstig artikel 19;

c) de toegang tot databanken en algoritmen van ondernemingen te waarborgen en uitleg te verstrekken over de databanken en algoritmen zoals vereist door een besluit op grond van artikel 19;

d) zich aan een bij een besluit uit hoofde van artikel 21 gelaste inspectie ter plaatse te onderwerpen;

e) een besluit houdende voorlopige maatregelen op grond van artikel 22, lid 1, na te leven;

f) een toezegging waaraan overeenkomstig artikel 23, lid 1, bij besluit een bindend karakter is verleend, na te komen;

g) een besluit op grond van in artikel 25, lid 1, na te leven.

2. Wanneer de ondernemingen de verplichting zijn nagekomen ter afdwinging waarvan de dwangsom was opgelegd, kan de Commissie bij een besluit dat wordt vastgesteld overeenkomstig de in artikel 32, lid 4, bedoelde raadplegingsprocedure, de uiteindelijk verschuldigde dwangsom vaststellen op een bedrag dat lager is dan het bedrag van het oorspronkelijke besluit.

Artikel 28 - Verjaringstermijnen voor de oplegging van sancties

1. De verjaringstermijn voor de aan de Commissie verleende bevoegdheden overeenkomstig de artikelen 26 en 27, beloopt drie jaar.

2. De verjaringstermijn gaat in op de dag waarop de inbreuk heeft plaatsgevonden. Bij voortdurende of herhaalde inbreuken gaat de verjaringstermijn echter pas in op de dag waarop de inbreuk is beëindigd.

3. De verjaring voor de oplegging van geldboeten en dwangsommen wordt gestuit door elke handeling van de Commissie ter instructie of vervolging van de inbreuk. De stuiting van de verjaring treedt in op de dag waarop van de handeling kennis wordt gegeven aan ten minste één onderneming of ondernemersvereniging die aan de inbreuk heeft deelgenomen. Handelingen die de verjaring stuiten, zijn met name:

a) verzoeken tot inlichtingen door de Commissie;

b) inspectie ter plaatse;

c) de inleiding van een procedure door de Commissie overeenkomstig artikel 18.

4. Na iedere stuiting begint een nieuwe verjaringstermijn te lopen. De verjaring treedt echter ten laatste in op de dag waarop een termijn gelijk aan tweemaal de verjaringstermijn is verstreken zonder dat de Commissie een geldboete of een dwangsom heeft opgelegd. Deze termijn wordt verlengd met de periode gedurende welke de verjaring in overeenstemming met lid 5 wordt geschorst.

5. De verjaring ter zake van de oplegging van geldboeten en dwangsommen wordt geschorst zolang het besluit van de Commissie bij het Hof van Justitie van de Europese Unie aanhangig is.

Artikel 29 - Verjaringstermijnen voor de tenuitvoerlegging van sancties

1. De bevoegdheid van de Commissie tot tenuitvoerlegging van op grond van de artikelen 26 en 27 gegeven besluiten verjaart na vijf jaar.

2. De verjaringstermijn gaat in op de dag waarop het besluit niet meer kan worden aangevochten.

3. De verjaring terzake van de tenuitvoerlegging wordt gestuit:

a) door de kennisgeving van een besluit waarbij het oorspronkelijke bedrag van de geldboete of de dwangsom wordt gewijzigd of waarbij een daartoe strekkend verzoek wordt afgewezen;

b) door elke handeling van de Commissie of van een lidstaat op verzoek van de Commissie tot inning van de geldboete of de dwangsom.

4. Na iedere stuiting begint een nieuwe verjaringstermijn te lopen.

5. De verjaring voor de tenuitvoerlegging van sancties wordt geschorst:

a) zolang een betalingstermijn is toegestaan;

b) zolang de tenuitvoerlegging krachtens een beslissing van het Hof van Justitie is opgeschort.

Artikel 30 - Recht om te worden gehoord en toegang tot het dossier

1. Alvorens een besluit te nemen overeenkomstig artikel 7, artikel 8, lid 1, artikel 9, lid 1, de artikelen 15, 16, 22, 23, 25 en 26 en artikel 27, lid 2, biedt de Commissie de betrokken poortwachter, onderneming of ondernemersvereniging de kans te worden gehoord over:

a) voorlopige bevindingen van de Commissie, met inbegrip van eventuele bezwaren van de Commissie;

b) maatregelen die de Commissie eventueel voornemens is te nemen in het licht van de voorlopige bevindingen als bedoeld in punt a) van dit lid.

2. De betrokken poortwachters, ondernemingen en ondernemersverenigingen kunnen hun opmerkingen over de voorlopige bevindingen van de Commissie indienen binnen een termijn die de Commissie in haar voorlopige bevindingen vaststelt en die niet minder dan 14 dagen bedraagt.

3. De Commissie neemt haar besluiten uitsluitend op basis van punten van bezwaar waarop de poortwachters, ondernemingen en ondernemersverenigingen hebben kunnen reageren.

4. Het recht van verdediging van de poortwachter, onderneming of ondernemersvereniging wordt in de loop van iedere procedure ten volle geëerbiedigd. De betrokken poortwachter, onderneming of ondernemersvereniging hebben recht tot inzage van het dossier van de Commissie volgens de voorwaarden van een onderhandelde inzageverlening, onder voorbehoud van het rechtmatige belang van de ondernemingen inzake de bescherming van hun zakengeheimen. Het recht tot inzage van het dossier geldt niet voor vertrouwelijke inlichtingen en interne documenten van de Commissie of de autoriteiten van de lidstaten. Het recht tot inzage geldt niet voor de correspondentie tussen de Commissie en de autoriteiten van de lidstaten. Niets in dit lid belet de Commissie om voor het bewijs van een inbreuk noodzakelijke inlichtingen bekend te maken of te gebruiken.

Artikel 31 - Geheimhoudingsplicht

1. De overeenkomstig de artikelen 3, 12, 13, 19, 20 en 21 verzamelde inlichtingen worden uitsluitend gebruikt voor de toepassing van deze verordening.

2. Onverminderd de uitwisseling en het gebruik van gegevens zoals bepaald in de artikelen 32en 33 mogen de Commissie en de autoriteiten van de lidstaten, hun functionarissen, personeelsleden en andere onder het toezicht van deze autoriteiten werkende personen, alsook alle natuurlijke personen of rechtspersonen, waaronder overeenkomstig artikel 24, lid 2, aangewezen auditoren en deskundigen, geen inlichtingen openbaar maken die zij uit hoofde van deze verordening hebben verkregen of uitgewisseld en die naar hun aard onder de geheimhoudingsplicht vallen. Deze plicht geldt ook voor alle vertegenwoordigers en deskundigen van lidstaten die deelnemen aan activiteiten van het raadgevend comité digitale markten als bedoeld in artikel 32.

Artikel 32 - Raadgevend comité digitale markten

1. De Commissie wordt bijgestaan door het raadgevend comité digitale markten. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.

2. Wanneer het advies van het comité via een schriftelijke procedure dient te worden verkregen, wordt die procedure zonder gevolg beëindigd indien, binnen de termijn voor het uitbrengen van het advies, door de voorzitter van het comité daartoe wordt besloten of door een eenvoudige meerderheid van de leden van het comité daarom wordt verzocht.

3. De Commissie deelt het advies van het raadgevend comité digitale markten mee aan de adressaat van een individueel besluit, samen met dat besluit. Zij maakt het advies samen met het individuele besluit openbaar, met inachtneming van het rechtmatige belang van de geheimhoudingsplicht.

4. Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 4 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

Artikel 33 - Verzoek tot een marktonderzoek

1. Wanneer drie of meer lidstaten de Commissie verzoeken een onderzoek overeenkomstig artikel 15 in te leiden, omdat zij van oordeel zijn dat er redelijke gronden zijn om te vermoeden dat een aanbieder van kernplatformdiensten als poortwachter moet worden aangewezen, onderzoekt de Commissie binnen vier maanden of er redelijke gronden zijn om een dergelijk onderzoek in te leiden.

2. De lidstaten leggen bewijsstukken over tot staving van hun verzoek.

HOOFDSTUK VI

Algemene bepalingen

Artikel 34 - Bekendmaking van besluiten

1. De Commissie maakt de besluiten bekend die zij neemt overeenkomstig de artikelen 3, 7, 8, 9, 15, 16, 17 en 22, artikel 23, lid 1, en de artikelen 25, 26 en 27. De bekendmaking vermeldt de namen van de partijen en de belangrijkste punten van het besluit, waaronder de opgelegde sancties.

2. Bij de bekendmaking wordt rekening gehouden met het rechtmatige belang van poortwachters of derden bij de bescherming van hun vertrouwelijke informatie.

Artikel 35 - Rechtsmacht van het Hof van Justitie van de Europese Unie

Overeenkomstig artikel 261 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie volledige rechtsmacht ter zake van beroep tegen besluiten van de Commissie waarbij geldboeten of dwangsommen zijn opgelegd. Het kan de opgelegde geldboete of dwangsom intrekken, verlagen of verhogen.

Artikel 36 - Uitvoeringsbepalingen

1. De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen met betrekking tot: 3, 6, 12, 13, 15, 16, 17, 20, 22, 23, 25 en 30

a) de vorm, inhoud en andere bijzonderheden van kennisgevingen en indieningen overeenkomstig artikel 3;

b) de vorm, inhoud en andere bijzonderheden van de technische maatregelen die poortwachters treffen om te voldoen aan artikel 6, lid 1, punten h), i) en j);

c) de vorm, inhoud en andere bijzonderheden van kennisgevingen en indieningen overeenkomstig de artikelen 12 en 13;

d) de praktische regelingen voor de verlenging van de termijnen als bedoeld in artikel 16;

e) de praktische regelingen voor de procedures betreffende onderzoeken op grond van de artikelen 15, 16 en 17, en procedures op grond van de artikelen 22, 23 en 25;

f) de praktische regelingen van het in artikel 30 bedoelde recht om te worden gehoord;

g) de praktische regelingen van de in artikel 30 bedoelde onderhandelde inzageverlening;

2. de praktische regelingen voor de samenwerking en coördinatie tussen de Commissie en de lidstaten als bedoeld in artikel 1, lid 7. Deze uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 32, lid 4, bedoelde raadplegingsprocedure. Alvorens bepalingen uit hoofde van lid 1 vast te stellen, maakt de Commissie het ontwerp daarvan bekend en verzoekt zij alle belanghebbende partijen haar hun opmerkingen te doen toekomen binnen de termijn die zij vaststelt en die niet korter mag zijn dan een maand.

Artikel 37 - Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1. De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2. De in artikel 3, lid 6, en artikel 9, lid 1, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor een termijn van vijf jaar met ingang van dd/mm/jjjj. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden voor het einde van de termijn van vijf jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van elke termijn tegen deze verlenging verzet.

3. Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 3, lid 6, en artikel 9, lid 1, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4. Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven.

5. Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

6. Een overeenkomstig artikel 3, lid 6, en artikel 9, lid 1, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad binnen een termijn van drie maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad daartegen bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld daartegen geen bezwaar te zullen maken. De termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met drie maanden verlengd.

Artikel 38 - Herziening

1. Uiterlijk op dd/mm/jjjj en daarna om de drie jaar evalueert de Commissie deze verordening en brengt zij hierover verslag uit aan het Europees Parlement, de Raad en het Europees Economisch en Sociaal Comité.

2. In de evaluaties wordt vastgesteld of aanvullende regels, onder meer met betrekking tot de in artikel 2, punt 2, vastgestelde lijst van kernplatformdiensten, de in de artikelen 5 en 6 vastgestelde verplichtingen en de handhaving daarvan, nodig kunnen zijn om ervoor te zorgen dat digitale markten in de hele Unie betwistbaar en eerlijk zijn. Na de evaluaties neemt de Commissie passende maatregelen, die onder meer kunnen bestaan in wetgevingsvoorstellen.

3. De lidstaten voorzien de Commissie van alle hun ter beschikking staande relevante informatie die zij nodig kan hebben voor het opstellen van het in lid 1 bedoelde verslag.

Artikel 39 - Inwerkingtreding en toepassing

1. Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

2. Deze verordening is van toepassing met ingang van zes maanden na de inwerkingtreding.

De artikelen 3, 15, 18, 19, 20, 21, 26, 27, 30, 31 en 34 zijn evenwel van toepassing met ingang van [datum van inwerkingtreding van deze verordening].

3. Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.