Artikelen bij COM(2022)17 - Bruggen bouwen voor doeltreffende Europese samenwerking in het hoger onderwijs

Dit is een beperkte versie

U kijkt naar een beperkte versie van dit dossier in de EU Monitor.

EUROPESE COMMISSIE

Straatsburg, 18.1.2022

COM(2022) 17 final

2022/0008(NLE)


Voorstel voor een

AANBEVELING VAN DE RAAD

over bruggen bouwen voor doeltreffende Europese samenwerking in het hoger onderwijs

(Voor de EER relevante tekst)

{SWD(2022) 6}


TOELICHTING

1. ACHTERGROND VAN HET VOORSTEL

Motivering en doel van het voorstel

Door de Europese onderwijsruimte tegen 2025 tot stand te brengen wordt een Europese leerruimte gecreëerd die alle lerenden, academici en andere onderwijspersoneelsleden de mogelijkheid biedt zich vrij te verplaatsen om overal in de EU te studeren en te werken. Daartoe is het noodzakelijk dat de Europese instellingen voor hoger onderwijs nauwer en diepgaander kunnen samenwerken. Om de Europese onderzoeksruimte verder te ontwikkelen is het zaak de mobiliteit van onderzoekers en de kennisstroom te bevorderen, investeringen in onderzoek en innovatie te stimuleren en de transnationale samenwerking tussen instellingen voor hoger onderwijs en met bedrijven en andere actoren op het gebied van onderzoek en innovatie in hun ecosystemen te verbeteren. Dankzij transnationale samenwerking wordt de inclusiviteit, de excellentie, de diversiteit, de aantrekkelijkheid en het wereldwijde concurrentievermogen van het Europees hoger onderwijs versterkt. Transnationale samenwerking draagt bij tot gelijkheid en non-discriminatie, tot het oplossen van Europa’s problemen op het gebied van de klimaatverandering, de digitale transformatie en de vergrijzing – door lerenden de kans te bieden relevante vaardigheden en kennis te verwerven – en tot meer veerkracht en steun voor het herstel. Dankzij transnationale samenwerking zullen de instellingen voor hoger onderwijs een grotere rol in de wereld kunnen spelen, zodat Europa zich kan ontpoppen tot gangmaker bij de doeltreffende en efficiënte aanpak van wereldwijde problemen, tot een wereldwijde inspiratiebron en tot een aantrekkelijke bestemming voor studenten, academici en onderzoekers.

Het huidige initiatief bouwt voort op eerdere werkzaamheden op EU‑niveau. Naar aanleiding van de conclusies van de Europese Raad van 2017 1 waarin de lidstaten, de Raad en de Europese Commissie werden opgeroepen verder te werken aan het versterken van de strategische partnerschappen tussen instellingen voor hoger onderwijs in de hele EU, heeft de Commissie in 2019 bij wijze van proef de aanzet gegeven tot 41 allianties van Europese universiteiten in het kader van het programma Erasmus+, aangevuld met het programma Horizon 2020 voor onderzoek en innovatie. Doel was de structurele, systemische en duurzame samenwerking op lange termijn te testen tussen meer dan 280 instellingen voor hoger onderwijs uit heel Europa, die in het kader van de eerste twee oproepen tot het indienen van voorstellen waren geselecteerd. Uit het proefproject is gebleken dat samenwerking voordelen oplevert, maar er zijn ook een aantal problemen aan het licht gekomen, zoals moeilijkheden bij de organisatie van gezamenlijke transnationale onderwijsactiviteiten en -programma’s op alle niveaus (onder meer onverenigbare vereisten waardoor de uitreiking van gezamenlijke diploma’s, met inbegrip van een gezamenlijk Europees diploma, wordt verhindert) of het gebrek aan een wettelijk statuut voor allianties van instellingen voor hoger onderwijs, waardoor ze niet in staat zijn op doeltreffende wijze middelen te bundelen, infrastructuur te delen of technologie over te dragen. Deze aanbeveling van de Raad over bruggen bouwen voor doeltreffende Europese samenwerking in het hoger onderwijs vormt een eerste stap om deze problemen te verhelpen: doel is ervoor te zorgen dat alle instellingen voor hoger onderwijs in Europa en de lerenden, personeelsleden en onderzoekers van deze instellingen van vereenvoudigde transnationale samenwerking kunnen profiteren.

Samen met een mededeling van de Commissie over een Europese strategie voor universiteiten maakt deze aanbeveling van de Raad deel uit van het “pakket hoger onderwijs”, dat in het werkprogramma van de Commissie voor 2022 werd aangekondigd in het kader van de grote ambitie “Bevordering van onze Europese levenswijze”. Terwijl de strategie een visie voor de transformatie van het hoger onderwijs in heel Europa beschrijft, vormt de aanbeveling de eerste stap van een incrementele aanpak met het oog op diepgaandere, duurzamere en doeltreffendere transnationale samenwerking. De strategie en de aanbeveling verruimen de mogelijkheden voor innovatieve transnationale samenwerking in het hoger onderwijs, aangezien nauwere samenwerking van essentieel belang voor de EU is om haar rol in de wereld te consolideren. Daarom moeten de krachten worden gebundeld via diepgaandere samenwerking.

1) Structurele en operationele kwesties die in de voorgestelde aanbeveling van de Raad aan de orde moeten worden gesteld met het oog op diepgaandere transnationale samenwerking

Een wettelijk statuut voor allianties van instellingen voor hoger onderwijs zou de toegang tot en het delen en bundelen van gezamenlijke middelen (bijvoorbeeld financiële, menselijke, digitale en fysieke middelen) en diensten vergemakkelijken. Het gebrek aan een dergelijk statuut maakt het voor instellingen voor hoger onderwijs moeilijker om diepgaander samen te werken en beperkt hun concurrentievermogen.

De uitreiking van gezamenlijke diploma’s wordt belemmerd door incompatibele vereisten bij de organisatie van gezamenlijke transnationale onderwijsactiviteiten en ‑programma’s, bijvoorbeeld verschillen bij de beoordeling en de toekenning van studiepunten (zelfs wanneer van het Europees systeem voor het overdragen en verzamelen van studiepunten (ECTS) wordt gebruikgemaakt), curricula met verschillende minimum- of maximumstudiepunten per cursus en verschillende vormen van institutionele autonomie. Dergelijke wettelijke en administratieve problemen moeten uit de weg worden geruimd om een ambitieuze en diepgaandere transnationale samenwerking te kunnen ondersteunen. Het zou een stapsteen zijn in de richting van de geleidelijke invoering van een gemeenschappelijk Europees diploma op alle niveaus (bachelor, master, doctoraat en een leven lang leren).

Door het gebrek aan begeleiding, digitalisering en vereenvoudigde procedures hebben lerenden minder mobiliteitsmogelijkheden in het kader van transnationale gezamenlijke programma’s. De Europese studentenkaart maakt het voor studenten gemakkelijker om in verschillende instellingen te studeren en een opleiding te volgen. De mobiliteit van academici, onderzoekers en personeelsleden wordt onvoldoende gevaloriseerd in het kader van hun loopbaanontwikkeling.

Het gebrek aan duurzame financiering op lange termijn voor geïnstitutionaliseerde transnationale samenwerking belemmert hun ontwikkeling en een diepgaande transformatie van hun taken. Een langetermijnvisie zou betere mogelijkheden voor de opbouw van capaciteit en duurzame allianties creëren om de geplande ambities te verwezenlijken. Dit kan worden vergemakkelijkt door een wettelijk statuut te ontwikkelen dat de allianties in staat stelt middelen te bundelen en synergieën tussen regionale, nationale en Europese financieringsinstrumenten en -mogelijkheden te bevorderen.

In landen waar externe kwaliteitsborging en accreditatie hoofdzakelijk op programmaniveau plaatsvinden, wordt de Europese benadering van de kwaliteitsborging van gezamenlijke programma’s nog steeds onvoldoende tussen lidstaten onderling toegepast, waardoor de ontwikkeling en de accreditering van gezamenlijke onderwijsprogramma’s (bachelor-, master- en doctoraatsniveau) wordt belemmerd. Bijgevolg bestaat de kans dat in elke betrokken land een andere procedure voor externe kwaliteitsborging van gezamenlijke programma’s wordt toegepast met verschillende nationale regels, die administratieve lasten meebrengen en de toepassing van innovatieve interdisciplinaire onderwijsmethoden over de landsgrenzen heen belemmeren. Landen met externe kwaliteitsborging op institutioneel niveau kunnen daarentegen gemakkelijker gezamenlijke transnationale programma’s opzetten.

De opkomst van Europese (virtuele) interuniversitaire campussen en platformen voor gezamenlijke digitale of gemengde (blended) activiteiten wordt belemmerd door het gebrek aan interoperabiliteit tussen de digitale infrastructuur van de instellingen voor hoger onderwijs in de EU. De kern van het probleem wordt gevormd door het feit dat de instellingen voor hoger onderwijs niet in gelijke mate over de capaciteit en de middelen beschikken om digitale infrastructuur te ontwikkelen en te benutten, waardoor de mogelijkheden van online samenwerkend leren en lesgeven worden beperkt. Het probleem kan worden opgelost door te streven naar gedeelde interoperabele digitale infrastructuur en oplossingen, waarbij de instellingen wederzijdse toegang verlenen tot voor iedereen toegankelijke infrastructuur, diensten en opleidingen 2 .

Nationale wetgevingskaders met betrekking tot de beoordeling van afzonderlijke vakgebieden belemmeren de ontwikkeling van interdisciplinaire modules, met name bij de ontwikkeling van transnationale gezamenlijke diploma’s. Aangezien een belangrijke doelstelling van de allianties van Europese universiteiten erin bestaat op uitdagingen gebaseerde benaderingen toe te passen om maatschappelijke uitdagingen via interdisciplinaire benaderingen aan te gaan, belemmeren de nationale kaders de allianties vaak om op deze manier vooruitgang te boeken.

Governance waarbij studenten en personeelsleden worden betrokken bij beslissingen die op hun leer- en werkomgeving van invloed zijn, maakt een diepgaande en ambitieuze transnationale samenwerking mogelijk en draagt ertoe bij dat het hoger onderwijs een zinvolle bijdrage aan de ontwikkeling en de duurzaamheid van ecosystemen kan leveren. Institutionele governancestructuren en managementpraktijken voor het beheer van transnationale allianties zouden van een actievere betrokkenheid van lerenden, academici, onderzoekers en personeelsleden kunnen profiteren om zo goed mogelijk op de behoeften in te spelen en via transnationale samenwerking ontwikkelde innovatieve praktijken binnen de instelling te verspreiden. Momenteel weerspiegelen dergelijke structuren vaak niet de opbouw van de samenleving en de verscheidenheid aan ervaringen en ideeën.

De gedeelde waarden van onze Europese levenswijze vormen het onontbeerlijk fundament voor transnationale samenwerking als basis voor de ontwikkeling van kwalitatief hoogwaardig leren, onderwijs en onderzoek. Transnationale samenwerking bevordert de academische cultuur en draagt bij tot solidere democratische samenlevingen. Wanneer fundamentele waarden daarentegen niet in acht worden genomen, worden leren, onderwijs en onderzoek verzwakt, waardoor diepgaande transnationale samenwerking ondermijnt raakt. Onvoldoende autonomie beperkt de opties van instellingen voor hoger onderwijs om transnationale overeenkomsten te sluiten, een billijke bijdrage met andere partners te leveren en medefinanciering en voldoende personeel voor de uitvoering van de overeenkomsten beschikbaar te stellen. Bestuurlijke en administratieve autonomie is daarom een essentiële voorwaarde voor doeltreffende transnationale samenwerking.

2) Doelstellingen van de voorgestelde aanbeveling van de Raad

In een uiterst competitieve wereld vol uitdagingen zal het Europees hoger onderwijs sterker worden en zijn wereldwijde aantrekkingskracht en concurrentievermogen consolideren wanneer de krachten worden gebundeld. Als Europa gemeenschappelijke uitdagingen wil aangaan, met name de digitale en de groene transitie, is het zaak meer transnationaal samen te werken om het potentieel van alle beschikbare middelen te kunnen benutten door een beroep te doen op verschillende soorten instellingen voor hoger onderwijs met complementaire onderwijs- en onderzoekscapaciteiten en troeven. Solide oplossingen voor complexe multidimensionale uitdagingen vergen tijd en inspanningen op alle niveaus. Deze aanbeveling van de Raad vormt een eerste stap om structurele en operationele problemen die diepgaandere en ambitieuzere Europese institutionele transnationale samenwerking belemmeren, te verhelpen en een ongehinderde vrijheid van vereniging mogelijk te maken. Dankzij een wettelijk statuut zullen allianties van instellingen voor hoger onderwijs middelen, capaciteiten en sterke punten kunnen bundelen; een gezamenlijk Europees diploma zal de waarde van transnationale ervaringen in de kwalificaties hoger onderwijs van studenten erkennen en de bureaucratische rompslomp bij de organisatie van gezamenlijke programma’s verminderen; en het veralgemeend gebruik van de Europese studentenkaart, waarover alle mobiele studenten in alle instellingen voor hoger onderwijs in Europa uiterlijk medio 2024 zullen kunnen beschikken, zal de mobiliteit op alle niveaus vergemakkelijken. Dergelijke innovatieve instrumenten zullen in synergie werken en naar verwachting een Europese identiteit creëren, de transnationale samenwerking op een hoger niveau tillen en een sterk Europees samenhorigheidsgevoel bevorderen. Door bruggen voor meer systemische, structurele en duurzame transnationale samenwerking op institutioneel niveau te bouwen is het mogelijk de transformatie van de instellingen voor hoger onderwijs ten aanzien van al hun taken op het gebied van onderwijs, onderzoek, innovatie en dienstverlening aan de samenleving te versnellen en Europese en wereldwijde uitdagingen doeltreffender aan te gaan.

Verenigbaarheid met bestaande bepalingen op het beleidsterrein

De mededeling van de Commissie over een Europese strategie voor universiteiten 3 wil een echte Europese dimensie in het hoger onderwijs en het onderzoek tot stand te brengen. In de mededeling van de Commissie “De Europese onderwijsruimte tegen 2025 tot stand brengen” 4 wordt gepleit voor “een grensoverschrijdend beleidskader dat naadloze en ambitieuze transnationale samenwerking tussen instellingen voor hoger onderwijs mogelijk maakt”. De resolutie van de Raad betreffende een strategisch kader voor Europese samenwerking op het gebied van onderwijs en opleiding met het oog op de Europese Onderwijsruimte en verder (2021‑2030) 5 pleit ervoor “nauwere en diepere samenwerking aan te moedigen (...) waardoor allianties tussen instellingen voor hoger onderwijs, zoals die in het kader van het initiatief “Europese universiteiten”, hun sterke punten kunnen benutten en gezamenlijk transformatief hoger onderwijs kunnen verstrekken”. In de conclusies van de Raad over het initiatief “Europese universiteiten” 6 werden de lidstaten verzocht samen te werken om de belemmeringen voor compatibelere stelsels voor hoger onderwijs in kaart te brengen en weg te werken. In het ministeriële communiqué van Rome over de Europese ruimte voor hoger onderwijs 7 wordt toegezegd diepgaandere samenwerking te bevorderen en te vergemakkelijken. In de aanbeveling van de Raad betreffende de bevordering van automatische wederzijdse erkenning van kwalificaties van hoger onderwijs, hoger secundair onderwijs en opleiding en de resultaten van leerperioden in het buitenland 8 wordt ervoor gepleit de samenwerking tussen de lidstaten te bevorderen. In de mededeling van de Commissie over een nieuwe EOR voor onderzoek en innovatie 9 wordt gesteld dat het Europees hoger onderwijs Europa’s uitdagingen met succes kan aangaan als gemeenschappelijke O&I-strategieën worden ontwikkeld en capaciteit en middelen worden gedeeld. De aanbeveling van de Raad over een pact voor onderzoek en innovatie in Europa 10 ondersteunt samenwerking en synergie tussen de Europese onderzoeksruimte en de Europese ruimte voor hoger onderwijs. De mededeling van de Commissie over de totaalaanpak voor onderzoek en innovatie 11 moedigt grensoverschrijdend samenwerken op ongekende schaal aan om innovatieve oplossingen voor het realiseren van een rechtvaardige groene en digitale transitie te kunnen ontwikkelen. Het actieplan voor de Europese pijler van sociale rechten 12 wil – ondersteund door de Europese vaardighedenagenda 13  – “het volledige potentieel van de instellingen voor hoger onderwijs ontsluiten voor een herstel dat gericht is op een duurzame, inclusieve, groene en digitale transitie”.


Verenigbaarheid met andere beleidsterreinen van de Unie

Deze aanbeveling van de Raad bevordert doeltreffende transnationale samenwerking en stelt de instellingen voor hoger onderwijs in staat hun sleutelrol bij de Green Deal, het digitaal decennium, duurzame groei en het herstel te spelen en de positie van Europa in de wereld te versterken.

2. RECHTSGRONDSLAG, SUBSIDIARITEIT EN EVENREDIGHEID

Rechtsgrondslag

De voorgestelde aanbeveling van de Raad is gebaseerd op de artikelen 165 en 166 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) 14 . Artikel 165, lid 1, VWEU bepaalt dat de Unie bijdraagt “tot de ontwikkeling van onderwijs van hoog gehalte door samenwerking tussen de lidstaten aan te moedigen en zo nodig door hun activiteiten te ondersteunen en aan te vullen, met volledige eerbiediging van de verantwoordelijkheid van de lidstaten voor de inhoud van het onderwijs en de opzet van het onderwijsstelsel”. Artikel 165, lid 2, VWEU bepaalt voorts dat het optreden van de Unie op het gebied van onderwijs erop gericht is “de Europese dimensie in het onderwijs tot ontwikkeling te brengen”, “de samenwerking tussen onderwijsinstellingen te bevorderen” en “de mobiliteit van studenten en docenten te bevorderen, mede door de academische erkenning van diploma's en studietijdvakken aan te moedigen”. Artikel 166, lid 1, VWEU bepaalt dat de Unie inzake beroepsopleiding een beleid ten uitvoer legt. Artikel 166, lid 2, VWEU bepaalt dat het optreden van de Unie erop gericht moet zijn “de samenwerking inzake opleiding tussen onderwijs- of opleidingsinstellingen en ondernemingen te bevorderen”. Dit voorstel eerbiedigt ten volle de verantwoordelijkheid van de lidstaten voor de opzet van de onderwijs- en opleidingsstelsels (met inbegrip van de inhoud van het onderwijs en de culturele en taalkundige verscheidenheid) – waarbij de EU een aanvullende en ondersteunende rol speelt – en het vrijwillige karakter van de Europese samenwerking op het gebied van onderwijs en opleiding. Het initiatief strookt ook met de gedeelde verantwoordelijkheid op het gebied van onderzoek. Het initiatief voorziet niet in meer regelgevende bevoegdheden voor de EU noch in verbintenissen voor de lidstaten: het is aan de lidstaten om – afhankelijk van hun nationale omstandigheden – te beslissen hoe ze deze aanbeveling van de Raad uitvoeren.

Subsidiariteit (bij niet-exclusieve bevoegdheid)

Dit voorstel is in overeenstemming met het subsidiariteitsbeginsel van artikel 5, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU). Het voorstel wil de transnationale samenwerking in het hoger onderwijs ondersteunen en verdiepen met volledige inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel: de lidstaten kunnen immers onafhankelijk wetgevingsbesluiten en maatregelen nemen om diepgaandere samenwerking tussen instellingen voor hoger onderwijs te bevorderen. Onverminderd de verantwoordelijkheid van de lidstaten voor de wetgeving inzake het ontwerp, de opzet en de inhoud van onderwijs en leren kan het thema transnationale samenwerking per definitie beter op EU‑niveau worden aangepakt. Gezien de aard, de omvang en de gevolgen kunnen de voorgestelde maatregelen beter worden uitgevoerd door gezamenlijk optreden op het niveau van de Unie.

Evenredigheid

Dit voorstel is in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel van artikel 5, lid 4, VEU. Noch de inhoud noch de vorm van deze voorgestelde aanbeveling van de Raad gaat verder dan wat nodig is om de doelstellingen ervan te verwezenlijken. De voorgestelde maatregelen staan in verhouding tot de nagestreefde doelstellingen, aangezien ze de praktijken van de lidstaten en de diversiteit van de stelsels respecteren. Alle toezeggingen van de lidstaten zijn vrijwillig van aard en elke lidstaat kan vrij beslissen over de wijze waarop toezeggingen worden uitgevoerd. Bovendien voert dit initiatief het VWEU uit, dat bepaalt dat de Unie bijdraagt “tot de ontwikkeling van onderwijs van hoog gehalte door samenwerking tussen de lidstaten aan te moedigen” (artikel 165, lid 1). Maatregelen op EU-niveau leveren een meerwaarde op door diepgaandere transnationale samenwerking tussen instellingen voor hoger onderwijs uit verschillende lidstaten te vergemakkelijken en te bevorderen, de werking van het hoger onderwijs in de hele EU te verbeteren en de aantrekkelijkheid en het concurrentievermogen ervan wereldwijd te vergroten.

Keuze van het instrument

Om de bovengenoemde doelstellingen te verwezenlijken bepalen artikelen 165, lid 4, en artikel 166, lid 4, VWEU dat de Raad, op voorstel van de Commissie, aanbevelingen aanneemt. Een aanbeveling van de Raad is een geschikt instrument op het gebied van onderwijs en opleiding, waarvoor de Unie een ondersteunende verantwoordelijkheid draagt. Het is een veelgebruikt instrument voor EU‑optreden op het gebied van onderwijs en opleiding. Als rechtsinstrument geeft een aanbeveling van de Raad blijk van het grote belang dat de lidstaten aan de betrokken maatregelen hechten. Bovendien biedt een aanbeveling van de Raad een sterke politieke basis voor samenwerking zonder dat de autoriteit van de lidstaten in het gedrang komt.

3. EVALUATIE, RAADPLEGING VAN BELANGHEBBENDEN EN EFFECTBEOORDELING

Raadpleging van belanghebbenden

De afgelopen jaren zijn tal van raadplegingen georganiseerd over de mededelingen over de transformatie van het hoger onderwijs, het initiatief “Europese universiteiten”, de Europese onderwijsruimte en de Europese onderzoeksruimte. Gezien de grootschalige en extensieve aard van die raadplegingen, de permanente contacten met belanghebbenden en de noodzaak om raadplegingsmoeheid te voorkomen, is aanvullende specifieke input voor deze aanbeveling van de Raad verzameld via gerichte raadplegingen van de lidstaten, belanghebbenden (bijvoorbeeld overkoepelende universitaire organisaties, studentenorganisaties, rectorconferenties, sociale partners in het hoger onderwijs en overheidsinstanties) en allianties van Europese universiteiten: vier gerichte onlineraadplegingen op hoog niveau met het hoger onderwijs – georganiseerd door vicevoorzitter Schinas en commissaris Gabriel in juli en september 2020 en in april en juni 2021 – over de transformatie van het hoger onderwijs en transnationale samenwerking; vergaderingen in november 2020 en in april en september 2021 van de directeuren-generaal voor hoger onderwijs over de allianties van Europese universiteiten, de uitdagingen met het oog op de ontsluiting van hun volledige potentieel en het belang van samenwerking tussen het hoger onderwijs, de lidstaten en de Commissie om deze uitdagingen aan te gaan, voortbouwend op het gebruik van de bestaande instrumenten ter bevordering van de transparantie in het kader van het Bolognaproces. Tijdens het gezamenlijke evenement op 4 november 2020 zijn de raadplegingen van de directeuren-generaal voor hoger onderwijs en de rectoren van de Europese universiteiten voortgezet. Tijdens verschillende bilaterale en gezamenlijke raadplegingen van coördinatoren en studentenvertegenwoordigers van de allianties van Europese universiteiten zijn de behoeften en de ervaringen met betrekking tot de transformatie van het hoger onderwijs en transnationale samenwerking aan bod gekomen, evenals tijdens de vijf vergaderingen met de ad‑hocgroep van deskundigen (vertegenwoordigers van de lidstaten, de coördinatoren van de Europese universiteiten en belanghebbenden). In juli 2021 is een gezamenlijke vergadering van deze drie groepen belegd. In juli 2021 hebben gerichte raadplegingen op hoog niveau plaatsgevonden met leden van het Comité van de Regio’s en het Europees Economisch en Sociaal Comité. In september 2021 is een bijeenkomst georganiseerd met universitaire en studentennetwerken.

Bijeenbrengen en gebruik van expertise

Het voorstel is ook gebaseerd op verslagen en studies over: nationale collegegelden en steunmaatregelen in het Europees hoger onderwijs; het effect van toelatingsregels op de resultaten in het hoger onderwijs; de invoering van gezamenlijke diploma’s in het kader van Erasmus Mundus; de uitvoering van het Bolognaproces; de internationalisering van het academisch personeel; de nationale uitvoering van de Europese benadering van de kwaliteitsborging van gezamenlijke programma’s; het effect van het onderdeel hoger onderwijs van Erasmus+; de modernisering van het hoger onderwijs in Europa; de erkenning van buitenlandse kwalificaties tijdens de COVID‑19-pandemie; de kosten en baten van transnationale samenwerkingspartnerschappen in het hoger onderwijs; verslagen en studies van de OESO en de Raad van Europa; verslagen, standpuntnota’s en studies van tal van belangrijke belanghebbenden: de European University Association, de Guild, de League of European Research Universities (LERU), de Academic Cooperation Association (ACA), Coimbra, het Network of Universities from the Capitals of Europe (UNICA) enz. Deze informatie en andere recente onderzoeksgegevens zijn opgenomen in het begeleidende werkdocument van de diensten van de Commissie.

Effectbeoordeling

Er is geen effectbeoordeling uitgevoerd, gezien de vrijwillige aard van de voorgestelde activiteiten, de reikwijdte van de verwachte effecten en het feit dat de maatregelen de initiatieven van de lidstaten aanvullen. Bij de ontwikkeling van het voorstel is gebruikgemaakt van specifieke eerdere studies en de resultaten van de raadpleging van de lidstaten, de openbare raadpleging en talrijke specifieke raadplegingen van belanghebbenden.

Grondrechten

Deze voorgestelde aanbeveling van de Raad eerbiedigt de grondrechten van de EU. Het voorstel bevordert de in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie 15 erkende beginselen, namelijk het recht op onderwijs (uit hoofde van artikel 14) en het recht op bescherming van persoonsgegevens (uit hoofde van artikel 8).

4. GEVOLGEN VOOR DE BEGROTING

Hoewel voor dit initiatief geen extra middelen uit de EU‑begroting nodig zijn, zullen de in deze aanbeveling vervatte maatregelen financieringsbronnen op regionaal, nationaal en EU‑niveau mobiliseren.

5. OVERIGE ELEMENTEN

Uitvoeringsplanning en regelingen betreffende controle, evaluatie en rapportage

Om de uitvoering te ondersteunen, stelt de Commissie voor om in samenwerking met de lidstaten specifieke richtsnoeren, handboeken en andere concrete hulpmiddelen te ontwikkelen op basis van wetenschappelijke gegevens, peer learning en goede praktijken. De Commissie zal de lidstaten aanbevelen de in de aanbeveling uiteengezette beginselen zo spoedig mogelijk uit te voeren en een plan met de op nationaal niveau te nemen maatregelen in te dienen. De Commissie is voornemens over het gebruik van de aanbeveling verslag uit te brengen via relevante monitoring- en rapportagekaders van de Unie.

Overzicht van de specifieke bepalingen van het voorstel

In de aanbeveling van de Raad worden maatregelen voorgesteld die de lidstaten kunnen nemen om een doeltreffendere en diepgaandere transnationale samenwerking te bevorderen, met name door de uitvoering van gezamenlijke programma’s te vergemakkelijken en de haalbaarheid te onderzoeken van een wettelijk statuut voor allianties van instellingen voor hoger onderwijs (bijvoorbeeld de Europese universiteiten), een gezamenlijk Europees diploma, de uitrol van de Europese studentenkaart en de initiatieven van de Europese universiteiten. In de aanbeveling zegt de Europese Commissie toe de maatregelen van de lidstaten op dit gebied te ondersteunen en aan te vullen. Ter ondersteuning van de voorgestelde aanbeveling van de Raad bevat het bijgevoegde werkdocument van de diensten van de Commissie tal van recente onderzoeksgegevens en de standpunten en ervaringen van Europese belanghebbenden.

2022/0008 (NLE)

Voorstel voor een

AANBEVELING VAN DE RAAD

over bruggen bouwen voor doeltreffende Europese samenwerking in het hoger onderwijs

(Voor de EER relevante tekst)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 165, lid 4, en artikel 166, lid 4,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1) Een diepgaandere en doeltreffendere transnationale samenwerking in het hoger onderwijs in heel Europa is van cruciaal belang om de waarden, de identiteit en de democratie van de Unie te ondersteunen, de veerkracht van de Europese samenleving en economie te vergroten en een duurzame toekomst tot stand te brengen. Om de uitdagingen met betrekking tot de groene en de digitale transitie en de vergrijzing aan te gaan en Europa in staat te stellen een op technologie gebaseerd concurrentievermogen aan te scherpen, heeft Europa sterke onderling verbonden instellingen voor hoger onderwijs nodig.

(2) Het bouwen van bruggen die instellingen voor hoger onderwijs in staat stellen diepgaander, langdurig en doeltreffend transnationaal samen te werken op institutioneel niveau, helpt instellingen voor hoger onderwijs samen sterker te maken en studenten, een leven lang lerenden en onderzoekers op een toekomst als wereldburgers voor te bereiden. Instellingen voor hoger onderwijs in heel Europa passen zich aan een snel veranderende wereld met snel veranderende disciplines en leeromgevingen – bijvoorbeeld met betrekking tot de groene en de digitale transitie – aan. Dit vereist nieuwe denkwijzen en nieuwe structuren voor samenwerking en mobiliteit van studenten, personeel en onderzoekers over de grenzen van disciplines en geografische grenzen heen. Deze nieuwe en door de digitale transitie aangedreven realiteit impliceert een nieuw aantrekkelijk onderwijsaanbod, nieuwe vormen en mogelijkheden voor transnationale samenwerking en mobiliteit – zowel persoonlijk als online – voor alle lerenden, ook voor kansarme personen of bewoners van afgelegen gebieden, en stimuleert de diversiteit van academici, onderzoekers en professioneel personeel.

(3) Nauwere samenwerking tussen diverse instellingen voor hoger onderwijs overal in de EU – onder meer universiteiten, onderzoeksuniversiteiten, university colleges, universiteiten voor toegepaste wetenschappen, instellingen voor hoger beroepsonderwijs en hogere beroepsopleiding en instellingen voor hoger kunstonderwijs – is een belangrijk beginsel dat ten grondslag ligt aan en inherent is aan de Europese onderwijsruimte 16 en de Europese onderzoeksruimte 17 . Diepgaandere transnationale samenwerking tussen diverse en complementaire instellingen ondersteunt de eerlijke toegang tot onderwijs, opleiding en onderzoek van hoge kwaliteit, bevordert het creëren en verspreiden van kennis, vergemakkelijkt het delen van capaciteit en infrastructuur, draagt bij tot de vitaliteit van regio’s en gemeenschappen en helpt een einde te maken aan kansarmoede en geografische ongelijkheden. Transnationale samenwerking draagt ook bij tot de ontsluiting van het volledige potentieel van het hoger onderwijs als promotor van vaardigheden en kennis – bijvoorbeeld voor de digitale en de groene transitie – en draagt bij tot de uitvoering van de Europese pijler van sociale rechten.

(4) In de mededeling van de Commissie “De Europese onderwijsruimte tegen 2025 tot stand brengen” 18 wordt gepleit voor naadloze en ambitieuze transnationale samenwerking, een vereenvoudigde uitreiking van gezamenlijke diploma’s en onderzoek naar de haalbaarheid van een wettelijk statuut voor allianties zoals de Europese universiteiten. De Resolutie van de Raad betreffende een strategisch kader voor Europese samenwerking op het gebied van onderwijs en opleiding met het oog op de Europese onderwijsruimte en verder (2021‑2030) 19 pleit voor nauwere samenwerking, de bundeling van kennis en middelen en het creëren van meer kansen voor mobiliteit van studenten, academici en onderzoekers, onder meer door de volledige uitrol van het initiatief “Europese universiteiten” 20 en het initiatief “Europese studentenkaart” 21 . In zijn conclusies over het initiatief “Europese universiteiten” 22 heeft de Raad de lidstaten verzocht om de belemmeringen voor compatibelere stelsels voor hoger onderwijs weg te werken en de haalbaarheid van gezamenlijke Europese diploma’s te onderzoeken. In de mededeling van de Commissie over een nieuwe EOR voor onderzoek en innovatie 23 en in de aanbeveling over een pact voor onderzoek en innovatie in Europa 24 wordt voor nauwere samenwerking gepleit en het potentieel van initiatieven zoals de Europese universiteiten erkend voor de transformatie van het hoger onderwijs. Ook in de Europese vaardighedenagenda 25 wordt opgeroepen de obstakels voor doeltreffende en diepgaandere transnationale samenwerking uit de weg te ruimen.

(5) In het ministeriële communiqué van Rome over de Europese ruimte voor hoger onderwijs 26 en in de aanbeveling van de Raad betreffende de bevordering van automatische wederzijdse erkenning van kwalificaties van hoger onderwijs en hoger secundair onderwijs en opleiding en de resultaten van leerperioden in het buitenland 27 wordt opgeroepen diepgaandere transnationale samenwerking te bevorderen en te vergemakkelijken. In de resolutie van het Europees Parlement “De Europese onderwijsruimte: een gedeelde holistische benadering” 28 wordt onderstreept dat er behoefte is aan meer samenwerking en pleit voor de benutting van synergieën tussen de Europese onderwijsruimte, de Europese onderzoeksruimte en de Europese ruimte voor hoger onderwijs.

(6) De 41 allianties van Europese universiteiten, die door het programma Erasmus+ worden ondersteund en met Horizon 2020 voor de onderzoeks- en innovatiedimensie worden aangevuld, leveren nuttige ervaringen op bij het testen van modellen voor diepgaandere transnationale samenwerking die verder gaan dan de bestaande individuele institutionele strategieën, governance en samenwerkingsecosystemen. Ze zijn een bron van inspiratie voor het hoger onderwijs om systemische hervormingen door te voeren en tegelijkertijd voor een betere coördinatie tussen Europese beleidsmaatregelen op het gebied van hoger onderwijs en onderzoek te zorgen.

(7) In deze aanbeveling van de Raad worden onder de “allianties van Europese universiteiten” 29 de allianties verstaan die in het kader van het programma Erasmus+ worden gefinancierd, eventueel met aanvullende steun uit het programma Horizon voor onderzoek en innovatie. Met de “allianties van instellingen voor hoger onderwijs” wordt verwezen naar alle andere samenwerkingsmodellen. Deze aanbeveling van de Raad wil de transnationale samenwerking voor alle Europese instellingen voor hoger onderwijs vergemakkelijken en beperkt zich dus niet tot die instellingen die in het kader van het initiatief “Europese universiteiten” worden gesteund.

(8) Ambitieuze allianties in het hoger onderwijs zouden de rechtszekerheid van een wettelijk statuut moeten genieten dat hen in staat stelt gemeenschappelijke financiële, menselijke, digitale en fysieke middelen en diensten te delen met het oog op virtuele interuniversitaire campussen en interoperabele platforms voor gezamenlijke digitale of gemengde (blended) activiteiten. Om de transnationale samenwerking bij de doeltreffende aanpak van de groene en de digitale transitie te verdiepen, moeten de ontwikkeling van interdisciplinaire modules en het ontwerp van gezamenlijke Europese diploma’s verder worden bevorderd in nationale wetgevingskaders. Door flexibele en inclusieve mobiliteit via coherentere mobiliteitskaders te mainstreamen en het gebruik van de Europese studentenkaart op te schalen worden meer mogelijkheden voor lerenden, academici, onderzoekers en personeelsleden gecreëerd. Er is voldoende financiering op lange termijn nodig om capaciteit op te bouwen en de geplande ambities op het gebied van transnationale samenwerking te realiseren. 

(9) Met het oog op diepgaandere samenwerking tussen instellingen voor hoger onderwijs is het zaak allesomvattende uitdagingen aan te gaan. De naadloze ontwikkeling, de externe kwaliteitsborging en de accreditatie van gezamenlijke transnationale onderwijsactiviteiten en ‑programma’s op alle niveaus worden gehinderd door de verschillen in externe kwaliteitsborging, de ongelijke automatische wederzijdse erkenning van kwalificaties en studieperioden in het buitenland – en de daarmee samenhangende ongelijke naleving van cruciale verbintenissen in het kader van het Bolognaproces –, de verschillende diplomastructuren, de verschillen bij de toepassing van het Europees studiepuntensysteem (ECTS) 30 en de gedeeltelijke erkenning van virtueel en blended leren. Door deze problemen te verhelpen is het mogelijk de administratieve lasten te verminderen en de uitvoering van innovatieve interdisciplinaire pedagogische methoden over landsgrenzen heen te bevorderen.

(10) Europese transnationale samenwerking op institutioneel niveau is een krachtige katalysator van de ingrijpende transformatie naar excellente, inclusieve, concurrerende, duurzame en aantrekkelijke instellingen voor hoger onderwijs, waarbij met al hun taken (onderwijs, onderzoek, innovatie en dienstverlening aan de samenleving) rekening wordt gehouden – en voordelen voor het hoger onderwijs en andere sectoren worden gegenereerd ter bevordering van een Europa van kennis, veerkracht en democratie – en waarbij onze Europese levenswijze en waarden worden weerspiegeld. De transnationale samenwerking moet worden vergemakkelijkt met behulp van een coherent wetgevingskader van Europese en nationale wetgevingsmaatregelen, de doeltreffende toepassing van de beschikbare Europese initiatieven, instrumenten en tools (bijvoorbeeld de Europese universiteiten, de tools van het Bolognaproces of de Europese studentenkaart) en de ontwikkeling van nieuwe instrumenten zoals een gezamenlijk Europees diploma en een wettelijk statuut voor allianties in het hoger onderwijs (bijvoorbeeld de Europese universiteiten). Het kader moet stapsgewijze worden ontwikkeld, waarbij de instellingen voor hoger onderwijs bruggen kunnen bouwen en doeltreffender grensoverschrijdend kunnen samenwerken, de stelsels voor hoger onderwijs meer samenhang wordt verleend ten voordele van het hele hoger onderwijs en voor de samenleving waarde wordt gecreëerd,

BEVEELT AAN DAT DE LIDSTATEN: 

met volledige inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel, de institutionele autonomie en de academische vrijheid, in overeenstemming met de nationale omstandigheden en in nauwe samenwerking met alle relevante belanghebbenden:

1. Instellingen voor hoger onderwijs in staat stellen na te gaan of het haalbaar is een wettelijk statuut te ontwikkelen voor allianties van instellingen voor hoger onderwijs – zoals de Europese universiteiten – met als doel diepgaandere samenwerking te bevorderen door menselijke, technische, gegevens-, onderwijs-, onderzoeks- en innovatiecapaciteit te delen. Hen in staat stellen te experimenteren met de mogelijkheden die bestaande Europese instrumenten bieden. In dit verband stappen ondernemen om de verordening betreffende een Europese groepering voor territoriale samenwerking (EGTS) 31 volledig uit te voeren en conform punt 11a in de vorm van proefprojecten te testen.

2. Instellingen voor hoger onderwijs die bij transnationale samenwerking betrokken zijn, aanmoedigen en het hen gemakkelijker maken om in gezamenlijke programma’s te voorzien en gezamenlijke diploma’s uit te reiken. In dit verband en op basis van de resultaten van de in punt 12 vastgestelde verkennende acties de uitreiking op nationaal niveau vergemakkelijken van een gezamenlijk Europees diploma met de link naar de nationale kwalificatiekaders 32

3. Instellingen voor hoger onderwijs in staat stellen innovatieve gezamenlijke transnationale onderwijsactiviteiten te ontwikkelen en uit te voeren door hen de mogelijkheid te bieden voor passende benaderingen en maatregelen te zorgen met betrekking tot:

a) de toelatings- en inschrijvingscriteria voor studenten en een leven lang lerenden;

b) de vaststelling van de onderwijstalen;

c) het aandeel van onlineleren in het totale onderwijsaanbod; het aandeel van studentenmobiliteit (fysiek, virtueel leren of blended) in het kader van de gezamenlijke onderwijsactiviteit; en het aandeel en de organisatie van stages, werkplekleren, op uitdagingen gebaseerde benaderingen en interdisciplinaire benaderingen;

d) de inclusie van flexibele leertrajecten, zoals kleine leerervaringen die tot microcredentials leiden;

e) de transparantie van diploma’s en de regels voor de toekenning en de overdracht van studiepunten, overeenkomstig de gebruikersgids 2015 voor het Europees studiepuntensysteem (ECTS) als enige basis voor transnationale gezamenlijke programma’s zonder extra regels of beperkingen;

f) het gebruik van informatie over externe kwaliteitsborging van Europese programma’s en/of instellingen voor hoger onderwijs overeenkomstig de normen en richtsnoeren voor kwaliteitsborging in de Europese ruimte voor hoger onderwijs (ESG), die is opgenomen in de database van de resultaten van externe kwaliteitsborging (DEQAR) om voor automatische wederzijdse erkenning 33 ten behoeve van verder leren te zorgen;

g) de mogelijkheid eerdere leerervaringen te erkennen op basis van transparante en billijke kwaliteitseisen en de organisatie van een passende beoordeling van lerenden, en de toekenning van studiepunten voor eerdere leerervaringen; 

h) de mogelijkheid meer flexibiliteit te bieden bij het vaststellen van het template van hun gezamenlijke diploma’s – met inbegrip van het gebruik van een gemeenschappelijk template voor een gezamenlijk Europees diploma – wanneer gezamenlijke transnationale programma’s worden uitgevoerd. 

4. Geïntegreerde mobiliteit in gezamenlijke transnationale onderwijsprogramma’s ondersteunen

a) de instellingen voor hoger onderwijs ondersteunen om mobiliteit (fysiek, virtueel leren, blended) op een meer systematische en flexibele manier in hun gezamenlijke onderwijsprogramma’s op alle niveaus te integreren, zodat een groter aantal studenten, academici en onderzoekers van de dynamiek van geïntegreerde samenwerking in het hoger onderwijs kan profiteren en een evenwichtig circuleren van talent wordt bevorderd; 

b) de digitalisering van het mobiliteitsbeheer in het kader van multilaterale partnerschappen van instellingen voor hoger onderwijs bevorderen door het gebruik van de Europese studentenkaart op te schalen, met name de standaardisering en digitalisering van bedrijfsprocessen rond de ondertekening van multilaterale interinstitutionele overeenkomsten; 

c) streven naar coherentere benaderingen van leermobiliteit in termen van toelatingssystemen, academische kalenders, collegegeldsystemen en de toegang tot en het gebruik van faciliteiten voor hoger onderwijs tijdens de zomer-/vakantiemaanden.

5. Zich ertoe verbinden de financiële steun voor allianties van Europese universiteiten te handhaven en de transnationale institutionele samenwerking in het hoger onderwijs te verdiepen

a) beschikbare financieringsbronnen op regionaal, nationaal en EU‑niveau 34 aanspreken om waar mogelijk de steun van Erasmus+ en Horizon Europa te evenaren voor de succesvolle deelname van instellingen voor hoger onderwijs aan allianties van Europese universiteiten;

b) de instellingen voor hoger onderwijs ondersteunen bij de voorbereiding van hun aanvragen en hun deelname aan een dergelijke diepgaande institutionele transnationale samenwerking;

c) een cultuur van transnationale samenwerking onder instellingen voor hoger onderwijs promoten en ontwikkelen door ervoor te zorgen dat een dergelijke cultuur wordt geïntegreerd in en gestimuleerd via nationale beleidsmaatregelen, prioriteitstellingen en financieringsprocessen.

6. De kernbeginselen van institutionele autonomie bevorderen en beschermen als noodzakelijke voorwaarde voor het ontwikkelen van gemeenschappelijke governanceregelingen voor diepgaandere transnationale samenwerking. De universiteiten in staat stellen onafhankelijke beslissingen over de interne governance en financiële, personele en academische aangelegenheden te nemen en de academische vrijheid te beschermen. Het academisch personeel en de studenten op zinvolle wijze betrekken bij de besluitvorming over hun instelling.

7. Het wederzijds vertrouwen versterken door externe kwaliteitsborging en de accreditatie van gezamenlijke onderwijsprogramma’s en andere vormen van gezamenlijke onderwijsmogelijkheden die zijn ontwikkeld door Europese universiteiten en soortgelijke institutionele transnationale samenwerkingsmodellen.

a) verder streven naar de toepassing van institutionele externe kwaliteitsborging. Hierdoor wordt de ontwikkeling van een echte institutionele kwaliteitscultuur ondersteunt die leidt tot een grotere verantwoordingsplicht en meer compatibiliteit van de systemen in heel Europa op basis van reeds bestaande instrumenten en kaders in het kader van de Europese onderwijsruimte, de Europese onderzoeksruimte en de Europese ruimte voor hoger onderwijs; 

b) de mogelijkheid overwegen om de zelfaccreditatie van programma’s op basis van institutionele kwaliteitsborging toe te staan ter ondersteuning van de eigen verantwoordelijkheid van instellingen voor hoger onderwijs;

c) in landen die zich nog steeds verlaten op externe kwaliteitsborging op programmaniveau, de mogelijkheid overwegen om:

i) de volledige toepassing van de Europese benadering van de kwaliteitsborging van gezamenlijke programma’s mogelijk te maken zonder extra nationale vereisten of voorwaarden voor de toepassing van de Europese benadering;

ii) ervoor zorgen dat de externe evaluatie van gezamenlijke transnationale programma’s kan worden uitgevoerd door één enkel in het Europees register voor kwaliteitsborging in het hoger onderwijs (EQAR) 35 geregistreerd agentschap en dat de resultaten automatisch door alle andere betrokken stelsels voor hoger onderwijs worden aanvaard zonder extra nationale vereisten of procedurele stappen; en

iii) ervoor zorgen dat een hernieuwde accreditatie van gezamenlijke transnationale programma’s alleen nodig is bij substantiële wijzigingen, zodat de flexibiliteit van de programma’s niet in het gedrang komt.

8. – Om inclusieve en studentgerichte transnationale samenwerking te bevorderen en te vergemakkelijken – de ontwikkeling van hoogwaardig virtueel collaboratief leren als integraal onderdeel van onderwijs, leren en onderzoek ondersteunen ter aanvulling van persoonlijke interacties, en met name:

a) instellingen voor hoger onderwijs ondersteunen bij de ontwikkeling van virtuele, collaboratieve en internationale onlineleermodellen als integraal onderdeel van hybride onderwijs, onder meer door leiderschap, strategische planning, robuuste en geïnternationaliseerde pedagogische opleidings- en ondersteuningsdiensten en passende financiering; 

b) de tijd die academici besteden aan de ontwikkeling van nieuwe innovatieve pedagogische methoden via transnationale samenwerking, in hun loopbaanbeoordeling te valoriseren en te erkennen;

c) allianties van Europese universiteiten en soortgelijke geïnstitutionaliseerde samenwerkingsmodellen ondersteunen bij hun inspanningen om expertise en middelen te bundelen om gezamenlijke digitale strategieën en gedeelde interoperabele IT‑infrastructuur te ontwikkelen en te benutten, bijvoorbeeld door wederzijdse toegang te verlenen tot onlineleren en ‑onderzoek, systemen voor leermanagement, digitale bibliotheken of platforms voor open onlinecursussen voor een groot publiek (massive open online course, MOOC), opleidings- en ondersteuningsdiensten, naadloze toegang tot vindbare, toegankelijke, interoperabele en herbruikbare gegevens (findable, accessible, interoperable, and reusable, FAIR) en andere interoperabele diensten; 

d) het testen van opensource-oplossingen ondersteunen om gemeenschappelijke problemen op te lossen en zo bij te dragen tot de interoperabiliteit, de digitale paraatheid, de datasoevereiniteit en de verantwoordelijkheid van stelsels voor hoger onderwijs.

9. Instellingen voor hoger onderwijs ondersteunen bij de ontwikkeling van interdisciplinaire gezamenlijke transnationale onderwijsprogramma’s op alle niveaus (korte cycli, bachelor, master en doctoraat).

a) transnationale, op uitdagingen gebaseerde benaderingen mogelijk maken en bevorderen waarbij lerenden uit verschillende disciplines, culturen en landen samenwerken met onderzoekers, bedrijven, steden, regio’s, niet-gouvernementele organisaties en lokale gemeenschappen om creatieve en innovatieve oplossingen voor wereldproblemen te vinden; 

b) het aanbieden van hoogwaardige mogelijkheden voor een leven lang leren voor iedereen stimuleren om bij- en omscholing te vergemakkelijken, met bijzondere aandacht voor de meest gevraagde gebieden.

10. Instellingen voor hoger onderwijs aanmoedigen om lerenden, academici en onderzoekers nauwer te betrekken bij de governance van institutionele transnationale samenwerkingsstructuren voor het hoger onderwijs, en met name

a) instellingen voor hoger onderwijs aanmoedigen om ervoor te zorgen dat de governancestructuren de steeds diversere achtergrond van de lerenden en het personeel en de verschillende werkgelegenheids- en onderwijservaringen weerspiegelen in overeenstemming met de beginselen van inclusie en gelijkheid; 

b) de capaciteitsopbouw met het oog op sterk en doeltreffend leiderschap ondersteunen als belangrijke motor voor holistische institutionele transnationale samenwerking;

c) het genderevenwicht in de governancestructuren bevorderen;

d) mogelijkheden voor peer learning en bench learning creëren om initiatieven aan te moedigen en te ondersteunen waarbij instellingen voor hoger onderwijs ervaringen kunnen uitwisselen en aan wederzijds leren en de uitwisseling van kennis kunnen deelnemen.

De lidstaten wordt aanbevolen deze aanbeveling zo spoedig mogelijk uit te voeren en uiterlijk [insert date 6 months after adoption by Council] een actieplan bij de Commissie in te dienen met de maatregelen die – als essentiële stappen op weg naar een Europese onderwijsruimte – op nationaal niveau moeten worden genomen om de verwezenlijking van de doelstellingen van deze aanbeveling uiterlijk 2025 te ondersteunen.

VERZOEKT DE COMMISSIE:

11. – Parallel aan de analyse van lopende studies en andere voorbereidende werkzaamheden – de lidstaten en de instellingen voor hoger onderwijs te ondersteunen om het gebruik van bestaande Europese instrumenten te testen met het oog op de ontwikkeling van een wettelijk statuut voor allianties van instellingen voor hoger onderwijs tegen medio 2024. Dankzij een dergelijk statuut zou gemakkelijker diepgaander, langdurig en flexibel transnationaal kunnen worden samengewerkt, waarbij het mogelijk en eenvoudiger wordt capaciteiten en data te delen, personeel uit te wisselen en gezamenlijke programma’s uit te voeren met als doel op het niveau van de alliantie gezamenlijke diploma’s uit te reiken, met inbegrip van een gezamenlijk Europees diploma.

a) als eerste stap vanaf 2022 financiële steun te verlenen in het kader van Erasmus+ aan die allianties van instellingen voor hoger onderwijs die de toepassing van bestaande Europese instrumenten in de vorm van een proefproject willen testen 36 .

12. – In nauwe samenwerking met de lidstaten, de instellingen voor hoger onderwijs, de studentenorganisaties en de belanghebbenden – de opties en noodzakelijke stappen te onderzoeken voor een gezamenlijk Europees diploma, dat medio 2024 beschikbaar moet zijn. Een op nationaal niveau uit te reiken gezamenlijk Europees diploma zou de leerresultaten die in het kader van de transnationale samenwerking tussen verschillende instellingen – bijvoorbeeld in het kader van allianties van Europese universiteiten – zijn behaald, officieel bevestigen en op een gemeenschappelijke reeks Europese criteria gebaseerd zijn. Een Europees diploma zou gemakkelijk uitgereikt, opgeslagen, gedeeld, geverifieerd en geauthentiseerd moeten kunnen worden en overal in de EU moeten worden erkend.

a) vanaf 2022 in het kader van Erasmus+ bij wijze van proef de eerste stappen met het oog op een gezamenlijk Europees diploma te testen, met inbegrip van het verzamelen van ervaringen om Europese criteria voor de toekenning – als eerste stap – van een label “Europees diploma” te ontwikkelen. Een dergelijk label zou worden toegekend als extra bewijs van de kwalificatie van studenten die gezamenlijke programma’s hebben voltooid in het kader van de transnationale samenwerking tussen verschillende instellingen voor hoger onderwijs.

13. – Via het programma Erasmus+ en in synergie met Horizon Europa en andere EU‑programma’s – het initiatief Europese universiteiten verder te ontwikkelen als de meest ambitieuze en strategische van alle mogelijkheden voor transnationale samenwerking in het kader van Erasmus+. Vanaf 2022 in meer en duurzame financiering voor succesvolle bestaande allianties van Europese universiteiten te voorzien na een concurrerende en kwalitatieve oproep, en de creatie van nieuwe allianties mogelijk te maken. In het kader van de tussentijdse evaluatie van de MFK-programma’s een investeringstraject te ontwikkelen, waarbij rekening wordt gehouden met regionale, nationale en Europese financiering, met het oog op het indienen van voorstellen uiterlijk 2024.

14. De uitrol van het initiatief “Europese studentenkaart” te ondersteunen, met name de digitalisering van bedrijfsprocessen met meerdere ondertekenaars en uitwisselingen van gegevens om de administratieve lasten van het beheer van de mobiliteit van studenten en personeel en de uitwisselingen in het kader van transnationale partnerschappen van instellingen voor hoger onderwijs te verminderen.

De Commissie wordt verzocht de voortgang van de actieplannen van de lidstaten voor de uitvoering van deze aanbeveling en de toepassing van de aanbeveling in het kader van de werkzaamheden ter uitvoering van het strategisch kader voor Europese samenwerking op het gebied van onderwijs en opleiding met het oog op de Europese onderwijsruimte te beoordelen en te evalueren – met behulp van relevante monitoring- en rapportagekaders van de Unie, in samenwerking met de lidstaten en na raadpleging van de betrokken belanghebbenden – en uiterlijk vijf jaar na de goedkeuring van de aanbeveling verslag uit te brengen aan de Raad.