Artikelen bij COM(2024)139 - Wijziging van de Verordeningen (EU) 2021/2115 en (EU) 2021/2116 wat betreft de normen voor een goede landbouw- en milieuconditie, regelingen voor klimaat, milieu en dierenwelzijn, wijzigingen van strategische GLB-plannen, herziening van strategische GLB-plannen en vrijstellingen van controles en sancties

Dit is een beperkte versie

U kijkt naar een beperkte versie van dit dossier in de EU Monitor.



Artikel 1

Wijzigingen van Verordening (EU) 2021/2115


Verordening (EU) 2021/2115 wordt als volgt gewijzigd:


(1) Artikel 4 wordt als volgt gewijzigd:

(a) in lid 3 wordt punt a) vervangen door:

“a) “bouwland”: land dat voor de teelt van gewassen wordt gebruikt of daarvoor beschikbaar is maar braak ligt, alsmede, voor de looptijd van de verbintenis, land dat voor de teelt van gewassen wordt gebruikt of daarvoor beschikbaar is maar braak ligt, dat is braakgelegd overeenkomstig artikel 31 of artikel 70 van deze verordening, of overeenkomstig de artikelen 22, 23 of 24 van Verordening (EG) nr. 1257/1999 van de Raad(*), of artikel 39 van Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad(**), of artikel 28 van Verordening (EU) nr. 1305/2013 van het Europees Parlement en de Raad(***);

________________

(*) Verordening (EG) nr. 1257/1999 van de Raad van 17 mei 1999 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL) en tot wijziging en intrekking van een aantal verordeningen (PB L 160 van 26.6.1999, blz. 80, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/1999/1257/oj).

(**) Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad van 20 september 2005 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) (PB L 277 van 21.10.2005, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2005/1698/oj).

(***) Verordening (EU) nr. 1305/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 487, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2013/1305/oj).”;


(b) in lid 4, eerste alinea, wordt punt b) vervangen door:

“b) areaal van het bedrijf:

i) met landschapselementen die onder de behoudsverplichting van GLMC-norm 8 vallen als vermeld in bijlage III, of

ii) dat, voor de duur van de betrokken verbintenis van de landbouwer, wordt ingesteld of gehandhaafd uit hoofde van een in artikel 31 bedoelde ecoregeling.

Indien een lidstaat daartoe besluit, mag een “subsidiabele hectare” andere landschapselementen bevatten, mits deze niet overheersen en de uitoefening van de landbouwactiviteit niet significant belemmeren door het ingenomen areaal op het landbouwperceel. Bij het toepassen van dat beginsel kan een lidstaat het deel landbouwperceel met die andere landschapselementen, begrenzen.

Voor blijvend grasland met geïsoleerde niet-subsidiabele elementen kunnen de lidstaten besluiten om voor het bepalen van de subsidiabele oppervlakte vaste verlagingscoëfficiënten toe te passen;”.


(2) Artikel 13 wordt als volgt gewijzigd:

(a) lid 1 wordt vervangen door:

“1. De lidstaten zorgen ervoor dat alle landbouwarealen, met inbegrip van land dat niet langer voor productiedoeleinden wordt gebruikt, in een goede landbouw- en milieuconditie worden gehouden. De lidstaten stellen op nationaal of regionaal niveau met betrekking tot elke in bijlage III vermelde GLMC-norm minimumnormen vast voor landbouwers en andere begunstigen, overeenkomstig de in die bijlage bedoelde hoofddoelstelling van die normen. Bij de vaststelling van de normen houden de lidstaten rekening met, in voorkomend geval, de specifieke kenmerken van de betrokken arealen, met inbegrip van de bodem- en klimaatgesteldheid, en met bestaande landbouwsystemen, landbouwpraktijken, de omvang en de structuur van landbouwbedrijven, landgebruik, en de specifieke kenmerken van ultraperifere gebieden.

Bij het vaststellen van de in bijlage III vermelde GLMC-normen 5, 6, 7 of 9 kunnen de lidstaten specifieke vrijstellingen van de vereisten van die normen vaststellen. De specifieke vrijstellingen van de GLMC-normen 5, 6, 7 of 9 worden gebaseerd op objectieve en niet-discriminerende criteria, zoals gewassen, bodemtypen en landbouwsystemen of schade aan blijvend grasland, onder andere door roofdieren of invasieve soorten, en zijn beperkt in termen van oppervlaktedekking. De specifieke vrijstellingen worden alleen vastgesteld indien en voor zover ze noodzakelijk zijn om specifieke problemen bij de toepassing van die normen aan te pakken en mogen de bijdrage van elk van die normen aan de in bijlage III vermelde hoofddoelstellingen niet significant belemmeren.”;


(b) het volgende lid 2 bis wordt ingevoegd:

“2 bis. Bij het implementeren van de overeenkomstig de leden 1 en 2 vastgestelde minimumnormen kunnen de lidstaten tijdelijke afwijkingen toestaan van vereisten zoals de in die normen vastgestelde termijnen en perioden in het geval van weersomstandigheden die landbouwers en andere begunstigden beletten in een bepaald jaar aan die vereisten te voldoen. Deze tijdelijke afwijkingen zijn beperkt tot landbouwers en andere begunstigden of gebieden die door de weersomstandigheden zijn getroffen en worden slechts toegepast zolang ze strikt noodzakelijk zijn.”.

(3) In artikel 31 wordt het volgende lid 1 bis ingevoegd:

“1 bis. In het kader van de in lid 1 bedoelde ecoregelingen stellen de lidstaten regelingen vast inzake praktijken voor de instandhouding van niet-productieve arealen, zoals braakliggend land, en voor de aanleg van nieuwe landschapselementen op bouwland, en verstrekken zij steun voor die regelingen. Deze regelingen zijn vrijwillig voor actieve landbouwers en groepen actieve landbouwers.”.

(4) In artikel 119 wordt lid 7 vervangen door:

“7. Per kalenderjaar kan twee keer een verzoek tot wijziging van een strategisch GLB-plan worden ingediend, onder voorbehoud van eventuele in deze verordening voorziene of door de Commissie overeenkomstig artikel 122 bepaalde uitzonderingen. Daarnaast kunnen tijdens de door het strategisch GLB-plan bestreken periode drie extra verzoeken tot wijziging van het strategisch GLB-plan worden ingediend. Dit lid is niet van toepassing op verzoeken tot wijziging met het oog op het indienen van ontbrekende elementen overeenkomstig artikel 118, lid 5.”.

(5) Aan artikel 120 wordt de volgende alinea toegevoegd:

“De eerste alinea is niet van toepassing op wijzigingen van in bijlage XIII vermelde wetgevingshandelingen die na 31 december 2025 in werking treden.”.


(6) Bijlage III wordt als volgt gewijzigd:

(a) in de tabel wordt de vermelding voor “GLMC 6” vervangen door:



GLMC 6Minimale bodembedekking om in de meest kwetsbare perioden, zoals vastgesteld door de lidstaten(****).Bescherming van bodems in de meest kwetsbare perioden

(****) De lidstaten kunnen met name rekening houden met de korte vegetatieperiode die voortvloeit uit de duur en de ernst van de winterperiode in de betrokken gebieden.”;


(b) in de tabel wordt de vermelding voor GLMC 7 vervangen door:



GLMC 7Vruchtwisseling op bouwland, met uitzondering van gewassen die onder water groeien. De lidstaten kunnen daarnaast besluiten om landbouwers en andere begunstigden toe te staan aan deze norm te voldoen met gewasdiversificatie(*****).Behoud van het bodempotentieel

(*****) Vruchtwisseling houdt in dat op perceelniveau van gewas wordt gewisseld (meerjarige gewassen, grassen en andere kruidachtige voedergewassen, en braakliggend land uitgezonderd), de naar behoren beheerde secundaire teelten daarbij inbegrepen.

Ingeval de landbouwmethoden en agroklimatologische omstandigheden in een gebied divers zijn, kunnen de lidstaten andere soorten verbeterde vruchtwisseling met peulgewassen of gewasdiversificatie toestaan, gericht op verbetering en behoud van het bodempotentieel overeenkomstig de doelstellingen van deze GLMC-norm.

Bij het vaststellen van vereisten inzake gewasdiversificatie nemen de lidstaten de volgende minimumvereisten in acht:

- ingeval de oppervlakte van het bouwland van een bedrijf tussen tien en dertig hectare bedraagt, houdt gewasdiversificatie in dat op het bouwland van dat bedrijf ten minste twee verschillende gewassen worden geteeld. Het hoofdgewas bestrijkt niet meer dan 75 % van dat bouwland.

- ingeval de oppervlakte van het bouwland van een bedrijf meer dan dertig hectare bedraagt, houdt gewasdiversificatie in dat op het bouwland van dat bedrijf ten minste drie verschillende gewassen worden geteeld. Het hoofdgewas bestrijkt niet meer dan 75 % van het bouwland en de twee hoofdgewassen bestrijken samen niet meer dan 95 % van het bouwland.

De lidstaten kunnen bedrijven van de verplichtingen uit hoofde van deze norm vrijstellen:

a) ingeval meer dan 75 % van het bouwland gebruikt wordt voor de productie van grassen of andere kruidachtige voedergewassen, braak ligt, gebruikt wordt voor de teelt van vlinderbloemige gewassen, of voor een combinatie daarvan;

b) ingeval meer dan 75 % van het subsidiabele landbouwareaal blijvend grasland is, gebruikt wordt voor de productie van grassen of andere kruidachtige voedergewassen of gedurende een aanzienlijk deel van het jaar of een aanzienlijk deel van de gewascyclus wordt beplant met gewassen die onder water staan, of gebruikt wordt voor een combinatie daarvan, of

c) met een oppervlakte bouwland van maximaal tien hectare.

De lidstaten kunnen om grote monoculturen te voorkomen een maximum instellen voor oppervlakten met één gewas.

Landbouwers die gecertificeerd zijn overeenkomstig Verordening (EU) 2018/848(******) worden verondersteld aan deze GLMC-norm te voldoen.

________________

(******) Verordening (EU) 2018/848 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad (PB L 150 van 14.6.2018, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2018/848/oj).”;


(c) in de tabel wordt de vermelding voor “GLMC 8” vervangen door:



GLMC 8— Behoud van landschapselementen


— Verbod op het snoeien van heggen en bomen in de vogelbroedperiode


— Facultatief, maatregelen om invasieve plantensoorten te voorkomen
Instandhouding van niet-productieve kenmerken ter verbetering van de biodiversiteit op boerderijen

”.

Artikel 2

Wijzigingen van Verordening (EU) 2021/2116


Verordening (EU) 2021/2116 wordt als volgt gewijzigd:

(1) In artikel 83 wordt lid 2 vervangen door:

“2. In afwijking van lid 1 worden landbouwers met bedrijven met een maximale omvang van tien hectare landbouwareaal dat is aangegeven overeenkomstig artikel 69, lid 1, vrijgesteld van controles in het kader van het overeenkomstig lid 1 van dit artikel opgezette systeem.”.

(2) Aan artikel 84 wordt het volgende lid toegevoegd:

“4. In afwijking van de leden 1, 2 en 3 en van artikel 85, zijn landbouwers met bedrijven met een maximale omvang van tien hectare landbouwareaal dat is aangegeven overeenkomstig artikel 69, lid 1, vrijgesteld van de in de leden 1, 2 en 3 en in artikel 85 bedoelde sancties.”.

(3) In artikel 104, lid 1, tweede alinea, wordt punt a), iv), vervangen door:

“iv) wat het Elfpo betreft, op de uitgaven die zijn gedaan door de begunstigden en de betalingen die zijn gedaan door het betaalorgaan in het kader van de uitvoering van plattelandsontwikkelingsprogramma’s overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1305/2013, met uitzondering van de artikelen 96 en 97 van Verordening (EU) nr. 1306/2013 wat betreft begunstigden die zijn onderworpen aan het in artikel 83 van deze verordening bedoelde controlesysteem;”.

[Artikel 3

Overgangsbepalingen

(1) In afwijking van artikel 119, lid 8, derde alinea, van Verordening (EU) 2021/2115 hoeft de datum van vankrachtwording van wijzigingen van strategische GLB-plannen met betrekking tot het ELGF die door de lidstaten op grond van artikel 119, lid 2, van die verordening ter goedkeuring door de Commissie zijn ingediend voor claimjaar 2024 met betrekking tot in artikel 1, punt 6, a), b) en c), van deze verordening vastgestelde elementen, niet door de Commissie te worden goedgekeurd.

(2) In afwijking van artikel 119, lid 11, van Verordening (EU) 2021/2115 kunnen de lidstaten voor claimjaar 2024 besluiten dat wijzigingen van strategische GLB-plannen met betrekking tot in artikel 1, punt 6, a), b) en c), van deze verordening vastgestelde elementen rechtsgevolgen kunnen hebben voordat zij door de Commissie zijn goedgekeurd. Voor het in artikel 1, punt 6, c), van deze verordening vastgestelde element kunnen de lidstaten dat besluit enkel nemen indien zij voor het claimjaar 2024 een regeling toepassen inzake praktijken voor de instandhouding van niet-productieve arealen, zoals braakliggend land, of voor de aanleg van nieuwe landschapselementen op bouwland, als bedoeld in artikel 31 van Verordening (EU) 2021/2115.

Bij het nemen van dit besluit waarborgen de lidstaten dat de algemene beginselen van het Unierecht, in het bijzonder het rechtszekerheidsbeginsel, het non-discriminatiebeginsel en de bescherming van het gewettigd vertrouwen van landbouwers en andere begunstigden, in acht worden genomen en dat rekening wordt gehouden met de behoefte van landbouwers en andere begunstigden om over voldoende tijd te beschikken om aan de wijzigingen te voldoen.]

Artikel 4

Inwerkingtreding en toepassing

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

[Artikel 1, punt 6, a), b) en c), en artikel 2, punten 2 en 3, zijn van toepassing voor claimjaar 2024.]

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.