Toelichting bij COM(2007)298 - Wijziging van richtlijn 2003/109/EG teneinde haar werkingssfeer uit te breiden tot personen die internationale bescherming genieten

Dit is een beperkte versie

U kijkt naar een beperkte versie van dit dossier in de EU Monitor.

ACHTERGROND VAN HET VOORSTEL

Motivering en doel van het voorstel


Vluchtelingen en personen die subsidiaire bescherming genieten (hierna „personen die internationale bescherming genieten” genoemd) hebben momenteel geen recht op de status van langdurig ingezetene uit hoofde van Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen. De Raad en de Commissie hebben deze leemte erkend en verzochten in de gezamenlijke verklaring van 8 mei 2003 om de uitbreiding van de werkingssfeer van Richtlijn 2003/109/EG tot personen die internationale bescherming genieten. Met dit voorstel wordt aan die verklaring gevolg gegeven door personen die internationale bescherming genieten binnen de werkingssfeer van Richtlijn 2003/109/EG te doen vallen.

Algemene context


Het voorstel van de Commissie voor Richtlijn 2003/109/EG van 2001[1] hield in dat vluchtelingen na vijf jaar legaal en ononderbroken verblijf in een lidstaat in aanmerking zouden komen voor de status van langdurig ingezetene, terwijl zij waren vrijgesteld van de verplichting over voldoende vaste en regelmatige inkomsten en een eigen ziektekostenverzekering te beschikken. In de loop van de onderhandelingen werd echter besloten vluchtelingen buiten de werkingssfeer van de Richtlijn te doen vallen en in de gezamenlijke verklaring van de Raad en de Commissie, die werd afgelegd op de Raad Justitie en Binnenlandse Zaken van 8 mei 2003, werd afgesproken dat de Commissie een voorstel voor een richtlijn zou indienen teneinde de status van langdurig ingezetene uit te breiden tot vluchtelingen en personen die subsidiaire bescherming genieten, rekening houdend met de studie over de overdracht van beschermingsstatus.

Bestaande bepalingen op het door het voorstel bestreken gebied


De status van langdurig ingezetene en de rechten en voordelen die aan die status zijn verbonden, zijn omschreven in Richtlijn 2003/109/EG, die na de aanneming van dit voorstel ook van toepassing zal zijn op personen die internationale bescherming genieten. Volgens Richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 zijn personen die internationale bescherming genieten onderdanen van derde landen of staatlozen aan wie de vluchtelingenstatus of de subsidiaire-beschermingsstatus in de zin van die richtlijn is verleend.

Samenhang met andere beleidsgebieden


Dit voorstel is volledig in overeenstemming met de conclusies van de Europese Raad van Tampere van 1999 en het Haags Programma van 2004 betreffende de eerlijke behandeling van onderdanen van derde landen.

1.

Raadpleging van belanghebbende partijen en effectbeoordeling



Raadpleging van belanghebbende partijen



In 2004 hebben de diensten van de Commissie de grote lijnen van dit voorstel vrijblijvend met de lidstaten besproken in het Comité voor immigratie en asiel en tijdens twee informele bijeenkomsten met deskundigen. Ook de Hoge Commissaris voor de vluchtelingen van de VN, de Europese Raad voor vluchtelingen en ballingen (ECRE) en de Kerkelijke Commissie voor migranten in Europa werden in 2004 informeel geraadpleegd. Namens de Commissie hebben de Deense Vluchtelingenraad, het Instituut voor migratiebeleid en het Instituut voor migratie en etnische studies een studie uitgevoerd over de overdracht van beschermingsstatus in de EU, tegen de achtergrond van het gemeenschappelijk Europees asielstelsel en het doel van een uniforme status die in de hele Unie geldig is voor degenen aan wie asiel is verleend. Het verslag van de studie bestaat uit drie delen, waarin de bestaande wetgeving, de praktijk van elf lidstaten en één niet-lidstaat en toekomstige scenario's voor een communautair mechanisme voor de overdracht van bescherming zijn beschreven. De onderzoekers raadpleegden elf lidstaten, de Hoge Commissaris voor de vluchtelingen van de VN en de Raad van Europa (over de Europese Overeenkomst inzake de overdracht van verantwoordelijkheid). Over het eindverslag, dat werd besproken met de deskundigen van de lidstaten, bestond brede consensus.

De geraadpleegde partijen verwelkomden de uitbreiding van de richtlijn tot vluchtelingen. Sommige lidstaten hadden echter twijfels over de uitbreiding tot personen die subsidiaire bescherming genieten. De Commissie besloot niettemin om die groep in dit voorstel op te nemen, omdat zij van oordeel is dat de situatie van alle onderdanen van derde landen die al vijf jaar in de gastlidstaat verblijven gedekt zou moeten worden (bovendien werd er in de gezamenlijke verklaring van mei 2003 naar beide categorieën verwezen). De meeste geraadpleegde partijen waren het eens met de analyse in de studie dat de overdracht van bescherming zelfs mogelijk is alvorens de status van langdurig ingezetene is verworven, wat impliceert dat voor de overdracht van bescherming een afzonderlijk voorstel zou moeten worden ingediend. De meeste geraadpleegde partijen waren het er ook mee eens dat een communautair mechanisme voor de overdracht van bescherming wederzijdse erkenning van de beslissingen inzake asiel impliceert, wat op haar beurt vereist dat de asielprocedures van de lidstaten in voldoende mate geharmoniseerd zijn. De Commissie besloot bijgevolg geen communautair mechanisme voor de overdracht van bescherming in dit voorstel op te nemen.

2.

Juridische elementen van het voorstel



WIJZIGING VAN RICHTLIJN 2003/109/EG VAN DE RAAD Het belangrijkste doel van het voorstel is personen die internationale bescherming genieten rechtszekerheid te bieden over hun verblijf in een lidstaat en hun na vijf jaar legaal verblijf rechten toe te kennen die vergelijkbaar zijn met die van EU-onderdanen, en zodoende een leemte in Richtlijn 2004/83/EG op te vullen. Te dien einde worden de uitzonderingen op de werkingssfeer van Richtlijn 2003/109/EG in verband met personen die internationale bescherming genieten geschrapt, terwijl waar van toepassing rekening wordt gehouden met hun specifieke positie ten opzichte van andere onderdanen van derde landen. STATUS VAN LANGDURIG INGEZETENE IN EEN EERSTE LIDSTAAT Personen die internationale bescherming genieten zouden de status van langdurig ingezetene moeten kunnen verwerven in de lidstaat die hun bescherming heeft verleend, onder dezelfde voorwaarden als andere onderdanen van derde landen. Voorts zouden personen die internationale bescherming genieten en die de status van langdurig ingezetene verwerven, volledig de rechten en voordelen moeten kunnen genieten die aan deze status verbonden zijn. Ook zouden voor hen de in Richtlijn 2003/109/EG vastgestelde beperkingen en grenzen van deze rechten en voordelen moeten gelden. Zolang een langdurig ingezetene krachtens Richtlijn 2004/83/EG internationale bescherming blijft genieten, kunnen zijn uit Richtlijn 2004/83/EG voortvloeiende rechten echter niet worden beperkt door de in Richtlijn 2003/109/EG vastgestelde beperkingen. De vraag of personen die internationale bescherming genieten en die de status van langdurig ingezetene hebben verworven, nog steeds internationale bescherming behoeven en of zij nog steeds recht hebben op de internationale-beschermingsstatus uit hoofde van Richtlijn 2004/83/EG valt buiten de werkingssfeer van deze richtlijn. De oorspronkelijke verlening van bescherming vereist niettemin ook dat het beginsel van non-refoulement wordt geëerbiedigd indien de status van langdurig ingezetene in de eerste lidstaat wordt ingetrokken of verloren gaat. VERBLIJF EN STATUS VAN LANGDURIG INGEZETENE IN EEN TWEEDE LIDSTAAT Hoofdstuk III van Richtlijn 2003/109/EG van de Raad stelt de voorwaarden vast waaronder langdurig ingezetenen hun recht van verblijf in een andere lidstaat kunnen uitoefenen. Deze voorwaarden moeten volledig gelden voor personen die internationale bescherming genieten aan wie de status van langdurig ingezetene is verleend. Personen die internationale bescherming genieten en die op grond van artikel 23 van Richtlijn 2003/109/EG in een andere lidstaat dan die welke hun internationale bescherming heeft verleend, een verzoek indienen om toekenning van de status van langdurig ingezetene, zouden ook alle relevante voorwaarden die bij Richtlijn 2003/109/EG zijn opgelegd, moeten naleven. GEEN COMMUNAUTAIR MECHANISME VOOR DE OVERDRACHT VAN VERANTWOORDELIJKHEID VOOR BESCHERMING UIT HOOFDE VAN DE GEWIJZIGDE RICHTLIJN 2003/109/EG Deze richtlijn verleent onder bepaalde voorwaarden slechts aan langdurig ingezetenen het recht zich in een tweede lidstaat te vestigen, en niet aan personen die internationale bescherming genieten (Richtlijn 2004/83/EG verleent evenmin een dergelijk recht). Ofschoon de vestiging in een tweede lidstaat in sommige gevallen op een bepaald ogenblik kan leiden tot de overdracht van verantwoordelijkheid voor bescherming, valt deze aangelegenheid buiten de werkingssfeer van deze richtlijn. Hoewel er geen betrouwbare statistieken beschikbaar zijn, blijkt uit bovengenoemde studie over de overdracht van bescherming dat maar zelden verzoeken om overdracht van bescherming worden ingediend. In de praktijk geven de verschillende interpretaties die door de lidstaten aan de bestaande wetgeving inzake overdracht van bescherming worden gegeven, geen aanleiding tot onoplosbare problemen. Uit de studie blijkt ook dat overdracht van bescherming niet onlosmakelijk verbonden is met de status van langdurig ingezetene voor personen die internationale bescherming genieten, aangezien een vluchteling toestemming kan krijgen om in een tweede lidstaat te verblijven (om beroeps- of familiale redenen), zelfs alvorens hij in een eerste lidstaat de status van langdurig ingezetene heeft verworven. Voorts impliceert de overdracht van bescherming de wederzijdse erkenning van de beslissingen inzake asiel tussen lidstaten, wat op haar beurt vereist dat de asielprocedures van de lidstaten in voldoende mate geharmoniseerd zijn, wat momenteel niet het geval is. Het voorstel tot wijziging van Richtlijn 2003/109/EG bevat bijgevolg geen mechanisme voor de overdracht van verantwoordelijkheid voor bescherming overeenkomstig het Gemeenschapsrecht. Dit betekent dat verzoeken om overdracht van verantwoordelijkheid voor bescherming geregeld blijven door het Verdrag van Genève van 1951 en, waar van toepassing, de Europese Overeenkomst inzake de overdracht van verantwoordelijkheid voor vluchtelingen, die gesloten is in het kader van de Raad van Europa. GARANDEREN DAT DE TWEEDE LIDSTAAT HET BEGINSEL VAN NON-REFOULEMENT EERBIEDIGT Aangezien het voorstel geen betrekking heeft op de overdracht van verantwoordelijkheid voor internationale bescherming, is het van belang dat ervoor wordt gezorgd dat de tweede lidstaat het beginsel van non-refoulement eerbiedigt. Dit punt is nog belangrijker in het geval dat een persoon die internationale bescherming geniet en die reeds in een lidstaat (de eerste lidstaat) de status van langdurig ingezetene heeft verworven, ook in een andere lidstaat (de tweede lidstaat) de status van langdurig ingezetene verwerft na een verblijf van vijf jaar. Bijgevolg moet ervoor worden gezorgd dat de autoriteiten van de tweede lidstaat volledig op de hoogte zijn van het feit dat een langdurig ingezetene die een verzoek tot vestiging op het grondgebied van die lidstaat indient, in een andere lidstaat internationale bescherming had verworven, en dit zowel in het geval dat een langdurige ingezetene die internationale bescherming geniet, nog niet de status van langdurige ingezetene had verworven in de tweede lidstaat, als in het geval dat hij al wel de status van langdurig ingezetene had verworven in de tweede lidstaat. Te dien einde wordt voorgesteld in artikel 8 op te nemen dat deze informatie moet worden vermeld op de EG-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen in de rubriek „opmerkingen”. Ofschoon deze vermelding op zich niet een bewijs is van het feit dat een persoon momenteel internationale bescherming geniet, zou zij er wel garant voor staan dat de autoriteiten van de tweede lidstaat ervan op de hoogte zijn dat de betrokken langdurig ingezetene misschien nog steeds internationale bescherming behoeft („de situatie op het gebied van internationale bescherming”). Wanneer een langdurig ingezetene ook in een tweede lidstaat de status van langdurig ingezetene verwerft, zou deze informatie moeten worden vermeld op de verblijfsvergunning die door die lidstaat wordt afgegeven, tenzij de tweede lidstaat na raadpleging van de lidstaat die de beschermingsstatus heeft verleend, vaststelt dat die status inmiddels is ingetrokken. Voor het geval dat de status van langdurig ingezetene nog niet is verworven in de tweede lidstaat, zou artikel 22 van Richtlijn 2003/109/EG in die zin moeten worden gewijzigd dat langdurig ingezetenen wier vergunning de opmerking vermeldt dat zij in een andere lidstaat internationale bescherming genieten – en die derhalve misschien nog steeds bescherming behoeven – uit de tweede lidstaat alleen kunnen worden verwijderd naar de eerste lidstaat. Voor het geval dat de status van langdurig ingezetene in de tweede lidstaat is verworven, zou artikel 12 in die zin moeten worden gewijzigd dat indien de autoriteiten van de tweede lidstaat een verwijderingsmaatregel overwegen, zij de autoriteiten van de lidstaat die de bescherming aan de betrokkene heeft verleend, moeten raadplegen. Indien die lidstaat bevestigt dat de betrokkene nog steeds internationale bescherming geniet, kan hij uit de tweede lidstaat alleen worden verwijderd naar de lidstaat die hem oorspronkelijk bescherming heeft verleend. Beide gevallen van terugname dienen echter de bepalingen van artikel 21, lid 2, van Richtlijn 2004/83/EG in verband met de uitzonderingen op de bescherming tegen refoulement onverlet te laten.

3.

Rechtsgrondslag



Dit voorstel wijzigt Richtlijn 2003/109/EG en heeft dezelfde rechtsgrondslag als die richtlijn, met name artikel 63, punt 3, onder a), en artikel 63, punt 4, van het EG-Verdrag. Deze rechtsgrondslag is passend, aangezien de status van langdurig ingezetene voor personen die internationale bescherming genieten een instrument is voor hun integratie als onderdanen van derde landen in de gastlidstaat en derhalve onder het immigratiebeleid valt. Richtlijn 2003/109/EG is niet bindend voor het Verenigd Koninkrijk en Ierland ingevolge het Protocol betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland, dat aan de Verdragen is gehecht. De richtlijn is evenmin bindend voor Denemarken ingevolge het Protocol betreffende de positie van Denemarken, dat aan de Verdragen is gehecht.

4.

Subsidiariteitsbeginsel



Personen die internationale bescherming genieten vallen buiten de werkingssfeer van Richtlijn 2003/109/EG, wat betekent dat de lidstaten op nationaal niveau besluiten of en zo ja, onder welke voorwaarden personen met internationale bescherming een meer blijvende status kan worden verleend en wat een dergelijke status precies inhoudt. Momenteel kunnen zij deze status verwerven in sommige lidstaten, doch niet in alle. Voorts verschilt de inhoud van hun status van lidstaat tot lidstaat. De Raad en de Commissie zijn echter overeengekomen dat personen die internationale bescherming genieten in alle lidstaten onder vergelijkbare voorwaarden recht zouden moeten hebben op de in Richtlijn 2003/109/EG bedoelde status van langdurig ingezetene. Dit vereist de aanneming van gemeenschappelijke regels op Gemeenschapsniveau.

De wijziging van Richtlijn 2003/109/EG is derhalve de beste methode om ervoor te zorgen dat alle onderdanen van derde landen die gedurende een zekere periode legaal in een lidstaat hebben verbleven, gelijk worden behandeld.

5.

Evenredigheidsbeginsel



De vorm van het communautaire optreden moet de eenvoudigste zijn om de doelstelling van het voorstel en de doeltreffende tenuitvoerlegging ervan te kunnen verwezenlijken. In dit licht is het gekozen rechtsinstrument een richtlijn tot wijziging van een bestaande richtlijn. In de voorgestelde richtlijn worden algemene beginselen neergelegd, maar de lidstaten tot wie zij gericht is kiezen zelf de meest geschikte vorm en methode om deze beginselen te vertalen in hun eigen nationale rechtsstelsel en algemene situatie. De voorgestelde richtlijn bepaalt louter de voorwaarden voor het verwerven van de status van langdurig ingezetene door onderdanen van derde landen die ook internationale bescherming genieten. Indien lidstaten dit wensen, kunnen zij gunstiger voorwaarden voor de verwerving van een blijvende status bepalen, die uitsluitend in de nationale context van toepassing zijn.

TOELICHTING VAN HET VOORSTEL, PER HOOFDSTUK OF ARTIKEL

Wijziging van artikel 2 Omdat tussen Richtlijn 2004/83/EG van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft en Richtlijn 2003/109/EG een verband moet worden gelegd wat betreft de definitie van de groep van onderdanen van derde landen die ook de status van langdurig ingezetene zouden moeten kunnen verwerven, is het passend om aan artikel 2 van Richtlijn 2003/19/EG een verwijzing toe te voegen naar de definitie van „internationale bescherming” in Richtlijn 2004/83/EG. Wijziging van artikel 3 Er wordt voorgesteld de bepalingen te schrappen waardoor personen die internationale bescherming genieten buiten de werkingssfeer van Richtlijn 2003/109/EG vallen. Wijziging van artikel 4 Er wordt voorgesteld artikel 4 van Richtlijn 2003/109/EG te wijzigen, teneinde bij de berekening van de duur van „vijf jaar legaal verblijf” in een lidstaat rekening te houden met de duur van de asielprocedure. Dit waarborgt de gelijke behandeling van onderdanen van derde landen aan wie internationale bescherming is verleend ingevolge een herziening van of een beroep tegen een vroegere negatieve beslissing inzake hun asielaanvraag. Wijziging van artikel 8 De artikelen 8 tot en met 11 van Richtlijn 2003/109/EG zijn volledig van toepassing op personen die internationale bescherming genieten en die in een lidstaat een verzoek om toekenning van de status van langdurig ingezetene indienen. Er moet echter rekening worden gehouden met de bezorgdheid van de lidstaten in verband met de eerbiediging van het beginsel van non-refoulement wanneer het verblijf van een langdurig ingezetene zou kunnen worden beëindigd op grond van Richtlijn 2003/109/EG. Deze bezorgdheid heeft betrekking op het feit dat „de situatie op het gebied van internationale bescherming” van het verblijf van een onderdaan van een derde land mogelijk over het hoofd zou kunnen worden gezien, wanneer de autoriteiten die bevoegd zijn voor de verlening en intrekking van de internationale bescherming, niet dezelfde zijn als de autoriteiten die bevoegd zijn voor de verlening en intrekking van de status van langdurig ingezetene. Deze kwestie is ook van belang in het geval dat een persoon die internationale bescherming geniet en aan wie de status van langdurig ingezetene is verleend, naar een andere lidstaat verhuist en in die lidstaat na vijf jaar verblijf de status van langdurig ingezetene verwerft. Om ervoor te zorgen dat de bevoegde autoriteiten op de hoogte zijn van „de situatie op het gebied van bescherming” verplicht de voorgestelde wijziging van artikel 8 de lidstaten derhalve ertoe op de EG-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen die afgegeven wordt aan personen die internationale bescherming genieten, specifiek te vermelden dat de onderdaan van een derde land internationale bescherming is verleend. Dezelfde informatie zou moeten worden vermeld door de tweede lidstaat die de status van langdurige ingezetene verleent aan een onderdaan van een derde land wiens door de eerste lidstaat afgegeven EG-verblijfsvergunning bovengenoemde opmerking vermeldt. De tweede lidstaat vermeldt deze informatie echter niet op de verblijfsvergunning, indien hij na raadpleging van de lidstaat die volgens de opmerking internationale bescherming heeft verleend, vaststelt dat de internationale bescherming is ingetrokken. Wijziging van artikel 11 De vraag of de personen die internationale bescherming genieten en die de status van langdurig ingezetene hebben verworven, nog steeds internationale bescherming behoeven en of zij hun internationale-beschermingsstatus uit hoofde van Richtlijn 2004/83/EG behouden, valt buiten de werkingssfeer van deze richtlijn. Indien zij hun internationale-beschermingsstatus uit hoofde van Richtlijn 2004/83/EG behouden en zij in de lidstaat verblijven die hun deze status heeft verleend, blijven zij echter de rechten en voordelen genieten die aan deze status verbonden zijn. Een wijziging van artikel 11 moet derhalve verduidelijken dat de in dat artikel bedoelde mogelijke beperkingen van het beginsel van gelijke behandeling op hen slechts van toepassing zijn voorzover deze beperkingen verenigbaar zijn met de bepalingen van Richtlijn 2004/83/EG. Wijziging van de artikelen 12 en 22 Ofschoon de overdracht van verantwoordelijkheid voor bescherming buiten de werkingssfeer van deze richtlijn valt, zijn de lidstaten gebonden door het beginsel van non-refoulement van het Verdrag van Genève van 1951 – dat in artikel 21 van Richtlijn 2004/83/EG zijn neerslag heeft gevonden – en door het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens, met name artikel 3, wanneer zij de bepalingen van deze richtlijn met betrekking tot de verwijdering van het grondgebied van de Unie toepassen. De voorgestelde wijzigingen van artikel 12 (nieuwe leden 3 bis en 6) en artikel 22 (nieuw lid 3 bis) moeten er zoveel mogelijk voor zorgen dat het beginsel van non-refoulement gewaarborgd is in alle situaties die kunnen ontstaan wanneer een persoon die internationale bescherming geniet zijn rechten uit hoofde van Richtlijn 2003/109/EG uitoefent. In de praktijk moeten de lidstaten eerst nagaan of Richtlijn 2004/83/EG (nog) van toepassing is op de onderdaan van een derde land en zo ja, of zijn verwijdering van het grondgebied van de Unie in overeenstemming is met het beginsel van non-refoulement. A) Verwijdering door de lidstaat die de status van langdurig ingezetene heeft verleend – Artikel 12 Voor de gevallen dat blijkens de overeenkomstig artikel 8, lid 4, vermelde opmerking de status van langdurig ingezetene en de internationale bescherming door dezelfde lidstaat werden verleend, staat het nieuwe lid 6 garant voor de eerbiediging van artikel 21 van Richtlijn 2004/83/EG. Krachtens dit lid moet de lidstaat die een verwijderingsmaatregel overweegt, nagaan of de onderdaan van een derde land nog steeds internationale bescherming geniet. Zo ja is verwijdering slechts mogelijk in de gevallen waarin deze bepaling voorziet. Voor de gevallen dat blijkens de overeenkomstig artikel 8, lid 4, vermelde opmerking internationale bescherming werd verleend door een andere lidstaat dan de lidstaat die de status van langdurig ingezetene heeft verleend, werd lid 3 bis in artikel 12 ingevoegd. Krachtens deze bepaling moet de tweede lidstaat die een verwijderingsmaatregel overweegt, de lidstaat raadplegen die blijkens de opmerking aan de betrokken onderdaan van een derde land internationale bescherming heeft verleend. Indien uit de raadpleging blijkt dat de onderdaan van een derde land in de geraadpleegde lidstaat nog steeds internationale bescherming geniet, is verwijdering slechts mogelijk naar die lidstaat. In dat geval moet die lidstaat de onderdaan van een derde land zonder formaliteiten terugnemen. Het nieuwe lid 6 garandeert echter dat verwijdering buiten de Europese Unie nog mogelijk is indien voldaan is aan de voorwaarden van artikel 21, lid 2, van Richtlijn 2003/83/EG. Uiteraard kan in beide bovengenoemde gevallen het terugnamemechanisme niet worden toegepast wanneer overeenkomstig uit internationale instrumenten voortvloeiende verplichtingen tussen de eerste en de tweede lidstaat een overdracht van verantwoordelijkheid voor de bescherming van de betrokkene heeft plaatsgevonden. B) Verwijdering door de lidstaat waar een langdurig ingezetene het recht op mobiliteit uitoefent overeenkomstig hoofdstuk III van de Richtlijn – Artikel 22 Om te zorgen voor de eerbiediging van het beginsel van non-refoulement in het geval dat een langdurig ingezetene die internationale bescherming geniet, in een tweede lidstaat verblijft doch in die lidstaat de status van langdurig ingezetene nog niet heeft verworven, moet de mogelijkheid van verwijdering op grond van artikel 22 worden beperkt tot verwijdering naar de eerste lidstaat. Volgens artikel 22, lid 3 bis, tweede alinea, is verwijdering buiten de Europese Unie echter nog mogelijk indien voldaan is aan de voorwaarden van artikel 21, lid 2, van Richtlijn 2003/83/EG.

Wijziging van artikel 25 Om de uit hoofde van artikel 12, lid 3 bis, vereiste uitwisseling van informatie tussen lidstaten te vergemakkelijken, moet artikel 25 in die zin worden gewijzigd dat het netwerk van nationale contactpunten ook voor dat doel kan worden gebruikt.

1. 2007/0112 (CNS)