Toelichting bij COM(2012)73 - Verbetering van de effectenafwikkeling in de EU, betreffende centrale effectenbewaarinstellingen (Central Securities Depositories – csd's)

Dit is een beperkte versie

U kijkt naar een beperkte versie van dit dossier in de EU Monitor.

1. Achtergrond van het voorstel

Centrale effectenbewaarinstellingen (csd’s) zijn systeemkritische instellingen voor de financiële markten. Elke effectentransactie op of buiten een effectenbeurs wordt gevolgd door processen die leiden tot de afwikkeling van die transactie, dat wil zeggen de levering van effecten tegen geld. Csd's zijn de voornaamste instellingen die afwikkeling mogelijk maken door de exploitatie van zogeheten effectenafwikkelingssystemen. Csd’s zorgen ook voor de initiële vastlegging en het centraal aanhouden van effectenrekeningen waarin het aantal uitgegeven effecten, de uitgevende instelling en elke wijziging in het houderschap van die effecten zijn vastgelegd.

Csd’s spelen ook een cruciale rol voor de zekerhedenmarkt, vooral voor monetairbeleiddoeleinden. Zo loopt bijna alle verkeer van voor monetairbeleidtransacties van de centrale bank in aanmerking komende zekerheden in de EU, met name in de eurozone, via door csd’s geëxploiteerde effectenafwikkelingssystemen.

Effectenafwikkelingssystemen in de EU hebben in 2010 transacties voor een waarde van bij benadering 920 biljoen euro afgewikkeld en hielden eind 2010 voor ongeveer 39 biljoen euro aan effecten aan. Er zijn meer dan 30 csd’s in de EU, gewoonlijk één in elk land, en twee ‘internationale’ (Icsd’s – Clearstream Banking Luxembourg en Euroclear Bank), een subcategorie van csd’s gespecialiseerd in de uitgifte van internationale obligaties, algemeen bekend als 'eurobonds'.

Hoewel over het algemeen veilig en efficiënt binnen de nationale grenzen, coöpereren en communiceren csd’s minder veilig over de grenzen heen, hetgeen betekent dat een belegger meer risico loopt en duurder af is bij een grensoverschrijdende belegging. Zo is het aantal mislukte afwikkelingsoperaties groter voor grensoverschrijdende transacties dan voor binnenlandse en liggen de kosten van grensoverschrijdende afwikkeling tot vier keer hoger dan die van binnenlandse afwikkeling.

Die veiligheidsproblemen zijn het gevolg van een aantal factoren, inclusief:

· de lengte van de afwikkelingscyclus. De tijd tussen transactie en afwikkeling is in de EU niet geharmoniseerd, waardoor verstoringen ontstaan wanneer effecten grensoverschrijdend worden afgewikkeld;

· een klein maar substantieel aantal effecten bestaat nog in papieren vorm. Deze worden afgewikkeld na een veel langere afwikkelingscyclus, waardoor het risico dat beleggers lopen verhoogt;

· op mislukte afwikkelingsoperaties, dat wil zeggen situaties waarin een transactie niet op de voorgenomen afwikkelingsdatum is afgewikkeld, staan niet op alle markten afschrikkende straffen, en indien zij bestaan, verschillen de maatregelen inzake afwikkelingsdiscipline sterk per markt;

· terwijl Richtlijn 98/26/EG betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen (finaliteitsrichtlijn[1]) verstoring van een effectenafwikkelingssysteem ten gevolge van een insolventieprocedure tegen een deelnemer aan dat systeem vermindert, pakt zij andere risico’s van het systeem of de veerkracht van de csd die het systeem exploiteert niet aan. Sommige csd’s zijn aan bijkomende krediet- en liquiditeitsrisico’s onderhevig als gevolg van het verlenen van bancaire nevendiensten bij afwikkeling;

· koppelingsovereenkomsten tussen csd’s, hoewel als een eerste stap beschouwd naar de consolidatie van de Europese afwikkelingsmarkten, veroorzaken bij gebrek aan specifieke prudentiële regels ervoor veiligheidszorgen. Bovendien vergroten zij de vervlochtenheid van csd’s, hetgeen de invoering van een gemeenschappelijk prudentieel kader verder rechtvaardigt.

Het gebrek aan een efficiënte eengemaakte markt voor afwikkeling veroorzaakt eveneens belangrijke problemen. Er blijven belangrijke barrières bestaan voor de Europese posttransactionele markt, zoals bijvoorbeeld de beperking van de toegang van effecten uitgevende instellingen tot csd’s, in de EU verschillende nationale vergunningsregimes en vergunningsregels voor csd’s en beperkte concurrentie tussen verschillende nationale csd’s. Deze barrières resulteren in een zeer gefragmenteerde markt. De grensoverschrijdende afwikkeling van transacties berust bijgevolg op onnodig complexe houderschaps’ketens’ waarbij vaak meerdere csd’s en meerdere andere intermediairs betrokken zijn. Dit heeft een negatieve impact op de efficiëntie, maar ook op de risico's die verbonden zijn aan grensoverschrijdende transacties.

Deze problemen zijn belangrijk aangezien grensoverschrijdende transacties in Europa, gaande van gewone aankopen/verkopen van effecten tot zekerhedenoverdrachten, blijven toenemen en csd’s steeds meer vervlochten geraken. Deze trends zullen naar verwachting versnellen met de intrede van Target2 Securities (T2S), een door het Eurosysteem gestart project om een gemeenschappelijk platform zonder grenzen voor effectenafwikkeling in Europa aan te bieden, dat in 2015 van start zou gaan.

Het voorliggende verordeningsvoorstel pakt deze problemen aan. De verordening voert een verplichting in om alle effecten giraal voor te stellen en ze bij csd’s vast te leggen alvorens ze op gereglementeerde platforms te verhandelen. Zij harmoniseert afwikkelingstermijnen en regimes inzake afwikkelingsdiscipline in de EU. Zij voert een op internationale normen geïnspireerd gemeenschappelijk geheel van regels in die de risico’s van de bedrijfsactiviteiten en diensten van de csd’s aanpakken. Aangezien csd’s in de EU aan identieke materiële regels onderworpen zullen zijn, zullen zij van uniforme vereisten voor vergunningverlening en een EU-wijd paspoort profiteren, die tot een opheffing van de bestaande toegangsbelemmeringen zullen bijdragen.

De voorgestelde verordening zal bijgevolg de veiligheid in het systeem vergroten en de markt voor csd-diensten openen en bijgevolg de efficiëntie van de effectenafwikkeling verbeteren. De voorgestelde verordening zal, naast Richtlijn 2004/39/EG betreffende markten voor financiële instrumenten (MiFID)[2] voor handelplatforms en het voorstel voor een verordening inzake derivatentransacties (EMIR) voor centrale tegenpartijen (ctp’s), het reguleringskader voor effectenmarktinfrastructuren aanvullen.

Dit initiatief heeft een breed politiek draagvlak. De ECOFIN-Raad van 2 december 2008 heeft de noodzaak benadrukt om de veiligheid en gezondheid van door csd’s geëxploiteerde effectenafwikkelingssystemen te versterken en was het erover eens dat er behoefte is aan EU-wetgeving om de juridische belemmeringen betreffende transactieverwerking inclusief belemmeringen voor toegang tot csd’s aan te pakken. Over de behoefte aan passende normen voor csd’s is men het internationaal ook eens. Al in 2001 hebben mondiale banken- en effectenreguleerders (CPSS-IOSCO) een geheel van aanbevelingen voor effectenafwikkelingssystemen vastgesteld. Deze zijn in 2009 middels niet-bindende richtsnoeren door Europese reguleerders (ESCB-CESR) aangepast. In oktober 2010 heeft de Raad voor financiële stabiliteit de oproep voor geactualiseerde normen voor robuustere basismarktinfrastructuren herhaald en om de herziening en verbetering van de bestaande normen gevraagd.

Resultaten van de raadpleging van belanghebbende partijen en effectbeoordeling



Voorliggend initiatief is het resultaat van een uitvoerige en continue dialoog met en raadpleging van alle belangrijke belanghebbenden, inclusief de effecten- en bankenreguleerders, de ECB en alle soorten marktdeelnemers. Er is daarbij rekening gehouden met de zienswijzen die bij een publieke raadpleging van 13 januari tot 1 maart 2011 zijn geformuleerd en de input die via een brede verzameling stakeholdersgroepen sinds de zomer van 2010 is verkregen.

Bovendien is een externe studie over de kosten en prijzen in de posttransactionele sector bij Oxera Consulting besteld. Oxera heeft een eerste verslag in 2009 en een tweede in 2011 geleverd. Deze verslagen bevatten nuttige gegevens over de ongelijke grensoverschrijdende en binnenlandse transactieverwerkingskosten in Europa.

In overeenstemming met haar beleid voor een betere regulering, heeft de Commissie een effectbeoordeling van beleidsalternatieven uitgevoerd. Beleidsopties zijn beoordeeld ten aanzien van de hoofddoelstellingen van vergroting van de veiligheid, efficiëntie en gelijke spelregels voor csd-diensten in Europa. De beoordeling gebeurde door de doeltreffendheid van het bereiken van de bovenstaande doelstellingen en de kostenefficiëntie van het uitvoeren van verschillende beleidsopties te bekijken.

Het ontwerp van effectbeoordelingsverslag is op 16 mei 2011 bij de Effectbeoordelingsraad van de Commissie (IAB) ingediend, gevolgd door een herindiening van een herzien ontwerp op 8 augustus 2011. Het ontwerpverslag is aanmerkelijk verbeterd na de opmerkingen van de IAB door de versterking van de bewijsbasis voor de gevonden problemen en de analyse van verschillende beleidsopties, in het bijzonder met betrekking tot bancaire nevendiensten bij afwikkeling, en door het opnemen van een raming van de algehele voordelen en van de impact van verschillende beleidsopties op verschillende stakeholdersgroepen en een helderder en robuuster monitoring- en evaluatiekader.

1.

Juridische elementen van het voorstel



3.

3.1. Rechtsgrondslag


Het voorstel is gebaseerd op artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie ('VWEU'), de meest passende rechtsgrondslag op dit gebied. Het voorstel is er voornamelijk op gericht het gebrek aan veiligheid en efficiëntie van de effectenafwikkeling en de belemmeringen voor de werking van de interne markt die voortvloeien uit de uiteenlopende nationale regels voor effectenafwikkeling en de activiteiten van de csd's die effectenafwikkelingssystemen exploiteren aan te pakken door de invoering van een geheel van gemeenschappelijke regels betreffende bepaalde aspecten van de afwikkelingscyclus en afwikkelingsdiscipline alsook een geheel van gemeenschappelijke prudentiële vereisten waarmee de veerkracht van en toegang tot csd's wordt aangepakt. Bij het ontbreken van die gemeenschappelijke regels en vereisten is er een goede kans dat de op nationaal niveau genomen uiteenlopende maatregelen een rechtstreekse negatieve impact zullen hebben op de veiligheid, efficiëntie en concurrentie in de afwikkelingsmarkten in de Unie. Een verordening wordt beschouwd als het meest passende instrument om te waarborgen dat alle marktdeelnemers aan uniforme en rechtstreeks toepasselijke verplichtingen betreffende afwikkelingscyclus en afwikkelingsdiscipline onderworpen zijn en dat csd’s in de Unie aan uniforme en rechtstreeks toepasselijke prudentiële normen onderworpen zijn, die hun veerkracht en centrale rol in het aanhouden van girale systemen en in het afwikkelingsproces moeten versterken.

Aangezien hoofddoel van de voorgestelde verordening is een aantal rechtstreeks aan de markdeelnemers opgelegde juridische verplichtingen in te voeren die onder meer bestaan in het giraal vastleggen van nagenoeg alle effecten bij een csd en een striktere termijn voor afwikkeling en aangezien csd’s verantwoordelijk zijn voor de exploitatie van effectenafwikkelingssystemen en de toepassing van maatregelen om te zorgen voor tijdige afwikkeling in de Unie, is het van essentieel belang dat alle csd’s te allen tijde aan de uniforme en stringente prudentiële vereisten voldoen van het voorstel. Het is bijgevolg noodzakelijk, als uitvloeisel van de aan de marktexploitanten opgelegde verplichtingen, in dit voorstel een geheel van uniforme en rechtstreeks toepasselijke regels op te nemen betreffende vergunningverlening aan en doorlopend toezicht op csd’s.

4.

3.2. Subsidiariteit en evenredigheid


Volgens het subsidiariteitsbeginsel waarin artikel 5, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie voorziet, mag slechts op uniaal niveau worden opgetreden wanneer de doelstellingen van het overwogen optreden niet voldoende door de lidstaten alleen kunnen worden verwezenlijkt en vanwege de omvang of de gevolgen van het overwogen optreden beter door de EU kunnen worden bereikt.

Dit voorstel is er in essentie op gericht de Europese effectenmarkt veiliger en efficiënter te maken binnen de Unie, hetgeen een gecoördineerd EU-optreden vereist. Het uniale optreden wordt verder gerechtvaardigd door de systeemrelevante aard van csd’s en door hun toenemende vervlochtenheid, met name na de invoering van T2S.

Ten aanzien van vergunningverlening aan en toezicht op csd’s is de voorgestelde verordening erop gericht een evenwicht tot stand te brengen tussen de bevoegdheden van de nationale autoriteiten en de belangen van de andere bevoegde autoriteiten. De Europese Autoriteit voor effecten en markten (ESMA) zal een hoofdrol spelen in het oplossen van geschillen, samenwerkingsregelingen tussen nationale autoriteiten bevorderen en technische normen ontwikkelen in nauw overleg met de leden van het Europees Stelsel van centrale banken (ESCB).

Sommige kwesties zijn reeds bij bestaande uniale wetgeving geregeld. Zo zijn effectenafwikkelingssystemen reeds gedefinieerd bij Richtlijn 98/26/EG betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen[3] en voorziet Richtlijn 2004/39/EG (MiFID) in bepaalde regels voor de toegang door de marktdeelnemers tot het effectenafwikkelingssysteem van hun keuze. De voorgestelde verordening is in overeenstemming met deze uniale teksten.

Het voorstel houdt ook ten volle rekening met de evenredigheidseis in artikel 5, lid 4, van het Verdrag, die inhoudt dat het uniale optreden toereikend moet zijn om de nagestreefde doelstellingen te bereiken en niet verder mag gaan dan hetgeen noodzakelijk is. De voorgestelde verordening is verenigbaar met dit beginsel en brengt het juiste evenwicht tot stand tussen het betrokken publiek belang en de kostenefficiëntie van de voorgestelde maatregelen. Het voorstel heeft ten volle rekening gehouden met de noodzaak om een evenwicht te vinden tussen veiligheid en efficiëntie van de markten en kosten voor de stakeholders.

5.

3.3. Nadere uitleg van het voorstel


De voorgestelde verordening bestaat uit twee hoofdgedeelten: maatregelen die in de context van effectenafwikkeling tot alle marktdeelnemers zijn gericht (titel II) en maatregelen die specifiek tot csd’s zijn gericht (titels III, IV en V). De resterende titels, betreffende toepassingsgebied en definities (titel I) en overgangs- en slotbepalingen (titel VI), gelden voor beide delen van het voorstel.

6.

3.3.1. Toepassingsgebied van het voorstel (titel I)


De voorgestelde verordening is van toepassing op alle csd's, maar stelt van de vergunnings- en toezichtsvereisten de leden vrij van het ESCB en andere nationale organen of overheidsorganen die dergelijke diensten verlenen, zoals de nationale lichamen van de lidstaten die belast zijn met of een rol spelen in het beheer van de openbare schuld, die voor het overige als csd zouden kwalificeren. Deze instellingen blijven niettemin aan alle vereisten voor csd’s onderworpen. Zij zijn vrijgesteld van titel IV, die de scheiding tussen bancaire nevendiensten bij afwikkeling en andere csd-diensten oplegt aangezien deze instellingen uit hun aard zelf dergelijke aanvullende diensten verlenen.

Ten aanzien van financiële instrumenten geldt het voorstel wat de vereisten voor csd’s betreft voor alle financiële instrumenten, maar voor de toepassing van titel II betreffende afwikkeling van effecten hoofdzakelijk voor effecten in de zin van punt 18) van artikel 4, lid 1, van Richtlijn 2004/39/EG (MiFID) (voornamelijk aandelen en obligaties).

7.

3.3.2. Effectenafwikkeling (titel II)


Een hoofddoelstelling van de voorgestelde verordening is het vergroten van de afwikkelingsveiligheid. Titel II omvat drie gehelen van maatregelen om dit doel te bereiken. Allereerst legt die titel de zogenaamde “dematerialisatie/immobilisatie van effecten” op, of de girale uitgifte van effecten. Deze maatregel is gericht op het verhogen van de efficiëntie van de afwikkeling, het vergemakkelijken van de verkorting van afwikkelingstermijnen en het waarborgen van de integriteit van een effectenemissie door mogelijk te maken dat aangehouden effecten gemakkelijker worden aangesloten. Girale effecten dienen alvorens te worden verhandeld of als zekerheid gesteld niet noodzakelijk bij een csd te worden vastgelegd. Zij mogen bijvoorbeeld door registrators worden vastgelegd. Indien zij echter op bij Richtlijn 2004/39/EG (MiFID) geregelde platforms worden verhandeld, dienen zij bij een csd te zijn vastgelegd om de bescherming voor effectenafwikkelingssystemen overeenkomstig Richtlijn 98/26/EG te genieten en om aansluiting tussen enerzijds geregistreerde effecten en anderzijds verhandelde effecten te vergemakkelijken. De voorgestelde verordening voorziet in een voldoende lange overgangstermijn, tot 1 januari 2018, om de marktexploitanten van de lidstaten waar nog significante hoeveelheden papieren effecten bestaan in staat te stellen aan deze maatregel te voldoen.

In de tweede plaats harmoniseert titel II de afwikkelingstermijn voor de effectentransacties in de EU. In Europa worden, afhankelijk van de betrokken markt, de meeste effectentransacties twee of drie dagen na de transactiedag afgewikkeld. De afwikkelingstermijn zal worden geharmoniseerd en op twee dagen na de transactiedag worden gebracht, hoewel kortere afwikkelingstermijnen toegestaan zullen zijn. In de derde plaats harmoniseert titel II de maatregelen inzake afwikkelingsdiscipline in de EU. Daartoe behoren maatregelen vooraf om het mislukken van afwikkelingsoperaties te voorkomen en maatregelen achteraf om het mislukken van afwikkelingsoperaties aan te pakken. Hoofddoel is het aantal mislukte afwikkelingsoperaties te verminderen en concurrentie te ontmoedigen die normverlagend werkt voor de afwikkelingsdiscipline, bijvoorbeeld concurrentie tussen markten die mogelijk verschillende bestraffingssystemen in werking hebben. De voorgestelde bepalingen gaan verder dan het niveau van de csd’s en zijn erop gericht marktdeelnemers die nalaten effecten op de voorgenomen afwikkelingsdatum te leveren aan een geharmoniseerde procedure van ‘inkoop’ te onderwerpen, die ingeval van een geclearde transactie door een ctp mag worden uitgevoerd, of anders door de handelsplatformen zelf mag worden geregeld.

3.3.3. Csd’s (titel III)

Vergunningverlening aan en toezicht op csd’s (hoofdstuk I)

Richtlijn 98/26/EG definieert effectenafwikkelingssystemen reeds als formele overeenkomsten die overboekingen van effecten tussen verschillende deelnemers mogelijk maken. Die richtlijn ziet echter niet op instellingen die verantwoordelijk zijn voor de exploitatie van die systemen. Gezien de toenemende complexiteit van die systemen en de afwikkelingsrisico’s is het van essentieel belang dat instellingen die effectenafwikkelingssystemen exploiteren volgens een geheel van gemeenschappelijke prudentiële normen juridisch worden omschreven, vergunningsplichtig zijn en aan toezicht zijn onderworpen. Een csd wordt gedefinieerd als een rechtspersoon die een effectenafwikkelingssysteem en ten minste één andere kerndienst (een ‘notaris’dienst of een centrale dienst voor het aanhouden van effectenrekeningen) exploiteert. Bovendien zouden csd’s slechts bepaalde ‘neven’diensten mogen uitvoeren, die meestal met de kerndiensten verband houden. Indien deze nevendiensten fiscale diensten omvatten, zouden csd's ervoor moeten zorgen dat zij aan de fiscale wetgeving van de betrokken lidstaten voldoen. Bij procedures voor bronbelastingvermindering zouden csd's alle vereisten in acht dienen te nemen die de lidstaat van de bron van de betalingen die aan bronbelasting onderworpen zijn aan financiële intermediairs oplegt om deze te machtigen de bronbelasting toe te passen en namens de uiteindelijke gerechtigden van de betalingen bronbelastingvermindering te vragen. Een en ander kan met name de verplichting omvatten beleggingsinformatie rechtstreeks aan de bronlidstaat te rapporteren (in ruil om bronbelastingvermindering te kunnen vragen), die deze op zijn beurt aan de lidstaat van de woonplaats van de uiteindelijke gerechtigde van financiële instrumenten kan doorgeven.

Csd’s zullen bij de nationale bevoegde autoriteiten van de plaats waar zij zijn gevestigd een vergunning moeten aanvragen en aan hun toezicht onderworpen zijn. Gezien echter het in toenemende mate grensoverschrijdende karakter van hun bedrijf, zouden andere autoriteiten, die in verband staan met door de csd geëxploiteerde effectenafwikkelingssystemen, en andere groepsentiteiten moeten worden geraadpleegd. De ESMA zal een belangrijke rol hebben in het ontwikkelen van ontwerpen van technische normen om het vergunningsproces te harmoniseren en voor samenwerking tussen autoriteiten te zorgen.

Het voorstel kent vergunninghoudende csd’s een “paspoort” toe om in de Unie diensten te verlenen door rechtstreeks een dienst in een andere lidstaat te verlenen of door in die lidstaat een bijkantoor op te richten. Aan een csd uit een derde land kan toegang tot de Unie worden verleend als zij door de ESMA is erkend. Die erkenning mag enkel worden verleend wanneer het voor de Commissie vaststaat dat het rechts- en toezichtskader van dat derde land gelijkwaardig is aan dat van de Unie en dat het derde land in een effectieve gelijkwaardige erkenning van het uniale regulerings- en toezichtskader voorziet, de csd aan effectieve vergunningsplicht en effectief toezicht in dat derde land is onderworpen, en tussen de ESMA en de autoriteiten van dat derde land samenwerkingsregelingen in werking zijn.

Vereisten voor csd’s en collisie (hoofdstukken II en III)

Aangezien csd’s systeemkritisch zijn en kritieke diensten verlenen aan de effectenmarkt, moeten zij onderworpen zijn aan strenge prudentiële normen om hun levensvatbaarheid en de bescherming van hun deelnemers te verzekeren. De vereisten voor csd’s worden in hoofdstuk II in verschillende categorieën verdeeld: organisatorische vereisten (afdeling 1), regels voor de bedrijfsvoering (afdeling 2), vereisten voor csd-diensten (afdeling 3), prudentiële vereisten (afdeling 4) en vereisten voor csd-koppelingen (afdeling 5).

Afdeling 1 vereist dat csd’s robuuste bestuursregelingen, ervaren en geschikte directieleden, leden van de raad van bestuur en aandeelhouders hebben en gebruikerscomités oprichten die voor elk effectenafwikkelingssysteem de uitgevende instellingen en deelnemers vertegenwoordigen. Door de uitbesteding van diensten of activiteiten mag de verantwoordelijkheid van een csd tegenover de deelnemers of uitgevende instellingen of de uitoefening van de toezicht- en oversightfuncties door de verschillende autoriteiten niet in het gedrang komen. Er is in een belangrijke uitzondering voorzien voor uitbestedingregelingen met overheden, zoals het door het Eurosysteem geëxploiteerde T2S-project, die onder een door de bevoegde autoriteiten overeengekomen specifiek kader vallen.

Afdeling 2 voert belangrijke vereisten in voor csd’s om niet-discriminerende, transparante en strikt risicogebaseerde criteria voor deelname aan effectenafwikkelingssystemen te hebben. Deze vereisten worden versterkt door de in hoofdstuk IV vastgestelde bepalingen inzake toegang. Zij voert ook belangrijke beginselen in inzake transparantie betreffende openbaarmaking van prijzen en bekendmaking aan de bevoegde autoriteiten van de kosten en inkomsten per verrichte dienst.

Afdeling 3 erkent in artikel 34 inzake vereisten voor csd-diensten de belangrijke rol die door de csd’s wordt gespeeld bij het zorgen voor de integriteit van een effectenuitgifte en omvat verplichtingen inzake aansluiting van rekeningen binnen de werkdag. Ten aanzien van scheiding van rekeningen voor de bescherming van de activa van de deelnemers gaat het voorstel verder dan de vereisten van Richtlijn 2004/39/EG (MiFID) en vereist het dat de csd’s de rekeningen van elke deelnemer van die van andere deelnemers scheiden en de deelnemers in staat stellen de rekeningen van elk van de cliënten van de deelnemers te scheiden. Ten aanzien van de afwikkeling van de geldzijde vereist het voorstel dat csd’s telkens wanneer het praktisch en mogelijk is op rekeningen van de centrale bank afwikkelen. Afwikkeling in commerciëlebankgeld is toegestaan, maar moet, in strijd met bepaalde gangbare praktijken, via een afzonderlijke kredietinstelling gebeuren die als afwikkelende instantie optreedt.

De prudentiële vereisten voor de csd’s zelf in afdeling 4 omvatten belangrijke bepalingen inzake de beperking van operationeel risico. Aangezien csd’s niet rechtstreeks bankdiensten zouden mogen verlenen, is het voornaamste risico dat csd’s zullen lopen operationeel risico. Deze bepalingen omvatten passende maatregelen om te allen tijde continuïteit van de bedrijfsactiviteiten inclusief afwikkeling te verzekeren. Er zijn ook met betrekking tot de exploitatiekosten kapitaalvereisten vastgesteld – csd’s moeten kapitaal, ingehouden winst en reserves aanhouden ter dekking van ten minste zes maanden exploitatiekosten.

Aangezien csd’s in toenemende mate verweven zijn en dit proces met de intrede van T2S naar verwachting zal versnellen, voorziet artikel 45 in belangrijke prudentiële vereisten voor verbonden csd’s, inclusief de invoering van gelijke regels inzake het definitieve karakter van de afwikkeling.

Hoofdstuk III is gericht op het vergroten van de rechtszekerheid voor effectentransacties door een collisieregel met betrekking tot eigendomsrechtelijke aspecten van door een csd gehouden effecten voor te stellen.

Toegang tot csd’s (hoofdstuk IV)

Openstelling van de markt voor csd-diensten en opheffing van toegangsbelemmeringen is één van de doelstellingen van onderhavig initiatief. Hoofdstuk IV heeft betrekking op drie soorten toegang: a) toegang tussen uitgevende instellingen en csd’s, b) toegang tussen csd's c) toegang tussen csd's en andere marktinfrastructuren.

In veel lidstaten zijn uitgevende instellingen wettelijk verplicht bepaalde soorten effecten, meestal aandelen, bij de nationale csd uit te geven. Artikel 47 voert het recht in voor uitgevende instellingen om hun effecten bij elke vergunninghoudende csd in de Unie vast te leggen en het recht voor csd’s in om diensten te verlenen voor effecten die door het recht van een andere lidstaat worden beheerst. De nationale specificiteit wordt gerespecteerd door te erkennen dat dit recht het vennootschapsrecht dat de effecten beheerst onverlet moet laten.

De afdelingen 2 en 3 stellen de beginselen inzake toegang vast. Een csd moet het recht hebben op grond van niet-discriminerende en risicogebaseerde beginselen een deelnemer te worden van een effectenafwikkelingssysteem van een andere csd. Een csd moet tevens het recht hebben op grond van dezelfde beginselen aan een andere csd te vragen speciale functies te ontwikkelen, die op regiebasis in rekening moeten worden gebracht. Evenzo moet een csd het recht hebben transactieaanvoer van ctp’s en handelsplatforms te ontvangen en moeten die infrastructuren toegang tot door csd’s geëxploiteerde effectenafwikkelingssystemen hebben. Alle geschillen tussen betrokken bevoegde autoriteiten kunnen ter beslechting aan de ESMA worden voorgelegd.

8.

3.3.4. Kredietinstellingen die zijn aangewezen om als afwikkelende instantie op te treden (titel IV)


Zoals hiervoor beschreven mogen csd’s, wanneer afwikkeling in centralebankgeld niet praktisch of mogelijk is, in commerciëlebankgeld voor hun deelnemers afwikkelen. Csd’s mogen de bancaire nevendiensten bij afwikkeling echter niet zelf verlenen, maar moeten bij hun bevoegde autoriteiten vergunning aanvragen om een kredietinstelling aan te wijzen om als afwikkelende instantie op te treden om rekening-courantrekeningen te openen en kredietfaciliteiten te verlenen teneinde afwikkeling te vergemakkelijken, tenzij de bevoegde autoriteiten op basis van het beschikbare bewijs aantonen dat de blootstelling van één kredietinstelling aan de concentratie van krediet- en liquiditeitsrisico’s niet voldoende beperkt is. Deze scheiding tussen csd’s en afwikkelende instanties is een belangrijke maatregel om de veiligheid van csd’s aan te pakken en te vergroten. Bancaire nevendiensten bij afwikkeling vergroten de risico’s waaraan csd’s blootstaan en bijgevolg de kans dat csd’s in gebreke blijven of aan hevige spanning blootstaan. Hoewel de bankdiensten door een aantal csd’s gewoonlijk binnen de werkdag worden verleend en beperkt zijn tot nevendiensten bij afwikkeling, zijn de behandelde bedragen echter significant en zou elke wanbetaling van die csd's negatieve gevolgen voor de effecten- en betalingsmarkten hebben. De vereiste om de bankdiensten via een andere juridische entiteit te verlenen dan die welke csd-kerndiensten verricht, zal, met name bij insolventie of hevige spanning als gevolg van de bankdiensten, het overslaan van de risico's van de bankdiensten naar de csd-kerndiensten voorkomen. Door deze vereiste zullen csd’s en overheden ook over meer opties beschikken om passende oplossingen te vinden bij wanbetaling van de afwikkelende instantie die bankdiensten verleent. Voor de csd’s die momenteel bankdiensten verlenen, zijn de voornaamste kosten die aan deze maatregel verbonden zijn de juridische kosten in verband met de oprichting van een afzonderlijke rechtspersoon voor het verlenen van bankdiensten, terwijl csd’s die in de toekomst dergelijke diensten willen ontwikkelen, voor de oprichting van een afzonderlijke rechtspersoon geen significante incrementele kosten zouden dienen te maken. Er zijn voor de scheiding van de bankdiensten geen minder stringente alternatieven waardoor het gevaar dat de risico’s van de bankdiensten naar de csd-kerndiensten overslaan helemaal verdwijnt.

Om de efficiëntie die voortvloeit uit de verlening van zowel csd- als bankdiensten binnen dezelfde groep van ondernemingen te garanderen, mag de vereiste dat bankdiensten door een afzonderlijke kredietinstelling worden uitgevoerd er niet aan in de weg staan dat die kredietinstelling tot dezelfde groep van ondernemingen behoort als de csd. Als echter binnen dezelfde groep van ondernemingen zowel csd- als bankdiensten worden verleend, moeten de activiteiten van de kredietinstelling die bankdiensten verleent beperkt zijn tot de verlening van bancaire nevendiensten bij afwikkeling. Deze beperking is erop gericht het algehele risicoprofiel van de groep dat voortvloeit uit de aanwezigheid van een kredietinstelling in die groep te verminderen.

De bevoegde autoriteit moet per geval kunnen aantonen dat het feit dat dezelfde rechtspersoon zowel csd- als bankdiensten verleent geen systeemrisico met zich meebrengt. Als dat het geval is, kan een met redenen omkleed verzoek worden ingediend bij de Europese Commissie, die de afwijking kan toestaan. In ieder geval mag een csd met een vergunning om activiteiten van een kredietinstelling te verrichten uitsluitend bancaire nevendiensten bij afwikkeling verlenen.

Kredietinstellingen die als afwikkelende instantie optreden, zijn vergunningsplichtig overeenkomstig Richtlijn 2000/48/EG betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen[4]. Aangezien door csd’s geëxploiteerde effectenafwikkelingssystemen echter zoveel mogelijk tegen potentiële risico’s als gevolg van afwikkelende instanties moeten worden beschermd, moeten die instanties aan bijkomende vereisten voldoen om ten aanzien van elk effectenafwikkelingssysteem waarvoor zij werkzaam zijn de krediet- en liquiditeitsrisico’s te beperken.

Aangezien Richtlijn 2006/48/EG niet specifiek kredietrisico's en liquiditeitsrisico’s binnen de werkdag ten gevolge van het verlenen van bancaire nevendiensten bij afwikkeling aanpakt, moeten kredietinstellingen tevens aan specifieke strengere kredietrisico en liquiditeitsrisico beperkende vereisten worden onderworpen die voor elk effectenafwikkelingssysteem moeten gelden ten aanzien waarvan zij als afwikkelende instantie optreden. De voorgestelde vereisten voor afwikkelende instanties zijn geïnspireerd op de internationale CPSS-IOSCO-normen voor financiëlemarktinfrastructuren en op de huidige marktpraktijken. Vereisten zijn onder meer volledige zekerheidsstelling voor kredietuitzettingen, monitoring van de liquiditeit binnen de werkdag rekening houdend met het liquiditeitsrisico als gevolg van wanbetaling van de twee grootste deelnemers en concentratiegrenzen voor liquiditeitsverstrekkers.

9.

3.3.5. Sancties (titel V)


Een evaluatie van bestaande sanctiebevoegdheden en hun praktische toepassing om de convergentie van sancties binnen het gehele scala van toezichtactiviteiten te bevorderen, is door de Commissie uitgevoerd in haar mededeling ‘Het versterken van sanctieregelingen in de financiële sector’[5]. Bij een inventarisatie van de in werking zijnde nationale regelingen is bijvoorbeeld gebleken dat het niveau van geldelijke sancties sterk varieert per lidstaat, dat sommige bevoegde autoriteiten niet over bepaalde belangrijke sanctiebevoegdheden beschikken en dat sommige bevoegde autoriteiten geen sancties aan natuurlijke en rechtspersonen kunnen opleggen. Bijgevolg stelt de Commissie nu voor dat de lidstaten ervoor moeten zorgen dat op inbreuken op de verordening passende administratieve sancties en maatregelen kunnen worden toegepast. Daartoe moet voor de bevoegde autoriteiten een minimumgeheel van administratieve sancties en maatregelen beschikbaar zijn, inclusief intrekking van de vergunning, publieke waarschuwingen, ontslag van het management, terugbetaling van uit inbreuken op deze verordening behaalde winsten indien deze kunnen worden bepaald en administratieve boetes. Het maximumniveau van de administratieve geldboetes mag niet lager zijn dan het niveau waarin de verordening voorziet – 10% van de jaaromzet van een juridische entiteit of vijf miljoen euro of 10% van het jaarinkomen van een natuurlijke persoon. Bij het bepalen van de soort en het niveau van de sancties moeten de bevoegde autoriteiten rekening houden met een aantal criteria die in de verordening zijn vastgesteld, inclusief de omvang en financiële draagkracht van de verantwoordelijke persoon, de impact van de schending en de bereidheid tot medewerking van de verantwoordelijke persoon. Niettegenstaande de voorgestelde verordening mogen de afzonderlijke lidstaten strengere normen vaststellen.

10.

3.3.6. Inachtneming van de artikelen 290 en 291 VWEU


Op 23 september 2009 heeft de Commissie voorstellen aangenomen voor verordeningen tot oprichting van de EBA, de EIOPA en de ESMA. In dat verband herinnert de Commissie aan haar verklaringen bij de vaststelling van de verordeningen tot oprichting van de Europese toezichthoudende autoriteiten met betrekking tot de artikelen 290 en 291 VWEU: 'Wat het proces voor de vaststelling van de reguleringsnormen betreft, benadrukt de Commissie het unieke karakter van de financiëledienstensector, dat voortvloeit uit de Lamfalussy-structuur en expliciet erkend wordt in verklaring 39 bij het VWEU. De Commissie twijfelt er evenwel sterk aan of de beperkingen van haar rol bij het vaststellen van gedelegeerde handelingen en uitvoeringsmaatregelen in overeenstemming zijn met de artikelen 290 en 291 VWEU'.

2.

Gevolgen voor de begroting



Het voorstel heeft gevolgen voor de begroting van de Europese Unie met betrekking tot de aan de ESMA toegekende taken, zoals gespecificeerd in het financieel memorandum bij dit voorstel.