Toelichting bij COM(2013)506 - Gemeenschappelijke Onderneming Brandstofcellen en waterstof 2 - Hoofdinhoud
Dit is een beperkte versie
U kijkt naar een beperkte versie van dit dossier in de EU Monitor.
dossier | COM(2013)506 - Gemeenschappelijke Onderneming Brandstofcellen en waterstof 2. |
---|---|
bron | COM(2013)506 ![]() ![]() |
datum | 10-07-2013 |
1.1. Algemene context
Een van de hoofddoelstellingen van Horizon 2020, het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie met betrekking tot het tijdvak 2014-2020, is het versterken van de Europese industrie door acties ter ondersteuning van onderzoek en innovatie in diverse bedrijfstakken. Het programma voorziet met name in het opzetten van publiek-private partnerschappen die bijdragen aan de oplossing van een aantal van de essentiële uitdagingen waar Europa mee geconfronteerd wordt.
Dit voorstel behelst een verlenging van de gemeenschappelijke onderneming brandstofcellen en waterstof die in het kader van het zevende kaderprogramma is opgericht, overeenkomstig de mededelingen van de Commissie 'Publiek-private partnerschappen in het kader van Horizon 2020: een krachtig instrument voor de verwezenlijking van innovatie en groei in Europa'[1], 'Energie 2020 - Een strategie voor een concurrerende, duurzame en continu geleverde energie'[2] en 'Schone energie voor het vervoer: een Europese strategie voor alternatieve brandstoffen'[3].
1.2. Motivering en doelstellingen voor een gemeenschappelijke onderneming op het gebied van brandstofcellen en waterstof
Een gemeenschappelijke onderneming op het gebied van brandstofcellen en waterstof is noodzakelijk:
· om twee essentiële uitdagingen voor de EU aan te pakken: het veiligstellen van de energievoorzieningszekerheid en het vergroten/handhaven van de concurrentiekracht;
· om het EU-beleid op het gebied van duurzame energie en vervoer, klimaatverandering, het milieu en het industriële concurrentievermogen, zoals neergelegd in de Europa 2020-strategie voor groei, te steunen en de overkoepelende doelstelling van de EU, namelijk een slimme, duurzame en inclusieve groei, te verwezenlijken;
· om een aantal belemmeringen voor doeltreffende onderzoeks- en innovatieactiviteiten op dit gebied uit de weg te ruimen: hoge risico’s, de hoge kosten van onderzoek en ontwikkeling, kennisoverloopeffecten en marktfalen. De investeringen van het bedrijfsleven alleen zijn niet tegen deze belemmeringen opgewassen en daarom is overheidssteun noodzakelijk;
· om de versnippering van de programma’s van de lidstaten tegen te gaan en op de lange termijn een voldoende hoog niveau van gecoördineerde, grootschalige, transnationale en sectoroverschrijdende inspanningen te verwezenlijken;
· om het bedrijfsleven te helpen bij het vaststellen van een langetermijnagenda voor innovatie en onderzoek, de nodige kritische massa te genereren, particuliere investeringen aan te trekken, een stabiele financiering te bieden, het delen van kennis te vergemakkelijken, de risico’s te verminderen, de kosten te verlagen en de doorlooptijd te verminderen.
De algemene doelstelling van de gemeenschappelijke onderneming FCH 2 voor de periode 2014-2024 is de ontwikkeling van een sterke, duurzame en mondiaal concurrerende brandstofcel- en waterstofsector in de Unie, met het oog op:
– verlaging van de productiekosten van brandstofcelsystemen voor vervoerstoepassingen en verlenging van de levensduur tot niveaus die kunnen concurreren met conventionele technologieën;
– verhoging van de elektrische efficiëntie en de duurzaamheid van de verschillende soorten brandstofcellen die worden gebruikt voor de elektriciteitsproductie en verlaging van de kosten tot niveaus die kunnen concurreren met conventionele technologieën;
– verhoging van de energie-efficiëntie van de productie van waterstof via elektrolyse uit water en een verlaging van de kapitaalkosten, zodat de combinatie van het waterstof- en brandstofcelsysteem kan concurreren met de op de markt verkrijgbare alternatieven; en
– grootschalige demonstratie van de bruikbaarheid van waterstof ter ondersteuning van de integratie van hernieuwbare energiebronnen in de energiesystemen, onder meer door het gebruik ervan als concurrerend opslagmedium voor elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen.
1.3. Voortbouwen op de ervaring
De voorgestelde gemeenschappelijke onderneming 2 borduurt voort op de successen van de voorgaande gemeenschappelijke onderneming uit hoofde van KP7. De bestaande gemeenschappelijke onderneming FCH heeft geleid tot de totstandbrenging van een sterk partnerschap, het aantrekken van publieke en private financiering en een grote betrokkenheid van het bedrijfsleven (met name kmo’s). Daarnaast is in het kader van de bestaande gemeenschappelijke onderneming FCH een projectportefeuille van strategisch belang samengesteld. Ook wat toepassingen op het gebied van energie en vervoer betreft is aanzienlijke technologische vooruitgang geboekt. Inmiddels is een aantal vroege toepassingen op de markt gebracht, voor gebruik in bijvoorbeeld vorkheftrucks en kleine noodstroomeenheden, wat de industrie, de lidstaten en de onderzoeksgemeenschap heeft aangemoedigd meer eigen middelen uit te trekken. De deelname van de industrie en kmo’s is stabiel en ligt aanzienlijk hoger dan in KP7 - Energie.
In de eerste tussentijdse evaluatie, die in 2011 met de hulp van onafhankelijke deskundigen werd afgerond, werd geconcludeerd dat de op een gemeenschappelijke onderneming gebaseerde aanpak in het algemeen een effectieve manier is om publiek-private activiteiten op het gebied van technologische ontwikkeling en demonstraties te versterken, en dat deze de O&O-gemeenschap de nodige stabiliteit biedt. De algemene technische doelstellingen van de gemeenschappelijke onderneming FCH werden ambitieus en concurrerend geacht.
Hoewel de innovatie in de FCH-sector in een gevorderd stadium is, is de sector nog steeds pril en kwetsbaar. De ontwikkeling van FCH-technologieën die kunnen worden ingezet in een wereldwijde door concurrentie gekenmerkte context vraagt om een aanzienlijke verhoging van de publieke en private O&O-investeringen in de lidstaten en de geassocieerde landen. De publieke middelen voor FCH-onderzoek in de EU, die zowel door de lidstaten als uit hoofde van het kaderprogramma beschikbaar worden gesteld, volstaan niet ter dekking van de geraamde financiële middelen die nodig zijn om de stappenplannen voor FCH-technologie voor de periode 2014-2020[4] uit te voeren. Een ambitieus overheidsbeleid kan echter de positieve omstandigheden scheppen om de private investeringen aan te trekken die noodzakelijk zijn om de overheidssteun aan te vullen en de O&O-behoeften te lenigen.
Het voorstel tot voortzetting van de gemeenschappelijke onderneming FCH omvat bepalingen die tot doel hebben de werkzaamheden te vereenvoudigen en flexibeler te maken.
2. Raadpleging van de belanghebbende partijen en effectbeoordeling
Resultaten van het overleg
· De belangengroepen die de industrie- en onderzoeksgemeenschappen, de lidstaten en het grote publiek vertegenwoordigen is naar hun mening gevraagd over de voortzetting van de gemeenschappelijke onderneming FCH in het kader van Horizon 2020. In 2012 zijn diverse workshops en ad-hocvergaderingen gehouden om de prioriteiten ten aanzien van onderzoek naar brandstofcellen en waterstof te bespreken en het beste mechanisme vast te stellen voor de uitvoering van het onderzoeks- en innovatieprogramma op Europees niveau. In de tweede helft van 2012 werd een enquête verspreid onder alle belanghebbenden die steun ontvangen in het kader van de gemeenschappelijke onderneming FCH, waarop 154 antwoorden zijn ontvangen, waaronder 46 van de industriegroepering. 93 % van de begunstigden die hebben gereageerd, gaf aan voorstander te zijn van de voortzetting van de gemeenschappelijke onderneming FCH. Bovendien is de omzet van 70 % van de leden van de industriegroepering op het gebied van FCH sinds 2007 gestegen en heeft 70 % zijn uitgaven voor O&O verhoogd. Ca. de helft van de antwoordende leden meldde een toename van de uitgaven voor O&O als direct gevolg van de oprichting van de gemeenschappelijke onderneming.
· Tussen juli en oktober 2012 werd een openbare raadpleging gehouden, waarop 127 antwoorden werden ontvangen. De meeste respondenten zijn het erover eens dat FCH-technologie een voorname rol zal spelen in de toekomstige koolstofarme energie- en vervoerssector in de EU (98 % van de respondenten), voor de energiezekerheid van de EU (94 %) en voor het industriële concurrentievermogen van de EU (95 %). De resultaten van de openbare raadplegingen over een publiek-privaat partnerschap (PPP) op het gebied van brandstofcellen en waterstof in het kader van Horizon 2020 zijn online beschikbaar op het volgende webadres: ec.europa.eu/research/consultations/fch_h2020
Effectbeoordeling
De voorgestelde verordening is onderworpen aan een effectbeoordeling door de Commissie, die bij het voorstel is gevoegd.
Inhoudsopgave
·
Samenvatting van de voorgestelde maatregelen
Het voorstel bestaat uit een verordening van de Raad betreffende de gemeenschappelijke onderneming brandstofcellen en waterstof 2. De gemeenschappelijke onderneming FCH werd oorspronkelijk opgericht bij Verordening (EG) nr. 521/2008 van de Raad van 30 mei 2008, die met ingang van 1 januari 2014 zal worden ingetrokken.
·
Rechtsgrondslag
Het voorstel is gebaseerd op artikel 187 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.
De regels voor deelname en verspreiding van Horizon 2020 zullen van toepassing zijn.
·
Subsidiariteit en evenredigheid
De doelstellingen van het voorstel kunnen niet voldoende door de lidstaten worden bereikt omdat de schaal van de uitdaging de mogelijkheden van elke lidstaat alleen te boven gaat. Er bestaan significante verschillen tussen de nationale programma's, die versnipperd zijn en elkaar soms overlappen. Dit vraagt om doeltreffende maatregelen op EU-niveau. Door de pooling en coördinatie van de inspanningen op het gebied van onderzoek en ontwikkeling op EU-niveau is de kans op welslagen groter gezien enerzijds het grensoverschrijdende karakter van de te ontwikkelen infrastructuur en technologieën en anderzijds de noodzaak om voldoende middelen bijeen te brengen. De steunverlening van de Europese Unie zal, niet alleen door gemeenschappelijk prenormatief onderzoek ter ondersteuning van de opstelling van normen, maar ook door de feitelijke normalisatie die zal ontstaan uit de nauwe onderzoekssamenwerking en de transnationale demonstratieprojecten, de onderzoeksprogramma’s helpen rationaliseren en zorgen voor interoperabiliteit van de ontwikkelde systemen. Deze normalisatie zal een bredere markt openen en concurrentie in de hand werken. De draagwijdte van het voorstel zou de lidstaten moeten stimuleren om aanvullende initiatieven op nationaal niveau te nemen in de geest van versterking van de Europese Onderzoeksruimte – de bedoeling van de gemeenschappelijke onderneming is namelijk juist deze nationale en regionale programma's te stimuleren om optimaal gebruik te maken van de gecombineerde inspanningen.
Overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel gaan de bepalingen van deze verordening niet verder dan hetgeen nodig is om de doelstellingen ervan te bereiken.
·
Keuze van instrument
Voorgesteld instrument: verordening.
Andere instrumenten zouden om de volgende reden ongeschikt zijn:
de oprichting van een onderneming waarin de Unie participeert, vereist een verordening van de Raad.
Voor de EU-begroting, die in totaal 700 miljoen EUR[5] bedraagt (inclusief EVA), zal een beroep worden gedaan op de Horizon 2020-begroting voor de maatschappelijke uitdagingen 'Veilige, schone en efficiënte energie' en 'Slim, groen en geïntegreerd vervoer'.
De administratieve kosten van de gemeenschappelijke onderneming FCH 2 mogen niet meer bedragen dan 40 miljoen EUR en moeten op jaarbasis geldelijk worden gedekt, gelijkelijk verdeeld over de Unie en de andere leden dan de Unie. De Unie zal 50 % bijdragen, de industriegroepering 43 % en de onderzoeksgroepering 7 %.
De onderzoeksactiviteiten zullen worden gefinancierd door de EU en de samenstellende entiteiten van de andere leden dan de Unie die deelnemen aan de acties onder contract, waarbij de EU-bijdrage geldelijk wordt voldaan en de bijdragen van de samenstellende entiteiten van de andere leden in natura worden geleverd binnen de acties onder contract.
· Overgangsperiode
Na de goedkeuring van de ontwerpverordening over brandstofcellen en waterstof wordt Verordening nr. 521/2008 ingetrokken; acties die uit hoofde van Verordening (EG) nr. 521/2008 zijn ondernomen en financiële verplichtingen in verband met deze acties blijven evenwel aan die verordening onderworpen totdat de acties zijn voltooid.
· Evaluatie
De Europese Commissie brengt jaarlijks verslag uit over de voortgang die door de gemeenschappelijke onderneming FCH 2 is geboekt. De Europese Commissie zal tevens een tussentijdse evaluatie en een eindevaluatie bij beëindiging van de gemeenschappelijke onderneming uitvoeren.
De kwijting voor de uitvoering van de begroting betreffende de bijdrage van de Unie maakt deel uit van de kwijting die door het Europees Parlement op aanbeveling van de Raad aan de Commissie wordt verleend overeenkomstig de in artikel 319 van het Verdrag bedoelde procedure.
·
Evaluatie-/herzienings-/vervalbepaling
Het voorstel bevat een evaluatiebepaling.
Het voorstel bevat een vervalbepaling.