Toelichting bij COM(2018)21 - Wijziging van de btw-richtlijn wat betreft de bijzondere regeling voor kleine ondernemingen - EU monitor

EU monitor
Donderdag 29 oktober 2020
kalender

Toelichting bij COM(2018)21 - Wijziging van de btw-richtlijn wat betreft de bijzondere regeling voor kleine ondernemingen

Dit is een beperkte versie

U kijkt naar een beperkte versie van dit dossier in de EU Monitor.

1. ACHTERGROND VAN HET VOORSTEL

Motivering en doel van het voorstel

De belasting over de toegevoegde waarde (btw) is een verbruiksbelasting die uiteindelijk door de eindverbruiker wordt gedragen, maar wordt geïnd door ondernemingen die goederen of diensten leveren. De btw-richtlijn 1 bevat een reeks administratieve verplichtingen om de goede werking van het systeem te waarborgen (bijvoorbeeld btw-registratie, facturering, boekhouding en verslaglegging). Door de nalevingslasten die de nakoming van deze verplichtingen met zich meebrengt, worden ondernemingen opgezadeld met kosten die de 'nalevingskosten' worden genoemd. De btw-verplichtingen zijn bijzonder belastend voor kleine ondernemingen, aangezien deze over minder middelen beschikken dan grote ondernemingen. Hierdoor dragen kleine ondernemingen 2 (hierna 'het mkb' genoemd) verhoudingsgewijs hogere btw-nalevingskosten dan grotere ondernemingen.

Daarom bevat de btw-richtlijn een aantal bepalingen die erop gericht zijn de btw-lasten van het mkb te verlichten. Deze bepalingen zijn grotendeels opgenomen in titel XII, hoofdstuk 1, van de richtlijn, getiteld 'Bijzondere regeling voor kleine ondernemingen' (hierna de 'mkb-regeling' genoemd). Op grond van deze bepalingen kunnen de lidstaten: i) voorzien in vereenvoudigde procedures voor de heffing en inning van btw, en ii) mkb'ers met een jaarlijkse omzet onder een bepaalde drempel ontheffen van de verplichting om btw te heffen en af te trekken (hierna de 'mkb-vrijstelling' genoemd). De btw-richtlijn voorziet ook in vereenvoudigde btw-verplichtingen, maar niet in het kader van de mkb-regeling. Deze maatregelen zijn facultatief – de lidstaten kunnen ze toepassen en ondernemingen kunnen er gebruik van maken.

Het onderhavige initiatief maakt deel uit van het pakket hervormingen dat is aangekondigd in het btw-actieplan 3 . Het initiatief werd kracht bijgezet met de follow-up van dit plan 4 , zoals hieronder nader toegelicht (onder 'Samenhang met de huidige bepalingen op dit beleidsgebied'), en met de intentieverklaring van voorzitter Juncker bij de toespraak over de Staat van de Unie 2017 5 . De herziening komt echter niets te vroeg om drie belangrijke redenen.

Ten eerste wordt het mkb, ondanks de – veelvuldig gebruikte – mogelijkheid voor de lidstaten om het mkb vrij te stellen van btw, nog steeds geconfronteerd met onevenredige btw-nalevingskosten als gevolg van de manier waarop de mkb-vrijstelling is opgezet. Met name mkb'ers die actief zijn in het grensoverschrijdende handelsverkeer, komen niet in aanmerking voor de mkb-vrijstelling in andere lidstaten dan die waar ze zijn gevestigd. Daarnaast worden de hoge btw-nalevingskosten ook veroorzaakt door de complexiteit en diversiteit van de btw-verplichtingen in de hele EU waaraan de mkb'ers die grensoverschrijdende handel drijven, zich moeten houden.

Ten tweede heeft het huidige systeem concurrentieverstorende effecten op zowel de binnenlandse als de Europese markten. De mkb-vrijstelling in een lidstaat, waarvoor alleen daar gevestigde ondernemingen in aanmerking komen, heeft een negatief effect op de concurrentiepositie van de in andere lidstaten gevestigde ondernemingen die actief zijn op dezelfde markt. Deze situatie zal alleen maar verergeren door de verschuiving naar belastingheffing in het land van bestemming waarin het voorgestelde definitieve btw-stelsel voorziet. Veel mkb'ers moeten hun afnemers dan btw in rekening gaan brengen die afwijkt van de btw in de lidstaat waar ze zijn gevestigd. Volgens het beginsel van belastingheffing in het land van bestemming moet de btw dan worden aangegeven en in rekening worden gebracht in de lidstaat waar de afnemer is gevestigd (lidstaat van 'bestemming') in plaats van in de lidstaat waar de mkb'er is gevestigd (lidstaat van 'oorsprong'). Dit betekent het volgende: i) er is geen gelijk speelveld voor mkb'ers die handel drijven binnen de EU, en ii) het mkb wordt ontmoedigd om grensoverschrijdende handelingen te verrichten en de kansen die de eengemaakte markt biedt, ten volle te benutten als gevolg van de btw-verplichtingen in andere lidstaten.

Op nationaal niveau ontstaan verstoringen omdat de vereenvoudigde btw-verplichtingen in beginsel gekoppeld zijn aan het gebruik van de mkb-vrijstelling en niet gelden voor de mkb'ers die de vrijstelling niet gebruiken (omdat ze de drempel voor de omzet hebben overschreden of voor het normale btw-stelsel hebben gekozen). Dit kan leiden tot het 'drempeleffect', waarbij mkb'ers hun groei afremmen om te vermijden dat de drempel voor de mkb-vrijstelling wordt overschreden.

Ten derde biedt de herziening de gelegenheid om vrijwillige naleving te stimuleren en dus inkomstendervingen ten gevolge van niet-naleving en btw-fraude terug te dringen. Hoewel het mkb al moeilijkheden ondervindt om de nationale btw-verplichtingen na te komen, vormt de nakoming van de btw-verplichtingen in andere lidstaten een nog grotere belemmering voor de mkb'ers die actief zijn in het grensoverschrijdende handelsverkeer. Dit komt door het gebrek aan afstemming in de hele EU. Met het vereenvoudigde registratie- en betalingssysteem MOSS (mini-éénloketsysteem) zijn deze problemen aangepakt op het gebied van elektronische diensten die worden verricht voor eindverbruikers (B2C). Hoewel het voorstel inzake elektronische handel voorziet in de uitbreiding van het MOSS tot alle B2C-leveringen, zijn er nog verdere verbeteringen nodig.

Er zijn nog twee andere redenen waarom moet worden ingegrepen.

Ten eerste is de mkb-regeling reeds achterhaald aangezien deze wordt toegepast op basis van afwijkingen. De btw-richtlijn zelf biedt de mogelijkheid om af te wijken van de basisdrempel van 5 000 EUR voor de mkb-vrijstelling door de expliciete vaststelling van drempels voor negentien lidstaten. Momenteel maken echter tien lidstaten gebruik van derogaties van hun drempel, en er zijn reeds diverse nieuwe derogatieverzoeken ingediend.

Ten tweede wordt de mkb-regeling, die voorziet in maatregelen die moeten worden toegepast in de lidstaat waar de kleine ondernemingen zijn gevestigd, onhoudbaar door de verschuiving van het btw-stelsel naar belastingheffing in het land van bestemming.

Om die reden is de herziening erop gericht een moderne, vereenvoudigde mkb-regeling tot stand te brengen. Met name is het de bedoeling om: i) de btw-nalevingskosten van het mkb te verlagen, zowel op nationaal als EU-niveau; ii) de concurrentieverstoringen terug te dringen, zowel op nationaal als EU-niveau; iii) de negatieve gevolgen van het drempeleffect te beperken; en iv) de naleving van de regels door het mkb en de monitoring door de belastingdiensten te vergemakkelijken.

1.

Dit is in overeenstemming met de doelstellingen van dit voorstel, namelijk om:


·een klimaat te scheppen dat bevorderlijk is voor de groei van het mkb helpen;

·een efficiënt en robuust btw-stelsel te creëren met het oog op de totstandbrenging van een gemeenschappelijke btw-ruimte in de EU; en

·bij te dragen tot de goede werking van een diepere en eerlijkere eengemaakte markt.

Samenhang met de huidige bepalingen op dit beleidsgebied

De herziening maakt deel uit van het btw-actieplan, waarin wordt uiteengezet hoe het btw-stelsel kan worden gemoderniseerd om het eenvoudiger, fraudebestendiger en bedrijfsvriendelijker te maken. Dit voorstel vormt met name een aanvulling op twee andere wetgevingsinitiatieven die voortvloeien uit het btw-actieplan voor de verschuiving naar belastingheffing in het land van bestemming: i) het voorstel van december 2016 inzake elektronische handel 6 , en ii) het voorstel van oktober 2017 inzake het definitieve btw-stelsel, 7 . Ook is het in overeenstemming met het 'plaats van levering'-beginsel voor de btw op de levering van telecommunicatie-, omroep- en elektronische diensten 8 , dat in 2015 in werking is getreden.

Samenhang met andere beleidsgebieden van de EU

Het voorstel is in overeenstemming met de strategie van 2015 voor de eengemaakte markt 9 , waarmee de Commissie de groei van mkb'ers en startende ondernemingen wil bevorderen en de belangrijkste moeilijkheden wil aanpakken die mkb'ers in verschillende fasen van hun levenscyclus ondervinden en die voorkomen dat ze de voordelen van de eengemaakte markt ten volle kunnen benutten. Het is ook in overeenstemming met het mkb-beleid van de EU zoals beschreven in de mededeling van 2016 over startende ondernemingen 10 , en met het 'denk eerst klein'-beginsel zoals geschetst in de mededeling van 2008 over de 'Small Business Act' 11 .

2. RECHTSGRONDSLAG, SUBSIDIARITEIT EN EVENREDIGHEID

Rechtsgrondslag

De rechtsgrondslag voor de uit het onderhavige voorstel voortvloeiende richtlijn tot wijziging van de btw-richtlijn is artikel 113 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. Krachtens deze bepaling stelt de Raad, na raadpleging van het Europees Parlement en het Economisch en Sociaal Comité met eenparigheid van stemmen, volgens een bijzondere wetgevingsprocedure, de bepalingen vast die betrekking hebben op de harmonisatie van de regels van de lidstaten op het gebied van de indirecte belastingen.

Subsidiariteit (bij niet-exclusieve bevoegdheid)

Het voorstel is in overeenstemming met het subsidiariteitsbeginsel zoals neergelegd in artikel 5, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie 12 . De belangrijkste problemen die zijn geconstateerd (hoge nalevingskosten, verstorende effecten enzovoort), worden veroorzaakt door de regels van de bestaande btw-richtlijn. Om deze te vereenvoudigen en daarmee de nalevingslasten van het mkb terug te dringen, moet de Commissie een voorstel tot wijziging van de btw-richtlijn indienen. De richtlijn biedt de lidstaten thans nauwelijks speelruimte. Om die reden zal dit voorstel een duidelijke meerwaarde opleveren ten opzichte van wat op het niveau van de lidstaten kan worden bereikt.

Evenredigheid

Het voorstel is in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel, aangezien het niet verder gaat dan nodig is om de doelstellingen van de Verdragen, met name de goede werking van de eengemaakte markt, te verwezenlijken. Net als bij de subsidiariteitstoets geldt dat, zonder een voorstel tot wijziging van de btw-richtlijn, de lidstaten de problemen van het mkb die voortvloeien uit de bestaande btw-regels, niet kunnen aanpakken. De voorgestelde verbeteringen blijven beperkt tot een gering aantal btw-bepalingen die aan de geconstateerde problemen ten grondslag liggen. Punt 7.4 van de effectbeoordeling bij dit voorstel bevat nadere informatie.

Keuze van het instrument

Er is gekozen voor een richtlijn tot wijziging van de btw-richtlijn.

3. RESULTATEN VAN EX-POSTEVALUATIES, RAADPLEGINGEN VAN BELANGHEBBENDEN EN EFFECTBEOORDELINGEN

Ex-postevaluaties/geschiktheidscontroles van bestaande wetgeving

Bij de uitwerking van het voorstel zijn de huidige mkb-regels van de btw-richtlijn tegen het licht gehouden. De evaluatie, die te vinden is in bijlage 8 van de effectbeoordeling bij dit voorstel, is met name gebaseerd op een retrospectieve beoordeling van bepaalde elementen van het btw-stelsel van de EU 13 die in 2011 is uitgevoerd door een externe consultant, en op een studie over de mkb-regeling die in 2017 is uitgevoerd door een andere externe consultant.

Raadpleging van belanghebbenden

De raadplegingsstrategie was erop gericht feedback van belanghebbenden over de toepassing van de huidige btw-bepalingen voor het mkb te verzamelen en hun mening over mogelijke wijzigingen van deze bepalingen te peilen.

De strategie bestond uit: i) een raadpleging die was gericht op 2 000 kleine ondernemingen en is uitgevoerd in het kader van de studie uit 2017, ii) een raadpleging van het mkb-panel die is uitgevoerd door het Enterprise Europe Network 14 en 1 704 reacties heeft opgeleverd, iii) een online openbare raadpleging die over een periode van twaalf weken is gehouden van 20 december 2016 tot 20 maart 2017 en 113 reacties heeft opgeleverd 15 , iv) een workshop in het kader van het Fiscalis 2020-programma die is georganiseerd in de vorm van een gezamenlijke bijeenkomst van de groep over de toekomst van de btw en de btw-deskundigengroep om de deelname van vertegenwoordigers van het bedrijfsleven uit deze laatstgenoemde groep mogelijk te maken, en v) reacties die zijn ontvangen via het Refit-platform 16 . Er is ook rekening gehouden met spontane bijdragen.

Bijeenbrengen en benutten van deskundigheid

De voorgestelde herziening is voornamelijk gebaseerd op de analyse van de studie uit 2017 over de mkb-regeling. In deze studie werd nagegaan op welke manier de huidige btw-regels voor het mkb in de btw-richtlijn op nationaal en EU-niveau werken. Daarnaast werden opties voor de herziening van de huidige regels uitgewerkt en werd het effect van deze opties geanalyseerd.

Voorts zijn nog twee andere studies als input gebruikt voor deze herziening: een studie uit 2016 over de modernisering van de btw voor grensoverschrijdende elektronische handel en een studie uit 2011 met een retrospectieve evaluatie van bepaalde elementen van het btw-stelsel van de EU.

Effectbeoordeling

De Raad voor regelgevingstoetsing heeft zich op 13 september 2017 over de effectbeoordeling gebogen. De raad heeft een positief advies uitgebracht over het voorstel en een aantal aanbevelingen geformuleerd, waarmee rekening is gehouden. Het advies van de raad, de aanbevelingen en een toelichting over de manier waarop daarmee rekening is gehouden, zijn opgenomen in bijlage 1 bij het werkdocument van de diensten van de Commissie dat bij dit voorstel is gevoegd.

Resultaatgerichtheid en vereenvoudiging

Dit initiatief maakt deel uit van het Refit-programma. In het werkprogramma van de Commissie 17 , waarin de nieuwe initiatieven voor 2017 zijn geschetst, is de mkb-herziening opgenomen onder 18 "Een diepere en eerlijkere eengemaakte markt met een sterkere industriële basis", een van de prioriteiten van de Commissie.

Het voorstel is een concrete vertaling van de Refit-doelstellingen om: i) de btw-druk voor het mkb en de belastingdiensten te verminderen, en ii) verstoringen op EU-niveau te beperken zodat het mkb de voordelen van de eengemaakte markt ten volle kan benutten. Met name wordt verwacht dat de nalevingskosten van het mkb dankzij dit initiatief met 18 % zullen dalen in vergelijking met het in de effectbeoordeling geschetste basisscenario (56,1 miljard EUR per jaar, tegen het huidige bedrag van 68 miljard EUR per jaar). Ook wordt verwacht dat de grensoverschrijdende handelsactiviteiten van het mkb binnen de EU met 13,5 % zullen toenemen. Het initiatief zou ook een positief effect moeten sorteren op de vrijwillige naleving en op het concurrentievermogen van het bedrijfsleven. Zie de punten 6 en 7 van de effectbeoordeling bij dit voorstel voor meer informatie.

4. GEVOLGEN VOOR DE BEGROTING

Het voorstel heeft geen negatieve gevolgen voor de EU-begroting.

5. OVERIGE ELEMENTEN

Uitvoeringsplanning en regelingen betreffende controle, evaluatie en rapportage

Op de uitvoering van het voorstel zal worden toegezien door de Commissie die de bevoegdheid heeft om de btw-wetgeving van de EU te handhaven. Daarnaast zullen de Commissie en de lidstaten in het oog houden en beoordelen of dit initiatief naar behoren werkt en in hoeverre de doelstellingen ervan zijn verwezenlijkt, zulks op basis van de indicatoren die zijn beschreven in punt 8 van de effectbeoordeling bij dit voorstel.

Overzicht van de belangrijkste bepalingen van het voorstel

2.

De belangrijkste bepalingen van het voorstel zijn:



(1)de vrijstelling voor kleine ondernemingen openstellen voor alle in aanmerking komende EU-ondernemingen, ongeacht of deze zijn gevestigd in de lidstaat waar btw verschuldigd en de vrijstelling beschikbaar is;

(2)een geactualiseerde waarde voor de bovengrens van de nationale vrijstellingsdrempels vaststellen;

(3)een overgangsperiode vaststellen waarin kleine ondernemingen die de vrijstellingsdrempel tijdelijk overschrijden, gebruik kunnen blijven maken van de vrijstelling;

(4)vereenvoudigde btw-verplichtingen invoeren voor zowel vrijgestelde als niet-vrijgestelde kleine ondernemingen.

Toelichting bij de specifieke bepalingen van het voorstel

In de punten 1 tot en met 7, 13, 17, 19 en 20 van artikel 1 worden een aantal wijzigingen voorgesteld in de vorm van actualiseringen, technische aanpassingen en verwijzingen naar de mkb-vrijstelling in andere bepalingen van de btw-richtlijn.

In punt 8 van artikel 1 wordt een nieuw artikel 280 bis ingevoegd met definities van verschillende concepten die nodig zijn voor de toepassing van bepalingen van de bijzondere regeling als bedoeld in titel XII, hoofdstuk 1, van de btw-richtlijn.

De definitie van 'kleine ondernemingen' verschaft meer duidelijkheid over deze bepalingen en biedt de belastingbetaler meer rechtszekerheid. De definitie omvat alle ondernemingen met een jaarlijkse omzet in de Unie in de eengemaakte markt van niet meer dan 2 000 000 EUR. Wat de btw-behandeling van dergelijke ondernemingen betreft, wordt het door deze definitie mogelijk om de vereenvoudigingsmaatregelen ook te richten op ondernemingen die klein zijn in economisch opzicht, maar een omzet realiseren die de vrijstellingsdrempel overschrijdt. De bredere categorie van kleine ondernemingen omvat dus ondernemingen die zijn vrijgesteld van btw, ondernemingen die in aanmerking komen voor een vrijstelling, maar voor de toepassing van de normale regels hebben gekozen, en ondernemingen waarvan de omzet de vrijstellingsdrempel overschrijdt en die dus worden belast volgens de normale regels.

Er zijn ook twee definities van 'omzet' ingevoerd om de toepassing van de nationale vrijstellingsdrempels ("jaarlijkse omzet in de lidstaat") en de toekenningsvoorwaarde die geldt voor niet-gevestigde kleine ondernemingen ("jaarlijkse omzet in de Unie") te vergemakkelijken.

De punten 9, 10 en 16 van artikel 1 bevatten wijzigingen die voortvloeien uit de afschaffing van de degressieve belastingvermindering, die complex bleek en de nalevingslasten van kleine ondernemingen in slechts geringe mate terugdringt. Deze maatregel moet derhalve worden geschrapt.

In punt 11 van artikel 1 wordt artikel 283, lid 1, gewijzigd: de uitsluiting van niet-gevestigde ondernemingen van de vrijstelling wordt geschrapt. Deze wijziging is nodig om de vrijstelling open te stellen voor EU-ondernemingen die niet zijn gevestigd in de lidstaat waar ze aan de btw onderworpen leveringen verrichten.

In punt 12 van artikel 1 wordt artikel 284 gewijzigd en het nieuwe toepassingsgebied van de vrijstelling voor kleine ondernemingen omschreven, die facultatief blijft voor de lidstaten. De lidstaten die besluiten om de mkb-vrijstelling toe te passen, krijgen de mogelijkheid om hun drempel vast te stellen op het niveau dat het best past bij hun specifieke economische en juridische. In de btw-richtlijn zal evenwel een voor alle lidstaten geldende bovengrens voor de vrijstellingsdrempel worden vastgesteld om ervoor te zorgen dat het toepassingsgebied van de vrijstelling beperkt blijft tot de kleinste ondernemingen en de mogelijke verstorende effecten van de vrijstelling worden ingedamd. De vrijstelling zal beschikbaar zijn voor alle in aanmerking komende EU-ondernemingen, ongeacht of deze zijn gevestigd in de lidstaat waar ze leveringen verrichten die aan de btw zijn onderworpen.

Een kleine onderneming die gebruik kan maken van de vrijstelling in een lidstaat waar deze niet is gevestigd, moet voldoen aan twee voorwaarden: i) de jaarlijkse omzet van de onderneming in die lidstaat ("jaarlijkse omzet in de lidstaat") moet lager liggen dan de in die lidstaat toepasselijke vrijstellingsdrempel; en ii) de totale omzet in de eengemaakte markt ("jaarlijkse omzet in de Unie") mag niet meer dan 100 000 EUR bedragen. De laatstgenoemde toekenningsvoorwaarde moet misbruik door grote ondernemingen voorkomen, die zonder de drempel voor de totale omzet in de EU gebruik zouden kunnen maken van de mkb-vrijstellingen in meerdere lidstaten (bijvoorbeeld indien hun omzet in elke lidstaat lager ligt dan de toepasselijke drempel voor de mkb-vrijstelling) ondanks een hoge totale omzet.

Om de toepassing van de voorwaarden voor de vrijstelling doeltreffend te controleren, moet de lidstaat waar een onderneming is gevestigd die gebruikmaakt van de vrijstelling in andere lidstaten, alle relevante informatie over de omzet van die onderneming verzamelen. Wanneer een kleine onderneming gebruikmaakt van de vrijstelling in andere lidstaten dan die waar zij is gevestigd, moet de lidstaat van vestiging er dus voor zorgen dat de kleine onderneming de jaarlijkse omzet in de Unie en de jaarlijkse omzet in de lidstaat correct aangeeft, en moet deze lidstaat de belastingdiensten van de andere betrokken lidstaten waar de kleine onderneming leveringen verricht, daarvan in kennis stellen.

In punt 14 van artikel 1 wordt artikel 288 gewijzigd om duidelijkheid te verschaffen over welke handelingen meetellen bij de berekening van de jaarlijkse omzet, die als maatstaf dient voor de toepassing van de vrijstelling voor kleine ondernemingen.

In punt 15 van artikel 1 wordt een nieuw artikel 288 bis ingevoegd, waarin een overgangsperiode wordt ingevoerd voor kleine ondernemingen die gebruikmaken van de mkb-vrijstelling en waarvan de omzet in een bepaald jaar de vrijstellingsdrempel overschrijdt. Deze ondernemingen mogen gebruik blijven maken van de mkb-vrijstelling voor dat jaar, tenzij hun omzet in dat jaar de toepasselijke drempel voor de mkb-vrijstelling overschrijdt met meer dan 50 %. De bepaling bevat twee eindpunten van deze overgangsperiode om deze maatregel te vrijwaren van misbruik: tijdgebonden (één jaar) en omzetgerelateerd (overschrijding van de toepasselijke vrijstellingsdrempel met meer dan 50 %).

In punt 18 van artikel 1 wordt een nieuwe afdeling 2 bis ingevoegd met vereenvoudigingsmaatregelen voor zowel vrijgestelde als niet-vrijgestelde ondernemingen. In de nieuwe onderafdeling 1 wordt een aantal vereenvoudigde verplichtingen voor vrijgestelde ondernemingen in de vrijstellingsregeling geïntegreerd (registratie, facturering, boekhouding en btw-aangiften). Daarnaast behouden de lidstaten de mogelijkheid om vrijgestelde kleine ondernemingen te ontheffen van andere verplichtingen uit hoofde van de artikelen 213 tot en met 271.

De nieuwe onderafdeling 2 bevat een reeks vereenvoudigde verplichtingen waaraan kleine ondernemingen moeten voldoen die geen mkb-vrijstelling genieten. Daarbij kan het gaan om ondernemingen die in aanmerking komen voor de vrijstelling, maar voor belastingheffing volgens de algemene regels kiezen, en om ondernemingen met een omzet die de vrijstellingsdrempel overschrijdt, maar niet meer dan 2 000 000 EUR bedraagt, en die bijgevolg gelden als een kleine onderneming in de zin van de nieuwe definitie. Aangezien vrijgestelde ondernemingen de voorbelasting niet mogen aftrekken, komt de vrijstelling niet echt tegemoet aan de wensen van alle in aanmerking komende ondernemingen. Met name kleine ondernemingen die goederenleveringen en diensten verrichten voor andere belastingplichtigen, geven mogelijk de voorkeur aan belastingheffing volgens de algemene regels. De vermindering van de btw-nalevingskosten vloeit bij deze ondernemingen derhalve voort uit de vereenvoudiging van hun btw-verplichtingen en niet uit de vrijstelling zelf.

Daarom moeten de lidstaten ook een reeks btw-verplichtingen voor niet-vrijgestelde kleine ondernemingen vereenvoudigen, zoals de registratie- en de boekhoudingsverplichtingen. Ook moeten de belastingtijdvakken worden verlengd zodat minder vaak btw-aangiften ingediend hoeven te worden. Niet-vrijgestelde kleine ondernemingen moeten ook kunnen kiezen voor de toepassing van de normale belastingtijdvakken.