Toelichting bij COM(2018)601 - Standpunt EU in de Gemengde Commissie EU-CTC van de overeenkomst betreffende een gemeenschappelijke regeling inzake douanevervoer mbt wijziging van deze overeenkomst

Dit is een beperkte versie

U kijkt naar een beperkte versie van dit dossier in de EU Monitor.

1. ONDERWERP VAN HET VOORSTEL

Motivering en doel van het voorstel

Dit voorstel betreft het besluit tot bepaling van het namens de Unie in te nemen standpunt in de Gemengde Commissie EU-CTC 1 voor gemeenschappelijk douanevervoer ("de Gemengde Commissie") met betrekking tot de voorgenomen vaststelling door deze commissie van een besluit tot wijziging van een reeks bijlagen bij aanhangsel III van de overeenkomst betreffende een gemeenschappelijke regeling inzake douanevervoer van 20 mei 1987 2 ("de overeenkomst").

2. ACHTERGROND VAN HET VOORSTEL

2.1.De overeenkomst betreffende een gemeenschappelijke regeling inzake douanevervoer

De overeenkomst heeft tot doel het goederenverkeer tussen de Europese Unie en de andere landen die partij zijn bij de overeenkomst, te vergemakkelijken. Zij is op 1 januari 1988 in werking getreden.

De Europese Unie is partij bij de overeenkomst.

De landen die partij zijn bij de overeenkomst maar geen lid zijn van de Unie, worden in de overeenkomst 'landen die deelnemen aan het gemeenschappelijk douanevervoer' genoemd.

2.2.De Gemengde Commissie

De Gemengde Commissie is belast met het beheer van de overeenkomst en ziet toe op de correcte uitvoering ervan. Zij stelt bij besluit wijzigingen in de aanhangsels van de overeenkomst vast.

De besluiten van de Gemengde Commissie worden aangenomen in onderlinge overeenstemming tussen de overeenkomstsluitende partijen.

2.3.De beoogde handeling van de Gemengde Commissie

Het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland ("het Verenigd Koninkrijk") heeft de overeenkomst als lidstaat van de Europese Unie toegepast sinds de inwerkingtreding ervan in 1988. Wanneer het Verenigd Koninkrijk zich uit de Europese Unie terugtrekt, zal de overeenkomst evenwel automatisch niet langer van toepassing zijn op het Verenigd Koninkrijk. Als het Verenigd Koninkrijk dus ook na zijn terugtrekking uit de Europese Unie gebruik wil maken van een gemeenschappelijke douanevervoerregeling voor het vervoer van goederen tussen de overeenkomstsluitende partijen en het Verenigd Koninkrijk, moet het als een afzonderlijke partij tot de overeenkomst toetreden.

Indien de tussen de onderhandelaars van de EU en het Verenigd Koninkrijk overeengekomen overgangsregeling in werking treedt in het kader van het terugtrekkingsakkoord waarover momenteel wordt onderhandeld overeenkomstig artikel 50 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, zullen de internationale overeenkomsten waarbij de Unie partij is, daaronder begrepen de overeenkomst in kwestie, van toepassing zijn op en in het Verenigd Koninkrijk met ingang van de datum van terugtrekking tot en met 31 december 2020. In dat geval zal de toetreding van het Verenigd Koninkrijk tot deze overeenkomst pas van kracht worden vanaf de datum waarop het Unierecht (daaronder begrepen deze overeenkomst) niet langer van toepassing is op en in het Verenigd Koninkrijk.

Door de toetreding van het Verenigd Koninkrijk tot de overeenkomst dienen de documenten van zekerheidstelling waarin de partijen bij de overeenkomst zijn vermeld, te worden aangepast. De naam 'het Verenigd Koninkrijk' zal worden geschrapt in het deel dat bestemd is voor de lidstaten van de Unie, en worden opgenomen in het deel dat bestemd is voor de landen die deelnemen aan het gemeenschappelijk douanevervoer.

De Commissie wordt verzocht onderhavig ontwerpvoorstel voor een besluit aan te nemen en aan de Raad toe te zenden.

Het besluit van de Gemengde Commissie tot wijziging van de overeenkomst zal bindend worden voor de overeenkomstsluitende partijen in overeenstemming met artikel 3 van dat besluit, waarin is bepaald dat het in werking treedt op de datum waarop de toetreding van het Verenigd Koninkrijk tot de overeenkomst als een afzonderlijke partij van kracht wordt, onder voorbehoud van die toetreding.

In overeenstemming met artikel 15, lid 3, van de overeenkomst dienen de overeenkomstsluitende partijen in overeenstemming met hun eigen wetgeving gevolg te geven aan besluiten tot wijziging van de overeenkomst.

3. NAMENS DE UNIE IN TE NEMEN STANDPUNT

Het voorgestelde standpunt houdt in dat de bijlagen bij aanhangsel III van de overeenkomst, waarin het Verenigd Koninkrijk is opgenomen als een lidstaat van de Unie, worden gewijzigd om duidelijk te maken dat het Verenigd Koninkrijk een afzonderlijke partij bij de overeenkomst is zodra zijn toetreding van kracht is geworden. De wijzigingen zijn derhalve technisch van aard.

Het voorgestelde standpunt is in overeenstemming met het gemeenschappelijk handelsbeleid.

4. RECHTSGRONDSLAG

4.1.Procedurele rechtsgrondslag

4.1.1.Beginselen

Artikel 218, lid 9, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) voorziet in de vaststelling van besluiten tot bepaling van 'de standpunten die namens de Unie worden ingenomen in een krachtens een overeenkomst opgericht lichaam, wanneer dit lichaam handelingen met rechtsgevolgen vaststelt, met uitzondering van handelingen tot aanvulling of wijziging van het institutionele kader van de overeenkomst'.

Overeenkomstig artikel 15, lid 3, onder a), van de overeenkomst stelt de Gemengde Commissie bij besluit wijzigingen in de aanhangsels van de overeenkomst vast.

4.1.2.Toepassing op het onderhavige geval

De Gemengde Commissie is een lichaam dat is opgericht krachtens een overeenkomst, te weten de overeenkomst betreffende een gemeenschappelijke regeling inzake douanevervoer.

Het door de Gemengde Commissie vast te stellen besluit is een handeling met rechtsgevolgen. Dit besluit zal overeenkomstig artikel 20 van de overeenkomst uit hoofde van het volkenrecht bindend zijn.

Hoewel het Verenigd Koninkrijk geen derde land zal zijn wanneer de Gemengde Commissie deze wijzigingen van de aanhangsels vaststelt, is het niettemin noodzakelijk de technische aanpassingen van de aanhangsels voor te bereiden zodat deze toepassing kunnen vinden zodra het Verenigd Koninkrijk een afzonderlijke partij bij de overeenkomst wordt.

De beoogde handeling strekt niet tot aanvulling of wijziging van het institutionele kader van de overeenkomst.

De procedurele rechtsgrondslag voor het voorgestelde besluit is derhalve artikel 218, lid 9, VWEU.

4.2.Materiële rechtsgrondslag

De materiële rechtsgrondslag voor een overeenkomstig artikel 218, lid 9, VWEU te nemen besluit wordt in de eerste plaats bepaald door de doelstelling en de inhoud van de beoogde handeling ten aanzien waarvan namens de Unie een standpunt wordt ingenomen. Wanneer de beoogde handeling een tweeledige doelstelling heeft of bestaat uit twee componenten, waarvan er een kan worden gezien als hoofddoelstelling of overwegende component, terwijl de andere doelstelling of de andere component slechts ondergeschikt is, moet het overeenkomstig artikel 218, lid 9, VWEU te nemen besluit op één materiële rechtsgrondslag worden gebaseerd, namelijk die welke vereist is gelet op de hoofddoelstelling of de overwegende component.

De wijzigingen in de aanhangsels van de overeenkomst met het oog op de toetreding van het Verenigd Koninkrijk tot de overeenkomst moeten zorgen voor efficiënte procedures voor grensoverschrijding. De doelstelling en inhoud van de beoogde handeling hebben in de eerste plaats dus betrekking op het gemeenschappelijk handelsbeleid.

De materiële rechtsgrondslag voor het voorgestelde besluit is derhalve artikel 207 VWEU.

4.3.Conclusies

De rechtsgrondslag voor het voorgestelde besluit is artikel 207 VWEU, in samenhang met artikel 218, lid 9, VWEU.