Toelichting bij COM(2018)634 - Gemeenschappelijke normen en procedures voor de terugkeer van illegaal verblijvende derdelanders (herschikking) - Bijdrage aan de bijeenkomst van de leiders, september 2018

Dit is een beperkte versie

U kijkt naar een beperkte versie van dit dossier in de EU Monitor.

1. ACHTERGROND VAN HET VOORSTEL

Motivering en doel van het voorstel

Dit voorstel maakt deel uit van een pakket maatregelen dat door de Commissie wordt voorgesteld als follow-up van de Europese Raad van 28 juni 2018 1 , die heeft onderstreept dat de daadwerkelijke terugkeer van irreguliere migranten aanzienlijk moet worden opgevoerd en heeft verklaard ingenomen te zijn met het voornemen van de Commissie om wetgevingsvoorstellen voor een effectiever en samenhangender Europees terugkeerbeleid te presenteren. De belangrijkste beginselen die in de conclusies van de Europese Raad zijn overeengekomen en die de lidstaten in verschillende fora hebben ondersteund 2 , wijzen op de noodzaak om de instrumenten voor Europese solidariteit, met name de Europese grens- en kustwacht, te versterken, een doeltreffend beheer van de buitengrenzen en migratie te waarborgen en tot een doeltreffender en coherenter Europees terugkeerbeleid te komen.

De daadwerkelijke terugkeer van onderdanen van derde landen die geen recht van verblijf in de EU hebben, is een essentieel onderdeel van de Europese migratieagenda 3 . Op EU-niveau wordt het terugkeerbeleid geregeld bij Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad (hierna de “terugkeerrichtlijn” genoemd) 4 , die voorziet in gemeenschappelijke normen en procedures die de lidstaten moeten toepassen bij de terugkeer van illegaal op hun grondgebied verblijvende onderdanen van derde landen, met volledige inachtneming van het beginsel van non-refoulement. Sinds de inwerkingtreding van de terugkeerrichtlijn in 2010 is de migratiedruk op de lidstaten en de Unie als geheel toegenomen. Daarom is het nu meer dan ooit nodig dat de problemen met betrekking tot de daadwerkelijke terugkeer van irreguliere migranten worden aangepakt.

Er zijn twee grote problemen.

In de eerste plaats ondervinden lidstaten bij terugkeerprocedures moeilijkheden en obstakels om terugkeerbesluiten daadwerkelijk uit te voeren. De nationale praktijken waarmee uitvoering wordt gegeven aan het EU-kader, verschillen van lidstaat tot lidstaat en zijn niet zo doeltreffend als ze zouden moeten zijn. Inconsistente definities en interpretaties van het risico op onderduiken en het gebruik van inbewaringstelling leiden er bijvoorbeeld toe dat irreguliere migranten onderduiken en secundaire stromingen ontstaan. Gebrek aan medewerking van onderdanen van derde landen kan de terugkeerprocedures ook belemmeren. De lidstaten zijn onvoldoende toegerust om te garanderen dat bevoegde autoriteiten snel de noodzakelijke informatie uitwisselen met het oog op de uitvoering van de terugkeer.

In de tweede plaats hangt de doeltreffendheid van het terugkeerbeleid van de EU ook af van de samenwerking met de landen van herkomst. De EU heeft de afgelopen drie jaar aanhoudende inspanningen geleverd om met de belangrijkste landen van herkomst samenwerking op het gebied van migratiebeheer tot stand te brengen. Hierdoor is goede vooruitgang geboekt en zijn inmiddels verschillende niet-bindende regelingen inzake terugkeer en overname overeengekomen, die reeds worden uitgevoerd. Het is belangrijk dat alle lidstaten op deze resultaten voortbouwen en ten volle van deze regelingen gebruikmaken om de terugkeer naar de betrokken landen op te voeren. Daarnaast heeft de Commissie voorgesteld om het visumbeleid van de EU beter in te zetten als tool om tot betere samenwerking inzake terugkeer en overname te komen met derde landen. Zodra de betrokken wetgeving van kracht is, zal de EU veel sterker staan in haar betrekkingen met landen van herkomst.

In de afgelopen jaren is het een prioriteit geweest om de doeltreffendheid op het gebied van terugkeer te bevorderen. In 2016 stelde de Commissie voor om het mandaat van de Europese grens- en kustwacht te herzien, om deze een sterkere rol te geven op het gebied van terugkeer. Overeenkomstig het nieuwe mandaat heeft het agentschap nieuwe instrumenten ontwikkeld om de lidstaten te helpen en te ondersteunen bij hun terugkeeractiviteiten en -procedures. In het vernieuwde actieplan over terugkeer van 2017 5 heeft de Commissie aangetoond hoe de tekortkomingen in de terugkeerprocedures en -praktijken van de lidstaten de doeltreffendheid van het terugkeersysteem van de EU belemmeren. Om deze situatie aan te pakken, heeft de Commissie in 2017 een aanbeveling goedgekeurd met een aantal maatregelen die de lidstaten moeten nemen om de doeltreffendheid van de terugkeer te verhogen 6 , onder andere door ten volle gebruik te maken van de door de terugkeerrichtlijn geboden flexibiliteit. De Commissie gaf daarbij ook aan bereid te zijn aan een herziening van de terugkeerrichtlijn te werken, op basis van de ervaring met de uitvoering van de aanbeveling en afhankelijk van de noodzaak om verdere maatregelen te nemen om het terugkeerpercentage aanzienlijk te verhogen.

Ondanks de geleverde inspanningen is de doeltreffendheid van terugkeer er weinig op vooruit gegaan. Tussen 2016 en 2017 is het terugkeerpercentage in de EU zelfs gedaald, van 45,8 % naar 36,6 %. Om de grote belemmeringen voor daadwerkelijke terugkeer aan te pakken, is een gerichte herziening van de terugkeerrichtlijn nodig, om met name de duur van de terugkeerprocedures te verkorten, een betere link tussen asiel- en terugkeerprocedures te waarborgen en te zorgen voor een doeltreffender gebruik van maatregelen om onderduiken te voorkomen. Om tot een doeltreffender en coherenter Europees terugkeerbeleid te komen dat in overeenstemming is met de grondrechten die zijn verankerd in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, moet dringend een gerichte herschikking van de terugkeerrichtlijn worden goedgekeurd.

1.

Deze gerichte herschikking moet:


–een nieuwe grensprocedure instellen voor de snelle terugkeer van verzoekers om internationale bescherming van wie het verzoek is geweigerd na een asielgrensprocedure;

–zorgen voor duidelijkere en doeltreffendere regels inzake de uitvaardiging van terugkeerbesluiten en beroep tegen dergelijke besluiten;

–voorzien in een duidelijk kader voor samenwerking tussen irreguliere migranten en bevoegde nationale autoriteiten, de regels inzake het toekennen van een termijn voor vrijwillig vertrek stroomlijnen en een kader tot stand brengen voor het toekennen van financiële en materiële bijstand en bijstand in natura aan irreguliere migranten die bereid zijn om vrijwillig terug te keren;

–zorgen voor doeltreffendere instrumenten voor het beheren en faciliteren van de administratieve afhandeling van terugkeer, het uitwisselen van informatie tussen bevoegde autoriteiten en het uitvoeren van terugkeer, om illegale migratie te ontmoedigen;

–samenhang en synergieën met asielprocedures waarborgen;

–een doeltreffender gebruik van inbewaringstelling voor uitvoering van terugkeer garanderen.

De voorgestelde gerichte veranderingen veranderen niets aan de werkingssfeer van de richtlijn, en zijn evenmin van invloed op de bescherming van de bestaande rechten van migranten op gebieden als het belang van het kind, het familie- en gezinsleven en de gezondheidstoestand. De richtlijn blijft de volledige eerbiediging van de grondrechten van migranten, en met name het beginsel van non-refoulement, waarborgen.

Verenigbaarheid met bestaande bepalingen op het beleidsterrein

Met dit voorstel worden de bestaande bepalingen van de terugkeerrichtlijn inzake gemeenschappelijke normen en procedures voor de daadwerkelijke terugkeer van irreguliere migranten verder ontwikkeld, met inachtneming van hun grondrechten en het beginsel van non-refoulement.

Het voorstel bouwt met name voort op de uitvoering van het vernieuwde actieplan en de aanbeveling inzake terugkeer van de Commissie van maart 2017, alsook op het herziene terugkeerhandboek dat in november 2017 is goedgekeurd 7 , en vormt een aanvulling op het voorstel voor de uitbreiding van de rol van het Europees grens- en kustwachtagentschap, met het oog op het waarborgen van doeltreffend toezicht aan de buitengrenzen van de EU en een aanzienlijke vooruitgang op het gebied van daadwerkelijke terugkeer van irreguliere migranten.

Bovendien moeten de lidstaten, om vrijwillige terugkeer verder te bevorderen, operationele programma’s opstellen die voorzien in meer steun en begeleiding bij terugkeer, en die onder andere steun voor re-integratie in derde landen van terugkeer kunnen omvatten, rekening houdend met de gemeenschappelijke normen inzake programma’s voor begeleide vrijwillige terugkeer en re-integratie 8 , met het oog op een verdere harmonisering van deze programma’s.

Verenigbaarheid met andere beleidsterreinen van de Unie

Dit voorstel is in overeenstemming met de Europese migratieagenda, waarin de politieke beleidslijnen van voorzitter Juncker zijn uitgewerkt tot een reeks samenhangende en elkaar onderling versterkende maatregelen die zijn gebaseerd op vier pijlers: een beperking van de stimulansen voor irreguliere migratie, de beveiliging van de buitengrenzen en het redden van levens, een krachtig asielbeleid en een nieuw beleid voor legale migratie.

Met dit voorstel wordt ook follow-up gegeven aan de Europese Raad van 28 juni 2018, die heeft verzocht de daadwerkelijke terugkeer van irreguliere migranten aanzienlijk op te voeren en heeft verklaard ingenomen te zijn met het voornemen van de Commissie om wetgevingsvoorstellen voor een effectiever en samenhangender Europees terugkeerbeleid te presenteren.

2.

Dit voorstel is verenigbaar met en versterkt andere beleidsmaatregelen van de Unie, waaronder:


·het gemeenschappelijk Europees asielstelsel, door de toegenomen synergieën tussen asiel- en terugkeerprocedures, met name in de context van grensprocedures;

·de verordening betreffende de Europese grens- en kustwacht, die het mandaat van het Europees Grens- en kustwachtagentschap op het gebied van terugkeer verder uitbreidt. Dit voorstel vereist bovendien dat nationale terugkeerbeheersystemen worden ingesteld die gegevens uitwisselen met een centraal systeem van het agentschap, overeenkomstig het nieuwe voorstel voor een verordening betreffende een Europese grens- en kustwacht dat als onderdeel van dit wetgevingspakket wordt gepresenteerd.

2. RECHTSGRONDSLAG, SUBSIDIARITEIT EN EVENREDIGHEID

Rechtsgrondslag

Dit voorstel betreft een herschikking van de terugkeerrichtlijn en moet derhalve worden gebaseerd op artikel 79, lid 2, onder c), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, dat de Unie machtigt om maatregelen vast te stellen op het gebied van illegale migratie en illegaal verblijf, met inbegrip van verwijdering en repatriëring van illegaal verblijvende personen.

Variabele geometrie

Wat de variabele geometrie betreft, volgt dit voorstel een vergelijkbare regeling als de huidige terugkeerrichtlijn.

Overeenkomstig artikel 4 van Protocol nr. 22 bij de Verdragen, betreffende de positie van Denemarken, beslist Denemarken binnen een termijn van zes maanden nadat de Raad over deze verordening heeft beslist, of het dit voorstel, dat voortbouwt op het Schengenacquis, in nationaal recht omzet.

Wat het Verenigd Koninkrijk en Ierland betreft, heeft de terugkeerrichtlijn een hybride karakter, zoals weergegeven in de overwegingen 48 en 49. Hieruit volgt dat zowel Protocol nr. 19 bij de Verdragen, betreffende het Schengenacquis dat is opgenomen in het kader van de Europese Unie, als Protocol nr. 21 bij de Verdragen, betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland ten aanzien van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, van toepassing is op dit voorstel.

Op basis van de respectieve overeenkomsten met IJsland, Noorwegen, Zwitserland en Liechtenstein, waardoor deze landen bij de uitvoering, toepassing en ontwikkeling van het Schengenacquis worden betrokken, moet de voorgestelde verordening voor deze landen bindend zijn.

Subsidiariteit

Dit voorstel heeft als doel de belangrijkste tekortkomingen en belemmeringen waarmee lidstaten bij de uitvoering van terugkeer worden geconfronteerd, aan te pakken. Het voorkomen en tegengaan van illegale migratie en de terugkeer van personen die geen recht van verblijf hebben, is van gemeenschappelijk belang voor alle lidstaten en kan niet door de lidstaten afzonderlijk worden verwezenlijkt. Het is dan ook noodzakelijk dat er verdere EU-maatregelen worden genomen om de doeltreffendheid van het terugkeerbeleid van de Unie te verbeteren, met volledige inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel dat is neergelegd in artikel 5, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie.

Evenredigheid

Dit voorstel moet samen met het voorstel voor een uitbreiding van het mandaat van het Europees Grens- en kustwachtagentschap een antwoord bieden op de uitdagingen waarmee de Unie wordt geconfronteerd op het gebied van migratiebeheer en de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op het grondgebied verblijven. Het maakt deel uit van en versterkt het reeds bestaande beleidskader inzake terugkeer, dat ook instrumenten en programma’s voor operationele bijstand omvat, evenals financieringsmechanismen waar bij terugkeer betrokken autoriteiten van de lidstaten en organisaties gebruik van kunnen maken. De wijzigingen die in de terugkeerrichtlijn worden aangebracht, zijn beperkt en gericht, en moeten de belangrijkste tekortkomingen van terugkeerprocedures doeltreffend aanpakken en de belemmeringen voor de lidstaten bij de uitvoering van terugkeer verminderen, met inachtneming van de grondrechten van de betrokken onderdanen van derde landen. Het voorstel gaat niet verder dan wat nodig is om de doelstellingen te bereiken.

Keuze van het instrument

De terugkeerrichtlijn behelst al een gedegen geheel aan normen voor de doeltreffende en humane terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op het grondgebied verblijven. Dit voorstel moet zorgen voor gerichte wijzigingen van de richtlijn, waarmee specifieke tekortkomingen en belemmeringen voor de lidstaten bij de uitvoering van terugkeer worden aangepakt. Aangezien dit voorstel een herschikking van de terugkeerrichtlijn betreft, is het passend om voor hetzelfde rechtsinstrument te kiezen.

3. EVALUATIE, RAADPLEGING VAN BELANGHEBBENDEN EN EFFECTBEOORDELING

Evaluatie van bestaande wetgeving en controle van de resultaatgerichtheid ervan

Aan de hand van het evaluatiemechanisme voor de controle van en het toezicht op de toepassing van het Schengenacquis 9 en de informatie die is verzameld via de deskundigengroep inzake terugkeer van het Europees migratienetwerk (EMN REG) en het Europees Grens- en kustwachtagentschap, is op alomvattende wijze beoordeeld hoe lidstaten het Uniebeleid inzake terugkeer uitvoeren.

In 2015 werd voor het eerst een evaluatie inzake terugkeer uitgevoerd en sindsdien zijn verschillende horizontale elementen geïdentificeerd in de terugkeersituaties en -systemen van de 21 lidstaten en met Schengen geassocieerde landen die tot dusver zijn geëvalueerd.

Raadpleging van belanghebbenden

In zijn conclusies van oktober 2016 heeft de Europese Raad opgeroepen tot het versterken van de nationale administratieve procedures voor terugkeer. In de Verklaring van Malta van de staatshoofden en regeringsleiders van februari 2017 is gewezen op de noodzaak van een herziening van het terugkeerbeleid van de EU op basis van een objectieve analyse van de wijze waarop de wettelijke, operationele, financiële en praktische instrumenten die op het niveau van de Unie en op nationaal niveau voorhanden zijn, worden toegepast. In de verklaring wordt het voornemen van de Commissie verwelkomd om spoedig een geactualiseerd EU-actieplan inzake terugkeer te presenteren en een leidraad te bieden voor meer operationele terugkeeracties door de EU en de lidstaten en daadwerkelijke overname op basis van het bestaande acquis. In haar EU-actieplan inzake terugkeer en vervolgens in haar mededeling van 2017 over een doeltreffender terugkeerbeleid en de aanbeveling daarbij, benadrukt de Commissie dat de EU-regels inzake terugkeer veel beter moeten worden gehandhaafd, om de algehele doeltreffendheid van het terugkeerbeleid van de EU te verhogen. In zijn conclusies van juni 2018 heeft de Raad verklaard ingenomen te zijn met het voornemen van de Commissie om wetgevingsvoorstellen voor een effectiever en samenhangender Europees terugkeerbeleid te presenteren.

Het Europees migratienetwerk heeft de afgelopen twee jaar een bijdrage geleverd met gespecialiseerde studies, ad-hocvragen en informs over onder andere de doeltreffendheid van terugkeer in EU-lidstaten, alternatieven voor inbewaringstelling, regelingen voor begeleide vrijwillige terugkeer en re-integratie, bewaring en materiële bewaringsomstandigheden en rechtsbijstand in detentiefaciliteiten.

Bijeenbrengen en gebruik van expertise

Er hebben uitwisselingen op technisch niveau inzake de huidige uitvoeringsproblemen met de lidstaten plaatsgevonden in het kader van de contactgroep inzake terugkeer, EMN REG en het Europees Grens- en kustwachtagentschap. Deze uitwisselingen hebben in het bijzonder geleid tot een herziening van het terugkeerhandboek en de studie van het Europees migratienetwerk over de doeltreffendheid van terugkeer in EU-lidstaten. De studie had tot doel na te gaan welke impact de EU-regels inzake terugkeer, met inbegrip van de terugkeerrichtlijn en de aanverwante rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie, hebben op het terugkeerbeleid en de terugkeerpraktijken van de lidstaten en derhalve op de doeltreffendheid van het terugkeerproces in de EU.

Effectbeoordeling

In de afgelopen jaren heeft de Commissie er een prioriteit van gemaakt om de doeltreffendheid op het gebied van terugkeer te verhogen. De verordening betreffende de Europese grens- en kustwacht en het daaruit voortvloeiende nieuwe mandaat van het agentschap hebben voor aanzienlijke vooruitgang gezorgd op dit gebied. Bovendien hebben het vernieuwde actieplan over terugkeer en de aanbeveling over het doeltreffender maken van terugkeer van maart 2017 aangetoond hoe de tekortkomingen in de terugkeerprocedures en praktijken van de lidstaten de doeltreffendheid van het terugkeersysteem hinderen. Tegen deze achtergrond zijn de Commissie en de lidstaten technische raadplegingen gestart om de huidige uitdagingen op het gebied van terugkeer te analyseren en de tekortkomingen te identificeren, en hebben zij erkend dat een gerichte herziening van de bestaande wetgeving noodzakelijk is. Deze raadplegingen en de daaruit voortvloeiende analyse van de belangrijkste kwesties hebben geleid tot de herziening van het terugkeerhandboek in november 2017. Het maatschappelijk middenveld werd eveneens geraadpleegd en de werkzaamheden in het kader van het Schengenevaluatiemechanisme hebben een duidelijk beeld geschept van de terugkeerkwesties die moeten worden aangepakt. Via de bovengenoemde processen hebben belanghebbenden zowel de juridische als de praktische belemmeringen voor de doeltreffende uitvoering van terugkeer in het kader van de terugkeerrichtlijn kunnen identificeren en de noodzaak van een gerichte herziening van de richtlijn kunnen onderzoeken.

In zijn conclusies van juni 2018 heeft de Europese Raad verklaard ingenomen te zijn met het voornemen van de Commissie om wetgevingsvoorstellen voor een effectiever en samenhangender Europees terugkeerbeleid te presenteren. Rekening houdend met het feit dat de belangrijke kwesties op het gebied van terugkeer grondig zijn beoordeeld en dat dringend wetgevingsvoorstellen moeten worden gepresenteerd, en in de erkenning dat een herziening van de bestaande richtlijn de meest geschikte oplossing is, zowel wat inhoud als timing betreft, wordt een effectbeoordeling inzake dit voorstel niet nodig geacht.

Grondrechten

Dit voorstel eerbiedigt de grondrechten en de beginselen die zijn vervat in de artikelen 2 en 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.

Dit voorstel eerbiedigt met name ten volle de menselijke waardigheid, het recht op leven, het verbod op foltering en onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing, het recht op vrijheid en veiligheid, het recht op de bescherming van persoonsgegevens, het recht op asiel en bescherming in geval van verwijdering en uitzetting, het beginsel van non-refoulement en het non-discriminatiebeginsel, het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en de rechten van het kind.

4. GEVOLGEN VOOR DE BEGROTING

Het voorstel leidt niet tot financiële of administratieve lasten voor de Unie. Het heeft derhalve geen gevolgen voor de begroting van de Unie.

5. OVERIGE ELEMENTEN

Uitvoeringsplanning en regelingen betreffende controle, evaluatie en rapportage

De Commissie zal over de toepassing van deze richtlijn verslag uitbrengen aan het Europees Parlement en de Raad binnen drie jaar na de inwerkingtreding ervan en vervolgens om de drie jaar; de Commissie kan bij die gelegenheid voorstellen doen voor wijzigingen die nodig worden geacht.

Artikelsgewijze toelichting

De gerichte wijzigingen van dit voorstel hebben als doel de doeltreffendheid van de terugkeerprocedure te versterken, met inbegrip van de koppeling ervan aan de beëindiging van de asielprocedures. De gerichte wijzigingen hebben geen impact op de waarborgen en rechten van onderdanen van derde landen en eerbiedigen hun grondrechten, met name het beginsel van non-refoulement.

3.

Er wordt toelichting gegeven voor de wijzigingen die worden geïntroduceerd met betrekking tot:


1) Risico op onderduiken (artikel 6): er is een duidelijke behoefte aan EU-brede objectieve criteria om vast te stellen of er een risico op onderduiken bestaat, met inbegrip van niet-toegestane secundaire bewegingen. Om uiteenlopende of ondoeltreffende interpretaties te voorkomen, bevat het voorstel een gemeenschappelijke, niet-exhaustieve lijst met objectieve criteria om, als onderdeel van een algemene beoordeling van de specifieke omstandigheden van een geval, te bepalen of er een risico op onderduiken bestaat.

2) Verplichting tot samenwerking (artikel 7): er wordt steeds vaker vastgesteld dat niet alle onderdanen van derde landen medewerking verlenen tijdens de terugkeerprocedures, en op deze manier hun terugkeer belemmeren. Derhalve moet worden voorzien in een uitdrukkelijke verplichting voor onderdanen van derde landen om in alle stadia van de terugkeerprocedures hun medewerking te verlenen aan de nationale autoriteiten, met name voor het vaststellen en controleren van hun identiteit, met het oog op het verkrijgen van een geldig reisdocument en het waarborgen van de succesvolle uitvoering van het terugkeerbesluit. Dit weerspiegelt een gelijkaardige verplichting tot samenwerking met bevoegde autoriteiten die al van toepassing is in de context van asielprocedures.

3) Uitvaardiging van een terugkeerbesluit in verband met de beëindiging van legaal verblijf (artikel 8): lidstaten vaardigen niet systematisch terugkeerbesluiten uit in verband met de beëindiging van legaal verblijf. Daarom wordt in het voorstel verduidelijkt dat het noodzakelijk is een terugkeerbesluit uit te vaardigen onmiddellijk nadat een besluit tot weigering of beëindiging van het legaal verblijf is genomen. Wanneer een terugkeerbesluit wordt uitgevaardigd onmiddellijk na of samen met een besluit tot weigering van een verzoek om internationale bescherming, wordt de uitvoering van het terugkeerbesluit opgeschort totdat de weigering definitief is, overeenkomstig de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie.

4) Vrijwillig vertrek (artikel 9): de regels voor de toekenning van een termijn voor vrijwillig vertrek moeten worden aangepast. De termijn mag niet langer zijn dan 30 dagen, zoals reeds vastgelegd in de terugkeerrichtlijn die momenteel van kracht is. Krachtens dit voorstel is het echter niet meer verplicht om bij het vaststellen van de termijn voor vrijwillig vertrek een minimumtermijn van zeven dagen toe te kennen. Lidstaten kunnen derhalve besluiten een kortere termijn toe te kennen. In het voorstel wordt ook een aantal gevallen vastgelegd waarin geen termijn voor vrijwillig vertrek mag worden toegekend.

5) Uitvaardiging van een inreisverbod bij grenscontrole bij vertrek (artikel 13): wanneer een onderdaan van een derde land die niet legaal op het grondgebied verblijft voor het eerst wordt opgemerkt bij vertrek uit de Unie, kan het in bepaalde omstandigheden passend zijn een inreisverbod op te leggen om te voorkomen dat de persoon het grondgebied opnieuw binnenkomt en om de risico’s van illegale immigratie te verminderen. Tegelijkertijd mag dit zijn vertrek niet vertragen, aangezien de persoon al op het punt staat om het grondgebied van de lidstaten te verlaten. Het voorstel introduceert de mogelijkheid voor de lidstaten om een inreisverbod op te leggen zonder een terugkeerbesluit uit te vaardigen, op basis van een individuele beoordeling van het geval en rekening houdend met het evenredigheidsbeginsel.

6) Terugkeerbeheer (artikel 14): voor doeltreffende terugkeerprocedures zijn instrumenten nodig waarmee snel informatie ter beschikking kan worden gesteld van de bevoegde autoriteiten, evenals operationele regelingen die voorzien in meer steun en begeleiding bij terugkeer, met passende operationele en financiële steun van de EU. Het voorstel introduceert de verplichting om nationale terugkeerbeheersystemen in te stellen die ervoor zorgen dat tijdig voor monitoring en follow-up van individuele gevallen relevante informatie wordt verstrekt over de identiteit en de juridische situatie van onderdanen van derde landen. Deze systemen moeten worden gekoppeld aan een centraal systeem dat door het Europees Grens- en kustwachtagentschap wordt ingesteld, overeenkomstig de nieuwe verordening die deel uitmaakt van dit pakket.

Het voorstel voorziet ook in een verplichting voor de lidstaten om programma’s voor vrijwillige terugkeer op te stellen, die ook re-integratiesteun kunnen omvatten.

7) Rechtsmiddelen en beroep (artikel 16): de doeltreffendheid en snelheid van terugkeerprocedures moeten vergezeld gaan van passende waarborgen. De termijnen voor het instellen van beroep tegen terugkeerbesluiten verschillen sterk van lidstaat tot lidstaat en variëren van enkele dagen tot één maand of langer. In overeenstemming met de grondrechten moet de termijn voldoende zijn om een doeltreffende voorziening in rechte te waarborgen, zonder de terugkeerprocedures te vertragen.

Het voorstel voorziet in een specifieke termijn (vijf dagen) voor het instellen van beroep tegen terugkeerbesluiten die zijn uitgevaardigd in gevallen waarin het terugkeerbesluit voortkomt uit een besluit tot weigering van een verzoek om internationale bescherming dat definitief is geworden.

Indien het risico van een inbreuk op het beginsel van non-refoulement nog niet door een rechterlijke instantie in het kader van een asielprocedure is beoordeeld, moet het beroep dat tegen een terugkeerbesluit wordt ingesteld, automatisch opschortende werking hebben. Dit is het enige geval waarin op grond van dit voorstel automatisch opschortende werking wordt verleend. Het doet geen afbreuk aan de verplichting voor de bevoegde nationale autoriteiten en instanties van de lidstaten om over de mogelijkheid te beschikken de uitvoering van een terugkeerbesluit in individuele gevallen tijdelijk op te schorten, wanneer dit om andere redenen noodzakelijk wordt geacht. De beslissing inzake tijdelijke opschorting moet in de regel binnen 48 uur worden genomen.

Het voorstel bepaalt ook dat op slechts één niveau beroep kan worden ingesteld tegen een terugkeerbesluit dat het resultaat is van een negatief besluit inzake een verzoek om internationale bescherming waartegen al beroep werd ingesteld.

Tot slot zorgt het voorstel voor verdere harmonisering van de regels inzake het op verzoek kosteloos ter beschikking stellen van rechtsbijstand en/of vertegenwoordiging, overeenkomstig de voorwaarden die zijn vastgesteld in het asielacquis.

8) Bewaring (artikel 18): er is een gerichte wijziging nodig van de regels inzake bewaring. Ten eerste is het door de nieuwe risico’s die de afgelopen jaren zijn ontstaan noodzakelijk dat onderdanen van derde landen die illegaal op het grondgebied verblijven en een bedreiging vormen voor de openbare orde of de nationale veiligheid, in bewaring kunnen worden gesteld indien dat noodzakelijk wordt geacht. Deze grond voor bewaring is nieuw in de context van terugkeerprocedures, maar bestaat al in het asielacquis.

Ten tweede is de maximale duur van bewaring in de meeste lidstaten veel korter dan de duur die op grond van de terugkeerrichtlijn is toegestaan, en staat deze doeltreffende terugkeer in de weg. De maximale duur van bewaring van zes maanden en de mogelijkheid om de duur in specifieke omstandigheden te verlengen, blijven onveranderd, maar het voorstel vereist wel dat de nationale wetgeving voorziet in een initiële bewaringsduur van minimaal drie maanden, om deze beter af te stemmen op de tijd die nodig is voor de succesvolle uitvoering van terugkeer- en overnameprocedures met derde landen. De bewaring moet echter zo kort mogelijk zijn en mag niet langer duren dan de voortvarend uitgevoerde voorbereiding van de verwijdering.

9) Grensprocedure (artikel 22): het voorstel voorziet nog steeds in de mogelijkheid voor de lidstaten om af te wijken van de toepassing van de regels van de terugkeerrichtlijn in grensgevallen die onder artikel 2, lid 2, onder a), vallen, maar voorziet ook in specifieke, vereenvoudigde regels die van toepassing zijn op onderdanen van derde landen voor wie een asielgrensprocedure heeft plaatsgevonden: uitvaardiging van een besluit aan de hand van een vereenvoudigd formulier, geen toekenning van een termijn voor vrijwillig vertrek (tenzij de onderdaan van een derde land in het bezit is van een geldig reisdocument en medewerking verleent aan de nationale autoriteiten), een kortere termijn voor het instellen van beroep en een specifieke grond voor bewaring. De terugkeergrensprocedure volgt op de asielgrensprocedure. Om terugkeer te faciliteren, wordt voorgesteld ervoor te zorgen dat een onderdaan van een derde land die al in bewaring was gesteld tijdens het onderzoek van zijn verzoek om internationale bescherming als onderdeel van de asielgrensprocedure, in bewaring kan worden gehouden voor een maximale duur van vier maanden in het kader van de terugkeergrensprocedure. Indien het terugkeerbesluit niet binnen die termijn wordt uitgevoerd, kan de onderdaan van een derde land langer in bewaring worden gehouden als is voldaan aan één van de voorwaarden van de bepalingen met betrekking tot de algemene regels inzake bewaring, en voor de bewaringsduur die is vastgesteld overeenkomstig artikel 18.


🡻 2008/115/EG (aangepast)