Toelichting bij COM(2018)784 - Sluiting van de partnerschapsovereenkomst met Singapore - EU monitor

EU monitor
Zondag 22 september 2019
kalender

Dit is een beperkte versie

U kijkt naar een beperkte versie van dit dossier in de EU Monitor.

1. ACHTERGROND VAN HET VOORSTEL

Op 25 november 2004 heeft de Raad de Commissie gemachtigd de onderhandelingen over een partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst (hierna 'PSO' of 'de overeenkomst' genoemd) te openen met zes ASEAN-landen, waaronder Singapore. De onderhandelingen met Singapore gingen in oktober 2005 van start en werden in mei 2013 afgerond. Beide partijen hebben de PSO op 14†oktober†2013 in Singapore geparafeerd.

De onderhandelingen werden gevoerd in overleg met de Groep AziŽ en de Stille Oceaan (COASI), die was aangewezen als adviescomitť. Het Europees Parlement werd tijdens de onderhandelingen op de hoogte gehouden.

Na de vaststelling van het besluit van de Raad betreffende de ondertekening van de overeenkomst op 16.7.2018 werd de overeenkomst op 19.10.2018 in Brussel ondertekend.

Het onderhavige voorstel vormt het rechtsinstrument voor de sluiting van de overeenkomst.

2. JURIDISCHE ELEMENTEN VAN HET VOORSTEL

2.1.Doel en inhoud van de overeenkomst

Na de overeenkomsten met IndonesiŽ, de Filipijnen, Vietnam en MaleisiŽ is de PSO met Singapore de vijfde overeenkomst met een ASEAN-land. De PSO vervangt het bestaande wettelijke kader van de samenwerkingsovereenkomst uit 1980 tussen de Europese Economische Gemeenschap en de lidstaten van de Associatie van Zuidoost-Aziatische staten.

Deze overeenkomst met Singapore is een stap naar een grotere politieke en economische betrokkenheid van de EU in Zuidoost-AziŽ. Met de PSO wordt ook de grondslag gelegd voor meer doeltreffende bilaterale contacten van de EU en haar lidstaten met Singapore door een intensivering van de politieke dialoog en een versterking van de samenwerking over een breed spectrum van gebieden.†

De PSO bevat de politieke standaardclausules van de EU inzake mensenrechten, het Internationaal Strafhof (ICC), massavernietigingswapens, handvuurwapens en lichte wapens en terrorismebestrijding. Zij beslaat ook samenwerking op gebieden als handel en investeringen, industrieel beleid, gezondheidszorg, milieu, klimaatverandering, energie, belastingen, onderwijs en cultuur, arbeid, werkgelegenheid en sociale zaken, wetenschap en technologie en vervoer. Voorts komen in de overeenkomst samenwerking op het gebied van justitie, vrijheid en veiligheid aan de orde. Zo heeft de PSO onder meer betrekking op juridische samenwerking en samenwerking bij de bestrijding van witwassen, terrorismefinanciering, georganiseerde misdaad en corruptie.

Aan de PSO is een begeleidend schrijven gehecht, dat een integrerend deel van de overeenkomst vormt. In het begeleidend schrijven wordt de interpretatie van de partijen bevestigd dat hun bij de ondertekening van deze overeenkomst op basis van objectief beschikbare gegevens niets bekend is van enige van elkaars nationale wetten of de toepassing daarvan, dat zou kunnen leiden tot de inroeping van de regeling voor niet-uitvoering.

De PSO wordt aangevuld met een vrijhandelsovereenkomst en een investeringsbeschermingsovereenkomst, die specifieke overeenkomsten vormen waarmee uitvoering wordt gegeven aan de handels- en investeringsbepalingen van de PSO en die integraal deel uitmaken van de algehele bilaterale betrekkingen en het gemeenschappelijke institutionele kader waarin is voorzien bij artikel†9, lid†2, van de PSO.

De overeenkomst voorziet in de mogelijkheid om de toepassing van de PSO of elke andere specifieke overeenkomst als bedoeld in artikel†9, lid†2, en artikel†43, lid†3, van de overeenkomst op te schorten indien essentiŽle onderdelen van de overeenkomst worden geschonden, nl. de mensenrechtenclausule (artikel 2, lid 1, van de overeenkomst) en de non-proliferatieclausule.

De overeenkomst voorziet in de oprichting van een Gemengd Comitť met het oog op de correcte tenuitvoerlegging van de overeenkomst.

2.2.MateriŽle rechtsgrondslag

Volgens de rechtspraak moet indien uit het onderzoek van een handeling van de Europese Unie blijkt dat zij een tweeledig doel heeft of dat er sprake is van twee componenten, waarvan er een kan worden gezien als hoofddoel of voornaamste component, terwijl het andere doel of de andere component slechts van ondergeschikt belang is, de handeling op ťťn enkele rechtsgrondslag worden gebaseerd, namelijk die welke het hoofddoel of de voornaamste component vereist. Indien daarentegen vaststaat dat de handeling tegelijkertijd meerdere onlosmakelijk met elkaar verbonden doelstellingen of componenten heeft zonder dat de ene ondergeschikt is aan de andere, zodat verschillende bepalingen van het Verdrag van toepassing zijn, moet deze maatregel bij wijze van uitzondering op de verschillende desbetreffende rechtsgrondslagen worden gebaseerd (zie in die zin arresten van 10†januari†2006, Commissie/Parlement en Raad, C-178/03, EU:C:2006:4, punten 42 en 43, 11†juni†2014, Commissie/Raad, C-377/12, EU:C:2014:1903, punt 34, en 14 juni 2016, Parlement/Raad, C-263/14, EU:C:2016:435, punt 44).

Hier is het hoofddoel of de voornaamste component de samenwerking met een derde land. De rechtsgrondslag voor het voorgestelde besluit is dus artikel 212, VWEU.

2.3.Procedurele rechtsgrondslag

Artikel 218, lid 6, VWEU, voorziet in de vaststelling van een besluit tot machtiging ter ondertekening van een overeenkomst. In artikel†218, lid†8, VWEU, wordt bepaald dat de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen besluit, behalve in de omstandigheden bedoeld in de tweede alinea van artikel†218, lid†8, VWEU, waarbij de Raad met eenparigheid van stemmen besluit. De stemregel is in dit geval dus besluitvorming met gekwalificeerde meerderheid van stemmen.

2.4.Conclusie

De rechtsgrondslag voor het voorgestelde besluit is dus artikel 212, VWEU, in samenhang met artikel 218, lid 6, onder†a), VWEU. Er zijn geen aanvullende bepalingen vereist als rechtsgrondslag 1 .

3. OVERIGE ELEMENTEN: NOODZAAK VAN HET VOORGESTELDE BESLUIT

In artikel 216, VWEU, is bepaald dat de Unie een overeenkomst met een of meer derde landen kan sluiten wanneer de Verdragen daarin voorzien of wanneer dit nodig is om in het kader van het beleid van de Unie, een van de in de Verdragen bepaalde doelstellingen te verwezenlijken, of wanneer daarin bij een juridisch bindende handeling van de Unie is voorzien, of wanneer zulks gevolgen kan hebben voor gemeenschappelijke regels of de strekking daarvan kan wijzigen.

De Verdragen voorzien in de sluiting van overeenkomsten zoals de PSO, met name in artikel†212, VWEU. De sluiting van de PSO is daarnaast nodig om, in het kader van het beleid van de Unie, in de Verdragen bepaalde doelstellingen te verwezenlijken, onder andere op het gebied van mensenrechten, non-proliferatie van massavernietigingswapens, terrorismebestrijding, bestrijding van de georganiseerde misdaad, bestrijding van witwaspraktijken en terrorismefinanciering, handel, migratie, milieu, energie, klimaatverandering, vervoer, werkgelegenheid en sociale zaken, gezondheidszorg, enz.