Toelichting bij COM(2019)457 - Standpunt EU in het Gemengd Comité voor de CETA inzake de administratieve en organisatorische aangelegenheden met betrekking tot de werking van de Beroepsinstantie

Dit is een beperkte versie

U kijkt naar een beperkte versie van dit dossier in de EU Monitor.

1. Onderwerp van het voorstel

Dit voorstel betreft het besluit tot bepaling van het standpunt dat namens de Unie moet worden ingenomen in het Gemengd Comité voor de CETA dat is ingesteld in het kader van de Brede Economische en Handelsovereenkomst (CETA) tussen Canada, enerzijds, en de Europese Unie en haar lidstaten, anderzijds, met betrekking tot de voorgenomen vaststelling van een besluit inzake de administratieve en organisatorische aangelegenheden met betrekking tot de werking van de Beroepsinstantie.

2. Achtergrond van het voorstel

2.1.De Brede Economische en Handelsovereenkomst (CETA) tussen Canada, enerzijds, en de Europese Unie en haar lidstaten, anderzijds

De Brede Economische en Handelsovereenkomst (CETA) tussen Canada, enerzijds, en de Europese Unie en haar lidstaten, anderzijds (“de overeenkomst”) heeft tot doel de handel en investeringen te liberaliseren en te vergemakkelijken, en de economische banden tussen de Europese Unie en Canada (“de partijen”) aan te halen. De overeenkomst is op 30 oktober 2016 ondertekend en wordt sinds 21 september 2017 voorlopig toegepast.

2.2.Het Gemengd Comité voor de CETA

Het Gemengd Comité voor de CETA is opgericht krachtens artikel 26.1 van de overeenkomst, waarin is bepaald dat het Gemengd Comité voor de CETA bestaat uit vertegenwoordigers van de Europese Unie en vertegenwoordigers van Canada en dat het medevoorzitterschap ervan wordt bekleed door de Minister van Internationale Handel van Canada en het lid van de Europese Commissie dat verantwoordelijk is voor handel, of door hun respectieve vertegenwoordigers. Het Gemengd Comité voor de CETA vergadert eenmaal per jaar of op verzoek van een partij, en stelt zelf zijn vergaderrooster en -agenda vast. Het Gemengd Comité voor de CETA is verantwoordelijk voor alle vragen betreffende handel en investeringen tussen de partijen en voor de uitvoering en toepassing van deze overeenkomst. Elke partij mag iedere kwestie die verband houdt met de uitvoering en de uitlegging van deze overeenkomst, of enige andere kwestie die verband houdt met de handel en investeringen tussen de partijen, aan het Gemengd Comité voor de CETA voorleggen.

Overeenkomstig artikel 26.3 van de overeenkomst is het Gemengd Comité voor de CETA bevoegd om in onderlinge overeenstemming besluiten te nemen ten aanzien van alle in de overeenkomst daartoe aangewezen aangelegenheden. De besluiten van het Gemengd Comité voor de CETA zijn bindend voor de partijen, onder voorbehoud dat aan de nodige interne voorschriften en procedures wordt voldaan, en zij moeten door de partijen worden uitgevoerd.

Overeenkomstig artikel 26.2, lid 4, van de overeenkomst kunnen de gespecialiseerde comités, waaronder het Comité voor diensten en investeringen, ontwerpbesluiten voorstellen ter vaststelling door het Gemengd Comité voor de CETA.

Overeenkomstig artikel 10, lid 2, van het reglement van orde van het Gemengd Comité voor de CETA en van de gespecialiseerde comités 1 kan het Gemengd Comité voor de CETA in de periode tussen twee vergaderingen besluiten of aanbevelingen vaststellen volgens een schriftelijke procedure indien de partijen bij de overeenkomst daartoe met wederzijdse instemming besluiten. Te dien einde wordt de tekst van het voorstel overeenkomstig artikel 7 schriftelijk door de medevoorzitters meegedeeld aan de leden van het Gemengd Comité voor de CETA, waarbij een termijn wordt gesteld waarbinnen de leden eventuele bezwaren of amendementen ter kennis kunnen brengen. Aangenomen voorstellen worden meegedeeld overeenkomstig artikel 7 zodra de termijn is verstreken, en vermeld in de notulen van de volgende vergadering.

2.3.De beoogde handeling van het Gemengd Comité voor de CETA

Overeenkomstig artikel 8.28, lid 7, van de overeenkomst moet het Gemengd Comité voor de CETA een besluit nemen inzake de administratieve en organisatorische aangelegenheden met betrekking tot de werking van de Beroepsinstantie: (“de beoogde handeling”).

De beoogde handeling strekt derhalve tot uitvoering van artikel 8.28, lid 7, van de overeenkomst.

De beoogde handeling zal voor de partijen bindend zijn. In artikel 26.3, lid 2, van de overeenkomst is het volgende bepaald: “De besluiten van het Gemengd Comité voor de CETA zijn bindend voor de partijen, onder voorbehoud dat aan de nodige interne voorschriften en procedures wordt voldaan, en zij worden door de partijen uitgevoerd.”.

3. Namens de Unie in te nemen standpunt

Zoals is bepaald in punt 6, onder f), van het Gezamenlijk uitleggingsinstrument betreffende de overeenkomst zijn de Europese Unie en haar lidstaten en Canada overeengekomen onmiddellijk een begin te maken met de verdere uitvoering van de bepalingen inzake de beslechting van investeringsgeschillen van de overeenkomst, het zogenoemde “stelsel van investeringsgerechten” 2 .

Overeenkomstig artikel 8.28, lid 7, van de overeenkomst “[neemt h]et Gemengd Comité voor de CETA […] onverwijld een besluit inzake de volgende administratieve en organisatorische aangelegenheden met betrekking tot de werking van de Beroepsinstantie: a) de administratieve ondersteuning; b) de inleiding en het verloop van beroepsprocedures alsmede, waar nodig, de verwijzing van een zaak naar het Gerecht met het oog op aanpassing van de uitspraak; c) de voorziening in vacatures bij de Beroepsinstantie en bij de formatie van de Beroepsinstantie die een zaak behandelt; d) de bezoldiging van de leden van de Beroepsinstantie; e) de voorschriften inzake de kosten van beroepsprocedures; f) het aantal leden van de Beroepsinstantie, en g) alle andere aspecten die het noodzakelijk acht voor de doeltreffende werking van de Beroepsinstantie”.

Punt 6, onder g), van het Gezamenlijk uitleggingsinstrument betreffende de overeenkomst luidt als volgt: “De CETA is de eerste overeenkomst die een beroepsmechanisme omvat, waardoor fouten kunnen worden rechtgezet en wordt gezorgd voor samenhang van de beslissingen van het Gerecht van eerste aanleg.”. Daarnaast bevat verklaring 36 van de Commissie en de Raad, die in de Raadsnotulen is opgenomen naar aanleiding van de vaststelling door de Raad van het besluit tot ondertekening van de CETA namens de Unie, het volgende: “Het beroepsmechanisme waarin artikel 8.28 van de CETA voorziet, zal concreet worden uitgewerkt en verbeterd opdat het volledig kan zorgen voor samenhang tussen in eerste aanleg gewezen beslissingen en aldus bij te dragen tot de rechtszekerheid. Dit houdt met name het volgende in: de Beroepsinstantie wordt op zodanige wijze georganiseerd dat een permanente bezetting zoveel mogelijk wordt gegarandeerd; elk lid van de Beroepsinstantie wordt ertoe verplicht kennis te nemen van beslissingen die worden gewezen door afdelingen van het Gerecht waarvan hij geen deel uitmaakt; de Beroepsinstantie moet in “Grote Kamer” zitting kunnen houden in zaken betreffende belangrijke principekwesties of waarover de afdelingen van de Beroepsinstantie verdeeld zijn.” 3 .

De beoogde handeling geeft uitvoering aan deze verbintenissen doordat zij gedetailleerde regels bevat over de samenstelling van de Beroepsinstantie en over administratieve regelingen (artikel 2 van de beoogde handeling); het verloop van beroepsprocedures (artikel 3). De beoogde handeling treedt in werking op de datum van inwerkingtreding van de overeenkomst (artikel 4).

Dit voorstel sluit aan bij andere initiatieven voor de uitvoering van het stelsel van investeringsgerechten van de CETA. Meer in het bijzonder werkt de Commissie sinds juni 2018 samen met de lidstaten in het Comité handelspolitiek inzake diensten en investeringen van de Raad en met Canada aan een pakket van vier ontwerpbesluiten betreffende:

–regels betreffende administratieve en organisatorische aangelegenheden met betrekking tot de werking van de Beroepsinstantie overeenkomstig artikel 8.28, lid 7, van de overeenkomst;

–een gedragscode voor de leden van het Gerecht, de leden van de Beroepsinstantie en de bemiddelaars overeenkomstig artikel 8.44, lid 2, van de overeenkomst;

–regels voor bemiddeling bestemd voor de partijen bij het geschil overeenkomstig artikel 8.44, lid 3, onder c), van de overeenkomst, en

–regels inzake de procedure voor het geven van uitleggingen overeenkomstig artikel 8.31, lid 3, en artikel 8.44, lid 3, onder a), van de overeenkomst.

Ook aan andere aspecten van de uitvoering van het stelsel van investeringsgerechten wordt verder gewerkt, onder meer wat betreft de selectie, aanwijzing en bezoldiging van de leden van het Gerecht en de Beroepsinstantie. Hoewel de hoogte van de bezoldiging van de leden van het Gerecht en de Beroepsinstantie afhankelijk is van besprekingen met de lidstaten en Canada, heeft de Commissie de jaarlijkse vaste kosten van het stelsel van investeringsgerechten van de CETA eerder geraamd op ongeveer 800 000 EUR, gelijkelijk verdeeld over Canada en de EU 4 . De gevolgen van deze vaste kosten voor de EU-begroting zouden dus ongeveer 400 000 EUR per jaar bedragen. Die kosten zullen in de EU-begroting voor 2021 worden meegenomen.

Het is derhalve wenselijk het standpunt te bepalen dat met het oog op de doeltreffende uitvoering van de overeenkomst namens de Unie moet worden ingenomen in het Gemengd Comité voor de CETA.

4. Rechtsgrondslag

4.1.Procedurele rechtsgrondslag

1.

4.1.1.Beginselen


Artikel 218, lid 9, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) voorziet in de vaststelling van besluiten tot bepaling van “de standpunten die namens de Unie worden ingenomen in een krachtens een overeenkomst opgericht lichaam, wanneer dit lichaam handelingen met rechtsgevolgen vaststelt, met uitzondering van handelingen tot aanvulling of wijziging van het institutionele kader van de overeenkomst”.

Het begrip “handelingen met rechtsgevolgen” omvat tevens handelingen die rechtsgevolgen hebben uit hoofde van de op het betrokken lichaam toepasselijke volkenrechtelijke bepalingen. Onder dit begrip vallen tevens instrumenten die volkenrechtelijk niet bindend zijn, maar die “beslissende invloed [kunnen hebben] op de inhoud van de regelgeving die de wetgever van de Unie vaststelt” 5 .

2.

4.1.2.Toepassing op het onderhavige geval


Het Gemengd Comité voor de CETA is een lichaam dat is opgericht krachtens een overeenkomst, te weten de Brede Economische en Handelsovereenkomst (CETA) tussen Canada, enerzijds, en de Europese Unie en haar lidstaten, anderzijds (“de overeenkomst”).

De door het Gemengd Comité voor de CETA vast te stellen handeling is een handeling met rechtsgevolgen. De beoogde handeling zal overeenkomstig artikel 26.3, lid 2, van de overeenkomst voor de partijen bindend zijn krachtens internationaal recht.

De beoogde handeling strekt niet tot aanvulling of wijziging van het institutionele kader van de overeenkomst.

De procedurele rechtsgrondslag voor het voorgestelde besluit is derhalve artikel 218, lid 9, VWEU.

4.2.Materiële rechtsgrondslag

3.

4.2.1.Beginselen


De materiële rechtsgrondslag voor een overeenkomstig artikel 218, lid 9, VWEU vast te stellen besluit wordt in de eerste plaats bepaald door de doelstelling en de inhoud van de beoogde handeling ten aanzien waarvan namens de Unie een standpunt wordt ingenomen. Wanneer de beoogde handeling een tweeledige doelstelling heeft of bestaat uit twee componenten, waarvan er een kan worden gezien als hoofddoelstelling of hoofdcomponent, terwijl de andere doelstelling of de andere component slechts ondergeschikt is, moet het overeenkomstig artikel 218, lid 9, VWEU vast te stellen besluit op één materiële rechtsgrondslag worden gebaseerd, namelijk die welke vereist is voor de hoofddoelstelling of de hoofdcomponent dan wel de belangrijkste doelstelling of component.

4.

4.2.2.Toepassing op het onderhavige geval


De doelstelling en de inhoud van de beoogde handeling hebben in de eerste plaats betrekking op de gemeenschappelijke handelspolitiek.

De materiële rechtsgrondslag voor het voorgestelde besluit is derhalve artikel 207, lid 3, en artikel 207, lid 4, eerste alinea, VWEU.

4.3.Conclusie

De rechtsgrondslag voor het voorgestelde besluit is artikel 207, lid 3, en artikel 207, lid 4, eerste alinea, in combinatie met artikel 218, lid 9, VWEU.

5. Authentieke talen en bekendmaking van de beoogde handeling

Aangezien het besluit van het Gemengd Comité voor de CETA uitvoering zal geven aan de overeenkomst met betrekking tot de beslechting van investeringsgeschillen tussen investeerders en staten, is het passend het vast te stellen in alle authentieke talen van de overeenkomst 6 en het na de vaststelling ervan bekend te maken in het Publicatieblad van de Europese Unie.