Toelichting bij COM(2020)314 - Wijziging van Richtlijn 2011/16/EU betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de belastingen

Dit is een beperkte versie

U kijkt naar een beperkte versie van dit dossier in de EU Monitor.

1. ACHTERGROND VAN HET VOORSTEL

Motivering en doel van het voorstel

Eerlijke belastingheffing is een van de belangrijkste grondslagen van de Europese sociale markteconomie en een van de steunpijlers van de verbintenis van de Commissie tot “een economie die werkt voor de mensen” 1 . Eerlijke belastingheffing bevordert sociale rechtvaardigheid en een gelijk speelveld in de EU. Eerlijke belastingheffing moet gebaseerd zijn op belastingvoorschriften die garanderen dat iedereen zijn billijke aandeel bijdraagt en die het de belastingplichtigen, zowel bedrijven als burgers, tegelijk gemakkelijk maken aan de regels te voldoen. Eerlijke en doeltreffende belastingheffing is cruciaal om voldoende inkomsten te garanderen voor overheidsinvesteringen in mensen en infrastructuur, en tegelijk een bedrijfsklimaat in de eengemaakte markt te creëren waarin vernieuwende bedrijven kunnen floreren.

De COVID-19-pandemie vergroot nog de noodzaak om de overheidsfinanciën te beschermen en de sociaal-economische gevolgen van de pandemie te beperken. De lidstaten zullen voldoende belastinginkomsten nodig hebben voor de financiering van de aanzienlijke inspanningen die zij leveren om de negatieve economische gevolgen van de COVID-19-pandemie te beperken, en tegelijk om te garanderen dat de meest kwetsbare groepen niet de last van de grotere belastingdruk moeten dragen. Het is belangrijker dan ooit om te zorgen voor fiscale rechtvaardigheid door belastingfraude, -ontwijking en -ontduiking te voorkomen. In deze context is het cruciaal de administratieve samenwerking en de uitwisseling van inlichtingen op te voeren in de strijd tegen belastingontwijking en -ontduiking in de Unie. Zoals onderstreept in de mededeling van de Commissie getiteld: “Het moment van Europa: herstel en voorbereiding voor de volgende generatie” 2 , zal de Commissie de strijd tegen belastingfraude en andere oneerlijke praktijken opvoeren, om te garanderen dat het herstel gepaard gaat met solidariteit en billijkheid. Dat zal de lidstaten helpen om de belastinginkomsten te genereren die nodig zijn om het hoofd te bieden aan de grote uitdagingen van de huidige crisis.

Onderhavig wetgevingsvoorstel maakt deel uit van een pakket voor eerlijke en eenvoudige belastingheffing ter ondersteuning van het herstel van de EU, dat een mededeling omvat voor een actieplan met een aantal toekomstige initiatieven voor eerlijke en eenvoudige belastingheffing ter ondersteuning van de herstelstrategie 3 , en een mededeling van de Commissie over goed fiscaal bestuur in de EU en daarbuiten 4 , waarin de vooruitgang zal worden besproken die is gemaakt met beter fiscaal bestuur in de EU en ook daarbuiten, en ruimte voor verbeteringen zal worden aangegeven.

De afgelopen jaren heeft de EU haar inspanningen vooral gericht op de aanpak van belastingfraude, -ontwijking en -ontduiking, en op het verbeteren van de transparantie. Hoewel er belangrijke verbeteringen hebben plaatsgevonden meer bepaald op het gebied van de uitwisseling van inlichtingen, heeft de evaluatie 5 van de toepassing van Richtlijn 2011/16/EU van de Raad van 15 februari 2011 betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de belastingen 6 aangetoond dat er nog steeds behoefte is aan verbetering van de bestaande bepalingen die betrekking hebben op de uitwisseling van inlichtingen en op administratieve samenwerking. Meer bepaald is gebleken dat de notie “verwacht belang” en de verzoeken om inlichtingen voor bepaalde belastingplichtigen door hun gebrek aan duidelijkheid als een van de meest problematische elementen van het kader moeten worden beschouwd.

De evaluatie heeft ook aangetoond dat de voorschriften voor gelijktijdige controles en om de aanwezigheid van ambtenaren van een lidstaat tijdens een onderzoek in een andere lidstaat toe te staan, geen juridische basis hadden in een aantal nationale rechtsstelsels, hetgeen momenteel tot gevolg heeft dat deze bepalingen niet efficiënt kunnen worden toegepast. In het verslag van het Gezamenlijke EU-forum voor verrekenprijzen van 2018 inzake controles op verrekenprijzen binnen de EU 7 wordt dit punt nader behandeld. Het verslag baseerde zich op de bestaande praktijk van de lidstaten om bestaande tekortkomingen aan te geven en mogelijke verbeteringen voor de toepassing van controles op verrekenprijzen in twee of meer lidstaten te suggereren. In het verslag werd aanbevolen om een gecoördineerde aanpak te gaan hanteren voor de controles op verrekenprijzen waardoor de interne markt op twee gebieden beter zou gaan functioneren: de belastingdiensten zouden kunnen beschikken over een transparant en doeltreffend instrument om de verdeling van de heffingsrechten te faciliteren en dubbele belastingheffing en dubbele niet-belastingheffing zouden worden voorkomen.

Er is bijgevolg een duidelijke behoefte om het bestaande kader voor uitwisseling van inlichtingen en administratieve samenwerking in de EU te verbeteren. In dat verband heeft de voorzitter van de Commissie aan het begin van haar mandaat de noodzaak beklemtoond om na te gaan hoe de samenwerking tussen de nationale overheden kan worden verbeterd 8 . Het verbeteren van de uitwisseling van inlichtingen en van de administratieve samenwerking in de EU speelt daarbij een centrale rol.

Naast de versterking van de bestaande voorschriften is het nodig de administratieve samenwerking in de EU uit te breiden tot nieuwe gebieden, teneinde de problemen aan te pakken die de digitalisering van de economie stelt, en de belastingdiensten te helpen beter en doeltreffender belastingen te innen en op de hoogte te blijven van nieuwe ontwikkelingen. De eigenschappen van de digitale-platformeconomie maken de traceerbaarheid en detectie van belastbare feiten door de belastingdiensten erg moeilijk. Het probleem wordt met name nog verergerd wanneer dergelijke transacties worden verricht via digitale-platformexploitanten die in een ander rechtsgebied zijn gevestigd. Het feit dat inkomsten van verkopers van diensten of goederen via digitale platforms niet bij de belastingen worden gerapporteerd, leidt tot een terugval van de belastinginkomsten van de lidstaten. Het verleent deze verkopers ook een voordeel ten opzichte van verkopers die niet op digitale platforms actief zijn. Indien deze lacune in de regelgeving niet wordt gedicht, kan geen sprake zijn van eerlijke belastingheffing.

Verenigbaarheid met bestaande bepalingen op het beleidsterrein

De voorgestelde wetgeving geeft invulling aan de breed gedragen politieke prioriteit om meer transparantie te bewerkstelligen op belastinggebied, een voorwaarde om belastingfraude, -ontwijking en -ontduiking doeltreffend te kunnen bestrijden. De afgelopen jaren hebben de EU-lidstaten overeenstemming bereikt over een reeks wetgevingsinstrumenten op het gebied van transparantie in het kader waarvan de nationale belastingautoriteiten nauw moeten samenwerken voor de uitwisseling van inlichtingen. Richtlijn 2011/16/EU van de Raad is in de plaats gekomen van Richtlijn 77/799/EEG van de Raad en vormde de aanzet voor sterkere administratieve samenwerking tussen de belastingautoriteiten in de EU. De richtlijn reikte nuttige instrumenten aan voor een betere samenwerking op de volgende gebieden:

(1)uitwisselingen van inlichtingen op verzoek;

(2)spontane uitwisselingen;

(3)automatische uitwisselingen op een vastgesteld aantal gebieden (bv. inkomen uit een dienstbetrekking; tantièmes en presentiegelden; levensverzekeringsproducten die niet onder andere richtlijnen vallen; pensioenen; eigendom van en inkomsten uit onroerend goed);

(4)de deelname van buitenlandse ambtenaren aan administratieve onderzoeken;

(5)gelijktijdige controles; alsmede

(6)kennisgevingen van besluiten op het gebied van belastingen aan andere belastingautoriteiten.

Richtlijn 2011/16/EU van de Raad is meerdere malen gewijzigd door de volgende handelingen:

·Richtlijn 2014/107/EU van de Raad van 9 december 2014 9 (DAC2) wat betreft de automatische uitwisseling van financiële rekeninggegevens tussen de lidstaten op basis van de gezamenlijke rapportagestandaard van de OESO (CRS), die in de automatische uitwisseling van inlichtingen over financiële rekeningen van niet-inwoners voorziet;

·Richtlijn (EU) 2015/2376 van de Raad van 8 december 2015 10 (DAC3) wat betreft de verplichte automatische uitwisseling van inlichtingen over voorafgaande grensoverschrijdende fiscale rulings;

·Richtlijn (EU) 2016/881 van de Raad van 25 mei 2016 11 (DAC4) wat betreft de verplichte automatische uitwisseling van inlichtingen over landenrapporten tussen belastingautoriteiten;

·Richtlijn (EU) 2016/2258 van de Raad van 6 december 2016 12 (DAC5) wat betreft toegang tot antiwitwasinlichtingen door belastingautoriteiten;

·Richtlijn (EU) 2018/822 van de Raad van 25 mei 2018 13 (DAC6) wat betreft verplichte automatische uitwisseling van inlichtingen op belastinggebied met betrekking tot meldingsplichtige grensoverschrijdende constructies.

Verenigbaarheid met andere beleidsterreinen van de Unie

Er is een wisselwerking tussen de bestaande bepalingen van de richtlijn en de algemene verordening gegevensbescherming 14 in de gevallen waarin persoonsgegevens relevant zijn en de richtlijn bevat tegelijk specifieke bepalingen en garanties in verband met gegevensbescherming. De voorgestelde wijzigingen zullen op één lijn blijven met deze garanties en deze vrijwaren. Mogelijke negatieve gevolgen voor persoonsgegevens zullen aan de hand van IT- en proceduremaatregelen tot een minimum worden beperkt. De uitwisseling van gegevens zal via een beveiligd elektronisch systeem verlopen waarin de gegevens worden versleuteld en ontsleuteld, en in elke belastingdienst mogen slechts gemachtigde ambtenaren toegang hebben tot deze inlichtingen. Als gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijken moeten zij een veilige en specifieke opslag van de gegevens garanderen.

De Commissie is actief op diverse beleidsgebieden die relevant zijn voor de digitale economie, waaronder de digitale-platformexploitanten, die onder het voorgestelde initiatief vallen. Het voorgestelde initiatief heeft geen gevolgen voor andere tegelijk lopende projecten van de Commissie, aangezien het specifiek is bedoeld om bepaalde belastinggerelateerde problemen aan te pakken. Het voorstel doet geen afbreuk aan eventuele informatievoorschriften die kunnen worden overwogen voor digitale dienstenverstrekkers als onderdeel van het wetgevingspakket inzake digitale diensten in de context van de aanstaande herziening van de bestaande richtlijn inzake elektronische handel 15 , of in het kader van een initiatief ter verbetering van de arbeidsomstandigheden van mensen die via digitale platforms werken.

Het toepassingsgebied van de voorgestelde regelgeving omvat crowdfundingdiensten bestaande uit zowel op deelneming in eigen vermogen als op kredietverlening gebaseerde crowdfunding. In dit verband en om te zorgen voor consistentie met het beleid van de Unie inzake de regulering van de financiële markten, moeten crowdfundingdiensten en dienstenverstrekkers begrepen worden in de zin van de relevante wetgeving op dat gebied.

1.

Rechtsgrondslag


, SUBSIDIARITEIT EN EVENREDIGHEID

Rechtsgrondslag

Artikel 115 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) vormt de rechtsgrondslag voor wetgevingsinitiatieven op het gebied van de directe belastingen. Hoewel er niet uitdrukkelijk naar directe belastingen wordt verwezen, is in artikel 115 sprake van richtlijnen voor de onderlinge aanpassing van de nationale wetgevingen die rechtstreeks van invloed zijn op de instelling of de werking van de interne markt. Om aan deze voorwaarde te voldoen, moet voorgestelde EU-wetgeving op het gebied van de directe belastingen tot doel hebben bestaande inconsistenties in de werking van de interne markt weg te nemen. Omdat de inlichtingen die in het kader van de richtlijn worden uitgewisseld, ook kunnen worden gebruikt op het gebied van btw en andere indirecte belastingen, wordt voorts ook artikel 113, VWEU, als rechtsgrondslag geciteerd.

Aangezien het voorgestelde initiatief strekt tot wijziging van de richtlijn, impliceert dit dat de rechtsgrondslag dezelfde blijft. Om die reden wijkt de voorgestelde regelgeving ter verbetering van het bestaande kader met betrekking tot de uitwisseling van inlichtingen en de administratieve samenwerking niet af van het onderwerp van de richtlijn. Met name zullen de geplande wijzigingen een duidelijke definitie bieden van het concept “verwacht belang” en een expliciet rechtskader voor het uitvoeren van gezamenlijke audits. De consistente toepassing van deze bepalingen kan slechts worden verwezenlijkt door de onderlinge aanpassing van de nationale wetgevingen.

Naast het bestaande kader wordt bij het voorstel regelgeving ingevoerd inzake de rapportage door digitale-platformexploitanten, zulks ten gevolge van problemen die zijn geconstateerd bij het gebruik van digitale platforms voor verscheidene activiteiten. De digitale aard van de platforms biedt de verkopers van goederen en diensten de mogelijkheid dergelijke platforms te gebruiken voor hun activiteiten, mogelijk zonder de inkomsten daarvan aan te geven in de lidstaat waar zij gevestigd zijn. Bijgevolg krijgen de lidstaten te maken met niet aangegeven inkomsten en verlies van belastinginkomsten. Een dergelijke situatie leidt ook tot oneerlijke fiscale concurrentie ten nadele van personen of bedrijven die hun activiteiten niet via digitale platforms uitvoeren, waardoor de werking van de interne markt verstoord wordt. Hieruit volgt dat een dergelijke situatie alleen kan worden verholpen via een uniforme aanpak, zoals bepaald in artikel 115 VWEU.

Subsidiariteit (bij niet-exclusieve bevoegdheid)

Het voorstel is volledig in overeenstemming met het in artikel 5 VWEU, neergelegde subsidiariteitsbeginsel. Het heeft betrekking op administratieve samenwerking op belastinggebied. Het omvat een aantal wijzigingen van de voorschriften met het oog op een verbetering van de bestaande bepalingen die betrekking hebben op grensoverschrijdende samenwerking tussen de belastingdiensten van verschillende lidstaten. Het voorstel omvat tevens een uitbreiding van het toepassingsgebied van de automatische uitwisseling van inlichtingen tot digitale-platformexploitanten, door deze te verplichten de inkomsten aan te geven van verkopers van goederen en diensten die gebruikmaken van dergelijke platforms.

De toepassing van de bestaande bepalingen van de richtlijn is in de verschillende lidstaten erg uiteenlopend gebleken. Terwijl sommige lidstaten bereid zijn volledig mee te werken en inlichtingen uit te wisselen, hanteren andere lidstaten een restrictieve aanpak of weigeren zij zelfs inlichtingen uit te wisselen. Bovendien is mettertijd gebleken dat een aantal bepalingen niet voldoet aan de behoeften van de belastingdiensten wat de samenwerking met andere lidstaten betreft.

Daarbij komt dat het toenemende gebruik van digitale platforms voor de verlening van diensten en de verkoop van goederen heeft geleid tot inconsistentie bij de aangifte van inkomsten door de verkopers, hetgeen een groot risico van belastingontduiking inhoudt. Hoewel een paar lidstaten een rapportageverplichting in hun nationale wetgeving hebben opgenomen, leert de ervaring dat nationale bepalingen tegen belastingontduiking niet volledig doeltreffend kunnen zijn, in het bijzonder wanneer de beoogde activiteiten grensoverschrijdend worden uitgevoerd.

Rechtszekerheid en duidelijkheid kunnen alleen worden verzekerd door deze tekortkomingen aan te pakken via een uniforme regelgeving voor alle lidstaten. Om deze lacunes op uniforme wijze te dichten en bestaande verstoringen weg te nemen, heeft de interne markt bijgevolg behoefte aan een solide mechanisme dat ervoor zorgt dat de belastingautoriteiten tijdig passende inlichtingen ontvangen. Een geharmoniseerd kader voor rapportage voor de hele EU lijkt daarom onontbeerlijk, met name in het licht van de voornamelijk grensoverschrijdende dimensie van de diensten die door platformexploitanten worden verleend. Aangezien de rapportageverplichting ten aanzien van inkomsten afkomstig uit het gebruik van digitale platforms in de eerste plaats tot doel heeft dat de belastingautoriteiten worden geïnformeerd over activiteiten die zich uitstrekken over meer dan één rechtsgebied, dient een dergelijk initiatief te worden genomen op het niveau van de EU om een uniforme aanpak van het geconstateerde probleem te garanderen.

Daarom is de EU beter geplaatst dan individuele lidstaten om de geconstateerde problemen aan te pakken en de doeltreffendheid en volledigheid te garanderen van het systeem voor de uitwisseling van inlichtingen en de administratieve samenwerking. Ten eerste zal hierdoor een consistente toepassing van de voorschriften in de hele EU worden gegarandeerd. Ten tweede zullen voor alle betrokken digitale platforms dezelfde rapportageverplichtingen gelden. Ten derde zal de rapportage gepaard gaan met de uitwisseling van inlichtingen en als zodanig de belastingdiensten in de gelegenheid stellen een volledig beeld te krijgen van de inkomsten die via een digitaal platform zijn verkregen.

Evenredigheid

Het voorstel strekt tot de verbetering van de bestaande bepalingen van de richtlijn en breidt het toepassingsgebied van de automatische uitwisseling van inlichtingen uit tot bepaalde specifieke inlichtingen die de digitale-platformexploitanten verstrekken. De verbeteringen gaan niet verder dan wat noodzakelijk is om de doelstellingen te bereiken van de uitwisseling van inlichtingen en meer algemeen, van administratieve samenwerking. Aangezien de geconstateerde verstoringen in de werking van de interne markt gewoonlijk doorwerken buiten de grenzen van een individuele lidstaat, is gemeenschappelijke regelgeving binnen de EU het minimum dat noodzakelijk is om de problemen doeltreffend aan te pakken.

De voorgestelde regelgeving draagt bij tot een duidelijkere, meer consistente en meer doeltreffende toepassing van de richtlijn en bijgevolg tot een beter bereiken van de doelstellingen ervan. De geplande verplichting voor digitale-platformexploitanten om de inkomsten van hun gebruikers, namelijk de verkopers, aan te geven, biedt ook een bruikbare oplossing voor het probleem van belastingontduiking door gebruikmaking van de mechanismen voor de uitwisseling van inlichtingen die voorheen reeds werden toegepast voor de tweede en de vierde wijziging van de richtlijn administratieve samenwerking. In dit opzicht kan worden gesteld dat het voorgestelde initiatief een proportioneel antwoord biedt op de vastgestelde inconsistenties van de richtlijn en ook het probleem van de belastingontduiking beoogt aan te pakken.

Keuze van het instrument

De rechtsgrondslag voor dit voorstel is tweevoudig. De rechtsgrondslag voor dit voorstel wordt gevormd door de artikelen 113 en 115 VWEU, waarin uitdrukkelijk is bepaald dat de wetgeving op dit gebied uitsluitend mag worden vastgesteld in de vorm van een richtlijn. Het is derhalve niet toegestaan om gebruik te maken van andere EU-rechtshandelingen om bindende voorschriften op het gebied van belastingen vast te stellen. De voorgestelde richtlijn vormt ook de zesde wijziging van de richtlijn administratieve samenwerking, na de Richtlijnen 2014/107/EU, (EU) 2015/2376, (EU) 2016/881, (EU) 2016/2258 en (EU) 2018/822 van de Raad.

3. EVALUATIE, RAADPLEGING VAN BELANGHEBBENDEN EN EFFECTBEOORDELING

Evaluaties van bestaande wetgeving

In 2019 evalueerde de Commissie 16 de doeltreffendheid, doelmatigheid, relevantie, samenhang en Europese meerwaarde van de bestaande voorschriften inzake administratieve samenwerking op het gebied van directe belastingen. De conclusie van de evaluatie luidde dat de samenwerking belangrijke voordelen oplevert, maar dat er nog ruimte voor verbetering is. Uit de evaluatie bleek dat er verschillen blijven bestaan in de wijze waarop de lidstaten de bestaande instrumenten voor administratieve samenwerking gebruiken. De uitgewisselde inlichtingen zouden doeltreffender kunnen worden gebruikt en de voordelen van de samenwerking zouden uitgebreider kunnen worden geanalyseerd. Voortbouwend op de evaluatie bevat dit wetgevingsvoorstel een reeks specifieke maatregelen om de werking van de administratieve samenwerking te verbeteren.

Raadpleging van belanghebbenden

Op 10 februari 2020 heeft de Commissie een openbare raadpleging opgezet om feedback te verzamelen over de maatregelen die de EU kan nemen om het kader voor de uitwisseling van inlichtingen op belastinggebied te versterken. Daarbij werd een aantal mogelijke opties naar voren geschoven en in totaal werd van 37 belanghebbenden feedback ontvangen. Daarnaast heeft de Commissie gericht overleg gepleegd tijdens een bijeenkomst met diverse vertegenwoordigers van digitale-platformexploitanten op 27 februari 2020. Er heerste een consensus onder de vertegenwoordigers van de digitale-platformexploitanten over de voordelen van een gestandaardiseerd EU-rechtskader voor de verzameling van inlichtingen bij de platforms ten opzichte van uiteenlopende nationale rapportagevoorschriften. Daarnaast pleitten de vertegenwoordigers van de digitale-platformexploitanten voor een oplossing die vergelijkbaar is met de onestopshop voor de btw, hetgeen zou betekenen dat de inlichtingen alleen moeten worden verstrekt aan de belastingdienst van de lidstaat waar het platform is gevestigd.

Uit de feedback op de openbare raadpleging bleek duidelijk dat gezamenlijke audits een grotere rol moeten krijgen in het kader voor administratieve samenwerking op EU-niveau.

Raadplegingen van de lidstaten

De Europese Commissie heeft gericht overleg gepleegd door middel van een vragenlijst voor de lidstaten. Daarnaast heeft DG TAXUD op 26 februari 2020 een vergadering belegd van Groep IV waar de lidstaten van mening konden wisselen over een mogelijk voorstel tot wijziging van de richtlijn administratieve samenwerking. De vergadering spitste zich toe op de rapportage en uitwisseling van inlichtingen over inkomsten uit digitale platforms.

Over het algemeen was er brede steun voor een mogelijk EU-initiatief voor de uitwisseling van inlichtingen over inkomsten die verkopers uit digitale platforms halen. Een meerderheid van de lidstaten toonde zich voorstander van een breed toepassingsgebied voor het nieuwe wettelijke kader, waarin naast inkomsten uit de verhuur van onroerend goed en de verlening van persoonlijke diensten, ook inkomsten uit de verkoop van goederen, de verhuur van transportmiddelen en crowdfundingdiensten zouden zijn begrepen.

Resultaat van het overleg

Uit zowel het openbare als het gerichte overleg kwamen de problemen naar voren die door de nieuwe regelgeving voor digitale-platformexploitanten zouden moeten worden aangepakt: ontoereikende rapportage in de digitale-platformeconomie en ondoeltreffendheid; en de noodzaak om het bestaande kader voor administratieve samenwerking van de EU te verbeteren, onder meer op het gebied van gezamenlijke audits.

Effectbeoordeling

De relevante beleidsalternatieven zijn door de Commissie onderworpen aan een effectbeoordeling, waarover de Raad voor regelgevingstoetsing op 5 mei 2020 een positief verslag heeft uitgebracht (SEC(2020) 271) 17 . De Raad voor regelgevingstoetsing heeft een aantal aanbevelingen voor verbeteringen gedaan, die in het eindverslag van de effectbeoordeling zijn meegenomen (SWD(2020) 131) 18 . Verschillende beleidsopties zijn getoetst aan de criteria doeltreffendheid, doelmatigheid en samenhang in vergelijking met het basisscenario. In de analyse werd geconcludeerd dat een keuze moet worden gemaakt tussen de status-quo of het basisscenario, en een scenario waarbij de Commissie hetzij op regelgevende of niet-regelgevende wijze zou optreden. Niet-regelgevende actie zou bestaan in het publiceren van een aanbeveling. Regelgevende actie behelst een wetgevingsinitiatief tot wijziging van bepaalde specifieke elementen van het bestaande kader voor administratieve samenwerking.

Met het oog op consistentie en doeltreffendheid is de voorkeur uitgegaan naar een wetgevingsinitiatief, aangezien het de wijziging van bestaande voorschriften betreft.

Wat digitale-platformexploitanten betreft, wijst de effectbeoordeling uit dat de regelgevende optie op EU-niveau het meest geschikt is om het beoogde beleidsdoel te bereiken. De status-quo of het basisscenario bleek de minst doeltreffende, doelmatige of coherente optie te zijn. In tegenstelling tot het basisscenario zou een verplichte gemeenschappelijke EU-norm garanderen dat alle belastingdiensten van de EU toegang hebben tot hetzelfde type gegevens. Met andere woorden: een regelgevende actie op EU-niveau stelt alle belastingautoriteiten op gelijke voet in verband met de toegang tot inlichtingen die zijn verzameld tot een specifiek doel inzake belastingen. Dit maakt ook de automatische uitwisseling van inlichtingen op EU-niveau mogelijk op basis van gemeenschappelijke normen en specificaties. Alleen als dit scenario wordt gerealiseerd, kunnen de belastingautoriteiten van de lidstaat waar een verkoper is gevestigd, nagaan of de verkoper zijn inkomsten uit digitale platforms correct heeft aangegeven, zonder dat het nodig is specifieke, tijdrovende verzoeken en onderzoeken te doen. Daarnaast zou een verplichte gemeenschappelijke EU-rapportagenorm garanderen dat digitale-platformexploitanten niet geconfronteerd worden met versnipperde nationale oplossingen in verband met hun rapportageverplichtingen voor de belastingen.

2.

Economische gevolgen


Baten



Dankzij de rapportageverplichting voor inkomsten uit digitale platforms en de uitwisseling van dergelijke inlichtingen zullen de lidstaten een volledig beeld krijgen van de informatie die nodig is om de verschuldigde belastingen te innen. Gemeenschappelijke rapportagevoorschriften zullen ook mede zorgen voor gelijke voorwaarden tussen verkopers die gebruikmaken van digitale platforms en verkopers die dat niet doen, en tussen digitale-platformexploitanten, voor wie momenteel zeer uiteenlopende rapportageverplichtingen kunnen gelden. Transparantie in verband met de inkomsten van verkopers die gebruikmaken van digitale platforms, zou een gelijker speelveld bevorderen ten aanzien van meer traditionele bedrijven.

Een uniek verplicht EU-instrument kan ook positieve sociale gevolgen hebben en bijdragen tot een positieve perceptie van fiscale rechtvaardigheid en tot een billijke lastenverdeling tussen de belastingplichtigen. Er wordt van uitgegaan dat hoe breder het toepassingsgebied van de voorschriften is, des te sterker de perceptie van fiscale rechtvaardigheid, aangezien in alle soorten activiteiten problemen bestaan met ontoereikende rapportage. Dezelfde redenering is van toepassing op de voordelen die een billijke lastenverdeling biedt: hoe breder het toepassingsgebied van de maatregel, des te beter kunnen de lidstaten garanderen dat de verschuldigde belastingen ook effectief geïnd worden. De fiscale voordelen van EU-optreden zijn veel groter indien de rapportageverplichting een breed toepassingsgebied heeft en zich tot alle diensten en de verkoop van goederen uitstrekt. Door het toepassingsgebied te beperken tot uitsluitend in de EU gevestigde digitale platforms zouden de belastinginkomsten van elke optie aanzienlijk afnemen.

Kosten



Ongeacht het toepassingsgebied worden de eenmalige kosten van de toepassing van automatische rapportage in heel de EU geraamd op honderden miljoenen euro’s voor het geheel van digitale-platformexploitanten en belastingdiensten, en de terugkerende kosten op enkele tientallen miljoenen euro’s. De eenmalige en terugkerende kosten hangen voornamelijk samen met de ontwikkeling en de werking van IT-systemen. De belastingdiensten zullen ook de kosten van de controle op de naleving betalen. Met het oog op kosteneffectiviteit worden de lidstaten aangemoedigd digitale rapportage mogelijk te maken en de interoperabiliteit tussen de digitale platforms en de belastingdiensten op het niveau van de systemen en gegevens zoveel mogelijk te garanderen.

Resultaatgerichtheid en vereenvoudiging

Het voorstel is zo opgesteld dat de regelgevingslasten voor digitale-platformexploitanten, belastingplichtigen en belastingdiensten beperkt worden. De voorgestelde beleidsmaatregel vormt een evenredig antwoord op het geconstateerde probleem omdat hij niet verder gaat dan wat nodig is voor de verwezenlijking van het door de Verdragen beoogde doel, namelijk een betere werking van de interne markt zonder verstoringen. De gemeenschappelijke voorschriften zijn immers beperkt tot het tot stand brengen van een gemeenschappelijk kader dat minimaal noodzakelijk is voor de rapportage van inkomsten uit het gebruik van een digitaal platform. Enkele voorbeelden: i) de voorschriften garanderen dat er geen dubbele rapportage is (er is nl. één enkel punt van registratie en rapportage); ii) de automatische uitwisseling blijft beperkt tot de betrokken lidstaten, en iii) het opleggen van sancties voor niet-naleving blijft onder de exclusieve controle van de lidstaten. Bovendien gaat de harmonisering niet verder dan te garanderen dat de bevoegde autoriteiten worden ingelicht over de inkomsten. Het is dan de verantwoordelijkheid van de lidstaten de te innen belasting vast te stellen.

Grondrechten

Deze richtlijn eerbiedigt de grondrechten en neemt de beginselen in acht die met name zijn erkend in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Meer bepaald wordt de reeks gegevenselementen die aan de belastingdiensten moeten worden doorgegeven, zo bepaald dat alleen de gegevens worden opgenomen die minimaal noodzakelijk zijn voor de opsporing van ontoereikende rapportage of het ontbreken van rapportage, overeenkomstig de verplichtingen van de algemene verordening gegevensbescherming.

4. GEVOLGEN VOOR DE BEGROTING

Zie financieel memorandum.

5. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

Het voorstel strekt tot wijziging van de bestaande bepalingen inzake de uitwisseling van inlichtingen en administratieve samenwerking, alsmede tot uitbreiding van het toepassingsgebied tot de automatische uitwisseling van inlichtingen voor zover dit inlichtingen betreft die door digitale-platformexploitanten worden gerapporteerd. De rapportagevoorschriften voor digitale-platformexploitanten zijn geïnspireerd op de werkwijze van de OESO.

3.

i) Uitwisseling van inlichtingen op verzoek


Verwacht belang

Artikel 5 bis biedt een definitie van de norm “verwacht belang” die van toepassing is bij een verzoek om inlichtingen. In de definitie worden de elementen van de norm en de procedurevereisten vastgesteld die de verzoekende autoriteit in acht moet nemen. Het verzoek om inlichtingen kan betrekking hebben op een of meer belastingplichtigen, zolang deze individueel geïdentificeerd zijn.

Zoals is bepaald in artikel 8 bis, lid 10, mag de norm “verwacht belang” niet worden toegepast indien het verzoek om inlichtingen wordt gedaan als follow-up van een uitgewisselde grensoverschrijdende ruling of een voorafgaande verrekenprijsafspraak uit hoofde van Richtlijn (EU) 2015/2376 van de Raad van 8 december 2015.

Artikel 17, lid 1, wordt gewijzigd teneinde de betekenis te verduidelijken van de term “volledigheid” met betrekking tot de gebruikelijke bronnen van inlichtingen. Alvorens om inlichtingen te verzoeken, is de verzoekende autoriteit verplicht eerst alle gebruikelijke bronnen van inlichtingen uit te putten die zij in de gegeven omstandigheden kon aanspreken en alle beschikbare middelen voor het verkrijgen van de gewenste inlichtingen aan te wenden. De verplichting is echter niet van toepassing indien de verzoekende autoriteit daardoor voor buitensporige problemen zou komen te staan en het bereiken van de doelstellingen in het gedrang zou dreigen te komen. Indien de verzoekende autoriteit deze verplichting niet nakomt, kan de aangezochte autoriteit weigeren de inlichtingen te verstrekken.

Door de wijziging van artikel 20, lid 2, moet worden gegarandeerd dat de formulieren voor de uitwisseling van inlichtingen op verzoek dienovereenkomstig worden aangepast.

Groepsverzoeken

In artikel 5 ter worden de groepsverzoeken in het kader van een verzoek om inlichtingen behandeld. Groepsverzoeken hebben betrekking op een groep belastingplichtigen die niet individueel kunnen worden geïdentificeerd, maar die worden beschreven aan de hand van een gemeenschappelijke reeks kenmerken. Gezien de aard van het verzoek verschillen de verzochte inlichtingen van die met betrekking tot een individuele belastingplichtige. Om die reden is de norm “verwacht belang”, zoals gedefinieerd in artikel 5 bis, niet van toepassing. De verzoekende autoriteit moet veeleer de aangezochte autoriteit een reeks inlichtingen verstrekken, onder meer i) een volledige beschrijving van de kenmerken van de groep; en ii) een verklaring van de toepasselijke wetgeving en van de feiten en omstandigheden die tot het verzoek hebben geleid.

4.

ii) Automatische uitwisseling van inlichtingen


Inkomstencategorieën

Artikel 8, lid 1, bevat de inkomstencategorieën waarop de verplichte automatische uitwisseling tussen de lidstaten van toepassing is. Aan de inkomstencategorieën waarop de uitwisseling van inlichtingen van toepassing is, worden royalty’s toegevoegd. De wijziging verplicht de lidstaten alle beschikbare inlichtingen met andere lidstaten uit te wisselen met betrekking tot ten minste twee inkomstencategorieën voor belastingtijdvakken tot 2024 en ten minste vier inkomstencategorieën voor belastingtijdvakken vanaf 2024, overeenkomstig artikel 8, lid 3.

Rapportagevoorschriften voor platformexploitanten zijn onderworpen aan verplichte automatische uitwisseling van inlichtingen

In artikel 8 bis quater worden het toepassingsgebied en de voorwaarden voor de verplichte automatische uitwisseling van inlichtingen vastgelegd die door de platformexploitanten aan de bevoegde autoriteit zullen worden verstrekt. Bijlage V bevat gedetailleerde voorschriften. In eerste instantie voorzien de voorschriften in een verplichting voor de rapporterende platformexploitanten om de inlichtingen te verzamelen en te verifiëren overeenkomstig de due diligence-procedures. Ten tweede moeten de rapporterende platformexploitanten de inlichtingen rapporteren over de te rapporteren verkopers die van hun platform gebruikmaken om er hun goederen verkopen, hun diensten te verlenen of te investeren en te lenen in de context van crowdfunding. Ten derde worden de gerapporteerde inlichtingen meegedeeld aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar de te rapporteren verkoper is gevestigd of aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar het onroerend goed zich bevindt.

5.

Toepassingsgebied


Bijlage V, deel I, bevat de definities waarmee het toepassingsgebied van de rapportagevoorschriften wordt bepaald.

–Op wie rust de rapportageverplichting?

De voorschriften omvatten definities van de termen “platform”, “platformexploitant” en “rapporterende platformexploitant”.

Het concept “platform” heeft geen betrekking op software die uitsluitend een van de volgende activiteiten mogelijk maakt: i) het uitvoeren van betalingen, ii) het aanbieden of adverteren van een relevante activiteit door gebruikers, of iii) het doorverwijzen of overbrengen van gebruikers naar een platform.

Als rapporterende platformexploitant geldt elke platformexploitant die fiscaal ingezetene is van een lidstaat, of die is opgericht in overeenstemming met de wetten van een lidstaat, of die zijn plaats van leiding of een vaste inrichting heeft in een lidstaat (gewoonlijk “EU-platforms” genoemd).

Daarnaast bestrijken de voorschriften tevens platformexploitanten die aan geen van deze voorwaarden voldoen, maar die de uitoefening faciliteren van een relevante activiteit door te rapporteren verkopers die ingezetenen van een lidstaat zijn in de zin van deze richtlijn, of die een onroerend goed verhuren dat in een lidstaat is gelegen (gewoonlijk “buitenlandse platforms” genoemd). Om binnen de Unie actief te kunnen zijn, moeten dergelijke platforms zich in een lidstaat registreren (unieke registratie) overeenkomstig artikel 8 bis quater, lid 4. De details van de registratie zijn neergelegd in bijlage V, deel IV, punt F. Teneinde uniforme voorwaarden voor de toepassing van de voorgestelde voorschriften te garanderen, en meer in het bijzonder voor de registratie en identificatie van rapporterende platformexploitanten, worden aan de Commissie bij artikel 8 bis quater, lid 4, derde alinea, uitvoeringsbevoegdheden toegekend voor de vaststelling van een standaardformulier. Deze bevoegdheden worden uitgeoefend overeenkomstig Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad.

Platformexploitanten die voor btw-doeleinden reeds in de Unie zijn geregistreerd, kunnen zich alleen in die lidstaat registreren waar zij hun btw-identificatie hebben.

–Welke activiteiten komen voor rapportage in aanmerking?

Een relevante activiteit omvat de verhuur van onroerend goed, de verlening van persoonlijke diensten, de verkoop van goederen, de verhuur van transportmiddelen en investeringen en leningen in de context van crowdfunding.

Een activiteit die door een verkoper wordt uitgeoefend in de hoedanigheid van werknemer van de rapporterende platformexploitant, geldt niet als relevante activiteit.

Een persoonlijke dienst is een dienst die een tijdgebonden of taakgerichte activiteit omvat die door een of meer natuurlijke personen wordt uitgeoefend, hetzij zelfstandig of namens een entiteit. Deze dienst wordt verricht op verzoek van een gebruiker, hetzij online of fysiek offline, na facilitering door een platform.

–Wiens activiteiten komen voor rapportage in aanmerking?

Een verkoper is een gebruiker van een platform die op het platform is geregistreerd en een relevante activiteit uitoefent. Een overheidsinstantie wordt niet als een verkoper beschouwd.

Een actieve verkoper is een verkoper die gedurende de rapportageperiode een relevante activiteit heeft uitgeoefend.

Een te rapporteren verkoper is een actieve verkoper die gedurende de rapportageperiode i) zijn hoofdadres in een lidstaat had, of ii) beschikte over een fiscaal identificatienummer of btw-identificatienummer van een lidstaat, of iii), voor een verkoper die een entiteit is, een vaste inrichting in een lidstaat had. Een te rapporteren verkoper die aan een van de genoemde voorwaarden voldoet, wordt in de zin van deze richtlijn als ingezetene van een lidstaat beschouwd.

Daarnaast geldt een actieve verkoper die tijdens de rapportageperiode een onroerend goed heeft verhuurd dat in een lidstaat is gelegen, eveneens als een te rapporteren verkoper.

Alleen de activiteiten van een te rapporteren verkoper kunnen worden gerapporteerd.

6.

Due diligence-procedures


De rapporterende platformexploitanten voeren due diligence-procedures uit als neergelegd in deel II van de bijlage, met het oog op de identificatie van de te rapporteren verkopers.

In deel II, punt B, van de bijlage worden de specifieke inlichtingen vastgesteld die door een rapporterende platformexploitant over een te rapporteren verkoper moeten worden verzameld. De rapporterende platformexploitanten moeten de verzamelde inlichtingen verifiëren met gebruikmaking van alle inlichtingen en documenten waarover zij beschikken, naast elke elektronische interface die gratis beschikbaar is gesteld door een lidstaat of de Unie, teneinde de geldigheid van het fiscale identificatienummer of btw-identificatienummer na te gaan. In plaats daarvan kan de rapporterende platformexploitant de identiteit en verblijfplaats van een verkoper ook rechtstreeks bevestigen via een elektronische identificatiedienst die door een lidstaat of de Unie beschikbaar wordt gesteld.

Een rapporterende platformexploitant beschouwt een verkoper als gevestigd in de lidstaat waar deze zijn hoofdadres heeft. Indien de lidstaat van vestiging verschilt van de lidstaat van het hoofdadres van de verkoper, kan een rapporterende platformexploitant een verkoper ook als gevestigd beschouwen in de lidstaat die de verkoper een fiscaal identificatienummer of btw-identificatienummer heeft toegekend, of in de lidstaat waar de verkoper een vaste inrichting heeft. Indien de rapporterende platformexploitant gebruikmaakt van de elektronische identificatiedienst die door een lidstaat of de Unie beschikbaar wordt gesteld, wordt de verkoper beschouwd als gevestigd in elke lidstaat die door deze elektronische identificatiedienst wordt bevestigd.

Een rapporterende platformexploitant verzamelt en verifieert de vereiste inlichtingen en stelt deze uiterlijk op 31 december van de rapportageperiode beschikbaar.

Een rapporterende platformexploitant kan zich baseren op de due diligence-procedures die in eerdere rapportageperioden werden uitgevoerd, mits i) de vereiste inlichtingen werden verzameld of geverifieerd in de laatste 36 maanden, en ii) er geen redenen zijn om te veronderstellen dat de verzamelde inlichtingen onbetrouwbaar zijn geworden of niet langer correct zijn.

Een rapporterende platformexploitant kan een andere platformexploitant of een derde partij aanwijzen om de verplichtingen met betrekking tot de due diligence-procedures op zich te nemen.

7.

Rapportage aan de bevoegde autoriteit


De verzamelde en geverifieerde inlichtingen worden gerapporteerd binnen de maand die volgt op het einde van de rapportageperiode waarin de verkoper als te rapporteren verkoper is geïdentificeerd. De rapportage geschiedt slechts in één lidstaat (unieke rapportage). Een rapporterende platformexploitant die een “EU-platform” is, rapporteert in de lidstaat waarin hij voldoet aan een van de voorwaarden die zijn genoemd in deel I, punt A, onder 3), a). Indien een rapporterende platformexploitant in meer dan één lidstaat aan een van deze voorwaarden voldoet, kiest de rapporterende platformexploitant één lidstaat voor de rapportage uit. Een rapporterende platformexploitant die een “buitenlands platform” is, rapporteert in de lidstaat waarin hij is geregistreerd overeenkomstig artikel 8 bis quater, lid 4.

Inlichtingen over de tegenprestatie en andere bedragen worden gerapporteerd met betrekking tot het kwartaal van de rapportageperiode waarin de tegenprestatie is betaald of gecrediteerd. Van de definitie van tegenprestatie zijn alle honoraria, commissielonen of heffingen uitgesloten die door het rapporterende platform ingehouden of geheven werden.

Overeenkomstig het gewijzigde artikel 25, lid 3, moeten de rapporterende platformexploitanten elke betrokken persoon informeren over het feit dat inlichtingen met betrekking tot hem zullen worden verzameld en aan de autoriteiten gerapporteerd krachtens deze richtlijn, en moeten zij alle inlichtingen verstrekken die de verwerkingsverantwoordelijken uit hoofde van de algemene verordening gegevensbescherming moeten verstrekken. De platformexploitanten moeten elke betrokken persoon alle inlichtingen verstrekken, en in elk geval, vóór deze worden gerapporteerd. Dit laat de rechten van de betrokkene uit hoofde van de algemene verordening gegevensbescherming onverlet.

8.

Automatische uitwisseling van inlichtingen gerapporteerd door de platformexploitanten


De inlichtingen die door de platformexploitanten worden gerapporteerd, moeten door de bevoegde autoriteiten van de lidstaten waar de rapportage plaatsvond, worden meegedeeld aan de lidstaat waar de te rapporteren verkoper is gevestigd, in de zin van bijlage V, deel I, punt B, onder 3, en/of waar het onroerend goed is gelegen. In artikel 8 bis quater, lid 2, is vastgesteld welke inlichtingen aan deze lidstaten worden gerapporteerd.

De uitwisseling vindt plaats uiterlijk binnen twee maanden na het eind van de rapportageperiode.

Dankzij een dergelijke tijdige uitwisseling zullen de belastingautoriteiten beschikken over een volledige reeks inlichtingen, zodat zij de op voorhand ingevulde jaarlijkse belastingaanslagen kunnen voorbereiden.

De automatische uitwisseling van inlichtingen geschiedt via het gemeenschappelijke communicatienetwerk (CCN-netwerk) van de EU, met gebruikmaking van een XML-schema dat door de Commissie is ontwikkeld.

9.

Effectieve uitvoering en afsluiting van de accounts van de verkopers


Indien een te rapporteren verkoper na twee aanmaningen de vereiste inlichtingen niet verstrekt, moet de rapporterende platformexploitant de account van deze verkoper afsluiten en voor een periode van zes maanden verhinderen dat de verkoper zich opnieuw op het platform registreert, ofwel de betaling van de tegenprestatie aan de verkoper inhouden (deel IV, punt A).

10.

Effectieve sancties wegens niet-naleving op nationaal niveau


Artikel 25 bis inzake sancties wordt gewijzigd teneinde de inlichtingen die door de platformexploitanten overeenkomstig artikel 8 bis quater worden gerapporteerd, erin op te nemen. Hiermee moet worden gegarandeerd dat de lidstaten sancties opleggen in de gevallen waarin de verplichtingen van deze richtlijn niet worden nageleefd. De sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.

11.

iii) Administratieve samenwerking


Aanwezigheid van ambtenaren van een lidstaat bij een onderzoek in een andere lidstaat

Door de wijziging van artikel 11, lid 1, wordt een verplichting ingevoerd voor de aangezochte bevoegde autoriteit om te reageren op een verzoek tot aanwezigheid van een ambtenaar van een andere lidstaat tijdens een onderzoek. De uiterste termijn voor een reactie is 30 dagen om de verzoekende autoriteit een bevestiging van aanwezigheid of een gemotiveerde weigering te doen toekomen.

Het gewijzigde artikel 11, lid 2, maakt het ondervragen van personen en het onderzoeken van bescheiden mogelijk zonder de beperking van de nationale wetgeving van de aangezochte lidstaat. Daarnaast werd, in het kader van moderne communicatiemiddelen, de mogelijkheid toegevoegd om deel te nemen aan administratieve onderzoeken met gebruikmaking van elektronische communicatiemiddelen.

Gelijktijdige controles

Artikel 12, lid 3, werd gewijzigd om een uiterste termijn van 30 dagen toe te voegen waarbinnen de aangezochte autoriteiten moeten reageren op een voorstel voor gelijktijdige controle.

Gezamenlijke audits

Afdeling II bis wordt aan de richtlijn toegevoegd om een expliciet en duidelijk wettelijk kader vast te stellen voor het uitvoeren van gezamenlijke audits tussen twee of meer lidstaten.

In artikel 12 bis, lid 1, wordt het begrip “gezamenlijke audit” gedefinieerd: een administratief onderzoek dat gezamenlijk wordt uitgevoerd door de bevoegde autoriteiten van twee of meer lidstaten. De bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten vatten op een vooraf overeengekomen en gecoördineerde wijze een onderzoek aan van een zaak die betrekking heeft op een of meer personen die voor hen van gezamenlijk of complementair belang zijn.

12.

Verzoek om een gezamenlijke audit


–Door een bevoegde autoriteit van een lidstaat

Artikel 12 bis, lid 2, behandelt de situatie waar een bevoegde autoriteit van een lidstaat een bevoegde autoriteit van een andere lidstaat verzoekt om gezamenlijk een audit te verrichten. De aangezochte autoriteit reageert op het verzoek binnen een termijn van 30 dagen na ontvangst van het verzoek.

Een verzoek kan om gemotiveerde redenen worden verworpen. Artikel 12 bis, lid 3, bevat een niet-exhaustieve lijst van redenen voor verwerping.

–Door een natuurlijke persoon

Artikel 12 bis, lid 4, behandelt de situatie waar een natuurlijke persoon een bevoegde autoriteit van twee of meer lidstaten verzoekt om gezamenlijk een audit te verrichten. De aangezochte autoriteiten reageren op het verzoek binnen een termijn van 30 dagen na ontvangst van het verzoek.

Een verzoek kan worden verworpen en de redenen voor de verwerping moeten de verzoekende persoon ter kennis worden gebracht.

De betekenis van “persoon” is gedefinieerd in artikel 3 van Richtlijn 2011/16/EU.

13.

Procedure


In artikel 12 bis, lid 5, wordt verduidelijkt dat de uitwisseling van inlichtingen die betrekking hebben op een handels-, nijverheids- of beroepsgeheim of een handelswerkwijze, of van inlichtingen waarvan de openbaarmaking in strijd zou zijn met de openbare orde, in de context van een gezamenlijke audit niet mag worden geweigerd. Dergelijke uitgewisselde inlichtingen moeten echter vertrouwelijk blijven tussen de betrokken bevoegde autoriteiten en mogen niet bekend worden gemaakt aan derde partijen.

In artikel 12 bis, lid 6, wordt bepaald dat de gezamenlijke audit moet worden uitgevoerd overeenkomstig de procedurele afspraken die van toepassing zijn in de lidstaat waar de audit plaatsvindt. Het bewijsmateriaal dat tijdens de gezamenlijke audit wordt verzameld, moet door alle bevoegde autoriteiten van de deelnemende lidstaten wederzijds worden erkend.

Artikel 12 bis, lid 10, betreft de talenregeling voor gezamenlijke audits, die door de betrokken lidstaten moet worden overeengekomen.

14.

Eindverslag


Bij artikel 12 bis, lid 7, wordt de bevoegde autoriteiten van de deelnemende lidstaten de verplichting opgelegd om tot een akkoord te komen over de feiten en omstandigheden van de zaak en worden de bevoegde autoriteiten van de lidstaten opgeroepen naar overeenstemming te streven over de interpretatie van de fiscale positie van de geauditeerde persoon (personen). De conclusies van de gezamenlijke audit moeten in een eindverslag worden neergelegd. Het eindverslag van de gezamenlijke audit moet gelijke juridische waarde hebben als de relevante nationale instrumenten die in de deelnemende lidstaten na een audit worden geformuleerd.

Overeenkomstig artikel 12 bis, lid 9, moeten het resultaat van de gezamenlijke audit en het eindverslag binnen een termijn van 30 dagen na de publicatie van het eindverslag ter kennis worden gebracht aan de geauditeerde persoon (personen).

15.

Overeenkomstige aanpassing


Artikel 12 bis, lid 8, stelt een verplichting in voor de lidstaten om bij de omzetting van de richtlijn te voorzien in het wettelijke kader dat overeenkomstige aanpassingen mogelijk maakt.

16.

iv) Overige voorzieningen


Gebruik van uitgewisselde inlichtingen

Artikel 16, lid 1, wordt gewijzigd om te verduidelijken dat de in het kader van deze richtlijn uitgewisselde inlichtingen kunnen worden gebruikt voor het beheer, de vestiging en de executie van de btw en andere indirecte belastingen.

Verplichte mededeling van evaluatieresultaten

Artikel 23, lid 2, wordt gewijzigd om de lidstaten te verplichten binnen hun rechtsgebied de doeltreffendheid van de administratieve samenwerking in het kader van de richtlijn te onderzoeken en te evalueren, en de resultaten van deze evaluatie jaarlijks aan de Commissie mede te delen.

Opschorting van uitwisselingen

Artikel 25, lid 5, biedt de lidstaten de mogelijkheid om het risico op gegevensinbreuken in de context van de uitwisseling van inlichtingen te beperken. In het geval van een inbreuk in verband met persoonsgegevens kunnen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten als gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijken besluiten de Commissie te verzoeken om de uitwisseling van inlichtingen met de lidstaat waar de inbreuk plaatshad, op te schorten.

De Commissie herstart de procedure voor de uitwisseling van inlichtingen zodra de bevoegde autoriteiten de Commissie verzoeken om de uitwisseling van inlichtingen in het kader van deze richtlijn opnieuw toe te staan met de lidstaat waar de inbreuk plaatshad.

Deze opschorting komt bovenop de maatregelen die uit hoofde van de algemene verordening gegevensbescherming in verband met de gegevensinbreuk zijn vereist.