Overwegingen bij COM(2017)214 - Standpunt EU in de vergadering van de partijen bij de Visserijovereenkomst voor de Zuid-Indische Oceaan (SIOFA)

Dit is een beperkte versie

U kijkt naar een beperkte versie van dit dossier in de EU Monitor.

 
 
(1) In artikel 38 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, in samenhang met artikel 39, lid 1, onder d), is bepaald dat het gemeenschappelijk visserijbeleid onder meer ten doel heeft de voorziening veilig te stellen.

(2) In artikel 2 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad 4 is bepaald dat het gemeenschappelijk visserijbeleid er borg voor moet staan dat de activiteiten in het kader van de visserij en de aquacultuur uit ecologisch oogpunt duurzaam op lange termijn zijn en worden beheerd op een manier die strookt met de doelstellingen voordelen te realiseren op economisch en sociaal gebied en op het gebied van werkgelegenheid, alsmede bij te dragen tot de beschikbaarheid van voedselvoorraden. In dat artikel is ook bepaald dat in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid de voorzorgsbenadering moet worden toegepast op het visserijbeheer en dat ernaar moet worden gestreefd dat de levende biologische rijkdommen van de zee zo worden geëxploiteerd dat de populaties van de gevangen soorten boven een niveau worden gebracht en gehouden dat de maximale duurzame opbrengst kan opleveren. Voorts is in dat artikel bepaald dat de Unie moet streven naar maatregelen inzake beheer en instandhouding die gebaseerd zijn op het beste beschikbare wetenschappelijke advies, naar de bevordering van visserijmethoden die bijdragen tot meer selectieve visserij en tot het zo veel mogelijk voorkomen en beperken van ongewenste vangsten, naar visserij met een lage impact op het mariene ecosysteem en de visbestanden, en naar de geleidelijke uitbanning van teruggooi. Daarnaast is in artikel 28 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 specifiek bepaald dat de Unie deze beginselen moet toepassen in haar extern beleid.

(3) Bij Besluit 2008/780/EG van de Raad 5 heeft de Unie de Visserijovereenkomst voor de Zuid-Indische Oceaan (SIOFA) gesloten. De vergadering van de partijen bij de SIOFA is bevoegd voor het vaststellen van maatregelen om de instandhouding op de lange termijn en het duurzame gebruik van visbestanden in het SIOFA-gebied te waarborgen door de voorzorgsbenadering en een ecosysteembenadering van visserijbeheer toe te passen en aldus de mariene ecosystemen waarin deze bestanden voorkomen, te beschermen. Dergelijke maatregelen zullen bindend worden voor de Unie.

(4) De Raad heeft op 5 oktober 2012 Besluit 14404/12 inzake de vaststelling van het door de Unie in te nemen standpunt in het kader van de Visserijovereenkomst voor de Zuid-Indische Oceaan (SIOFA) vastgesteld.

(5) In Besluit 14404/12 is bepaald dat het daarin vastgestelde standpunt vóór de jaarlijkse vergadering van de partijen bij de SIOFA in 2017 moet worden herzien. Daarom is het passend Besluit 14404/12 in te trekken en te vervangen door een nieuw besluit.

(6) In het licht van de steeds veranderende aard van de visbestanden in het SIOFA-gebied en de daaruit volgende noodzaak voor de Unie om in haar standpunt rekening te houden met nieuwe ontwikkelingen zoals nieuwe statistische, biologische of andere informatie die voor of tijdens de jaarlijkse vergadering van de partijen wordt gepresenteerd, moeten voor de jaarlijkse nadere bepaling van het standpunt van de Unie procedures worden vastgesteld overeenkomstig het beginsel van loyale samenwerking tussen de instellingen van de Unie zoals dat in artikel 13, lid 2, VEU is neergelegd.

(7) Overeenkomstig artikel 218 en artikel 3, lid 1, VWEU wordt de EU in het kader van de jaarlijkse vergadering van de partijen bij de SIOFA vertegenwoordigd door de Commissie. Dit besluit is derhalve gericht tot de Commissie.