Overwegingen bij COM(2018)147 - Regels betreffende de vennootschapsbelasting op een aanmerkelijke digitale aanwezigheid - EU monitor

EU monitor
Maandag 6 juli 2020
kalender

Overwegingen bij COM(2018)147 - Regels betreffende de vennootschapsbelasting op een aanmerkelijke digitale aanwezigheid

Dit is een beperkte versie

U kijkt naar een beperkte versie van dit dossier in de EU Monitor.

 
 
(1) Door de snelle ontwikkelingen in de wereldeconomie als gevolg van de digitalisering komen de vennootschapsbelastingstelsels zowel in de Unie als internationaal onder druk te staan en rijst de vraag of het mogelijk is te bepalen waar digitale bedrijven belasting moeten betalen en hoeveel zij moeten betalen. Hoewel op internationaal niveau door organisaties zoals de G20 wordt erkend dat de vennootschapsbelastingregels aan de digitale economie moeten worden aangepast, wordt het een grote uitdaging om op mondiaal niveau een overeenkomst te bereiken.

(2) In haar in oktober 2015 gepubliceerde rapport over BEPS-actie 1 (grondslaguitholling en winstverschuiving) 'Addressing the Tax Challenges of the Digital Economy' heeft de OESO meerdere, uiteenlopende benaderingen voor de belastingheffing van de digitale economie aan de orde gesteld, die zij vervolgens nader heeft onderzocht in "Tax challenges Arising from Digitalisation – Interim Report 2018". Terwijl het digitale transformatieproces van de economie versnelt, groeit alleen maar de behoefte aan oplossingen die een eerlijke en effectieve belastingheffing van digitale bedrijven kunnen garanderen.

(3) In haar mededeling van 21 september 2017 over 'Een eerlijk en efficiënt belastingstelsel in de Europese Unie voor de digitale eengemaakte markt' heeft de Commissie geschreven dat er nieuwe internationale regels nodig zijn die specifiek zijn afgestemd op de uitdagingen die de digitale economie stelt, om te kunnen bepalen waar de waarde van bedrijven wordt gecreëerd en hoe die waarde voor belastingdoeleinden moet worden toegeschreven. Deze nieuwe regels zouden inhouden dat de huidige internationale belastingregels inzake de definitie van een vaste inrichting en winsttoerekening met betrekking tot digitale activiteiten worden herzien.

(4) In zijn conclusies van 19 oktober 2017 heeft de Europese Raad de nadruk gelegd op de noodzaak van een doeltreffend en billijk belastingstelsel dat geschikt is voor het digitale tijdperk, en keek hij uit naar passende Commissievoorstellen begin 2018 15 . In zijn conclusies van 5 december 2017 benadrukte de Ecofin-Raad dat een wereldwijd aanvaarde definitie van vaste inrichting en de gerelateerde regels voor verrekenprijzen en winsttoerekening eveneens van vitaal belang zijn bij het aanpakken van de uitdagingen op het gebied van winstbelasting in de digitale economie en moedigde hij aan tot nauwe samenwerking tussen de EU, de OESO en andere internationale partners bij het aanpakken van de uitdagingen op het gebied van winstbelasting in de digitale economie 16 .

In dit verband moet van de lidstaten worden verlangd dat zij in hun nationale vennootschapsbelastingstelsels regels introduceren om hun heffingsbevoegdheid uit te oefenen. Er moet dus worden verduidelijkt welke vennootschapsbelastingen in de lidstaten van toepassing zijn. Met deze regels moet de definitie van een vaste inrichting worden verruimd en een belastbare nexus worden bepaald voor een aanmerkelijke digitale aanwezigheid op hun respectieve rechtsgebieden. Voorts moeten algemene beginselen voor de toerekening van belastbare winsten aan een dergelijke digitale aanwezigheid worden vastgelegd. In beginsel moeten deze regels toepassing vinden op alle vennootschapsbelastingplichtigen, ongeacht of zij voor belastingdoeleinden inwoner zijn van de Unie of elders.

(5) De regels mogen evenwel geen toepassing vinden op entiteiten die fiscaal inwoner zijn van een niet-Unierechtsgebied waarmee de lidstaat van de aanmerkelijke digitale aanwezigheid een geldig dubbelbelastingverdrag heeft, tenzij dat verdrag bepalingen betreffende een aanmerkelijke digitale aanwezigheid bevat die vergelijkbare rechten en verplichtingen met betrekking tot dat niet-Unierechtsgebied creëren als die welke bij deze richtlijn worden gecreëerd. Dit moet conflicten met dubbelbelastingverdragen met niet-Unierechtsgebieden vermijden, aangezien niet-Unierechtsgebieden in het algemeen niet gebonden zijn door het Unierecht.

(6) Om te voorzien in een degelijke definitie van een belastbare nexus van een digitaal bedrijf in een lidstaat moet worden aangeknoopt bij de inkomsten uit de levering van digitale diensten, het aantal gebruikers of het aantal zakelijke overeenkomsten voor digitale diensten. De toepasselijke drempels moeten voor verschillende soorten bedrijfsmodellen het belang van de digitale aanwezigheid weergeven en rekening houden met de verschillende mate van bijdrage aan het proces van waardecreatie. Zij moeten ook een vergelijkbare behandeling in verschillende lidstaten garanderen, ongeacht omvang, en onbeduidende gevallen uitsluiten. De verkoop van goederen of diensten die met behulp van het internet of een elektronisch netwerk wordt gefaciliteerd, mag niet als een digitale dienst in de zin van deze richtlijn worden aangemerkt.

(7) Om de aanmerkelijke digitale aanwezigheid van een onderneming in een ander rechtsgebied in de heffing te kunnen betrekken overeenkomstig de binnenlandse wetgeving van dat rechtsgebied, dienen de beginselen voor de toerekening van winsten aan die aanmerkelijke digitale aanwezigheid te worden vastgesteld. De regels moeten voortbouwen op de huidige beginselen voor winsttoerekening en gebaseerd zijn op een functionele analyse van de functies die worden uitgeoefend, de activa die worden gebruikt en de risico's die worden gedragen door een aanmerkelijke digitale aanwezigheid bij het verrichten van haar economisch wezenlijke activiteiten via een digitale interface. Bijzondere aandacht moet worden besteed aan het feit dat een aanzienlijk deel van de waarde van een digitaal bedrijf wordt gecreëerd waar de gebruikers zijn gebaseerd en waar de data die betrekking hebben op de gebruikers, worden verzameld en verwerkt, en ook aan de plaats waar digitale diensten worden geleverd. Aangezien economisch wezenlijke activiteiten verricht door een aanmerkelijke digitale aanwezigheid bij digitale bedrijfsmodellen op unieke wijze bijdragen aan waardecreatie, moet gewoonlijk de profit-splitmethode worden gebruikt om tot een billijke toerekening van winsten aan de aanmerkelijke digitale aanwezigheid te komen. Dit mag evenwel een belastingplichtige niet beletten gebruik te maken van een alternatieve methode in overeenstemming met internationaal aanvaarde beginselen indien hij kan aantonen, op basis van het resultaat van de functionele analyse, dat een alternatieve methode in overeenstemming met internationaal aanvaarde beginselen beter geschikt is. Het is ook van wezenlijk belang dat de winstsplitsingsfactoren nauw gecorreleerd zijn met de waardecreatie.

(8) Een hoofddoel van deze richtlijn bestaat erin de interne markt als geheel beter toe te rusten voor de fiscale uitdagingen van de gedigitaliseerde economie. Deze doelstelling kan onvoldoende worden verwezenlijkt als de lidstaten elk afzonderlijk optreden omdat digitale bedrijven grensoverschrijdend actief kunnen zijn zonder enige vorm van fysieke aanwezigheid in een rechtsgebied en er dus regels nodig zijn om te garanderen dat zij belastingen betalen in de rechtsgebieden waar ze winsten maken. Gelet op deze grensoverschrijdende dimensie biedt een initiatief op het niveau van de Unie een meerwaarde ten opzichte van hetgeen met een veelheid aan nationale maatregelen kan worden bereikt. Een gemeenschappelijk initiatief dat de volledige interne markt bestrijkt, is noodzakelijk voor een geharmoniseerde toepassing van de regels betreffende een aanmerkelijke digitale aanwezigheid in de Unie. Als elke lidstaat eenzijdig en naar eigen inzicht gaat optreden, kunnen nationale beleidsmaatregelen met elkaar botsen, verstoringen ontstaan en fiscale obstakels worden opgeworpen voor bedrijven in de Unie, wat ondoeltreffend is en tot een versnippering op de eengemaakte markt leidt. Daar de doelstellingen van deze richtlijn beter op het niveau van de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om die doelstellingen te verwezenlijken,

(9) De verwerking van persoonsgegevens in het kader van deze richtlijn dient in overeenstemming te zijn met Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad 17 , inclusief de verplichtingen om passende technische en organisatorische maatregelen te nemen om aan de bij die verordening opgelegde verplichtingen te voldoen, met name die betreffende de rechtmatigheid van de verwerking, de beveiliging van de verwerking, de informatieverstrekking aan en de rechten van de betrokkenen, en gegevensbescherming door ontwerp en door standaardinstellingen.  In de mate van het mogelijke moeten persoonsgegevens anoniem worden gemaakt.

(10) De Commissie dient vijf jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn de tenuitvoerlegging ervan te evalueren en verslag uit te brengen bij de Raad. De lidstaten dienen de Commissie alle voor deze evaluatie noodzakelijke informatie te verstrekken. Er moet een raadgevend DigiTax-comité worden opgericht om vragen in verband met de toepassing van de richtlijn te onderzoeken.

(11) In overeenstemming met de gezamenlijke politieke verklaring van de lidstaten en de Commissie van 28 september 2011 over toelichtende stukken 18 hebben de lidstaten zich ertoe verbonden om, in verantwoorde gevallen, de kennisgeving van hun omzettingsmaatregelen vergezeld te doen gaan van één of meer stukken waarin het verband tussen de onderdelen van een richtlijn en de overeenkomstige delen van de nationale omzettingsinstrumenten wordt toegelicht. Met betrekking tot deze richtlijn acht de wetgever de toezending van dergelijke stukken verantwoord.

(12) Van de lidstaten moet worden verlangd dat zij de bepalingen van deze richtlijn toepassen vanaf het eerstvolgende belastingtijdvak dat aanvangt na de uiterste omzettingstermijn. Dit moet garanderen dat de nieuwe bepalingen in elke lidstaat toepassing krijgen vanaf een datum die onderling zo nauw mogelijk is afgestemd, maar ook rekening houdt met het feit dat de lidstaten verschillende belastingtijdvakken kunnen hebben.