Overwegingen bij COM(2021)558 - Energie-efficiëntie (herschikking)

Dit is een beperkte versie

U kijkt naar een beperkte versie van dit dossier in de EU Monitor.

 
dossier COM(2021)558 - Energie-efficiëntie (herschikking).
document COM(2021)558 NLEN
datum 13 september 2023
 
 nieuw

(1)Richtlijn 2012/27/EU van het Europees Parlement en de Raad 41 is herhaaldelijk en ingrijpend gewijzigd 42 . Aangezien nieuwe wijzigingen nodig zijn, dient ter wille van de duidelijkheid tot herschikking van die richtlijn te worden overgegaan.


 2012/27/EU overweging 1 (aangepast)

De Unie wordt geconfronteerd met ongekende uitdagingen die voortvloeien uit de verhoogde afhankelijkheid van energie-invoer en schaarse energiebronnen, en de noodzaak om de klimaatverandering te beperken en de economische crisis te overwinnen. Energie-efficiëntie is een nuttige manier om het hoofd te bieden aan deze uitdagingen. Het verbetert de energievoorzieningszekerheid van de Unie doordat het primaire energieverbruik en de energie-invoer dalen. Het helpt de broeikasgasemissies op een kostenefficiënte manier te verminderen en zo de klimaatverandering te temperen. De verschuiving naar een energie-efficiënte economie moet ook de verspreiding van innovatieve technologische oplossingen versnellen en het concurrentievermogen van de industrie in de Unie verbeteren; dit zal de economische groei stimuleren en banen van hoge kwaliteit scheppen in verschillende sectoren die met energie-efficiëntie verband houden.


 2012/27/EU overweging 2 (aangepast)

De conclusies van de Europese Raad van 8 en 9 maart 2007 beklemtoonden de noodzaak om de energie-efficiëntie in de Unie te verhogen, teneinde in 2020 de doelstelling van 20 % besparing op het primaire energieverbruik van de Unie in vergelijking met de prognoses te realiseren. In de conclusies van de Europese Raad van 4 februari 2011 werd benadrukt dat het door de Europese Raad van juni 2010 gestelde doel van 20 % meer energie-efficiëntie in 2020, waarvoor de Unie momenteel niet op koers ligt, moet worden bereikt. In 2007 opgestelde prognoses gaven voor 2020 een primair energieverbruik aan van 1842 Mtoe. Een vermindering van 20 % leidt tot 1474 Mtoe in 2020, met andere woorden een vermindering van 368 Mtoe in vergelijking met de prognoses.


 2012/27/EU overweging 3 (aangepast)

De conclusies van de Europese Raad van 17 juni 2010 bevestigden het energie-efficiëntiestreefcijfer als een van de centrale streefcijfers van de nieuwe strategie van de Unie voor banen en voor een slimme, duurzame en inclusieve groei (Europa 2020-strategie). Om deze doelstelling op nationaal niveau te verwezenlijken, moeten de lidstaten gedurende dit proces in nauwe dialoog met de Commissie nationale streefcijfers vastleggen en in hun nationale hervormingsprogramma's aangeven hoe zij deze willen bereiken.


 2012/27/EU overweging 4 (aangepast)

De Commissiemededeling van 10 november 2010„Energie 2020” geeft energie-efficiëntie een centrale plaats in de uniale energiestrategie voor 2020 en geeft aan dat er behoefte is aan een nieuwe energie-efficiëntiestrategie die alle lidstaten in staat zal stellen energieverbruik los te koppelen van economische groei.


 2012/27/EU overweging 5 (aangepast)

In zijn resolutie van 15 december 2010 over de herziening van het energie-efficiëntieactieplan heeft het Europees Parlement er bij de Commissie op aangedrongen om in haar herziene energie-efficiëntieactieplan maatregelen op te nemen om de kloof te dichten en zo de globale energie-efficiëntiedoelstelling van de Unie in 2020 te bereiken.


 2012/27/EU overweging 6 (aangepast)

Een van de initiatieven van de Europa 2020-strategie is het kerninitiatief „Een Europa dat zijn hulpbronnen efficiënt gebruikt”, dat door de Commissie op 26 januari 2011 is vastgesteld. Hierin wordt energie-efficiëntie als een belangrijk element gezien om het duurzame gebruik van energiehulpbronnen te waarborgen.


 2012/27/EU overweging 7 (aangepast)

In de conclusies van de Europese Raad van 4 februari 2011 wordt erkend dat het energie-efficiëntiestreefcijfer van de Unie niet op koers ligt en dat er krachtige maatregelen nodig zijn om de ruime marges voor hogere energiebesparingen op gebouwen, vervoer, producten en processen te benutten. In die conclusies zegt de Europese Raad tevens dat hij de voortgang naar het energie-efficiëntiestreefcijfer van de Unie voor 2013 zal evalueren en indien nodig extra maatregelen zal overwegen.


 2012/27/EU overweging 8 (aangepast)

Op 8 maart 2011 heeft de Commissie haar mededeling over een energie-efficiëntieplan 2011 vastgesteld. Deze mededeling bevestigde dat de Unie niet op koers ligt om haar energie-efficiëntiestreefcijfer te verwezenlijken, ondanks de vorderingen in het nationale energiebeleid dat is uitgetekend in de eerste nationale actieplannen voor energie-efficiëntie die de lidstaten hebben ingediend ter uitvoering van de vereisten van Richtlijn 2006/32/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2006 betreffende energie-efficiëntie bij het eindgebruik en energiediensten 43 . Een eerste analyse van de tweede serie actieplannen bevestigt dat de Unie niet op koers ligt. Om dat te verhelpen worden in het energie-efficiëntieplan 2011 een reeks energie-efficiëntiebeleidslijnen en -maatregelen opgesomd die betrekking hebben op de volledige energieketen, inclusief opwekking, transport en distributie van energie; de belangrijke rol die de overheidssector speelt in energie-efficiëntie; gebouwen en toestellen; de industrie; en de noodzaak om de eindafnemers in staat te stellen hun energieverbruik te beheren. Parallel hiermee kwam energie-efficiëntie in de vervoersector aan bod in het Witboek over vervoer, vastgesteld op 28 maart 2011. Vooral initiatief 26 van het Witboek dringt aan op aangepaste normen voor de CO2-uitstoot van voertuigen voor alle vervoerswijzen, waar nodig aangevuld met energie-efficiëntievoorschriften voor alle soorten aandrijfsystemen.


 2012/27/EU overweging 9 (aangepast)

Op 8 maart 2011 heeft de Commissie ook een Routekaart naar een concurrerende koolstofarme economie in 2050 aangenomen, waarin zij de noodzaak vaststelde om vanuit dit gezichtspunt meer aandacht te besteden aan energie-efficiëntie.


 2012/27/EU overweging 10 (aangepast)

In deze context moet het wettelijk kader van de Unie voor energie-efficiëntie worden bijgewerkt met een richtlijn die gericht is op het globale energie-efficiëntiestreefcijfer van 20 % besparing op het primaire energieverbruik in de Unie in 2020 en die ook na 2020 verdere verbeteringen van de energie-efficiëntie nastreeft. Met het oog daarop moet deze richtlijn een gemeenschappelijk kader creëren om de energie-efficiëntie binnen de Unie te bevorderen en specifieke acties vastleggen om een aantal voorstellen van het energie-efficiëntieplan 2011 uit te voeren en de resterende aanzienlijke marges voor energiebesparing te benutten.


 2012/27/EU overweging 11 (aangepast)

Krachtens Beschikking nr. 406/2009/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 inzake de inspanningen van de lidstaten om hun broeikasgasemissies te verminderen om aan de verbintenissen van de Gemeenschap op het gebied van het verminderen van broeikasgassen tot 2020 te voldoen 44 , moet de Commissie in 2012 beoordelen in welke mate de Unie en de lidstaten vorderingen hebben gemaakt met het oog op de vermindering van het energieverbruik met 20 % in 2020 in vergelijking met de prognoses en hierover verslag uitbrengen. Deze beschikking vermeldt ook dat de Commissie uiterlijk op 31 december 2012 aangescherpte of nieuwe maatregelen moet voorstellen om de energie-efficiëntie sneller te verbeteren teneinde de lidstaten te helpen aan de verplichtingen van de Unie op het gebied van het terugdringen van broeikasgassen te voldoen. Deze richtlijn komt tegemoet aan deze vereiste. Zij draagt ook bij aan het nakomen van de doelstellingen die zijn vastgelegd in de Routekaart naar een concurrerende koolstofarme economie in 2050, in het bijzonder door de broeikasgasemissies terug te dringen in de energiesector, en aan het verwezenlijken van elektriciteitsproductie met nulemissie in 2050. 


 2012/27/EU overweging 12 (aangepast)

Er moet een geïntegreerde benadering gevolgd worden om het bestaande potentieel aan energiebesparingen volledig te benutten, inclusief besparingen in de energievoorziening en bij de eindverbruiker. Tegelijkertijd moeten de bepalingen van Richtlijn 2004/8/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 inzake de bevordering van warmtekrachtkoppeling op basis van de vraag naar nuttige warmte binnen de interne energiemarkt 45 en Richtlijn 2006/32/EG worden versterkt.


 nieuw

(2)In het klimaatdoelstellingsplan 46 heeft de Commissie voorgesteld om de ambitie van de Unie te verhogen door het broeikasgasemissiestreefcijfer voor 2030 op te trekken tot ten minste 55 % onder het niveau van 1990. Dat is een aanzienlijke verhoging ten opzichte van het bestaande streefcijfer van 40 %. Het voorstel kwam tegemoet aan de toezegging in de mededeling over de Europese Green Deal 47 om een alomvattend plan voor te stellen om het streefcijfer van de Unie voor 2030 op verantwoorde wijze te verhogen tot 55 %. Het is ook in overeenstemming met de doelstellingen van de 21e Conferentie van de Partijen bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (de “Overeenkomst van Parijs”) om de wereldwijde temperatuurstijging ruim onder 2 °C te houden en ernaar te blijven streven deze tot 1,5 °C te beperken.

(3)In december 2020 heeft de Europese Raad zich achter een bindend EU-streefcijfer van een nettoreductie in de EU van uitgestoten broeikasgassen van ten minste 55 % in 2030 ten opzichte van 1990 geschaard 48 . De Europese Raad concludeerde dat de klimaatambitie moet worden versterkt op een manier die duurzame economische groei stimuleert, banen schept, gezondheids- en milieuvoordelen oplevert voor de burgers van de Unie en bijdraagt tot het mondiale concurrentievermogen van de EU-economie op lange termijn door innovatie op het gebied van groene technologieën te bevorderen.

(4)Om deze doelstellingen te verwezenlijken, heeft de Europese Commissie in haar werkprogramma voor 2021 49 een “Klaar voor 55”-pakket aangekondigd om de broeikasgasemissies tegen 2030 met ten minste 55 % te verminderen en tegen 2050 een klimaatneutrale Europese Unie tot stand te brengen. Dit pakket heeft betrekking op een reeks beleidsterreinen, waaronder energie-efficiëntie, hernieuwbare energie, landgebruik, verandering in landgebruik en bosbouw, energiebelasting, verdeling van de inspanningen en handel in emissierechten.

(5)Uit prognoses blijkt dat, als het huidige beleid volledig wordt uitgevoerd, de broeikasgasemissies tegen 2030 met ongeveer 45 % zouden zijn verminderd ten opzichte van het niveau van 1990, de emissies en absorpties door landgebruik buiten beschouwing gelaten, en met ongeveer 47 % wanneer daar wel rekening mee wordt gehouden. Het klimaatdoelstellingsplan voor 2030 voorziet daarom in een reeks maatregelen die in alle sectoren van de economie moeten worden genomen, en in herzieningen van de belangrijkste wetgevingsinstrumenten om die aangescherpte ambitie te bereiken.

(6)Energie-efficiëntie is een belangrijk actieterrein dat onontbeerlijk is om de economie van de Unie volledig koolstofvrij te maken 50 . Het huidige energie-efficiëntiebeleid van de Unie is een gevolg van de noodzaak om kosteneffectieve energiebesparingsmogelijkheden te benutten. In december 2018 werd als onderdeel van het pakket “Schone energie voor alle Europeanen” een nieuw kerndoel inzake het energie-efficiëntiestreefcijfer van de Unie voor 2030 van ten minste 32,5 % vastgesteld (in vergelijking met het verwachte energieverbruik in 2030).

(7)Uit de effectbeoordeling bij het klimaatdoelstellingsplan is gebleken dat, om de aangescherpte klimaatambitie te verwezenlijken, de energie-efficiëntie aanzienlijk moet worden verbeterd ten opzichte van het huidige ambitieniveau van 32,5 %.

(8)De som van de nationale bijdragen die de lidstaten in hun nationale energie- en klimaatplannen (NECP’s) hebben meegedeeld, blijft achter bij het ambitieniveau van de Unie van 32,5 %. Alles bij elkaar zouden de bijdragen leiden tot een vermindering van het eindenergieverbruik met 29,4 % en van het primaire energieverbruik met 29,7 % ten opzichte van de prognoses van het referentiescenario uit 2007 voor 2030. Dit zou voor de EU-27 in het totaal leiden tot een tekort van 2,8 procentpunten voor primair energieverbruik en 3,1 procentpunten voor eindenergieverbruik.

(9)Hoewel er in alle sectoren potentieel nog veel energie kan worden bespaard, vormen het vervoer en het gebouwenbestand een bijzondere uitdaging. De vervoerssector is namelijk goed voor meer dan 30 % van het eindenergieverbruik, en 75 % van het gebouwenbestand in de Unie presteert slecht op energiegebied. Een andere sector die steeds belangrijker wordt, is die van de informatie- en communicatietechnologie (ICT), die verantwoordelijk is voor 5 tot 9 % van het totale elektriciteitsverbruik wereldwijd en voor meer dan 2 % van alle emissies. In 2018 waren datacentra goed voor 2,7 % van de vraag naar elektriciteit in de EU-28 51 . In dat verband wordt in de digitale strategie van de Unie 52 de nadruk gelegd op de noodzaak van zeer energie-efficiënte en duurzame datacentra en transparantiemaatregelen voor telecomexploitanten met betrekking tot hun ecologische voetafdruk. Voorts moet rekening worden gehouden met de mogelijke toename van de energievraag van de industrie als gevolg van de decarbonisatie, met name voor energie-intensieve processen.

(10)Het hogere ambitieniveau vereist een sterkere bevordering van kosteneffectieve energie-efficiëntiemaatregelen op alle gebieden van het energiesysteem en in alle relevante sectoren waar activiteiten van invloed zijn op de vraag naar energie, zoals vervoer, water en landbouw. Het verbeteren van de energie-efficiëntie in de hele energieketen, met inbegrip van opwekking, transmissie, distributie en eindgebruik van energie, zal gunstig zijn voor het milieu, de luchtkwaliteit en de volksgezondheid verbeteren, de broeikasgasemissies doen afnemen, de voorzieningszekerheid verbeteren, de energiekosten voor huishoudens en ondernemingen doen dalen, helpen de energiearmoede te verminderen, en leiden tot meer concurrentievermogen, meer werkgelegenheid en een grotere economische activiteit in de gehele economie, en bijgevolg de levenskwaliteit van de burgers verbeteren. Dit ligt in lijn met de verbintenissen die de Unie is aangegaan in het kader van de energie-unie en de mondiale klimaatagenda die is vastgesteld bij de Overeenkomst van Parijs van 2015.


 2018/2002 overweging 1

Matiging van de energievraag is een van de vijf dimensies van de strategie voor de energie-unie, die is vastgesteld in de mededeling van de Commissie van 25 februari 2015 met als titel „Een kaderstrategie voor een schokbestendige energie-unie met een toekomstgericht beleid inzake klimaatverandering”. Het verbeteren van de energie-efficiëntie in de hele energieketen, met inbegrip van opwekking, transmissie, distributie en eindgebruik van energie, zal gunstig zijn voor het milieu, de luchtkwaliteit en de volksgezondheid verbeteren, de broeikasgasemissies doen afnemen, de voorzieningszekerheid verbeteren door de afhankelijkheid van de invoer van energie van buiten de Unie te doen afnemen, de energiekosten voor huishoudens en ondernemingen doen dalen, helpen de energiearmoede te verminderen, en leiden tot meer concurrentievermogen, meer werkgelegenheid en een grotere economische activiteit in de gehele economie, en bijgevolg de levenskwaliteit van de burgers verbeteren. Dit ligt in de lijn van de toezeggingen die de Unie heeft gedaan in het kader van de energie-unie en de mondiale klimaatagenda die is vastgesteld in de Overeenkomst van Parijs inzake klimaatverandering van 2015 ingevolge de 21e Conferentie van de Partijen bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering 53 („de Overeenkomst van Parijs”), waarbij de ondertekenaars zich ertoe verbinden om de gemiddelde mondiale temperatuurstijging ruim onder 2 °C ten opzichte van het pre-industriële niveau te houden en om de inspanningen om de temperatuurstijging te beperken tot 1,5 °C boven het pre-industriële niveau, voort te zetten.


 2018/2002 overweging 2 (aangepast)

 nieuw

(11) Met deze richtlijn  Richtlijn 2012/27/EU van het Europees Parlement en de Raad 54  is een stap   wordt een stap gezet   op weg naar de verwezenlijking van de energie-unie  klimaatneutraliteit in 2050 , waarbij energie-efficiëntie moet worden beschouwd als een op zichzelf staande energiebron. In alle sectoren, ook buiten het energiesysteem,  Bij het vaststellen van nieuwe regels voor de aanbodzijde en andere beleidsdomeinen moet op alle niveaus, ook in de financiële sector, als overkoepelend beginsel  rekening worden gehouden met het beginsel “voorrang voor energie-efficiëntie eerst”.  Bij het vaststellen van nieuwe regels voor de aanbodzijde en andere beleidsdomeinen moeten energie-efficiënte oplossingen als eerste optie worden beschouwd wanneer beslissingen worden genomen op het vlak van beleid, planning en investeringen. Hoewel het beginsel “energie-efficiëntie eerst” moet worden toegepast onverminderd andere wettelijke verplichtingen, doelstellingen en beginselen, mogen deze de toepassing ervan niet in de weg staan of voorzien in de vrijstelling ervan.  De Commissie moet ervoor zorgen dat energie-efficiëntie en vraagsturing onder gelijke voorwaarden kunnen concurreren met productiecapaciteit. Telkens wanneer er besluiten met betrekking tot de planning van het energiesysteem of tot de financiering ervan worden genomen, moet rekening worden gehouden met energie-efficiëntie. Energie-efficiëntieverbeteringen moeten worden gerealiseerd wanneer deze kosteneffectiever zijn dan gelijkwaardige oplossingen aan de aanbodzijde. Dit  moet   zou moeten helpen om de vele voordelen van energie-efficiëntie voor de samenleving van de Unie te benutten, met name voor de burgers en de bedrijven.  Het toepassen van maatregelen ter verbetering van de energie-efficiëntie moet ook een prioriteit zijn bij het terugdringen van energiearmoede. 


 2018/2002 overweging 3

 nieuw

(12)Energie-efficiëntie moet worden erkend als centraal element en prioritaire factor in toekomstige besluitvorming over investeringen in de Europese energie-infrastructuur.  Bij de toepassing van het beginsel “energie-efficiëntie eerst” moet in de eerste plaats rekening worden gehouden met de systeemefficiëntiebenadering en met het maatschappelijke perspectief. Op die manier moet het beginsel bijdragen tot een grotere efficiëntie van afzonderlijke eindgebruikerssectoren en van het gehele energiesysteem. De toepassing van het beginsel moet ook investeringen in energie-efficiënte oplossingen ondersteunen die bijdragen tot de milieudoelstellingen van Verordening (EU) 2020/852 van het Europees Parlement en de Raad 55


 nieuw

(13)Het beginsel “energie-efficiëntie eerst” is gedefinieerd in Verordening (EU) 2018/1999 van het Europees Parlement en de Raad 56 en vormt de kern van de strategie voor een geïntegreerd energiesysteem 57 . Hoewel het beginsel gebaseerd is op kosteneffectiviteit, heeft de toepassing ervan bredere implicaties, die afhankelijk van de omstandigheden kunnen variëren. De Commissie heeft specifieke richtsnoeren voor de toepassing van het beginsel opgesteld waarin specifieke instrumenten en voorbeelden worden aangedragen voor de toepassing ervan in verschillende sectoren. De Commissie heeft ook een aanbeveling tot de lidstaten gericht waarin zij voortbouwt op de vereisten van deze richtlijn en vraagt om specifieke maatregelen met betrekking tot de toepassing van het beginsel.

(14)Het beginsel “energie-efficiëntie eerst” zal pas impact hebben wanneer het consequent door de besluitvormers wordt toegepast in alle relevante beleids-, plannings- en grote investeringsbesluiten — dat wil zeggen grootschalige investeringen met een waarde van meer dan 50 miljoen EUR per jaar of 75 miljoen EUR voor vervoersinfrastructuurprojecten — die gevolgen hebben voor het energieverbruik of de energievoorziening. Voor een correcte toepassing van het beginsel moet de juiste methode voor een kosten-batenanalyse worden gebruikt, moeten de randvoorwaarden voor energie-efficiënte oplossingen worden geschapen en moet er naar behoren toezicht worden gehouden. Flexibiliteit aan de vraagzijde kan consumenten en de samenleving in het algemeen aanzienlijke voordelen opleveren, en kan de efficiëntie van het energiesysteem verhogen en de energiekosten verlagen, bijvoorbeeld door de exploitatiekosten van het systeem te verlagen, wat leidt tot lagere consumententarieven. De lidstaten moeten bij de toepassing van het beginsel “energie-efficiëntie eerst” rekening houden met de potentiële voordelen van flexibiliteit aan de vraagzijde, en in voorkomend geval vraagrespons, energieopslag en slimme oplossingen in overweging nemen in het kader van hun inspanningen om de efficiëntie van het geïntegreerde energiesysteem te verhogen.

(15)Het beginsel “energie-efficiëntie eerst” moet altijd evenredig worden toegepast en de voorschriften van deze richtlijn mogen geen overlappende of tegenstrijdige verplichtingen voor de lidstaten inhouden, wanneer de toepassing van het beginsel rechtstreeks door andere wetgeving wordt gewaarborgd. Dit kan het geval zijn voor de projecten van gemeenschappelijk belang die zijn opgenomen in de Unielijst overeenkomstig [artikel 3 van de herziene TEN-E-verordening], waarin is bepaald dat het beginsel “energie-efficiëntie eerst” in aanmerking moet worden genomen bij de ontwikkeling en beoordeling van die projecten.

(16)Een eerlijke transitie naar een klimaatneutrale Unie tegen 2050 staat centraal in de Europese Green Deal. Energiearmoede is een belangrijk concept dat is vastgelegd in het wetgevingspakket “Schone energie voor alle Europeanen” en dat bedoeld is om een rechtvaardige energietransitie te versnellen. Overeenkomstig Verordening (EU) 2018/1999 en Richtlijn (EU) 2019/944 van het Europees Parlement en de Raad 58 heeft de Commissie indicatieve richtsnoeren verstrekt met passende indicatoren voor het meten van energiearmoede en de definitie van een “aanzienlijk aantal huishoudens dat kampt met energiearmoede” 59 .Krachtens Richtlijn (EU) 2019/944 en Richtlijn 2009/73/EG van het Europees Parlement en de Raad 60 moeten de lidstaten passende maatregelen nemen om energiearmoede aan te pakken waar deze wordt vastgesteld, met inbegrip van maatregelen om de bredere context van armoede aan te pakken.

(17)Huishoudens met een laag of gemiddeld inkomen, kwetsbare afnemers, met inbegrip van eindgebruikers, mensen die geconfronteerd worden met energiearmoede of risico daarop lopen, en mensen die in sociale woningen wonen, moeten profiteren van de toepassing van het beginsel “energie-efficiëntie eerst”. Energie-efficiëntiemaatregelen moeten prioritair ten uitvoer worden gelegd om de situatie van die mensen en huishoudens te verbeteren of om energiearmoede terug te dringen. Voor een alomvattende aanpak van de beleidsvorming en de uitvoering van beleidsinitiatieven en maatregelen moeten de lidstaten ervoor zorgen dat andere beleidsinitiatieven en maatregelen geen negatieve gevolgen hebben voor die mensen en huishoudens.

(18)Deze richtlijn maakt deel uit van een breder beleidskader voor energie-efficiëntiebeleid waarmee het potentieel voor energie-efficiëntie op specifieke beleidsterreinen wordt aangepakt, onder meer op het gebied van gebouwen (Richtlijn 2010/31/EG 61 ), producten (Richtlijn 2009/125/EG, Verordening (EU) 2017/1369 en Verordening (EU) 2020/740 62 ) en het governancemechanisme (Verordening (EU) 2018/1999). Deze beleidslijnen spelen een belangrijke rol bij het besparen van energie op het moment dat producten worden vervangen of gebouwen worden gebouwd of gerenoveerd 63 .


 2018/2002 overweging 4

 nieuw

(19)Om een ambitieuzes energie-efficiëntiedoelstellingstreefcijfer te verwezenlijken, moeten obstakels uit de weg worden geruimd, teneinde investeringen in energie-efficiëntiemaatregelen te stimuleren.  In het kader van het LIFE-subprogramma voor de transitie naar schone energie zullen middelen worden vrijgemaakt voor de ontwikkeling van Europese beste praktijken inzake de implementatie van energie-efficiëntiebeleid waarbij wettelijke, markt- en gedragsbelemmeringen voor energie-efficiëntie worden weggenomen.   Een eerste stap in deze richting is de verduidelijking door Eurostat, op 19 september 2017, over de boeking van energieprestatiecontracten in de nationale rekeningen, die onzekerheden wegneemt en het gebruik van dergelijke contracten vergemakkelijkt.


 2018/2002 overweging 5 (aangepast)

(20)De Europese Raad van 23 en 24 oktober 2014 heeft zich achter een streefcijfer voor energie-efficiëntie voor 2030 van 27 % op Unieniveau geschaard, dat voor 2020 wordt geëvalueerd, “waarbij een streefcijfer voor de Unie van 30 % voor ogen wordt gehouden”. In zijn resolutie van 15 december 2015 met als titel “Op weg naar een Europese energie-unie” heeft het Europees Parlement de Commissie verzocht tevens te onderzoeken of een energie-efficiëntiestreefcijfer van 40 % haalbaar is voor dezelfde periode. Het is dan ook wenselijk om over te gaan tot wijziging van richtlijn 2012/27/EU, om deze aan te passen met het oog op 2030.


 nieuw

(21)Verwacht wordt dat het energie-efficiëntiestreefcijfer van de Unie van 32,5 % voor 2030 en de andere beleidsinstrumenten van het bestaande kader leiden tot een vermindering van de broeikasgasemissies met ongeveer 45 % tegen 2030 64 . In de effectbeoordeling van het klimaatdoelplan 2030 is beoordeeld welk niveau van inspanningen op de verschillende beleidsterreinen nodig is om de aangescherpte klimaatambitie waar te maken en tegen 2030 de broeikasgasemissies met 55 % te verminderen. De conclusie luidde dat, ten opzichte van het basisscenario, het bereiken van het broeikasgasemissiestreefcijfer op een kostenoptimale manier betekende dat het eindenergieverbruik en het primaire energieverbruik respectievelijk met ten minste 36-37 % en 39-41 % moeten afnemen.

(22)Het energie-efficiëntiestreefcijfer van de Unie werd aanvankelijk vastgesteld en berekend met de in 2007 vastgestelde referentiescenarioprognoses van het voor 2030 als uitgangswaarde. De wijziging van de Eurostat-methodologie voor de berekening van de energiebalans en de verbeteringen in latere modelprognoses vragen om een wijziging van de uitgangswaarde. Op basis van dezelfde benadering voor het bepalen van het streefcijfer, dat wil zeggen door te vergelijken met de basisscenarioprognoses, wordt het niveau van het energie-efficiëntiestreefcijfer van de Unie voor 2030 afgezet tegen de in 2020 vastgestelde referentiescenarioprognoses voor 2030 die de nationale bijdragen van de NECP’s weerspiegelen. Op basis van dat herziene referentiescenario zal de Unie haar ambitieniveau inzake energie-efficiëntie moeten opkrikken met minstens 9 % in 2030 vergeleken met het niveau van de inspanningen in het in 2020 vastgestelde referentiescenario. De nieuwe manier om het ambitieniveau van de streefcijfers van de Unie uit te drukken, heeft geen gevolgen voor het daadwerkelijke niveau van de inspanningen die nodig zijn, en komt overeen met een vermindering van 36 % voor eindenergieverbruik en 39 % voor primair energieverbruik in vergelijking met de in 2007 vastgestelde referentiescenarioprognoses voor 2030.

(23)De methodologie voor de berekening van eindenergieverbruik en primair energieverbruik ligt in lijn met de nieuwe Eurostat-methodologie, maar de indicatoren die voor deze richtlijn worden gebruikt hebben een andere draagwijdte: voor het streefcijfer inzake eindenergieverbruik wordt geen rekening gehouden met omgevingswarmte, maar wel met het energieverbruik in de internationale luchtvaart. Het gebruik van nieuwe indicatoren heeft ook tot gevolg dat eventuele veranderingen van het energieverbruik van hoogovens nu alleen zichtbaar zijn in het primaire energieverbruik.


 2018/2002 overweging 6 (aangepast)

 nieuw

(24)Dat de Unie haar streefcijfers inzake energie-efficiëntie op niveau van de Unie   moet verbeteren  , moet tot uiting komen in het niveau van het   uitgedrukt in primair energieverbruik en/of eindenergieverbruik, moet halen, moet duidelijk blijken uit een streefcijfer van ten minste 32,5 % voor 2030. In 2007 opgestelde prognoses gaven voor 2030 een primair energieverbruik aan van 1887 Mtoe en een eindverbruik van 1416 Mtoe. Een reductie van 32,5 % levert voor 2020 respectievelijk 1273 Mtoe en 956 Mtoe op. Dit streefcijfer, dat van dezelfde aard is als het streefcijfer van de Unie voor 2020, moet door de Commissie worden beoordeeld zodat het uiterlijk in 2023 naar boven kan worden bijgesteld in geval van substantiële kostenverlagingen, of indien nodig om te voldoen aan de internationale verplichtingen van de Unie op het gebied van de overstap naar een koolstofarme economie.   dat in 2030 moeten worden bereikt, waarbij wordt aangegeven welke mate van aanvullende inspanningen nodig is in vergelijking met de reeds bestaande of geplande maatregelen in de nationale energie- en klimaatplannen. In het in 2020 vastgestelde referentiescenario wordt voor 2030 een eindenergieverbruik van 864 Mtoe en een primair energieverbruik van 1124 Mtoe voorspeld (rekening houdend met internationale luchtvaart, maar niet met omgevingswarmte). Een extra vermindering van 9 % levert voor 2030 respectievelijk 787 Mtoe en 1023 Mtoe op. Dit betekent dat het eindenergieverbruik in de Unie met ongeveer 23 % en het primaire energieverbruik met ongeveer 32 % moeten worden verminderd ten opzichte van het niveau van 2005.    Het perspectief voor 2020 en 2030 voorziet niet in bindende streefcijfers op het niveau van de lidstaten, en  de lidstaten moeten rekening houden met de formule in deze richtlijn wanneer zij hun bijdragen aan de verwezenlijking van het energie-efficiëntiestreefcijfer van de Unie vaststellen.   de vrijheid van Dde lidstaten  moeten vrij zijn  om hun nationale bijdragen   doelstellingen  vast te stellen op basis van primair of eindenergieverbruik, primaire of eindenergiebesparingen of energie-intensiteit moet onverkort gehandhaafd blijven.  Met deze richtlijn wordt de manier gewijzigd waarop de lidstaten hun nationale bijdragen aan het streefcijfer van de Unie moeten uitdrukken. Met het oog op consistentie en de monitoring van de voortgang moeten de bijdragen van de lidstaten aan het streefcijfer van de Unie worden uitgedrukt in primair of eindenergieverbruik.   Bij de vaststelling van hun nationale indicatieve bijdragen aan energie-efficiëntie moeten de lidstaten er rekening mee houden dat het energieverbruik van de Unie in 2030 maximaal 1273 Mtoe primaire energie en/of maximaal 956 Mtoe eindenergie mag bedragen. Dit betekent dat het primaire energieverbruik in de Unie met 26 % en het eindenergieverbruik met 20 % moeten worden verminderd ten opzichte van het niveau van 2005. De voortgang bij het realiseren van de Uniestreefcijfers voor 2030 moet overeenkomstig Verordening (EU) 2018/1999 regelmatig worden beoordeeld; Verordening (EU) 2018/1999 voorziet in een dergelijke beoordeling.


 2012/27/EU overweging 13

 nieuw

(25)Het verdient de voorkeur dat het energie-efficiëntiestreefcijfer van 20 % bereikt wordt als resultaat van de cumulatieve verwezenlijking van specifieke nationale en Europese maatregelen ter bevordering van de energie-efficiëntie in verschillende domeinen. Lidstaten moeten verplicht worden indicatieve nationale energie-efficiëntiestreefcijfers, -regelingen en -programma's op te stellen   beleidsinitiatieven en maatregelen inzake energie-efficiëntie vast te stellen  . Deze  beleidsinitiatieven en maatregelen   streefcijfers en de individuele inspanningen van elke lidstaat dienen te worden geëvalueerd door de Commissie, samen met gegevens over de gemaakte vorderingen, om na te gaan hoe waarschijnlijk het is dat het globale streefcijfer van de Unie gehaald wordt en in hoeverre de individuele inspanningen volstaan om het gemeenschappelijke doel te bereiken. Daarom moet de Commissie de uitvoering van nationale energie-efficiëntieprogramma's van nabij volgen via het herziene wetgevingskader en binnen het Europa 2020-proces. Bij het vaststellen van de nationale energie-efficiëntiestreefcijfers moeten de lidstaten rekening kunnen houden met nationale omstandigheden die het primaire energieverbruik beïnvloeden, zoals het resterende kostenefficiënte energiebesparingspotentieel, de wijzigingen in energie-invoer en -uitvoer, de ontwikkeling van alle soorten hernieuwbare energie, kernenergie, het afvangen en opslaan van kooldioxide en vroegtijdige maatregelen. Bij het opstellen van modelberekeningen dient de Commissie tijdig en op transparante wijze de lidstaten te raadplegen over de in de modellen te gebruiken aannamen en ontwerpmodelresultaten. Een betere modellering van de impact van energie-efficiëntiemaatregelen en van de inventaris en prestatie van technologieën is noodzakelijk.


 2012/27/EU overweging 14 (aangepast)

Volgens Richtlijn 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen 65 zijn Cyprus en Malta vanwege hun insulaire en perifere karakter afhankelijk van de luchtvaart als transportmodus, die essentieel is voor hun burgers en economie. Derhalve is het bruto eindverbruik van energie van Cyprus en Malta in het nationale luchtvervoer onevenredig hoog, zijnde meer dan drie maal het communautaire gemiddelde in 2005, en worden zij dus onevenredig getroffen door de huidige beperkingen op het gebied van technologie en regelgeving.


 2012/27/EU overweging 15

 nieuw

(26)Het totale volume van de overheidsuitgaven is gelijk aan 19 % van het bruto binnenlands product van de Unie.   De openbare sector is goed voor ongeveer 5 tot 10 % van het totale eindenergieverbruik van de Unie. Overheidsinstanties geven jaarlijks ongeveer 1,8 biljoen EUR uit. Dat is zowat 14 % van het bbp van de Unie.  Daarom is de overheidssector een belangrijke motor om de markt om te buigen naar efficiëntere producten, gebouwen en diensten, en om een gedragsverandering op het vlak van energieverbruik teweeg te brengen bij burgers en bedrijven. Als het energieverbruik daalt dankzij maatregelen die de energie-efficiëntie verbeteren, kunnen er bovendien overheidsmiddelen vrijkomen voor andere doeleinden. Overheidsinstanties op nationaal, regionaal en lokaal niveau moeten een voorbeeldfunctie vervullen met betrekking tot energie-efficiëntie.


 2012/27/EU overweging 16 (aangepast)

Aangezien in de conclusies van de Europese Raad van 10 juni 2011 over het energie-efficiëntieplan 2011 wordt benadrukt dat gebouwen goed zijn voor 40 % van het eindenergieverbruik van de Unie, moeten de lidstaten, om de groei- en werkgelegenheidskansen te benutten die worden geboden in de ambachtsnijverheid en de bouwsector, alsook bij de productie van bouwproducten en in het architectuur-, consultancy- en engineeringbedrijf, een langetermijnstrategie uitstippelen die verder reikt dan 2020, en die erop gericht is te investeren in de renovatie van woningen en bedrijfsgebouwen, ter verbetering van de energieprestaties van het gebouwenbestand. Volgens die strategie moeten kosteneffectieve, ingrijpende renovaties worden uitgevoerd, bestaande in een opknapbeurt waarbij zowel de geleverde energie als het eindenergieverbruik van een gebouw met een aanzienlijk percentage wordt verminderd ten opzichte van de niveaus van voor de renovatie, en aldus een zeer hoge energieprestatie wordt bereikt. Dergelijke ingrijpende renovaties kunnen ook in fases worden uitgevoerd.


 nieuw

(27)Om het goede voorbeeld te geven, moet de openbare sector eigen decarbonisatie- en energie-efficiëntiedoelen stellen. De verbeteringen van de energie-efficiëntie in de openbare sector moeten in lijn liggen met de inspanningen die nodig zijn op Unieniveau. Om het streefcijfer voor eindenergieverbruik te halen, moet de Unie haar eindenergieverbruik tegen 2030 met 19 % verminderen ten opzichte van het gemiddelde eindenergieverbruik in de jaren 2017, 2018 en 2019. Een verplichte jaarlijkse vermindering van het energieverbruik in de openbare sector met minstens 1,7 % moet garanderen dat de openbare sector het goede voorbeeld geeft. De lidstaten behouden volledige flexibiliteit wat betreft de maatregelen ter verbetering van de energie-efficiëntie om het eindenergieverbruik te verminderen. Een jaarlijkse vermindering van het eindenergieverbruik eisen, brengt minder administratieve lasten met zich mee dan meetmethoden voor energiebesparingen vaststellen.

(28)Om aan hun verplichting te voldoen, moeten de lidstaten zich richten op het eindenergieverbruik van alle openbare diensten en installaties van overheidsinstanties. Om te bepalen welke adressaten binnen het toepassingsgebied vallen, moeten de lidstaten de definitie van aanbestedende diensten in Richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad 66 gebruiken. Aan deze verplichting kan worden voldaan door het eindenergieverbruik in alle mogelijke overheidssectoren terug te dringen, met inbegrip van vervoer, openbare gebouwen, gezondheidszorg, ruimtelijke ordening, waterbeheer en afvalwaterzuivering, riolering en waterzuivering, afvalbeheer, stadsverwarming en -koeling, energiedistributie, -levering en -opslag, openbare verlichting en infrastructuurplanning. Om de administratieve lasten voor overheidsinstanties te verminderen, moeten de lidstaten digitale platforms of instrumenten opzetten om de geaggregeerde verbruiksgegevens van overheidsinstanties te verzamelen, openbaar te maken en aan de Commissie te rapporteren.

(29)De lidstaten moeten een voorbeeldfunctie vervullen door ervoor te zorgen dat alle energieprestatiecontracten en energiebeheersystemen in de overheidssector worden uitgevoerd in overeenstemming met Europese of internationale normen, of dat energie-audits grotendeels worden uitgevoerd in de intensieve energieverbruikende delen van de overheidssector.

(30)Overheden worden aangemoedigd om steun te verkrijgen van entiteiten zoals agentschappen voor duurzame energie die, waar van toepassing, op regionaal of lokaal niveau zijn opgericht. De organisatie van deze agentschappen weerspiegelt gewoonlijk de individuele behoeften van overheidsinstanties in een bepaalde regio of van overheidsinstanties die actief zijn in een bepaald gebied van de openbare sector. Gecentraliseerde agentschappen kunnen beter in de behoeften voorzien en doeltreffender werken in andere opzichten, bijvoorbeeld in kleinere of gecentraliseerde lidstaten of met betrekking tot complexe of regio-overschrijdende aspecten zoals stadsverwarming en -koeling. Agentschappen voor duurzame energie kunnen fungeren als centrale aanspreekpunten in de zin van artikel 21. Deze agentschappen zijn vaak verantwoordelijk voor de ontwikkeling van lokale of regionale decarbonisatieplannen, die ook andere decarbonisatiemaatregelen kunnen omvatten, zoals de vervanging van verwarmingsketels op fossiele brandstoffen, en voor het ondersteunen van overheidsinstanties bij de uitvoering van energiegerelateerde beleidsmaatregelen. Agentschappen voor duurzame energie of andere entiteiten die regionale en lokale overheden bijstaan, kunnen duidelijke bevoegdheden, doelstellingen en middelen op het gebied van duurzame energie hebben. Agentschappen voor duurzame energie zouden kunnen worden aangemoedigd om initiatieven die zijn genomen in het kader van het Burgemeestersconvenant, dat lokale overheden samenbrengt die zich vrijwillig inzetten voor de tenuitvoerlegging van de klimaat- en energiedoelstellingen van de Unie, alsook andere bestaande initiatieven voor dit doel te overwegen. De decarbonisatieplannen moeten worden gekoppeld aan territoriale ontwikkelingsplannen en rekening houden met de uitgebreide beoordeling die de lidstaten moeten uitvoeren.

(31)(31)    De lidstaten moeten overheidsinstanties ondersteunen bij het plannen en uitvoeren van maatregelen ter verbetering van de energie-efficiëntie, ook op regionaal en lokaal niveau, door richtsnoeren te verstrekken ter bevordering van competentieontwikkelings- en opleidingsmogelijkheden en door samenwerking tussen overheidsinstanties, ook tussen agentschappen, aan te moedigen. Daartoe kunnen de lidstaten nationale kenniscentra oprichten voor complexe kwesties, zoals het adviseren van lokale of regionale energieagentschappen over stadsverwarming of -koeling.


 2012/27/EU overweging 17 (aangepast)

 nieuw

(32)Het renovatietempo in de bouw moet worden verhoogd, aangezien het bestaande gebouwenbestand de grootste potentiële sector voor energiebesparingen vormt.   Gebouwen en vervoer zijn, naast de industrie, de grootste energieverbruikers en de belangrijkste emissiebronnen 67 . Gebouwen zijn goed voor ongeveer 40 % van het totale energieverbruik van de Unie en voor 36 % van haar broeikasgasemissies uit energie 68 . In de mededeling van de Commissie “Renovatiegolf” 69 wordt ingegaan op de tweeledige uitdaging van energie- en hulpbronnenefficiëntie en betaalbaarheid ervan in de bouwsector en wordt ernaar gestreefd het renovatietempo te verdubbelen. De mededeling focust op de slechtst presterende gebouwen, energiearmoede en openbare gebouwen.  Bovendien zijn gebouwen van cruciaal belang om de Uniedoelstelling te halen die erin bestaat de broeikasgasemissies in 2050  klimaatneutraliteit te bereiken   met 80-95 % te verminderen ten opzichte van 1990. Gebouwen die eigendom zijn van de overheid vormen een aanzienlijk aandeel van het gebouwenbestand en zijn erg zichtbaar in het openbare leven. Het is dan ook passend om een jaarlijks renovatietempo te bepalen voor gebouwen die eigendom zijn van en gebruikt worden door de centrale overheid  overheidsinstanties op het grondgebied van een lidstaat, teneinde hun energieprestaties te verbeteren.  De lidstaten wordt verzocht een hoger renovatietempo vast te stellen wanneer dit kosteneffectief is voor de renovatie van hun gebouwenbestand in het kader van hun langetermijnrenovatiestrategieën of nationale renovatieprogramma’s.   Dit  Dat renovatietempo mag geen afbreuk doen aan de verplichtingen met betrekking tot bijna-energieneutrale gebouwen  (“BENG”)  , vastgelegd in Richtlijn 2010/31/EU van het Europees Parlement en de Raad van 19 mei 2010 betreffende de energieprestaties van gebouwen 70 .  Bij de volgende herziening van Richtlijn 2010/31/EU moet de Commissie beoordelen welke vooruitgang de lidstaten hebben geboekt met de renovatie van gebouwen van overheidsinstanties. De Commissie moet overwegen om een wetgevingsvoorstel in te dienen ter herziening van het renovatietempo, rekening houdend met de door de lidstaten geboekte vooruitgang, substantiële economische of technische ontwikkelingen, of waar nodig met de toezeggingen van de Unie inzake decarbonisatie en nulverontreiniging.  De uit deze richtlijn voortvloeiende verplichting om gebouwen van de centrale overheid   overheidsinstanties  te renoveren, is een aanvulling op die richtlijn, die de lidstaten ertoe verplicht ervoor te zorgen dat, wanneer bestaande gebouwen een ingrijpende renovatie ondergaan, de energieprestaties ervan worden verbeterd, zodat zij voldoen aan de minimumeisen inzake energieprestaties   BENG-vereisten  . De lidstaten dienen de mogelijkheid te hebben om alternatieve kostenefficiënte maatregelen te nemen teneinde een gelijkwaardige verbetering te bereiken van de energieprestaties van de gebouwen die tot het gebouwenbestand van de centrale overheid behoren. De verplichting om vloeroppervlakte van de gebouwen van de centrale overheid te renoveren geldt voor de bestuursinstellingen waarvan de bevoegdheid zich over het gehele grondgebied van een lidstaat uitstrekt. Als er in een lidstaat voor een bepaalde bevoegdheid geen bestuursdepartement bestaat dat bevoegd is voor het gehele grondgebied, geldt die verplichting voor de departementen waarvan de bevoegdheden gezamenlijk zich over het gehele grondgebied uitstrekken.


 nieuw

(33)Om het renovatietempo vast te stellen, moeten de lidstaten een overzicht hebben van de gebouwen die het BENG-niveau niet halen. Daarom moeten de lidstaten een inventaris van openbare gebouwen publiceren en actueel houden als onderdeel van een algemene databank van energieprestatiecertificaten. Deze inventaris moet ook particuliere actoren, waaronder energiedienstenbedrijven, in staat stellen renovatieoplossingen voor te stellen en de inventarissen van de lidstaten kunnen worden geaggregeerd door de waarnemingspost voor het gebouwenbestand van de Unie.


 2012/27/EU overweging 18

 nieuw

(34)  In 2020 woonde meer dan de helft van de wereldbevolking in stedelijke gebieden. Verwacht wordt dat dit cijfer tegen 2050 zal stijgen tot 68 % 71 . Bovendien moet de helft van de stedelijke infrastructuur van 2050 nog worden gebouwd 72 . Steden en grootstedelijke gebieden zijn centra van economische activiteit, kennisvergaring, innovatie en nieuwe technologieën. Steden beïnvloeden de levenskwaliteit van de burgers die er wonen of werken. De lidstaten moeten gemeenten technisch en financieel ondersteunen. Een aantal gemeenten en andere overheidsinstanties in de lidstaten hebben al geïntegreerde benaderingen voor energiebesparing en -voorziening doorgevoerd, bijvoorbeeld middels actieplannen voor duurzame energie, zoals degene die ontwikkeld werden onder het initiatief “Burgemeestersconvenant”, evenals geïntegreerde stedelijke benaderingen die verder gaan dan individuele interventies in gebouwen of vervoerwijzen.


 2012/27/EU overweging 19

 nieuw

(35)Wat de aankoop van bepaalde producten en diensten en de aankoop en verhuur van gebouwen betreft, moeten centrale overheden   aanbestedende diensten en aanbestedende instanties  die openbare contracten voor leveringen, werken of diensten sluiten, het goede voorbeeld geven en energie-efficiënte aankoopbeslissingen nemen  en het beginsel “energie-efficiëntie eerst” toepassen, ook voor overheidsopdrachten en concessies met betrekking waartoe bijlage IV niet in specifieke vereisten voorziet  . Dit moet gelden voor de bestuursdepartementen die voor het gehele grondgebied van een lidstaat bevoegd zijn. Als er in een lidstaat voor een bepaalde bevoegdheid geen bestuursdepartement bestaat dat bevoegd is voor het gehele grondgebied, geldt die verplichting voor de departementen waarvan de bevoegdheden gezamenlijk zich over het gehele grondgebied uitstrekken. De bepalingen van de uniale richtlijnen inzake overheidsopdrachten mogen evenwel niet in het gedrang komen.  De lidstaten moeten belemmeringen voor gezamenlijke aanbestedingen binnen een lidstaat of over de grenzen heen wegnemen indien hierdoor de kosten kunnen worden gedrukt en de voordelen van de interne markt kunnen worden vergroot door zakelijke kansen voor leveranciers en aanbieders van energiediensten te creëren. 


 nieuw

(36)Alle overheidsinstanties die via aanbestedingen openbare middelen investeren, moeten bij de gunning van opdrachten en concessies het goede voorbeeld geven door producten, diensten en gebouwen met de hoogste energie-efficiëntieprestaties te kiezen, ook met betrekking tot aanbestedingen waarvoor geen specifieke eisen uit hoofde van Richtlijn 2009/30/EG gelden. In dat verband moet bij alle procedures voor de gunning van overheidsopdrachten en concessies met een waarde boven de drempelwaarden die zijn vastgesteld in de artikelen 6 en 7 van Richtlijn 2014/23/EU van het Europees Parlement en de Raad 73 , artikel 2, lid 1, van Richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad 74 en de artikelen 3 en 4 van Richtlijn 2014/25/EU van het Europees Parlement en de Raad, rekening worden gehouden met de energie-efficiëntieprestaties van de producten, gebouwen en diensten die zijn vastgesteld in het Unierecht of het nationale recht, door in de aanbestedingsprocedures het beginsel “energie-efficiëntie eerst” als prioriteit te beschouwen.

(37)Het is ook belangrijk dat de lidstaten toezicht houden op de wijze waarop aanbestedende diensten en aanbestedende instanties bij de aankoop van producten, gebouwen, werken en diensten rekening houden met de energie-efficiëntievereisten, door ervoor te zorgen dat met betrekking tot de gekozen inschrijvingen die de in de richtlijnen inzake overheidsopdrachten vermelde drempels overschrijden, informatie over de gevolgen voor de energie-efficiëntie openbaar wordt gemaakt. Zo kunnen belanghebbenden en burgers op transparante wijze beoordelen welke rol de openbare sector speelt bij het waarborgen van energie-efficiëntie bij overheidsopdrachten.

(38)De Europese Green Deal erkent dat de circulaire economie bijdraagt aan de algemene decarbonisatiedoelstellingen van de Unie. De overheidssector kan aan deze doelstellingen bijdragen door, waar passend, milieuvriendelijke producten, gebouwen, diensten en werken aan te schaffen via beschikbare instrumenten voor groene overheidsopdrachten, en op die manier een belangrijke bijdrage leveren aan de vermindering van het energieverbruik en de gevolgen voor het milieu.

(39)Het is belangrijk dat de lidstaten overheidsinstanties de nodige ondersteuning bieden bij het toepassen van energie-efficiëntievereisten bij overheidsopdrachten en, in voorkomend geval, het gebruik van groene overheidsopdrachten, door de nodige richtsnoeren en methodologieën te verstrekken voor de beoordeling van levenscycluskosten en milieueffecten en -kosten. Goed ontworpen instrumenten, met name digitale instrumenten, zullen naar verwachting de aanbestedingsprocedures vergemakkelijken en de administratieve lasten verminderen, met name in kleinere lidstaten die wellicht niet over voldoende capaciteit beschikken om aanbestedingen voor te bereiden. In dit verband moeten de lidstaten het gebruik van digitale instrumenten en de samenwerking tussen aanbestedende diensten, ook over de grenzen heen, actief bevorderen om ervoor te zorgen dat beste praktijken worden uitgewisseld.

(40)Aangezien gebouwen zowel voor als na hun operationele levensduur broeikasgassen uitstoten, moeten de lidstaten ook rekening houden met de hele levenscyclus van koolstofemissies van gebouwen. Dit maakt deel uit van de inspanningen om meer aandacht te besteden aan de prestaties gedurende de gehele levenscyclus, aspecten van de circulaire economie en milieueffecten, waarbij de openbare sector een voorbeeldfunctie vervult. Overheidsopdrachten kunnen dus een kans bieden om de in gebouwen opgenomen koolstof gedurende hun levenscyclus aan te pakken. In dit verband zijn aanbestedende diensten belangrijke spelers die in het kader van aanbestedingsprocedures een verschil kunnen maken door nieuwe gebouwen aan te kopen waarmee het aardopwarmingsvermogen gedurende de hele levenscyclus wordt aangepakt.

(41)Met het aardopwarmingsvermogen gedurende de volledige levenscyclus worden de broeikasgasemissies gemeten die verband houden met het gebouw in verschillende stadia van de levenscyclus ervan. De totale bijdrage van het gebouw aan emissies die tot klimaatverandering leiden, wordt gemeten. Dit wordt soms de beoordeling van de koolstofvoetafdruk (“carbon footprint assessment”) of de meting van de koolstof tijdens de volledige levensduur (“whole life carbon measurement”) genoemd. Er wordt gekeken naar zowel koolstofemissies die verband houden met de bouwmaterialen als directe en indirecte koolstofemissies uit de gebruiksfase. Gebouwen zijn belangrijke materiaalbanken, opslagplaatsen waar koolstofintensieve hulpbronnen decennialang worden bewaard, en daarom is het belangrijk om aandacht te besteden aan ontwerpen die toekomstig hergebruik en recycling aan het eind van de operationele levensduur vergemakkelijken.

(42)Het aardopwarmingsvermogen wordt uitgedrukt als numerieke indicator voor elke levenscyclusfase, uitgedrukt in kgCO2e/m² (van de bruikbare binnenvloeroppervlakte), gemiddeld voor één jaar van een referentiestudieperiode van 50 jaar. De gegevensselectie, scenariobepaling en berekeningen worden verricht overeenkomstig norm EN 15978. De te beoordelen onderdelen van het gebouw en technische uitrusting zijn gedefinieerd in het gemeenschappelijke EU-kader Level(s) voor indicator 1.2. Wanneer er een nationaal berekeningsinstrument bestaat of voorgeschreven is voor het verschaffen van informatie of voor het verkrijgen van bouwvergunningen, moet het dat nationale instrument kunnen worden gebruikt voor de vereiste informatieverstrekking. Andere berekeningsinstrumenten moeten kunnen worden gebruikt als deze voldoen aan de minimumcriteria die zijn vastgesteld in het gemeenschappelijke EU-kader Level(s).


 2012/27/EU overweging 20 (aangepast)

Uit een beoordeling van de mogelijkheid om een systeem van witcertificaten in te stellen op het niveau van de Unie is gebleken dat een dergelijk systeem in de huidige omstandigheden tot te hoge administratieve kosten zou leiden en dat het risico bestaat dat de energiebesparingen in een aantal lidstaten zouden zijn geconcentreerd en geen ingang zouden vinden in de gehele Unie. De doelstelling van een dergelijk systeem op uniaal niveau zou, in dit stadium althans, beter kunnen worden bereikt aan de hand van nationale regelingen inzake energie-efficiëntieverplichtingen voor nutsbedrijven of andere alternatieve beleidsmaatregelen waarmee dezelfde hoeveelheid energiebesparingen worden bereikt. Gezien de ambities van dergelijke regelingen, dienen zij te worden opgesteld binnen een gemeenschappelijk kader op Unieniveau, maar dienen zij de lidstaten voldoende flexibiliteit te bieden om ten volle rekening te houden met de nationale organisatie van de marktdeelnemers, de specifieke context van de energiesector en de gewoonten van de eindafnemers. Het gemeenschappelijke kader moet energienutsbedrijven de mogelijkheid bieden energiediensten aan te bieden aan alle eindafnemers, niet alleen aan de afnemers aan wie zij energie verkopen. Dit verhoogt de concurrentie op de energiemarkt omdat energienutsbedrijven hun product kunnen differentiëren door aanvullende energiediensten aan te bieden. Het gemeenschappelijke kader moet de lidstaten in staat stellen in hun nationale regeling vereisten met een sociaal oogmerk op te nemen, met name om ervoor te zorgen dat kwetsbare klanten toegang hebben tot de voordelen van hogere energie-efficiëntie. De lidstaten dienen op basis van objectieve en niet-discriminerende criteria te bepalen welke energiedistributeurs of detailhandelaars in energie moeten worden verplicht om het in deze richtlijn vastgelegde streefcijfer voor energiebesparingen op het niveau van de eindafnemer te behalen.

De lidstaten moeten met name de keuze krijgen deze verplichting niet op te leggen aan kleine energiedistributeurs, kleine detailhandelaars in energie en kleine energieverbruikers, teneinde al te grote administratieve lasten te vermijden. De mededeling van de Commissie van 25 juni 2008 legt de beginselen vast die in acht moeten worden genomen door lidstaten die beslissen deze mogelijkheid niet toe te passen. Teneinde nationale initiatieven voor energie-efficiëntie te steunen, kunnen aan verplichtingen gebonden partijen in het kader van de nationale regelingen voor energie-efficiëntieverplichtingen aan hun verplichtingen voldoen door jaarlijks in een nationaal fonds voor energie-efficiëntie een bedrag te storten dat gelijk is aan de investeringen die bij de regeling zijn vereist.


 2012/27/EU overweging 21 (aangepast)

Omwille van de overkoepelende verplichting om de overheidsfinanciën weer houdbaar te maken en de begrotingen te consolideren, moet bij de uitvoering van bijzondere maatregelen in het kader van deze richtlijn terdege aandacht worden geschonken aan de kosteneffectiviteit op lidstaatniveau van het uitvoeren van energie-efficiëntiemaatregelen, op basis van voldoende analyse en evaluatie.


 2012/27/EU overweging 22 (aangepast)

De vereiste om besparingen van de jaarlijkse energieverkoop aan eindafnemers te bereiken in vergelijking met wat de energieverkoop zou hebben opgebracht, vormt geen bovengrens voor de verkoop of het energieverbruik. De lidstaten dienen de mogelijkheid hebben om de verkoop van de energie of van een deel ervan, per volume, die gebruikt wordt voor de industriële activiteiten die vermeld zijn in bijlage I bij Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap 75 , buiten de berekening te houden van de energieverkoop aan eindafnemers, omdat erkend wordt dat bepaalde bedrijfstakken of deeltakken binnen deze activiteiten blootgesteld kunnen zijn aan een aanzienlijk CO2-weglekrisico. De lidstaten dienen zich bewust te zijn van de kosten van de regelingen om de kosten van de maatregelen nauwkeurig te kunnen berekenen.


 2012/27/EU overweging 23 (aangepast)

Onverminderd het bepaalde in artikel 7, mag elke lidstaat, ten einde de administratie te beperken, de verschillende beleidsmaatregelen voor de toepassing van dat artikel combineren tot één globaal nationaal energie-efficiëntieprogramma.


 2018/2002 overweging 7 (aangepast)

 nieuw

(43)  Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad 76 is van toepassing op installaties die bijdragen aan de energieproductie of het energieverbruik voor productiedoeleinden, en informatie over de energie die in de installatie wordt gebruikt of door de installatie wordt gegenereerd moet worden opgenomen in aanvragen voor geïntegreerde vergunningen (artikel 12, lid 1, punt b)). Bovendien wordt in artikel 11 van die richtlijn gespecificeerd dat het doelmatige gebruik van energie een algemeen beginsel van de fundamentele verplichtingen van de exploitant is en is in bijlage III bij die richtlijn bepaald dat het een van de criteria is voor de bepaling van de beste beschikbare technieken. De operationele efficiëntie van energiesystemen op enig tijdstip wordt beïnvloed door het vermogen om stroom die afkomstig is van verschillende bronnen, met een verschillende mate van inertie- en opstarttijd, vlot en flexibel aan het net te leveren; het verbeteren van deze efficiëntie zal een beter gebruik van hernieuwbare energie mogelijk maken.


 2018/2002 overweging 8

(44)Een verbeterde energie-efficiëntie kan bijdragen tot een hogere economische output. De lidstaten en de Unie moeten ernaar streven het energieverbruik te doen dalen ongeacht het niveau van economische groei.


 2018/2002 overweging 10 (aangepast)

 nieuw

(45)In het licht van het klimaat- en energiekader voor 2030 moet Dde verplichting inzake energiebesparing waarin  deze   rRichtlijn 2012/27/EU voorziet,  moet worden aangescherpt en   worden verlengd tot na   ook gelden na   2020   2030  . Deze verlenging zal zorgen voor meer   Dit zorgt voor  stabiliteit voor investeerders en zou derhalve bevorderlijk zijn voor investeringen en maatregelen voor energie-efficiëntie op lange termijn, zoals de grondige renovatie van gebouwen, met als doel op de lange termijn de kostenefficiënte transformatie van bestaande gebouwen tot BEN-gebouwen te faciliteren. De verplichting tot energiebesparing heeft een belangrijke rol gespeeld bij het creëren van plaatselijke groei, en banen  en concurrentievermogen, alsook bij het terugdringen van energiearmoede.     Deze verplichting   en moet worden gehandhaafd, zodat ervoor zorgen dat de Unie haar energie- en klimaatdoelstellingen kan halen door nog meer mogelijkheden te creëren en het verband tussen energieverbruik en groei te verbreken. Samenwerking met de particuliere sector is belangrijk om te beoordelen onder welke voorwaarden toegang kan worden verkregen tot particuliere investeringen voor energie-efficiëntieprojecten en om nieuwe inkomstenmodellen te ontwikkelen voor innovatie op het gebied van energie-efficiëntie.


 2018/2002 overweging 11

(46)Maatregelen voor de verbetering van de energie-efficiëntie hebben ook een positief effect op de luchtkwaliteit aangezien energie-efficiëntere gebouwen helpen de vraag naar verwarmingsbrandstoffen, ookwaaronder vaste verwarmingsbrandstoffen, te doen dalen. Energie-efficiëntiemaatregelen dragen derhalve bij tot de verbetering van de luchtkwaliteit binnen en buiten, en helpen de doelstellingen van het luchtkwaliteitsbeleid van de Unie, zoals met name vastgesteld in Richtlijn (EU) 2016/2284 van het Europees Parlement en de Raad 77 , op een kostenefficiënte wijze te verwezenlijken.


 2018/2002 overweging 12 (aangepast)

 nieuw

(47)De lidstaten moeten voor de volledige verplichtingsperiode 2021 tot en met 2030 een cumulatieve besparing op het eindverbruik van energie verwezenlijken die gelijk staat aan een nieuwe jaarlijkse besparing ten belope van minstens 0,8 % van het eindenergieverbruik  tot en met 31 december 2023 en van minstens 1,5 % vanaf 1 januari 2024  . Aan deze verplichting kan worden voldaan door middel van nieuwe beleidsmaatregelen die tijdens de nieuwe verplichtingsperiode van 1 januari 2021 tot en met 31 december 2030 worden vastgesteld, of door middel van nieuwe individuele energiebesparende afzonderlijke acties die gebaseerd zijn op vóór of tijdens de vorige periode vastgestelde beleidsmaatregelen, mits de individuele afzonderlijke acties die aanzetten tot energiebesparingen tijdens de  volgende   nieuwe periode worden zijn ingevoerd. Hiertoe moeten de lidstaten gebruik kunnen maken van een verplichtingsregeling inzake energie-efficiëntie, van alternatieve beleidsmaatregelen, of van een combinatie van beide. Om de lidstaten flexibiliteit te bieden bij het berekenen van hun hoeveelheid energiebesparingen, moeten zij bovendien meerdere opties krijgen, onder meer of de in het vervoerswezen verbruikte energie, geheel of gedeeltelijk, in de berekeningsgrondslag moet worden meegenomen, zolang zij de vereiste cumulatieve besparing op het eindverbruik van energie die gelijk staat aan nieuwe jaarlijkse besparingen van ten minste 0,8 % maar verwezenlijken.


 2018/2002 overweging 13 (aangepast)

 nieuw

(48)Het zou evenwel onevenredig zijn een dergelijke verplichting op te leggen aan Cyprus en Malta. De energiemarkten van die kleine eilandstaten vertonen immers specifieke kenmerken die het scala van beschikbare maatregelen om aan de energiebesparingsverplichting te voldoen, aanzienlijk beperken, zoals de aanwezigheid van slechts één elektriciteitsdistributeur, de afwezigheid van aardgasnetwerken en van stadsverwarmings- en koelingssystemen, alsook de kleine omvang van aardoliedistributiebedrijven. Die specifieke kenmerken komen nog duidelijker tot uitdrukking door de kleine omvang van de energiemarkten van die lidstaten. Daarom mag   Voor de periode 2021 tot 31 december 2023 dient  van Cyprus en Malta slechts te worden geëist worden dat zij  slechts  in de periode van 2021 tot en met 2030 een cumulatieve besparing op het eindverbruik van energie verwezenlijken die gelijk staat aan nieuwe besparingen van 0,24 % van het eindenergieverbruik.  Dit afzonderlijke besparingspercentage dient vanaf 1 januari 2024 niet langer van kracht te zijn. 


 2018/2002 overweging 14

 nieuw

(49)Als de lidstaten gebruikmaken van een verplichtingsregeling moeten zij, aan de hand van objectieve en niet-discriminerende criteria, onder de  transmissiesysteembeheerders,  energiedistributeurs, detailhandelaars in energie en distributeurs of detailhandelaars van vervoersbrandstof de aan verplichtingen gebonden partijen aanwijzen. Het non-discriminatiebeginsel mag er niet aan in de weg staanWanneer dat bepaalde van die categorieën distributeurs of detailhandelaars worden aangewezen als aan verplichtingen gebonden partijen, of ter zake een vrijstelling genieten, mag dat niet onverenigbaar met het non-discriminatiebeginsel worden geacht. Daarom mogen de lidstaten bepalen of al deze  transmissiesysteembeheerders,  distributeurs of detailhandelaren worden aangewezen als aan verplichtingen gebonden partijen, of dat uitsluitend bepaalde categorieën van hen als zodanig worden aangewezen.  Teneinde de positie van kwetsbare afnemers, mensen die in energiearmoede leven en mensen die in sociale woningen wonen, te versterken en te beschermen, en teneinde beleidsmaatregelen prioritair uit te voeren ten gunste van deze mensen, kunnen de lidstaten eisen dat aan verplichtingen gebonden partijen energiebesparingen realiseren bij kwetsbare afnemers, mensen die in energiearmoede leven en mensen die in sociale woningen wonen. Daartoe kunnen de lidstaten ook streefcijfers voor de verlaging van de energiekosten vaststellen. Aan verplichtingen gebonden partijen zouden deze streefcijfers kunnen halen door maatregelen te bevorderen die leiden tot energiebesparingen en lagere energiefacturen, zoals isolatie- en verwarmingsmaatregelen. 


 nieuw

(50)Wanneer de lidstaten beleidsmaatregelen ontwerpen om aan de energiebesparingsverplichting te voldoen, moeten zij de klimaat- en milieunormen en -prioriteiten van de Unie in acht nemen en voldoen aan het beginsel “geen ernstige afbreuk doen” in de zin van Verordening (EU) 2020/852 78 . De lidstaten mogen geen activiteiten bevorderen die vanuit milieuoogpunt niet duurzaam zijn, zoals het gebruik van vaste fossiele brandstoffen. De energiebesparingsverplichting is erop gericht de respons op de klimaatverandering te versterken door de lidstaten stimulansen te bieden om een duurzame en schone beleidsmix ten uitvoer te leggen, die veerkrachtig is en de klimaatverandering beperkt. Bijgevolg zullen energiebesparingen als gevolg van beleidsmaatregelen met betrekking tot het gebruik van directe verbranding van fossiele brandstoffen vanaf de omzetting van deze richtlijn niet in aanmerking komen als energiebesparingen in het kader van de energiebesparingsverplichting. Zo zal de energiebesparingsverplichting kunnen worden afgestemd op de doelstellingen van de Europese Green Deal, het klimaatdoelstellingsplan en de renovatiegolfstrategie, en op de behoefte aan maatregelen die het IEA in zijn verslag over netto nuluitstoot heeft vastgesteld 79 . Met deze beperking worden de lidstaten aangemoedigd overheidsgeld uitsluitend te besteden aan toekomstbestendige, duurzame technologieën. Het is belangrijk dat de lidstaten marktdeelnemers een duidelijk beleidskader en investeringszekerheid bieden. De toepassing van de berekeningsmethode in het kader van de energiebesparingsverplichting moet alle marktdeelnemers in staat stellen hun technologieën binnen een redelijke termijn aan te passen. Wanneer de lidstaten de invoering van efficiënte fossielebrandstoftechnologieën of de vroegtijdige vervanging van dergelijke technologie ondersteunen, bijvoorbeeld via subsidieregelingen of verplichtingsregelingen voor energie-efficiëntie, komen energiebesparingen mogelijk niet langer in aanmerking voor de energiebesparingsverplichting. Hoewel energiebesparingen die bijvoorbeeld voortvloeien uit de bevordering van op aardgas gebaseerde warmtekrachtkoppeling niet in aanmerking zouden komen, zou de beperking niet gelden voor het indirecte gebruik van fossiele brandstoffen, bijvoorbeeld wanneer voor de elektriciteitsproductie onder meer fossiele brandstoffen worden gebruikt. Beleidsmaatregelen die gericht zijn op gedragsveranderingen om het verbruik van fossiele brandstoffen te verminderen, bijvoorbeeld door middel van voorlichtingscampagnes over milieubewust rijden, moeten in aanmerking blijven komen. Energiebesparingen die voortvloeien uit beleidsmaatregelen die gericht zijn op de renovatie van gebouwen, kunnen maatregelen omvatten zoals de vervanging van verwarmingssystemen op fossiele brandstoffen in combinatie met verbeteringen van de bouwschil, die beperkt moeten blijven tot technologieën die het mogelijk maken de vereiste energiebesparingen te realiseren overeenkomstig de in een lidstaat vastgestelde nationale bouwvoorschriften. Niettemin moeten de lidstaten de verbetering van verwarmingssystemen in het kader van grondige renovaties bevorderen in overeenstemming met de langetermijndoelstelling van koolstofneutraliteit, namelijk het verminderen van de vraag naar verwarming en het dekken van de resterende vraag naar verwarming met een koolstofvrije energiebron.


 2018/2002 overweging 15 (aangepast)

 nieuw

(51)Maatregelen van lidstaten ter verbetering van de energie-efficiëntie in de vervoerssector kunnen in voorkomend geval worden meegerekend voor het vervullen van hun verplichting inzake besparingen op het eindverbruik van energie. Deze maatregelen kunnen de vorm aannemen van specifiek beleid onder andere ter bevordering van efficiëntere voertuigen, van de omschakeling naar vervoer per fiets, te voet en met het openbaar vervoer, of van mobiliteit en ruimtelijke ordening die de vraag naar vervoer verminderen. Ook in aanmerking kunnen komen regelingen die de ingebruikname van nieuwe, efficiëntere voertuigen versnellen, alsmede beleid ter bevordering van de overgang naar beter presterende brandstoffen  met verminderde emissieniveaus, met uitzondering van beleidsmaatregelen met betrekking tot het gebruik van directe verbranding van fossiele brandstoffen,  die het energieverbruik per kilometer verminderen, mits voldaan is aan de regels inzake materieel belang en additionaliteit die zijn vastgelegd in bijlage V van bij deze rRichtlijn 2012/27/EU.   Beleidsmaatregelen ter bevordering van het gebruik van nieuwe voertuigen op fossiele brandstof dienen niet in aanmerking te komen als energiebesparingen in het kader van de energiebesparingsverplichting.   Dergelijke regelingen moeten voor zover nodig in samenhang zijn met de nationale beleidskaders van de lidstaten die worden opgesteld op basis van Richtlijn 2014/94/EU van het Europees Parlement en de Raad 80 .


 2018/2002 overweging 16 (aangepast)

(52)Maatregelen die worden genomen door de lidstaten in het kader van de Verordening (EU) 2018/842 van het Europees Parlement en de Raad 81 inzake verdeling van de inspanningen en die verifieerbare, en meetbare of schatbare, energie-efficiëntieverbeteringen opleveren, zijn een kosteneffectieve manier voor de lidstaten om hun energiebesparingsverplichtingen uit hoofde van Richtlijn 2012/27/EU, zoals gewijzigd bij deze richtlijn, na te komen.


 2018/2002 overweging 17 (aangepast)

 nieuw

(53)In het kader van verplichtingsregelingen dient het voor de lidstaten mogelijk te zijn, als alternatief voor de eis dat de aan verplichtingen gebonden partijen de op grond van artikel 87, lid 1, van Richtlijn 2012/27/EU, zoals gewijzigd bij deze richtlijn, vereiste cumulatieve besparing op het eindverbruik van energie behalen, deze partijen toe te staan of te verplichten om bij te dragen aan een nationaal fonds voor energie-efficiëntie  dat zou kunnen worden gebruikt om beleidsmaatregelen prioritair uit te voeren ten gunste van kwetsbare afnemers, mensen die in energiearmoede leven en mensen die in sociale woningen wonen. 


 2018/2002 overweging 18 (aangepast)

 nieuw

(54)Onverminderd de artikelen 4 en 5 zoals ingevoerd bij deze richtlijn, moeten dDe lidstaten en de aan verplichtingen gebonden partijen moeten alle beschikbare middelen en technologieën aanwenden  , met uitzondering van technologieën voor de directe verbranding van fossiele brandstoffen,  die nodig zijn voor het halen van de vereiste cumulatieve besparing op het eindverbruik van energie, onder meer in de vorm van bevordering van duurzame technologie in efficiënte stadsverwarmings- en -koelingssystemen, efficiënte verwarmings- en koelingsinfrastructuur, energie-audits of vergelijkbare energiebeheersystemen, mits de geclaimde energiebesparingen voldoen aan de vereisten van artikel 8 van7 en bijlage V van Richtlijn 2012/27/EU, zoals gewijzigd bij deze richtlijn. De lidstaten moeten een hoge mate van flexibiliteit nastreven bij het ontwerpen en uitvoeren van alternatieve beleidsmaatregelen.  De lidstaten moeten maatregelen aanmoedigen die gedurende de lange levensduur tot energiebesparingen leiden. 


 2018/2002 overweging 19

(55)Maatregelen voor energie-efficiëntie op lange termijn zullen energiebesparingen blijven opleveren na 2020, maar om bij te dragen aan het streefcijfer van de Unie inzake energie-efficiëntie voor 2030 moeten die maatregelen nieuwe besparingen opleveren na 2020. Anderzijds mogen energiebesparingen die na 31 december 2020 zijn gerealiseerd, niet worden meegeteld bij de berekening van de cumulatieve besparing op het eindverbruik die vereist is voor de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2020.


 2018/2002 overweging 20

 nieuw

(56)De nieuwe besparingen moeten een aanvulling vormen op het basisscenario, zodat besparingen die toch al zouden plaatsvinden, niet moeten worden meegeteld bij de berekening of er is voldaan aan de vereisten inzake energiebesparing. Om het effect van maatregelen te berekenen, moeten alleen nettobesparingen, gemeten als de rechtstreeks aan de betreffende  , voor de toepassing van artikel 8 van deze richtlijn uitgevoerde  energie-efficiëntiemaatregel toe te schrijven wijziging van het energieverbruik, worden meegerekend. Voor de berekening van nettobesparingen moeten de lidstaten een basisscenario opstellen dat weergeeft hoe de situatie zonder de maatregel zou evolueren. De betrokken beleidsmaatregel dient te worden afgezet tegen dit basisscenario. De lidstaten  moeten rekening houden met minimumvereisten in het betrokken wetgevingskader op Unieniveau en  moeten er rekening mee houden dat in dezelfde periode andere beleidsmaatregelen kunnen worden genomen die ook invloed op de hoeveelheid energiebesparingen kunnen hebben, en dat bijgevolg niet alle veranderingen sinds de invoering van een bepaalde beleidsmaatregel alleen aan die beleidsmaatregel toe te schrijven zijn. De acties van de aan verplichtingen gebonden, deelnemende of met de uitvoering belaste partij moeten daadwerkelijk bijdragen tot de verwezenlijking van de geclaimde besparingen om aan de eis van een reële prestatie te voldoen.


 2018/2002 overweging 21

 nieuw

(57)Het is belangrijk om in de berekening van de energiebesparingen alle stappen in de energieketen in beschouwing te nemen, voor zover die relevant zijn om het energiebesparingspotentieel in de transmissie en distributie van elektriciteit te vergroten.  Uit studies en de raadplegingen van belanghebbenden is gebleken dat er een aanzienlijk potentieel is. De fysieke en economische omstandigheden verschillen echter sterk van lidstaat tot lidstaat, en vaak ook binnen verschillende lidstaten, en het aantal systeembeheerders is groot. Deze omstandigheden vragen om een gedecentraliseerde aanpak op grond van het subsidiariteitsbeginsel. De nationale reguleringsinstanties beschikken over de nodige kennis, wettelijke bevoegdheden en bestuurlijke capaciteit om de ontwikkeling van een energie-efficiënt elektriciteitsnet te bevorderen. Entiteiten zoals het Europees netwerk van transmissiesysteembeheerders voor elektriciteit (ENTSB-E) en de Europese entiteit van distributiesysteembeheerders (EU-DSB-entiteit) kunnen ook nuttige bijdragen leveren en moeten hun leden ondersteunen bij het nemen van energie-efficiëntiemaatregelen. 


 nieuw

(58)Soortgelijke overwegingen gelden voor het zeer grote aantal aardgassysteembeheerders. De rol van aardgas en de leverings- en dekkingsgraad van het grondgebied lopen sterk uiteen tussen de lidstaten. In die gevallen verkeren de nationale reguleringsinstanties in de beste positie om de ontwikkeling van het systeem in de richting van meer efficiëntie te monitoren en te sturen, en entiteiten zoals het Europees netwerk van transmissiesysteembeheerders voor gas (ENTSB-G) kunnen nuttige bijdragen leveren en moeten hun leden ondersteunen bij het nemen van energie-efficiëntiemaatregelen.


 2018/2002 overweging 22

 nieuw

(59)Doeltreffend waterbeheer kan een grote bijdrage leveren aan energiebesparingen. De sectoren water en afvalwater zijn verantwoordelijk voor 3,5 % van het elektriciteitsverbruik in de Unie en dit percentage zal naar verwachting verder stijgen. Tegelijkertijd maken waterlekken 24 % uit van het totale waterverbruik in de Unie en is de energiesector met 44 % van het verbruik de grootste waterverbruiker. De mogelijkheden om energiebesparingen tot stand te brengen met behulp van slimme technologieën en processen, moeten volledig in kaart worden gebracht  en worden toegepast wanneer dit kosteneffectief is, en het beginsel “energie-efficiëntie eerst” moet in overweging worden genomen. Bovendien kunnen geavanceerde irrigatietechnologieën het waterverbruik in de landbouw en de energie die wordt gebruikt voor behandeling en vervoer aanzienlijk verminderen  .


 2018/2002 overweging 23 (aangepast)

 nieuw

(60)Overeenkomstig artikel 9 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, moet het beleid van de Unie op het gebied van energie-efficiëntie inclusief zijn en dus ook garanderen dat  alle  consumenten die te kampen hebben met energiearmoede,  gelijke  toegang krijgen tot maatregelen inzake energie-efficiëntie. De verbetering van de energie-efficiëntie van gebouwen zal met name voordelen opleveren voor   Verbeteringen inzake energie-efficiëntie dienen prioritair uitgevoerd te worden ten gunste van  kwetsbare huishoudens   afnemers en eindgebruikers  , waaronder huishoudens   mensen  die te kampen hebben met energiearmoede, en  , waar passend, ten gunste van huishoudens met een middelhoog inkomen en   voor degenen   mensen  die in sociale huisvesting wonen  , oudere mensen en mensen die in landelijke en afgelegen gebieden wonen. In dit verband dient bijzondere aandacht te worden besteed aan specifieke groepen die een groter risico op energiearmoede lopen of gevoeliger zijn voor de negatieve effecten van energiearmoede, zoals vrouwen, personen met een beperking, oudere mensen, kinderen, en personen die tot een raciale of etnische minderheid behoren.  Wat energiearmoede betreft, kunnen de lidstaten van aan verplichtingen gebonden partijen reeds verlangen dat zij sociale doelstellingen opnemen in hun energiebesparende maatregelen, en deze mogelijkheid moet worden   werd reeds uitgebreid tot alternatieve beleidsmaatregelen en tot nationale fondsen voor energie-efficiëntie. , en   Dat moet  worden omgezet in een verplichting  om kwetsbare afnemers en eindgebruikers te beschermen en slagvaardiger te maken en energiearmoede terug te dringen  , waarbij de lidstaten volledige flexibiliteit behouden ten aanzien van  het type beleidsmaatregel en  de omvang, reikwijdte en inhoud ervan van dergelijke maatregelen. Als een verplichtingsregeling inzake energie-efficiëntie geen maatregelen met betrekking tot individuele energieverbruikers toestaat, kan de lidstaat uitsluitend via alternatieve beleidsmaatregelen uit hoofde van Richtlijn 2012/27/EU, zoals gewijzigd bij deze richtlijn, stappen nemen om energiearmoede te verminderen.  De lidstaten moeten er binnen hun beleidsmix voor zorgen dat andere beleidsmaatregelen geen negatief effect hebben op kwetsbare afnemers, eindgebruikers, mensen die te kampen hebben met energiearmoede en, indien van toepassing, mensen die in sociale woningen wonen. De lidstaten moeten optimaal gebruikmaken van openbare investeringen in maatregelen ter verbetering van de energie-efficiëntie, met inbegrip van financiering en financiële faciliteiten die op het niveau van de Unie zijn opgezet. 


 nieuw

(61)In deze richtlijn is het begrip kwetsbare afnemers opgenomen, dat de lidstaten overeenkomstig Richtlijn (EU) 2019/944 moeten definiëren. Overeenkomstig Richtlijn 2012/27/EU verduidelijkt het begrip “eindgebruiker” naast het begrip “eindafnemer” dat het recht op facturerings- en verbruiksinformatie ook van toepassing is op consumenten zonder individuele of rechtstreekse overeenkomsten met de leverancier van energie die wordt gebruikt voor collectieve verwarmings-, koelings- of warmwaterproductiesystemen in appartementsgebouwen en multifunctionele gebouwen. Het begrip kwetsbare afnemer garandeert niet noodzakelijkerwijs dat maatregelen op eindgebruikers betrekking hebben. Om ervoor te zorgen dat de in deze richtlijn vervatte maatregelen alle personen en huishoudens bereiken die zich in een kwetsbare situatie bevinden, moeten de lidstaten daarom niet alleen afnemers in strikte zin, maar ook eindgebruikers betrekken bij hun definitie van kwetsbare afnemers.


 2018/2002 overweging 24

 nieuw

(62)Ongeveer 50   34  miljoen huishoudens in de Unie kampen met energiearmoede   konden in 2019 hun woning onvoldoende verwarmen 82   .  De Europese Green Deal geeft prioriteit aan de sociale dimensie van de transitie doordat het beginsel wordt onderschreven dat niemand aan zijn lot wordt overgelaten. De groene transitie, waaronder de schone transitie, raakt mannen en vrouwen op een andere manier en kan een bijzonder impact hebben op bepaalde kansarme groepen, waaronder mensen met een beperking.  Energie-efficiëntiemaatregelen moeten daarom centraal staan in alle kosteneffectieve strategieën ter bestrijding van energiearmoede en consumentenkwetsbaarheid, en een aanvulling vormen op het socialezekerheidsbeleid op het niveau van de lidstaten. Om te waarborgen dat energie-efficiëntiemaatregelen de energiearmoede van huurders op duurzame wijze verminderen, moet rekening worden gehouden met de kosteneffectiviteit van dergelijke maatregelen en met de mate van betaalbaarheid voor vastgoedeigenaars en huurders, en moet op het niveau van de lidstaten worden gezorgd voor passende financiële  en technische  ondersteuning voor die maatregelen.  De lidstaten moeten het lokaal en regionaal niveau helpen om energiearmoede in kaart te brengen en te verhelpen.  Het huidige gebouwenbestand in de Unie moet op de lange termijn in BEN-gebouwen worden omgezet, overeenkomstig de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs. Het huidige renovatietempo volstaat niet en de gebouwen die bewoond worden door burgers met een laag inkomen die in energiearmoede leven, zijn het moeilijkst aan te pakken. De in Richtlijn 2012/27/EU, zoals gewijzigd bij deze richtlijn, vervatte maatregelen met betrekking tot verplichte energiebesparingen, verplichte energie-efficiëntieregelingen en alternatieve beleidsmaatregelen zijn daarom bijzonder belangrijk.


 2012/27/EU overweging 24

 nieuw

(63)Om het energiebesparingspotentieel te benutten in bepaalde marktsegmenten waarin energie-audits in het algemeen niet commercieel worden aangeboden (zoals kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's)), dienen de lidstaten programma's uit te werken die de kmo's aanmoedigen om energie-audits te laten uitvoeren. Regelmatige energie-audits moeten verplicht zijn voor grote ondernemingen, aangezien de energiebesparingen daar aanzienlijk kunnen zijn. Bij energie-audits dienen de toepasselijke Europese en internationale normen, zoals EN ISO 50001 (energiebeheerssystemen), of pr EN 16247-1 (energie-audits) of — als zij ook een energie-audit omvatten — EN ISO 14000 (milieubeheerssystemen) in acht te worden genomen; zij moeten bijgevolg ook in overeenstemming zijn met de bepalingen van bijlage VI bij deze richtlijn, omdat deze bepalingen binnen het bestek van die toepasselijke normen vallen.  Momenteel wordt een specifieke Europese norm inzake energie-audits ontwikkeld. Energie-audits kunnen op zichzelf worden uitgevoerd of deel uitmaken van een breder milieubeheersysteem of een energieprestatiecontract. In al deze gevallen moeten dergelijke systemen voldoen aan de minimumeisen van bijlage VI. Bovendien kunnen specifieke mechanismen en regelingen die zijn vastgesteld om de emissies en het brandstofverbruik van bepaalde vervoersexploitanten te monitoren, bijvoorbeeld in het kader van de EU-wetgeving inzake het EU-emissiehandelssysteem, verenigbaar worden geacht met energie-audits, onder meer in energiebeheersystemen, als zij voldoen aan de minimumeisen van bijlage VI.   


 nieuw

(64)Het gemiddelde verbruik van de onderneming moet als criterium dienen om de toepassing van energiebeheersystemen en energie-audits te bepalen, teneinde de gevoeligheid van deze mechanismen bij het identificeren van relevante mogelijkheden voor kosteneffectieve energiebesparingen te vergroten. Ondernemingen die onder de voor energiebeheersystemen en energie-audits vastgestelde verbruiksdrempels vallen, moeten worden aangemoedigd om energie-audits te ondergaan en de daaruit voortvloeiende aanbevelingen uit te voeren.


 2012/27/EU overweging 25

(65)Indien energie-audits worden uitgevoerd door inhouse interne deskundigen, is het, met het oog op de noodzakelijke onafhankelijkheid, vereist dat zij niet direct bij de gecontroleerde activiteit zijn betrokken.


 nieuw

(66)De informatie- en communicatietechnologiesector (ICT-sector) is een andere belangrijke sector die steeds meer aandacht krijgt. In 2018 bedroeg het energieverbruik van datacentra in de EU 76,8 TWh. Dit zal naar verwachting stijgen tot 98,5 TWh in 2030, een stijging met 28 %. Deze stijging in absolute termen kan ook in relatieve termen worden gezien: in de EU waren de datacentra in 2018 goed voor 2,7 % van de vraag naar elektriciteit, terwijl dat met huidige stijging in 2030 zal uitkomen op 3,21 % 83 . In de Europese digitale strategie is reeds de nadruk gelegd op de noodzaak van zeer energie-efficiënte en duurzame datacentra en wordt er opgeroepen tot transparantiemaatregelen voor telecomexploitanten met betrekking tot hun ecologische voetafdruk. Om duurzame ontwikkeling in de ICT-sector, en met name van datacentra, te bevorderen, moeten de lidstaten gegevens verzamelen en publiceren die relevant zijn voor de energieprestatie en de watervoetafdruk van datacentra. De lidstaten moeten alleen gegevens verzamelen en publiceren over datacentra met een significante voetafdruk, waarbij passende ontwerp- of efficiëntiemaatregelen voor respectievelijk nieuwe of bestaande installaties kunnen leiden tot een aanzienlijke vermindering van het energie- en waterverbruik of tot hergebruik van afvalwarmte in nabijgelegen installaties en warmtenetten. Op basis van die verzamelde gegevens kan een duurzaamheidsindicator aan het datacentrum worden toegekend.

(67)De duurzaamheidsindicatoren van datacentra kunnen worden gebruikt om vier basisdimensies van een duurzaam datacentrum te meten, namelijk hoe efficiënt energie wordt gebruikt, hoeveel van die energie afkomstig is uit hernieuwbare energiebronnen, de mate waarin zelf geproduceerde afvalwarmte wordt hergebruikt en het gebruik van zoet water. De duurzaamheidsindicatoren van de datacentra moeten het bewustzijn vergroten bij eigenaars en exploitanten van datacentra, fabrikanten van apparatuur, ontwikkelaars van software en diensten, gebruikers van datacentrumdiensten op alle niveaus, en entiteiten en organisaties die cloud- en datacentrumdiensten uitrollen, gebruiken of aanschaffen. Deze indicatoren moet ook vertrouwen geven in werkelijke verbeteringen als gevolg van inspanningen en maatregelen om de duurzaamheid in nieuwe of bestaande datacentra te vergroten. Ten slotte moeten de duurzaamheidsindicatoren worden gebruikt als basis voor transparante en empirisch onderbouwde planning en besluitvorming. Het gebruik van duurzaamheidsindicatoren voor datacentra moet facultatief zijn voor de lidstaten. Het gebruik van duurzaamheidsindicatoren voor datacentra moet facultatief zijn voor de lidstaten.


 2018/2002 overweging 25

 nieuw

(68)Om tot lagere uitgaven inzake energie te komen moeten consumenten hulp krijgen om hun energieverbruik te verminderen door middel van het reduceren van de energiebehoefte van gebouwen, en de verbetering van de efficiëntie van toestellen, die moet worden gecombineerd met de beschikbaarheid van in het openbaar vervoer geïntegreerde energiezuinige vervoerswijzen en fietsen. De lidstaten moeten ook overwegen de connectiviteit in landelijke en afgelegen gebieden te verbeteren.


 2018/2002 overweging 26

 nieuw

(69)Het is van essentieel belang om alle burgers van de Unie bewust te maken over de voordelen van grotere energie-efficiëntie en accurate informatie te verstrekken over de wijze waarop deze kan worden bereikt. Burgers van alle leeftijden moeten ook bij de energietransitie worden betrokken via het Europees klimaatpact en de Conferentie over de toekomst van Europa. Grotere energie-efficiëntie is ook zeer belangrijk voor de voorzieningszekerheid van de Unie omdat dit haar minder afhankelijk maakt van de invoer van brandstoffen uit derde landen.


 2018/2002 overweging 27

(70)De kosten en baten van alle energie-efficiëntiemaatregelen, waaronder ook de terugverdienperiodes, moeten volledig transparant worden gemaakt voor de consument.


 2018/2002 overweging 28 (aangepast)

(71)Bij de uitvoering van Richtlijn 2012/27/EU, zoals gewijzigd bij deze richtlijn, en het nemen van andere maatregelen op het gebied van energie-efficiëntie dienen de lidstaten speciale aandacht te besteden aan synergiën tussen energie-efficiëntiemaatregelen en het efficiënte gebruik van natuurlijke hulpbronnen volgens de beginselen van de circulaire economie.


 2018/2002 overweging 29

(72)De lidstaten moeten profiteren van nieuwe bedrijfsmodellen en technologieën en ernaar streven de aanwending van energie-efficiëntiemaatregelen te bevorderen en te faciliteren, onder meer door middel van innovatieve energiediensten voor grote en kleine afnemers.


 2018/2002 overweging 30 (aangepast)

(73)In het kader van de maatregelen die zijn uiteengezet in de mededeling van de Commissie van 15 juli 2015 met als titel „Een” new deal „voor energieconsumenten”, in de context van de energie-unie en de EU-strategie betreffende verwarming en koeling, moeten de minimumrechten van de consument op accurate, betrouwbare, duidelijke en tijdige informatie over hun energieverbruik worden aangescherpt. De artikelen 9, 10 en 11 van Richtlijn 2012/27/EU en bijlage VII daarbij moeten dan ook worden gewijzigd om te zorgen   Er moet worden gezorgd  voor frequente en betere feedback over energieverbruik, indien dit, rekening houdend met de beschikbare meetapparatuur, technisch haalbaar en kostenefficiënt is. Deze richtlijn verduidelijkt dat de vraag of individuele bemetering kostenefficiënt is, afhangt van de vraag of de daaraan verbonden kosten in verhouding staan tot de potentiële energiebesparingen. Om te beoordelen of individuele bemetering kostenefficiënt is, kunnen de gevolgen van andere concrete, geplande maatregelen in een bepaald gebouw, bijvoorbeeld een aanstaande renovatie, in aanmerking worden genomen.


 2018/2002 overweging 31 (aangepast)

(74)Deze richtlijn verduidelijkt tevens dat de rechten in verband met facturering en facturerings- of verbruiksinformatie ook gelden voor consumenten van uit een centrale bron geleverde verwarming, koeling of warm water voor huishoudelijk gebruik, ook al hebben zij geen rechtstreekse, individuele contractuele relatie met een energieleverancier. Het is mogelijk dat de definitie van de term „eindafnemer” uitsluitend wordt verstaan als een verwijzing naar natuurlijke of rechtspersonen die energie aankopen op basis van een rechtstreekse, individuele overeenkomst met een energieleverancier. Voor de toepassing van de desbetreffende bepalingen moet daarom de term „eindgebruiker” worden geïntroduceerd om naar een bredere groep consumenten te verwijzen en deze term moet, naast eindafnemers die verwarming, koeling of warm water voor huishoudelijk gebruik voor eigen eindgebruik aankopen, tevens bewoners van afzonderlijke gebouwen of van afzonderlijke eenheden van appartementsgebouwen of multifunctionele gebouwen omvatten indien de levering aan deze eenheden vanuit een centrale bron gebeurt en de bewoners geen rechtstreekse of individuele overeenkomst met de energieleverancier hebben. Het begrip „individuele bemetering” moet betrekking hebben op het meten van het verbruik in individuele eenheden van dergelijke gebouwen.


 2018/2002 overweging 32

(75)Met het oog op de transparantie van de berekening van het individuele verbruik van thermische energie, waarmee ook de individuele bemetering wordt vergemakkelijkt, moeten de lidstaten zorgen voor transparante en openbare nationale bepalingen betreffende de verdeling van de kosten van het verbruik van verwarming, koeling en warm water voor huishoudelijk gebruik in appartementengebouwen en multifunctionele gebouwen. Naast transparantie kunnen de lidstaten overwegen maatregelen te nemen om de concurrentie bij het aanbieden van individuele bemetering te vergroten en er op die manier voor te zorgen dat de kosten die worden gedragen door eindgebruikers redelijk zijn.


 2018/2002 overweging 33 (aangepast)

(76)Uiterlijk op 25 oktober 2020 moeten Nnieuw geïnstalleerde warmtemeters en warmtekostenverdelers moeten op afstand kunnen worden uitgelezen om te zorgen voor kostenefficiënte en frequente verstrekking van informatie over het verbruik. Het is de bedoeling dat de  bepalingen van   bij deze richtlijn ingevoerde wijzigingen van Richtlijn 2012/27/EU over: de meting betreffende verwarming, koeling en warm water voor huishoudelijk gebruik; de individuele bemetering en kostenverdeling betreffende verwarming, koeling en warm water voor huishoudelijk gebruik; de verplichting inzake op afstand leesbare meters; de facturering en verbruiksinformatie betreffende verwarming, koeling en warm water voor huishoudelijk gebruik; de kosten van toegang tot informatie over meting, facturering en verbruik betreffende verwarming, koeling en warm water voor huishoudelijk gebruik; en de minimumeisen voor informatie over facturering en verbruik betreffende verwarming, koeling en warm water voor huishoudelijk gebruik alleen gelden voor uit een centrale bron geleverde verwarming, koeling of warm water voor huishoudelijk gebruik. Het staat de lidstaten vrij te bepalen of apparatuur die met draagbare of in voertuigen gemonteerde technologieën kan worden gelezen, al dan niet moet worden beschouwd als op afstand leesbaar. Voor het lezen van op afstand leesbare apparatuur is geen toegang tot afzonderlijke appartementen of eenheden nodig.


 2018/2002 overweging 34

(77)De lidstaten moeten er rekening mee houden dat de succesvolle toepassing van nieuwe technologieën om het energieverbruik te meten meer investeringen in voorlichting en vaardigheden vergt, zowel voor gebruikers als leveranciers van energie.


 2018/2002 overweging 35

(78)Factureringsinformatie en jaarlijkse financiële overzichten zijn belangrijke middelen om afnemers over hun energieverbruik te informeren. Gegevens over verbruik en kosten kunnen ook andere informatie bevatten die consumenten helpt hun huidige contract te vergelijken met dat van andere aanbieders en gebruik te maken van procedures voor klachtenafhandeling en alternatieve geschillenbeslechtingsprocedures. Aangezien geschillen over rekeningen echter een gebruikelijke bron van klachten van consumenten vormen, en een factor die bijdraagt tot permanent lage niveaus van consumententevredenheid en betrokkenheid bij hun energieleveranciers, moeten rekeningen eenvoudiger, duidelijker en begrijpelijker worden gemaakt, en moet ervoor worden gezorgd dat de afzonderlijke instrumenten, zoals factureringsinformatie, informatietools en jaarlijkse overzichten, alle informatie bevatten die nodig is om consumenten in staat te stellen hun energieverbruik te reguleren, het aanbod te vergelijken en over te stappen op een andere leverancier.


 2012/27/EU overweging 26

Bij het ontwikkelen van maatregelen ter verbetering van de energie-efficiëntie dient rekening te worden gehouden met de efficiëntiewinst en de besparingen die een wijdverbreide toepassing van kostenefficiënte technologische innovaties, zoals slimme meters, kan opleveren. Slimme meters mogen door maatschappijen niet gebruikt worden voor ongerechtvaardigde facturering achteraf.


 2012/27/EU overweging 27 (aangepast)

Wat elektriciteit betreft dient, wanneer de ingebruikname van slimme meters positief wordt beoordeeld, minimaal 80 % van de consumenten tegen 2020 te beschikken over slimme metersystemen, overeenkomstig Richtlijn 2009/72/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit 84 . Wat gas betreft dienen, wanneer de ingebruikname van slimme metersystemen positief wordt beoordeeld, de lidstaten, of een door hen aangewezen bevoegde instantie, een tijdschema op te stellen voor de invoering van slimme metersystemen, overeenkomstig Richtlijn 2009/73/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor aardgas 85 .


 2012/27/EU overweging 28 (aangepast)

Het gebruik van individuele meters of warmtekostenverdelers voor het meten van het individuele verwarmingsverbruik in gebouwen met meerdere appartementen die worden bevoorraad door het stadsverwarmingsnet of een gemeenschappelijke centrale verwarmingsbron, is nuttig indien de eindafnemers over de mogelijkheid beschikken om hun eigen individuele verbruik te controleren. De invoering ervan is derhalve alleen nuttig in gebouwen met radiatoren die voorzien zijn van een thermostatische radiatorkraan.


 2012/27/EU overweging 29 (aangepast)

In sommige gebouwen met meerdere appartementen die door het stadsverwarmingsnet of een gemeenschappelijke centrale verwarmingsbron worden bevoorraad, zou het gebruik van accurate individuele warmtemeters technisch gezien ingewikkeld en duur zijn, aangezien het warme water voor de verwarming op verschillende punten in de appartementen wordt aan- en afgevoerd. Aangenomen kan worden dat de individuele bemetering van het verwarmingsverbruik in gebouwen met meerdere appartementen, toch technisch haalbaar is indien voor de installatie van de individuele meters geen veranderingen van de bestaande warmwaterleidingen in het gebouw noodzakelijk zijn. In dergelijke gebouwen kan de berekening van het individuele verwarmingsverbruik dan worden uitgevoerd middels individuele warmtekostenverdelers die op elke radiator worden geïnstalleerd.


 2012/27/EU overweging 30 (aangepast)

Volgens Richtlijn 2006/32/EG moeten de lidstaten ervoor zorgen dat de eindafnemers tegen concurrerende prijzen de beschikking krijgen over individuele meters die hun actuele energieverbruik nauwkeurig weergeven en informatie geven over de feitelijke verbruikstijd. In de meeste gevallen is hieraan de voorwaarde verbonden dat het technisch mogelijk en financieel redelijk moet zijn en in verhouding moet staan tot de potentiële energiebesparing. In geval van een aansluiting in een nieuw gebouw of van een ingrijpende renovatie, in de zin van Richtlijn 2010/31/EU, moeten deze individuele meters echter altijd ter beschikking worden gesteld. Richtlijn 2006/32/EG vereist verder een duidelijke facturering op basis van het daadwerkelijke energieverbruik, en vaak genoeg om de consumenten in staat te stellen hun eigen energiegebruik te regelen.


 2012/27/EU overweging 31 (aangepast)

Volgens de richtlijnen 2009/72/EG en 2009/73/EG moeten de lidstaten ervoor zorgen dat intelligente meetsystemen worden toegepast, die de actieve participatie van de consument op de markt voor elektriciteits- en voor gasvoorziening in de hand werken. Met betrekking tot elektriciteit, indien de algemene invoering van slimme meters kosteneffectief wordt bevonden, moet ten minste 80 % van de consumenten uiterlijk in 2020 over intelligente meetsystemen beschikken. Met betrekking tot aardgas is er geen termijn bepaald, maar moet er wel een tijdschema worden opgesteld. Die richtlijnen schrijven tevens voor dat de eindafnemers terdege over het effectieve elektriciteitsverbruik en de kosten ervan moeten worden geïnformeerd, en tevens vaak genoeg om hun verbruik te kunnen regelen.


 2012/27/EU overweging 32 (aangepast)

De bepalingen over meting en facturering in de Richtlijnen 2006/32/EG, 2009/72/EG en 2009/73/EG hebben slechts een beperkt effect op energiebesparing gehad. Op veel plaatsen in de Unie hebben deze bepalingen er niet toe geleid dat de afnemers geactualiseerde informatie over hun energieverbruik ontvangen, of rekeningen op basis van hun daadwerkelijk verbruik volgens een frequentie die blijkens studies nodig is om hen in staat te stellen hun energieverbruik te regelen. Met betrekking tot ruimteverwarming en warm water in gebouwen met meerdere appartementen heeft het gebrek aan duidelijkheid van deze bepalingen diverse klachten van burgers opgeleverd.


 2012/27/EU overweging 33 (aangepast)

De eindafnemers moeten zich gemakkelijker toegang kunnen verschaffen tot informatie over hun gemeten en gefactureerde energieverbruik — mede gelet op de mogelijkheden die worden geboden door het gebruik van slimme metersystemen en de algemene invoering van slimme meters in de lidstaten — en daarom is het van belang dat de voorschriften van het Unierecht op dit terrein duidelijker worden gemaakt. Dit moet ertoe bijdragen dat het gebruik van slimme metersystemen, voorzien van functies die energiebesparing bevorderen, goedkoper wordt, en dat de ontwikkeling van markten voor energiediensten en vraagbeheer wordt gesteund. Slimme metersystemen maken frequente facturering op basis van het daadwerkelijke gebruik mogelijk. Ook in de gevallen echter waarin slimme meters niet voor 2020 beschikbaar zullen zijn, zullen de voorschriften inzake de toegang tot informatie en inzake degelijke en accurate facturering op basis van het reële verbruik moeten worden verduidelijkt, met name wat het meten en factureren van het individuele verbruik betreft in gebouwen met meerdere eenheden, die worden verwarmd, gekoeld en van warm water worden voorzien met een systeem van stadsverwarming en -koeling of met een gemeenschappelijk verwarmingssysteem.


 2012/27/EU overweging 34 (aangepast)

(79)Bij het ontwikkelen van maatregelen ter verbetering van de energie-efficiëntie moeten de lidstaten terdege rekening houden met de noodzaak om de goede werking van de interne markt en de samenhangende tenuitvoerlegging van het acquis te garanderen, overeenkomstig het  VWEU   Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.


 2012/27/EU overweging 35 (aangepast)

 nieuw

(80)Bij hoogrenderende warmtekrachtkoppeling en efficiënte  stadsverwarming en -koeling is er veel ruimte voor besparingen op primaire energie, die nog grotendeels onbenut is in de Unie. De lidstaten moeten een uitgebreide analyse van het potentieel van hoogrenderende warmtekrachtkoppeling en efficiënte stadsverwarming en -koeling maken. Deze analyses moeten op verzoek van de Commissie worden geactualiseerd, teneinde investeerders te informeren over de nationale ontwikkelingsplannen en bij te dragen aan een stabiele en stimulerende investeringsomgeving   coherent zijn met de geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen en langetermijnrenovatiestrategieën  . Nieuwe elektriciteitsinstallaties en bestaande installaties die ingrijpend gerenoveerd worden of waarvan de vergunning of licentie wordt vernieuwd, moeten onder voorbehoud van een kosten-batenanalyse waaruit een kosten-batenoverschot blijkt, uitgerust worden met hoogrenderende warmtekrachtkoppelingseenheden om de warmte terug te winnen die bij de productie van elektriciteit vrijkomt. Evenzo moeten andere faciliteiten met een aanzienlijke gemiddelde jaarlijkse energie-input worden uitgerust met technische oplossingen om afvalwarmte van de faciliteit terug te winnen indien uit een kosten-batenanalyse een kosten-batenoverschot blijkt. Deze afvalwarmte kan dan via het stadsverwarmingsnet naar een plaats worden getransporteerd waar deze warmte nuttig te gebruiken is. Gebeurtenissen die een vereiste voor het toepassen van vergunningscriteria in werking stellen, zijn over het algemeen gebeurtenissen die ook de noodzaak van een vergunning krachtens Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies 86 en van een vergunning krachtens Richtlijn 2009/72/EG (EU) 2019/944 met zich meebrengen.


 2012/27/EU overweging 36

(81)Het kan voor kernenergiecentrales of elektriciteitscentrales die gebruik willen maken van geologische opslag zoals toegestaan door Richtlijn 2009/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 betreffende de geologische opslag van kooldioxide 87 , passend zijn om gelegen te zijn op plaatsen waar de benutting van afvalwarmte middels hoogrenderende warmtekrachtkoppeling of de bevoorrading van een stadsverwarmings- of stadskoelingsnet niet kostenefficiënt is. De lidstaten moeten dergelijke installaties derhalve kunnen uitsluiten van de verplichting een kosten-batenanalyse uit te voeren inzake het uitrusten van de installatie met apparatuur die de benutting van afvalwarmte door middel van een apparaat voor hoogrenderende warmtekrachtkoppelingseenheid mogelijk maakt. Het moet eveneens mogelijk zijn piekverbruik- en back-upelektriciteitsinstallaties waarvan is gepland dat ze minder dan 1500 bedrijfsuren per jaar als voortschrijdend gemiddelde over een periode van vijf jaar in bedrijf zullen zijn, uit te sluiten van de vereiste om ook warmte te produceren.


 2012/27/EU overweging 37

 nieuw

(82)Lidstaten dienen de invoering aan te moedigen van maatregelen en procedures ter bevordering van installaties met warmtekrachtkoppeling met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van minder dan 20   5   MW, zodat gedistribueerde energieopwekking meer ingang vindt.


 nieuw

(83)Voor de uitvoering van nationale uitgebreide beoordelingen moeten de lidstaten beoordelingen van het potentieel voor hoogrenderende warmtekrachtkoppeling en efficiënte stadsverwarming en -koeling op regionaal en lokaal niveau aanmoedigen. De lidstaten moeten stappen zetten om de benutting van het vastgestelde kostenefficiënte potentieel van hoogrenderende warmtekrachtkoppeling en efficiënte stadsverwarming en -koeling te bevorderen en te vergemakkelijken.

(84)Vereisten inzake efficiënte stadsverwarming en -koeling moeten in overeenstemming zijn met de klimaatbeleidsdoelstellingen op lange termijn en de EU-normen en prioriteiten inzake klimaat en milieu, en moeten voldoen aan het beginsel “geen ernstige afbreuk doen” in de zin van Verordening (EU) 2020/85. Alle systemen voor stadsverwarming en -koeling moeten gericht zijn op een betere interactie met andere delen van het energiesysteem teneinde het energiegebruik te optimaliseren en energieverspilling te voorkomen door gebruik te maken van het volledige potentieel van gebouwen om warmte of koude op te slaan, met inbegrip van de overtollige warmte uit dienstvoorzieningen en nabijgelegen datacentra. Daarom moet er met een efficiënt systeem voor stadsverwarming en -koeling voor worden gezorgd dat de primaire energie-efficiëntie verbetert en hernieuwbare energie en afvalwarmte of -koude geleidelijk worden geïntegreerd. Daarom worden bij deze richtlijn geleidelijk strengere eisen voor de levering van verwarming en koeling ingevoerd, die gedurende specifieke vastgestelde perioden van toepassing moeten zijn en vanaf 1 januari 2050 permanent van toepassing moeten zijn.


 2012/27/EU overweging 38 (aangepast)

 nieuw

(85)Hoogrenderende warmtekrachtkoppeling moet   is  gedefinieerd worden aan de hand van de energiebesparing die de gecombineerde productie van warmte en elektriciteit oplevert vergeleken met gescheiden productie.  Vereisten voor hoogrenderende warmtekrachtkoppeling moeten in overeenstemming zijn met de klimaatbeleidsdoelstellingen op lange termijn.  De definities van warmtekrachtkoppeling en hoogrenderende warmtekrachtkoppeling die in de Uniewetgeving worden gebruikt, mogen geen afbreuk doen aan de verschillende definities die in de nationale wetgevingen worden gebruikt voor andere doeleinden dan de doeleinden van de Uniewetgeving. Teneinde de energiebesparingen te maximaliseren en te voorkomen dat er mogelijkheden tot energiebesparing verloren gaan, moet de grootst mogelijke aandacht worden besteed aan de omstandigheden waaronder warmtekrachtkoppelingseenheden functioneren.


 2012/27/EU overweging 39 (aangepast)

(86)Teneinde de eindafnemer een transparantere keuze te laten maken   transparantie te waarborgen en een keuze te laten maken  tussen elektriciteit uit warmtekrachtkoppeling en elektriciteit die via andere technieken wordt geproduceerd, moet ervoor worden gezorgd dat de oorsprong van elektriciteit uit hoogrenderende warmtekrachtkoppeling kan worden gegarandeerd op basis van geharmoniseerde rendementsreferentiewaarden. Regelingen voor de garantie van oorsprong houden op zich niet het recht in om van de nationale steunregelingen te genieten. Het is van belang dat alle vormen van elektriciteit uit hoogrenderende warmtekrachtkoppeling onder garanties van oorsprong kunnen vallen. Er moet onderscheid gemaakt worden tussen de garanties van oorsprong en verhandelbare certificaten.


 2012/27/EU overweging 40

(87)Er moet rekening worden gehouden met de specifieke structuur van de sectoren van warmtekrachtkoppeling en stadsverwarming en -koeling, die veel kleine en middelgrote producenten kent, vooral bij het herzien van de administratieve procedures voor het verkrijgen van een vergunning om warmtekrachtcapaciteit of bijbehorende netwerken te bouwen, in toepassing van het principe „Denk eerst klein”.


 2012/27/EU overweging 41

(88)De meeste ondernemingen in de Unie zijn kmo's. Zij vertegenwoordigen een enorm energiebesparingspotentieel voor de Unie. Om kmo's te helpen energie-efficiëntiemaatregelen vast te stellen, moeten de lidstaten een gunstig kader uitwerken dat hen technische bijstand en gerichte informatie biedt.


 2012/27/EU overweging 42 (aangepast)

Richtlijn 2010/75/EU beschouwt energie-efficiëntie als een van de criteria om de beste beschikbare technieken te bepalen die als referentie moeten dienen voor de vaststelling van de vergunningsvoorwaarden voor installaties die onder het toepassingsgebied ervan vallen, inclusief stookinstallaties met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van 50 MW of meer. Die richtlijn geeft de lidstaten echter de mogelijkheid om geen voorschriften inzake energie-efficiëntie op te leggen voor verbrandingseenheden of andere eenheden die ter plaatse kooldioxide uitstoten, voor de activiteiten vermeld in bijlage I bij Richtlijn 2003/87/EG. De lidstaten zouden informatie over energie-efficiëntieniveaus kunnen opnemen in hun rapportage in het kader van Richtlijn 2010/75/EU.


 2012/27/EU overweging 43

(89)De lidstaten moeten op basis van objectieve, transparante en niet-discriminerende criteria regels opstellen voor het dragen en verdelen van de kosten van netaansluitingen en -verzwaringen en voor de technische aanpassingen die nodig zijn om nieuwe producenten van elektriciteit uit hoogrenderende warmtekrachtkoppeling aan te sluiten, rekening houdend met de richtsnoeren en codes die ontwikkeld werden overeenkomstig Verordening (EG) nr. 714/2009 (EU) 2019/943 van het Europees Parlement en de Raad 88  van 13 juli 2009 betreffende de voorwaarden voor toegang tot het net voor grensoverschrijdende handel in elektriciteit 89 en Verordening (EG) nr. 715/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende de voorwaarden voor de toegang tot aardgastransportnetten 90 . Producenten van elektriciteit uit hoogrenderende warmtekrachtkoppeling moet toegestaan worden om een openbare aanbesteding voor de aansluitingswerkzaamheden uit te schrijven. De toegang tot het net voor door hoogrenderende warmtekrachtkoppeling geproduceerde elektriciteit moet worden vereenvoudigd, met name voor kleinschalige en micro-warmtekrachtkoppelingseenheden. Overeenkomstig artikel 93, lid 2, van Richtlijn (EU) 2019/9442009/72/EG en artikel 3, lid 2, van Richtlijn 2009/73/EG mogen de lidstaten in dit verband openbaredienstverplichtingen, ook wat betreft energie-efficiëntie, opleggen aan ondernemingen die in de gas- en elektriciteitssector actief zijn.


 nieuw

(90)Er moeten bepalingen worden vastgesteld met betrekking tot facturering, centrale aanspreekpunten, buitengerechtelijke geschillenbeslechting, energiearmoede en contractuele basisrechten, teneinde deze waar nodig af te stemmen op de relevante bepalingen inzake elektriciteit overeenkomstig Richtlijn (EU) 2019/944, zodat de consumenten beter worden beschermd en de eindafnemers frequentere, duidelijkere en actuelere informatie kunnen ontvangen over hun verwarmings-, koelings- of warmwaterverbruik en hun energieverbruik kunnen reguleren.

(91)Efficiënte en voor alle consumenten toegankelijke onafhankelijke buitengerechtelijke geschillenbeslechtingsmechanismen, zoals een energieombudspersoon, een consumentenorganisatie of een reguleringsinstantie, moeten een garantie bieden voor betere consumentenbescherming. De lidstaten moeten derhalve voorzien in procedures voor een snelle en doeltreffende afhandeling van klachten.

(92)Er moet worden erkend dat hernieuwbare-energiegemeenschappen, overeenkomstig Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad 91 , en energiegemeenschappen van burgers, overeenkomstig Richtlijn (EU) 2019/944, bijdragen aan de verwezenlijking van de doelstellingen van de Europese Green Deal en het klimaatdoelstellingsplan 2030. De lidstaten moeten daarom rekening houden met de rol van hernieuwbare-energiegemeenschappen en energiegemeenschappen van burgers en deze bevorderen. Deze gemeenschappen kunnen de lidstaten helpen de doelstellingen van deze richtlijn te verwezenlijken door de energie-efficiëntie op lokaal niveau of op het niveau van huishoudens te verbeteren. Zij kunnen consumenten slagvaardiger maken en activeren, en kunnen het mogelijk maken dat bepaalde groepen huishoudelijke afnemers, onder meer in landelijke en afgelegen gebieden, deelnemen aan energie-efficiëntieprojecten en -maatregelen. Energiegemeenschappen kunnen energiearmoede helpen bestrijden door energie-efficiëntieprojecten te bevorderen en het energieverbruik en de leveringstarieven te verlagen.

(93)De bijdrage van éénloketsystemen of soortgelijke structuren als mechanismen die meerdere doelgroepen, waaronder burgers, kmo’s en overheidsinstanties, in staat stellen projecten en maatregelen in verband met de overgang naar schone energie op te zetten en uit te voeren, moet worden erkend. Die bijdrage kan bestaan uit het verstrekken van technisch, administratief en financieel advies en bijstand, het faciliteren van de noodzakelijke administratieve procedures of van toegang tot financiële markten, of het aanreiken van richtsnoeren voor het nationale en Europese rechtskader, met inbegrip van regels en criteria voor overheidsopdrachten, en de EU-taxonomie.

(94)De Commissie moet het effect nagaan van haar maatregelen om de ontwikkeling van platforms of forums te ondersteunen, waarbij onder meer de Europese organen voor sociale dialoog worden betrokken bij het bevorderen van opleidingsprogramma's voor energie-efficiëntie, en stelt eventueel verdere maatregelen voor. De Commissie moet de Europese sociale partners ook aanmoedigen in hun discussies over energie-efficiëntie, met name wat betreft kwetsbare afnemers en eindgebruikers, zoals mensen die in energiearmoede verkeren.

(95)Een eerlijke transitie naar een klimaatneutrale Unie tegen 2050 staat centraal in de Europese Green Deal. In de Europese pijler van sociale rechten, die op 17 november 2017 gezamenlijk is afgekondigd door het Europees Parlement, de Raad en de Commissie, is energie een van de essentiële diensten waar iedereen recht op heeft. Wie er behoefte aan heeft, moet steun kunnen verkrijgen voor toegang tot deze diensten 92 .

(96)Er moet voor worden gezorgd dat mensen die door energiearmoede worden getroffen, kwetsbare afnemers en, in voorkomend geval, mensen die in sociale woningen wonen, worden beschermd en actief kunnen deelnemen aan maatregelen ter verbetering van de energie-efficiëntie en daarmee verband houdende consumentenbeschermings- of voorlichtingsacties die de lidstaten uitvoeren.

(97)Openbare middelen die op nationaal en Unieniveau beschikbaar zijn, moeten strategisch worden geïnvesteerd in maatregelen ter verbetering van de energie-efficiëntie, met name ten behoeve van kwetsbare afnemers, mensen die met energiearmoede kampen en mensen die in sociale woningen wonen. De lidstaten moeten gebruik maken van de financiële bijdragen die zij eventueel ontvangen uit het sociaal klimaatfonds 93 en van de inkomsten uit emissierechten uit het Europees emissiehandelssysteem. Deze inkomsten zullen de lidstaten helpen bij het nakomen van hun verplichting om energie-efficiëntiemaatregelen en beleidsmaatregelen in het kader van de energiebesparingsverplichting prioritair uit te voeren ten gunste van kwetsbare afnemers en mensen die in energiearmoede leven, waaronder mogelijkerwijs personen die in landelijke en afgelegen gebieden wonen.

(98)Nationale financieringsregelingen moeten worden aangevuld met passende regelingen voor betere voorlichting, technische en administratieve bijstand alsmede gemakkelijkere toegang tot financiering, zodat de beschikbare middelen optimaal kunnen worden gebruikt, met name door mensen die met energiearmoede kampen, kwetsbare afnemers en, indien van toepassing, mensen die in sociale woningen wonen.

(99)De lidstaten moeten alle mensen in gelijke mate slagvaardig maken en beschermen, ongeacht hun geslacht, gender, leeftijd, handicap, ras of etnische afkomst, seksuele geaardheid, godsdienst of overtuiging, en ervoor zorgen dat degenen die het zwaarst getroffen zijn of een groter risico van energiearmoede lopen of het meest blootgesteld zijn aan de nadelige gevolgen van energiearmoede, naar behoren worden beschermd. Daarnaast moeten de lidstaten ervoor zorgen dat energie-efficiëntiemaatregelen de bestaande ongelijkheden, met name wat energiearmoede betreft, niet verder vergroten.


 2012/27/EU overweging 44 (aangepast)

Vraagrespons is een belangrijk instrument om de energie-efficiëntie te verhogen, omdat consumenten of door hen aangewezen derde partijen aanzienlijk meer mogelijkheden krijgen om actie te ondernemen op het gebied van informatie over verbruik en facturering; dit verschaft een mechanisme om het verbruik te verminderen of te wijzigen en aldus energie te besparen zowel in eindverbruik als in de productie, het transport en de distributie van energie, dankzij een beter gebruik van netwerken en productiemiddelen.


 2012/27/EU overweging 45

 nieuw

(100)De vraagrespons kan gebaseerd worden op de reacties van eindafnemers op prijssignalen of op automatisering van gebouwen. De voorwaarden voor en de toegang tot vraagrespons moeten verbeterd worden, ook voor kleine eindafnemers. Derhalve moeten de lidstaten, rekening houdend met de continue ontwikkeling van slimme energienetten, ervoor zorgen dat de nationale regelingsinstanties voor energie ervoor kunnen zorgen dat nettarieven en netreguleringen verbeteringen van de energie-efficiëntie stimuleren en een dynamische prijsstelling voor vraagresponsmaatregelen door eindafnemers steunen. De mogelijkheden van marktintegratie en gelijke markttoegang voor vraagzijdemiddelen (aanbod- en consumentenbelasting), naast productie, moeten worden benut. Tevens moeten dDe lidstaten moeten erop toezien dat nationale energiereguleringsinstanties een geïntegreerde benadering volgen, inclusief potentiële besparingen in de energievoorziening en de eindgebruikerssectoren. Zonder afbreuk te doen aan de energievoorzieningszekerheid, marktintegratie en anticiperende investeringen in offshorenetwerken die nodig zijn voor de uitrol van hernieuwbare offshore-energie, moeten de nationale energiereguleringsinstanties ervoor zorgen dat het beginsel “energie-efficiëntie eerst” wordt toegepast bij plannings- en besluitvormingsprocessen en dat nettarieven en netreguleringen de verbetering van de energie-efficiëntie stimuleren. De lidstaten moeten er ook voor zorgen dat de transmissie- en distributiesysteembeheerders het beginsel “energie-efficiëntie eerst” eerbiedigen. Dit zou ertoe bijdragen dat transmissie- en distributiesysteembeheerders betere energie-efficiëntieoplossingen en extra kosten voor de aankoop van hulpbronnen aan de vraagzijde overwegen, en rekening houden met de ecologische en sociaal-economische gevolgen van verschillende investeringen en operationele plannen in verband met het net. Een dergelijke aanpak vereist een verschuiving van een eng perspectief van economische efficiëntie naar een perspectief van maximaal sociaal welzijn. Het beginsel “energie-efficiëntie eerst” moet in het bijzonder worden toegepast bij het opstellen van scenario’s voor de uitbreiding van de energie-infrastructuur, waarbij oplossingen aan de vraagzijde als haalbare alternatieven kunnen worden beschouwd en naar behoren moeten worden beoordeeld, en het beginsel moet een intrinsiek onderdeel worden van de beoordeling van netplanningsprojecten. De toepassing ervan moet worden gecontroleerd door de nationale reguleringsinstanties.  


 2012/27/EU overweging 46

 nieuw

(101)Er moeten voldoende betrouwbare professionals met deskundigheid op het vlak van energie-efficiëntie beschikbaar zijn om ervoor te zorgen dat deze richtlijn doelmatig en tijdig wordt uitgevoerd, bijvoorbeeld bij de naleving van de vereisten met betrekking tot energie-audits en de tenuitvoerlegging van de regelingen voor energie-efficiëntieverplichtingen. De lidstaten moeten daarom certificatieregelingen  en/of gelijkwaardige kwalificatie- en passende opleidingsregelingen  opstellen voor de aanbieders van energiediensten, energie-audits en andere maatregelen ter verbetering van de energie-efficiëntie  , in nauwe samenwerking met sociale partners, opleidingsverstrekkers en andere belanghebbenden. De regelingen moeten vanaf december 2024 om de vier jaar worden beoordeeld en zo nodig worden bijgewerkt om ervoor te zorgen dat de aanbieders van energiediensten, energie-auditors, energiebeheerders en installateurs van onderdelen van gebouwen over de nodige competenties beschikken. 


 2012/27/EU overweging 47 (aangepast)

 nieuw

(102)Het is noodzakelijk dat de markt voor energiediensten verder wordt ontwikkeld om de beschikbaarheid van zowel de vraag naar als het aanbod van energiediensten te waarborgen. Transparantie, bijvoorbeeld aan de hand van lijsten van  gecertificeerde  aanbieders van energiediensten, kan hiertoe bijdragen.   en beschikbare   mModelcontracten, uitwisseling van goede praktijken, en richtsnoeren, vooral voor   dragen in sterke mate bij aan de ingebruikname van energiediensten en  energieprestatiecontracten,   en  kunnen eveneens de vraag helpen stimuleren  en het vertrouwen in aanbieders van energiediensten bevorderen  . In een energieprestatiecontract, zoals in andere vormen van financieringsregelingen via derden, vermijdt de begunstigde van de energiedienst investeringskosten door een deel van de financiële waarde van de energiebesparing te gebruiken om de volledig of gedeeltelijk door een derde uitgevoerde investering terug te betalen.  Dat kan helpen om particulier kapitaal aan te trekken dat essentieel is om het renovatietempo in de Unie op te trekken, meer expertise in de markt te integreren en innovatieve businessmodellen te creëren. Daarom moet bij niet voor bewoning bestemde gebouwen met een bruikbare vloeroppervlakte van meer dan 1 000 m² worden verplicht dat de haalbaarheid van het gebruik van energieprestatiecontracten voor renovatie wordt beoordeeld. Dat is een stap vooruit om het vertrouwen in energiedienstenbedrijven te vergroten en de weg vrij te maken voor meer dergelijke projecten in de toekomst. 


 nieuw

(103)Gezien de ambitieuze renovatiedoelstellingen voor de komende tien jaar in het kader van de mededeling van de Commissie “Renovatiegolf”, is het noodzakelijk de rol van onafhankelijke tussenpersonen op de markt te vergroten, met inbegrip van éénloketsystemen of soortgelijke steunmechanismen, teneinde de marktontwikkeling aan de vraag- en aanbodzijde te stimuleren en energieprestatiecontracten voor de renovatie van zowel particuliere als openbare gebouwen te bevorderen. Lokale energieagentschappen zouden in dit verband een belangrijke rol kunnen spelen en facilitatoren of centrale aanspreekpunten in kaart kunnen brengen en de ontwikkeling ervan kunnen ondersteunen.

(104)In verschillende lidstaten bestaan er voor energieprestatiecontracten nog steeds grote obstakels als gevolg van resterende regelgevende en niet-regelgevende belemmeringen. Daarom moeten de dubbelzinnigheden in de nationale wetgevingskaders, het gebrek aan deskundigheid, met name op het gebied van aanbestedingsprocedures, en concurrerende leningen en subsidies worden aangepakt.

(105)De lidstaten moeten de openbare sector blijven ondersteunen bij het gebruik van energieprestatiecontracten door modelcontracten te verstrekken die rekening houden met de beschikbare Europese of internationale normen, aanbestedingsrichtsnoeren en de in mei 2018 door Eurostat en de Europese Investeringsbank gepubliceerde gids voor de statistische behandeling van energieprestatiecontracten 94 over de behandeling van energieprestatiecontracten in overheidsrekeningen, die mogelijkheden aanreiken om de resterende regelgevingsbelemmeringen voor deze contracten in de lidstaten aan te pakken.


 2012/27/EU overweging 48 (aangepast)

 nieuw

(106)  De lidstaten hebben maatregelen genomen om de regelgevende en niet-regelgevende belemmeringen in kaart te brengen en aan te pakken.  Het is  echter  nodig  meer inspanningen te leveren  om de aan regulering- en de niet aan regulering gerelateerde belemmeringen met betrekking tot het gebruik van energieprestatiecontracten en andere financieringsregelingen via derden met het oog op energiebesparing   die helpen om energie te besparen  , te identificeren en weg te nemen. Deze belemmeringen omvatten boekhoudregels en -praktijken die verhinderen dat kapitaalinvesteringen en jaarlijkse financiële besparingen welke voortvloeien uit maatregelen ter verbetering van de energie-efficiëntie adequaat in de boekhouding worden weergegeven voor de volledige levensduur van de investeringen. Belemmeringen voor de renovatie van het bestaande gebouwenbestand wegens een opsplitsing van prikkels tussen de verschillende betrokken actoren moeten ook op nationaal niveau worden aangepakt.


 nieuw

(107)De lidstaten hebben de nationale actieplannen voor energie-efficiëntie (NAPEE’s) van 2014 en 2017 gebruikt om verslag uit te brengen over de vooruitgang bij het wegnemen van regelgevende en niet-regelgevende belemmeringen voor energie-efficiëntie, met betrekking tot de scheiding van prikkels tussen eigenaars en huurders of tussen eigenaars van een gebouw of gebouwunits. De lidstaten moeten echter in deze richting blijven werken en het potentieel voor energie-efficiëntie in samenhang met de Eurostat-statistieken van 2016 benutten, aangezien meer dan vier op de tien Europeanen in appartementen wonen en meer dan drie op de tien Europeanen huurders zijn.


 2012/27/EU overweging 49 (aangepast)

 nieuw

(108)Lidstaten en regio's moeten aangemoedigd worden om voluit gebruik te maken van de  Europese middelen die beschikbaar zijn in het kader van het MFK en NextGenerationEU, inclusief de herstel- en veerkrachtfaciliteit,   structuurfondsen en het Cohesiefonds   de fondsen van het cohesiebeleid     , het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Fonds voor een rechtvaardige transitie, alsook de financiële instrumenten en technische bijstand die beschikbaar zijn in het kader van InvestEU,  om de aanzet te geven tot  particuliere en openbare  investeringen in maatregelen ter verbetering van de energie-efficiëntie. Investeringen in energie-efficiëntie kunnen bijdragen aan de economische groei, werkgelegenheid, innovatie en de vermindering van brandstofarmoede   energiearmoede  in huishoudens, en leveren daardoor een positieve bijdrage aan de economische, sociale en territoriale cohesie  en het groene herstel  . Potentiële gebieden voor financiering zijn onder meer energie-efficiëntiemaatregelen in overheidsgebouwen en sociale woningbouw en de ontwikkeling van nieuwe vaardigheden om de werkgelegenheid in de energie-efficiëntiesector te stimuleren.  De Commissie zal zorgen voor synergieën tussen de verschillende financieringsinstrumenten, in het bijzonder tussen de fondsen in gedeeld beheer en de fondsen in direct beheer (zoals de centraal beheerde programma’s Horizon Europa of LIFE), alsook tussen subsidies, leningen en technische bijstand om hun hefboomwerking op particuliere financiering en hun impact op de verwezenlijking van de doelstellingen van het energie-efficiëntiebeleid te maximaliseren. 


 2012/27/EU overweging 50 (aangepast)

(109)De lidstaten moeten het gebruik van financieringsfaciliteiten aanmoedigen om de doelstellingen van deze richtlijn te realiseren. Deze financieringsfaciliteiten kunnen bestaan in financiële bijdragen en boetes in verband met het niet naleven van een aantal bepalingen van deze richtlijn; middelen die krachtens artikel 10, lid 3, van Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad 95 aan energie-efficiëntie worden toegewezen; middelen die in het kader van het meerjarig financieel kader aan energie-efficiëntie worden toegewezen, in het bijzonder middelen van het cohesiefonds, de structuurfondsen en het plattelandsontwikkelingsfonds,   in de Europese fondsen en programma’s  en gereserveerde specifieke Europese financiële instrumenten, zoals het Europees Fonds voor energie-efficiëntie.


 2012/27/EU overweging 51

(110)Financieringsfaciliteiten kunnen, in voorkomend geval, gebaseerd worden op met projectobligaties van de Unie gegenereerde middelen die aan energie-efficiëntie worden toegewezen; aan energie-efficiëntie toegewezen middelen van de Europese Investeringsbank en andere Europese financiële instellingen, in het bijzonder de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling en de ontwikkelingsbank van de Raad van Europa; middelen met hefboomwerking verkregen via financiële instellingen; nationale middelen, onder meer verkregen door de invoering van regelgevings- en belastingkaders ter stimulering van energie-efficiëntie-initiatieven en -programma's; inkomsten van jaarlijkse emissierechten op grond van Beschikking nr. 406/2009/EG van het Europees Parlement en de Raad 96 .


 2012/27/EU overweging 52

(111)De financieringsfaciliteiten kunnen met name die bijdragen, middelen en inkomsten gebruiken om privékapitaalinvesteringen, in het bijzonder van institutionele beleggers, mogelijk te maken en te stimuleren, en daarbij criteria hanteren voor de toekenning van middelen die waarborgen dat zowel sociale als milieudoelstellingen worden verwezenlijkt; gebruikmaken van innovatieve financieringsmechanismen (bijvoorbeeld leninggaranties voor privékapitaal, leninggaranties voor het bevorderen van contracten, subsidies, gesubsidieerde leningen en kredietlijnen met betrekking tot energieprestatie, financiering via derden) die de risico's van energie-efficiëntieprojecten reduceren en ook huishoudens met een laag of middeninkomen in staat stellen tot een kosteneffectieve renovatie; gekoppeld zijn aan programma's of agentschappen die energiebesparingsprojecten aggregeren en aan kwaliteitsbeoordelingen onderwerpen, technische bijstand leveren, de markt voor energiediensten bevorderen en de vraag bij consumenten naar diensten op energiegebied aanzwengelen.


 2012/27/EU overweging 53

(112)De financieringsfaciliteiten zouden ook middelen ter beschikking kunnen stellen voor opleidings- en certificeringsprogramma's die vaardigheden op het gebied van energie-efficiëntie verbeteren en accrediteren; middelen ter beschikking stellen voor onderzoek naar en demonstratie en versnelde invoering van kleinschalige en microtechnologie voor energieproductie en optimalisering van de aansluiting van de betrokken generatoren op het net; gekoppeld zijn aan programma's die de energie-efficiëntie in alle woningen moeten bevorderen om energiearmoede te voorkomen, en verhuurders ertoe moeten aanzetten hun goed zo energie-efficiënt mogelijk te maken; adequate middelen ter beschikking stellen ter ondersteuning van de sociale dialoog en de vaststelling van normen die gericht zijn op het verbeteren van de energie-efficiëntie, het waarborgen van goede arbeidsomstandigheden en het beschermen van de gezondheid en de veiligheid op het werk.


 2012/27/EU overweging 54

 nieuw

(113)De beschikbare  financieringsprogramma’s,  financieringsinstrumenten en innovatieve financieringsmechanismen van de Unie dienen te worden ingezet om een praktische uitwerking te geven aan de doelstelling de energieprestatie van de gebouwen van overheidsinstanties te verbeteren. In dat opzicht kunnen de lidstaten, op vrijwillige basis en rekening houdend met de nationale begrotingsregels, hun inkomsten uit de jaarlijkse emissieruimten op grond van Beschikking 406/2009/EG gebruiken voor de ontwikkeling van dergelijke mechanismen.


 2012/27/EU overweging 55 (aangepast)

(114)Bij het streven naar het 20 %-energie-efficiëntiestreefcijfer zal   moet  de Commissie het effect moeten nagaan van nieuwe   de betrokken  maatregelen op Richtlijn 2003/87/EG die een uniale regeling voor de handel in emissierechten (ETS) om de prikkels in de regeling waarbij koolstofarme investeringen worden beloond, te handhaven en de onder de regeling vallende sectoren voor te bereiden op de innovaties die in de toekomst nodig zullen zijn. Zij zal moeten controleren wat het effect is op bedrijfstakken die blootstaan aan een significant CO2-weglekrisico, zoals bepaald in Besluit 2014/746/EU van de Commissie 97 Besluit 2010/2/EU van de Commissie van 24 december 2009 tot vaststelling, overeenkomstig Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad, van een lijst van bedrijfstakken en deeltakken die worden geacht te zijn blootgesteld aan een significant CO2-weglekrisico 98 , om ervoor te zorgen dat deze richtlijn de ontwikkeling van die bedrijfstakken ten goede komt en niet belemmert.


 2012/27/EU overweging 56 (aangepast)

Krachtens Richtlijn 2006/32/EG moeten de lidstaten met ingang van 2016 een algemeen nationale indicatieve energiebesparingsstreefwaarde van 9 % vaststellen en ernaar streven deze te verwezenlijken door energiediensten en andere maatregelen ter verbetering van de energie-efficiëntie te ontwikkelen. Die richtlijn stelt dat het tweede energie-efficiëntieplan dat door de lidstaten werd vastgesteld in voorkomend geval en waar nodig moet worden gevolgd door Commissievoorstellen voor extra maatregelen, waaronder de uitbreiding van de toepassingsperiode van streefcijfers. Indien in een verslag wordt geconcludeerd dat er onvoldoende vooruitgang is geboekt bij het behalen van de nationale indicatieve streefwaarden, zoals vastgelegd bij die richtlijn, moeten deze voorstellen betrekking hebben op het niveau en de aard van de streefwaarden. Volgens de effectbeoordeling waarmee deze richtlijn gepaard gaat, liggen de lidstaten op koers voor het bereiken van het streefwaarde van 9 %, wat heel wat minder ambitieus is dan het later vastgestelde streefcijfer van 20 % energiebesparing voor 2020. Het is dan ook niet nodig het niveau van de streefwaarden aan te passen.


 2012/27/EU overweging 57 (aangepast)

Het Programma Intelligente energie - Europa vastgesteld bij Besluit nr. 1639/2006/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 2006 tot vaststelling van een kaderprogramma voor concurrentievermogen en innovatie (2007-2013) 99 heeft geholpen om een omgeving te creëren waarin het Uniebeleid inzake duurzame energie kan gedijen, doordat marktbelemmeringen worden weggenomen - bijvoorbeeld het feit dat marktactoren en instellingen zich onvoldoende bewust zijn van de problematiek en over te weinig capaciteit beschikken, dat de interne energiemarkt wordt gehinderd door nationale en technische of administratieve belemmeringen, of dat slecht ontwikkelde arbeidsmarkten de uitdaging van een koolstofarme economie niet aankunnen. Veel van deze belemmeringen zijn nog altijd aanwezig.


 2012/27/EU overweging 58 (aangepast)

Het aanzienlijke energiebesparingspotentieel van energiegerelateerde producten moet worden aangeboord, en daarom dient sneller uitvoering en ook ruimere toepassing te worden gegeven aan Richtlijn 2009/125/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het vaststellen van eisen inzake ecologisch ontwerp voor energiegerelateerde producten 100 en Richtlijn 2010/30/EU van het Europees Parlement en de Raad van 19 mei 2010 betreffende de vermelding van het energieverbruik en het verbruik van andere hulpbronnen op de etikettering en in de standaardproductinformatie van energiegerelateerde producten 101 . Prioritair zijn de producten met het grootste energiebesparingspotentieel in de zin van het werkplan inzake ecologisch ontwerp, en de eventuele herziening van de bestaande maatregelen.


 2012/27/EU overweging 59 (aangepast)

Teneinde de voorwaarden te verduidelijken waaronder de lidstaten krachtens Richtlijn 2010/31/EU energieprestatievoorschriften kunnen vaststellen met naleving van Richtlijn 2009/125/EG en diens uitvoeringsmaatregelen, moet Richtlijn 2009/125/EG worden gewijzigd.


 2018/2002 overweging 36 (aangepast)

 nieuw

(115)De maatregelen van de lidstaten moeten worden ondersteund door goed ontworpen en efficiënte financiële instrumenten van de Unie  in het kader van   , zoals de Europese structuur- en investeringsfondsen, het Europees Fonds voor strategische investeringen   het InvestEU-programma  , en door financiering van de Europese Investeringsbank (EIB) en de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling (EBWO), die investeringen in energie-efficiëntie in alle stadia van de energieketen ondersteunen en uitgaan van een omvattende kosten-batenanalyse op grond van een model van gedifferentieerde discontopercentages. De financiële steun moet gericht zijn op kosteneffectieve methoden om de energie-efficiëntie te verbeteren, wat moet leiden tot een daling van het energieverbruik. De EIB en de EBWO dienen, in samenspraak met nationale bevorderingsbanken, programma's en projecten te ontwerpen, genereren en financieren die gericht zijn op de efficiëntiesector, met inbegrip van energiearme huishoudens.


 nieuw

(116)Sectoroverschrijdend recht biedt een sterke basis voor consumentenbescherming met betrekking tot een breed scala aan reeds bestaande energiediensten, en zal waarschijnlijk evolueren. Niettemin moeten bepaalde contractuele basisrechten van de afnemers duidelijk worden omschreven. De consumenten moeten kunnen beschikken over duidelijke en begrijpelijke informatie over hun rechten ten aanzien van de energiesector.

(117)(117)    Efficiënte en voor alle consumenten toegankelijke onafhankelijke buitengerechtelijke geschillenbeslechtingsmechanismen, zoals een energieombudspersoon, een consumentenorganisatie of een reguleringsinstantie, zijn een garantie voor betere consumentenbescherming. De lidstaten moeten derhalve voorzien in procedures voor de snelle en doeltreffende afhandeling van klachten.


 2018/2002 overweging 38 (aangepast)

 nieuw

(118)Om de doeltreffendheid van Richtlijn 2012/27/EU, zoals gewijzigd bij deze richtlijn, te kunnen beoordelen, moet een eis worden ingevoerd   vastgesteld  voor het doen van een algemene evaluatie van die   deze  richtlijn en tot indiening van een verslag aan het Europees Parlement en de Raad op uiterlijk op 28 februari  2027   2024. Deze evaluatie moet plaatsvinden na de algemene inventarisatie in 2023 door het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering, zodat er toelaten dat de nodige aanpassingen in het proces kunnen worden gedaan, waarbij ook rekening wordt gehouden met economische en innovatieve ontwikkelingen.


 2018/2002 overweging 39 (aangepast)

(119)De lokale en regionale autoriteiten moeten een leidende rol krijgen bij de ontwikkeling en het ontwerp, de uitvoering en de evaluatie van de in  deze   Rrichtlijn 2012/27/EU vastgelegde maatregelen, zodat zij op adequate wijze kunnen inspelen op de specifieke kenmerken van hun klimaat, cultuur en samenleving.


 2018/2002 overweging 40 (aangepast)

 nieuw

(120)Om recht te doen aan de technologische vooruitgang en het groeiende aandeel van hernieuwbare energiebronnen in de sector elektriciteitsopwekking moet de standaardcoëfficiënt voor elektriciteitsbesparing in kWh worden herzien om rekening te houden met veranderingen in de primaire energiefactor (PEF) voor elektriciteit (PEF)   en andere energiedragers  . Berekeningen die de energiemix van de PEF voor elektriciteit weergeven, moeten worden gebaseerd op jaarlijkse gemiddelden. De boekhoudkundige methode op basis van de fysieke energie-inhoud wordt gebruikt met betrekking tot elektriciteit en warmte die worden opgewekt met kernenergie, en de methode op basis van technische omzettingsefficiëntie met betrekking tot elektriciteit en warmte die worden opgewekt uit fossiele brandstoffen en biomassa. De methode voor niet-brandbare vormen van hernieuwbare energie is het directe equivalent op basis van de totale primaire energie. Voor de berekening van het primaire energieaandeel voor elektriciteit uit warmtekrachtkoppeling wordt de methode van bijlage II bij  deze   Rrichtlijn 2012/27/EU toegepast. Er wordt gebruikgemaakt van een gemiddelde marktpositie in plaats van een marginale marktpositie. Het omzettingsrendement wordt geraamd op 100 % voor niet-brandbare hernieuwbare energiebronnen, 10 % voor geothermische centrales en 33 % voor kerncentrales. De berekening van de totale efficiëntie van warmtekrachtkoppeling wordt berekend op basis van de meest recente gegevens van Eurostat. Wat systeemgrenzen betreft, bedraagt de PEF voor alle energiebronnen 1. De PEF-waarde verwijst naar het jaar 2018 en is gebaseerd op gegevens die zijn geïnterpoleerd uit de jongste versie van het PRIMES-referentiescenario voor de jaren 2015 en 2020 en aangepast op basis van gegevens van Eurostat tot en met 2016. De analyse heeft betrekking op de lidstaten en Noorwegen. De gegevensreeks voor Noorwegen is gebaseerd op gegevens van het  ENTSB-E   Europees netwerk van transmissiesysteembeheerders voor elektriciteit.


 2018/2002 overweging 41

(121)Energiebesparingen die voortvloeien uit de tenuitvoerlegging van het Unierecht mogen alleen worden geclaimd als zij voortvloeien uit een maatregel die verder reikt dan het minimum dat wordt vereist door de betrokken rechtshandeling van de Unie, hetzij door ambitieuzere energie-efficiëntie-eisen vast te stellen op niveau van de lidstaat, hetzij door de maatregel beter ingang te doen vinden. Gebouwen beschikken over een aanzienlijk potentieel om de energie-efficiëntie verder te vergroten, en de renovatie van gebouwen is op lange termijn een essentieel element met schaalvoordelen om tot grotere energiebesparing te komen. Daarom moet worden verduidelijkt dat het mogelijk is om alle energiebesparingen die voortvloeien uit maatregelen ter bevordering van de renovatie van bestaande gebouwen te claimen op voorwaarde dat ze een aanvulling vormen op ontwikkelingen die ook zonder de beleidsmaatregel zouden hebben plaatsgevonden en op voorwaarde dat de lidstaat aantoont dat de aan verplichtingen gebonden, deelnemende of met de uitvoering belaste partij daadwerkelijk heeft bijgedragen tot de totstandbrenging van de energiebesparingen die worden geclaimd.


 2018/2002 overweging 42 (aangepast)

(122)Overeenkomstig de strategie voor de energie-unie en de beginselen van betere regelgeving dient meer gewicht te worden gegeven aan toezicht en controleregels voor de tenuitvoerlegging van verplichtingsregelingen voor energie-efficiëntie en alternatieve beleidsmaatregelen, waaronder de verplichting een statistisch representatieve steekproef van maatregelen te controleren. In Richtlijn 2012/27/EU, zoals gewijzigd bij deze richtlijn, moet een statistisch relevant aandeel en een statistisch representatieve steekproef van maatregelen ter verbetering van de energie-efficiëntie worden begrepen als de verplichting om een subgroep van een statistische populatie van de betreffende energiebesparende maatregelen vast te stellen, op zodanige wijze dat deze subgroep een accurate weergave vormt van de volledige populatie van alle energiebesparende maatregelen, zodat er redelijke betrouwbare conclusies kunnen worden getrokken over het vertrouwen in alle maatregelen.


 2018/2002 overweging 43

 nieuw

(123)Door technologieën op basis van hernieuwbare energie te gebruiken voor het opwekken van energie op of in gebouwen, hoeft er een minder groot beroep te worden gedaan op energie uit fossiele brandstoffen. Het beperken van het energieverbruik en het verbruik van energie uit duurzame bronnen in de bouwsector zijn belangrijke maatregelen om de energieafhankelijkheid van de Unie en de uitstoot van broeikasgassen te verminderen, met name in het licht van de ambitieuze klimaat- en energiedoelstellingen voor 2030 en de mondiale afspraken die zijn gemaakt in de context van de Overeenkomst van Parijs. Met het oog op hun verplichting inzake cumulatieve energiebesparing mogen de lidstaten, om aan hun energiebesparingsverplichtingen te voldoen  overeenkomstig de berekeningsmethode in deze richtlijn  , in voorkomend geval de energiebesparingen  die voortvloeien uit beleidsmaatregelen ter bevordering van hernieuwbare technologieën    door op of in gebouwen opgewekte energie voor eigen gebruik in aanmerking nemen.  Met energiebesparingen als gevolg van beleidsmaatregelen met betrekking tot het gebruik van directe verbranding van fossiele brandstoffen dient geen rekening te worden gehouden. 


 nieuw

(124)Voor sommige van de bij deze richtlijn ingevoerde wijzigingen is wellicht een latere wijziging van Verordening (EU) 2018/1999 nodig om de samenhang tussen de twee rechtshandelingen te waarborgen. Nieuwe bepalingen, die voornamelijk betrekking hebben op de vaststelling van nationale bijdragen, mechanismen voor het opvullen van lacunes en rapportageverplichtingen, moeten worden gestroomlijnd en overgenomen in die verordening, zodra die is gewijzigd. Sommige bepalingen van Verordening (EU) 2018/1999 moeten wellicht ook opnieuw worden beoordeeld in het licht van de in deze richtlijn voorgestelde wijzigingen. De aanvullende rapportage- en monitoringvereisten mogen geen nieuwe parallelle rapportagesystemen creëren, maar zouden vallen binnen het bestaande monitoring- en rapportagekader uit hoofde van Verordening (EU) 2018/1999.

(125)Om de praktische uitvoering van deze richtlijn op nationaal, regionaal en lokaal niveau te bevorderen, moet de Commissie de uitwisseling van ervaringen op het gebied van praktijken, benchmarking, netwerkactiviteiten en innovatieve praktijken op een onlineplatform blijven ondersteunen.


 2012/27/EU overweging 60 (aangepast)

Aangezien de lidstaten zonder extra energie-efficiëntiemaatregelen de doelstelling van deze richtlijn, namelijk in 2020 het energie-efficiëntiestreefcijfer van 20 % voor de Unie realiseren en de weg effenen voor verdere energie-efficiëntieverbeteringen na 2020, niet voldoende kunnen realiseren, en deze doelstelling beter gerealiseerd kan worden op het niveau van de Unie, kan de Unie maatregelen vaststellen in overeenstemming met het subsidiariteitsbeginsel zoals vastgelegd in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan wat nodig is om deze doelstelling te verwezenlijken.


 2018/2002 overweging 45 (aangepast)

 nieuw

(126)Daar de doelstellingen van deze richtlijn, namelijk het bereiken van het energie-efficiëntiestreefcijfer de doelstellingen voor de Unie, van een energie-efficiëntie van 20 % voor 2020 en van minstens 32,5 % voor 2030, en het treffen van voorbereidingen voor een verdere verbetering van de energie-efficiëntie  en in de richting van klimaatneutraliteit   na deze data, niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt, maar vanwege de omvang en de gevolgen van het optreden, beter op het niveau van de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Europese Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginstel gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te bereiken.


 2012/27/EU overweging 61 (aangepast)

(127)Om aanpassingen aan de technische vooruitgang en wijzigingen in de distributie van energiebronnen mogelijk te maken, moet de bevoegdheid om handelingen vast te stellen overeenkomstig artikel 290  VWEU   van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie aan de Commissie worden gedelegeerd met betrekking tot de herziening van de geharmoniseerde rendementsreferentiewaarden die zijn vastgelegd op basis van  deze   rRichtlijn 2004/8/EG en met betrekking tot de waarden, berekeningsmethoden, de standaard primaire-energiecoëfficiënt en eisen in de bijlagen bij deze richtlijn. Het is van bijzonder belang dat de Commissie tijdens haar voorbereidende werkzaamheden passend overleg pleegt, ook op deskundigenniveau. De Commissie moet bij de voorbereiding en opstelling van de gedelegeerde handelingen ervoor zorgen dat de desbetreffende documenten tijdig en op gepaste wijze gelijktijdig worden toegezonden aan het Europees Parlement en aan de Raad.


 2018/2002 overweging 37 (aangepast)

(128)Om te garanderen dat de bijlagen bij Richtlijn 2012/27/EU en de geharmoniseerde rendementsreferentiewaarden kunnen worden geactualiseerd, moet de aan de Commissie verleende bevoegdheidsdelegatie worden verlengd. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadplegingen overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen plaatsvinden in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven 102 . Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen, ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van gedelegeerde handelingen.


 2012/27/EU overweging 62

(129)Om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van deze richtlijn, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren 103 .


 2012/27/EU overweging 63 (aangepast)

Alle inhoudelijke bepalingen van Richtlijnen 2004/8/EG en 2006/32/EG met uitzondering van artikel 4, leden 1 tot en met 4, en de bijlagen I, III en IV van Richtlijn 2006/32/EG, moeten worden ingetrokken. De laatstgenoemde bepalingen dienen van toepassing te blijven totdat de termijn voor het bereiken van de streefwaarde van 9 % is verstreken. Artikel 9, leden 1 en 2, van Richtlijn 2010/30/EU, die de lidstaten ertoe verplicht om te trachten alleen producten met de hoogste energie-efficiëntieklasse aan te kopen, moeten eveneens worden geschrapt. 


 2012/27/EU overweging 64 (aangepast)

De verplichting tot omzetting van deze richtlijn in nationaal recht moet worden beperkt tot die bepalingen die ten opzichte van de Richtlijnen 2004/8/EG en 2006/32/EG inhoudelijk zijn gewijzigd. De verplichting tot omzetting van de ongewijzigde bepalingen vloeit voort uit die richtlijnen.


 nieuw

(130)De verplichting tot omzetting van deze richtlijn in intern recht dient te worden beperkt tot de bepalingen die ten opzichte van de vorige richtlijn materieel zijn gewijzigd. De verplichting tot omzetting van de ongewijzigde bepalingen vloeit voort uit die vorige richtlijn.


 2012/27/EU overweging 65 (aangepast)

 nieuw

(131)Deze richtlijn mag geen afbreuk doen aan de verplichtingen van de lidstaten wat betreft de termijnen voor omzetting in nationaal recht en de toepassing van de Rrichtlijnen in bijlage XV, deel B  2004/8/EG en 2006/32/EG.


 2012/27/EU overweging 66 (aangepast)

Overeenkomstig de gezamenlijke politieke verklaring van 28 september 2011 van de lidstaten en de Commissie over toelichtende stukken hebben de lidstaten zich ertoe verbonden om in gerechtvaardigde gevallen de kennisgeving van hun omzettingsmaatregelen vergezeld te doen gaan van één of meer stukken waarin het verband tussen de onderdelen van een richtlijn en de overeenkomstige delen van de nationale omzettingsteksten wordt toegelicht. Met betrekking tot deze richtlijn acht de wetgever de toezending van dergelijke stukken gerechtvaardigd,


 2012/27/EU