Bijlagen bij COM(2005)362-1 - Veterinairrechtelijke voorschriften voor aquacultuurdieren en de producten daarvan en betreffende de preventie en bestrijding van bepaalde ziekten bij waterdieren - EU monitor

EU monitor
Vrijdag 22 februari 2019
kalender

Dit is een beperkte versie

U kijkt naar een beperkte versie van dit dossier in de EU Monitor.

BIJLAGE I

DEFINITIES

Behalve de definities in artikel 3 zijn de volgende technische definities van toepassing:

a) „Compartiment”: één of meer kwekerijen waarvoor een gemeenschappelijk bioveiligheidssysteem geldt en waar een populatie waterdieren met een duidelijk onderscheiden gezondheidsstatus ten aanzien van een specifieke ziekte wordt gehouden.

b) „Gemeenschappelijk bioveiligheidssysteem”: de toepassing van dezelfde maatregelen inzake gezondheidsbewaking, ziektepreventie en ziektebestrijding voor waterdieren.

c) „Beperkingsgebied”: een gebied rondom een besmette kwekerij of een besmet kweekgebied van weekdieren waar ziektebestrijdingsmaatregelen ter voorkoming van de verspreiding van de ziekte van toepassing zijn.

d) „Ziekte”: een klinische of niet-klinische besmetting met één of meer etiologische agentia bij waterdieren.

e) „Ziektevrij verklaarde gebieden of compartimenten”: gebieden of compartimenten die overeenkomstig artikel 49 of 50 ziektevrij verklaard zijn.

f) „Nieuwe ziekte”: een pas ontdekte ernstige ziekte, waarvan de oorzaak al dan (nog) niet bekend is, die zich binnen en tussen populaties kan verspreiden, bijvoorbeeld door de handel in waterdieren en/of producten van waterdieren. Ook wordt er een op de lijst vermelde ziekte die wordt ontdekt bij een nieuwe gastheersoort die nog niet in bijlage IV, deel II, als gevoelige soort is opgenomen, onder verstaan.

g) „Epizoötiologische eenheid”: een groep waterdieren die binnen een afgebakende ruimte ongeveer hetzelfde risico van blootstelling aan een ziekteverwekker lopen. Het risico kan zich voordoen omdat zij in hetzelfde aquatische milieu leven, of omdat de dieren op een zodanige wijze gehouden worden dat een ziekteverwekker in één groep dieren zich snel naar een andere groep kan verspreiden.

h) „Stillegging”: procedure waarbij ten behoeve van de aanpak van de ziekte de aquacultuurdieren die gevoelig zijn voor de ziekte in kwestie of waarvan bekend is dat zij de ziekteverwekker kunnen overdragen, en - voor zover mogelijk - het besmette water uit de kwekerij verwijderd worden.

i) „Verdere verwerking”: verwerking van aquacultuurdieren vóór menselijke consumptie door middelen en technieken die de anatomische toestand wijzigen, zoals uitbloeden, strippen, ontkoppen, in moten verdelen en fileren, die afval- of bijproducten opleveren en een risico voor de verspreiding van ziekten kunnen betekenen.

j) „Verhoogde sterfte”: een onverklaard aantal sterftegevallen dat aanzienlijk boven het onder de gegeven omstandigheden voor de kwekerij of het kweekgebied van weekdieren in kwestie normaal geachte niveau ligt; door de kweker en de bevoegde autoriteit moet in overleg worden besloten wat als verhoogde sterfte wordt beschouwd.

k) „Besmetting”: de aanwezigheid van een zich vermenigvuldigende of zich anderszins ontwikkelende dan wel latente ziekteverwekker in of op een gastheer.

l) „Besmette gebieden of compartimenten”: gebieden of compartimenten waarvan bekend is dat de ziekte zich er voordoet.

m) „Quarantaine”: isolering van een groep waterdieren ter voorkoming van direct of indirect contact met andere waterdieren, zodat zij voor een bepaalde tijdsduur kunnen worden geobserveerd en er - zo nodig - tests en behandelingen kunnen worden uitgevoerd, waaronder een adequate behandeling van de effluenten.

n) „Gevoelige soort”: soort waarbij besmetting met een ziekteverwekker is aangetoond met natuurlijke gevallen of met een experimentele besmetting waarbij de natuurlijke wijzen worden nagebootst.

o) „Vector”: een soort die niet gevoelig is voor een ziekte, maar de besmetting verspreidt door pathogenen van de ene gastheer op de andere over te brengen.

p) „Gebied”: een duidelijk begrensd geografisch gebied met een homogeen hydrologisch systeem dat bestaat uit een deel van het stroomgebied van de bron(nen) tot aan een natuurlijke of kunstmatige barrière die waterdieren belet om van lager gelegen gedeelten van het stroomgebied stroomopwaarts te migreren, uit een volledig stroomgebied van de bron(nen) ervan tot het estuarium, of uit meer dan een stroomgebied, met inbegrip van de estuaria ervan, als gevolg van de verbinding die er in epizoötiologisch opzicht via de estuaria tussen de stroomgebieden bestaat.


BIJLAGE II

In het officiële register van aquacultuurproductiebedrijven en vergunninghoudende verwerkingsbedrijven te vermelden informatie

DEEL I

Vergunninghoudende aquacultuurproductiebedrijven

1. Overeenkomstig artikel 6 neemt de bevoegde autoriteit minimaal de volgende informatie over ieder aquacultuurproductiebedrijf in een register op:

a) naam en adressen van het aquacultuurproductiebedrijf en contactgegevens (telefoon, fax, e-mail);

b) registratienummer en bijzonderheden van de afgegeven vergunning (d.w.z. data voor bijzondere vergunningen, identificatiecodes of -nummers, specifieke productievoorwaarden en andere voor de vergunning(en) relevante gegevens);

c) de door een geschikt systeem van coördinaten van alle kwekerijen (zo mogelijk GIS-coördinaten) bepaalde geografische ligging van de kwekerij;

d) het productiedoel, het productietype (d.w.z. soort cultuur of voorzieningen, zoals op het land gelegen voorzieningen, zeekooien, vijvers op het land) en het maximale productievolume, voor zover dit aan bepalingen is gebonden;

e) voor op het land gelegen kwekerijen, verzendings- en zuiveringscentra: gegevens betreffende de watervoorziening en -lozingen;

f) het soort op de kwekerij gekweekte aquacultuurdieren (in het geval van kwekerijen waar meer soorten waterdieren of waterdieren voor sierdoeleinden worden gekweekt, moet ten minste worden geregistreerd of bekend is of een van de soorten gevoelig is voor de in bijlage IV, deel II, vermelde ziekten of vector van deze ziekten);

g) actuele informatie over de gezondheidsstatus (d.w.z. of de kwekerij ziektevrij is (met betrekking tot de lidstaat, het gebied of het compartiment), of voor de kwekerij een programma van kracht is om de ziektevrije status te verwerven, dan wel of de kwekerij met een in bijlage IV vermelde ziekte besmet is verklaard).

2. Indien overeenkomstig artikel 4, lid 1, tweede alinea, een vergunning aan een kweekgebied van weekdieren wordt verleend, worden de in punt 1, onder a), van dit deel genoemde gegevens geregistreerd voor alle aquacultuurproductiebedrijven die hun bedrijfsactiviteiten binnen het kweekgebied van weekdieren uitvoeren. De in de punt 1, onder b) tot en met g), van dit deel vereiste gegevens worden voor het gehele kweekgebied van weekdieren geregistreerd.

DEEL II

Vergunninghoudende verwerkingsbedrijven

Overeenkomstig artikel 6 neemt de bevoegde autoriteit minimaal de volgende informatie over ieder vergunninghoudend verwerkingsbedrijf in een register op:

a) naam en adressen van het vergunninghoudende verwerkingsbedrijf en contactgegevens (telefoon, fax, e-mail);

b) registratienummer en bijzonderheden van de afgegeven vergunning (d.w.z. data voor bijzondere vergunningen, identificatiecodes of -nummers, specifieke productievoorwaarden en andere voor de vergunning(en) relevante gegevens;

c) de door een geschikt systeem van coördinaten van alle verwerkingsbedrijven (zo mogelijk GIS-coördinaten) bepaalde geografische ligging van het verwerkingsbedrijf;

d) bijzonderheden betreffende de systemen voor de behandeling van effluenten van het vergunninghoudende verwerkingsbedrijf;

e) het soort aquacultuurdieren dat in het vergunninghoudend verwerkingsbedrijf verwerkt wordt.


BIJLAGE III

DEEL A

Voor de toepassing van artikel 12 in aanmerking te nemen gezondheidsstatus van het aquacultuurgebied of -compartiment

Aquacultuurdieren voor de kweek en voor uitzetting in het wild

CategorieGezondheidsstatusMag dieren binnenbrengen uitGezondheidscertificeringMag dieren verzenden naar
BinnenbrengenVerzenden
IZiektevrij

(Artikel 49 of artikel 50)
alleen categorie IJANEEN als verzending naar categorie III of VAlle categorieën
JA als verzending naar categorie I, II of IV
IIBewakingsprogramma

(artikel 44, lid 1)
alleen categorie IJANEENCategorieën III en V
IIIOnbepaald

(voor zover bekend niet besmet; maar niet onderworpen aan een programma om de ziektevrije status te bereiken)
categorie I, II of IIINEENNEENCategorieën III en V
IVUitroeiingsprogramma

(artikel 44, lid 2)
alleen categorie IJAJAAlleen categorie V
VBesmet

(artikel 39)
alle categorieënNEENJAAlleen categorie V

DEEL B

Aanbevolen bewaking en inspecties in kwekerijen en in kweekgebieden van weekdieren

Aanwezige soortenGezondheidsstatus zoals vermeld in deel ARisiconiveauBewakingAanbevolen frequentie van inspecties door bevoegde autoriteit (artikel 7)Aanbevolen inspectiefrequentie door erkende diensten voor de gezondheid van waterdieren (artikel 10)Specifieke voorschriften inzake de vereiste inspecties, bemonstering en bewaking om de gezondheidsstatus te handhavenCommentaar
Geen voor de in bijlage IV vermelde ziekten gevoelige soortenCategorie I

Ziektevrij verklaard overeenkomstig artikel 49, lid 1, onder a) of b), of artikel 50, lid 1, onder a) of b)
LaagPassiefOm de 4 jaarOm de vier jaarSpecifieke voorschriften om de ziektevrije status overeenkomstig artikel 52 te handhavenDe aanbevolen inspectiefrequenties gelden onverminderd de specifieke voorschriften voor iedere gezondheidsstatus

Waar mogelijk worden deze inspecties en bemonsteringen evenwel met de uit hoofde van artikel 7 en artikel 10 vereiste inspecties worden gecombineerd

Het doel van de inspecties door de bevoegde autoriteit is om na te gaan of de richtlijn wordt nageleefd en om toezicht te houden overeenkomstig artikel 7.

Het doel van de inspecties door erkende diensten voor de gezondheid van waterdieren is om de gezondheidsstatus van de dieren na te gaan, de exploitanten van aquacultuurproductiebedrijven van advies te dienen over kwesties met betrekking tot de gezondheid van waterdieren en in voorkomend geval de nodige veterinairrechtelijke maatregelen te nemen
Voor één of meer van de in bijlage IV vermelde ziekten gevoelige soortenCategorie I

Ziektevrij verklaard overeenkomstig artikel 49, lid 1, onder c), of artikel 50, lid 1, onder c)
HoogActief, gericht of passief1 x per jaar1 x per jaar
MiddelhoogOm de twee jaarOm de twee jaar
LaagOm de vier jaarOm de twee jaar
Categorie II

Niet ziektevrij verklaard maar onderworpen aan overeenkomstig artikel 44, lid 1, goedgekeurd bewakingsprogramma
HoogGerichtEén keer per jaarEén keer per jaarSpecifieke voorschriften overeenkomstig artikel 44, lid 1
MiddelhoogOm de twee jaarOm de twee jaar
LaagOm de vier jaarOm de twee jaar
Categorie III

Voor zover bekend niet besmet maar niet onderworpen aan een bewakingsprogramma om de ziektevrije status te bereiken
HoogActiefEén keer per jaarDrie keer per jaar
MiddelhoogEén keer per jaarTwee keer per jaar
LaagOm de twee jaarEén keer per jaar
Categorie IV

Voor zover bekend niet besmet maar onderworpen aan een overeenkomstig artikel 44, lid 2, goedgekeurd uitroeiingsprogramma
HoogGerichtEén keer per jaarEén keer per jaarSpecifieke voorschriften overeenkomstig artikel 44, lid 2
MiddelhoogOm de twee jaarOm de twee jaar
LaagOm de vier jaarOm de twee jaar
Categorie V

Besmet. Onderworpen aan de minimale bestrijdingsmaatregelen van hoofdstuk V
HoogPassiefOm de vier jaarEén keer per jaarSpecifieke voorschriften overeenkomstig hoofdstuk V
MiddelhoogOm de vier jaarOm de twee jaar
LaagOm de vier jaarOm de vier jaar

Risiconiveaus

Een kwekerij of een kweekgebied van weekdieren met een hoog risico is een kwekerij of kweekgebied:

a) waar een hoog risico bestaat op verspreiding of insleep van ziekten naar/van andere bedrijven of wilde bestanden;

b) waar onder zodanige omstandigheden gekweekt wordt dat een groter risico van het uitbreken van ziekten zou kunnen ontstaan (veel biomassa, slechte waterkwaliteit), afhankelijk van de aanwezige soort;

c) waar levende waterdieren verkocht worden om verder te worden gekweekt of te worden uitgezet.

Een kwekerij of een kweekgebied van weekdieren met een middelhoog risico is een kwekerij of kweekgebied:

a) waar een middelhoog risico bestaat op verspreiding of insleep van ziekten naar/van andere bedrijven of wilde bestanden;

b) waar onder zodanige omstandigheden gekweekt wordt dat niet noodzakelijkerwijs een groter risico van het uitbreken van ziekten zou ontstaan (middelhoge biomassa, middelhoge waterkwaliteit), afhankelijk van de aanwezige soort;

c) waar levende waterdieren voornamelijk voor menselijke consumptie verkocht worden.

Een kwekerij of een kweekgebied van weekdieren met een laag risico is een kwekerij of kweekgebied:

a) waar een laag risico bestaat op verspreiding of insleep van ziekten naar/van andere bedrijven of wilde bestanden;

b) waar onder zodanige omstandigheden gekweekt wordt dat geen groter risico van het uitbreken van ziekten zou ontstaan (weinig biomassa, goede waterkwaliteit), afhankelijk van de aanwezige soort;

c) waar levende waterdieren uitsluitend voor menselijke consumptie verkocht worden.

Soorten gezondheidsbewaking

Bij passieve bewaking bestaat de verplichting om het vóórkomen of de verdenking van bepaalde ziekten of van verhoogde sterfte onmiddellijk te melden. Een onderzoek uit hoofde van hoofdstuk V, afdeling 2, is vereist.

Actieve bewaking omvat:

a) routine-inspectie door de bevoegde autoriteit of namens de bevoegde autoriteiten door erkende gezondheidsdiensten;

b) onderzoek van de populatie van de aquacultuurdieren in de kwekerij of in het kweekgebied van weekdieren op klinische ziektesymptomen;

c) diagnosemonsters die moeten worden verzameld bij verdenking van een op de lijst opgenomen ziekte en in geval van tijdens de inspectie waargenomen verhoogde sterfte;

d) de verplichting om het vóórkomen of de verdenking van bepaalde ziekten of van verhoogde sterfte onmiddellijk te melden.

Gerichte bewaking omvat:

a) routine-inspectie door de bevoegde autoriteit of namens de bevoegde autoriteiten door erkende gezondheidsdiensten;

b) de verplichting om monsters van aquacultuurdieren te nemen en deze met voorgeschreven methoden op specifieke pathogenen te onderzoeken;

c) de verplichting om het vóórkomen of de verdenking van bepaalde ziekten of van verhoogde sterfte onmiddellijk te melden.


BIJLAGE IV

Opnemen van ziekten in de lijst

DEEL I

Criteria voor het opnemen van ziekten in de lijst

A.Exotische ziekten voldoen aan de volgende criteria van punt 1 en van hetzij punt 2 hetzij punt 3.

1. De ziekte is exotisch voor de Gemeenschap, d.w.z. dat de ziekte geen vaste voet aan de grond heeft gekregen in de communautaire aquacultuur en het pathogeen, voor zover bekend, niet in de communautaire wateren voorkomt.

2. De ziekte kan bij insleep in de Gemeenschap aanzienlijke economische consequenties hebben, hetzij door productieverliezen in de communautaire aquacultuur, hetzij doordat de mogelijkheden voor de handel in aquacultuurdieren en de producten daarvan erdoor beperkt worden.

3. De ziekte kan bij insleep in de Gemeenschap schadelijke milieu-effecten hebben voor in het wild levende populaties van waterdieren van soorten die op grond van communautair recht of internationale bepalingen als waardevol beschermd moeten worden.
B.Niet-exotische ziekten voldoen aan de volgende criteria van de punten 1, 4, 5, 6 en 7 en van punt 2 of 3.

1. Verscheidene lidstaten of regio's in verscheidene lidstaten zijn vrij van de specifieke ziekte.

2. De ziekte kan bij insleep in een lidstaat die er vrij van is, aanzienlijke economische consequenties hebben, hetzij in de vorm van productieverliezen en van met de ziekte en de bestrijding verband houdende jaarlijkse uitgaven die meer dan 5 % van de productiewaarde van de gevoelige soort aquacultuurdieren bedragen, hetzij doordat de internationale handel in aquacultuurdieren en de producten daarvan erdoor beperkt wordt.

3. Gebleken is dat de ziekte bij insleep in een ziektevrije lidstaat schadelijke milieu-effecten heeft voor in het wild levende populaties van waterdieren van soorten die op grond van communautair recht of internationale bepalingen als waardevol beschermd moeten worden.

4. Zonder stringente bestrijdingsmaatregelen en handelsbeperkingen kan de ziekte op het niveau van de kwekerij of het kweekgebied van weekdieren slechts met moeite bestreden en onder controle gekregen worden.

5. De ziekte kan op het niveau van de lidstaat worden bestreden, aangezien de ondervinding heeft geleerd dat er ziektevrije gebieden of compartimenten kunnen worden ingesteld en gehandhaafd en dat de handhaving kosteneffectief is.

6. Tijdens het in de handel brengen van aquacultuurdieren bestaat het risico dat de ziekte in een tot dusverre onbesmet gebied vaste voet aan de grond krijgt.

7. Er bestaan betrouwbare en eenvoudige tests voor besmette waterdieren. De tests moeten specifiek en gevoelig zijn en de testmethoden moeten op communautair niveau geharmoniseerd zijn.

DEEL II

Lijst van ziekten

EXOTISCHE ZIEKTEN
ZIEKTEGEVOELIGE SOORTEN
VISEpizoötische hematopoïetische necroseRegenboogforel (Oncorhynchus mykiss) en baars (Perca fluviatilis)
Epizoötisch ulceratief syndroomGenera: Catla, Channa, Labeo, Mastacembelus, Mugil, Puntius en Trichogaster
WEEKDIERENBesmetting met Bonamia exitiosaAustralische platte oester (Ostrea angasi) en Chileense oester (Ostrea chilensis)
Besmetting met Perkinsus marinusJapanse oester (Crassostrea gigas) en Noord-Amerikaanse oester (C. virginica)
Besmetting met Microcytos mackiniJapanse oester (Crassostrea gigas), Noord-Amerikaanse oester (C. virginica), Olympia platte oester (Ostrea conchaphila) en Europese platte oester (O. edulis)
SCHAALDIERENBesmetting met het taura-syndroom-virus (TSV)Noordelijke witte garnaal (Penaeus vannamei), Pacifische blauwe garnaal (Penaeus stylirostris) en Pacifische witte garnaal (Penaeus setiferus).
Besmetting met het yellow-head-virus (YHV)Azteken-garnaal (Penaeus aztecus), noordelijke roze garnaal (P. duorarum), kurumagarnaal (P. japonicus), grote tijgergarnaal (P. monodon), noordelijke witte garnaal (P. setiferus), Pacifische blauwe garnaal (P. stylirostris) en Pacifische witte garnaal (P. vannamei)

NIET-EXOTISCHE ZIEKTEN
ZIEKTEGEVOELIGE SOORTEN
VISVoorjaarsviremie van de karper (SVC)Grootkopkarper (Aristichthys nobilis), goudvis (Carassius auratus), kroeskarper (C. carassius), graskarper (Ctenopharyngodon idellus), karper en koikarper (Cyprinus carpio), zilverkarper (Hypophthalmichthys molitrix), meerval (Silurus glanis) en zeelt (Tinca tinca)
Virale hemorragische septikemie (VHS)Haring (Clupea spp.), houtingen (Coregonus sp.), snoek (Esox lucius), schelvis (Gadus aeglefinus), Pacifische kabeljauw (Gadus macrocephalus), Atlantische kabeljauw (Gadus morhua); Pacifische zalmsoorten (Oncorhynchus spp.), regenboogforel (Oncorhynchus mykiss), meun (Onos mustelus), zeeforel (Salmo trutta), tarbot (Scophthalmus maximus), sprot (Sprattus sprattus) en vlagzalm (Thymallus thymallus)
Infectieuze hematopoïetische necrose (IHN)Ketazalm (Oncorhynchus keta), cohozalm (O. kisutch), masouzalm (O. masou), regenboogforel (O. mykiss), rode zalm (O. nerka), Amagozalm (O. rhodurus), chinook zalm (O. tshawytscha) en Atlantische zalm (Salmo salar)
Koi herpes virus (KHV)Gewone karper en koikarper (Cyprinus carpio).
Infectieuze zalmanemie (ISA)Regenboogforel (Oncorhynchus mykiss), Atlantische zalm (Salmo salar) en zeeforel (S. trutta)
WEEKDIERENBesmetting met Marteilia refringensAustralische platte oester (Ostrea angasi), Chileense oester (O. chilensis), Europese platte oester (O. edulis) en Argentijnse platte oester (Ostrea puelchana)
Besmetting met Bonamia ostreaeAustralische platte oester (Ostrea angasi), Chileense oester (O. chilensis), Olympia platte oester (O. conchaphila), Aziatische oester (Ostea denselammellosa), Europese platte oester (Ostrea edulis), Argentijnse platte oester (Ostrea puelchana)
SCHAALDIERENBesmetting met het wittevlekkenvirusAlle tienpotige kreeftachtigen (orde Decapoda)


BIJLAGE V

Voorschriften inzake het ziektevrij verklaren van een lidstaat, gebied of compartiment

DEEL I

Ziektevrije lidstaat

1. Op grond van de voorgeschiedenis

1.1. Een lidstaat met gevoelige soorten, waar echter gedurende een periode van minimaal tien jaar vóór de datum waarop de ziektevrije status is aangevraagd, geen enkel geval van de ziekte is geconstateerd, ondanks omstandigheden waardoor de ziekte klinisch tot uiting kan komen, kan als ziektevrij worden beschouwd indien:

a) gedurende ten minste tien jaar vóór de datum waarop de ziektevrije status is aangevraagd, zonder onderbreking minimale bioveiligheidsmaatregelen van kracht zijn geweest;

b) de wilde populaties, voor zover bekend, niet besmet zijn;

c) de uitvoering van voorschriften inzake handel en invoer ter voorkoming van de insleep van de ziekte in de lidstaat afdoende is.

Een lidstaat die de ziektevrije status wil verkrijgen, moet vóór 1 november 2008 een aanvraag hiertoe indienen overeenkomstig artikel 49. Na die datum kan de ziektevrije status alleen overeenkomstig punt 2 worden verleend.

1.2. De in punt 1.1, onder a), bedoelde minimale bioveiligheidsmaatregelen omvatten ten minste het volgende:

a) verplichte aangifte van de ziekte bij de bevoegde autoriteit, waarbij ook verdenkingen moeten worden gemeld;

b) de gehele lidstaat beschikt over een systeem voor vroegtijdige opsporing, waardoor de bevoegde autoriteit op doeltreffende wijze ziektegevallen kan onderzoeken en melden, waarbij er met name zorg gedragen wordt voor:

i) de snelle herkenning van klinische symptomen van een ziekte, nieuwe ziekte of van onverklaarde sterfte in kwekerijen of kweekgebieden van weekdieren en bij wilde dieren en

ii) de snelle melding van een dergelijk geval aan de bevoegde autoriteit, zodat er zo snel mogelijk een diagnostisch onderzoek kan worden ingesteld.

1.3. Het in punt 1.2, onder b), bedoelde systeem voor vroegtijdige opsporing omvat ten minste het volgende:

a) algemene alertheid van het personeel van aquacultuurbedrijven of van het personeel dat bij de verwerking van aquacultuurdieren betrokken is, ten aanzien van symptomen die op de aanwezigheid van een ziekte duiden, en scholing van dierenartsen of specialisten op het terrein van de gezondheid van waterdieren in het opsporen en rapporteren van ongebruikelijke ziektegevallen;

b) medewerking van dierenartsen of specialisten op het terrein van de gezondheid van waterdieren, die geschoold zijn in het herkennen en melden van verdachte ziektegevallen;

c) de toegang van de bevoegde autoriteit tot laboratoria met voorzieningen voor het diagnosticeren van en het differentiëren tussen in de lijst opgenomen en nieuwe ziekten.

2. Gebaseerd op gerichte bewaking

Een lidstaat waarin het laatst bekende klinische ziektegeval zich minder dan tien jaar vóór de datum waarop de ziektevrije status is aangevraagd, heeft voorgedaan, of waarvan de besmettingsstatus van vóór de gerichte bewaking niet bekend is, bijvoorbeeld omdat de omstandigheden niet zodanig waren dat de ziekte klinisch tot uiting kon komen, kan als vrij van de ziekte worden aangemerkt indien:

a) de lidstaat de minimale ziektebestrijdingsvoorschriften van punt 1.2 naleeft

en

b) er sedert ten minste twee jaar gerichte bewaking is in overeenstemming met de krachtens artikel 49, lid 3, vastgestelde methoden, zonder dat er in de kwekerij, of in de kweekgebieden van weekdieren waar een van de gevoelige soorten wordt gekweekt, een ziekteverwekker is ontdekt.

Als in delen van de desbetreffende lidstaat het aantal kwekerijen of kweekgebieden van weekdieren beperkt is en gerichte bewaking in die delen derhalve niet voldoende epizoötiologische gegevens oplevert, maar waar zich natuurlijke populaties van een van de gevoelige soorten bevinden, moet de gerichte bewaking ook die natuurlijke populaties bekijken.

DEEL II

Ziektevrij gebied of compartiment

1. Gebieden

1.1. Een gebied kan bestaan uit:

a) een volledig stroomgebied van de bron tot het estuarium ervan,

of

b) een deel van een stroomgebied van de bron(nen) tot aan een natuurlijke of kunstmatige barrière die waterdieren belet om van lager gelegen gedeelten van het stroomgebied stroomopwaarts te migreren,

of

c) meer dan een stroomgebied, met inbegrip van de estuaria ervan, als gevolg van de verbinding die er in epizoötiologisch opzicht via de estuaria tussen de stroomgebieden bestaat.

De geografische begrenzing van het gebied wordt duidelijk op een kaart aangegeven.

1.2. Indien een gebied zich over meer dan één lidstaat uitstrekt, kan het alleen ziektevrij verklaard worden, indien de in de punten 1.3, 1.4 en 1.5 genoemde voorwaarden op alle delen van dat gebied van toepassing zijn. In dat geval vragen beide lidstaten goedkeuring aan voor het op hun grondgebied gelegen gedeelte van het gebied.

1.3. Een gebied met gevoelige soorten, waar echter gedurende een periode van minimaal tien jaar vóór de datum waarop de ziektevrije status is aangevraagd, geen enkel geval van de ziekte is geconstateerd, ondanks omstandigheden waardoor de ziekte klinisch tot uiting kan komen, kan als ziektevrij worden beschouwd indien het op overeenkomstige wijze aan de voorwaarden van deel I, punt 1, voldoet.

Een lidstaat die de in dit punt bedoelde ziektevrije status wil verkrijgen, moet daarvan vóór 1 november 20089 kennis geven overeenkomstig artikel 50, lid 2. Na die datum kan de ziektevrije status alleen overeenkomstig deel I, punt 2, worden verleend.

1.4. Een gebied waarin het laatst bekende klinische geval zich minder dan tien jaar vóór de datum waarop de ziektevrije status is aangevraagd, heeft voorgedaan, of waarvan de besmettingsstatus van voor de gerichte bewaking niet bekend is, bijvoorbeeld omdat de omstandigheden niet zodanig waren dat de ziekte klinisch tot uiting kon komen, kan als vrij van de ziekte worden beschouwd indien het mutatis mutandis aan de voorwaarden van deel I, punt 2, voldoet.

1.5. Zo nodig moet een bufferzone worden ingesteld, waarbinnen een bewakingsprogramma wordt uitgevoerd. De bufferzones worden zodanig afgebakend dat hierdoor de ziektevrije lidstaat tegen passieve insleep van de ziekte wordt beschermd.

2. Uit één of meer kwekerijen of kweekgebieden van weekdieren bestaande compartimenten, waarvan de gezondheidsstatus wat een specifieke ziekte betreft afhangt van die van de omringende natuurlijke wateren

2.1. Een compartiment kan uit één of meer kwekerijen, een groep of cluster kwekerijen of kweekgebieden van weekdieren bestaan die op grond van de geografische ligging ervan en de afstand ten opzichte van andere groepen of clusters kwekerijen of kweekgebieden van weekdieren als één epizoötiologische eenheid kunnen worden beschouwd, mits voor alle kwekerijen van het compartiment een gemeenschappelijk bioveiligheidssysteem geldt. De geografische begrenzing van het compartiment wordt duidelijk op een kaart aangegeven.

2.2. Een compartiment met gevoelige soorten, waar echter gedurende een periode van minimaal tien jaar vóór de datum waarop de ziektevrije status is aangevraagd, geen enkel geval van de ziekte is geconstateerd, ondanks omstandigheden waardoor de ziekte klinisch tot uiting kan komen, kan als ziektevrij worden beschouwd indien het mutatis mutandis aan de voorwaarden van deel I, punt 1, voldoet.

Lidstaten die hiervoor in aanmerking willen komen, geven daarvan uiterlijk op 1 november 2008 kennis overeenkomstig artikel 50, lid 2. Na die datum kan de ziektevrije status alleen overeenkomstig deel I, punt 2, worden verleend.

2.3. Een compartiment waarin het laatst bekende klinische geval zich minder dan tien jaar vóór de datum waarop de ziektevrije status is aangevraagd, heeft voorgedaan, of waarvan de besmettingsstatus of die in de wateren die het compartiment omringen, niet bekend was voordat er gerichte bewaking plaatsvond, bijvoorbeeld omdat de omstandigheden niet zodanig waren dat de ziekte klinisch tot uiting kon komen, kan als vrij van de ziekte worden beschouwd indien het mutatis mutandis aan de voorwaarden van deel I, punt 2, voldoet.

2.4. Voor alle kwekerijen en kweekgebieden binnen een compartiment gelden aanvullende maatregelen, die worden opgelegd door de bevoegde autoriteit, indien zij dit noodzakelijk acht ter voorkoming van de insleep van ziekten. Dergelijke maatregelen kunnen het instellen van een buffergebied rond het compartiment waar een bewakingsprogramma wordt uitgevoerd, en het vaststellen van aanvullende beschermingsmaatregelen tegen de insleep van mogelijke ziekteverwekkers omvatten.

3. Uit één of meer afzonderlijke kwekerijen bestaande compartimenten, waarvan de gezondheidsstatus wat een specifieke ziekte betreft niet van die van de omringende natuurlijke wateren afhangt

3.1. Een compartiment kan bestaan uit:

a) een afzonderlijke kwekerij, die als één epizoötiologische eenheid kan worden beschouwd, aangezien zij niet door de gezondheidsstatus van de in de aangrenzende wateren levende dieren beïnvloed wordt,

of

b) meer kwekerijen, waarbij iedere kwekerij binnen het compartiment aan de in punt 3.1, onder a), en de punten 3.2 tot en met 3.6 bedoelde criteria voldoet, maar het compartiment, als gevolg van het intensieve vervoer van dieren tussen de kwekerijen, als één epizoötiologische eenheid beschouwd moet worden en waar voor alle kwekerijen een gemeenschappelijk bioveiligheidssysteem geldt.

3.2. Een compartiment moet van water worden voorzien:

a) via een waterzuiveringsinstallatie waarin het desbetreffende pathogeen geïnactiveerd wordt, om het risico op de insleep van ziekten tot een aanvaardbaar niveau te beperken,

of

b) rechtstreeks uit een put, een boorgat of een bron. Wanneer de bron van de watervoorziening op enige afstand van de kwekerij gelegen is, moet het water rechtstreeks via buizen ernaartoe geleid worden.

3.3. Er moeten natuurlijke of kunstmatige barrières zijn die waterdieren beletten om vanuit de aangrenzende waterlopen in de kwekerijen van een compartiment binnen te komen.

3.4. Het compartiment moet zo nodig tegen overstromingen en het binnendringen van water uit de aangrenzende waterlopen beschermd worden.

3.5. Het compartiment moet mutatis mutandis aan de voorwaarden van deel I, punt 2, voldoen.

3.6. Voor een compartiment gelden aanvullende maatregelen, die worden opgelegd door de bevoegde autoriteit, indien zij dit noodzakelijk acht ter voorkoming van de insleep van ziekten. Deze maatregelen kunnen het vaststellen van aanvullende beschermingsmaatregelen tegen de insleep van mogelijke ziekteverwekkers omvatten.

3.7. De uitvoeringsmaatregelen met betrekking tot punt 3.2, onder a), worden volgens de in artikel 62, lid 2, bedoelde procedure vastgesteld.

4. Bijzondere bepalingen voor afzonderlijke kwekerijen die hun activiteiten aanvangen of hervatten

4.1. Een nieuwe kwekerij die aan de voorwaarden van punt 3.1, onder a), en van de punten 3.2 tot en met 3.6 voldoet, maar die haar activiteiten met aquacultuurdieren uit een ziektevrij verklaard compartiment aanvangt, kan zonder de voor de vergunningverlening vereiste bemonstering als ziektevrij worden beschouwd.

4.2. Een kwekerij die na een onderbreking haar activiteiten hervat met aquacultuurdieren uit een als ziektevrij beschouwd compartiment en aan de voorwaarden van punt 3.1, onder a), en van de punten 3.2 tot en met 3.6 voldoet, kan zonder de voor de vergunningverlening vereiste bemonstering ziektevrij worden verklaard, mits:

a) de gezondheidssituatie op het bedrijf tijdens de laatste vier jaren waarin het bedrijf actief was, bij de bevoegde autoriteit bekend is; wanneer de desbetreffende kwekerij echter minder dan vier jaar haar activiteiten uitvoert, wordt uitgegaan van de periode waarin de kwekerij werkelijk actief was;

b) ten aanzien van dit bedrijf geen veterinairrechtelijke maatregelen zijn genomen met betrekking tot de in bijlage IV, deel II, genoemde ziekten en deze ziekten daar niet eerder zijn voorgekomen;

c) voordat de aquacultuurdieren, eieren of gameten worden binnengebracht, de kwekerij gereinigd en ontsmet en zo nodig gedurende een bepaalde termijn stilgelegd wordt.


BIJLAGE VI

Bevoegdheden en taken van laboratoria

DEEL I

Communautaire referentielaboratoria

1. Om overeenkomstig artikel 55 als communautair referentielaboratorium te worden aangewezen, moeten de laboratoria aan de volgende voorwaarden voldoen. Zij:

a) beschikken over gekwalificeerd personeel met voldoende kennis van diagnose- en analysetechnieken die op het onder hun bevoegdheid vallende terrein worden toegepast, met inbegrip van ervaren personeel ten behoeve van crisissituaties in de Gemeenschap;

b) beschikken over de voor de uitvoering van hun taken benodigde apparatuur en stoffen;

c) beschikken over een geschikte administratieve infrastructuur;

d) staan ervoor in dat hun personeel het vertrouwelijke karakter van bepaalde onderwerpen, resultaten of mededelingen eerbiedigt;

e) bezitten voldoende kennis van de internationale normen en praktijken;

f) beschikken, indien nodig, over een geactualiseerde lijst van de beschikbare referentiestoffen en reagentia, en een geactualiseerde lijst van de producenten en leveranciers daarvan;

g) houden rekening met onderzoeksactiviteiten op nationaal en communautair niveau.

2. De Commissie kan echter uitsluitend laboratoria aanwijzen die aan de hand van de volgende Europese normen werken en beoordeeld en erkend worden, waarbij rekening wordt gehouden met de in deze richtlijn vastgelegde criteria voor de diverse testmethoden:

a) EN ISO/IEC 17025 „Algemene eisen voor de competentie van beproevings- en kalibratielaboratoria”;

b) EN 45002 „Algemene criteria voor de beoordeling van beproevingslaboratoria”;

c) EN 45003 „Accreditatiesystemen voor kalibratie- en beproevingslaboratoria - Algemene eisen voor bedrijf en erkenning”.

3. De in punt 2 bedoelde erkenning en beoordeling van testlaboratoria kunnen betrekking hebben op afzonderlijke tests of op een serie tests.

4. De communautaire referentielaboratoria kunnen voor één of meer van de onder hun bevoegdheid vallende ziekten een beroep doen op de kennis en capaciteiten van laboratoria in andere lidstaten of lidstaten van de EVA, mits de desbetreffende laboratoria aan de voorwaarden van de punten 1, 2 en 3 voldoen. Het voornemen om van een dergelijke vorm van samenwerking gebruik te maken, moet deel uitmaken van de informatie die als basis voor de aanwijzing overeenkomstig artikel 55, lid 1, wordt meegedeeld. De communautaire referentielaboratoria blijven echter het contactpunt voor de nationale referentielaboratoria in de lidstaten en voor de Commissie.

5. De communautaire referentielaboratoria zijn verantwoordelijk voor:

a) coördinatie, in overleg met de Commissie, van de in de lidstaten toegepaste methoden voor de diagnose van de betrokken ziekte en met name:

i) typering, opslag en, in voorkomend geval, levering van pathogene stammen van de desbetreffende ziekte ter vereenvoudiging van de diagnostiek in de Gemeenschap;

ii) levering van gestandaardiseerde sera en andere referentieagentia aan de nationale referentielaboratoria met het oog op de standaardisering van de in de lidstaten gebruikte tests en reagentia, ingeval serologische tests noodzakelijk zijn;

iii) geregelde organisatie van vergelijkende tests (ringonderzoeken) van de diagnoseprocedures op communautair niveau met de door de lidstaten aangewezen nationale referentielaboratoria om informatie over de gebruikte diagnosemethoden en de uitslagen van in de Gemeenschap uitgevoerde tests te kunnen verspreiden;

iv) het op peil houden van deskundigheid met betrekking tot het ziekteverwekkende agens van de betrokken ziekte en andere hiermee samenhangende ziekteverwekkende agentia om een snelle differentiële diagnose mogelijk te maken;

b) actieve steun bij de diagnose van het uitbreken van de betrokken ziekte in lidstaten door isolaten van het toegezonden pathogeen te onderzoeken met het oog op de bevestiging van de diagnose, karakterisering en epizoötiologisch onderzoek;

c) bevordering van scholing en bij- en nascholing van deskundigen op het gebied van laboratoriumdiagnostiek met het oog op de harmonisatie van de diagnosetechnieken in de Gemeenschap;

d) samenwerking ten aanzien van methoden voor het diagnosticeren van onder hun bevoegdheid vallende dierziekten met de bevoegde laboratoria in derde landen waarin deze ziekten heersen;

e) samenwerking met de relevante OIE-referentielaboratoria met betrekking tot de in bijlage IV, deel II, vermelde exotische ziekten waarvoor zij bevoegd zijn;

f) vergelijking en doorgeven van informatie over exotische en inheemse ziekten die in de communautaire aquacultuur de kop kunnen opsteken.

DEEL II

Nationale referentielaboratoria

1. De overeenkomstig artikel 56 aangewezen nationale referentielaboratoria dragen zorg voor de coördinatie van de onder hun bevoegdheid vallende diagnosenormen en -methoden in de desbetreffende lidstaat. Deze nationale referentielaboratoria:

a) stellen zodra het laboratorium een verdenking van een van de in bijlage IV vermelde ziekten bekend is, de bevoegde autoriteit hiervan in kennis;

b) coördineren, in overleg met het desbetreffende communautaire referentielaboratorium, de in de lidstaten toegepaste methoden voor de diagnose van de onder hun bevoegdheid vallende betrokken ziekten;

c) bieden actieve steun bij de diagnose van het uitbreken van de betrokken ziekte door isolaten van het toegezonden pathogeen te onderzoeken met het oog op de bevestiging van de diagnose, karakterisering en epizoötiologisch onderzoek;

d) bevorderen de scholing en bij- en nascholing van deskundigen op het gebied van laboratoriumdiagnostiek met het oog op de harmonisatie van de diagnosetechnieken in de lidstaat;

e) dragen zorg voor de bevestiging van positieve resultaten van ieder uitbreken van een in bijlage IV, deel II, vermelde exotische ziekte en van het primaire uitbreken van een in die bijlage vermelde niet-exotische ziekte;

f) organiseren geregeld vergelijkende tests (ringonderzoeken) van de diagnoseprocedures op nationaal niveau met de door de lidstaten overeenkomstig artikel 57 aangewezen nationale referentielaboratoria om informatie over de gebruikte diagnosemethoden en de uitslagen van in de lidstaat uitgevoerde tests te kunnen verspreiden;

g) werken met het in artikel 55 bedoelde communautaire referentielaboratorium samen en nemen deel aan de door de communautaire referentielaboratoria georganiseerde vergelijkende tests;

h) voeren geregeld een open dialoog met hun nationale bevoegde autoriteiten;

i) werken en worden beoordeeld en erkend aan de hand van de volgende Europese normen, waarbij rekening wordt gehouden met de in deze richtlijn vastgelegde criteria voor de diverse testmethoden:

i) EN ISO/IEC 17025 „Algemene eisen voor de competentie van beproevings- en kalibratielaboratoria”;

ii) EN 45002 „Algemene criteria voor de beoordeling van beproevingslaboratoria”;

iii) EN 45003 „Accreditatiesystemen voor kalibratie- en beproevingslaboratoria -Algemene eisen voor bedrijf en erkenning”.

2. De in punt 1, onder i), bedoelde erkenning en beoordeling van testlaboratoria kan betrekking hebben op afzonderlijke tests of op een serie tests.

3. Indien de naleving van norm EN ISO/IEC 17025 in de praktijk moeilijk blijkt, kunnen de lidstaten nationale referentielaboratoria aanwijzen die niet aan de in punt 1, onder i), i), bedoelde voorwaarden voldoen, mits deze laboratoria volgens een kwaliteitsborgingssysteem werken dat met de richtsnoeren van ISO 9001 in overeenstemming is.

4. De lidstaten kunnen een nationaal referentielaboratorium op hun grondgebied toestemming geven een beroep te doen op de kennis en capaciteiten van andere overeenkomstig artikel 57 aangewezen laboratoria voor één of meer van de onder hun bevoegdheid vallende ziekten, mits deze laboratoria aan de desbetreffende voorwaarden van dit deel voldoen. Het nationale referentielaboratorium blijft echter het contactpunt voor de centrale bevoegde autoriteit van de lidstaat en voor het communautaire referentielaboratorium.

DEEL III

Aangewezen laboratoria in de lidstaten

1. De bevoegde autoriteit van een lidstaat wijst uitsluitend overeenkomstig artikel 57 laboratoria voor diagnostiek aan, die aan de volgende voorwaarden voldoen. Zij:

a) stellen zodra een laboratorium een verdenking van een van de in bijlage IV vermelde ziekten bekend is, de bevoegde autoriteit hiervan in kennis;

b) nemen deel aan de door het nationale referentielaboratorium georganiseerde vergelijkende tests (ringonderzoeken) van diagnoseprocedures;

c) werken en worden beoordeeld en erkend aan de hand van de volgende Europese normen, waarbij rekening wordt gehouden met de in deze richtlijn vastgelegde criteria voor de diverse testmethoden:

i) EN ISO/IEC 17025 „Algemene eisen voor de competentie van beproevings- en kalibratielaboratoria”;

ii) EN 45002 „Algemene criteria voor de beoordeling van beproevingslaboratoria”;

iii) EN 45003 „Accreditatiesystemen voor kalibratie- en beproevingslaboratoria - Algemene eisen voor bedrijf en erkenning”.

2. De in punt 1, onder c), bedoelde erkenning en beoordeling van testlaboratoria kan betrekking hebben op individuele tests of op een serie tests.

3. Indien de naleving van de norm EN ISO/IEC 17025 in de praktijk moeilijk blijkt, kunnen de lidstaten nationale laboratoria aanwijzen die niet aan de in punt 1, onder c), i), bedoelde voorwaarden voldoen, mits deze laboratoria volgens een kwaliteitsborgingssysteem werken, dat met de richtsnoeren van ISO 9001 in overeenstemming is.

4. De bevoegde autoriteit herroept de aanwijzing indien niet langer aan de in deze bijlage vermelde voorwaarden wordt voldaan.


BIJLAGE VII

CRITERIA EN VOORSCHRIFTEN VOOR RAMPENPLANNEN

De lidstaten zien erop toe dat rampenplannen ten minste aan de onderstaande voorschriften voldoen:

1. Zij bevatten een regeling die de betrokkenen de nodige juridische bevoegdheid verschaft om de rampenplannen uit te voeren, en die een snelle en efficiënte uitroeiingscampagne mogelijk maakt.

2. Zij bevatten een regeling die waarborgt dat noodfondsen en budgettaire en financiële middelen worden vrijgemaakt om alle aspecten van de bestrijding van de in bijlage IV, deel II, vermelde exotische ziekten te dekken.

3. Zij bevatten een hiërarchisch gestructureerde taakverdeling die een snelle en efficiënte besluitvorming bij de bestrijding van de in bijlage IV vermelde exotische ziekten of van nieuwe ziekten garandeert. De algemene leiding van de bestrijdingsstrategieën is in handen van een centrale besluitvormingseenheid.

4. Er zijn gedetailleerde plannen beschikbaar op grond waarvan de lidstaten bij het uitbreken van in bijlage IV, deel II, vermelde exotische ziekten of van nieuwe ziekten onmiddellijk plaatselijke ziektebestrijdingscentra kunnen opzetten, teneinde de ziektebestrijdings- en milieubeschermingsmaatregelen op lokaal niveau uit te voeren.

5. De lidstaten waarborgen de samenwerking tussen de bevoegde autoriteiten en de bevoegde milieu-instanties en -organen met het oog op een afdoende coördinatie van maatregelen op veterinair en milieuveiligheidsgebied.

6. De nodige hulpmiddelen, waaronder personeel, apparatuur en laboratoriumcapaciteit, worden in paraatheid gehouden om een snelle en efficiënte uitroeiingscampagne te kunnen garanderen.

7. Er wordt een draaiboek ter beschikking gesteld, dat voortdurend wordt bijgehouden en waarin alle stappen, procedures, instructies en bestrijdingsmaatregelen voor de aanpak van de in bijlage IV, deel II, vermelde exotische ziekten of van nieuwe ziekten nauwkeurig, uitvoerig en in praktische vorm worden beschreven.

8. Voor eventuele noodvaccinaties zijn gedetailleerde plannen beschikbaar.

9. Het personeel ontvangt regelmatig scholing in het herkennen van klinische symptomen, epizoötiologisch onderzoek en de bestrijding van epizoötische ziekten en neemt deel aan realtimealarmoefeningen; voorts volgt het cursussen voor communicatievaardigheden, zodat het permanente bewustmakingscampagnes betreffende een ziekte kan opzetten ten behoeve van autoriteiten, exploitanten en dierenartsen.

10. Bij de opstelling van de rampenplannen wordt ook rekening gehouden met de middelen die vereist zijn voor de bestrijding van een groot aantal uitbraken die zich in korte tijd voordoen.

11. Onverminderd de veterinairrechtelijke bepalingen van Verordening (EG) nr. 1774/2002 wordt in de rampenplannen bepaald dat bij het uitbreken van ziekten het op grote schaal verwijderen van karkassen en dierlijke afvallen van waterdieren plaatsvindt zonder dat de dier- en volksgezondheid in gevaar wordt gebracht, en dat daarbij gebruik wordt gemaakt van procédés of methoden die geen schade aan het milieu veroorzaken en die met name:

i) minimale risico's inhouden voor de grond, de lucht, het oppervlaktewater en het grondwater, planten en dieren;

ii) minimale hinder veroorzaken door lawaai of stank;

iii) minimale schadelijke gevolgen hebben voor de natuur en voor plaatsen van bijzonder belang.

12. In de rampenplannen worden geschikte locaties en bedrijven vermeld voor de behandeling of de verwijdering van dierlijke karkassen en dierlijke afvallen in geval van het uitbreken van een ziekte overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1774/2002.


BIJLAGE VIII

CONCORDANTIETABEL

Deze richtlijnIngetrokken richtlijnen
91/67/EEG93/53/EEG95/70/EG
Artikel 1, lid 1, onder a)Artikel 1, eerste alinea
Artikel 1, lid 1, onder b)
Artikel 1, lid 1, onder c)Artikel 1Artikel 1
Artikel 1, lid 2Artikel 20, lid 2Artikel 12, lid 2
Artikel 2, lid 1
Artikel 2, lid 2
Artikel 2, lid 3Artikel 1, tweede alinea
Artikel 3Artikel 2Artikel 2Artikel 2
Artikel 4
Artikel 5
Artikel 6
Artikel 7
Artikel 8, lid 1Artikel 3, lid 2Artikel 3, lid 2
Artikel 8, lid 2
Artikel 8, lid 3
Artikel 8, lid 4
Artikel 9
Artikel 10Artikel 4
Artikel 11
Artikel 12
Artikel 13, lid 1Artikel 4, eerste alinea
Artikel 13, lid 2Artikel 4, tweede alinea
Artikel 14, lid 1, onder a)Artikel 7, lid 1

Artikel 8, lid 1
Artikel 14, lid 1, onder b)
Artikel 14, lid 2Artikel 16, lid 1
Artikel 14, lid 3Artikel 16, lid 1
Artikel 14, lid 4
Artikel 15, lid 1Artikel 3, punt 1, onder a), en punt 2
Artikel 15, lid 2
Artikel 15, lid 3Artikel 3, punt 1, onder b), en punt 2
Artikel 15, lid 4
Artikel 16, lid 1Artikel 7, lid 1, onder a), eerste zin

Artikel 7, lid 1, onder b)

Artikel 8, lid 1, onder a)

Artikel 8, lid 1, onder b)
Artikel 16, lid 2
Artikel 17
Artikel 18, lid 1Artikel 9
Artikel 18, lid 2
Artikel 19, lid 1
Artikel 19, lid 2Artikel 9, lid 2
Artikel 20Artikel 14, lid 3
Artikel 21
Artikel 22Artikel 19, lid 1
Artikel 23, lid 1
Artikel 23, lid 2Artikel 22
Artikel 23, lid 3Artikel 19, lid 2
Artikel 23, lid 4Artikel 19, lid 3
Artikel 23, lid 5
Artikel 24Artikel 21
Artikel 25, onder a)Artikel 20
Artikel 25, onder b)
Artikel 25, onder c)
Artikel 25, onder d)Artikel 21, lid 2
Artikel 25, onder e)
Artikel 26Artikel 4Artikel 5, lid 1
Artikel 27Artikel 5, lid 5
Artikel 28, onder a)Artikel 5, lid 1

Artikel 10, lid 1, onder a)
Artikel 5, lid 2, onder a)
Artikel 28, onder b)Artikel 5, lid 2, onder b)

Artikel 10, lid 1, onder c)
Artikel 5, lid 2, onder b)
Artikel 29, lid 1Artikel 5, lid 2, onder h)

Artikel 6, onder a), zevende streepje

Artikel 8, lid 1

Artikel 9, lid 1, eerste zin

Artikel 10, lid 1, onder b)
Artikel 4, lid 1, derde alinea, derde streepje

Artikel 5, lid 4, eerste en vierde alinea
Artikel 29, lid 2Artikel 5, lid 2, onder i)Artikel 5, lid 4, tweede en vierde alinea
Artikel 29, lid 3Artikel 6, onder b)

Artikel 6, onder d)

Artikel 8, lid 2

Artikel 8, lid 3

Artikel 9, lid 2
Artikel 29, lid 4Artikel 5, lid 2, onder i), tweede streepje
Artikel 30Artikel 5, lid 4Artikel 5, lid 3
Artikel 31
Artikel 32Artikel 5, lid 2

Artikel 6
Artikel 4, lid 1, derde alinea, tweede streepje, artikel 5, lid 2, onder b), artikel 5, lid 4, derde en vierde alinea
Artikel 33, lid 1Artikel 3, lid 3Artikel 6, onder a), vierde streepje
Artikel 33, lid 2Artikel 6, onder a), vierde streepje
Artikel 33, lid 3
Artikel 33, lid 4
Artikel 34, lid 1Artikel 5, lid 2, onder c)

Artikel 6, onder a), eerste en derde streepje
Artikel 34, lid 2Artikel 6, onder a), vierde streepje
Artikel 35Artikel 6, onder a), tweede, vijfde en zesde streepje
Artikel 36
Artikel 37, onder a)
Artikel 37, onder b)Artikel 5, lid 3
Artikel 38, lid 1Artikel 9, lid 1, tweede zin
Artikel 38, lid 2Artikel 9, lid 3
Artikel 38, lid 3
Artikel 39, onder a)Artikel 10, lid 1, onder c)Artikel 4, lid 1, derde alinea, eerste streepje
Artikel 39, onder b)
Artikel 39, onder c)Artikel 10, lid 1, onder c)
Artikel 39, onder d)
Artikel 40Artikel 7
Artikel 41
Artikel 42
Artikel 43
Artikel 44, lid 1Artikel 10Artikel 10, lid 2
Artikel 44, lid 2Artikel 10Artikel 10, lid 2
Artikel 45Artikel 10, lid 1
Artikel 46
Artikel 47Artikel 6, onder a), eerste streepje

Artikel 15
Artikel 48, lid 1Artikel 14, lid 1
Artikel 48, lid 2Artikel 14, lid 1
Artikel 48, lid 3
Artikel 48, lid 4
Artikel 49, lid 1Artikel 5, lid 1
Artikel 49, lid 2
Artikel 49, lid 3Artikel 15
Artikel 50, lid 1Artikel 5, lid 1

Artikel 6, lid 1
Artikel 50, lid 2
Artikel 50, lid 3Artikel 5, lid 1
Artikel 50, lid 4Artikel 15
Artikel 51, lid 1
Artikel 51, lid 2Artikel 5, lid 2
Artikel 52
Artikel 53, lid 1
Artikel 53, lid 2
Artikel 53, lid 3Artikel 9, lid 1, tweede zin
Artikel 54, lid 1
Artikel 54, lid 2Artikel 6, onder d)

Artikel 8, lid 3
Artikel 54, lid 3
Artikel 55, lid 1Artikel 13, lid 1Artikel 7, lid 1
Artikel 55, lid 2Artikel 13, lid 2Artikel 7, lid 2
Artikel 55, lid 3
Artikel 56, lid 1Artikel 12, lid 1

Artikel 12, lid 4
Artikel 6, lid 2

Artikel 6, lid 3
Artikel 56, lid 2
Artikel 56, lid 3Artikel 12, lid 6Artikel 6, lid 5
Artikel 56, lid 4
Artikel 56, lid 5Artikel 12, lid 1

Artikel 12, lid 3
Artikel 6, lid 2
Artikel 57, onder a)Artikel 11, lid 2
Artikel 57, onder b)Artikel 11, lid 1Artikel 6, lid 1
Artikel 57, onder c)
Artikel 58, lid 1Artikel 17Artikel 16Artikel 8
Artikel 58, lid 2Artikel 22
Artikel 58, lid 3Artikel 17
Artikel 59
Artikel 60
Artikel 61, lid 1
Artikel 61, lid 2Artikel 25Artikel 18Artikel 9
Artikel 61, lid 3Artikel 9, lid 3

Artikel 17, lid 2
Artikel 18 bisArtikel 4, lid 2

Artikel 5, lid 4, vierde alinea

Artikel 8, lid 4
Artikel 62Artikel 26

Artikel 27
Artikel 19Artikel 10
Artikel 63
Artikel 64
Artikel 65Artikel 29Artikel 20Artikel 12
Artikel 66Artikel 13
Artikel 67Artikel 30Artikel 21Artikel 14