Bijlagen bij COM(2016)767 - Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen (Voor de EER relevante tekst.) - EU monitor

EU monitor
Woensdag 16 januari 2019
kalender

Dit is een beperkte versie

U kijkt naar een beperkte versie van dit dossier in de EU Monitor.

bijlage X, deel A.

(6) Verordening (EU) 2018/1999 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 inzake de governance van de energie-unie en van de klimaatactie, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 663/2009 en (EG) nr. 715/2009 van het Europees Parlement en de Raad, Richtlijnen 94/22/EG, 98/70/EG, 2009/31/EG, 2009/73/EG, 2010/31/EU, 2012/27/EU en 2013/30/EU van het Europees Parlement en de Raad, Richtlijnen 2009/119/EG en (EU) 2015/652 van de Raad, en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 525/2013 van het Europees Parlement en de Raad (zie bladzijde 1 van dit Publicatieblad).

(7) Verordening (EG) nr. 1099/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2008 betreffende energiestatistieken (PB L 304 van 14.11.2008, blz. 1).

(8) Richtlijn 2001/77/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 september 2001 betreffende de bevordering van elektriciteitsopwekking uit hernieuwbare energiebronnen op de interne elektriciteitsmarkt (PB L 283 van 27.10.2001, blz. 33).

(9) Richtlijn 2003/30/EG van het Europees Parlement en de Raad van 8 mei 2003 ter bevordering van het gebruik van biobrandstoffen of andere hernieuwbare brandstoffen in het vervoer (PB L 123 van 17.5.2003, blz. 42).

(10) Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen (PB L 312 van 22.11.2008, blz. 3).

(11) PB L 198 van 20.7.2006, blz. 18.

(12) Richtlijn 2012/27/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 betreffende energie-efficiëntie, tot wijziging van Richtlijnen 2009/125/EG en 2010/30/EU en houdende intrekking van de Richtlijnen 2004/8/EG en 2006/32/EG (PB L 315 van 14.11.2012, blz. 1).

(13) Richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties (PB L 255 van 30.9.2005, blz. 22).

(14) Richtlijn 2010/31/EU van het Europees Parlement en de Raad van 19 mei 2010 betreffende de energieprestatie van gebouwen (PB L 153 van 18.6.2010, blz. 13).

(15) Richtlijn (EU) 2015/1513 van het Europees Parlement en de Raad van 9 september 2015 tot wijziging van Richtlijn 98/70/EG betreffende de kwaliteit van benzine en dieselbrandstof en tot wijziging van Richtlijn 2009/28/EG ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen (PB L 239 van 15.9.2015, blz. 1).

(16) Verordening (EU) nr. 525/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2013 betreffende een bewakings- en rapportagesysteem voor de uitstoot van broeikasgassen en een rapportagemechanisme voor overige informatie op nationaal niveau en op het niveau van de unie met betrekking tot klimaatverandering, en tot intrekking van Beschikking nr. 280/2004/EG (PB L 165 van 18.6.2013, blz. 13).

(17) Richtlijn 2003/4/EG van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2003 inzake de toegang van het publiek tot milieu-informatie en tot intrekking van Richtlijn 90/313/EEG van de Raad (PB L 41 van 14.2.2003, blz. 26).

(18) PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1.

(19) Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).

(20) PB C 369 van 17.12.2011, blz. 14.

(21) Richtlijn 2013/18/EU van de Raad van 13 mei 2013 tot aanpassing van Richtlijn 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen, in verband met de toetreding van de Republiek Kroatië (PB L 158 van 10.6.2013, blz. 230).

(22) Richtlijn 2009/72/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en tot intrekking van Richtlijn 2003/54/EG (PB L 211 van 14.8.2009, blz. 55).

(23) Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012(PB L 193 van 30.7.2018, blz. 1).

(24) Aanbeveling 2003/361/EG van de Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (PB L 124 van 20.5.2003, blz. 36).

(25) Richtlijn 2009/73/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor aardgas en tot intrekking van Richtlijn 2003/55/EG (PB L 211 van 14.8.2009, blz. 94).

(26) Uitvoeringsbesluit (EU) 2017/1442 van de Commissie van 31 juli 2017 tot vaststelling van BBT-conclusies (beste beschikbare technieken) op grond van Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad, voor grote stookinstallaties (PB L 212 van 17.8.2017, blz. 1).

(27) Verordening (EG) nr. 1059/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003 betreffende de opstelling van een gemeenschappelijke nomenclatuur van territoriale eenheden voor de statistiek (NUTS) (PB L 154 van 21.6.2003, blz. 1).

(28) Richtlijn 98/70/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 1998 betreffende de kwaliteit van benzine en van dieselbrandstof en tot wijziging van Richtlijn 93/12/EEG van de Raad (PB L 350 van 28.12.1998, blz. 58).



BIJLAGE I

TOTALE NATIONALE STREEFCIJFERS VOOR HET AANDEEL ENERGIE UIT HERNIEUWBARE BRONNEN IN HET BRUTO-EINDVERBRUIK VAN ENERGIE IN 2020 (1)

A. Algemene nationale streefcijfers

Aandeel energie uit hernieuwbare bronnen in het bruto-eindverbruik van energie, 2005 (S2005)Streefcijfer voor het aandeel energie uit hernieuwbare bronnen in het bruto-eindverbruik van energie, 2020 (S2020)
België2,2 %13 %
Bulgarije9,4 %16 %
Tsjechië6,1 %13 %
Denemarken17,0 %30 %
Duitsland5,8 %18 %
Estland18,0 %25 %
Ierland3,1 %16 %
Griekenland6,9 %18 %
Spanje8,7 %20 %
Frankrijk10,3 %23 %
Kroatië12,6 %20 %
Italië5,2 %17 %
Cyprus2,9 %13 %
Letland32,6 %40 %
Litouwen15,0 %23 %
Luxemburg0,9 %11 %
Hongarije4,3 %13 %
Malta0,0 %10 %
Nederland2,4 %14 %
Oostenrijk23,3 %34 %
Polen7,2 %15 %
Portugal20,5 %31 %
Roemenië17,8 %24 %
Slovenië16,0 %25 %
Slowakije6,7 %14 %
Finland28,5 %38 %
Zweden39,8 %49 %
Verenigd Koninkrijk1,3 %15 %


(1) In de richtsnoeren inzake staatssteun voor milieubescherming wordt beklemtoond dat er, met het oog op het halen van de nationale doelstellingen uiteengezet in deze bijlage, behoefte blijft aan nationale steunregelingen ter bevordering van energie uit hernieuwbare energiebronnen.



BIJLAGE II

NORMALISERINGSREGEL VOOR HET IN AANMERKING NEMEN VAN ELEKTRICITEIT DIE IS OPGEWEKT MET WATERKRACHT EN WINDENERGIE

Voor het in aanmerking nemen van elektriciteit die is opgewekt met waterkracht in een bepaalde lidstaat wordt de volgende formule toegepast:

(QN(norm))(CN[(/(i)(N 14))(QiCi)] 15) waarbij:

N=referentiejaar;
QN(norm)=de genormaliseerde elektriciteit die is opgewekt door alle waterkrachtcentrales van de lidstaat in jaar N;
Qi=de hoeveelheid elektriciteit die in jaar i werkelijk is opgewekt door alle waterkrachtcentrales van de lidstaat, gemeten in GWh, met uitzondering van productie door middel van pompaccumulatie waarbij gebruik wordt gemaakt van water dat eerder omhoog is gepompt;
Ci=de totale geïnstalleerde capaciteit, exclusief pompaccumulatie, van alle waterkrachtcentrales van de lidstaat aan het eind van jaar i, gemeten in MW.

Voor het in aanmerking nemen van elektriciteit die is opgewekt met onshorewindenergie in een bepaalde lidstaat wordt de volgende formule toegepast:

(QN(norm))((CN CN 12)((/(i)(Nn))Qi(/(j)(Nn))(Cj Cj 12))) waarbij:

N=referentiejaar;
QN(norm)=de genormaliseerde elektriciteit die is opgewekt door alle onshorewindturbines van de lidstaat in jaar N;
Qi=de hoeveelheid elektriciteit die in jaar i werkelijk is opgewekt door alle onshorewindturbines van de lidstaat, gemeten in GWh;
Cj=de totale geïnstalleerde capaciteit van alle onshorewindturbines van de lidstaat aan het eind van jaar j, gemeten in MW;
n=4 of het aantal jaren voorafgaand aan het jaar N waarvoor capaciteits- en productiegegevens beschikbaar zijn voor de lidstaat in kwestie, als dat aantal lager is.

Voor het in aanmerking nemen van elektriciteit die is opgewekt met offshorewindenergie in een bepaalde lidstaat wordt de volgende formule toegepast:

(QN(norm))((CN CN 12)((/(i)(Nn))Qi(/(j)(Nn))(Cj Cj 12))) waarbij:

N=referentiejaar;
QN(norm)=de genormaliseerde elektriciteit die is opgewekt door alle offshorewindturbines van de lidstaat in jaar N;
Qi=de hoeveelheid elektriciteit die in jaar i werkelijk is opgewekt door alle offshorewindturbines van de lidstaat, gemeten in GWh;
Cj=de totale geïnstalleerde capaciteit van alle offshorewindturbines van de lidstaat aan het eind van jaar j, gemeten in MW;
n=4 of het aantal jaren voorafgaand aan het jaar N waarvoor capaciteits- en productiegegevens beschikbaar zijn voor de lidstaat in kwestie, als dat aantal lager is.


BIJLAGE III

ENERGIE-INHOUD VAN BRANDSTOFFEN

BrandstofEnergie-inhoud per gewicht (calorische onderwaarde, MJ/kg)Energie-inhoud per volume (calorische onderwaarde, MJ/I)
BRANDSTOFFEN UIT BIOMASSA EN/OF BIOMASSAVERWERKING
Biopropaan4624
Zuivere plantaardige olie (olie die uit oliehoudende planten is verkregen door persing, extractie of vergelijkbare procedés, ruw of geraffineerd maar niet chemisch gemodificeerd)3734
Biodiesel — vetzuurmethylester (methylester geproduceerd uit olie uit biomassa)3733
Biodiesel — vetzuurethylester (ethylester geproduceerd uit olie uit biomassa)3834
Biogas dat kan worden gezuiverd tot de kwaliteit van aardgas50—
Waterstofbehandelde (thermochemisch met waterstof behandelde) olie uit biomassa, ter vervanging van diesel4434
Waterstofbehandelde (thermochemisch met waterstof behandelde) olie uit biomassa, ter vervanging van benzine4530
Waterstofbehandelde (thermochemisch met waterstof behandelde) olie uit biomassa, ter vervanging van vliegtuigbrandstof4434
Waterstofbehandelde (thermochemisch met waterstof behandelde) olie uit biomassa, ter vervanging van vloeibaar petroleumgas4624
Gelijktijdig verwerkte (in een raffinaderij gelijktijdig met fossiele brandstoffen verwerkte) olie uit al dan niet gepyrolyseerde biomassa, ter vervanging van diesel4336
Gelijktijdig verwerkte (in een raffinaderij gelijktijdig met fossiele brandstoffen verwerkte) olie uit al dan niet gepyrolyseerde biomassa, ter vervanging van benzine4432
Gelijktijdig verwerkte (in een raffinaderij gelijktijdig met fossiele brandstoffen verwerkte) olie uit al dan niet gepyrolyseerde biomassa, ter vervanging van vliegtuigbrandstof4333
Gelijktijdig verwerkte (in een raffinaderij gelijktijdig met fossiele brandstoffen verwerkte) olie uit al dan niet gepyrolyseerde biomassa, ter vervanging van vloeibaar petroleumgas4623
HERNIEUWBARE BRANDSTOFFEN DIE GEPRODUCEERD KUNNEN WORDEN UIT VERSCHILLENDE HERNIEUWBARE BRONNEN, WAARONDER BIOMASSA
Methanol uit hernieuwbare bronnen2016
Ethanol uit hernieuwbare bronnen2721
Propanol uit hernieuwbare bronnen3125
Butanol uit hernieuwbare bronnen3327
Fischer-Tropschdiesel (een synthetische koolwaterstof of een mengsel van synthetische koolwaterstoffen ter vervanging van diesel)4434
Fischer-Tropschbenzine (een synthetische koolwaterstof of een mengsel van synthetische koolwaterstoffen, geproduceerd uit biomassa, ter vervanging van benzine)4433
Fischer-Tropschvliegtuigbrandstof (een synthetische koolwaterstof of een mengsel van synthetische koolwaterstoffen, geproduceerd uit biomassa, ter vervanging van vliegtuigbrandstof)4433
Fischer-Tropschvloeibaar petroleumgas (een synthetische koolwaterstof of een mengsel van synthetische koolwaterstoffen ter vervanging van vloeibaar petroleumgas)4624
DME (dimethylether)2819
Waterstof uit hernieuwbare bronnen120—
ETBE (ethyl-tertiair-butylether op basis van ethanol)36 (waarvan 37 % uit hernieuwbare bronnen)27 (waarvan 37 % uit hernieuwbare bronnen)
MTBE (methyl-tertiair-butylether op basis van methanol)35 (waarvan 22 % uit hernieuwbare bronnen)26 (waarvan 22 % uit hernieuwbare bronnen)
TAEE (ethyl-tertiair-amylether op basis van ethanol)38 (waarvan 29 % uit hernieuwbare bronnen)29 (waarvan 29 % uit hernieuwbare bronnen)
TAME (methyl-tertiair-amylether op basis van methanol)36 (waarvan 18 % uit hernieuwbare bronnen)28 (waarvan 18 % uit hernieuwbare bronnen)
THxEE (hexyl-tertiair-ethylether op basis van ethanol)38 (waarvan 25 % uit hernieuwbare bronnen)30 (waarvan 25 % uit hernieuwbare bronnen)
THxME (hexyl-tertiair-methylether op basis van methanol)38 (waarvan 14 % uit hernieuwbare bronnen)30 (waarvan 14 % uit hernieuwbare bronnen)
FOSSIELE BRANDSTOFFEN
Benzine4332
Diesel4336


BIJLAGE IV

CERTIFICERING VAN INSTALLATEURS

De in artikel 18, lid 3, bedoelde certificatieregelingen of gelijkwaardige kwalificatieregelingen worden gebaseerd op de volgende criteria:

1. Het certificerings- of kwalificatieproces moet transparant en duidelijk gedefinieerd zijn door de lidstaat of het door de lidstaat aangeduide administratief orgaan.

2. Installateurs van biomassa-installaties, warmtepompen, ondiepe geothermische installaties en installaties voor fotovoltaïsche en thermische zonne-energie moeten worden gecertificeerd op basis van een geaccrediteerd opleidingsprogramma of een geaccrediteerde opleidingsverstrekker.

3. De accreditering van het opleidingsprogramma of de opleidingsverstrekker gebeurt door de lidstaat of de door de lidstaat aangeduide administratieve organen. Het accrediteringsorgaan ziet toe op de continuïteit en de regionale of nationale dekking van het door de opleidingsverstrekker aangeboden opleidingsprogramma. De opleidingsverstrekker moet over passende technische voorzieningen beschikken om praktische opleidingen te verstrekken, inclusief bepaalde laboratoriumapparatuur, of over overeenkomstige faciliteiten om praktische opleidingen te verstrekken. De opleidingsverstrekker moet naast de basisopleiding ook kortere opfriscursussen over actuele thema's aanbieden, bijvoorbeeld over nieuwe technologieën, om installateurs de mogelijkheid te bieden een leven lang te leren. De opleidingen mogen worden verstrekt door de fabrikant van de apparatuur of het systeem, of door een instelling of vereniging.

4. De opleiding op basis waarvan een installateur wordt gecertificeerd of gekwalificeerd wordt bevonden, moet een theoretisch en een praktisch gedeelte omvatten. Aan het einde van de opleiding moet de installateur over de nodige vaardigheden beschikken om de relevante apparatuur en systemen te installeren volgens de prestatie- en betrouwbaarheidsvereisten van de klant, om vakmanschap van hoge kwaliteit te leveren en om aan alle toepasselijke voorschriften en normen te voldoen, inclusief die op het vlak van de energie- en milieukeur.

5. De opleiding eindigt met een examen en het uitreiken van een certificaat of kwalificatiebewijs. Het examen omvat een beoordeling van het praktische vermogen van de installateur om ketels of kachels op biomassa, warmtepompen, ondiepe geothermische installaties of installaties voor fotovoltaïsche en thermische zonne-energie te installeren.

6. In de in artikel 18, lid 3, bedoelde certificatieregelingen of gelijkwaardige kwalificatieregelingen wordt terdege rekening gehouden met de volgende richtsnoeren:

a) Geaccrediteerde opleidingsprogramma's moeten worden aangeboden aan installateurs met werkervaring, die de volgende typen opleiding hebben gevolgd of volgen:

i) in het geval van installateurs van ketels en kachels op biomassa zijn de volgende opleidingen vereist: loodgieter, buizenfitter, technicus of monteur van sanitaire, verwarmings- of koelingsapparatuur;

ii) in het geval van installateurs van warmtepompen zijn de volgende opleidingen vereist: loodgieter of koeltechnicus met basisvaardigheden elektriciteit en loodgieterij (buizen snijden, solderen van buisverbindingen, verlijmen van buisverbindingen, isoleren, fittings dichten, testen op lekken en installeren van verwarmings- of koelingssystemen);

iii) in het geval van installateurs van installaties voor fotovoltaïsche en thermische zonne-energie zijn de volgende opleidingen vereist: loodgieter of elektricien met vaardigheden op het gebied van loodgieterij, elektriciteit en dakwerken, inclusief kennis van het solderen van buisverbindingen, het verlijmen van buisverbindingen, het dichten van fittings, het testen van loodgieterij op lekken, het aansluiten van bekabeling, en vertrouwd zijn met basismaterialen voor dakwerken en met methoden voor afvonken en dichten, of

iv) een beroepsopleiding die de installateur de vaardigheden verschaft die overeenstemmen met een driejarige opleiding in de onder a), b) of c) vermelde vaardigheden en die bestaat uit theoretische en praktische cursussen.

b) Het theoretisch gedeelte van de opleiding tot installateur van ketels en kachels op biomassa moet een overzicht verschaffen van de marktsituatie van biomassa en betrekking hebben op de ecologische aspecten, biomassabrandstoffen, logistieke aspecten, brandbeveiliging, desbetreffende subsidies, verbrandingstechnieken, opstarttechnieken, optimale hydraulische oplossingen, vergelijking van kosten en baten en opstelling, installatie en onderhoud van ketels en kachels op biomassa. De opleiding moet ook zorgen voor een goede kennis van alle Europese normen voor biomassatechnieken en -brandstoffen, zoals pellets, en van nationaal en Unierecht met betrekking tot biomassa.

c) Het theoretisch gedeelte van de opleiding tot installateur van warmtepompen moet een overzicht verschaffen van de marktsituatie van warmtepompen en betrekking hebben op de geothermische situatie en de ondergrondtemperaturen in verschillende regio's, het vaststellen van de thermische geleiding van bodemlagen en rotsen, regelgeving betreffende het gebruik van geothermische grondstoffen, de haalbaarheid van het gebruik van warmtepompen in gebouwen en het bepalen van het meest geschikte warmtepompsysteem, alsook kennis van de technische vereisten en de vereisten inzake veiligheid, luchtfiltering, aansluiting op de warmtebron en systeemontwerp. De opleiding moet ook zorgen voor een goede kennis van alle Europese normen voor warmtepompen en van relevant nationaal en Unierecht. De installateur moet aantonen dat hij over de volgende essentiële vaardigheden beschikt:

i) een basiskennis van de fysische en operationele beginselen van een warmtepomp, met inbegrip van de kenmerken van de warmtepompcyclus: het verband tussen de lage temperatuur van de warmteput, de hoge temperatuur van de warmtebron en de efficiëntie van het systeem, de vaststelling van de prestatiecoëfficiënt en het seizoensgebonden rendement (SPF);

ii) een begrip van de onderdelen van een warmtepompcyclus en hun functie, inclusief de compressor, expansieklep, verdamper, condensator, bevestigingen en fittings, smeerolie, koelvloeistof, en de mogelijkheden tot oververhitting en onderkoeling en koeling met warmtepompen, en

iii) het vermogen om in typische installatiesituaties correct gedimensioneerde onderdelen te kiezen, inclusief het bepalen van de typische waarden voor de warmtebelasting van verschillende gebouwen en voor de productie van warm water op basis van energieverbruik, het bepalen van de capaciteit van de warmtepomp voor de warmtebelasting voor warmwaterproductie, voor de opslagmassa van het gebouw en voor de levering van onderbreekbare stroom; het bepalen van de buffertank en het volume en de integratie van een tweede verwarmingssysteem.

d) Het theoretische gedeelte van de opleiding tot installateur van installaties voor fotovoltaïsche en thermische zonne-energie moet een overzicht verschaffen van de marktsituatie van zonne-energieproducten en vergelijking van kosten en baten, en betrekking hebben op ecologische aspecten, onderdelen, kenmerken en de dimensionering van zonne-energiesystemen, de selectie van nauwkeurige systemen en de dimensionering van onderdelen, het bepalen van de warmtebehoefte, brandbescherming, desbetreffende subsidies, en het ontwerp, de installatie en het onderhoud van installaties voor fotovoltaïsche en thermische zonne-energie. De opleiding moet ook zorgen voor een goede kennis van alle Europese normen inzake deze technologie, en van certificaten zoals Solar Keymark en het daarmee verband houdende nationale en Unierecht. De installateur moet aantonen dat hij over de volgende essentiële vaardigheden beschikt:

i) het vermogen om veilig te werken, met de juiste gereedschappen en apparatuur, om de veiligheidsvoorschriften en -normen toe te passen en om te identificeren welke gevaren inzake loodgieterij, elektriciteit en andere gevaren gepaard gaan met zonne-installaties;

ii) het vermogen om systemen te identificeren en onderdelen die specifiek zijn voor actieve en passieve systemen, met inbegrip van het mechanische ontwerp, en om de locatie, het systeemontwerp en de configuratie van de onderdelen te bepalen;

iii) het vermogen om de juiste plaats, oriëntatie en hoek voor de installatie van warmwaterketels op fotovoltaïsche en thermische zonne-energie te bepalen, rekening houdende met schaduwwerking, toegankelijkheid voor zonlicht, structurele integriteit, geschiktheid van de installatie voor het gebouw of het klimaat, geschiktheid van verschillende installatiemethoden voor verschillende daktypen en het evenwicht van de voor de installatie benodigde systeemapparatuur, en

iv) met name voor fotovoltaïsche systemen: het vermogen om het ontwerp van de elektriciteitsinstallatie aan te passen, inclusief het vaststellen van ontwerpspanningen, het selecteren van de geschikte spanning en oppervlaktegeleiding van elk elektrisch circuit, het bepalen van de juiste grootte en de locatie van alle randapparatuur en subsystemen en het selecteren van een geschikt aansluitpunt.

e) Het installateurscertificaat moet beperkt zijn in de tijd; om de certificering te behouden, moet een opfriscursus of -seminar worden gevolgd.


BIJLAGE V

REGELS VOOR HET BEREKENEN VAN HET EFFECT VAN BIOBRANDSTOFFEN, VLOEIBARE BIOMASSA EN HUN FOSSIELE REFERENTIEBRANDSTOFFEN OP DE BROEIKASGASEMISSIE

A. TYPISCHE EN STANDAARDWAARDEN VOOR BIOBRANDSTOFFEN DIE GEPRODUCEERD ZIJN ZONDER NETTO KOOLSTOFEMISSIES DOOR VERANDERINGEN IN LANDGEBRUIK

Keten voor de productie van biobrandstoffenBroeikasgasemissiereducties — typische waardeBroeikasgasemissiereducties — standaardwaarde
Suikerbietethanol (geen biogas uit spoeling, aardgas als procesbrandstof in conventionele boiler)67 %59 %
Suikerbietethanol (met biogas uit spoeling, aardgas als procesbrandstof in conventionele boiler)77 %73 %
Suikerbietethanol (geen biogas uit spoeling, aardgas als procesbrandstof in WKK-centrale (*))73 %68 %
Suikerbietethanol (met biogas uit spoeling, aardgas als procesbrandstof in WKK-centrale (*))79 %76 %
Suikerbietethanol (geen biogas uit spoeling, bruinkool als procesbrandstof in WKK-centrale (*))58 %47 %
Suikerbietethanol (met biogas uit spoeling, bruinkool als procesbrandstof in WKK-centrale (*))71 %64 %
Maisethanol (aardgas als procesbrandstof in conventionele boiler)48 %40 %
Maisethanol, (aardgas als procesbrandstof in WKK-installatie (*))55 %48 %
Maisethanol (bruinkool als procesbrandstof in WKK-installatie (*))40 %28 %
Maisethanol (bosbouwresiduen als procesbrandstof in WKK-installatie (*))69 %68 %
Ethanol van andere granen dan mais (aardgas als procesbrandstof in conventionele boiler)47 %38 %
Ethanol van andere granen dan mais (aardgas als procesbrandstof in WKK-installatie (*))53 %46 %
Ethanol van andere granen dan mais (bruinkool als procesbrandstof in WKK-installatie (*))37 %24 %
Ethanol van andere granen dan mais (bosbouwresiduen als procesbrandstof in WKK-installatie (*))67 %67 %
Suikerrietethanol70 %70 %
Het gedeelte hernieuwbare bronnen van ethyl-tertiair-butylether (ETBE)Gelijk aan de gebruikte keten voor ethanolproductie
Het gedeelte hernieuwbare bronnen van amyl-tertiair-ethylether (TAEE)Gelijk aan de gebruikte keten voor ethanolproductie
Biodiesel uit koolzaad52 %47 %
Biodiesel uit zonnebloemen57 %52 %
Biodiesel uit sojabonen55 %50 %
Biodiesel uit palmolie (open effluentvijver)32 %19 %
Biodiesel uit palmolie (proces met afvang van methaanemissies in oliefabriek)51 %45 %
Biodiesel uit afgewerkte bak- en braadolie88 %84 %
Biodiesel van dierlijk vet (**)84 %78 %
Waterstofbehandelde plantaardige olie uit koolzaad51 %47 %
Waterstofbehandelde plantaardige olie uit zonnebloemen58 %54 %
Waterstofbehandelde plantaardige olie uit sojabonen55 %51 %
Waterstofbehandelde plantaardige olie uit palmolie (open effluentvijver)34 %22 %
Waterstofbehandelde plantaardige olie uit palmolie (proces met afvang van methaanemissies in oliefabriek)53 %49 %
Waterstofbehandelde olie uit afgewerkte bak- en braadolie87 %83 %
Waterstofbehandelde olie uit dierlijk vet (**)83 %77 %
Zuivere plantaardige olie uit koolzaad59 %57 %
Zuivere plantaardige olie uit zonnebloemen65 %64 %
Zuivere plantaardige olie uit sojabonen63 %61 %
Zuivere plantaardige olie uit palmolie (open effluentvijver)40 %30 %
Zuivere plantaardige olie uit palmolie (proces met afvang van methaanemissies in oliefabriek)59 %57 %
Zuivere olie uit afgewerkte bak- en braadolie98 %98 %
(*)Standaardwaarden voor processen die gebruikmaken van WKK gelden alleen als alle proceswarmte van WKK afkomstig is.
(**)Geldt alleen voor biobrandstoffen vervaardigd uit dierlijke bijproducten die als categorie 1- en categorie 2-materiaal zijn ingedeeld overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad (1) en waarvoor de emissies in verband met de hygiënisatie bij het uitsmelten niet in aanmerking worden genomen

B. GERAAMDE TYPISCHE EN STANDAARDWAARDEN VOOR TOEKOMSTIGE BIOBRANDSTOFFEN DIE IN 2016 NIET OF ALLEEN IN VERWAARLOOSBARE HOEVEELHEDEN OP DE MARKT WAREN, VOOR ZOVER ZE ZIJN GEPRODUCEERD ZONDER NETTO KOOLSTOFEMISSIES DOOR VERANDERINGEN IN LANDGEBRUIK

Keten voor de productie van biobrandstoffenBroeikasgasemissiereducties — typische waardeBroeikasgasemissiereducties — standaardwaarde
Ethanol uit graanstro85 %83 %
Fischer-Tropschdiesel uit afvalhout in vrijstaande installatie85 %85 %
Fischer-Tropschdiesel uit geteeld hout in vrijstaande installatie82 %82 %
Fischer-Tropschbenzine uit afvalhout in vrijstaande installatie85 %85 %
Fischer-Tropschbenzine uit geteeld hout in vrijstaande installatie82 %82 %
Dimethylether (DME) uit afvalhout in vrijstaande installatie86 %86 %
DME uit geteeld hout in vrijstaande installatie83 %83 %
Methanol uit afvalhout in vrijstaande installatie86 %86 %
Methanol uit geteeld hout in vrijstaande installatie83 %83 %
Fischer-Tropschdiesel uit vergassing van zwart residuloog, geïntegreerd in cellulosefabriek89 %89 %
Fischer-Tropschbenzine uit vergassing van zwart residuloog, geïntegreerd in cellulosefabriek89 %89 %
DME uit vergassing van zwart residuloog, geïntegreerd in cellulosefabriek89 %89 %
Methanol uit vergassing van zwart residuloog, geïntegreerd in cellulosefabriek89 %89 %
Het gedeelte methyl-tertiair-butylether (MTBE) uit hernieuwbare bronnenGelijk aan de gebruikte keten voor methanolproductie

C. METHODE

1.Broeikasgasemissies door de productie en het gebruik van brandstoffen, biobrandstoffen en vloeibare biomassa voor vervoer worden als volgt berekend:

a) Broeikasgasemissies door de productie en het gebruik van biobrandstoffen worden als volgt berekend:

E = eec + el + ep + etd + eu – esca – eccs – eccr,

waarbij

E=de totale emissies ten gevolge van het gebruik van de brandstof;
eec=emissies ten gevolge van de teelt of het ontginnen van grondstoffen;
el=de op jaarbasis berekende emissies van wijzigingen in koolstofvoorraden door veranderingen in landgebruik;
ep=emissies ten gevolge van verwerkende activiteiten;
etd=emissies ten gevolge van vervoer en distributie;
eu=emissies ten gevolge van de gebruikte brandstof;
esca=emissiereductie door koolstofaccumulatie in de bodem als gevolg van beter landbouwbeheer;
eccs=emissiereductie door het afvangen en geologisch opslaan van CO2; alsmede
eccr=emissiereductie door het afvangen en vervangen van CO2.

Met de emissies ten gevolge van de productie van machines en apparatuur wordt geen rekening gehouden.

b) Broeikasgasemissies door de productie en het gebruik van vloeibare biomassa worden op dezelfde manier berekend als die door biobrandstoffen (E), maar met de nodige uitbreiding die nodig is voor de omzetting van energie in de geproduceerde elektriciteit en/of warmte en koeling, nl. als volgt:

i) Voor energie-installaties die alleen warmte leveren:



ii) Voor energie-installaties die alleen elektriciteit leveren:



waarbij

ECh,el=Totaal aan broeikasgasemissies uit de uiteindelijke energiegrondstof.
E=Totaal aan broeikasgasemissies van de vloeibare biomassa vóór deeindomzetting ervan.
el=Het elektrisch rendement, gedefinieerd als de op jaarbasis geproduceerde elektriciteit, gedeeld door de jaarlijkse input van vloeibare biomassa, op basis van de energie-inhoud daarvan.
h=Het warmterendement, gedefinieerd als de jaarlijkse nuttige warmteafgifte, gedeeld door de jaarlijkse input van vloeibare biomassa, op basis van de energie-inhoud daarvan.

iii) Voor de elektriciteit of de mechanische energie van energie-installaties die tegelijk nuttige warmte en elektriciteit en/of mechanische energie leveren:



iv) Voor de nuttige warmte van energie-installaties die tegelijk warmte en elektriciteit en/of mechanische energie leveren:



waarbij

ECh,el=Totaal aan broeikasgasemissies uit de uiteindelijke energiegrondstof.
E=Totaal aan broeikasgasemissies van de vloeibare biomassa vóór deeindomzetting ervan.
el=Het elektrisch rendement, gedefinieerd als de op jaarbasis geproduceerde elektriciteit, gedeeld door de jaarlijkse brandstofinput, op basis van de energie-inhoud daarvan.
h=Het warmterendement, gedefinieerd als de jaarlijkse nuttige warmteafgifte, gedeeld door de jaarlijkse brandstofinput, op basis van de energie-inhoud daarvan.
Cel=De exergiefractie in de elektriciteit, en/of de mechanische energie, vastgesteld op 100 % (Cel = 1).
Ch=Het Carnotrendement (exergiefractie in de nuttige warmte).

Het Carnotrendement, Ch, voor nuttige warmte bij verschillende temperaturen wordt gedefinieerd als:



waarbij

Th=Temperatuur, gemeten in absolute temperatuur (kelvin) of de nuttige warmte op het leveringspunt.
T0=Omgevingstemperatuur, vastgesteld op 273,15 kelvin (gelijk aan 0 °C)

Indien het overschot aan warmte wordt afgevoerd voor verwarming van gebouwen, bij een temperatuur van minder dan 150 °C (423,15 kelvin), kan Ch ook als volgt worden gedefinieerd:

Ch=Het Carnotrendement voor warmte op 150 °C (423,15 kelvin), wat neerkomt op: 0,3546

Voor deze berekening gelden de volgende definities:

a) „warmtekrachtkoppeling”: gelijktijdige opwekking in één proces van thermische energie en elektrische en/of mechanische energie;

b) „nuttige warmte”: warmte die wordt geproduceerd om aan een economisch gerechtvaardigde vraag naar warmte voor verwarming of koeling te voldoen;

c) „economisch gerechtvaardigde vraag”: de vraag die de behoefte aan warmte of koeling niet overschrijdt en waaraan in andere gevallen tegen marktvoorwaarden zou worden voldaan.
2.Broeikasgasemissies ten gevolge van biobrandstoffen en vloeibare biomassa worden als volgt berekend:

a) broeikasgasemissies ten gevolge van biobrandstoffen (E) worden uitgedrukt in gram CO2-equivalent per MJ brandstof, g CO2eq/MJ.

b) broeikasgasemissies ten gevolge van vloeibare biomassa (EC) in grammen CO2-equivalent per MJ eindenergie (warmte of elektriciteit), g CO2eq/MJ.

Wanneer verwarming en koeling tegelijk met elektriciteit worden geproduceerd, worden de emissies toegewezen aan warmte en elektriciteit (zoals in punt 1, onder b)), ongeacht of de warmte feitelijk voor verwarming dan wel voor koeling wordt gebruikt (2).

Wanneer de broeikasgasemissies die het gevolg zijn van de winning of de teelt van grondstoffen eec worden uitgedrukt in eenheden g CO2eq/ton droge grondstof, wordt het aantal gram CO2-equivalent per MJ brandstof, g CO2eq/MJ, als volgt berekend (3):



waarbij





De emissies per droge ton grondstof worden als volgt berekend:


3.Broeikasgasemissiereducties ten gevolge van het gebruik van biobrandstoffen en vloeibare biomassa worden als volgt berekend:

a) Broeikasgasemissiereducties ten gevolge van het gebruik van biobrandstoffen:

REDUCTIE = (E F(t) – E B)/E F(t),

waarbij

EB=de totale emissies ten gevolge van het gebruik van de biobrandstof; alsmede
EF(t)=de totale emissies ten gevolge van het gebruik van de fossiele referentiebrandstof voor vervoer

b) Broeikasgasemissiereducties ten gevolge van het gebruik van vloeibare biomassa voor verwarming, koeling en elektriciteitsproductie:

REDUCTIE = (ECF(h&c,el,) – ECB(h&c,el)/ECF (h&c,el),

waarbij

ECB(h&c,el)=de totale emissies ten gevolge van de warmte of elektriciteit, en
ECF(h&c,el)=de totale emissies ten gevolge van het gebruik van de fossiele referentiebrandstof voor nuttige warmte of elektriciteit.
4.Met het oog op de toepassing van punt 1, worden de broeikasgassen CO2, N2O en CH4 in aanmerking genomen. Met het oog op de berekening van de CO2-equivalentie worden de volgende waarden toegekend aan deze gassen:
CO2:1
N2O:298
CH4:25
5.Emissies door de teelt of het ontginnen van grondstoffen, eec, komen onder meer vrij door het proces van ontginnen of teelt zelf, door het verzamelen, drogen en opslaan van de grondstoffen, van afval en lekken, en door de productie van chemische stoffen of producten die worden gebruikt voor het ontginnen of de teelt. Met het afvangen van CO2 bij de teelt van grondstoffen wordt geen rekening gehouden. Ramingen van de emissies ten gevolge van de teelt van landbouwbiomassa kunnen worden afgeleid uit het gebruik van regionale gemiddelden voor de emissies ten gevolge van de teelt die zijn opgenomen in de in artikel 31, lid 4, bedoelde verslagen of de informatie over de gedesaggregeerde standaardwaarden die in de bijlage zijn opgenomen als alternatief voor het gebruik van feitelijke waarden. Bij gebrek aan relevante informatie in die verslagen is het toegestaan gemiddelden te berekenen op basis van plaatselijke landbouwpraktijken die bijvoorbeeld op de gegevens van een groep landbouwbedrijven zijn gebaseerd, als alternatief voor het gebruik van feitelijke waarden.
6.Voor de doeleinden van de in punt 1, onder a), bedoelde berekening wordt alleen rekening gehouden met de broeikasgasemissiereducties ten gevolge van verbeterd landbouwbeheer, esca, zoals overschakelen op weinig of geen grondbewerking, verbeterde vruchtwisseling, het gebruik van groenbemesting, met inbegrip van het beheer van landbouwgewassen, en het gebruik van biologische bodemverbeteraars (bv. compost, mestfermentatiedigestaat), als er sterk en verifieerbaar bewijs wordt geleverd dat de bodemkoolstof is toegenomen of dat redelijkerwijs kan worden verwacht dat het in de periode waarin de betrokken grondstoffen werden geteeld, is toegenomen, rekening houdend met de emissies wanneer dergelijke praktijken leiden tot toegenomen gebruik van kunstmest en herbicide (4).
7.Op jaarbasis berekende emissies uit wijzigingen van koolstofvoorraden door veranderingen in landgebruik, el, worden berekend door de totale emissies te delen door twintig jaar. Voor de berekening van die emissies wordt de volgende regel toegepast:

el = (CSR – CSA) × 3,664 × 1/20 × 1/P – eB, (5)

waarbij

el=op jaarbasis berekende broeikasgasemissies ten gevolge van wijzigingen van koolstofvoorraden door veranderingen in landgebruik (gemeten als massa (gram) CO2-equivalent per eenheid energie uit biobrandstoffen of vloeibare biomassa (megajoule)). „Akkerland” (6) en „land voor vaste gewassen” (7) worden beschouwd als één landgebruik;
CSR=de koolstofvoorraad per landeenheid van het referentielandgebruik (gemeten als massa (ton) koolstof per landeenheid, inclusief bodem en vegetatie). Het referentielandgebruik is het landgebruik op het laatste van de volgende twee tijdstippen: in januari 2008 of twintig jaar vóór het verkrijgen van de grondstoffen;
CSA=de koolstofvoorraad per landeenheid van het werkelijke landgebruik (gemeten als massa (ton) koolstof per landeenheid, inclusief bodem en vegetatie). Wanneer vorming van de koolstofvoorraad zich over een periode van meer dan één jaar uitstrekt, wordt de waarde voor CSA de geraamde voorraad per landeenheid na twintig jaar of wanneer het gewas tot volle wasdom komt, als dat eerder is;
P=de productiviteit van het gewas (gemeten als energie van de biobrandstof of vloeibare biomassa per landeenheid per jaar), en
eB=bonus van 29 g CO2eq/MJ biobrandstof of vloeibare biomassa indien de biomassa afkomstig is van hersteld aangetast land, mits aan de in punt 8 gestelde voorwaarden is voldaan.
8.De bonus van 29 g CO2eq/MJ wordt toegekend indien wordt bewezen dat het land:

a) in januari 2008 niet voor landbouwdoeleinden of andere doeleinden werd gebruikt, en

b) ernstig is aangetast, ook als het gaat om land dat voorheen voor landbouwdoeleinden werd gebruikt.

De bonus van 29 g CO2eq/MJ geldt voor een periode van twintig jaar, vanaf de datum dat het land naar landbouwgebruik wordt omgeschakeld, mits ten aanzien van het onder b) bedoelde land gezorgd wordt voor een gestage groei van de koolstofvoorraad en een aanzienlijke vermindering van de erosieverschijnselen.
9.Onder „ernstig aangetast land” wordt verstaan, gronden die gedurende een lange tijdspanne significant verzilt zijn of die een significant laag gehalte aan organische stoffen bevatten en die aan ernstige erosie lijden.
10.De Commissie evalueert uiterlijk op 31 december 2020 de richtsnoeren voor de berekening van koolstofvoorraden in de grond (8) op basis van de IPCC-richtsnoeren van 2006 inzake nationale inventarislijsten van broeikasgassen — deel 4 en in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 525/2013 en Verordening (EU) 2018/841 van het Europees Parlement en de Raad (9). Deze richtsnoeren dienen als basis voor de berekening van koolstofvoorraden in de grond voor de toepassing van deze richtlijn.
11.Emissies ten gevolge van verwerkende activiteiten, ep, omvatten de emissies van de verwerking zelf, van afval en lekken, en van de productie van chemische stoffen of producten die bij de verwerking worden gebruikt, waaronder de emissies van CO2 die overeenstemmen met de koolstofgehalten van fossiele inputs, ongeacht of die tijdens het proces daadwerkelijk worden verbrand.

Bij het berekenen van het verbruik aan elektriciteit die niet in de brandstofproductie-installatie is geproduceerd, wordt de intensiteit van de broeikasgasemissie ten gevolge van de productie en distributie van die elektriciteit geacht gelijk te zijn aan de gemiddelde intensiteit van de emissies ten gevolge van de productie en distributie van elektriciteit in een bepaald gebied. In afwijking van deze regel mogen producenten een gemiddelde waarde hanteren voor de elektriciteit die wordt geproduceerd door een individuele installatie voor elektriciteitsproductie, als die installatie niet is aangesloten op het elektriciteitsnet.

Emissies ten gevolge van de verwerking omvatten, in voorkomend geval, emissies ten gevolge van het drogen van tussenproducten en -materialen.
12.De emissies ten gevolge van vervoer en distributie, etd, omvatten de emissies ten gevolge van het vervoer van grondstoffen en halfafgewerkte materialen en van de opslag en distributie van afgewerkte materialen. De emissies ten gevolge van vervoer en distributie waarmee uit hoofde van punt 5 rekening moet worden gehouden, vallen niet onder dit punt.
13.De emissies ten gevolge van de gebruikte brandstof, eu, worden geacht nul te zijn voor biobrandstoffen en vloeibare biomassa.

Emissies van andere broeikasgassen dan CO2 (N2O en CH4) van de gebruikte brandstof zullen worden opgenomen in de eu-factor voor vloeibare biomassa.
14.Met betrekking tot de emissiereductie door het afvangen en geologisch opslaan van CO2, eccs, die nog niet is meegerekend in ep, wordt alleen rekening gehouden met emissies die vermeden worden door de afvang en opslag van uitgestoten CO2 die het directe gevolg is van de ontginning, het vervoer, de verwerking en de distributie van brandstof indien opgeslagen overeenkomstig Richtlijn 2009/31/EG van het Europees Parlement en de Raad (10).
15.Met betrekking tot de emissiereductie door het afvangen en vervangen van CO2, eccr, die rechtstreeks verband houdt met de productie van biobrandstoffen of vloeibare biomassa waaraan deze wordt toegeschreven, wordt alleen rekening gehouden met emissies die vermeden worden door de afvang van uitgestoten CO2 waarvan de koolstof afkomstig is van biomassa en die gebruikt wordt ter vervanging van CO2 uit fossiele brandstoffen in productie en levering van commerciële producten en diensten.
16.Wanneer een warmte-krachtkoppelingsinstallatie — die warmte en/of elektriciteit levert aan een brandstofproductieproces waarvoor emissies worden berekend — een overschot aan elektriciteit en/of nuttige warmte produceert, worden de broeikasgasemissies verdeeld tussen de elektriciteit en de nuttige warmte, afhankelijk van de temperatuur van de warmte (die een functie is van het nut van de warmte). Het nuttige deel van de warmte wordt gevonden door de energie-inhoud ervan te vermenigvuldigen met het Carnotrendement, Ch, als volgt berekend:



waarbij

Th=Temperatuur, gemeten in absolute temperatuur (kelvin) of de nuttige warmte op het leveringspunt.
T0=Omgevingstemperatuur, vastgesteld op 273,15 kelvin (gelijk aan 0 °C)

Indien het overschot aan warmte wordt afgevoerd voor verwarming van gebouwen, bij een temperatuur van minder dan 150 °C (423,15 kelvin), kan Ch ook als volgt worden gedefinieerd:

Ch=Het Carnotrendement voor warmte op 150 °C (423,15 kelvin), wat neerkomt op: 0,3546

Voor de doeleinden van die berekening wordt de werkelijke efficiëntie gebruikt, gedefinieerd als de jaarlijks geproduceerde hoeveelheid mechanische energie, elektriciteit en warmte, respectievelijk gedeeld door de jaarlijkse energie-input.

Voor die berekening gelden de volgende definities:

a) „warmtekrachtkoppeling”: gelijktijdige opwekking in één proces van thermische energie en elektrische en/of mechanische energie;

b) „nuttige warmte”: warmte die wordt geproduceerd om aan een economisch gerechtvaardigde vraag naar warmte voor verwarming of koeling te voldoen;

c) „economisch gerechtvaardigde vraag”: de vraag die de behoefte aan warmte of koeling niet overschrijdt en waaraan in andere gevallen tegen marktvoorwaarden zou worden voldaan.
17.Als een proces voor de productie van brandstof niet alleen de brandstof waarvoor de emissies worden berekend oplevert, maar ook één of meer andere producten (bijproducten), worden de broeikasgasemissies verdeeld tussen de brandstof of het tussenproduct ervan en de bijproducten in verhouding tot hun energie-inhoud (de calorische onderwaarde in het geval van andere bijproducten dan elektriciteit en warmte). De broeikasgasintensiteit van een overschot aan nuttige warmte of een overschot aan elektriciteit is dezelfde als de broeikasgasintensiteit van warmte of elektriciteit die aan het brandstofproductieproces wordt geleverd en wordt bepaald uit de berekening van de broeikasgasintensiteit van alle inputs en emissies, met inbegrip van de grondstoffen en CH4- en N2O-emissies, naar en van de warmtekrachtkoppelingsinstallatie, boiler of ander apparaat dat warmte of elektriciteit levert voor het brandstofproductieproces. In het geval van warmtekrachtkoppeling wordt de berekening overeenkomstig punt 16 uitgevoerd.
18.Met het oog op de in punt 17 vermelde berekening zijn de te verdelen emissies eec + el + esca + fracties van ep, etd, eccs, en eccr die ontstaan tot en met de stap van het proces waarin een bijproduct wordt geproduceerd. Als een toewijzing aan bijproducten heeft plaatsgevonden in een eerdere stap van het proces van de cyclus, wordt hiervoor de emissiefractie gebruikt die in de laatste stap is toegewezen aan het tussenproduct in plaats van de totale emissies.

In het geval van biobrandstoffen en vloeibare biomassa, wordt met alle bijproducten rekening gehouden voor de doeleinden van die berekening. Er worden geen emissies toegewezen aan afval of residuen. Bijproducten met een negatieve energie-inhoud worden met het oog op deze berekening geacht een energie-inhoud nul te hebben.

Afval en residuen, waaronder boomtoppen en takken, stro, vliezen, kolven en notendoppen, en residuen van verwerking, met inbegrip van ruwe glycerine (niet-geraffineerde glycerine) en bagasse, worden geacht tijdens hun levenscyclus geen broeikasgasemissies te veroorzaken totdat ze worden verzameld, ongeacht of zij tot tussenproducten worden verwerkt voor- of nadat zij tot eindproducten worden verwerkt.

In het geval van brandstoffen die in raffinaderijen worden geproduceerd, andere dan de combinatie van verwerkingsbedrijven met boilers of warmtekrachtinstallaties die warmte en/of elektriciteit leveren aan het verwerkingsbedrijf, is de raffinaderij de analyse-eenheid voor de doeleinden van de in punt 17 bedoelde berekening.
19.Met het oog op de in punt 3 vermelde berekening wordt voor biobrandstoffen, 94 g CO2eq/MJ gebruikt voor de fossiele referentiebrandstof (EF(t)).

Met het oog op de in punt 3 vermelde berekening wordt voor vloeibare biomassa voor elektriciteitsproductie de waarde 183 g CO2eq/MJ gebruikt voor de fossiele referentiebrandstof (ECF(e)).

Met het oog op de in punt 3 vermelde berekening wordt voor vloeibare biomassa voor de productie van nuttige warmte, alsmede voor de productie van verwarming en/of koeling de waarde 80 g CO2eq/MJ gebruikt voor de fossiele referentiebrandstof (ECF(h&c)).

D. GEDESAGGREGEERDE STANDAARDWAARDEN VOOR BIOBRANDSTOFFEN EN VLOEIBARE BIOMASSA

Gedesaggregeerde standaardwaarden voor de teelt: „eec” zoals gedefinieerd in deel C van deze bijlage met inbegrip van N2O-bodememissies

Keten voor de productie van biobrandstoffen en vloeibare biomassaBroeikasgasemissies — typische waarde

(g CO2eq/MJ)
Broeikasgasemissies — standaardwaarde

(g CO2eq/MJ)
Suikerbietethanol9,69,6
Maisethanol25,525,5
Ethanol van andere granen dan mais27,027,0
Suikerrietethanol17,117,1
Het gedeelte hernieuwbare bronnen van ETBEGelijk aan de gebruikte keten voor ethanolproductie
Het gedeelte hernieuwbare bronnen van TAEEGelijk aan de gebruikte keten voor ethanolproductie
Biodiesel uit koolzaad32,032,0
Biodiesel uit zonnebloemen26,126,1
Biodiesel uit sojabonen21,221,2
Biodiesel uit palmolie26,226,2
Biodiesel uit afgewerkte bak- en braadolie00
Biodiesel van dierlijk vet (**)00
Waterstofbehandelde plantaardige olie uit koolzaad33,433,4
Waterstofbehandelde plantaardige olie uit zonnebloemen26,926,9
Waterstofbehandelde plantaardige olie uit sojabonen22,122,1
Waterstofbehandelde plantaardige olie uit palmolie27,427,4
Waterstofbehandelde olie uit afgewerkte bak- en braadolie00
Waterstofbehandelde olie uit dierlijk vet (**)00
Zuivere plantaardige olie uit koolzaad33,433,4
Zuivere plantaardige olie uit zonnebloemen27,227,2
Zuivere plantaardige olie uit sojabonen22,222,2
Zuivere plantaardige olie uit palmolie27,127,1
Zuivere olie uit afgewerkte bak- en braadolie00

Gedesaggregeerde standaardwaarden voor de teelt: „eec” — alleen voor N2O bodememissies (deze zijn reeds opgenomen in de gedesaggregeerde waarden voor teeltemissies in de „eec”-tabel)

Keten voor de productie van biobrandstoffen en vloeibare biomassaBroeikasgasemissies — typische waarde

(g CO2eq/MJ)
Broeikasgasemissies — standaardwaarde

(g CO2eq/MJ)
Suikerbietethanol4,94,9
Maisethanol13,713,7
Ethanol van andere granen dan mais14,114,1
Suikerrietethanol2,12,1
Het gedeelte hernieuwbare bronnen van ETBEGelijk aan de gebruikte keten voor ethanolproductie
Het gedeelte hernieuwbare bronnen van TAEEGelijk aan de gebruikte keten voor ethanolproductie
Biodiesel uit koolzaad17,617,6
Biodiesel uit zonnebloemen12,212,2
Biodiesel uit sojabonen13,413,4
Biodiesel uit palmolie16,516,5
Biodiesel uit afgewerkte bak- en braadolie00
Biodiesel van dierlijk vet (**)00
Waterstofbehandelde plantaardige olie uit koolzaad18,018,0
Waterstofbehandelde plantaardige olie uit zonnebloemen12,512,5
Waterstofbehandelde plantaardige olie uit sojabonen13,713,7
Waterstofbehandelde plantaardige olie uit palmolie16,916,9
Waterstofbehandelde olie uit afgewerkte bak- en braadolie00
Waterstofbehandelde olie uit dierlijk vet (**)00
Zuivere plantaardige olie uit koolzaad17,617,6
Zuivere plantaardige olie uit zonnebloemen12,212,2
Zuivere plantaardige olie uit sojabonen13,413,4
Zuivere plantaardige olie uit palmolie16,516,5
Zuivere olie uit afgewerkte bak- en braadolie00

Gedesaggregeerde standaardwaarden voor verwerking: „ep”, zoals gedefinieerd in deel C van deze bijlage

Keten voor de productie van biobrandstoffen en vloeibare biomassaBroeikasgasemissies — typische waarde

(g CO2eq/MJ)
Broeikasgasemissies — standaardwaarde

(g CO2eq/MJ)
Suikerbietethanol (geen biogas uit spoeling, aardgas als procesbrandstof in conventionele boiler)18,826,3
Suikerbietethanol (met biogas uit spoeling, aardgas als procesbrandstof in conventionele boiler)9,713,6
Suikerbietethanol (geen biogas uit spoeling, aardgas als procesbrandstof in WKK-centrale (*1))13,218,5
Suikerbietethanol (met biogas uit spoeling, aardgas als procesbrandstof in WKK-centrale (*1))7,610,6
Suikerbietethanol (geen biogas uit spoeling, bruinkool als procesbrandstof in WKK-centrale (*1))27,438,3
Suikerbietethanol (met biogas uit spoeling, bruinkool als procesbrandstof in WKK-centrale (*1))15,722,0
Maisethanol (aardgas als procesbrandstof in conventionele boiler)20,829,1
Maisethanol, (aardgas als procesbrandstof in WKK-installatie (*1))14,820,8
Maisethanol (bruinkool als procesbrandstof in WKK-installatie (*1))28,640,1
Maisethanol (bosbouwresiduen als procesbrandstof in WKK-installatie (*1))1,82,6
Ethanol van andere granen dan mais (aardgas als procesbrandstof in conventionele boiler)21,029,3
Ethanol van andere granen dan mais (aardgas als procesbrandstof in WKK-installatie (*1))15,121,1
Ethanol van andere granen dan mais (bruinkool als procesbrandstof in WKK-installatie (*1))30,342,5
Ethanol van andere granen dan mais (bosbouwresiduen als procesbrandstof in WKK-installatie (*1))1,52,2
Suikerrietethanol1,31,8
Het gedeelte hernieuwbare bronnen van ETBEGelijk aan de gebruikte keten voor ethanolproductie
Het gedeelte hernieuwbare bronnen van TAEEGelijk aan de gebruikte keten voor ethanolproductie
Biodiesel uit koolzaad11,716,3
Biodiesel uit zonnebloemen11,816,5
Biodiesel uit sojabonen12,116,9
Biodiesel uit palmolie (open effluentvijver)30,442,6
Biodiesel uit palmolie (proces met afvang van methaanemissies in oliefabriek)13,218,5
Biodiesel uit afgewerkte bak- en braadolie9,313,0
Biodiesel van dierlijk vet (*2)13,619,1
Waterstofbehandelde plantaardige olie uit koolzaad10,715,0
Waterstofbehandelde plantaardige olie uit zonnebloemen10,514,7
Waterstofbehandelde plantaardige olie uit sojabonen10,915,2
Waterstofbehandelde plantaardige olie uit palmolie (open effluentvijver)27,838,9
Waterstofbehandelde plantaardige olie uit palmolie (proces met afvang van methaanemissies in oliefabriek)9,713,6
Waterstofbehandelde olie uit afgewerkte bak- en braadolie10,214,3
Waterstofbehandelde olie uit dierlijk vet (*2)14,520,3
Zuivere plantaardige olie uit koolzaad3,75,2
Zuivere plantaardige olie uit zonnebloemen3,85,4
Zuivere plantaardige olie uit sojabonen4,25,9
Zuivere plantaardige olie uit palmolie (open effluentvijver)22,631,7
Zuivere plantaardige olie uit palmolie (proces met afvang van methaanemissies in oliefabriek)4,76,5
Zuivere olie uit afgewerkte bak- en braadolie0,60,8

Gedesaggregeerde standaardwaarden uitsluitend voor olie-extractie (deze zijn reeds opgenomen in de gedesaggregeerde waarden voor de verwerkingsemissies in de „ep”-tabel)

Keten voor de productie van biobrandstoffen en vloeibare biomassaBroeikasgasemissies — typische waarde

(g CO2eq/MJ)
Broeikasgasemissies — standaardwaarde

(g CO2eq/MJ)
Biodiesel uit koolzaad3,04,2
Biodiesel uit zonnebloemen2,94,0
Biodiesel uit sojabonen3,24,4
Biodiesel uit palmolie (open effluentvijver)20,929,2
Biodiesel uit palmolie (proces met afvang van methaanemissies in oliefabriek)3,75,1
Biodiesel uit afgewerkte bak- en braadolie00
Biodiesel van dierlijk vet (**)4,36,1
Waterstofbehandelde plantaardige olie uit koolzaad3,14,4
Waterstofbehandelde plantaardige olie uit zonnebloemen3,04,1
Waterstofbehandelde plantaardige olie uit sojabonen3,34,6
Waterstofbehandelde plantaardige olie uit palmolie (open effluentvijver)21,930,7
Waterstofbehandelde plantaardige olie uit palmolie (proces met afvang van methaanemissies in oliefabriek)3,85,4
Waterstofbehandelde olie uit afgewerkte bak- en braadolie00
Waterstofbehandelde olie uit dierlijk vet (**)4,36,0
Zuivere plantaardige olie uit koolzaad3,14,4
Zuivere plantaardige olie uit zonnebloemen3,04,2
Zuivere plantaardige olie uit sojabonen3,44,7
Zuivere plantaardige olie uit palmolie (open effluentvijver)21,830,5
Zuivere plantaardige olie uit palmolie (proces met afvang van methaanemissies in oliefabriek)3,85,3
Zuivere olie uit afgewerkte bak- en braadolie00

Gedesaggregeerde standaardwaarden voor vervoer en distributie: „etd”, zoals gedefinieerd in deel C van deze bijlage

Keten voor de productie van biobrandstoffen en vloeibare biomassaBroeikasgasemissies — typische waarde

(g CO2eq/MJ)
Broeikasgasemissies — standaardwaarde

(g CO2eq/MJ)
Suikerbietethanol (geen biogas uit spoeling, aardgas als procesbrandstof in conventionele boiler)2,32,3
Suikerbietethanol (met biogas uit spoeling, aardgas als procesbrandstof in conventionele boiler)2,32,3
Suikerbietethanol (geen biogas uit spoeling, aardgas als procesbrandstof in WKK-centrale\ (*3))2,32,3
Suikerbietethanol (met biogas uit spoeling, aardgas als procesbrandstof in WKK-centrale (*3))2,32,3
Suikerbietethanol (geen biogas uit spoeling, bruinkool als procesbrandstof in WKK-centrale (*3))2,32,3
Suikerbietethanol (met biogas uit spoeling, bruinkool als procesbrandstof in WKK-centrale (*3))2,32,3
Maisethanol (aardgas als procesbrandstof in WKK-installatie (*3))2,22,2
Maisethanol (aardgas als procesbrandstof in conventionele boiler)2,22,2
Maisethanol (bruinkool als procesbrandstof in WKK-installatie (*3))2,22,2
Maisethanol (bosbouwresiduen als procesbrandstof in WKK-installatie (*3))2,22,2
Ethanol van andere granen dan mais (aardgas als procesbrandstof in conventionele boiler)2,22,2
Ethanol van andere granen dan mais (aardgas als procesbrandstof in WKK-installatie (*3))2,22,2
Ethanol van andere granen dan mais (bruinkool als procesbrandstof in WKK-installatie (*3))2,22,2
Ethanol van andere granen dan mais (bosbouwresiduen als procesbrandstof in WKK-installatie (*3))2,22,2
Suikerrietethanol9,79,7
Het gedeelte hernieuwbare bronnen van ETBEGelijk aan de gebruikte keten voor ethanolproductie
Het gedeelte hernieuwbare bronnen van TAEEGelijk aan de gebruikte keten voor ethanolproductie
Biodiesel uit koolzaad1,81,8
Biodiesel uit zonnebloemen2,12,1
Biodiesel uit sojabonen8,98,9
Biodiesel uit palmolie (open effluentvijver)6,96,9
Biodiesel uit palmolie (proces met afvang van methaanemissies in oliefabriek)6,96,9
Biodiesel uit afgewerkte bak- en braadolie1,91,9
Biodiesel van dierlijk vet (*4)1,71,7
Waterstofbehandelde plantaardige olie uit koolzaad1,71,7
Waterstofbehandelde plantaardige olie uit zonnebloemen2,02,0
Waterstofbehandelde plantaardige olie uit sojabonen9,29,2
Waterstofbehandelde plantaardige olie uit palmolie (open effluentvijver)7,07,0
Waterstofbehandelde plantaardige olie uit palmolie (proces met afvang van methaanemissies in oliefabriek)7,07,0
Waterstofbehandelde olie uit afgewerkte bak- en braadolie1,71,7
Waterstofbehandelde olie uit dierlijk vet (*4)1,51,5
Zuivere plantaardige olie uit koolzaad1,41,4
Zuivere plantaardige olie uit zonnebloemen1,71,7
Zuivere plantaardige olie uit sojabonen8,88,8
Zuivere plantaardige olie uit palmolie (open effluentvijver)6,76,7
Zuivere plantaardige olie uit palmolie (proces met afvang van methaanemissies in oliefabriek)6,76,7
Zuivere olie uit afgewerkte bak- en braadolie1,41,4

Gedesaggregeerde standaardwaarden voor vervoer en distributie van alleen de uiteindelijke brandstof. Deze zijn reeds opgenomen in de tabel „emissies ten gevolge van vervoer en distributie etd”, zoals vastgesteld in deel C van deze bijlage, maar de volgende waarden zijn nuttig als een marktpartij alleen de werkelijke vervoersemissies voor het vervoer van gewassen of olie wil aangeven.

Keten voor de productie van biobrandstoffen en vloeibare biomassaBroeikasgasemissies — typische waarde

(g CO2eq/MJ)
Broeikasgasemissies — standaardwaarde

(g CO2eq/MJ)
Suikerbietethanol (geen biogas uit spoeling, aardgas als procesbrandstof in conventionele boiler)1,61,6
Suikerbietethanol (met biogas uit spoeling, aardgas als procesbrandstof in conventionele boiler)1,61,6
Suikerbietethanol (geen biogas uit spoeling, aardgas als procesbrandstof in WKK-centrale (*5))1,61,6
Suikerbietethanol (met biogas uit spoeling, aardgas als procesbrandstof in WKK-centrale (*5))1,61,6
Suikerbietethanol (geen biogas uit spoeling, bruinkool als procesbrandstof in WKK-centrale (*5))1,61,6
Suikerbietethanol (met biogas uit spoeling, bruinkool als procesbrandstof in WKK-centrale (*5))1,61,6
Maisethanol (aardgas als procesbrandstof in conventionele boiler)1,61,6
Maisethanol (aardgas als procesbrandstof in WKK-installatie (*5))1,61,6
Maisethanol (bruinkool als procesbrandstof in WKK-installatie (*5))1,61,6
Maisethanol (bosbouwresiduen als procesbrandstof in WKK-installatie (*5))1,61,6
Ethanol van andere granen dan mais (aardgas als procesbrandstof in conventionele boiler)1,61,6
Ethanol van andere granen dan mais (aardgas als procesbrandstof in WKK-installatie (*5))1,61,6
Ethanol van andere granen dan mais (bruinkool als procesbrandstof in WKK-installatie (*5))1,61,6
Ethanol van andere granen dan mais (bosbouwresiduen als procesbrandstof in WKK-installatie (*5))1,61,6
Suikerrietethanol6,06,0
Het gedeelte ethyl-tertiair-butylether (ETBE) uit hernieuwbare bronnenWordt geacht gelijk te zijn aan de gebruikte keten voor ethanolproductie
Het gedeelte amyl-tertiair-ethylether (TAEE) uit hernieuwbare bronnenWordt geacht gelijk te zijn aan de gebruikte keten voor ethanolproductie
Biodiesel uit koolzaad1,31,3
Biodiesel uit zonnebloemen1,31,3
Biodiesel uit sojabonen1,31,3
Biodiesel uit palmolie (open effluentvijver)1,31,3
Biodiesel uit palmolie (proces met afvang van methaanemissies in oliefabriek)1,31,3
Biodiesel uit afgewerkte bak- en braadolie1,31,3
Biodiesel van dierlijk vet (*6)1,31,3
Waterstofbehandelde plantaardige olie uit koolzaad1,21,2
Waterstofbehandelde plantaardige olie uit zonnebloemen1,21,2
Waterstofbehandelde plantaardige olie uit sojabonen1,21,2
Waterstofbehandelde plantaardige olie uit palmolie (open effluentvijver)1,21,2
Waterstofbehandelde plantaardige olie uit palmolie (proces met afvang van methaanemissies in oliefabriek)1,21,2
Waterstofbehandelde olie uit afgewerkte bak- en braadolie1,21,2
Waterstofbehandelde olie uit dierlijk vet (*6)1,21,2
Zuivere plantaardige olie uit koolzaad0,80,8
Zuivere plantaardige olie uit zonnebloemen0,80,8
Zuivere plantaardige olie uit sojabonen0,80,8
Zuivere plantaardige olie uit palmolie (open effluentvijver)0,80,8
Zuivere plantaardige olie uit palmolie (proces met afvang van methaanemissies in oliefabriek)0,80,8
Zuivere olie uit afgewerkte bak- en braadolie0,80,8

Totaal voor teelt, verwerking, vervoer en distributie

Keten voor de productie van biobrandstoffen en vloeibare biomassaBroeikasgasemissies — typische waarde

(g CO2eq/MJ)
Broeikasgasemissies — standaardwaarde

(g CO2eq/MJ)
Suikerbietethanol (geen biogas uit spoeling, aardgas als procesbrandstof in conventionele boiler)30,738,2
Suikerbietethanol (met biogas uit spoeling, aardgas als procesbrandstof in conventionele boiler)21,625,5
Suikerbietethanol (geen biogas uit spoeling, aardgas als procesbrandstof in WKK-centrale (*7))25,130,4
Suikerbietethanol (met biogas uit spoeling, aardgas als procesbrandstof in WKK-centrale (*7))19,522,5
Suikerbietethanol (geen biogas uit spoeling, bruinkool als procesbrandstof in WKK-centrale (*7))39,350,2
Suikerbietethanol (met biogas uit spoeling, bruinkool als procesbrandstof in WKK-centrale (*7))27,633,9
Maisethanol (aardgas als procesbrandstof in conventionele boiler)48,556,8
Maisethanol, (aardgas als procesbrandstof in WKK-installatie (*7))42,548,5
Maisethanol (bruinkool als procesbrandstof in WKK-installatie (*7))56,367,8
Maisethanol (bosbouwresiduen als procesbrandstof in WKK-installatie (*7))29,530,3
Ethanol van andere granen dan mais (aardgas als procesbrandstof in conventionele boiler)50,258,5
Ethanol van andere granen dan mais (aardgas als procesbrandstof in WKK-installatie (*7))44,350,3
Ethanol van andere granen dan mais (bruinkool als procesbrandstof in WKK-installatie (*7))59,571,7
Ethanol van andere granen dan mais (bosbouwresiduen als procesbrandstof in WKK-installatie (*7))30,731,4
Suikerrietethanol28,128,6
Het gedeelte hernieuwbare bronnen van ETBEGelijk aan de gebruikte keten voor ethanolproductie
Het gedeelte hernieuwbare bronnen van TAEEGelijk aan de gebruikte keten voor ethanolproductie
Biodiesel uit koolzaad45,550,1
Biodiesel uit zonnebloemen40,044,7
Biodiesel uit sojabonen42,247,0
Biodiesel uit palmolie (open effluentvijver)63,575,7
Biodiesel uit palmolie (proces met afvang van methaanemissies in oliefabriek)46,351,6
Biodiesel uit afgewerkte bak- en braadolie11,214,9
Biodiesel van dierlijk vet (*8)15,320,8
Waterstofbehandelde plantaardige olie uit koolzaad45,850,1
Waterstofbehandelde plantaardige olie uit zonnebloemen39,443,6
Waterstofbehandelde plantaardige olie uit sojabonen42,246,5
Waterstofbehandelde plantaardige olie uit palmolie (open effluentvijver)62,273,3
Waterstofbehandelde plantaardige olie uit palmolie (proces met afvang van methaanemissies in oliefabriek)44,148,0
Waterstofbehandelde olie uit afgewerkte bak- en braadolie11,916,0
Waterstofbehandelde olie uit dierlijk vet (*8)16,021,8
Zuivere plantaardige olie uit koolzaad38,540,0
Zuivere plantaardige olie uit zonnebloemen32,734,3
Zuivere plantaardige olie uit sojabonen35,236,9
Zuivere plantaardige olie uit palmolie (open effluentvijver)56,365,4
Zuivere plantaardige olie uit palmolie (proces met afvang van methaanemissies in oliefabriek)38,457,2
Zuivere olie uit afgewerkte bak- en braadolie2,02,2

E. GERAAMDE GEDESAGGREGEERDE STANDAARDWAARDEN VOOR TOEKOMSTIGE BIOBRANDSTOFFEN EN VLOEIBARE BIOMASSA DIE IN 2016 NIET OF ALLEEN IN VERWAARLOOSBARE HOEVEELHEDEN OP DE MARKT WAREN

Gedesaggregeerde standaardwaarden voor de teelt: „eec”, zoals gedefinieerd in deel C van deze bijlage met inbegrip van N2O-emissies (inclusief spaanders van afvalhout of geteeld hout)

Keten voor de productie van biobrandstoffen en vloeibare biomassaBroeikasgasemissies — typische waarde

(g CO2eq/MJ)
Broeikasgasemissies — standaardwaarde

(g CO2eq/MJ)
Ethanol uit graanstro1,81,8
Fischer-Tropschdiesel uit afvalhout in vrijstaande installatie3,33,3
Fischer-Tropschdiesel uit geteeld hout in vrijstaande installatie8,28,2
Fischer-Tropschbenzine uit afvalhout in vrijstaande installatie8,28,2
Fischer-Tropschbenzine uit geteeld hout in vrijstaande installatie12,412,4
Dimethylether (DME) uit afvalhout in vrijstaande installatie3,13,1
DME uit geteeld hout in vrijstaande installatie7,67,6
Methanol uit afvalhout in vrijstaande installatie3,13,1
Methanol uit geteeld hout in vrijstaande installatie7,67,6
Fischer-Tropschdiesel uit vergassing van zwart residuloog, geïntegreerd in cellulosefabriek2,52,5
Fischer-Tropschbenzine uit vergassing van zwart residuloog, geïntegreerd in cellulosefabriek2,52,5
DME uit vergassing van zwart residuloog, geïntegreerd in cellulosefabriek2,52,5
Methanol uit vergassing van zwart residuloog, geïntegreerd in cellulosefabriek2,52,5
Het gedeelte MTBE uit hernieuwbare bronnenGelijk aan de gebruikte keten voor methanolproductie

Gedesaggregeerde standaardwaarden voor N2O-bodememissies (opgenomen in de „eec”-tabel met gedesaggregeerde standaardwaarden voor teeltgebonden emissies)

Keten voor de productie van biobrandstoffen en vloeibare biomassaBroeikasgasemissies — typische waarde

(g CO2eq/MJ)
Broeikasgasemissies — standaardwaarde

(g CO2eq/MJ)
Ethanol uit graanstro00
Fischer-Tropschdiesel uit afvalhout in vrijstaande installatie00
Fischer-Tropschdiesel uit geteeld hout in vrijstaande installatie4,44,4
Fischer-Tropschbenzine uit afvalhout in vrijstaande installatie00
Fischer-Tropschbenzine uit geteeld hout in vrijstaande installatie4,44,4
Dimethylether (DME) uit afvalhout in vrijstaande installatie00
Dimethylether (DME) uit geteeld hout in vrijstaande installatie4,14,1
Methanol uit afvalhout in vrijstaande installatie00
Methanol uit geteeld hout in vrijstaande installatie4,14,1
Fischer-Tropschdiesel uit vergassing van zwart residuloog, geïntegreerd in cellulosefabriek00
Fischer-Tropschbenzine uit vergassing van zwart residuloog, geïntegreerd in cellulosefabriek00
DME uit vergassing van zwart residuloog, geïntegreerd in cellulosefabriek00
Methanol uit vergassing van zwart residuloog, geïntegreerd in cellulosefabriek00
Het gedeelte MTBE uit hernieuwbare bronnenGelijk aan de gebruikte keten voor methanolproductie

Gedesaggregeerde standaardwaarden voor verwerking: „ep”, zoals gedefinieerd in deel C van deze bijlage

Keten voor de productie van biobrandstoffen en vloeibare biomassaBroeikasgasemissies — typische waarde

(g CO2eq/MJ)
Broeikasgasemissies — standaardwaarde

(g CO2eq/MJ)
Ethanol uit graanstro4,86,8
Fischer-Tropschdiesel uit afvalhout in vrijstaande installatie0,10,1
Fischer-Tropschdiesel uit geteeld hout in vrijstaande installatie0,10,1
Fischer-Tropschbenzine uit afvalhout in vrijstaande installatie0,10,1
Fischer-Tropschbenzine uit geteeld hout in vrijstaande installatie0,10,1
Dimethylether (DME) uit afvalhout in vrijstaande installatie00
DME uit geteeld hout in vrijstaande installatie00
Methanol uit afvalhout in vrijstaande installatie00
Methanol uit geteeld hout in vrijstaande installatie00
Fischer-Tropschdiesel uit vergassing van zwart residuloog, geïntegreerd in cellulosefabriek00
Fischer-Tropschbenzine uit vergassing van zwart residuloog, geïntegreerd in cellulosefabriek00
Dimethylether DME uit vergassing van zwart residuloog, geïntegreerd in cellulosefabriek00
Methanol uit vergassing van zwart residuloog, geïntegreerd in cellulosefabriek00
Het gedeelte MTBE uit hernieuwbare bronnenGelijk aan de gebruikte keten voor methanolproductie

Gedesaggregeerde standaardwaarden voor vervoer en distributie: „etd”, zoals gedefinieerd in deel C van deze bijlage

Keten voor de productie van biobrandstoffen en vloeibare biomassaBroeikasgasemissies — typische waarde

(g CO2eq/MJ)
Broeikasgasemissies — standaardwaarde

(g CO2eq/MJ)
Ethanol uit graanstro7,17,1
Fischer-Tropschdiesel uit afvalhout in vrijstaande installatie10,310,3
Fischer-Tropschdiesel uit geteeld hout in vrijstaande installatie8,48,4
Fischer-Tropschbenzine uit afvalhout in vrijstaande installatie10,310,3
Fischer-Tropschbenzine uit geteeld hout in vrijstaande installatie8,48,4
Dimethylether (DME) uit afvalhout in vrijstaande installatie10,410,4
Dimethylether (DME) uit geteeld hout in vrijstaande installatie8,68,6
Methanol uit afvalhout in vrijstaande installatie10,410,4
Methanol uit geteeld hout in vrijstaande installatie8,68,6
Fischer-Tropschdiesel uit vergassing van zwart residuloog, geïntegreerd in cellulosefabriek7,77,7
Fischer-Tropschbenzine uit vergassing van zwart residuloog, geïntegreerd in cellulosefabriek7,97,9
Dimethylether (DME) uit vergassing van zwart residuloog, geïntegreerd in cellulosefabriek7,77,7
Methanol uit vergassing van zwart residuloog, geïntegreerd in cellulosefabriek7,97,9
Het gedeelte MTBE uit hernieuwbare bronnenGelijk aan de gebruikte keten voor methanolproductie

Gedesaggregeerde standaardwaarden voor vervoer en distributie van alleen de uiteindelijke brandstof. Deze zijn reeds opgenomen in de tabel „emissies ten gevolge van vervoer en distributie etd”, zoals vastgesteld in deel C van deze bijlage, maar de volgende waarden zijn nuttig indien een marktpartij alleen vervoersemissies voor grondstoffenvervoer wenst aan te geven.

Keten voor de productie van biobrandstoffen en vloeibare biomassaBroeikasgasemissies — typische waarde

(g CO2eq/MJ)
Broeikasgasemissies — standaardwaarde

(g CO2eq/MJ)
Ethanol uit graanstro1,61,6
Fischer-Tropschdiesel uit afvalhout in vrijstaande installatie1,21,2
Fischer-Tropschdiesel uit geteeld hout in vrijstaande installatie1,21,2
Fischer-Tropschbenzine uit afvalhout in vrijstaande installatie1,21,2
Fischer-Tropschbenzine uit geteeld hout in vrijstaande installatie1,21,2
Dimethylether (DME) uit afvalhout in vrijstaande installatie2,02,0
Dimethylether (DME) uit geteeld hout in vrijstaande installatie2,02,0
Methanol uit afvalhout in vrijstaande installatie2,02,0
Methanol uit geteeld hout in vrijstaande installatie2,02,0
Fischer-Tropschdiesel uit vergassing van zwart residuloog, geïntegreerd in cellulosefabriek2,02,0
Fischer-Tropschbenzine uit vergassing van zwart residuloog, geïntegreerd in cellulosefabriek2,02,0
Dimethylether (DME) uit vergassing van zwart residuloog, geïntegreerd in cellulosefabriek2,02,0
Methanol uit vergassing van zwart residuloog, geïntegreerd in cellulosefabriek2,02,0
Het gedeelte MTBE uit hernieuwbare bronnenGelijk aan de gebruikte keten voor methanolproductie

Totaal voor teelt, verwerking, vervoer en distributie

Keten voor de productie van biobrandstoffen en vloeibare biomassaBroeikasgasemissies — typische waarde

(g CO2eq/MJ)
Broeikasgasemissies — standaardwaarde

(g CO2eq/MJ)
Ethanol uit graanstro13,715,7
Fischer-Tropschdiesel uit afvalhout in vrijstaande installatie13,713,7
Fischer-Tropschdiesel uit geteeld hout in vrijstaande installatie16,716,7
Fischer-Tropschbenzine uit afvalhout in vrijstaande installatie13,713,7
Fischer-Tropschbenzine uit geteeld hout in vrijstaande installatie16,716,7
Dimethylether (DME) uit afvalhout in vrijstaande installatie13,513,5
Dimethylether (DME) uit geteeld hout in vrijstaande installatie16,216,2
Methanol uit afvalhout in vrijstaande installatie13,513,5
Methanol uit geteeld hout in vrijstaande installatie16,216,2
Fischer-Tropschdiesel uit vergassing van zwart residuloog, geïntegreerd in cellulosefabriek10,210,2
Fischer-Tropschbenzine uit vergassing van zwart residuloog, geïntegreerd in cellulosefabriek10,410,4
Dimethylether (DME) uit vergassing van zwart residuloog, geïntegreerd in cellulosefabriek10,210,2
Methanol uit vergassing van zwart residuloog, geïntegreerd in cellulosefabriek10,410,4
Het gedeelte MTBE uit hernieuwbare bronnenGelijk aan de gebruikte keten voor methanolproductie


(1) Verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1774/2002 (verordening dierlijke bijproducten) (PB L 300 van 14.11.2009, blz. 1).

(2) Warmte of afvalwarmte wordt gebruikt voor de productie van koeling (gekoelde lucht of gekoeld water) via absorptiekoelers. Het is derhalve passend alleen de emissies te berekenen die verband houden met de warmte die per MJ warmte wordt geproduceerd, ongeacht of het eindgebruik van de warmte feitelijk verwarming of koeling via absorptiekoelers behelst.

(3) De formule voor de berekening van de broeikasgasemissies van de winning of de teelt van grondstoffen eec beschrijft gevallen waarin de grondstof in één stap wordt omgezet in biobrandstoffen. Voor complexere toeleveringsketens zijn aanpassingen nodig voor de berekening van broeikasgasemissies van de winning of teelt van grondstoffen eec voor intermediaire producten.

(4) Metingen van bodemkoolstof kunnen dat bewijs vormen, bv. door een eerste meting vóór de teelt en vervolgens metingen op gezette tijden met tussenpozen van verschillende jaren. In dat geval zou, voordat het resultaat van de tweede meting beschikbaar is, de toename van bodemkoolstof kunnen worden geraamd op basis van representatieve experimenten of bodemmodellen. Vanaf de tweede meting zouden de metingen de basis vormen om vast te stellen of er sprake is van een toename van bodemkoolstof en te bepalen hoe groot die is.

(5) Het resultaat van de deling van het moleculaire gewicht van CO2 (44,010 g/mol) door het moleculaire gewicht van koolstof (12,011 g/mol) is 3,664.

(6) Akkerland als gedefinieerd door het IPCC.

(7) Vaste gewassen worden gedefinieerd als meerjarige gewassen waarvan de stam gewoonlijk niet jaarlijks wordt geoogst, zoals hakhout met een korte omlooptijd en oliepalm.

(8) Besluit 2010/335/EU van de Commissie van 10 juni 2010 betreffende richtsnoeren voor de berekening van de terrestrische koolstofvoorraden voor de doeleinden van bijlage V van Richtlijn 2009/28/EG (PB L 151 van 17.6.2010, blz. 19).

(9) Verordening (EU) 2018/841 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 inzake de opname van broeikasgasemissies en -verwijderingen door landgebruik, verandering in landgebruik en bosbouw in het klimaat- en energiekader 2030 en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 525/2013 en Besluit nr. 529/2013/EU (PB L 156 van 19.6.2018, blz. 1).

(10) Richtlijn 2009/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 betreffende de geologische opslag van kooldioxide en tot wijziging van Richtlijn 85/337/EEG van de Raad, de Richtlijnen 2000/60/EG, 2001/80/EG, 2004/35/EG, 2006/12/EG en 2008/1/EG en Verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 140 van 5.6.2009, blz. 114).

(**)  Geldt alleen voor biobrandstoffen vervaardigd uit dierlijke bijproducten die als categorie 1- en categorie 2-materiaal zijn ingedeeld overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1069/2009, waarvoor de emissies in verband met de hygiënisatie bij het uitsmelten niet in aanmerking worden genomen.

(**)  

Opmerking: geldt alleen voor biobrandstoffen vervaardigd uit dierlijke bijproducten die als categorie 1- en categorie 2-materiaal zijn ingedeeld overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1069/2009, waarvoor de emissies in verband met de hygiënisatie bij het uitsmelten niet in aanmerking worden genomen.

(*1)  Standaardwaarden voor processen die gebruikmaken van WKK gelden alleen als alle proceswarmte van WKK afkomstig is.

(*2)  

Opmerking: geldt alleen voor biobrandstoffen vervaardigd uit dierlijke bijproducten die als categorie 1- en categorie 2-materiaal zijn ingedeeld overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1069/2009, waarvoor de emissies in verband met de hygiënisatie bij het uitsmelten niet in aanmerking worden genomen.

(**)  

Opmerking: geldt alleen voor biobrandstoffen vervaardigd uit dierlijke bijproducten die als categorie 1- en categorie 2-materiaal zijn ingedeeld overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1069/2009, waarvoor de emissies in verband met de hygiënisatie bij het uitsmelten niet in aanmerking worden genomen.

(*3)  Standaardwaarden voor processen die gebruikmaken van WKK gelden alleen als alle proceswarmte van WKK afkomstig is.

(*4)  

Opmerking: geldt alleen voor biobrandstoffen vervaardigd uit dierlijke bijproducten die als categorie 1- en categorie 2-materiaal zijn ingedeeld overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1069/2009, waarvoor de emissies in verband met de hygiënisatie bij het uitsmelten niet in aanmerking worden genomen.

(*5)  Standaardwaarden voor processen die gebruikmaken van WKK gelden alleen als alle proceswarmte van WKK afkomstig is.

(*6)  

Opmerking: geldt alleen voor biobrandstoffen vervaardigd uit dierlijke bijproducten die als categorie 1- en categorie 2-materiaal zijn ingedeeld overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1069/2009, waarvoor de emissies in verband met de hygiënisatie bij het uitsmelten niet in aanmerking worden genomen.

(*7)  Standaardwaarden voor processen die gebruikmaken van WKK gelden alleen als alle proceswarmte van WKK afkomstig is.

(*8)  

Opmerking: geldt alleen voor biobrandstoffen vervaardigd uit dierlijke bijproducten die als categorie 1- en categorie 2-materiaal zijn ingedeeld overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1069/2009, waarvoor de emissies in verband met de hygiënisatie bij het uitsmelten niet in aanmerking worden genomen.



BIJLAGE VI

REGELS VOOR HET BEREKENEN VAN HET EFFECT VAN BIOMASSABRANDSTOFFEN EN DE FOSSIELE REFERENTIEBRANDSTOFFEN ERVAN OP DE BROEIKASGASEMISSIE

A. TYPISCHE EN STANDAARDWAARDEN VAN BROEIKASGASEMISSIEREDUCTIES VOOR BIOMASSABRANDSTOFFEN DIE GEPRODUCEERD ZIJN ZONDER NETTO KOOLSTOFEMISSIES DOOR VERANDERINGEN IN LANDGEBRUIK

HOUTSPAANDERS
Biomassabrandstofproductie-installatieAfstand transportBroeikasgasemissiereducties — typische waardeBroeikasgasemissiereducties — standaardwaarde
WarmteElektriciteitWarmteElektriciteit
Houtspaanders van bosresiduen1 tot en met 500 km93 %89 %91 %87 %
500 tot en met 2 500 km89 %84 %87 %81 %
2 500 tot en met 10 000 km82 %73 %78 %67 %
Meer dan 10 000 km67 %51 %60 %41 %
Houtspaanders van hakhout met een korte omlooptijd (Eucalyptus)2 500 tot en met 10 000 km77 %65 %73 %60 %
Houtspaanders van hakhout met een korte omlooptijd (Populier — bemest)1 tot en met 500 km89 %83 %87 %81 %
500 tot en met 2 500 km85 %78 %84 %76 %
2 500 tot en met 10 000 km78 %67 %74 %62 %
Meer dan 10 000 km63 %45 %57 %35 %
Houtspaanders van hakhout met een korte omlooptijd (Populier — niet bemest)1 tot en met 500 km91 %87 %90 %85 %
500 tot en met 2 500 km88 %82 %86 %79 %
2 500 tot en met 10 000 km80 %70 %77 %65 %
Meer dan 10 000 km65 %48 %59 %39 %
Houtspaanders van stamhout1 tot en met 500 km93 %89 %92 %88 %
500 tot en met 2 500 km90 %85 %88 %82 %
2 500 tot en met 10 000 km82 %73 %79 %68 %
Meer dan 10 000 km67 %51 %61 %42 %
Houtspaanders van industriële residuen1 tot en met 500 km94 %92 %93 %90 %
500 tot en met 2 500 km91 %87 %90 %85 %
2 500 tot en met 10 000 km83 %75 %80 %71 %
Meer dan 10 000 km69 %54 %63 %44 %

HOUTPELLETS (*1)
Biomassabrandstofproductie-installatieAfstand transportBroeikasgasemissiereducties — typische waardeBroeikasgasemissiereducties — standaardwaarde
WarmteElektriciteitWarmteElektriciteit
Houtbriketten of pellets van bosresiduenGeval 11 tot en met 500 km58 %37 %49 %24 %
500 tot en met 2 500 km58 %37 %49 %25 %
2 500 tot en met 10 000 km55 %34 %47 %21 %
Meer dan 10 000 km50 %26 %40 %11 %
Geval 2a1 tot en met 500 km77 %66 %72 %59 %
500 tot en met 2 500 km77 %66 %72 %59 %
2 500 tot en met 10 000 km75 %62 %70 %55 %
Meer dan 10 000 km69 %54 %63 %45 %
Geval 3a1 tot en met 500 km92 %88 %90 %85 %
500 tot en met 2 500 km92 %88 %90 %86 %
2 500 tot en met 10 000 km90 %85 %88 %81 %
Meer dan 10 000 km84 %76 %81 %72 %
Houtbriketten of pellets van hakhout met een korte omlooptijd (Eucalyptus)Geval 12 500 tot en met 10 000 km52 %28 %43 %15 %
Geval 2a2 500 tot en met 10 000 km70 %56 %66 %49 %
Geval 3a2 500 tot en met 10 000 km85 %78 %83 %75 %
Houtbriketten of pellets van hakhout met een korte omlooptijd (Populier — bemest)Geval 11 tot en met 500 km54 %32 %46 %20 %
500 tot en met 10 000 km52 %29 %44 %16 %
Meer dan 10 000 km47 %21 %37 %7 %
Geval 2a1 tot en met 500 km73 %60 %69 %54 %
500 tot en met 10 000 km71 %57 %67 %50 %
Meer dan 10 000 km66 %49 %60 %41 %
Geval 3a1 tot en met 500 km88 %82 %87 %81 %
500 tot en met 10 000 km86 %79 %84 %77 %
Meer dan 10 000 km80 %71 %78 %67 %
Houtbriketten of pellets van hakhout met een korte omlooptijd (Populier — niet bemest)Geval 11 tot en met 500 km56 %35 %48 %23 %
500 tot en met 10 000 km54 %32 %46 %20 %
Meer dan 10 000 km49 %24 %40 %10 %
Geval 2a1 tot en met 500 km76 %64 %72 %58 %
500 tot en met 10 000 km74 %61 %69 %54 %
Meer dan 10 000 km68 %53 %63 %45 %
Geval 3a1 tot en met 500 km91 %86 %90 %85 %
500 tot en met 10 000 km89 %83 %87 %81 %
Meer dan 10 000 km83 %75 %81 %71 %
StamhoutGeval 11 tot en met 500 km57 %37 %49 %24 %
500 tot en met 2 500 km58 %37 %49 %25 %
2 500 tot en met 10 000 km55 %34 %47 %21 %
Meer dan 10 000 km50 %26 %40 %11 %
Geval 2a1 tot en met 500 km77 %66 %73 %60 %
500 tot en met 2 500 km77 %66 %73 %60 %
2 500 tot en met 10 000 km75 %63 %70 %56 %
Meer dan 10 000 km70 %55 %64 %46 %
Geval 3a1 tot en met 500 km92 %88 %91 %86 %
500 tot en met 2 500 km92 %88 %91 %87 %
2 500 tot en met 10 000 km90 %85 %88 %83 %
Meer dan 10 000 km84 %77 %82 %73 %
Houtbriketten of pellets van residuen uit de houtindustrieGeval 11 tot en met 500 km75 %62 %69 %55 %
500 tot en met 2 500 km75 %62 %70 %55 %
2 500 tot en met 10 000 km72 %59 %67 %51 %
Meer dan 10 000 km67 %51 %61 %42 %
Geval 2a1 tot en met 500 km87 %80 %84 %76 %
500 tot en met 2 500 km87 %80 %84 %77 %
2 500 tot en met 10 000 km85 %77 %82 %73 %
Meer dan 10 000 km79 %69 %75 %63 %
Geval 3a1 tot en met 500 km95 %93 %94 %91 %
500 tot en met 2 500 km95 %93 %94 %92 %
2 500 tot en met 10 000 km93 %90 %92 %88 %
Meer dan 10 000 km88 %82 %85 %78 %

LANDBOUWKETENS
Biomassabrandstofproductie-installatieAfstand transportBroeikasgasemissiereducties — typische waardeBroeikasgasemissiereducties — standaardwaarde
WarmteElektriciteitWarmteElektriciteit
Landbouwresiduen met een dichtheid < 0,2 t/m3  (*2)1 tot en met 500 km95 %92 %93 %90 %
500 tot en met 2 500 km89 %83 %86 %80 %
2 500 tot en met 10 000 km77 %66 %73 %60 %
Meer dan 10 000 km57 %36 %48 %23 %
Landbouwresiduen met een dichtheid > 0,2 t/m3  (*3)1 tot en met 500 km95 %92 %93 %90 %
500 tot en met 2 500 km93 %89 %92 %87 %
2 500 tot en met 10 000 km88 %82 %85 %78 %
Meer dan 10 000 km78 %68 %74 %61 %
Stropellets1 tot en met 500 km88 %82 %85 %78 %
500 tot en met 10 000 km86 %79 %83 %74 %
Meer dan 10 000 km80 %70 %76 %64 %
Bagassebriketten500 tot en met 10 000 km93 %89 %91 %87 %
Meer dan 10 000 km87 %81 %85 %77 %
PalmpitschrootMeer dan 10 000 km20 %-18 %11 %-33 %
Palmpitschroot (geen CH4-emissies van oliefabriek)Meer dan 10 000 km46 %20 %42 %14 %

BIOGAS VOOR ELEKTRICITEIT (*4)
Biogasproductie-installatieTechnologische optieBroeikasgasemissiereducties — typische waardeBroeikasgasemissiereducties — standaardwaarde
Natte mest (1)Geval 1Open digestaat (2)146 %94 %
Gesloten digestaat (3)246 %240 %
Geval 2Open digestaat136 %85 %
Gesloten digestaat227 %219 %
Geval 3Open digestaat142 %86 %
Gesloten digestaat243 %235 %
Volledige maisplant (4)Geval 1Open digestaat36 %21 %
Gesloten digestaat59 %53 %
Geval 2Open digestaat34 %18 %
Gesloten digestaat55 %47 %
Geval 3Open digestaat28 %10 %
Gesloten digestaat52 %43 %
BioafvalGeval 1Open digestaat47 %26 %
Gesloten digestaat84 %78 %
Geval 2Open digestaat43 %21 %
Gesloten digestaat77 %68 %
Geval 3Open digestaat38 %14 %
Gesloten digestaat76 %66 %

BIOGAS VOOR ELEKTRICITEIT — MENGSELS VAN MEST EN MAIS
Biogasproductie-installatieTechnologische optieBroeikasgasemissiereducties — typische waardeBroeikasgasemissiereducties — standaardwaarde
Mest — Mais

80 %-20 %
Geval 1Open digestaat72 %45 %
Gesloten digestaat120 %114 %
Geval 2Open digestaat67 %40 %
Gesloten digestaat111 %103 %
Geval 3Open digestaat65 %35 %
Gesloten digestaat114 %106 %
Mest — Mais

70 %-30 %
Geval 1Open digestaat60 %37 %
Gesloten digestaat100 %94 %
Geval 2Open digestaat57 %32 %
Gesloten digestaat93 %85 %
Geval 3Open digestaat53 %27 %
Gesloten digestaat94 %85 %
Mest — Mais

60 %-40 %
Geval 1Open digestaat53 %32 %
Gesloten digestaat88 %82 %
Geval 2Open digestaat50 %28 %
Gesloten digestaat82 %73 %
Geval 3Open digestaat46 %22 %
Gesloten digestaat81 %72 %

BIOMETHAAN VOOR VERVOER (*5)
Biomethaanproductie-installatieTechnologische optiesBroeikasgasemissiereducties — typische waardeBroeikasgasemissiereducties — standaardwaarde
Natte mestOpen digestaat, geen rookgasverbranding117 %72 %
Open digestaat, verbranding van rookgas133 %94 %
Gesloten digestaat, geen rookgasverbranding190 %179 %
Gesloten digestaat, rookgasverbranding206 %202 %
Volledige maisplantOpen digestaat, geen rookgasverbranding35 %17 %
Open digestaat, verbranding van rookgas51 %39 %
Gesloten digestaat, geen rookgasverbranding52 %41 %
Gesloten digestaat, rookgasverbranding68 %63 %
BioafvalOpen digestaat, geen rookgasverbranding43 %20 %
Open digestaat, verbranding van rookgas59 %42 %
Gesloten digestaat, geen rookgasverbranding70 %58 %
Gesloten digestaat, rookgasverbranding86 %80 %

BIOMETHAAN — MENGSELS VAN MEST EN MAIS (*6)
Biomethaanproductie-installatieTechnologische optiesBroeikasgasemissiereducties — typische waardeBroeikasgasemissiereducties — standaardwaarde
Mest — Mais

80 %-20 %
Open digestaat, geen rookgasverbranding (5)62 %35 %
Open digestaat, verbranding van rookgas (6)78 %57 %
Gesloten digestaat, geen rookgasverbranding97 %86 %
Gesloten digestaat, rookgasverbranding113 %108 %
Mest — Mais

70 %-30 %
Open digestaat, geen rookgasverbranding53 %29 %
Open digestaat, verbranding van rookgas69 %51 %
Gesloten digestaat, geen rookgasverbranding83 %71 %
Gesloten digestaat, rookgasverbranding99 %94 %
Mest — Mais

60 %-40 %
Open digestaat, geen rookgasverbranding48 %25 %
Open digestaat, verbranding van rookgas64 %48 %
Gesloten digestaat, geen rookgasverbranding74 %62 %
Gesloten digestaat, rookgasverbranding90 %84 %

B. METHODE

1.Broeikasgasemissies door de productie en het gebruik van biomassabrandstoffen worden als volgt berekend:

a) Broeikasgasemissies door de productie en het gebruik van biomassabrandstoffen vóór omzetting in elektriciteit, verwarming en koeling worden als volgt berekend:

E = eec + el + ep + etd + eu – esca – eccs – eccr,

waarbij

E=de totale emissies door de productie van de brandstof vóór energieomzetting;
eec=emissies ten gevolge van de teelt of het ontginnen van grondstoffen;
el=de op jaarbasis berekende emissies van wijzigingen in koolstofvoorraden door veranderingen in landgebruik;
ep=emissies ten gevolge van verwerkende activiteiten;
etd=emissies ten gevolge van vervoer en distributie;
eu=emissies ten gevolge van de gebruikte brandstof;
esca=emissiereductie door koolstofaccumulatie in de bodem als gevolg van beter landbouwbeheer;
eccs=emissiereductie door het afvangen en geologisch opslaan van CO2; alsmede
eccr=emissiereducties door het afvangen en vervangen van CO2;

Met de emissies ten gevolge van de productie van machines en apparatuur wordt geen rekening gehouden.

b) In geval van co-vergisting van verschillende substraten in een biogasinstallatie voor de productie van biogas of biomethaan worden de typische en standaardwaarden voor broeikasgasemissies als volgt berekend:



waarbij

E=broeikasgasemissies per MJ biogas of biomethaan die worden geproduceerd uit co-vergisting van een bepaald mengsel van substraten
Sn=aandeel grondstof n in energie-inhoud
En=emissie in gCO2/MJ voor keten n zoals bepaald in deel D van deze bijlage (*)


waarbij

Pn=energieopbrengst [MJ] per kilogram natte input van grondstof n (**)
Wn=wegingsfactor van substraat n gedefinieerd als:


waarbij

In=jaarlijkse input aan de vergister van substraat n [ton verse materie]
AMn=jaarlijkse gemiddelde vochtigheid van substraat n [kg water/kg verse materie]
SMn=standaardvochtigheid voor substraat n (***).
(*)Voor dierenmest die wordt gebruikt als substraat wordt een bonus van 45 g CO2eq/MJ mest (-54 kg CO2eq/t verse materie) toegevoegd met het oog op een beter landbouw- en mestbeheer.
(**)De volgende waarden van Pn worden gebruikt voor de berekening van typische en standaardwaarden:
P(Mais): 4,16 [MJbiogas/kg natte mais @ 65 % vochtigheid]
P(Mest): 0,50 [MJbiogas/kg natte mest @ 90 % vochtigheid]
P(Bioafval): 3,41 [MJbiogas/kg nat bioafval @ 76 % vochtigheid]
(***)De onderstaande waarden van de standaardvochtigheid voor substraat SMn worden gebruikt:
SM(Mais): 0,65 [kg water/kg verse materie]
SM(Mest): 0,90 [kg water/kg verse materie]
SM(Bioafval): 0,76 [kg water/kg verse materie]

c) In geval van co-vergisting van n substraten in een biogasinstallatie voor de productie van elektriciteit of biomethaan worden de feitelijke broeikasgasemissies van biogas en biomethaan als volgt berekend:



waarbij

E=de totale emissies door de productie van het biogas of de biomethaan vóór energieomzetting;
Sn=aandeel grondstof n, in fractie van de input aan de vergister
eec,n=emissies ten gevolge van de teelt of het ontginnen van grondstof n;
etd,grondstof,n=emissies ten gevolge van het vervoer van grondstof n naar de vergister;
el,n=op jaarbasis berekende emissies uit wijzigingen van koolstofvoorraden door wijzigingen in landgebruik, voor grondstof n;
esca=emissiereductie door beter landbouwbeheer van grondstof n (*);
ep=emissies ten gevolge van verwerkende activiteiten;
etd,product=emissies ten gevolge van vervoer en distributie van biogas en/of biomethaan;
eu=emissies ten gevolge van de gebruikte brandstof, namelijk tijdens de verbranding uitgestoten broeikasgassen;
eccs=emissiereductie door het afvangen en geologisch opslaan van CO2; alsmede
eccr=emissiereducties door het afvangen en vervangen van CO2;
(*)Voor esca wordt een bonus van 45 g CO2eq/MJ mest toegevoegd met het oog op een beter landbouw- en mestbeheer indien dierenmest wordt gebruikt als een substraat voor de productie van biogas en biomethaan.

d) Broeikasgasemissies door het gebruik van biomassabrandstoffen bij de productie van elektriciteit, verwarming en koeling, met inbegrip van de omzetting van energie in de geproduceerde elektriciteit en/of warmte en koeling, worden als volgt berekend:

i) Voor energie-installaties die alleen warmte leveren:



ii) Voor energie-installaties die alleen elektriciteit leveren:



waarbij

ECh,el=Totaal aan broeikasgasemissies uit de uiteindelijke energiegrondstof.
E=Totaal aan broeikasgasemissies van de brandstof vóór de eindomzetting ervan.
el=Het elektrisch rendement, gedefinieerd als de op jaarbasis geproduceerde elektriciteit, gedeeld door de jaarlijkse brandstofinput, op basis van de energie-inhoud daarvan.
h=Het warmterendement, gedefinieerd als de jaarlijkse nuttige warmteafgifte, gedeeld door de jaarlijkse brandstofinput, op basis van de energie-inhoud daarvan.

iii) Voor de elektriciteit of de mechanische energie van energie-installaties die tegelijk nuttige warmte en elektriciteit en/of mechanische energie leveren:



iv) Voor de nuttige warmte van energie-installaties die tegelijk warmte en elektriciteit en/of mechanische energie leveren.



waarbij

ECh,el=Totaal aan broeikasgasemissies uit de uiteindelijke energiegrondstof.
E=Totaal aan broeikasgasemissies van de brandstof vóór de eindomzetting ervan.
el=Het elektrisch rendement, gedefinieerd als de op jaarbasis geproduceerde elektriciteit, gedeeld door de jaarlijkse energie-input, op basis van de energie-inhoud daarvan.
h=Het warmterendement, gedefinieerd als de jaarlijkse nuttige warmteafgifte, gedeeld door de jaarlijkse energie-input, op basis van de energie-inhoud daarvan.
Cel=De exergiefractie in de elektriciteit, en/of de mechanische energie, vastgesteld op 100 % (Cel = 1).
Ch=Het Carnotrendement (exergiefractie in de nuttige warmte).

Het Carnotrendement, Ch, voor nuttige warmte bij verschillende temperaturen wordt gedefinieerd als:



waarbij

Th=Temperatuur, gemeten in absolute temperatuur (kelvin) of de nuttige warmte op het leveringspunt.
T0=Omgevingstemperatuur, vastgesteld op 273,15 kelvin (gelijk aan 0 oC)

Indien het overschot aan warmte wordt afgevoerd voor verwarming van gebouwen, bij een temperatuur van minder dan 150 oC (423.15 kelvin), kan Ch ook als volgt worden gedefinieerd:

Ch=Het Carnotrendement voor warmte op 150 oC (423,15 kelvin), wat neerkomt op: 0,3546

Voor deze berekening gelden de volgende definities:

i) „warmtekrachtkoppeling”: gelijktijdige opwekking in één proces van thermische energie en elektrische en/of mechanische energie;

ii) „nuttige warmte”: warmte die wordt geproduceerd om aan een economisch gerechtvaardigde vraag naar warmte voor verwarming of koeling te voldoen;

iii) „economisch gerechtvaardigde vraag”: de vraag die de behoefte aan warmte of koeling niet overschrijdt en waaraan in andere gevallen tegen marktvoorwaarden zou worden voldaan.
2.Broeikasgasemissies ten gevolge van biomassabrandstoffen worden als volgt berekend

a) broeikasgasemissies ten gevolge van biomassabrandstoffen, E, worden uitgedrukt in gram CO2-equivalent per MJ brandstof, g CO2eq/MJ.

b) broeikasgasemissies ten gevolge van verwarming of elektriciteit, geproduceerd uit biomassabrandstoffen, EC, worden uitgedrukt in gram CO2-equivalent per MJ eindenergie (warmte of elektriciteit), g CO2eq/MJ.

Wanneer verwarming en koeling tegelijk met elektriciteit worden geproduceerd, worden de emissies toegewezen aan warmte en elektriciteit (zoals in punt 1, onder d)), ongeacht of de warmte feitelijk voor verwarming dan wel voor koeling wordt gebruikt (7).

Wanneer de broeikasgasemissies die het gevolg zijn van de winning of de teelt van grondstoffen eec worden uitgedrukt in eenheden g CO2/ton droge grondstof, wordt het aantal gram CO2-equivalent per MJ brandstof, g CO2eq/MJ, als volgt berekend (8):



waarbij





De emissies per ton droge grondstof worden als volgt berekend:


3.Broeikasgasemissiereducties ten gevolge van het gebruik van biomassabrandstoffen worden als volgt berekend:

a) Broeikasgasemissiereducties ten gevolge van als transportbrandstoffen gebruikte biomassabrandstoffen:

REDUCTIE = (EF(t) – EB)/EF(t)

waarbij

EB=de totale emissies als transportbrandstoffen gebruikte biomassabrandstoffen; alsmede
EF(t)=de totale emissies ten gevolge van het gebruik van de fossiele referentiebrandstof voor vervoer

b) Broeikasgasemissiereducties ten gevolge van het gebruik van biomassabrandstoffen voor verwarming, koeling en elektriciteitsproductie:

REDUCTIE = (ECF(h&c,el) – ECB(h&c,el))/ECF (h&c,el),

waarbij

ECB(h&c,el)=de totale emissies ten gevolge van de warmte of elektriciteit,
ECF(h&c,el)=de totale emissies ten gevolge van het gebruik van de fossiele referentiebrandstof voor nuttige warmte of elektriciteit.
4.Met het oog op de toepassing van punt 1, worden de broeikasgassen CO2, N2O en CH4 in aanmerking genomen. Met het oog op de berekening van de CO2-equivalentie worden de volgende waarden toegekend aan deze gassen:
CO2: 1
N2O: 298
CH4: 25
5.Emissies door het winnen, oogsten of telen van grondstoffen, eec, komen onder meer vrij door het proces van winnen, oogsten of telen zelf, door het verzamelen, drogen en opslaan van de grondstoffen, van afval en lekken, en door de productie van chemische stoffen of producten die worden gebruikt voor het ontginnen of de teelt. Met het afvangen van CO2 bij de teelt van grondstoffen wordt geen rekening gehouden. Ramingen van de emissies ten gevolge van de teelt van landbouwbiomassa kunnen worden afgeleid uit regionale gemiddelden voor de emissies ten gevolge van de teelt die zijn opgenomen in de in artikel 31, lid 4, van deze richtlijn bedoelde verslagen of de informatie over de gedesaggregeerde standaardwaarden die in de bijlage zijn opgenomen als alternatief voor het gebruik van feitelijke waarden. Bij gebrek aan relevante informatie in die verslagen is het toegestaan gemiddelden te berekenen op basis van plaatselijke landbouwpraktijken die bijvoorbeeld op de gegevens van een groep landbouwbedrijven zijn gebaseerd, als een alternatief voor het gebruik van feitelijke waarden.

Ramingen van de emissies ten gevolge van de teelt en oogst van bosbouwbiomassa kunnen worden afgeleid uit het gebruik van gemiddelden voor de teelt- en oogstgebonden emissies die worden berekend voor geografische gebieden op nationaal niveau, als een alternatief voor het gebruik van feitelijke waarden.
6.Voor de doeleinden van de in punt 1, onder a), bedoelde berekening wordt alleen rekening gehouden met de emissiereducties ten gevolge van verbeterd landbouwbeheer esca, zoals overschakelen op weinig of geen grondbewerking, verbeterde vruchtwisseling, het gebruik van groenbemesting, met inbegrip van het beheer van residuen van landbouwgewassen, en het gebruik van biologische bodemverbeteraars (bv. compost, mestfermentatiedigestaat), als er sterk en verifieerbaar bewijs wordt geleverd dat de bodemkoolstof is toegenomen of dat redelijkerwijs kan worden verwacht dat het in de periode waarin de betrokken grondstoffen werden geteeld, is toegenomen, rekening houdend met de emissies wanneer dergelijke praktijken leiden tot toegenomen gebruik van kunstmest en herbicide (9).
7.Op jaarbasis berekende emissies uit wijzigingen van koolstofvoorraden door veranderingen in landgebruik, el, worden berekend door de totale emissies te delen door twintig jaar. Voor de berekening van deze emissies wordt de volgende regel toegepast:

el = (CSR – CSA) × 3,664 × 1/20 × 1/P – eB, (10)

waarbij

el=op jaarbasis berekende broeikasgasemissies ten gevolge van wijzigingen van koolstofvoorraden door veranderingen in landgebruik (gemeten als massa CO2-equivalent per eenheid energie uit biomassabrandstoffen). „Akkerland” (11) en „land voor vaste gewassen” (12) worden beschouwd als één landgebruik;
CSR=de koolstofvoorraad per landeenheid van het referentielandgebruik (gemeten als massa (ton) koolstof per landeenheid, inclusief bodem en vegetatie). Het referentielandgebruik is het landgebruik op het laatste van de volgende twee tijdstippen: in januari 2008 of twintig jaar vóór het verkrijgen van de grondstoffen;
CSA=de koolstofvoorraad per landeenheid van het werkelijke landgebruik (gemeten als massa (ton) koolstof per landeenheid, inclusief bodem en vegetatie). Wanneer vorming van de koolstofvoorraad zich over een periode van meer dan één jaar uitstrekt, wordt de waarde voor CSA de geraamde voorraad per landeenheid na twintig jaar of wanneer het gewas tot volle wasdom komt, als dat eerder is;
P=de productiviteit van het gewas (meten als energie van de biomassabrandstof per landeenheid per jaar), en
eB=bonus van 29 g CO2eq/MJ biomassabrandstof indien de biomassa afkomstig is van hersteld aangetast land, mits aan de in punt 8 gestelde voorwaarden is voldaan.
8.De bonus van 29 g CO2eq/MJ wordt toegekend indien wordt bewezen dat het land:

a) in januari 2008 niet voor landbouwdoeleinden of enige andere activiteit werd gebruikt; alsmede

b) ernstig is aangetast, ook als het gaat om land dat voorheen voor landbouwdoeleinden werd gebruikt.

De bonus van 29 g CO2eq/MJ geldt voor een periode van twintig jaar, vanaf de datum dat het land naar landbouwgebruik wordt omgeschakeld, mits ten aanzien van het onder b) bedoelde land gezorgd wordt voor een gestage groei van de koolstofvoorraad en een aanzienlijke vermindering van de erosieverschijnselen.
9.Onder „ernstig aangetast land” wordt verstaan, gronden die gedurende een lange tijdspanne significant verzilt zijn of die een significant laag gehalte aan organische stoffen bevatten en die aan ernstige erosie lijden.
10.In overeenstemming met bijlage V, deel C, punt 10, bij deze richtlijn worden koolstofvoorraden in de grond berekend op grond van Besluit 2010/335/EU van de Commissie (13) dat voorziet in richtsnoeren voor de berekening van koolstofvoorraden in de grond met betrekking tot deze richtlijn, op basis van de IPCC-richtsnoeren van 2006 inzake nationale inventarislijsten van broeikasgassen — deel 4, en overeenkomstig de Verordeningen (EU) nr. 525/2013 en (EU) 2018/841.
11.Emissies ten gevolge van verwerkende activiteiten, ep, omvatten de emissies van de verwerking zelf, van afval en lekken, en van de productie van chemische stoffen of producten die bij de verwerking worden gebruikt, waaronder de CO2-emissies van die overeenstemmen met de koolstofgehalten van fossiele inputs, ongeacht of die tijdens het proces daadwerkelijk worden verbrand.

Bij het berekenen van het verbruik aan elektriciteit die niet in de productie-installatie voor vaste of gasvormige biomassabrandstof is geproduceerd, wordt de intensiteit van de broeikasgasemissie ten gevolge van de productie en distributie van die elektriciteit geacht gelijk te zijn aan de gemiddelde intensiteit van de emissies ten gevolge van de productie en distributie van elektriciteit in een bepaald gebied. In afwijking van deze regel mogen producenten een gemiddelde waarde hanteren voor de elektriciteit die wordt geproduceerd door een individuele installatie voor elektriciteitsproductie, als die installatie niet is aangesloten op het elektriciteitsnet.

Emissies ten gevolge van de verwerking omvatten, in voorkomend geval, emissies ten gevolge van het drogen van tussenproducten en -materialen.
12.De emissies ten gevolge van vervoer en distributie, etd, omvatten de emissies ten gevolge van het vervoer van grondstoffen en halfafgewerkte materialen en van de opslag en distributie van afgewerkte materialen. De emissies ten gevolge van vervoer en distributie waarmee uit hoofde van punt 5 rekening moet worden gehouden, vallen niet onder dit punt.
13.De CO2-emissies ten gevolge van de gebruikte brandstof, eu, worden geacht nul te zijn voor biomassabrandstoffen. Emissies van andere broeikasgassen dan CO2 (N2O en CH4) van de gebruikte brandstof zullen worden opgenomen in de eu-factor voor vloeibare biomassa.
14.Met betrekking tot de emissiereductie door het afvangen en geologisch opslaan van CO2, eccs, die nog niet is meegerekend in ep, wordt alleen rekening gehouden met emissies die vermeden worden door de afvang en opslag van uitgestoten CO2 die het directe gevolg is van de ontginning, het vervoer, de verwerking en de distributie van brandstof indien opgeslagen overeenkomstig Richtlijn 2009/31/EG.
15.Met betrekking tot de emissiereductie door het afvangen en vervangen van CO2, eccr, die rechtstreeks verband houdt met de productie van biomassabrandstoffen waaraan deze wordt toegeschreven, wordt alleen rekening gehouden met emissies die vermeden worden door de afvang van uitgestoten CO2 waarvan de koolstof afkomstig is van biomassa en die gebruikt wordt om de CO2 uit fossiele brandstoffen in de productie van commerciële goederen en diensten te vervangen.
16.Wanneer een warmtekrachtkoppelingseenheid — die warmte en/of elektriciteit levert aan een biomassabrandstofproductieproces waarvoor emissies worden berekend — een overschot aan elektriciteit en/of nuttige warmte produceert, worden de broeikasgasemissies verdeeld tussen de elektriciteit en de nuttige warmte, afhankelijk van de temperatuur van de warmte (die een functie is van het nut van de warmte). Het nuttige deel van de warmte wordt gevonden door de energie-inhoud ervan te vermenigvuldigen met het Carnotrendement, Ch, als volgt berekend:



waarbij

Th=Temperatuur, gemeten in absolute temperatuur (kelvin) of de nuttige warmte op het leveringspunt.
T0=Omgevingstemperatuur, vastgesteld op 273,15 kelvin (gelijk aan 0 oC)

Indien het overschot aan warmte wordt afgevoerd voor verwarming van gebouwen, bij een temperatuur van minder dan 150 oC (423.15 kelvin), kan Ch ook als volgt worden gedefinieerd:

Ch=Het Carnotrendement voor warmte op 150 oC (423,15 kelvin), wat neerkomt op: 0,3546

Voor die berekening wordt de werkelijke efficiëntie gebruikt, gedefinieerd als de jaarlijks geproduceerde hoeveelheid mechanische energie, elektriciteit en warmte, respectievelijk gedeeld door de jaarlijkse energie-input.

Voor deze berekening gelden de volgende definities:

a) „warmtekrachtkoppeling”: gelijktijdige opwekking in één proces van thermische energie en elektrische en/of mechanische energie;

b) „nuttige warmte”: warmte die wordt geproduceerd om aan een economisch gerechtvaardigde vraag naar warmte voor verwarming of koeling te voldoen;

c) „economisch gerechtvaardigde vraag”: de vraag die de behoefte aan warmte of koeling niet overschrijdt en waaraan in andere gevallen tegen marktvoorwaarden zou worden voldaan
17.Als een proces voor de productie van biomassabrandstof niet alleen de brandstof waarvoor de emissies worden berekend oplevert, maar ook één of meer andere producten (bijproducten), worden de broeikasgasemissies verdeeld tussen de brandstof of het tussenproduct ervan en de bijproducten in verhouding tot hun energie-inhoud (de calorische onderwaarde in het geval van andere bijproducten dan elektriciteit en warmte). De broeikasgasintensiteit van een overschot aan nuttige warmte of een overschot aan elektriciteit is dezelfde als de broeikasgasintensiteit van warmte of elektriciteit die aan het biomassabrandstofproductieproces wordt geleverd en wordt bepaald uit de berekening van de broeikasgasintensiteit van alle inputs en emissies, met inbegrip van de grondstoffen en CH4- en N2O-emissies, naar en van de warmtekrachtkoppelingsinstallatie, boiler of ander apparaat dat warmte of elektriciteit levert voor het brandstofproductieproces. In het geval van warmtekrachtkoppeling wordt de berekening overeenkomstig punt 16 uitgevoerd.
18.Met het oog op de in punt 17 vermelde berekeningen zijn de te verdelen emissies eec + el + esca + fracties van ep, e td, eccs, en eccr die ontstaan tot en met de stap van het proces waarin een bijproduct wordt geproduceerd. Als een toewijzing aan bijproducten heeft plaatsgevonden in een eerdere stap van het proces van de cyclus, wordt hiervoor de emissiefractie gebruikt die in de laatste stap is toegewezen aan het tussenproduct in plaats van de totale emissies.

In het geval van biogas en biomethaan wordt met het oog op deze berekening rekening gehouden met alle bijproducten die niet onder het toepassingsgebied van punt 7 vallen. Er worden geen emissies toegewezen aan afval of residuen. Bijproducten met een negatieve energie-inhoud worden met het oog op deze berekening geacht een energie-inhoud nul te hebben.

Afval en residuen, waaronder boomtoppen en takken, stro, vliezen, kolven en notendoppen, en residuen van verwerking, met inbegrip van ruwe glycerine (niet-geraffineerde glycerine) en bagasse, worden geacht tijdens hun levenscyclus geen broeikasgasemissies te veroorzaken totdat ze worden verzameld, ongeacht of zij tot tussenproducten worden verwerkt voor- of nadat zij tot eindproducten worden verwerkt.

In het geval van biomassabrandstoffen die in raffinaderijen worden geproduceerd, andere dan de combinatie van verwerkingsbedrijven met boilers of warmtekrachtinstallaties die warmte en/of elektriciteit leveren aan het verwerkingsbedrijf, is de raffinaderij de analyse-eenheid voor de doeleinden van de in punt 17 bedoelde berekening.
19.Met het oog op de in punt 3 vermelde berekening wordt voor biomassabrandstoffen voor elektriciteitsproductie de waarde 183 g CO2eq/MJ elektriciteit gebruikt, of 212 g CO2eq/MJ elektriciteit voor de ultraperifere gebieden, voor de fossiele referentiebrandstof ECF(el).

Met het oog op de in punt 3 vermelde berekening wordt voor biomassabrandstoffen die worden gebruikt voor de productie van nuttige warmte, alsook van verwarming en/of koeling, de waarde 80 g CO2eq/MJ warmte gebruikt voor de fossiele referentiebrandstof ECF(h).

Met het oog op de in punt 3 vermelde berekening wordt voor biomassabrandstoffen die worden gebruikt voor de productie van nuttige warmte, waarin een rechtstreekse fysieke vervanging van kolen kan worden aangetoond, de waarde 124 g CO2eq/MJ warmte gebruikt voor de fossiele referentiebrandstof ECF(h).

Met het oog op de in punt 3 vermelde berekening wordt voor biomassabrandstoffen die worden gebruikt als transportbrandstoffen de waarde 94 g CO2eq/MJ gebruikt voor de fossiele referentiebrandstof EF(t).

C. GEDESAGGREGEERDE STANDAARDWAARDEN VOOR BIOMASSABRANDSTOFFEN

Houtbriketten of pellets

Biomassabrandstofproductie-installatieAfstand transportBroeikasgasemissies — typische waarde

(g CO2eq/MJ)
Broeikasgasemissies — standaardwaarde

(g CO2eq/MJ)
TeeltVerwerkingVervoerNiet-CO2-emissies ten gevolge van de gebruikte brandstofTeeltVerwerkingVervoerNiet-CO2-emissies ten gevolge van de gebruikte brandstof
Houtspaanders van bosresiduen1 tot en met 500 km0,01,63,00,40,01,93,60,5
500 tot en met 2 500 km0,01,65,20,40,01,96,20,5
2 500 tot en met 10 000 km0,01,610,50,40,01,912,60,5
Meer dan 10 000 km0,01,620,50,40,01,924,60,5
Houtspaanders van hakhout met een korte omlooptijd (Eucalyptus)2 500 tot en met 10 000 km4,40,011,00,44,40,013,20,5
Houtspaanders van hakhout met een korte omlooptijd (Populier — bemest)1 tot en met 500 km3,90,03,50,43,90,04,20,5
500 tot en met 2 500 km3,90,05,60,43,90,06,80,5
2 500 tot en met 10 000 km3,90,011,00,43,90,013,20,5
Meer dan 10 000 km3,90,021,00,43,90,025,20,5
Houtspaanders van hakhout met een korte omlooptijd (Populier — niet bemest)1 tot en met 500 km2,20,03,50,42,20,04,20,5
500 tot en met 2 500 km2,20,05,60,42,20,06,80,5
2 500 tot en met 10 000 km2,20,011,00,42,20,013,20,5
Meer dan 10 000 km2,20,021,00,42,20,025,20,5
Houtspaanders van stamhout1 tot en met 500 km1,10,33,00,41,10,43,60,5
500 tot en met 2 500 km1,10,35,20,41,10,46,20,5
2 500 tot en met 10 000 km1,10,310,50,41,10,412,60,5
Meer dan 10 000 km1,10,320,50,41,10,424,60,5
Houtspaanders van residuen uit de houtindustrie1 tot en met 500 km0,00,33,00,40,00,43,60,5
500 tot en met 2 500 km0,00,35,20,40,00,46,20,5
2 500 tot en met 10 000 km0,00,310,50,40,00,412,60,5
Meer dan 10 000 km0,00,320,50,40,00,424,60,5

Houtbriketten of pellets

Biomassabrandstofproductie-installatieAfstand transportBroeikasgasemissies — typische waarde

(g CO2eq/MJ)
Broeikasgasemissies — standaardwaarde

(g CO2eq/MJ)
TeeltVerwerkingVervoer en distributieNiet-CO2-emissies ten gevolge van de gebruikte brandstofTeeltVerwerkingVervoer en distributieNiet-CO2-emissies ten gevolge van de gebruikte brandstof
Houtbriketten of pellets van bosresiduen (geval 1)1 tot en met 500 km0,025,82,90,30,030,93,50,3
500 tot en met 2 500 km0,025,82,80,30,030,93,30,3
2 500 tot en met 10 000 km0,025,84,30,30,030,95,20,3
Meer dan 10 000 km0,025,87,90,30,030,99,50,3
Houtbriketten of pellets van bosresiduen (geval 2a)1 tot en met 500 km0,012,53,00,30,015,03,60,3
500 tot en met 2 500 km0,012,52,90,30,015,03,50,3
2 500 tot en met 10 000 km0,012,54,40,30,015,05,30,3
Meer dan 10 000 km0,012,58,10,30,015,09,80,3
Houtbriketten of pellets van bosresiduen (geval 3a)1 tot en met 500 km0,02,43,00,30,02,83,60,3
500 tot en met 2 500 km0,02,42,90,30,02,83,50,3
2 500 tot en met 10 000 km0,02,44,40,30,02,85,30,3
Meer dan 10 000 km0,02,48,20,30,02,89,80,3
Houtbriketten van hakhout met een korte omlooptijd

(Eucalyptus — geval 1)
2 500 tot en met 10 000 km3,924,54,30,33,929,45,20,3
Houtbriketten van hakhout met een korte omlooptijd

(Eucalyptus — geval 2a)
2 500 tot en met 10 000 km5,010,64,40,35,012,75,30,3
Houtbriketten van hakhout met een korte omlooptijd

(Eucalyptus — geval 3a)
2 500 tot en met 10 000 km5,30,34,40,35,30,45,30,3
Houtbriketten van hakhout met een korte omlooptijd

(Populier — bemest — geval 1)
1 tot en met 500 km3,424,52,90,33,429,43,50,3
500 tot en met 10 000 km3,424,54,30,33,429,45,20,3
Meer dan 10 000 km3,424,57,90,33,429,49,50,3
Houtbriketten van hakhout met een korte omlooptijd

(Populier — bemest — geval 2a)
1 tot en met 500 km4,410,63,00,34,412,73,60,3
500 tot en met 10 000 km4,410,64,40,34,412,75,30,3
Meer dan 10 000 km4,410,68,10,34,412,79,80,3
Houtbriketten van hakhout met een korte omlooptijd

(Populier — bemest — geval 3a)
1 tot en met 500 km4,60,33,00,34,60,43,60,3
500 tot en met 10 000 km4,60,34,40,34,60,45,30,3
Meer dan 10 000 km4,60,38,20,34,60,49,80,3
Houtbriketten van hakhout met een korte omlooptijd

(Populier — niet bemest — geval 1)
1 tot en met 500 km2,024,52,90,32,029,43,50,3
500 tot en met 2 500 km2,024,54,30,32,029,45,20,3
2 500 tot en met 10 000 km2,024,57,90,32,029,49,50,3
Houtbriketten van hakhout met een korte omlooptijd

(Populier — niet bemest — geval 2a)
1 tot en met 500 km2,510,63,00,32,512,73,60,3
500 tot en met 10 000 km2,510,64,40,32,512,75,30,3
Meer dan 10 000 km2,510,68,10,32,512,79,80,3
Houtbriketten van hakhout met een korte omlooptijd

(Populier — niet bemest — geval 3a)
1 tot en met 500 km2,60,33,00,32,60,43,60,3
500 tot en met 10 000 km2,60,34,40,32,60,45,30,3
Meer dan 10 000 km2,60,38,20,32,60,49,80,3
Houtbriketten of pellets van stamhout (geval 1)1 tot en met 500 km1,124,82,90,31,129,83,50,3
500 tot en met 2 500 km1,124,82,80,31,129,83,30,3
2 500 tot en met 10 000 km1,124,84,30,31,129,85,20,3
Meer dan 10 000 km1,124,87,90,31,129,89,50,3
Houtbriketten of pellets van stamhout (geval 2a)1 tot en met 500 km1,411,03,00,31,413,23,60,3
500 tot en met 2 500 km1,411,02,90,31,413,23,50,3
2 500 tot en met 10 000 km1,411,04,40,31,413,25,30,3
Meer dan 10 000 km1,411,08,10,31,413,29,80,3
Houtbriketten of pellets van stamhout (geval 3a)1 tot en met 500 km1,40,83,00,31,40,93,60,3
500 tot en met 2 500 km1,40,82,90,31,40,93,50,3
2 500 tot en met 10 000 km1,40,84,40,31,40,95,30,3
Meer dan 10 000 km1,40,88,20,31,40,99,80,3
Houtbriketten of pellets van residuen uit de houtindustrie (geval 1)1 tot en met 500 km0,014,32,80,30,017,23,30,3
500 tot en met 2 500 km0,014,32,70,30,017,23,20,3
2 500 tot en met 10 000 km0,014,34,20,30,017,25,00,3
Meer dan 10 000 km0,014,37,70,30,017,29,20,3
Houtbriketten of pellets van residuen uit de houtindustrie (geval 2a)1 tot en met 500 km0,06,02,80,30,07,23,40,3
500 tot en met 2 500 km0,06,02,70,30,07,23,30,3
2 500 tot en met 10 000 km0,06,04,20,30,07,25,10,3
Meer dan 10 000 km0,06,07,80,30,07,29,30,3
Houtbriketten of pellets van residuen uit de houtindustrie (geval 3a)1 tot en met 500 km0,00,22,80,30,00,33,40,3
500 tot en met 2 500 km0,00,22,70,30,00,33,30,3
2 500 tot en met 10 000 km0,00,24,20,30,00,35,10,3
Meer dan 10 000 km0,00,27,80,30,00,39,30,3

Landbouwketens

Biomassabrandstofproductie-installatieAfstand transportBroeikasgasemissies — typische waarde (g CO2eq/MJ)Broeikasgasemissies — standaardwaarde (g CO2eq/MJ)
TeeltVerwerkingVervoer en distributieNiet-CO2-emissies ten gevolge van de gebruikte brandstofTeeltVerwerkingVervoer en distributieNiet-CO2-emissies ten gevolge van de gebruikte brandstof
Landbouwresiduen met een dichtheid < 0,2 t/m31 tot en met 500 km0,00,92,60,20,01,13,10,3
500 tot en met 2 500 km0,00,96,50,20,01,17,80,3
2 500 tot en met 10 000 km0,00,914,20,20,01,117,00,3
Meer dan 10 000 km0,00,928,30,20,01,134,00,3
Landbouwresiduen met een dichtheid > 0,2 t/m31 tot en met 500 km0,00,92,60,20,01,13,10,3
500 tot en met 2 500 km0,00,93,60,20,01,14,40,3
2 500 tot en met 10 000 km0,00,97,10,20,01,18,50,3
Meer dan 10 000 km0,00,913,60,20,01,116,30,3
Stropellets1 tot en met 500 km0,05,03,00,20,06,03,60,3
500 tot en met 10 000 km0,05,04,60,20,06,05,50,3
Meer dan 10 000 km0,05,08,30,20,06,010,00,3
Bagassebriketten500 tot en met 10 000 km0,00,34,30,40,00,45,20,5
Meer dan 10 000 km0,00,38,00,40,00,49,50,5
PalmpitschrootMeer dan 10 000 km21,621,111,20,221,625,413,50,3
Palmpitschroot (geen CH4-emissies van oliefabriek)Meer dan 10 000 km21,63,511,20,221,64,213,50,3

Gedesaggregeerde standaardwaarden voor biogas voor elektriciteitsproductie

Biomassabrandstofproductie-installatieTechnologieTYPISCHE WAARDE [g CO2eq/MJ]STANDAARDWAARDE [g CO2eq/MJ]
TeeltVerwerkingNiet-CO2-emissies ten gevolge van de gebruikte brandstofVervoerMestcreditsTeeltVerwerkingNiet-CO2-emissies ten gevolge van de gebruikte brandstofVervoerMestcredits
Natte mest (14)Geval 1Open digestaat0,069,68,90,8– 107,3
0,097,412,50,8– 107,3
Gesloten digestaat0,00,08,90,8– 97,6
0,00,012,50,8– 97,6
Geval 2Open digestaat0,074,18,90,8– 107,3
0,0103,712,50,8– 107,3
Gesloten digestaat0,04,28,90,8– 97,6
0,05,912,50,8– 97,6
Geval 3Open digestaat0,083,28,90,9– 120,7
0,0116,412,50,9– 120,7
Gesloten digestaat0,04,68,90,8– 108,5
0,06,412,50,8– 108,5
Volledige maisplant (15)Geval 1Open digestaat15,613,58,90,0 (16)—15,618,912,50,0—
Gesloten digestaat15,20,08,90,0—15,20,012,50,0—
Geval 2Open digestaat15,618,88,90,0—15,626,312,50,0—
Gesloten digestaat15,25,28,90,0—15,27,212,50,0—
Geval 3Open digestaat17,521,08,90,0—17,529,312,50,0—
Gesloten digestaat17,15,78,90,0—17,17,912,50,0—
BioafvalGeval 1Open digestaat0,021,88,90,5—0,030,612,50,5—
Gesloten digestaat0,00,08,90,5—0,00,012,50,5—
Geval 2Open digestaat0,027,98,90,5—0,039,012,50,5—
Gesloten digestaat0,05,98,90,5—0,08,312,50,5—
Geval 3Open digestaat0,031,28,90,5—0,043,712,50,5—
Gesloten digestaat0,06,58,90,5—0,09,112,50,5—

Gedesaggregeerde standaardwaarden voor biomethaan

Biomethaanproductie-installatieTechnologische optieTYPISCHE WAARDE [g CO2eq/MJ]STANDAARDWAARDE [g CO2eq/MJ]
TeeltVerwerkingOmzettingVervoerCompressie in tankstationMestcreditsTeeltVerwerkingOmzettingVervoerCompressie in tankstationMestcredits
Natte mestOpen digestaatGeen rookgasverbranding0,084,219,51,03,3– 124,4
0,0117,927,31,04,6– 124,4
Rookgasverbranding0,084,24,51,03,3– 124,4
0,0117,96,31,04,6– 124,4
Gesloten digestaatgeen rookgasverbranding0,03,219,50,93,3– 111,9
0,04,427,30,94,6– 111,9
Rookgasverbranding0,03,24,50,93,3– 111,9
0,04,46,30,94,6– 111,9
Volledige maisplantOpen digestaatgeen rookgasverbranding18,120,119,50,03,3—18,128,127,30,04,6—
Rookgasverbranding18,120,14,50,03,3—18,128,16,30,04,6—
Gesloten digestaatgeen rookgasverbranding17,64,319,50,03,3—17,66,027,30,04,6—
Rookgasverbranding17,64,34,50,03,3—17,66,06,30,04,6—
BioafvalOpen digestaatgeen rookgasverbranding0,030,619,50,63,3—0,042,827,30,64,6—
Rookgasverbranding0,030,64,50,63,3—0,042,86,30,64,6—
Gesloten digestaatgeen rookgasverbranding0,05,119,50,53,3—0,07,227,30,54,6—
Rookgasverbranding0,05,14,50,53,3—0,07,26,30,54,6—

D. TOTALE TYPISCHE EN STANDAARDWAARDEN VOOR BIOMASSABRANDSTOFKETENS

Biomassabrandstofproductie-installatieAfstand transportBroeikasgasemissies — typische waarde (g CO2eq/MJ)Broeikasgasemissies — standaardwaarde (g CO2eq/MJ)
Houtspaanders van bosresiduen1 tot en met 500 km56
500 tot en met 2 500 km79
2 500 tot en met 10 000 km1215
Meer dan 10 000 km2227
Houtspaanders van hakhout met een korte omlooptijd (Eucalyptus)2 500 tot en met 10 000 km1618
Houtspaanders van hakhout met een korte omlooptijd (Populier — bemest)1 tot en met 500 km89
500 tot en met 2 500 km1011
2 500 tot en met 10 000 km1518
Meer dan 10 000 km2530
Houtspaanders van hakhout met een korte omlooptijd (Populier — niet bemest)1 tot en met 500 km67
500 tot en met 2 500 km810
2 500 tot en met 10 000 km1416
Meer dan 10 000 km2428
Houtspaanders van stamhout1 tot en met 500 km56
500 tot en met 2 500 km78
2 500 tot en met 10 000 km1215
Meer dan 10 000 km2227
Houtspaanders van industriële residuen1 tot en met 500 km45
500 tot en met 2 500 km67
2 500 tot en met 10 000 km1113
Meer dan 10 000 km2125
Houtbriketten of pellets van bosresiduen (geval 1)1 tot en met 500 km2935
500 tot en met 2 500 km2935
2 500 tot en met 10 000 km3036
Meer dan 10 000 km3441
Houtbriketten of pellets van bosresiduen (geval 2a)1 tot en met 500 km1619
500 tot en met 2 500 km1619
2 500 tot en met 10 000 km1721
Meer dan 10 000 km2125
Houtbriketten of pellets van bosresiduen (geval 3a)1 tot en met 500 km67
500 tot en met 2 500 km67
2 500 tot en met 10 000 km78
Meer dan 10 000 km1113
Houtbriketten of pellets van hakhout met een korte omlooptijd (Eucalyptus — geval 1)2 500 tot en met 10 000 km3339
Houtbriketten of pellets van hakhout met een korte omlooptijd (Eucalyptus — geval 2a)2 500 tot en met 10 000 km2023
Houtbriketten of pellets van hakhout met een korte omlooptijd (Eucalyptus — geval 3a)2 500 tot en met 10 000 km1011
Houtbriketten of pellets van hakhout met een korte omlooptijd (Populier — bemest — geval 1)1 tot en met 500 km3137
500 tot en met 10 000 km3238
Meer dan 10 000 km3643
Houtbriketten of pellets van hakhout met een korte omlooptijd (Populier — bemest — geval 2a)1 tot en met 500 km1821
500 tot en met 10 000 km2023
Meer dan 10 000 km2327
Houtbriketten of pellets van hakhout met een korte omlooptijd (Populier — bemest — geval 3a)1 tot en met 500 km89
500 tot en met 10 000 km1011
Meer dan 10 000 km1315
Houtbriketten of pellets van hakhout met een korte omlooptijd (Populier — niet bemest — geval 1)1 tot en met 500 km3035
500 tot en met 10 000 km3137
Meer dan 10 000 km3541
Houtbriketten of pellets van hakhout met een korte omlooptijd (Populier — niet bemest — geval 2a)1 tot en met 500 km1619
500 tot en met 10 000 km1821
Meer dan 10 000 km2125
Houtbriketten of pellets van hakhout met een korte omlooptijd (Populier — niet bemest — geval 3a)1 tot en met 500 km67
500 tot en met 10 000 km89
Meer dan 10 000 km1113
Houtbriketten of pellets van stamhout (geval 1)1 tot en met 500 km2935
500 tot en met 2 500 km2934
2 500 tot en met 10 000 km3036
Meer dan 10 000 km3441
Houtbriketten of pellets van stamhout (geval 2a)1 tot en met 500 km1618
500 tot en met 2 500 km1518
2 500 tot en met 10 000 km1720
Meer dan 10 000 km2125
Houtbriketten of pellets van stamhout (geval 3a)1 tot en met 500 km56
500 tot en met 2 500 km56
2 500 tot en met 10 000 km78
Meer dan 10 000 km1112
Houtbriketten of pellets van residuen uit de houtindustrie (geval 1)1 tot en met 500 km1721
500 tot en met 2 500 km1721
2 500 tot en met 10 000 km1923
Meer dan 10 000 km2227
Houtbriketten of pellets van residuen uit de houtindustrie (geval 2a)1 tot en met 500 km911
500 tot en met 2 500 km911
2 500 tot en met 10 000 km1013
Meer dan 10 000 km1417
Houtbriketten of pellets van residuen uit de houtindustrie (geval 3a)1 tot en met 500 km34
500 tot en met 2 500 km34
2 500 tot en met 10 00056
Meer dan 10 000 km810

Geval 1 verwijst naar processen waarin een aardgasketel wordt gebruikt om de pelletfabriek te voorzien van proceswarmte. Proceselektriciteit wordt aangekocht van het net.

Geval 2a verwijst naar processen waarin een ketel die wordt gestookt met houtspaanders wordt gebruikt om de pelletfabriek te voorzien van proceswarmte. Proceselektriciteit wordt aangekocht van het net.

Geval 3a verwijst naar processen waarin een WKK, die wordt gestookt met houtspaanders, wordt gebruikt om de pelletfabriek te voorzien van warmte en stroom.

Biomassabrandstofproductie-installatieAfstand transportBroeikasgasemissies — typische waarde (g CO2eq/MJ)Broeikasgasemissies — standaardwaarde (g CO2eq/MJ)
Landbouwresiduen met een dichtheid < 0,2 t/m3  (17)1 tot en met 500 km44
500 tot en met 2 500 km89
2 500 tot en met 10 000 km1518
Meer dan 10 000 km2935
Landbouwresiduen met een dichtheid > 0,2 t/m3  (18)1 tot en met 500 km44
500 tot en met 2 500 km56
2 500 tot en met 10 000 km810
Meer dan 10 000 km1518
Stropellets1 tot en met 500 km810
500 tot en met 10 000 km1012
Meer dan 10 000 km1416
Bagassebriketten500 tot en met 10 000 km56
Meer dan 10 000 km910
PalmpitschrootMeer dan 10 000 km5461
Palmpitschroot (geen CH4-emissies van oliefabriek)Meer dan 10 000 km3740

Typische en standaardwaarden — biogas voor elektriciteit

Biogasproductie-installatieTechnologische optieTypische waardeStandaardwaarde
Broeikasgasemissies

(g CO2eq/MJ)
Broeikasgasemissies

(g CO2eq/MJ)
Biogas voor elektriciteit uit natte mestGeval 1Open digestaat (19)– 28
3
Gesloten digestaat (20)– 88
– 84
Geval 2Open digestaat– 23
10
Gesloten digestaat– 84
– 78
Geval 3Open digestaat– 28
9
Gesloten digestaat– 94
– 89
Biogas voor elektriciteit uit volledige maisplantGeval 1Open digestaat3847
Gesloten digestaat2428
Geval 2Open digestaat4354
Gesloten digestaat2935
Geval 3Open digestaat4759
Gesloten digestaat3238
Biogas voor elektriciteit uit bioafvalGeval 1Open digestaat3144
Gesloten digestaat913
Geval 2Open digestaat3752
Gesloten digestaat1521
Geval 3Open digestaat4157
Gesloten digestaat1622

Typische en standaardwaarden voor biomethaan

Biomethaanproductie-installatieTechnologische optieBroeikasgasemissies — typische waarde

(g CO2eq/MJ)
Broeikasgasemissies — standaardwaarde

(g CO2eq/MJ)
Biomethaan uit natte mestOpen digestaat, geen rookgasverbranding (21)– 20
22
Open digestaat, verbranding van rookgas (22)– 35
1
Gesloten digestaat, geen rookgasverbranding– 88
– 79
Gesloten digestaat, rookgasverbranding– 103
– 100
Biomethaan uit volledige maisplantOpen digestaat, geen rookgasverbranding5873
Open digestaat, verbranding van rookgas4352
Gesloten digestaat, geen rookgasverbranding4151
Gesloten digestaat, rookgasverbranding2630
Biomethaan uit bioafvalOpen digestaat, geen rookgasverbranding5171
Open digestaat, verbranding van rookgas3650
Gesloten digestaat, geen rookgasverbranding2535
Gesloten digestaat, rookgasverbranding1014

Typische en standaardwaarden — biogas voor elektriciteit — mengsels van mest en mais: broeikasgasemissies, waarbij aandelen worden toegewezen op basis van de verse materie

Biogasproductie-installatieTechnologische optiesBroeikasgasemissies — typische waarde

(g CO2eq/MJ)
Broeikasgasemissies — standaardwaarde

(g CO2eq/MJ)
Mest — Mais

80 %-20 %
Geval 1Open digestaat1733
Gesloten digestaat– 12
– 9
Geval 2Open digestaat2240
Gesloten digestaat– 7
– 2
Geval 3Open digestaat2343
Gesloten digestaat– 9
– 4
Mest — Mais

70 %-30 %
Geval 1Open digestaat2437
Gesloten digestaat03
Geval 2Open digestaat2945
Gesloten digestaat410
Geval 3Open digestaat3148
Gesloten digestaat410
Mest — Mais

60 %-40 %
Geval 1Open digestaat2840
Gesloten digestaat711
Geval 2Open digestaat3347
Gesloten digestaat1218
Geval 3Open digestaat3652
Gesloten digestaat1218

Opmerkingen

Geval 1 verwijst naar ketens waarin de stroom en warmte die nodig zijn voor het proces worden geleverd door de WKK-motor zelf.

Geval 2 verwijst naar ketens waarin de elektriciteit die nodig is voor het proces wordt afgenomen van het net en de proceswarmte wordt geleverd door de WKK-motor zelf. In sommige lidstaten mogen exploitanten geen subsidies aanvragen voor de brutoproductie, en geval 1 is de meest waarschijnlijke configuratie.

Geval 3 verwijst naar ketens waarin de elektriciteit die nodig is voor het proces wordt afgenomen van het net en de proceswarmte wordt geleverd door een biogasketel. Dit geval heeft betrekking op bepaalde installaties waarin de WKK-motor zich niet ter plaatse bevindt en biogas wordt verkocht (maar niet wordt omgezet in biomethaan).

Typische en standaardwaarden — biomethaan — mengsels van mest en mais: Broeikasgasemissies, waarbij aandelen worden toegewezen op basis van de verse materie

Biomethaanproductie-installatieTechnologische optiesTypische waardeStandaardwaarde
(g CO2eq/MJ)(g CO2eq/MJ)
Mest — Mais

80 %-20 %
Open digestaat, geen rookgasverbranding3257
Open digestaat, verbranding van rookgas1736
Gesloten digestaat, geen rookgasverbranding– 1
9
Gesloten digestaat, rookgasverbranding– 16
– 12
Mest — Mais

70 %-30 %
Open digestaat, geen rookgasverbranding4162
Open digestaat, verbranding van rookgas2641
Gesloten digestaat, geen rookgasverbranding1322
Gesloten digestaat, rookgasverbranding– 2
1
Mest — Mais

60 %-40 %
Open digestaat, geen rookgasverbranding4666
Open digestaat, verbranding van rookgas3145
Gesloten digestaat, geen rookgasverbranding2231
Gesloten digestaat, rookgasverbranding710

Indien biomethaan gecomprimeerd wordt gebruikt als transportbrandstof, moet een waarde van 3,3 g CO2eq/MJ biomethaan worden toegevoegd aan de typische waarden en een waarde van 4,6 g CO2eq/MJ biomethaan aan de standaardwaarden.


(*1)  

Geval 1 verwijst naar processen waarin een aardgasketel wordt gebruikt om de pelletfabriek te voorzien van proceswarmte. De elektriciteit voor de pelletfabriek wordt door het net geleverd.

Geval 2a verwijst naar processen waarin een houtspaanderketel, die wordt gestookt met voorgedroogde spaanders, wordt gebruikt om te voorzien in proceswarmte. De elektriciteit voor de pelletfabriek wordt door het net geleverd.

Geval 3a verwijst naar processen waarin een WKK, die wordt gestookt met voorgedroogde houtspaanders, wordt gebruikt om de pelletfabriek te voorzien van stroom en warmte.

(*2)  Deze groep van materialen omvat landbouwresiduen met een lage volumedichtheid en bestaat uit materialen zoals strobalen, haverdoppen, rijstdoppen en bagassebalen (niet-limitatieve lijst).

(*3)  De groep van landbouwresiduen met een hogere volumedichtheid omvat materialen zoals maiskolven, notendoppen, sojabonendoppen en palmpitdoppen (niet-limitatieve lijst).

(*4)  

Geval 1 verwijst naar ketens waarin de electriciteit en warmte die nodig zijn voor het proces worden geleverd door de WKK-motor zelf.

Geval 2 verwijst naar ketens waarin de elektriciteit die nodig is voor het proces wordt afgenomen van het net en de proceswarmte wordt geleverd door de WKK-motor zelf. In sommige lidstaten mogen exploitanten geen subsidies aanvragen voor de brutoproductie, en geval 1 is de meest waarschijnlijke configuratie.

Geval 3 verwijst naar ketens waarin de elektriciteit die nodig is voor het proces wordt afgenomen van het net en de proceswarmte wordt geleverd door een biogasketel. Dit geval heeft betrekking op bepaalde installaties waarin de WKK-motor zich niet ter plaatse bevindt en biogas wordt verkocht (maar niet wordt omgezet in biomethaan).

(1) De waarden voor biogasproductie uit mest bevatten negatieve emissies voor de emissies die worden gereduceerd door het beheer van onverwerkte mest. De in aanmerking genomen waarde voor esca is gelijk aan – 45 g CO2eq/MJ mest die wordt gebruikt voor anaerobe vergisting.

(2) Open opslag van digestaat leidt tot bijkomende emissies van CH4 en N2O. De omvang van deze emissies is afhankelijk van omgevingsomstandigheden, substraattypes en de efficiëntie van de vergisting.

(3) Gesloten opslag betekent dat het door het vergistingsproces verkregen digestaat wordt opgeslagen in een gasdichte tank, en dat het bijkomende biogas dat vrijkomt tijdens de opslag wordt beschouwd als gerecupereerd voor de productie van extra elektriciteit of biomethaan. Dat proces omvat geen broeikasgasemissies.

(4) Volledige maisplant betekent mais die als voeder wordt geoogst en in silo's wordt opgeslagen voor bewaring.

(*5)  De broeikasgasemissiereducties van biomethaan hebben alleen betrekking op gecomprimeerd biomethaan betreffende de fossiele referentiebrandstof voor vervoer van 94 g CO2eq/MJ.

(*6)  De broeikasgasemissiereducties voor biomethaan hebben alleen betrekking op gecomprimeerd biomethaan betreffende de fossiele referentiebrandstof voor vervoer van 94 g CO2eq/MJ.

(5) Deze categorie omvat de volgende categorieën van technologieën voor de omzetting van biogas in biomethaan: Pressure Swing Adsorption (PSA), Pressure Water Scrubbing (PWS), Membranes, Cryogenic, en Organic Physical Scrubbing (OPS). Het omvat een emissie van 0,03 MJ CH4/MJ biomethaan voor de emissie van methaan in de rookgassen.

(6) Deze categorie omvat de volgende categorieën van technologieën voor de omzetting van biogas in biomethaan: Pressure Water Scrubbing (PWS) voor het recyclen van water, Pressure Swing Adsorption (PSA), Chemical Scrubbing, Organic Physical Scrubbing (OPS), Membranes en Cryogenic upgrading. Voor deze categorie wordt geen rekening gehouden met methaanemissies (als het rookgas methaan bevat, wordt dit verbrand).

(7) Warmte of afvalwarmte wordt gebruikt om koeling te genereren (gekoelde lucht of gekoeld water) door middel van absorptiekoeling. Derhalve is het passend alleen de aan geproduceerde warmte gelieerde emissies te berekenen, per MJ warmte, ongeacht of het eindgebruik van de warmte verwarming of koeling door middel van absorptiekoeling betreft.

(8) De formule voor de berekening van de broeikasgasemissies van de winning of de teelt van grondstoffen eec beschrijft gevallen waarin de grondstof in één stap wordt omgezet in biobrandstoffen. Voor complexere toeleveringsketens zijn aanpassingen nodig voor de berekening van broeikasgasemissies van de winning of teelt van grondstoffen eec voor intermediaire producten.

(9) Metingen van bodemkoolstof kunnen dat bewijs vormen, bv. door een eerste meting vóór de teelt en vervolgens metingen op gezette tijden met tussenpozen van verschillende jaren. In dat geval zou, voordat het resultaat van de tweede meting beschikbaar is, de toename van bodemkoolstof kunnen worden geraamd op basis van representatieve experimenten of bodemmodellen. Vanaf de tweede meting zouden de metingen de basis vormen om vast te stellen of er sprake is van een toename van bodemkoolstof en te bepalen hoe groot die is.

(10) Het resultaat van de deling van het moleculaire gewicht van CO2 (44,010 g/mol) door het moleculaire gewicht van koolstof (12,011 g/mol) is 3,664.

(11) Akkerland als gedefinieerd door het IPCC.

(12) Vaste gewassen worden gedefinieerd als meerjarige gewassen waarvan de stam gewoonlijk niet jaarlijks wordt geoogst, zoals hakhout met een korte omlooptijd en oliepalm.

(13) Besluit 2010/335/EU van de Commissie van 10 juni 2010 betreffende richtsnoeren voor de berekening van de terrestrische CO2voorraden voor de doeleinden van bijlage V van Richtlijn 2009/28/EG (PB L 151 van 17.6.2010, blz. 19).

(14) De waarden voor biogasproductie uit mest bevatten negatieve emissies voor de emissies die worden gereduceerd door het beheer van onverwerkte mest. De in aanmerking genomen waarde voor esca is gelijk aan – 45 g CO2eq/MJ mest die wordt gebruikt voor anaerobe vergisting.

(15) Volledige maisplant betekent mais die als voeder wordt geoogst en in silo's wordt opgeslagen voor bewaring.

(16) Het vervoer van landbouwgrondstoffen naar de verwerkingsinstallatie is opgenomen in de waarde voor „teelt” overeenkomstig de methode in het verslag van de Commissie van 25 februari 2010 betreffende de duurzaamheidseisen voor het gebruik van vaste en gasvormige biomassa bij elektriciteitsproductie, verwarming en koeling. De waarde voor vervoer van silomais stemt overeen met 0,4 g CO2eq/MJ biogas.

(17) Deze groep van materialen omvat landbouwresiduen met een lage volumedichtheid en bestaat uit materialen zoals strobalen, haverdoppen, rijstdoppen en bagassebalen (niet-limitatieve lijst).

(18) De groep van landbouwresiduen met een hogere volumedichtheid omvat materialen zoals maiskolven, notendoppen, sojabonendoppen en palmpitdoppen (niet-limitatieve lijst).

(19) Open opslag van digestaat leidt tot bijkomende emissies van methaan, die afhankelijk zijn van het weer, het substraat en de efficiëntie van de vergisting. Bij deze berekeningen worden de waarden geacht gelijk te zijn aan 0,05 MJ CH4/MJ biogas voor mest, 0,035 MJ CH4/MJ biogas voor mais en 0,01 MJ CH4/MJ biogas voor bioafval.

(20) Gesloten opslag betekent dat het door het vergistingsproces verkregen digestaat wordt opgeslagen in een gasdichte tank, en het bijkomende biogas dat vrijkomt tijdens de opslag wordt beschouwd als gerecupereerd voor de productie van extra elektriciteit of biomethaan.

(21) Deze categorie omvat de volgende categorieën van technologieën voor de omzetting van biogas in biomethaan: Pressure Swing Adsorption (PSA), Pressure Water Scrubbing (PWS), Membranes, Cryogenic, en Organic Physical Scrubbing (OPS). Het omvat een emissie van 0,03 MJ CH4/MJ biomethaan voor de emissie van methaan in de rookgassen.

(22) Deze categorie omvat de volgende categorieën van technologieën voor de omzetting van biogas in biomethaan: Pressure Water Scrubbing (PWS) wanneer water wordt gerecycled, Pressure Swing Adsorption (PSA), Chemical Scrubbing, Organic Physical Scrubbing (OPS), Membranes en Cryogenic upgrading. Voor deze categorie wordt geen rekening gehouden met methaanemissies (als het rookgas methaan bevat, wordt dit verbrand).



BIJLAGE VII

HET IN DE BEREKENING OPNEMEN VAN ENERGIE VERKREGEN UIT WARMTEPOMPEN

De door warmtepompen uit de omgeving onttrokken hoeveelheid aerothermische, geothermische of hydrothermische energie die voor de toepassing van deze richtlijn geacht wordt energie uit hernieuwbare bronnen te zijn, ERES, wordt berekend volgens de volgende formule:

ERES = Qusable * (1 – 1/SPF)

waarbij

—=Qusable=de geraamde totale hoeveelheid bruikbare warmte die wordt afgeleverd door warmtepompen die aan de in artikel 7, lid 4, bedoelde criteria voldoen, als volgt ten uitvoer gelegd: enkel warmtepompen waarvoor SPF > 1,15 * 1/ worden in aanmerking genomen,
—=SPF=het geraamde gemiddelde seizoensgebonden rendement voor deze warmtepompen,
—==de verhouding tussen de totale brutoproductie van elektriciteit en het verbruik van primaire energie voor de productie van elektriciteit en wordt berekend als een EU-gemiddelde, gebaseerd op Eurostatgegevens.


BIJLAGE VIII

DEEL A.   VOORLOPIGE GERAAMDE EMISSIES VAN GRONDSTOFFEN VOOR BIOBRANDSTOFFEN, VLOEIBARE BIOMASSA EN BIOMASSABRANDSTOFFEN TEN GEVOLGE VAN INDIRECTE VERANDERING IN LANDGEBRUIK (g CO2eq/MJ) (1)

GewasgroepGemiddelde (2)Uit de gevoeligheidsanalyse afgeleide interpercentiele spreidingsbreedte (3)
Granen en andere zetmeelrijke gewassen128 tot en met 16
Suikers134 tot en met 17
Oliegewassen5533 tot en met 66

DEEL B.   BIOBRANDSTOFFEN, VLOEIBARE BIOMASSA EN BIOMASSABRANDSTOFFEN WAARVAN DE GERAAMDE EMISSIES TEN GEVOLGE VAN INDIRECTE VERANDERINGEN IN LANDGEBRUIK GEACHT WORDEN NUL TE ZIJN

Van biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen die worden geproduceerd uitgaande van de volgende categorieën grondstoffen worden de geraamde emissies ten gevolge van indirecte veranderingen in het landgebruik geacht nul te zijn:

1) grondstoffen die niet zijn vermeld in deel A van deze bijlage.

2) grondstoffen waarvan de productie heeft geleid tot directe veranderingen in landgebruik, d.w.z. een verandering in één van de volgende IPCC-categorieën van landgebruik: bosland, grasland, wetland, bouwland, woongebieden of overig land, alsook bouwland voor vaste gewassen (4). In een dergelijk geval moet een „emissiewaarde ten gevolge van directe verandering in landgebruik (el)” worden berekend overeenkomstig bijlage V, deel C, punt 7.


(1) De hier vermelde gemiddelde waarden vertegenwoordigen een gewogen gemiddelde van de afzonderlijk gemodelleerde gewaswaarden. De orde van grootte van de waarden in deze bijlage wordt beïnvloed door de reeks aannames (zoals behandeling van bijproducten, ontwikkelingen in de opbrengst, koolstofvoorraden, verplaatsing van andere grondstoffen) die worden gebruikt in de voor de raming ontwikkelde economische modellen. Hoewel het derhalve onmogelijk is de onzekerheidsmarge van dergelijke ramingen volledig te bepalen, is een gevoeligheidsanalyse, de zogenoemde Monte Carloanalyse, op de resultaten uitgevoerd op basis van de willekeurige variatie van de belangrijkste parameters.

(2) De hier opgenomen gemiddelde waarden vertegenwoordigen een gewogen gemiddelde van de afzonderlijk gemodelleerde gewaswaarden.

(3) De hier opgenomen spreidingsbreedte weerspiegelt 90 % van de resultaten waarvoor de uit de analyse resulterende 5e en 95e percentielwaarden zijn gebruikt. Het 5e percentiel duidt op een waarde beneden welke 5 % van de waarnemingen werden aangetroffen (d.w.z. 5 % van de totale gebruikte data vertoonden resultaten beneden 8, 4 en 33 g CO2eq/MJ). Het 95e percentiel duidt op een waarde beneden welke 95 % van de waarnemingen werden aangetroffen (d.w.z. 5 % van de totale gebruikte data vertoonden resultaten boven 16, 17 en 66 g CO2eq/MJ).

(4) Vaste gewassen worden gedefinieerd als meerjarige gewassen waarvan de stam gewoonlijk niet jaarlijks wordt geoogst, zoals hakhout met een korte omlooptijd en oliepalm.



BIJLAGE IX

Deel A. Grondstoffen voor de productie van biogas voor vervoer en geavanceerde biobrandstoffen, waarvoor ervan mag worden uitgegaan dat hun bijdrage tot het behalen van de in artikel 25, lid 1, eerste en vierde alinea, bedoelde minimumaandelen, het dubbele van hun energie-inhoud is

a) Algen wanneer zij worden gekweekt op het land in vijvers of fotobioreactoren.

b) De biomassafractie van gemengd stedelijk afval, maar niet gescheiden ingezameld huishoudelijk afval waarvoor de recyclingstreefcijfers gelden overeenkomstig artikel 11, lid 2, onder a), van Richtlijn 2008/98/EG.

c) Bioafval als gedefinieerd in artikel 3, punt 4, van Richtlijn 2008/98/EG van particuliere huishoudens, waarop gescheiden inzameling van toepassing is als gedefinieerd in artikel 3, punt 11, van die richtlijn.

d) De biomassafractie van industrieel afval ongeschikt voor gebruik in de voeder- of voedselketen, met inbegrip van materiaal van de groot- en detailhandel, de agrovoedingsmiddelenindustrie en de visserij- en aquacultuursector, met uitzondering van de in deel B van deze bijlage vermelde grondstoffen.

e) Stro.

f) Dierlijke mest en zuiveringsslib.

g) Effluenten van palmoliefabrieken en palmtrossen.

h) Talloliepek.

i) Ruwe glycerine.

j) Bagasse.

k) Draf van druiven en droesem.

l) Notendoppen.

m) Vliezen.

n) Kolfspillen waaruit de maïskiemen zijn verwijderd.

o) Biomassafractie van afvalstoffen en residuen uit de bosbouw en de houtsector, zoals schors, takken, precommercieel dunningshout, bladeren, naalden, boomkruinen, zaagsel, houtkrullen/spaanders, zwart residuloog, bruin residuloog, vezelslib, lignine en tallolie.

p) Ander non-food cellulosemateriaal.

q) Ander lignocellulosisch materiaal met uitzondering van voor verzaging geschikte stammen of blokken en fineer.

Deel B. Grondstoffen voor de productie van biobrandstoffen en biogas voor vervoer waarvan de bijdrage tot het behalen van het in artikel 25, lid 1, eerste alinea, vastgestelde minimumaandeel wordt beperkt en waarvoor ervan mag worden uitgegaan dat deze het dubbele van hun energie-inhoud is

a) Gebruikte bak- en braadolie.

b) Dierlijke vetten, ingedeeld als categorieën 1 en 2 overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1069/2009.


BIJLAGE X

DEEL A

Ingetrokken richtlijn en een lijst van de opeenvolgende wijzigingen daarvan (als bedoeld in artikel 37)

Richtlijn 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad

(PB L 140 van 5.6.2009, blz. 16)
Richtlijn 2013/18/EU van de Raad

(PB L 158 van 10.6.2013, blz. 230)
Richtlijn (EU) 2015/1513 van het Europees Parlement en de Raad

(PB L 239 van 15.9.2015, blz. 1)
Alleen artikel 2

DEEL B

Termijnen voor omzetting in nationaal recht

(als bedoeld in artikel 36)

RichtlijnOmzettingstermijn
2009/28/EG25 juni 2009
2013/18/EU1 juli 2013
(EU) 2015/151310 september 2017


BIJLAGE XI

CONCORDANTIETABEL

Richtlijn 2009/28/EGDeze richtlijn
Artikel 1Artikel 1
Artikel 2, eerste alineaArtikel 2, eerste alinea
Artikel 2, tweede alinea, aanhefArtikel 2, tweede alinea, aanhef
Artikel 2, tweede alinea, onder a)Artikel 2, tweede alinea, punt 1
Artikel 2, tweede alinea, onder b)—
—Artikel 2, tweede alinea, punt 2
Artikel 2, tweede alinea, onder c)Artikel 2, tweede alinea, punt 3
Artikel 2, tweede alinea, onder d)—
Artikel 2, tweede alinea, onder e), f), g), h), i), j), k), l), m), n), o), p), q), r), s), t), u), v) en w)Artikel 2, tweede alinea, punten 24, 4, 19, 32, 33, 12, 5, 6, 45, 46, 47, 23, 39, 41, 42, 43, 36, 44 en 37
—Artikel 2, tweede alinea, punten 7, 8, 9, 10, 11, 13, 14, 15, 16, 17, 18h, 20, 21, 22, 25, 26, 27, 28, 29, 30, 31, 34, 35, 38 en 40
Artikel 3—
—Artikel 3
Artikel 4—
—Artikel 4
—Artikel 5
—Artikel 6
Artikel 5, lid 1Artikel 7, lid 1
Artikel 5, lid 2—
Artikel 5, lid 3Artikel 7, lid 2
Artikel 5, lid 4, eerste, tweede, derde en vierde alineaArtikel 7, lid 3, eerste, tweede, derde en vierde alinea
—Artikel 7, lid 3, vijfde en zesde alinea
—Artikel 7, lid 4
Artikel 5, lid 5Artikel 27, lid 1, eerste alinea, onder c)
Artikel 5, leden 6 en 7Artikel 7, leden 5 en 6
Artikel 6, lid 1Artikel 8, lid 1
—Artikel 8, leden 2 en 3
Artikel 6, leden 2 en 3Artikel 8, leden 4 en 5
Artikel 7, leden 1, 2, 3, 4 en 5Artikel 9, leden 1, 2, 3, 4 en 5
—Artikel 9, lid 6
Artikel 8Artikel 10
Artikel 9, lid 1Artikel 11, lid 1
Artikel 9, lid 2, eerste alinea, onder a), b) en c)Artikel 11, lid 2, eerste alinea, onder a), b) en c)
—Artikel 11, lid 2, eerste alinea, onder d)
Artikel 10Artikel 12
Artikel 11, leden 1, 2 en 3Artikel 13, leden 1, 2 en 3
—Artikel 13, lid 4
Artikel 12Artikel 14
Artikel 13, lid 1, eerste alineaArtikel 15, lid 1, eerste alinea
Artikel 13, lid 1, tweede alineaArtikel 15, lid 1, tweede alinea
Artikel 13, lid 1, tweede alinea, onder a) en b)—
Artikel 13, lid 1, tweede alinea, onder c), d), e) en f)Artikel 15, lid 1, tweede alinea, onder a), b), c) en d)
Artikel 13, leden 2, 3, 4 en 5Artikel 15, leden 2, 3, 4 en 5
Artikel 13, lid 6, eerste alineaArtikel 15, lid 6, eerste alinea
Artikel 13, lid 6, tweede, derde, vierde en vijfde alinea—
—Artikel 15, leden 7 en 8
—Artikel 16
—Artikel 17
Artikel 14Artikel 18
Artikel 15, lid 1Artikel 19, lid 1
Artikel 15, lid 2, eerste, tweede en derde alineaArtikel 19, lid 2, eerste, tweede en derde alinea
—Artikel 19, lid 2, vierde en vijfde alinea
Artikel 15, lid 2, vierde alineaArtikel 19, lid 2, zesde alinea
Artikel 15, lid 3—
—Artikel 19, leden 3 en 4
Artikel 15, leden 4 en 5Artikel 19, leden 5 en 6
Artikel 15, lid 6, eerste alinea, onder a)Artikel 19, lid 7, eerste alinea, onder a)
Artikel 15, lid 6, eerste alinea, onder b), i)Artikel 19, lid 7, eerste alinea, onder b), i)
—Artikel 19, lid 7, eerste alinea, onder b), ii)
Artikel 15, lid 6, eerste alinea, onder b), ii)Artikel 19, lid 7, eerste alinea, onder b), iii)
Artikel 15, lid 6, eerste alinea, onder c), d), e) en f)Artikel 19, lid 7, eerste alinea, onder c), d), e) en f)
—Artikel 19, lid 7, tweede alinea
Artikel 15, lid 7Artikel 19, lid 8
Artikel 15, lid 8—
Artikel 15, leden 9 en 10Artikel 19, leden 9 en 10
—Artikel 19, lid 11
Artikel 15, lid 11Artikel 19, lid 12
Artikel 15, lid 12—
—Artikel 19, lid 13
Artikel 16, leden 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7 en 8—
Artikel 16, leden 9, 10 en 11Artikel 20, leden 1, 2 en 3
—Artikel 21
—Artikel 22
—Artikel 23
—Artikel 24
—Artikel 25
—Artikel 26
—Artikel 27
—Artikel 28
Artikel 17, lid 1, eerste en tweede alineaArtikel 29, lid 1, eerste en tweede alinea
—Artikel 29, lid 1, derde, vierde en vijfde alinea
—Artikel 29, lid 2
Artikel 17, lid 2, eerste en tweede alinea—
Artikel 17, lid 2, derde alineaArtikel 29, lid 10, derde alinea
Artikel 17, lid 3, eerste alinea, onder a)Artikel 29, lid 3, eerste alinea, onder a)
—Artikel 29, lid 3, eerste alinea, onder b)
Artikel 17, lid 3, eerste alinea, onder b) en c)Artikel 29, lid 3, eerste alinea, onder c) en d)
—Artikel 29, lid 3, tweede alinea
Artikel 17, lid 4Artikel 29, lid 4
Artikel 17, lid 5Artikel 29, lid 5
Artikel 17, leden 6 en 7—
—Artikel 29, leden 6, 7, 8, 9, 10 en 11
Artikel 17, lid 8Artikel 29, lid 12
Artikel 17, lid 9—
—Artikel 29, leden 13 en 14
Artikel 18, lid 1, eerste alineaArtikel 30, lid 1, eerste alinea
Artikel 18, lid 1, eerste alinea, onder a), b) en c)Artikel 30, lid 1, eerste alinea, onder a), c) en d)
—Artikel 30, lid 1, eerste alinea, onder b)
—Artikel 30, lid 1, tweede alinea
Artikel 18, lid 2—
—Artikel 30, lid 2
Artikel 18, lid 3, eerste alineaArtikel 30, lid 3, eerste alinea
Artikel 18, lid 3, tweede en derde alinea—
Artikel 18, lid 3, vierde en vijfde alineaArtikel 30, lid 3, tweede en derde alinea
Artikel 18, lid 4, eerste alinea—
Artikel 18, lid 4, tweede en derde alineaArtikel 30, lid 4, eerste en tweede alinea
Artikel 18, lid 4, vierde alinea—
Artikel 18, lid 5, eerste en tweede alineaArtikel 30, lid 7, eerste en tweede alinea
Artikel 18, lid 5, derde alineaArtikel 30, lid 8, eerste en tweede alinea
Artikel 18, lid 5, vierde alineaArtikel 30, lid 5, derde alinea
—Artikel 30, lid 6, eerste alinea
Artikel 18, lid 5, vijfde alineaArtikel 30, lid 6, tweede alinea
Artikel 18, lid 6, eerste en tweede alineaArtikel 30, lid 5, eerste en tweede alinea
Artikel 18, lid 6, derde alinea—
Artikel 18, lid 6, vierde alineaArtikel 30, lid 6, derde alinea
—Artikel 30, lid 6, vierde alinea
Artikel 18, lid 6, vijfde alineaArtikel 30, lid 6, vijfde alinea
Artikel 18, lid 7Artikel 30, lid 9, eerste alinea
—Artikel 30, lid 9, tweede alinea
Artikel 18, leden 8 en 9—
—Artikel 30, lid 10
Artikel 19, lid 1, eerste alineaArtikel 31, lid 1, eerste alinea
Artikel 19, lid 1, eerste alinea, onder a), b) en c)Artikel 31, lid 1, eerste alinea, onder a), b) en c)
—Artikel 31, lid 1, eerste alinea, onder d)
Artikel 19, leden 2, 3 en 4Artikel 31, leden 2, 3 en 4
Artikel 19, lid 5—
Artikel 19, lid 7, eerste alineaArtikel 31, lid 5, eerste alinea
Artikel 19, lid 7, eerste alinea, eerste, tweede, derde en vierde streepje—
Artikel 19, lid 7, tweede en derde alineaArtikel 31, lid 5, tweede en derde alinea
Artikel 19, lid 8Artikel 31, lid 6
Artikel 20Artikel 32
Artikel 22—
Artikel 23, leden 1 en 2Artikel 33, leden 1 en 2
Artikel 23, leden 3, 4, 5, 6, 7 en 8—
Artikel 23, lid 9Artikel 33, lid 3
Artikel 23, lid 10Artikel 33, lid 4
Artikel 24—
Artikel 25, lid 1Artikel 34, lid 1
Artikel 25, lid 2Artikel 34, lid 2
Artikel 25, lid 3Artikel 34, lid 3
Artikel 25 bis, lid 1Artikel 35, lid 1
Artikel 25 bis, lid 2Artikel 35, leden 2 en 3
Artikel 25 bis, lid 3Artikel 35, lid 4
—Artikel 35, lid 5
Artikel 25 bis, leden 4 en 5Artikel 35, leden 6 en 7
Artikel 26—
Artikel 27Artikel 36
—Artikel 37
Artikel 28Artikel 38
Artikel 29Artikel 39
Bijlage IBijlage I
Bijlage IIBijlage II
Bijlage IIIBijlage III
Bijlage IVBijlage IV
Bijlage VBijlage V
Bijlage VI—
—Bijlage VI
Bijlage VIIBijlage VII
Bijlage VIIIBijlage VIII
Bijlage IXBijlage IX
—Bijlage X
—Bijlage XI