Gedelegeerde verordening 2014/1398 - Normen inzake kandidaat-vrijwilligers en EU-vrijwilligers voor humanitaire hulp

1.

Wettekst

31.12.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 373/8

 

GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) Nr. 1398/2014 VAN DE COMMISSIE

van 24 oktober 2014

tot vaststelling van normen inzake kandidaat-vrijwilligers en EU-vrijwilligers voor humanitaire hulp

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 375/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 tot oprichting van het Europese vrijwilligerskorps voor humanitaire hulpverlening (hierna „het EU-vrijwilligersinitiatief voor humanitaire hulp” genoemd) (1), en met name artikel 9, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

 

(1)

Overeenkomstig Verordening (EU) nr. 375/2014 moet de Commissie normen en procedures vaststellen met betrekking tot de noodzakelijke voorwaarden, nadere regelingen en vereisten die uitzendende en ontvangende organisaties moeten hanteren bij de identificatie, selectie, opleiding, het beheer en de inzet van kandidaat-vrijwilligers en EU-vrijwilligers voor humanitaire hulp ter ondersteuning van humanitaire hulpoperaties in derde landen. In Verordening (EU) nr. 375/2014 is vastgesteld dat deze normen moeten worden aangenomen door middel van gedelegeerde handelingen en de procedures door middel van uitvoeringshandelingen.

 

(2)

Alle betrokken partijen bij het EU-vrijwilligersinitiatief voor humanitaire hulp, inclusief de vrijwilligers zelf en de uitzendende en ontvangende organisaties, moeten worden aangespoord om in het initiatief een gevoel van identiteit te delen.

 

(3)

In het competentiekader voor het EU-vrijwilligersinitiatief voor humanitaire hulp moeten de transversale competenties worden vastgelegd die vereist zijn in talrijke sectoren van het vrijwilligerswerk en de arbeidsmarkt, alsook specifieke competenties worden afgebakend die noodzakelijk zijn voor het EU-vrijwilligersinitiatief voor humanitaire hulp en het verstrekken van humanitaire hulp. Het kader moet ook voorzien in een niet-limitatieve lijst van de technische competenties. Hiermee moet worden gezorgd voor een doeltreffende en op behoeften gebaseerde selectie en voorbereiding van kandidaat-vrijwilligers, waarbij wordt uitgegaan van een gemeenschappelijk competentiekader.

 

(4)

Om de competenties, leerbehoeften en leerresultaten van EU-vrijwilligers voor humanitaire hulp te kunnen documenteren en beoordelen, moet tijdens hun deelname aan het initiatief gebruik worden gemaakt van een gebruiksvriendelijk plan voor opleiding en ontwikkeling. Voor het opstellen van dit plan wordt gebruikgemaakt van de ervaring die is opgedaan bij de initiatieven Youthpass (2) en Europass (3).

 

(5)

Dank zij de kennis, vaardigheden en competenties die de vrijwilligers bij een deelname aan het EU-vrijwilligersinitiatief voor humanitaire hulp verwerven, wordt hun inzetbaarheid bevorderd. Door hun deelname tonen zij ook hun solidariteit met mensen in nood en hun bereidheid om een gevoel van Europees burgerschap te bevorderen. Voor zover mogelijk moet derhalve met specifieke bepalingen de validatie van niet-formeel en informeel leren door EU-vrijwilligers voor humanitaire hulp worden bevorderd, overeenkomstig de aanbeveling van de Raad van 20 december 2012 betreffende de validatie van niet-formeel en informeel leren (4).

 

(6)

De normen die van toepassing zijn op de partnerschappen tussen de uitzendende en ontvangende organisaties, zijn van belang voor zowel de humanitaire sector als de vrijwilligersorganisaties. Zij ondersteunen de doelstelling om partnerschappen op te bouwen tussen de uitvoerende organisaties en onderstrepen de wederzijdse verantwoordelijkheid van deze organisaties, zowel ten aanzien van de totstandkoming van de doelstellingen van het EU-vrijwilligersinitiatief voor humanitaire hulp als van de EU-vrijwilligers voor humanitaire hulp als individuen. De beginselen waarop het partnerschap is gebaseerd, moeten worden vastgesteld en de partnerschapsovereenkomst moet beantwoorden aan minimumvereisten waaraan de partners moeten voldoen om in aanmerking te komen voor de uitvoering en het beheer van projecten waarbij EU-vrijwilligers voor humanitaire hulp worden ingezet in derde landen.

 

(7)

De beginselen inzake gelijke kansen en non-discriminatie zijn verankerd in het nationale recht en het recht van de Unie en moeten in alle omstandigheden worden nageleefd en bevorderd door de uitzendende en ontvangende organisaties. In voorkomend geval wordt evenwel voorzien in contextgebonden uitzonderingen met betrekking tot de rol en het profiel van EU-vrijwilligers voor humanitaire hulp.

 

(8)

Naleving van het desbetreffende nationale en Unierecht en het recht van het ontvangende land is essentieel. Dit valt onder de verantwoordelijkheid van de uitzendende en ontvangende organisaties, die ook verplicht zijn de EU-vrijwilligers voor humanitaire hulp in kennis te stellen van hun rechten en wettelijke verplichtingen die voortvloeien uit deze wetgeving en hun recht op een verzekeringsdekking. Een duidelijke juridische status van de vrijwilligers is een absolute voorwaarde voor hun inzet en moet derhalve worden vastgelegd in een contract tussen de uitzendende organisaties en de EU-vrijwilliger voor humanitaire hulp waarin de voorwaarden voor de inzet worden vastgelegd. Bijzondere aandacht moet ook worden besteed aan de bescherming van persoonsgegevens, de noodzaak om — overeenkomstig een gedragscode — met integriteit te werk te gaan, de bescherming van kinderen en kwetsbare volwassenen, inclusief door de invoering van een beginsel van nultolerantie ten aanzien van seksueel misbruik.

 

(9)

Om de tijdige tenuitvoerlegging van het EU-vrijwilligersinitiatief voor humanitaire hulp te garanderen, is een urgente inwerkingtreding van deze verordening vereist, aangezien hierin de bepalingen zijn opgenomen waarop de uitvoerende organisaties zich baseren om EU-vrijwilligers voor humanitaire hulp in te zetten in derde landen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK 1

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

Algemene bepalingen

In deze verordening worden normen vastgesteld die gelden voor kandidaat-vrijwilligers en EU-vrijwilligers voor humanitaire hulp, met inachtneming van de in artikel 9, lid 2, van Verordening (EU) nr. 375/2014 vermelde aangelegenheden:

 

a)

een competentiekader dat wordt gebruikt voor de identificatie, selectie en voorbereiding van vrijwilligers als junior of senior professionals;

 

b)

bepalingen ter waarborging van gelijke kansen en non-discriminatie bij het identificatie- en selectieproces;

 

c)

bepalingen ter waarborging van naleving van het betreffende nationale en Unierecht en het recht van het ontvangende land door uitzendende en ontvangende organisaties;

 

d)

normen van toepassing op de partnerschappen tussen uitzendende en ontvangende organisaties, en

 

e)

bepalingen met het oog op erkenning van de door de EU-vrijwilligers voor humanitaire hulp verworven vaardigheden en competenties overeenkomstig de bestaande relevante Unie-initiatieven.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze verordening zijn de definities in artikel 3 van Verordening (EU) nr. 375/2014 en de definities in de uitvoeringsverordening van de Commissie die op grond van artikel 9, lid 3, van Verordening (EU) nr. 375/2014 moet worden vastgesteld, van toepassing. Daarnaast wordt verstaan onder:

  • a) 
    „competenties”: volgens de definitie die is opgenomen in het Europees referentiekader voor sleutelcompetenties voor een leven lang leren (5), een combinatie van kennis, vaardigheden en attitudes die in een bepaalde context adequaat zijn en die EU-vrijwilligers voor humanitaire hulp in staat stellen bij te dragen tot het verstrekken van op behoeften gebaseerde humanitaire hulp;
  • b) 
    „transversale competenties”: competenties die vereist zijn in talrijke sectoren van het vrijwilligerswerk en de arbeidsmarkt en die niet specifiek zijn voor humanitaire hulpverlening;
  • c) 
    „specifieke competenties”: competenties die vereist zijn voor het EU-vrijwilligersinitiatief en voor humanitaire hulpverlening in bredere zin;
  • d) 
    „technische competenties”: competenties op grond van gespecialiseerde kennis die van belang zijn op het gebied van humanitaire hulp;
  • e) 
    „leerresultaten”: volgens de definitie die is opgenomen in het Europees kwalificatiekader (6), verklaringen over hetgeen een lerende weet, begrijpt en kan doen na de voltooiing van een leerproces. Leerresultaten worden uitgedrukt in termen van kennis, vaardigheden en competenties.

HOOFDSTUK 2

COMPETENTIEKADER

Artikel 3

Competentiekader

  • 1. 
    Het competentiekader voor het EU-vrijwilligersinitiatief voor humanitaire hulp heeft drie dimensies:
 

a)

transversale competenties;

 

b)

specifieke competenties;

 

c)

technische competenties.

  • 2. 
    Het competentiekader is toegespitst op:
 

a)

junior professionals, in het bijzonder pas afgestudeerden met minder dan vijf jaar beroepservaring en minder dan vijf jaar ervaring op het vlak van humanitaire hulpverlening, en

 

b)

senior professionals met vijf of meer jaar beroepservaring in een positie als leidinggevende of deskundige.

  • 3. 
    Het competentiekader dient zowel ter bevordering van de permanente persoonlijke ontwikkeling van de EU-vrijwilligers voor humanitaire hulp in de verschillende fasen van hun deelname aan het initiatief als ter beoordeling van hun vooruitgang. De vaardigheidsniveaus in elke competentie worden op een coherente wijze beoordeeld op grond van het Europees kwalificatiekader. Hierbij wordt volgende indeling in niveaus gebruikt:
 

a)

niveau 4: uitstekende beheersing;

 

b)

niveau 3: afdoende beheersing;

 

c)

niveau 2: beheersing met lacunes;

 

d)

niveau 1: zwakke beheersing.

  • 4. 
    De belangrijkste competenties zijn omschreven in de bijlage.

Artikel 4

Opleidings- en ontwikkelingsplan

  • 1. 
    In een opleidings- en ontwikkelingsplan worden de leerresultaten omschreven die de EU-vrijwilligers voor humanitaire hulp geacht worden te behalen en is informatie opgenomen over de verwachte competenties, leerbehoeften en -resultaten van deze vrijwilligers in de verschillende fasen van hun deelname aan het EU-vrijwilligersinitiatief voor humanitaire hulp.
  • 2. 
    In het opleidings- en ontwikkelingsplan zijn de volgende gegevens opgenomen:
 

a)

basisinformatie over de EU-vrijwilliger voor humanitaire hulp;

 

b)

basisinformatie over het project waaraan de vrijwilliger deelneemt en een beschrijving van de uit te voeren taken;

 

c)

de in het competentiekader beschreven competenties en een beoordeling van de prestatie van de vrijwilliger en de desbetreffende leerresultaten;

 

d)

leerbehoeften en geplande ontwikkelingsactiviteiten, in voorkomend geval;

 

e)

tijdens de opleiding of in de loop van het project gevolgde cursussen, en

 

f)

overige relevante informatie.

  • 3. 
    Afhankelijk van de individuele behoeften en aspiraties van de EU-vrijwilliger voor humanitaire hulp zijn de verschillende onderdelen van het opleidings- en ontwikkelingsplan van toepassing. Deze onderdelen worden op gezette tijden bijgewerkt, onder meer in de volgende fasen:
 

a)

selectie;

 

b)

opleiding, waaronder in voorkomend geval stages;

 

c)

inzet, en

 

d)

nabespreking na afloop van de inzet, in voorkomend geval.

HOOFDSTUK 3

ERKENNING VAN DE VAARDIGHEDEN EN COMPETENTIES DIE ZIJN VERWORVEN DOOR DE EU-VRIJWILLIGERS VOOR HUMANITAIRE HULP

Artikel 5

Beoordeling en staving

  • 1. 
    De beoordeling en staving van de competenties die de EU-vrijwilligers voor humanitaire hulp hebben verworven tijdens hun deelname aan het EU-vrijwilligersinitiatief voor humanitaire hulp dienen ter ondersteuning van:
 

a)

de professionele erkenning van de verworven competenties die beroepshalve kunnen worden gebruikt en die de inzetbaarheid van een vrijwilliger zouden kunnen verbeteren, en

 

b)

de sociale erkenning van de bijdrage van de vrijwilligers aan de waarden van de Unie op het gebied van solidariteit met mensen in nood, waarbij een gevoel van Europees burgerschap zichtbaar wordt bevorderd.

  • 2. 
    De reikwijdte en de procedure van beoordeling en staving worden zodanig aangepast dat zij zowel voor junior als voor senior professionals geschikt zijn en zijn afgestemd op de individuele noden en verwachtingen van de EU-vrijwilliger voor humanitaire hulp.
  • 3. 
    De beoordeling en staving van de leerervaringen geven de continue ontwikkeling van de EU-vrijwilligers voor humanitaire hulp weer, waarbij de opleiding en ontwikkeling in de verschillende fasen van de deelname van een vrijwilliger aan het initiatief naar waarde wordt geschat en ondersteund. Beoordeling en staving worden uitgevoerd op basis van het in artikel 4 bedoelde opleidings- en ontwikkelingsplan.
  • 4. 
    Uitzendende en ontvangende organisaties werken steeds actief mee aan de beoordeling en staving van de leerervaringen van de EU-vrijwilligers voor humanitaire hulp om de professionele en sociale erkenning te bevorderen.
  • 5. 
    De Commissie en de EU-lidstaten verstrekken de bevoegde nationale autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de validering van het niet-formeel en informeel leren relevante informatie over het EU-vrijwilligersinitiatief voor humanitaire hulp en de beoordeling en staving om in voorkomend geval de formele validering van de leerervaringen van de EU-vrijwilligers voor humanitaire hulp in hun land van herkomst te vergemakkelijken.

Artikel 6

Professionele erkenning

  • 1. 
    EU-vrijwilligers voor humanitaire hulp ontvangen op hun verzoek een getuigschrift ter bevestiging van hun deelname aan het initiatief. Dit getuigschrift wordt verstrekt door de Commissie en bevat ten minste de volgende informatie:
 

a)

begin- en einddatum van de opdracht;

 

b)

naam en nadere gegevens van de uitzendende en ontvangende organisaties;

 

c)

naam en contactgegevens van de mentor en lijnmanager van de vrijwilliger;

 

d)

naam en nadere gegevens van de personen in de uitzendende en ontvangende organisaties die bereid zijn een referentie te verstrekken voor de vrijwilliger;

 

e)

de belangrijkste taken en verantwoordelijkheden van de EU-vrijwilliger voor humanitaire hulp;

 

f)

een beschrijving van de belangrijkste verwezenlijkingen van de EU-vrijwilliger voor humanitaire hulp tijdens de opdracht;

 

g)

een beschrijving van de leerresultaten van de EU-vrijwilligers voor humanitaire hulp tijdens de verschillende fasen van hun deelname aan het initiatief, die worden beoordeeld overeenkomstig artikel 3, lid 3, van deze verordening.

  • 2. 
    Op verzoek van de EU-vrijwilligers voor humanitaire hulp kan een kopie van het opleidings- en ontwikkelingsplan bij het getuigschrift worden gevoegd.

Artikel 7

Sociale erkenning

  • 1. 
    De sociale erkenning wordt bevorderd door de activiteiten die zijn opgenomen in het in artikel 17 van Verordening (EU) nr. 375/2014 bedoelde communicatieplan. De EU-vrijwilligers voor humanitaire hulp krijgen de mogelijkheid mee te werken aan de externe communicatie die tot doel heeft het initiatief en de inzet van de vrijwilligers in de openbaarheid te brengen.
  • 2. 
    In voorkomend geval organiseert de Commissie bijeenkomsten op hoog niveau om het publiek voor te lichten en de zichtbaarheid van het initiatief te verbeteren.
  • 3. 
    De uitzendende organisaties verspreiden informatie over en bevorderen de deelname aan het netwerk voor het EU-vrijwilligersinitiatief voor humanitaire hulp, waarbij zij de aandacht vestigen op de mogelijkheden die het netwerk biedt voor vrijwilligers om na hun uitzending betrokken te blijven bij de humanitaire hulpverlening en een actief Europees burgerschap.
  • 4. 
    De uitzendende en ontvangende organisaties stellen de EU-vrijwilligers voor humanitaire hulp in kennis van de mogelijkheden om zich te blijven engageren voor aangelegenheden op het gebied van humanitaire hulp en actief Europees burgerschap. Zij sporen de EU-vrijwilligers voor humanitaire hulp aan om deel te nemen aan conferenties en workshops die op Europees en nationaal niveau worden georganiseerd, om hun ervaringen met de belanghebbende partijen te delen.

HOOFDSTUK 4

NORMEN VAN TOEPASSING OP DE PARTNERSCHAPPEN TUSSEN UITZENDENDE EN ONTVANGENDE ORGANISATIES

Artikel 8

Doelstelling en leden van een partnerschap

  • 1. 
    In het kader van het partnerschap tussen de uitzendende en ontvangende organisaties worden de regelingen vastgesteld tussen de partners die zich kandidaat stellen voor projecten waarbij EU-vrijwilligers voor humanitaire hulp worden ingezet in derde landen en die deze projecten beheren. Deze regelingen kunnen ook betrekking hebben op activiteiten op het vlak van capaciteitsopbouw en/of technische bijstand.
  • 2. 
    De leden van het partnerschap zijn uitzendende organisaties die in overeenstemming zijn met artikel 10, lid 3, van Verordening (EU) nr. 375/2014 en ontvangende organisaties die in overeenstemming zijn met artikel 10, lid 4, van Verordening (EU) nr. 375/2014.
  • 3. 
    Wanneer uitzendende en ontvangende organisaties een partnerschap vormen, kunnen zij andere organisaties die gespecialiseerd zijn in werkterreinen die van belang zijn voor de in lid 1 bedoelde doelstellingen of projectmaatregelen, als partners opnemen om een beroep te doen op hun specifieke deskundigheid.
  • 4. 
    Wanneer projecten activiteiten omvatten die betrekking hebben op capaciteitsopbouw en/of technische bijstand, komen uitzendende en ontvangende organisaties die reeds zijn onderworpen aan een certificeringsprocedure overeenkomstig de op grond van artikel 10, lid 1, van Verordening (EU) nr. 375/2014 vast te stellen uitvoeringsverordening van de Commissie, maar waaraan geen certificering is toegekend, ook in aanmerking als partners op voorwaarde dat zij beschikken over een op behoeften gebaseerde strategie voor capaciteitsopbouw en/of technische bijstand.
  • 5. 
    In het geval van projecten ter ondersteuning van noodhulpoperaties, kan het partnerschap louter uit uitzendende organisaties zijn samengesteld.

Artikel 9

Beginselen van partnerschap

Met de activiteiten van het EU-vrijwilligersinitiatief voor humanitaire hulp worden transnationale partnerschappen bevorderd tussen uitzendende en ontvangende organisaties, die op de volgende beginselen zijn gebaseerd:

 

a)

gelijkheid;

 

b)

gemeenschappelijke waarden en een gemeenschappelijke visie;

 

c)

transparantie;

 

d)

verantwoordelijkheid, verantwoordingsplicht en betrouwbaarheid;

 

e)

wederzijds vertrouwen en respect;

 

f)

complementariteit, die gebaseerd is op de diversiteit binnen de gemeenschap van humanitaire hulpverleners en het vrijwilligerswerk, met een sterke nadruk op de opbouw van lokale capaciteit;

 

g)

flexibiliteit en aanpassingsvermogen; en

 

h)

wederkerigheid bij de toekenning van middelen en de vaststelling van doelstellingen.

Artikel 10

Partnerschapsovereenkomst en normen

  • 1. 
    Voordat uitzendende en ontvangende organisaties een partnerschap opzetten, moet een behoeftenanalyse worden uitgevoerd door de ontvangende organisaties, in voorkomend geval in samenwerking met de uitzendende organisaties, waarbij rekening wordt gehouden met de beoordeling van de behoeften aan humanitaire hulp door de Commissie.
  • 2. 
    Deze behoeftenanalyse omvat ten minste volgende onderdelen:
 

a)

een beoordeling van de kwetsbaarheid en de risico's van het land waar de vrijwilligers worden ingezet, inclusief een beoordeling van de veiligheid en de reis- en gezondheidsrisico's die van belang zijn voor EU-vrijwilligers voor humanitaire hulp;

 

b)

een evaluatie van de huidige capaciteit van de ontvangende organisatie om een EU-vrijwilliger voor humanitaire hulp te ontvangen;

 

c)

een analyse van de competenties en capaciteiten die momenteel ontbreken binnen de ontvangende organisatie en de plaatselijke gemeenschap, waarbij de behoeften worden vastgesteld en wordt nagegaan hoe zij het best worden aangepakt;

 

d)

een analyse van de verwachte toegevoegde waarde van de EU-vrijwilliger voor humanitaire hulp en in voorkomend geval van de beoogde steun inzake capaciteitsopbouw aan de ontvangende organisatie en de lokale gemeenschap.

  • 3. 
    Een partnerschapsovereenkomst wordt door alle partners ondertekend om te garanderen dat de volgende minimale partnerschapsnormen in acht worden genomen:
 

a)

partnerschappen zijn gebaseerd op een overeenkomst over gemeenschappelijke waarden en een gemeenschappelijke visie, in het bijzonder met betrekking tot vrijwilligerswerk en humanitaire hulp;

 

b)

de toegevoegde waarde van elke partner en zijn respectieve taken wordt duidelijk afgebakend;

 

c)

alle partners stemmen in met de gemeenschappelijke doelstellingen van het partnerschap en de wijze waarop het partnerschap wordt beheerd, in het bijzonder met betrekking tot:

 

i)

besluitvormingsprocedures en werkmethoden;

 

ii)

financiële regelingen en beheer;

 

iii)

communicatiekanalen tussen alle betrokken partijen, frequentie van de vergaderingen en inspectiebezoeken door uitzendende organisaties;

 

iv)

werkprogramma en activiteiten, inclusief tijdschema;

 

v)

taakverdeling, overeenkomstig het communicatieplan van het initiatief;

 

vi)

toezicht op en evaluatie van het partnerschap;

 

vii)

boekhouding en documentatie;

 

viii)

een verfijning en afronding van de in lid 1 bedoelde behoeftenanalyse;

 

ix)

gezamenlijke formulering en evaluatie van de taken die aan de EU-vrijwilligers voor humanitaire hulp zijn opgedragen;

 

x)

taken en verantwoordelijkheden met betrekking tot kandidaat-vrijwilligers en EU-vrijwilligers voor humanitaire hulp in de verschillende fasen van hun deelname aan het EU-vrijwilligersinitiatief voor humanitaire hulp;

 

xi)

procedures voor klachtenbehandeling (zowel klachten die binnen het partnerschap zijn geuit als die welke afkomstig zijn van externe partijen met betrekking tot het optreden van het partnerschap) en conflictoplossing tussen partners;

 

xii)

beleid en procedures voor het vertrek van een partner;

 

xiii)

financiële gevolgen, en

 

xiv)

contractuele gevolgen (inclusief ten aanzien van de EU-vrijwilligers voor humanitaire hulp en de betrokken gemeenschappen);

 

d)

in voorkomend geval wordt een op behoeften gebaseerde strategie voor capaciteitsopbouw en/of technische bijstand tussen partners opgesteld en worden voor deze strategie specifieke middelen uitgetrokken;

 

e)

partners dragen bij tot de leeractiviteiten en zijn bereid acties te ondernemen op het vlak van communicatie en zichtbaarheid overeenkomstig het in artikel 17 van Verordening (EU) nr. 375/2014 bedoelde communicatieplan.

HOOFDSTUK 5

GELIJKE KANSEN EN NON-DISCRIMINATIE

Artikel 11

Algemeen beginsel

  • 1. 
    Het EU-vrijwilligersinitiatief voor humanitaire hulp staat open voor alle in aanmerking komende kandidaten, ongeacht hun nationaliteit, geslacht, ras, etnische afkomst, leeftijd, sociale achtergrond, godsdienst of levensovertuiging, burgerlijke staat of seksuele geaardheid en eventuele handicaps.
  • 2. 
    De uitzendende en ontvangende organisaties onderschrijven de beginselen van gelijke behandeling, gelijke kansen en non-discriminatie. Deze beginselen worden volledig opgenomen in de procedure voor de identificatie, selectie en aanwerving, en voorbereiding van de vrijwilligers en in het beleid en de werkmethoden op het vlak van prestatiebeheer.

Artikel 12

Gelijke behandeling, gelijke kansen en non-discriminatie

  • 1. 
    De uitzendende organisatie heeft een beginselverklaring en een beleid om ervoor te zorgen dat de beginselen van gelijke behandeling, gelijke kansen en non-discriminatie worden nageleefd op de werkvloer, waarbij wordt gestreefd naar een inclusieve organisatiecultuur.
  • 2. 
    Het in lid 1 bedoelde beleid op het vlak van gelijke behandeling, gelijke kansen en non-discriminatie voldoet ten minste aan de volgende voorwaarden:
 

a)

het is in overeenstemming met de desbetreffende EU- en nationale wetgeving, waarbij ernaar wordt gestreefd discriminerende beleidsbeginselen of praktijken te voorkomen, aan te pakken of uit de weg te ruimen, inclusief belemmeringen voor werkgelegenheid voor alle groepen op wie deze wetgeving betrekking heeft en/of van wie geweten is dat zij geconfronteerd kunnen worden met vooroordelen wanneer zij zoeken naar werk, en dus het risico lopen om ondervertegenwoordigd te zijn;

 

b)

het dekt — zonder hiertoe beperkt te zijn — alle aspecten van de vrijwilligersactiviteit, inclusief individuele gedragsregels, advertentieplaatsing, selectie en aanwerving, opleiding en ontwikkeling, prestatiebeheer, arbeidsvoorwaarden waaronder verlonings- en ontslagprocedures;

 

c)

het geeft een duidelijke afbakening van de taken en verantwoordelijkheden van alle personeelsleden en vrijwilligers, leidinggevenden en leiderschapsteams, personeelsdiensten en alle andere door de organisatie vermelde betrokken partijen;

 

d)

het wordt regelmatig gecontroleerd en geëvalueerd om ervoor te zorgen dat het beleid in overeenstemming blijft met de desbetreffende wetgeving en correct en doeltreffend ten uitvoer wordt gelegd.

  • 3. 
    De ontvangende organisatie bevestigt de uitzendende organisatie schriftelijk dat zij het beginsel en het beleid inzake gelijke behandeling, gelijke kansen en non-discriminatie onderschrijft en informeert de uitzendende organisatie indien door de specifieke context van de opdracht uitzonderingen moeten worden gemaakt bij het vastleggen van de opdracht en het profiel van de EU-vrijwilliger voor humanitaire hulp.
  • 4. 
    De uitzendende organisatie ondersteunt de ontvangende organisatie bij de tenuitvoerlegging van het beleid op het vlak van gelijke behandeling, gelijke kansen en non-discriminatie. Bij wijze van uitzondering wordt de ontvangende organisatie indien nodig ondersteund bij het maken van contextgebonden aanpassingen aan deze beginselen.
  • 5. 
    Indien mogelijk verstrekt de uitzendende organisatie op gezette tijden passende opleiding en voorlichting over haar beleid en haar beginselen aan al haar personeelsleden, om ervoor te zorgen dat het beleid door alle betrokken partijen wordt begrepen, ondersteund en uitgevoerd.

HOOFDSTUK 6

NALEVING VAN HET NATIONALE EN UNIERECHT EN HET RECHT VAN HET ONTVANGENDE LAND

Artikel 13

Algemene bepalingen

  • 1. 
    De uitzendende en ontvangende organisaties waarborgen de naleving van het desbetreffende nationale en Unierecht en het recht van het ontvangende land, met inbegrip van de volgende voorschriften:
 

a)

Verordening (EU) nr. 375/2014, inclusief de inachtneming van de in artikel 5 bedoelde algemene beginselen;

 

b)

wetgeving die van toepassing is op de juridische status van de EU-vrijwilligers voor humanitaire hulp;

 

c)

wetgeving die van toepassing is op de arbeidsomstandigheden, gezondheid, veiligheid en beveiliging van de vrijwilligers;

 

d)

wetgeving betreffende gelijke behandeling en non-discriminatie, en

 

e)

wetgeving betreffende de bescherming van persoonsgegevens.

  • 2. 
    De uitzendende en ontvangende organisaties stellen de EU-vrijwilligers voor humanitaire hulp in kennis van hun rechten en wettelijke verplichtingen die voortvloeien uit de in lid 1 bedoelde wetgeving en hun rechten op een verzekeringsdekking zoals bepaald in de uitvoeringsverordening van de Commissie die op grond van artikel 9, lid 3, van Verordening (EU) nr. 375/2014 moet worden vastgesteld.

Artikel 14

Juridische status van een EU-vrijwilliger voor humanitaire hulp

  • 1. 
    De uitzendende organisatie neemt de wetgeving in acht die van toepassing is op de juridische status van een EU-vrijwilliger voor humanitaire hulp. Derhalve wordt door deze organisatie een contract voor de inzet van vrijwilligers opgesteld — zoals bedoeld in artikel 14, lid 5, van Verordening (EU) nr. 375/2014 — die door de organisatie zelf en de EU-vrijwilliger voor humanitaire hulp moet worden ondertekend. In het contract worden de op het contract toepasselijke wetgeving en de rechterlijke bevoegdheid over het contract vastgesteld.
  • 2. 
    De uitzendende organisatie garandeert de naleving van het contract door de ontvangende organisatie en is aansprakelijk voor inbreuken op de contractbepalingen door de ontvangende organisatie.

Artikel 15

Verplichting om EU-vrijwilligers voor humanitaire hulp in kennis te stellen van de fiscale bepalingen

  • 1. 
    Voorafgaand aan de inzet stelt de uitzendende organisatie de EU-vrijwilliger voor humanitaire hulp in kennis van de fiscale bepalingen inzake dagvergoedingen in het land van vestiging van de uitzendende organisatie en indien nodig, in het land van inzet.
  • 2. 
    Wanneer een EU-vrijwilliger voor humanitaire hulp geen inwoner is van het land van vestiging van de uitzendende organisatie, stelt de uitzendende organisatie de EU-vrijwilligers voor humanitaire hulp in kennis van de verplichting om zich vertrouwd te maken met de fiscale bepalingen van het land waarin zij zijn gevestigd en die van toepassing is op hun specifieke situatie.

Artikel 16

Gegevensbescherming

  • 1. 
    Indien van toepassing moet de verwerking van persoonsgegevens door de uitzendende en ontvangende organisaties in overeenstemming zijn met Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad (7) en Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad (8).
  • 2. 
    De uitzendende en ontvangende organisaties zorgen ervoor dat persoonsgegevens tijdens de verwerking ervan niet kunnen worden misbruikt of verkeerd gebruikt, inclusief bij het verzamelen, gebruiken, verstrekken en vernietigen van alle persoonsgegevens over kandidaat-vrijwilligers en EU-vrijwilligers voor humanitaire hulp. Dit heeft betrekking op alle acties ten aanzien van kandidaat-vrijwilligers en EU-vrijwilligers voor humanitaire hulp, en in het bijzonder:
 

a)

aanwerving en selectie (inclusief sollicitatieformulieren, aantekeningen bij het sollicitatiegesprek en vragenlijsten voor zelfbeoordeling), en

 

b)

voorbereiding en aansturing van EU-vrijwilligers voor humanitaire hulp (inclusief opleidings- en ontwikkelingsplannen, prestatiebeoordelingen en verslagen over ondersteunende begeleiding, medische controles en tuchtrechtelijke kwesties).

  • 3. 
    De uitzendende en ontvangende organisaties zorgen ervoor dat alleen relevante gegevens worden verwerkt en dat persoonsgegevens zoals naam, leeftijd, adres, geboortedatum, met inbegrip van gevoelige gegevens, informatie inzake aanwerving, inzet en prestatie:
 

a)

op een rechtmatige en adequate wijze worden verzameld voor een legitiem doeleinde;

 

b)

op eerlijke en rechtmatige wijze worden verwerkt;

 

c)

indien nodig worden gecorrigeerd of bijgewerkt;

 

d)

alleen door bevoegd personeel kunnen worden geraadpleegd;

 

e)

op verzoek kunnen worden geraadpleegd door de desbetreffende kandidaat-vrijwilliger of EU-vrijwilliger voor humanitaire hulp;

 

f)

veilig worden opgeslagen, en

 

g)

niet langer dan nodig worden opgeslagen.

  • 4. 
    Bij de verwerking van de in lid 3 bedoelde gegevens zullen de uitzendende en ontvangende organisaties verzoeken om de uitdrukkelijke toestemming van de EU-vrijwilliger voor humanitaire hulp.
  • 5. 
    De uitzendende en ontvangende organisaties stellen de kandidaat-vrijwilliger of de EU-vrijwilliger voor humanitaire hulp in kennis van hun recht op bescherming van persoonsgegevens, hun recht om een klacht in te dienen en hun recht om hun eigen gegevens te gebruiken en te raadplegen, alsmede hun recht om de identiteit te kennen van de entiteiten die hun persoonsgegevens kunnen raadplegen en om te weten welk soort gegevens door elke entiteit kan worden geraadpleegd.

Artikel 17

Integriteit en gedragscode

  • 1. 
    Uitzendende en ontvangende organisaties bereiken overeenstemming over een integriteitsbeleid dat tot doel heeft corruptie en omkoperij te voorkomen alsook over een op het beleid van de uitzendende organisatie gebaseerde gedragscode die afgestemd en van toepassing is op de EU-vrijwilligers voor humanitaire hulp, met richtsnoeren inzake verwachte gedragingen, fatsoen en integriteit die zijn vereist bij hun deelname aan het EU-vrijwilligersinitiatief voor humanitaire hulp.
  • 2. 
    De gedragscode is bindend voor alle EU-vrijwilligers voor humanitaire hulp en omvat ten minste de volgende vereisten:
 

a)

het engagement om zich met het EU-vrijwilligersinitiatief voor humanitaire hulp te identificeren en om bij te dragen tot de doelstellingen ervan;

 

b)

respect voor andere mensen en hun waardigheid en naleving van het beginsel van non-discriminatie;

 

c)

respect voor de in artikel 5, lid 1, van Verordening (EU) nr. 375/2014 bedoelde beginselen van humanitaire hulpverlening;

 

d)

engagement om kinderen en kwetsbare volwassenen te beschermen, onder meer door een nultolerantie ten aanzien van seksueel misbruik;

 

e)

nultolerantie ten aanzien van het gebruik van drugs die illegaal zijn in het land waar men als vrijwilliger wordt ingezet;

 

f)

inachtneming van de lokale wetten;

 

g)

integriteit, fraude- en corruptiebestrijding.

 

h)

handhaven van hoge normen van persoonlijk en professioneel gedrag;

 

i)

naleving van de procedures op het vlak van veiligheid, gezondheid en beveiliging;

 

j)

verplichting om melding te maken van inbreuken en bepalingen voor klokkenluiden;

 

k)

regels voor contacten met de media en informatiebeheer, en

 

l)

regels voor het voorkomen van misbruik van de uitrusting van de organisatie.

  • 3. 
    Elke inbreuk op de gedragscode door een EU-vrijwilliger voor humanitaire hulp wordt behandeld overeenkomstig het door de uitzendende organisatie gevoerde beleid.
  • 4. 
    Indien de inbreuk wordt beschouwd als een zwaar vergrijp, kan dit resulteren in een vervroegde terugkeer van de EU-vrijwilliger voor humanitaire hulp en, indien nodig, kan dit gedrag worden gemeld aan de desbetreffende professionele of gerechtelijke organisaties of autoriteiten.

Artikel 18

Bescherming van kinderen en kwetsbare volwassenen, inclusief nultolerantie ten aanzien van seksueel misbruik

  • 1. 
    Uitzendende en ontvangende organisaties onderschrijven een nultolerantiebeleid ten aanzien van elk misbruik van kinderen en/of kwetsbare volwassenen, inclusief seksueel misbruik. Zij zijn in staat om misbruik te melden, incidenten onverwijld en naar behoren aan te pakken, slachtoffers te ondersteunen, represailles tegen klokkenluiders te voorkomen en de daders ter verantwoording te roepen.
  • 2. 
    Uitzendende en ontvangende organisaties voorkomen misbruik door de wijze waarop EU-vrijwilligers voor humanitaire hulp worden geselecteerd, hun introductie en opleiding, waarbij zij een cultuur van openheid tot stand brengen, voorlichting verstrekken over dit vraagstuk en duidelijk afgebakende verantwoordelijkheden op het vlak van beheer en toezicht toewijzen.
  • 3. 
    De uitzendende organisatie voert alle wettelijk verplichte controles uit om toestemming te verkrijgen voor kandidaat-vrijwilligers om met deze doelgroepen te werken.
  • 4. 
    De uitzendende en ontvangende organisaties stellen de kandidaat-vrijwilligers of de EU-vrijwilligers voor humanitaire hulp in kennis van de risico's en de aanbevolen preventieve maatregelen om ervoor te zorgen dat er zich geen misbruiken voordoen.

HOOFDSTUK 7

SLOTBEPALINGEN

Artikel 19

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de derde dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 24 oktober 2014.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO

 

  • (2) 
    https://www.youthpass.eu/en/youthpass/
  • (3) 
    https://europass.cedefop.europa.eu/editors/en/esp/compose#
  • (7) 
    Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB L 281 van 23.11.1995, blz. 31).
  • (8) 
    Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2000 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de communautaire instellingen en organen en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB L 8 van 12.1.2001, blz. 1).
 

BIJLAGE

Competentiekader

  • 1. 
    Transversale competenties die vereist zijn in talrijke sectoren van het vrijwilligerswerk en de arbeidsmarkt en die niet specifiek zijn voor humanitaire hulpverlening
 

Competentie

Omschrijving

  • 1) 
    Ontwikkelen en onderhouden van samenwerkingsverbanden

Samenwerken met anderen

Houdt rekening met, aanvaardt en is in staat zich aan te passen aan verschillende manieren van werken.

 

Heeft inzicht in en aanvaardt zijn of haar taak in het team en draagt op een positieve en proactieve wijze bij tot het verwezenlijken van de doelstellingen van het team.

 

Deelt nuttige informatie en kennis met collega's en wanneer nodig — in bredere kring.

 

Treedt constructief op om eventuele conflicten op te lossen.

Communicatie

Communiceert doeltreffend met leden van het team en met anderen die geen deel uitmaken van het team.

 

Is bereid rekening te houden met nieuwe en uiteenlopende visies van zijn/haar teamleden

 

Maakt gebruik van een scala aan communicatiemiddelen (persoonlijke contacten, per telefoon en e-mail), inclusief niet-verbale communicatie, die zijn aangepast aan de plaatselijke context en situatie.

  • 2) 
    Een positieve instelling ten aanzien van vrijwilligerswerk
 

Vindt vrijwilligerswerk de moeite waard.

 

Heeft een inzicht in en een mening over de lading van de begrippen vrijwilligerswerk en actief burgerschap en de rol die zij binnen de samenleving vervullen.

 

Is bereid om een bijdrage te leveren zonder hiervoor financieel te worden vergoed.

 

Is gedreven voor de uitvoering van de hem of haar toegewezen taken, die hij of zij dan ook zo goed mogelijk uitvoert, zelfs indien hier geen financiële vergoeding tegenover staat.

 

Streeft ernaar als vrijwilliger bij te dragen tot de organisatie en de begunstigden (dus de lokale gemeenschappen) te ondersteunen.

  • 3) 
    Blijk geven van zelfbeheersing in een veeleisende context die voortdurend aan veranderingen onderhevig is

Zelfbewustzijn en stressbestendigheid

Is in staat om met stress om te gaan en moeilijkheden te overwinnen.

 

Spoort stressfactoren op en weet op welke wijze hun negatieve invloed kan worden beperkt.

 

Is bereid om te praten over stress en moeilijkheden en zoekt steun wanneer nodig.

 

Kan zich aanpassen aan de omstandigheden wanneer de middelen zeer beperkt zijn en bij een zeer geringe mate van comfort.

 

Kan zich op een beheerste wijze aanpassen aan en reageert constructief op veranderende situaties en beperkingen.

 

Is zich bewust van zijn of haar sterke en zwakke punten en hoe die zijn of haar werk kunnen beïnvloeden

Autonomie

Organiseert zijn of haar activiteiten op het werk en gedurende de vrije tijd autonoom.

 

Beheert zijn of haar arbeidstijd en stelt op passende wijze prioriteiten.

 

Erkent de beperkingen van zijn of haar verantwoordelijkheden en brengt in voorkomend geval verslag uit aan leidinggevenden met een hogere rang in de hiërarchie.

Beheren van zijn eigen verwachtingen

Heeft een realistisch inzicht in zijn of haar bijdrage aan de organisatie en de ondersteuning die hij of zij kan verlenen aan de begunstigden.

 

Past zijn of haar verwachtingen aan de veranderende omstandigheden aan.

Intercultureel bewustzijn

Vermijdt culturele stereotypen.

 

Staat open voor en aanvaardt culturele verschillen.

 

Respecteert andere culturen en past zijn of haar gedrag aan om misverstanden te voorkomen.

 

Houdt rekening met niet-verbale communicatie in een multiculturele context.

 

Reageert zonder vooroordelen op verschillende geloofsovertuigingen, sociale gewoonten en waarden.

 

Geeft blijk van empathie en gevoeligheid.

  • 4) 
    Blijk geven van leiderschap
 

Motiveert andere mensen van het team (lokaal of internationaal) voor de opdracht.

 

Stelt mensen in staat om verantwoordelijkheid op te nemen binnen hun actieterrein.

 

Luistert actief naar anderen.

 

Wekt vertrouwen bij anderen.

Als leidinggevende:

 

Geeft duidelijk aan welke taken door andere medewerkers moeten worden uitgevoerd en hetgeen hierbij van hen wordt verwacht.

 

Gaat na of de gegeven opdrachten zijn begrepen.

 

Verstrekt feedback en toont waardering voor de bijdrage van de anderen.

 

Maakt bij het nemen van besluiten een afweging tussen het risico waarmee een actie gepaard gaat en de noodzaak van de actie.

  • 5) 
    Resultaatgerichtheid

Brengt opdrachten tot een goed einde en zorgt voor de bekendmaking van de onmiddellijke resultaten van de actie en de vooruitgang die wordt geboekt op het vlak van capaciteitsopbouw.

Kiest voor een kordate aanpak en geeft blijk van een proactieve houding.

 

Stelt vast welke essentiële verbeteringen noodzakelijk zijn om de duurzaamheid van de geboekte resultaten te garanderen.

 

Zorgt voor een doeltreffende communicatie over de geboekte resultaten.

 

Stelt vast welke personen iets kunnen opsteken van zijn of haar bijdrage en streeft ernaar diegenen die moeten bijdragen tot de duurzaamheid van de resultaten, een inzicht te geven in de reeds geboekte vooruitgang.

 

Zoekt naar oplossingen.

 

Neemt maatregelen om eventuele conflicten op te lossen.

Met een specifieke taak op het vlak capaciteitsopbouw:

 

Is vertrouwd met de verschillende methoden om met beperkte middelen organisatorische capaciteit op te bouwen en kan deze methoden toepassen.

 

Is vertrouwd met de methoden en instrumenten voor het inschatten van behoeften om de terreinen af te bakenen die in aanmerking komen voor capaciteitsopbouw en kan deze methoden en instrumenten toepassen.

Verantwoordingsplicht

Streeft ernaar op tijd resultaten te boeken.

 

Verzoekt om feedback en neemt maatregelen op grond van de verkregen feedback.

 

Rapporteert aan de juiste persoon/personen.

 

Vecht besluiten en gedragingen aan die indruisen tegen de gedragscode van de organisatie en/of andere relevante humanitaire normen.

  • 2. 
    Specifieke competenties die vereist zijn voor het EU-vrijwilligersinitiatief en andere vormen van humanitaire hulpverlening
 

Competentie

Omschrijving

  • 6) 
    Inzicht in de humanitaire context van het EU-vrijwilligersinitiatief voor humanitaire hulp en toepassing van humanitaire beginselen
 

Geeft blijk van inzicht in de humanitaire hulpverlening, de verschillende actoren die hierbij betrokken zijn en het verband tussen humanitaire hulpverlening en andere onderdelen van het extern beleid, met name vanuit een EU-perspectief.

 

Begrijpt de theoretische beginselen en algemene werkmethoden die aan de basis liggen van elk humanitair optreden en kan deze toepassen.

 

Geeft blijk van inzicht in de relevante normen en gedragscodes voor humanitaire hulpverlening, inclusief die welke betrekking hebben op verantwoordingsplicht en kwaliteitsbeheer, en van het rechtskader voor humanitaire hulpverlening.

 

Geeft blijk van inzicht in de fasen van de humanitaire respons, inclusief preventie en paraatheid, rampenrisicovermindering, rampenrisicobeheer, reactie en herstel.

 

Geeft blijk van inzicht in de theorie en praktijk met betrekking tot hulpverlening en ontwikkeling en de aanpak inzake weerbaarheid.

 

Houdt rekening met de behoeften, vaardigheden, capaciteiten en ervaringen van mensen die getroffen zijn door rampen of humanitaire crisissituaties.

 

Heeft inzicht in de doelstellingen van het EU-vrijwilligersinitiatief voor humanitaire hulp en de gevolgen van deze doelstellingen voor het optreden van de vrijwilligers wanneer zij worden ingezet.

 

Heeft inzicht in de selectie, opleiding en het inzetten van vrijwilligers.

 

Heeft inzicht in de rol van een vrijwilliger en de maatregelen die moeten worden genomen vóór, tijdens en na het inzetten van vrijwilligers.

 

Past zijn of haar inzicht in de doelstelling van dit initiatief toe in het bredere kader van de humanitaire hulpverlening door de EU.

  • 7) 
    In alle omstandigheden op een veilige wijze te werk gaan
 

Begrijpt hoe belangrijk het is om de veiligheidsprocedures van de organisatie na te leven wanneer hij of zij als vrijwilliger wordt ingezet.

 

Begrijpt het beginsel van „geen schade berokkenen” en past het toe.

 

Stelt vast welke risico's zich tijdens een project kunnen voordoen en probeert deze te voorkomen.

 

Is in staat om maatregelen te nemen wanneer er zich gevaar voordoet.

 

Is in staat om stressbestendig op te treden bij veiligheidsincidenten.

 

Heeft een basiskennis van EHBO.

  • 8) 
    Beheren van projecten in een humanitaire context
 

Is in staat de verschillende fasen van een projectcyclus op het vlak van humanitaire hulpverlening te beschrijven en te analyseren, inclusief de behoeftenanalyse, het overkoepelend projectvoorstel, de toekenning en besteding van de middelen, alsook de totstandkoming, het toezicht en de evaluatie van het project.

 

Begrijpt de basisbeginselen van budgettering en van het opstellen van voorstellen en past deze toe.

 

Begrijpt de basisbeginselen van financieel beheer van projecten en past deze toe.

 

Begrijpt het transparantiebeginsel bij projectbeheer en houdt zich daaraan.

 

Begrijpt de basisbeginselen van prestatiebeheer, toezicht en evaluatie en past deze toe.

  • 9) 
    Communicatie en belangenbehartiging
 

Is vertrouwd met het communicatieplan van de EU-vrijwilligers voor humanitaire hulp en zet zich hiervoor actief in en vervult zijn of haar rol bij de uitvoering van het plan.

 

Verdedigt de waarden van de organisatie en van de EU-vrijwilligers voor humanitaire hulp waar nodig.

 

Bepaalt wie de voornaamste, ondergeschikte en essentiële belanghebbenden zijn in een lokale humanitaire context.

 

Heeft inzicht in de instrumenten voor het mobiliseren van steun van de internationale en lokale actoren voor humanitaire bijstand op het terrein waarop hij of zij actief is en kan deze instrumenten toepassen.

 

Formuleert duidelijke en empirisch onderbouwde argumenten als pleitbezorger van het initiatief en ontwikkelt een doeltreffende communicatiestrategie.

  • 3. 
    Technische competenties op grond van gespecialiseerde kennis die van belang zijn op het gebied van humanitaire hulp

EU-vrijwilligers voor humanitaire hulp kunnen beschikken over competenties op de volgende terreinen (niet-limitatieve lijst):

 

financieel beheer en boekhouding

 

juridische zaken

 

projectbeheer en administratie

 

toezicht op en evaluatie van projecten

 

communicatie (inclusief zichtbaarheid, public relations en belangenbehartiging)

 

logistiek en vervoer

 

personeelsbeheer en opleiding

 

organisatieontwikkeling en capaciteitsopbouw

 

strategische beleidsvorming en planning

 

risicocommunicatie en informatietechnologie

 

water- en sanitaire voorzieningen

 

bescherming en onderdak

 

voeding, voedingswetenschap en gezondheid

 

vluchtelingen en binnenlands ontheemden

 

genderkwesties

 

kinderbescherming

 

levensonderhoud

 

samenhang van noodhulp, rehabilitatie en ontwikkeling

 

risicobeheersing in verband met rampen

 

weerbaarheidsopbouw

 

gegevens en kennis op het vlak van rampen

 

beoordeling en inventarisatie van risico's en kwetsbaarheid, en analyse van zwakheden en conflicten

 

aanpassing aan klimaatverandering en op ecosystemen gebaseerd beheer

 

bewustmaking en onderwijs

 

weerbaarheid van steden en landinrichtingsbeleid

 

gemeenschapsgerichte ontwikkeling

 

sociale bescherming en sociale vangnetten

 

rampenbestendige ondernemingen en infrastructuur, inclusief bescherming van kritieke infrastructuur

 

risicofinanciering

 

monitorings- en vroegtijdigewaarschuwingssystemen

 

rampenparaatheid en noodplanning

 

civiele bescherming en rampenplannen

 

evaluatie en herstel na rampen en conflicten

 

medische en paramedische diensten

 

engineering

 

beheer van vrijwilligerswerk

 

Deze samenvatting is overgenomen van EUR-Lex.