Richtlijn 1988/609 - Beperking van de emissies van bepaalde verontreinigende stoffen in de lucht door grote stookinstallaties

Inhoudsopgave

  1. Wettekst
  2. 31988L0609

1.

Wettekst

Avis juridique important

|

2.

31988L0609

Richtlijn 88/609/EEG van de Raad van 24 november 1988 inzake beperking van de emissies van bepaalde verontreinigende stoffen in de lucht door grote stookinstallaties

Publicatieblad Nr. L 336 van 07/12/1988 blz. 0001 - 0013

Bijzondere uitgave in het Fins: Hoofdstuk 15 Deel 9 blz. 0027

Bijzondere uitgave in het Zweeds: Hoofdstuk 15 Deel 9 blz. 0027

RICHTLIJN VAN DE RAAD van 24 november 1988 inzake beperking van de emissies van bepaalde verontreinigende stoffen in de lucht door grote stookinstallaties ( 88/609/EEG )

DE RAAD VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, inzonderheid op artikel 130 S,

Gezien de voorstellen van de Commissie(1 ),

Gezien de adviezen van het Europese Parlement(2 ),

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité(3 ),

Overwegende dat in de actieprogramma's van de Europese Gemeenschappen inzake het milieu van 1973(4 ), 1977(5 ), 1983(6 ) en 1987(7 ) wordt gewezen op het belang van de voorkoming en vermindering van luchtverontreiniging;

Overwegende dat de Raad en de Vertegenwoordigers van de Regeringen van de Lid-Staten, in het kader van de Raad bijeen, in hun resolutie inzake het actieprogramma voor het milieu voor 1987-1992 beklemtonen dat het van belang is het communautaire optreden bij voorrang te concentreren op de beperking van de luchtverontreiniging aan de bron, onder andere door middel van de vaststelling en tenuitvoerlegging van maatregelen betreffende de emissies van grote stookinstallaties;

Overwegende voorts dat de Gemeenschap bij Besluit 81/462/EEG(8 ) partij is geworden bij het Verdrag inzake grensoverschrijdende luchtverontreiniging;

Overwegende dat in Richtlijn 84/360/EEG van de Raad van 28 juni 1984 betreffende de bestrijding van door industriële inrichtingen veroorzaakte luchtverontreiniging(9 ) wordt voorzien in de invoering van bepaalde procedures en maatregelen die gericht zijn op het voorkomen of verminderen van de luchtverontreiniging door industriële inrichtingen, in het bijzonder die welke behoren tot uit - drukkelijk genoemde categorieën, waaronder grote stook - installaties;

Overwegende dat in artikel 8 van Richtlijn 84/360/EEG wordt bepaald dat de Raad, indien nodig, op voorstel van de Commissie, met eenparigheid van stemmen emissiegrenswaarden voor nieuwe inrichtingen vaststelt, die gebaseerd zijn op de beste beschikbare technologie die geen overmatig hoge kosten veroorzaakt, waarbij de aard, de hoeveelheden en de schadelijkheid van de betreffende emissies in aanmerking worden genomen; dat in artikel 13 van genoemde richtlijn wordt bepaald dat de Lid-Staten beleidslijnen en strategieën, inclusief passende maatregelen, dienen toe te passen om, met inachtneming van diverse welomschreven aangelegenheden, de bestaande industriële inrichtingen die tot de genoemde categorieën behoren aan te passen aan de beste beschikbare techniek;

Overwegende dat de aantasting van het milieu door luchtverontreiniging het dringend noodzakelijk maakt de emissies van nieuwe en bestaande grote stookinstallaties te beperken en beheersbaar te maken; dat het hiertoe noodzakelijk is globale doelstellingen te bepalen voor een geleidelijke en gefaseerde vermindering van de totale jaarlijkse emissies van zwaveldioxide en stikstofdioxiden door bestaande grote stookinstallaties en in het geval van nieuwe installaties, overeenkomstig het beginsel van artikel 8 van Richtlijn 84/360/EEG, emissiegrenswaarden vast te stellen voor zwaveldioxide, stikstofdioxiden en stof;

Overwegende dat dergelijke emissiegrenswaarden voor nieuwe installaties zullen moeten worden herzien in het licht van de technologische ontwikkelingen en de evolutie van de milieu-eisen en dat de Commissie daartoe voorstellen zal indienen;

Overwegende dat bij het vaststellen van de totale jaarlijkse emissiemaxima voor bestaande grote installaties terdege rekening is gehouden met de noodzaak van vergelijkbare inspanningen, terwijl tevens de specifieke situatie van Lid-Staten in aanmerking is genomen; dat bij het vaststellen van de eisen inzake vermindering van emissies door nieuwe stookinstallaties terdege rekening is gehouden met bijzondere technische en economische beperkingen ten einde buitensporige kosten te vermijden; dat, wat Spanje betreft, een tijdelijke en beperkte afwijking van de volledige toepassing van de SO2-emissiegrenswaarden voor nieuwe installaties is toegestaan, aangezien die Lid-Staat uitzonderlijk veel nieuwe opwekkingscapaciteit nodig denkt te hebben voor zijn energievoorziening en om zijn economische groei mogelijk te maken,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD :

Artikel 1 Deze richtlijn is van toepassing op stookinstallaties met een nominaal thermisch vermogen van 50 MW of meer, ongeacht het toegepaste brandstoftype ( vaste, vloeibare of gasvormige brandstof ).

Artikel 2 In deze richtlijn wordt verstaan onder :

1."Emissie '': uitworp in de atmosfeer van stoffen die afkomstig zijn van de stookinstallatie .

2."Rookgassen '': gasvormige uitworp met de vaste, vloeibare of gasvormige emissies die zich daarin bevinden; het debiet van deze gassen wordt uitgedrukt in kubieke meter per uur, herleid tot de genormaliseerde temperatuur ( 273 K ) en druk ( 101,3 kPa ) na aftrek van het waterdampgehalte ( Nm3/h ).

3."Emissiegrenswaarde '': de toelaatbare hoeveelheid van een in de rookgassen van de stookinstallatie aanwezige stof die gedurende een bepaalde periode in de atmosfeer mag worden geloosd; deze wordt bepaald in massa per volume van de rookgassen, uitgedrukt in mg/Nm3, uitgaande van een zuurstofgehalte in de rookgassen van 3 volumepercent in het geval van vloeibare en gasvormige brandstoffen, en van 6 volumepercent in het geval van vaste brandstoffen .

4."Ontzwavelingspercentage '': de verhouding tussen de hoeveelheid zwavel die gedurende een bepaalde periode op de locatie van een stookinstallatie wordt afgescheiden door speciaal voor dit doel bestemde procédés en de hoeveelheid zwavel die aanwezig is in de brandstof die in de stookinstallatie met de daarbij behorende voorzieningen wordt gebracht en in dezelfde periode wordt verbruikt.

5."Exploitant '': iedere natuurlijke of rechtspersoon die de stookinstallatie exploiteert of daarover een doorslaggevende economische beschikkingsmacht bezit of aan wie een dergelijke beschikkingsmacht is overgedragen .

6."Brandstof '': elke vaste, vloeibare af gasvormige brandbare stof waarmee de stookinstallatie wordt gevoed, met uitzondering van huisvuil en toxische of gevaarlijke afvalstoffen .

7."Stookinstallatie '': elk technisch toestel waarin brandstoffen worden geoxydeerd ten einde de aldus opgewerkte warmte te gebruiken .

Deze richtlijn is slechts van toepassing op stookinstallaties die bestemd zijn voor de opwekking van energie, met uitzondering van die welke de verbrandingsprodukten rechtstreeks in produktieprocédés gebruiken .

Deze richtlijn is met name niet van toepassing op de volgende installaties :

-installaties waarin de verbrandingsprodukten worden gebruikt voor directe verwarming, droging of enige andere behandeling van voorwerpen of materialen, bij voorbeeld herverhittingsovens en ovens voor warmtebehandeling;

-naverbrandingsinstallaties, dat wil zeggen technische voorzieningen voor de zuivering van rookgassen door verbranding, die niet als autonome stookinstallatie worden geëxploiteerd;

-installaties voor het regenereren van katalysatoren voor het katalytisch kraakproces;

-installaties om zwavelwaterstof om te zetten in zwavel;

-in de chemische industrie gebruikte reactoren;

-cokesbatterijovens;

-windverhitters van hoogovens .

Installaties die worden aangedreven door diesel -, benzine - en gasmotoren dan wel door gasturbines, zijn ongeacht de gebruikte brandstof niet aan het bepaalde in deze richtlijn onderworpen .

Wanneer twee of meer afzonderlijke nieuwe installaties zo worden geïnstalleerd dat hun rookgassen naar het oordeel van de bevoegde autoriteiten, met inachtneming van technische en economische omstandigheden, via één schoorsteen zouden kunnen worden geloosd, wordt dit samenstel van installaties als één installatie aangemerkt .

8."Gemengde stookinstallatie '': iedere stookinstallatie die terzelfder tijd of beurtelings met twee of meer brandstoffen kan worden gevoed .

9."Nieuwe installatie '': elke stookinstallatie waarvoor de eerste bouwvergunning of, bij gebreke van een dergelijke procedure, de eerste bedrijfsvergunning op of na 1 juli 1987 is verleend .

10."Bestaande installatie '': elke stookinstallatie waarvoor de eerste bouwvergunning of, bij gebreke van een dergelijke procedure, de eerste bedrijfsvergunning vóór 1 juli 1987 is verleend .

Artikel 3 1 . De Lid-Staten stellen uiterlijk op 1 juli 1990 programma's vast voor de geleidelijke vermindering van de totale jaarlijkse emissies van bestaande installaties . In deze programma's worden zowel het tijdschema als de uitvoeringsbepalingen voor de desbetreffende programma's vastgesteld .

2 . De programma's worden zo vastgesteld en uitgevoerd dat door passende verminderingen van de emissies ten minste wordt voldaan aan de in bijlage I, kolom 1 tot en met 6, voor zwaveldioxide en in bijlage II, kolom 1 tot en met 4, voor stikstofoxiden vastgestelde emissieplafonds en percentages, zulks op de in die bijlagen gestelde data .

3 . Gedurende de uitvoering van de programma's stellen de Lid-Staten eveneens de totale jaarlijkse emissies vast overeenkomstig de bepalingen van bijlage IX, punt C .

4 . In 1994 brengt de Commissie, op basis van de beknopte rapporten die de Lid-Staten krachtens artikel 16 voorleggen, verslag uit aan de Raad over de tenuitvoerlegging van de in dit artikel genoemde verminderingen, zo nodig samen met voorstellen tot herziening van de verminderingsstreefcijfers en/of de datum voor zwaveldioxide van fase 3 en de verminderingsstreefcijfers en/of de datum voor stikstofoxiden van fase 2 . De Raad neemt met eenparigheid van stemmen een besluit over dergelijke voorstellen .

5 . Indien een ingrijpende en onverwachte wijziging in de vraag naar energie of in de beschikbaarheid van bepaalde brandstoffen of in bepaalde opwekkingsinstallaties ernstige technische moeilijkheden oplevert voor de tenuitvoerlegging van het programma dat een Lid-Staat krachtens lid 1 heeft opgesteld, neemt de Commissie op verzoek van de betrokken Lid-Staat, rekening houdend met dat verzoek, een besluit om voor die Lid-Staat de emissieplafonds en/of de data in de bijlagen I en II te wijzigen en deelt zij haar besluit aan de Raad en aan de Lid-Staten mede .

Elke Lid-Staat kan het besluit van de Commissie binnen drie maanden ter beoordeling aan de Raad voorleggen . De Raad kan binnen drie maanden met gekwalificeerde meerderheid van stemmen een andersluidend besluit nemen .

Artikel 4 1 . De Lid-Staten treffen passende maatregelen ten einde te bewerkstelligen dat iedere bouwvergunning of, bij gebreke van een dergelijke procedure, iedere bedrijfsvergunning voor een nieuwe stookinstallatie voorwaarden bevat met betrekking tot de inachtneming van de in de bijlagen III tot en met VII voor zwaveldioxide, stikstofoxiden en stof vastgestelde emissiegrenswaarden.

2 . Vóór 1 juli 1995 dient de Commissie, rekening houdend met de stand van de techniek en de milieu-eisen, voorstellen in tot herziening van de geldende grenswaarden . De Raad neemt met eenparigheid van stemmen een besluit over deze voorstellen .

  • 3. 
    De Lid-Staten kunnen eisen dat strengere emissiegrenswaarden en uitvoeringstermijnen in acht worden genomen dan in de leden 1 en 2 zijn genoemd; zij kunnen ook emissiegrenswaarden voor andere verontreinigende stoffen vaststellen en aanvullende eisen stellen of de aanpassing van de installaties aan de technische vooruitgang voorschrijven .

Artikel 5 In afwijking van het bepaalde in bijlage III geldt het volgende :

1.voor nieuwe installaties met een nominaal thermisch vermogen van 400 MW of meer die niet meer dan 2 200 uur per jaar in bedrijf zijn ( voortschrijdend gemiddelde over een periode van vijf jaar ) geldt een SO2-emissiegrenswaarde van 800 mg/Nm3;

2.nieuwe installaties die vaste brandstoffen van eigen bodem stoken, mogen de grenswaarden van bijlage III overschrijden, indien de voor de installaties vastgestelde SO2-emissiegrenswaarde door de bijzondere eigenschappen van de brandstof niet zonder overmatig dure technieken in acht kan worden genomen .

Deze installaties moeten ten minste de in bijlage VIII aangegeven ontzwavelingspercentages bereiken;

3.tot en met 31 december 1999 mag Spanje vergunningen afgeven voor nieuwe, vóór eind 2005 in bedrijf te stellen elektriciteitscentrales met een nominaal thermisch vermogen van 500 MW of meer, waarin van eigen bodem afkomstige of geïmporteerde vaste brandstoffen worden gestookt en die aan de volgende vereisten voldoen :

-voor geïmporteerde vaste brandstoffen : een SO2-emissiegrenswaarde van 800 mg/Nm3,

-voor van eigen bodem afkomstige vaste brandstoffen : minimaal 60 % ontzwaveling,

mits de totale toegestane capaciteit van installaties waarvoor deze afwijking geldt, niet meer bedraagt dan :

-voor installaties die vaste brandstoffen van eigen bodem stoken, 2 000 MWe,

-voor installaties die geïmporteerde vaste brandstoffen stoken, 7 500 MWe, dan wel 50 % van de totale nieuwe capaciteit van alle installaties die vaste brandstoffen stoken en waarvoor uiterlijk op 31 december 1999 een vergunning is afgegeven, als dat lager is .

Artikel 6 De Lid-Staten kunnen, voor installaties waar bruinkool van eigen bodem wordt gestookt, een overschrijding van de overeenkomstig artikel 4 vastgestelde grenswaarden toestaan, indien, ondanks de toepassing van de beste beschikbare technologie die geen overmatig hoge kosten veroorzaakt, ernstige problemen in verband met de aard van de bruinkool zulks vereisen en bruinkool een essentiële positie inneemt bij de brandstofvoorziening van deze installaties .

Deze gevallen worden onmiddellijk ter kennis van de Commissie gebracht; over de te treffen maatregelen wordt met de Commissie overleg gepleegd .

Artikel 7 Om de inachtneming van de emissiegrenswaarden voor stikstofoxiden van bijlage VI te waarborgen, kunnen de in artikel 4, lid 1, genoemde vergunningen onder meer passende technische constructievoorschriften bevatten .

Indien uit controlemetingen blijkt dat de grenswaarde wegens onvoorziene omstandigheden niet in acht wordt genomen, moet de autoriteit die de vergunning afgeeft van de exploitant eisen dat hij alle passende primaire maatregelen neemt om zo spoedig mogelijk, en uiterlijk binnen een jaar, de naleving van de grenswaarden te waarborgen . Er wordt onverwijld mededeling gedaan aan de Commissie van zulke gevallen en van de resultaten van de genomen verbeteringsmaatregelen .

Dit artikel wordt herzien aan de hand van een voorstel van de Commissie dat tegelijk met de in artikel 4, lid 2, bedoelde voorstellen aan de Raad moet worden voorgelegd .

Artikel 8 1 . De Lid-Staten zorgen ervoor dat de in artikel 4, lid 1, genoemde vergunningen bepalingen bevatten inzake procedures betreffende storingen of het uitvallen van de zuiveringsinrichting . Wanneer de inrichting uitvalt, dient dit onmiddellijk gemeld te worden aan de bevoegde autoriteit, die een beslissing neemt over de te treffen maatregelen . De bevoegde autoriteit dient met name van de exploitant te verlangen dat hij de installatie geheel of gedeeltelijk buiten bedrijf stelt zodra dit uitvoerbaar is en totdat de inrichting weer normaal kan functioneren, of dat hij de installatie met een weinig vervuilende brandstof in bedrijf houdt, behalve wanneer er naar het oordeel van de bevoegde autoriteit sprake is van een doorslaggevende noodzaak om de elektriciteitsvoorziening in stand te houden . De autoriteit dient er met name voor te zorgen dat de exploitant alle nodige stappen onderneemt om de zuiveringsinrichting zo spoedig mogelijk weer in bedrijf te stellen .

2 . De bevoegde autoriteit kan de verplichting tot het naleven van de in artikel 4 bedoelde emissiegrenswaarden voor zwaveldioxide bij installaties waar voor dit doel normaliter laagzwavelige brandstof wordt verstookt, voor een periode van ten hoogste zes maanden opschorten, indien de exploitant wegens een onderbreking van de voorziening met laagzwavelige brandstof ten gevolge van een ernstig tekort aan dergelijke brandstoffen niet in staat is deze grenswaarden in acht te nemen .

3 . De bevoegde autoriteit mag een ontheffing verlenen van de verplichting te voldoen aan de in artikel 4 bedoelde emissiegrenswaarden, indien in een installatie waarin normaliter gasvormige brandstof gebruikt wordt, en die anders zou moeten worden uitgerust met een zuiveringsinrichting voor rookgassen, bij wijze van uitzondering voor een korte periode andere brandstof moet worden gebruikt als gevolg van een plotselinge onderbreking in de gasvoorziening . De bevoegde autoriteit dient van elk afzonderlijk geval op de hoogte te worden gebracht zodra het zich voordoet .

4 . De Lid-Staten stellen de Commissie onmiddellijk in kennis van de in dit artikel genoemde gevallen .

Artikel 9 1 . Voor de toekenning van de in artikel 4, lid 1, bedoelde vergunning voor een nieuwe installatie die gelijktijdig met twee of meer brandstoffen wordt gevoed, stellen de bevoegde autoriteiten de emissiegrenswaarden als volgt vast :

-ten eerste, door de emissiegrenswaarde voor elke brandstof en elke verontreinigende stof te nemen die overeenkomt met het nominale thermische vermogen van de installatie zoals aangegeven in de bijlagen III tot en met VII;

-ten tweede, door de gewogen emissiegrenswaarden per brandstof te bepalen; deze waarden worden verkregen door elk van de hierboven bedoelde grenswaarden te vermenigvuldigen met de hoeveelheid door elke brandstof geleverde warmte, gedeeld door de warmte geleverd door alle brandstoffen te zamen;

-ten derde, door de per brandstof gewogen emissiegrenswaarden bij elkaar op te tellen .

2 . In stookinstallaties die distillatie - en omzettingsresiduen afkomstig van het raffineren van ruwe aardolie, alleen of in combinatie met andere brandstoffen, zelf verbruiken, zijn, niettegenstaande het bepaalde in lid 1, de voorschriften inzake de brandstof met de hoogste emissiegrenswaarde ( bepalende brandstof ) onverminderd van toepassing, indien tijdens de werking van de installatie het aandeel van de door deze brandstof geleverde warmte ten minste 50 % bedraagt van de warmte geleverd door alle brandstoffen te zamen .

Indien het aandeel van de bepalende brandstof kleiner dan 50 % is, wordt de emissiegrenswaarde naar rato van de door elke brandstof geleverde warmte en gelet op de warmte geleverd door alle brandstoffen te zamen als volgt bepaald :

-ten eerste, door de emissiegrenswaarde voor elke brandstof en elke verontreinigende stof te nemen die overeenkomt met het nominale thermische vermogen van de installatie zoals aangegeven in de bijlagen III tot en met VII;

-ten tweede, door de emissiegrenswaarde te berekenen voor de bepalende brandstof ( de brandstof met de hoogste emissiegrenswaarde op grond van de bijlagen III tot en met VII of, in geval van twee brandstoffen met dezelfde emissiegrenswaarde, de brandstof die de grootste hoeveelheid warmte levert ): deze waarde wordt verkregen door de in de bijlagen III tot en met VII vermelde grenswaarde voor deze brandstof met twee te vermenigvuldigen en van de uitkomst ervan de emissiegrenswaarde voor de brandstof met de laagste emissiegrenswaarde af te trekken;

-ten derde, door de gewogen emissiegrenswaarden per brandstof te bepalen; deze waarden worden verkregen door de berekende emissiegrenswaarde van de bepalende brandstof te vermenigvuldigen met de hoeveelheid door de bepalende brandstof geleverde warmte en elk der andere grenswaarden te vermenigvuldigen met de hoeveelheid door elke brandstof geleverde warmte, en de uitkomst van elke vermenigvuldiging te delen door de warmte geleverd door alle brandstoffen te zamen;

-ten vierde, door de per brandstof gewogen emissiegrenswaarden bij elkaar op te tellen .

  • 3. 
    In plaats van het bepaalde in lid 2 kan voor zwaveldioxide een emissiegrenswaarde van 1 000 mg/Nm3, berekend als het gemiddelde van alle nieuwe installaties van de raffinaderij, worden toegepast ongeacht de gebruikte brandstofcombinaties .

De bevoegde autoriteiten zien erop toe dat de toepassing van deze bepaling niet tot een verhoging van de emissies van bestaande installaties leidt .

4 . Voor de toekenning van de in artikel 4, lid 1, bedoelde vergunning voor een nieuwe installatie die beurtelings met twee of meer brandstoffen wordt gevoed, zijn de in de bijlagen III tot en met VII genoemde emissiegrenswaarden voor elke gebruikte brandstof van toepassing .

Artikel 10 Lozing van rookgassen uit stookinstallaties dient op gecontroleerde wijze via een schoorsteen te geschieden .

De lozingsvoorschriften worden vermeld in de in artikel 4, lid 1, genoemde vergunning . De bevoegde autoriteit zorgt er met name voor dat de schoorsteenhoogte zo wordt berekend dat er geen gevaar bestaat voor gezondheid of milieu .

Artikel 11 Bij uitbreiding van een stookinstallatie met ten minste 50 MW wordt de emissiegrenswaarde voor het nieuwe gedeelte vastgesteld gerelateerd aan het thermische vermogen van de gehele installatie . Deze bepaling geldt niet in de gevallen bedoeld in artikel 9, leden 2 en 3 .

Artikel 12 Bij de bouw van stookinstallaties die aanzienlijke effecten kunnen hebben op het milieu in een andere Lid-Staat, zorgen de Lid-Staten ervoor dat alle passende informatie wordt uitgewisseld en overleg wordt gepleegd overeenkomstig artikel 7 van Richtlijn 85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985 inzake de milieu-effectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten( 10 ).

Artikel 13 1 . De Lid-Staten treffen de nodige maatregelen om zorg te dragen voor de controle, overeenkomstig bijlage IX, op de emissies van de door deze richtlijn bestreken stookinstallaties alsmede op alle overige waarden die voor de tenuitvoerlegging van deze richtlijn zijn vereist . De Lid-Staten mogen eisen dat een dergelijke controle voor rekening van de exploitant geschiedt .

2 . De meetmethoden en/of -apparaten die worden gebruikt voor de bepaling van de zwaveldioxide -, stof -, stikstofoxiden - en zuurstofconcentraties alsmede van de overige waarden die voor het toezicht op de tenuitvoerlegging van deze richtlijn noodzakelijk zijn, alsmede de voor de beoordeling van de resultaten gebruikte apparatuur, moeten in overeenstemming zijn met de beste industriële meettechnologie en reproduceerbare en vergelijkbare resultaten opleveren .

De bepalingsmethoden moeten door de bevoegde autoriteiten worden goedgekeurd .

3 . De bevoegde autoriteiten stellen informatie beschikbaar over de specificaties waaraan de daartoe gebruikte apparaten en methoden voor meting, ijking en verwerking van de gegevens moeten voldoen, en geven deze informatie aan de Commissie door .

Artikel 14 De Lid-Staten dragen er zorg voor dat de exploitant de bevoegde autoriteiten binnen een redelijke termijn in kennis stelt van de resultaten van de continumetingen, de controle op de meetapparatuur, de niet-continue metingen en alle overige metingen die werden verricht om de naleving van deze richtlijn te kunnen beoordelen .

Artikel 15 1 . Bij continumetingen wordt geacht te zijn voldaan aan de in de bijlagen III tot en met VII bedoelde emissiegrenswaarden, indien uit de evaluatie van de resultaten voor de bedrijfsduur tijdens een kalenderjaar blijkt dat :

a)geen kalendermaandgemiddelde boven de emissiegrenswaarden ligt, en b)in het geval van :

-zwaveldioxide en stof, 97 % van alle 48-uursgemiddelden 110 % van de emissiegrenswaarden niet te boven gaat;

-stikstofoxiden, 95 % van alle 48-uursgemiddelden 110 % van de emissiegrenswaarden niet te boven gaat .

Met de in artikel 8 bedoelde perioden alsmede perioden van opstarten en stilleggen wordt geen rekening gehouden .

2 . Indien uitsluitend niet-continue metingen of andere geschikte bepalingsmethoden zijn vereist, wordt geacht aan de in de bijlagen III tot en met VII bedoelde emissiegrenswaarden te zijn voldaan, indien de resultaten van alle meetcycli of van deze andere methoden, die overeenkomstig de door de bevoegde overheid vastgelegde regels zijn bepaald en vastgesteld, de emissiegrenswaarde niet overschrijden .

3 . In de gevallen bedoeld in artikel 5, leden 2 en 3, worden de ontzwavelingspercentages geacht te zijn bereikt indien uit de evaluatie van metingen die zijn verricht overeenkomstig bijlage IX, punt A.2, blijkt dat alle kalendermaandgemiddelden of alle voortschrijdende maandgemiddelden voldoen aan de vereisten betreffende de ontzwavelingspercentages .

Met de in artikel 8 bedoelde perioden, alsmede perioden van opstarten en stilleggen wordt geen rekening gehouden .

Artikel 16 1 . De Lid-Staten stellen de Commissie uiterlijk op 31 december 1990 in kennis van de volgens artikel 3, lid 1, opgestelde programma's .

Uiterlijk één jaar na afloop van elke fase van de emissievermindering van bestaande installaties leggen de Lid-Staten aan de Commissie een beknopt rapport voor over de resultaten van de uitvoering van de programma's .

Tevens is een tussentijds rapport vereist in het midden van elke fase .

2 . De rapporten bevatten een overzicht -van alle stookinstallaties die onder deze richtlijn vallen,

-van de emissies van zwaveldioxide en stikstofoxiden, uitgedrukt in ton per jaar en als concentratie van deze stoffen in de rookgassen,

-van de reeds genomen of voorgenomen maatregelen om de emissies te verminderen, en van de wijzigingen in de keuze van de gebruikte brandstof,

-van de uitgevoerde of voorgenomen wijzigingen in de bedrijfsvoering,

-van de uitgevoerde of voorgenomen definitieve stillegging van stookinstallaties, en -in voorkomend geval van de emissiegrenswaarden die volgens de programma's voor bestaande installaties gelden .

Bij de bepaling van de jaarlijkse emissies en de concentraties verontreinigende stoffen in de rookgassen houden de Lid-Staten rekening met de artikelen 13, 14 en 15 .

3 . De Commissie vergelijkt op gezette tijden met de Lid-Staten de in artikel 3, lid 1, bedoelde programma's zodat de tenuitvoerlegging daarvan op communautair niveau kan worden geharmoniseerd .

Zij ziet er met name op toe dat de tenuitvoerlegging van de programma's tot de verwachte resultaten ten aanzien van de algemene vermindering van de emissies leidt en doet zo nodig de daartoe dienstige voorstellen .

4 . De Lid-Staten die artikel 5 toepassen, brengen daarover jaarlijks verslag uit aan de Commissie .

Artikel 17 1 . De Lid-Staten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 30 juni 1990 aan deze richtlijn te voldoen . Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis .

2 . De Lid-Staten delen de Commissie de tekst van alle bepalingen van intern recht mede die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen .

Artikel 18 Deze richtlijn is gericht tot de Lid-Staten .

Gedaan te Brussel, 24 november 1988 .

Voor de RaadDe VoorzitterV. KEDIKOGLOU ( 1)PB nr . C 49 van 21 . 2 . 1984, blz . 1, en PB nr . C 76 van 22 . 3 . 1985, blz . 6 .

( 2)PB nr . C 337 van 17 . 12 . 1984, blz . 446, en PB nr . C 175 van 15 . 7 . 1985, blz . 297 .

( 3)PB nr . C 25 van 28 . 1 . 1985, blz . 3 .

( 4)PB nr . C 112 van 20 . 12 . 1973, blz . 1 .

( 5)PB nr . C 139 van 13 . 6 . 1977, blz . 1 .

(6)PB nr . C 46 van 17 . 2 . 1983, blz . 1 .

( 7)PB nr . C 328 van 7 . 12 . 1987, blz . 1 .

( 8)PB nr . L 171 van 27 . 6 . 1981, blz . 11 .

( 9)PB nr . L 188 van 16 . 7 . 1984, blz . 20 .

( 10)PB nr . L 175 van 5 . 7 . 1985, blz . 40 .

BIJLAGE IX EMISSIEMETING A.Regels voor de meting en beoordeling van de emissies van nieuwe installaties 1.De meting van de concentraties zwaveldioxide, stof, stikstofoxiden en zuurstof vindt voor nieuwe installaties met een nominaal thermisch vermogen van meer dan 300 MW continu plaats. De controle op zwaveldioxide en stof kan echter worden beperkt tot niet-continue metingen of andere geschikte bepalingsmethoden, indien van deze metingen of deze methoden, die door de bevoegde autoriteiten moeten worden getoetst en goedgekeurd, gebruik kan worden gemaakt voor de bepaling van de concentraties .

In het geval van niet in de eerste alinea bedoelde installaties kunnen de bevoegde autoriteiten eisen dat continumetingen voor deze drie verontreinigende stoffen en voor zuurstof plaatsvinden wanneer zij dit noodzakelijk achten . Indien geen continumetingen worden vereist, worden op gezette tijden niet-continue metingen of andere geschikte bepalingsmethoden, goedgekeurd door de bevoegde autoriteiten, gebruikt om de hoeveelheid van bovengenoemde stoffen die in de emissies aanwezig zijn, te beoordelen .

2.In het geval van installaties die moeten voldoen aan de ontzwavelingseisen vastgesteld in artikel 5, punten 2 en 3, zijn de in punt 1 hierboven genoemde voorschriften betreffende het meten van SO2-emissies van toepassing . Bovendien moet het zwavelgehalte van de brandstof die in de stookinstallatie met de daarbij behorende voorzieningen wordt ingebracht, geregeld worden gecontroleerd .

3.Bij wezenlijke veranderingen in de gebruikte brandstof of de wijze van functioneren van de stookinstallaties moeten de bevoegde autoriteiten daarvan in kennis worden gesteld . Zij beslissen of de in punt 1 vermelde bepalingen inzake controle toereikend zijn dan wel aangepast dienen te worden .

4.In overleg met de bevoegde autoriteiten moeten continu werkende meetsystemen op gezette tijden worden gecontroleerd . De instrumenten voor het bepalen van de concentraties zwaveldioxide, stof, stikstofoxiden en zuurstof moeten op gezette tijden een ijking en een onderzoek van hun werking ondergaan . Continu werkende meetapparatuur moet worden geijkt volgens een referentiemeetmethode die door de bevoegde autoriteit is goedgekeurd .

B.Bepaling van de totale jaarlijkse emissies van nieuwe installaties De bevoegde autoriteiten zorgen ervoor dat zij de resultaten ontvangen van de bepaling van de totale jaarlijkse emissies van zwaveldioxide en stikstofoxiden . Bij continumeting telt de exploitant van de stookinstallatie voor iedere verontreinigende stof afzonderlijk de massa van de dagelijkse emissies bij elkaar op, op basis van het debiet van de rookgassen . Waar geen continumeting plaatsvindt, maakt de exploitant aan de hand van het bepaalde in punt A.1 ten genoegen van de bevoegde autoriteiten ramingen van de totale jaarlijkse emissies .

De Lid-Staten moeten tegelijk met de in punt C.3 vereiste mededeling betreffende de totale jaarlijkse emissies van bestaande installaties aan de Commissie ook mededeling doen van de totale jaarlijkse SO2- en NOx-emissies van nieuwe installaties .

C.Bepaling van de totale jaarlijkse emissies van bestaande stookinstallaties 1.De Lid-Staten moeten met ingang van 1990 en voor elk daaropvolgend jaar een volledige emissie-inventaris SO2 en NOx opstellen voor bestaande installaties :

-met betrekking tot iedere installaties afzonderlijk voor installaties van meer dan 300 MWth en voor raffinaderijen;

-gezamenlijk voor de andere stookinstallaties waarop deze richtlijn van toepassing is .

2.De voor deze inventarisatie toegepaste methode moet stroken met die welke is gebruikt voor het bepalen van de SO2 - en NOx-emissies van stookinstallaties in 1980 .

De Lid-Staten moeten de Commissie vóór 1990 gedetailleerd in kennis stellen van de methoden en basisgegevens die worden gebruikt voor het bepalen van SO2 - en NOx-emissies van de in de bijlagen I en II, in kolom 0 bedoelde bestaande installaties .

3.Dr resultaten van deze inventaris moeten binnen negen maanden na het einde van het betrokken jaar in de vorm van een overzichtelijk verzameldocument aan de Commissie worden medegedeeld .

De voor het opstellen van die emissie-inventarissen gebruikte methode en de gedetailleerde basisgegevens moeten ter beschikking van de Commissie worden gesteld indien zij daarom verzoekt .

4.De Commissie moet een systematische vergelijking van zulke nationale inventarissen organiseren en moet, indien daartoe aanleiding bestaat, de Raad voorstellen doen die ten behoeve van een doeltreffende tenuitvoerlegging van deze richtlijn gericht zijn op harmonisatie van de voor de emissie-inventarissen gebruikte methoden .

Deze samenvatting is overgenomen van EUR-Lex.