Richtlijn 1991/689 - Gevaarlijke afvalstoffen

Inhoudsopgave

  1. Wettekst
  2. 31991L0689

1.

Wettekst

Avis juridique important

|

2.

31991L0689

Richtlijn 91/689/EEG van de Raad van 12 december 1991 betreffende gevaarlijke afvalstoffen

Publicatieblad Nr. L 377 van 31/12/1991 blz. 0020 - 0027

Bijzondere uitgave in het Fins: Hoofdstuk 15 Deel 10 blz. 0199

Bijzondere uitgave in het Zweeds: Hoofdstuk 15 Deel 10 blz. 0199

RICHTLIJN VAN DE RAAD van 12 december 1991 betreffende gevaarlijke afvalstoffen (91/689/EEG)

DE RAAD VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, inzonderheid op artikel 130 S,

Gezien het voorstel van de Commissie (1),

Gezien het advies van het Europese Parlement (2),

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité (3),

Overwegende dat bij Richtlijn 78/319/EEG van de Raad van 20 maart 1978 betreffende toxische en gevaarlijke afvalstoffen (4) op communautair niveau regelgeving tot stand is gekomen voor de verwijdering van gevaarlijke afvalstoffen; dat, om rekening te houden met de ervaringen die de Lid-Staten bij de toepassing van deze richtlijn hebben opgedaan, deze voorschriften moeten worden gewijzigd en Richtlijn 78/319/EEG door deze richtlijn moet worden vervangen;

Overwegende dat de Resolutie van de Raad van 7 mei 1990 betreffende het afvalstoffenbeleid (5), alsmede het milieuactieprogramma van de Europese Gemeenschappen dat het onderwerp is van de Resolutie van de Raad van de Europese Gemeenschappen en van de Vertegenwoordigers van de Regeringen van de Lid-Staten, in het kader van de Raad bijeen, van 19 oktober 1987 inzake de voortzetting en uitvoering van een communautair milieubeleid en milieu-actieprogramma (1987 1992) (6) voorzien in communautaire maatregelen die erop zijn gericht de voorwaarden voor de verwijdering en het beheer van gevaarlijke afvalstoffen te verbeteren;

Overwegende dat de algemene voorschriften voor het beheer van afvalstoffen, als vastgesteld in Richtlijn 75/442/EEG van de Raad van 15 juli 1975 betreffende afvalstoffen (7), gewijzigd bij Richtlijn 91/156/EEG (8), eveneens van toepassing zijn op het beheer van gevaarlijke afvalstoffen;

Overwegende dat voor een correct beheer van gevaarlijke afvalstoffen aanvullende en stringentere voorschriften zijn vereist waarbij de specifieke aard van deze afvalstoffen in aanmerking wordt genomen;

Overwegende dat, om het beheer van gevaarlijke afvalstoffen in de Gemeenschap doeltreffender te maken, de definitie van gevaarlijke afvalstoffen moet worden verfijnd en geueniformiseerd in het licht van de opgedane ervaring;

Overwegende dat de controle op verwijdering en nuttige toepassing van gevaarlijke afvalstoffen zoveel mogelijk moet worden gewaarborgd;

Overwegende dat de aanpassing van de bepalingen van deze richtlijn aan de wetenschappelijke en technische vooruitgang snel moet kunnen plaatsvinden en dat het bij Richtlijn 75/442/EEG ingestelde Comité eveneens de bevoegdheid moet krijgen om de bepalingen van deze richtlijn aan te passen aan de vooruitgang van de techniek,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

  • 1. 
    Deze richtlijn, die is opgesteld uit hoofde van artikel 2, lid 2, van Richtlijn 75/442/EEG, heeft tot doel de wetgevingen van de Lid-Staten inzake het gecontroleerde beheer van gevaarlijke afvalstoffen onderling aan te passen.
  • 2. 
    Onverminderd deze richtlijn is Richtlijn 75/442/EEG van toepassing op gevaarlijke afvalstoffen.
  • 3. 
    Voor "afvalstoffen" en de andere in deze richtlijn gebruikte termen gelden de definities van Richtlijn 75/442/EEG.
  • 4. 
    In deze richtlijn worden verstaan onder "gevaarlijke afvalstoffen":
  • alle afvalstoffen die voorkomen op een lijst die overeenkomstig de procedure van artikel 18 van Richtlijn 75/442/EEG en op basis van de bijlagen I en II van deze richtlijn uiterlijk zes maanden vóór de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn is opgesteld. Deze afvalstoffen moeten een of meer van de in bijlage III vermelde eigenschappen bezitten. In de lijst worden de oorsprong en de samenstelling van de afvalstoffen en in voorkomend geval de concentratiegrenswaarden in aanmerking genomen. De lijst wordt op gezette tijden aan een hernieuwd onderzoek onderworpen en zo nodig volgens dezelfde procedure herzien;
  • alle andere afvalstoffen die naar het oordeel van een Lid-Staat een of meer van de in bijlage III vermelde eigenschappen bezitten. Dergelijke gevallen worden bekendgemaakt aan de Commissie en overeenkomstig de procedure van artikel 18 van Richtlijn 75/442/EEG, met het oog op aanpassing van de lijst, aan een hernieuwd onderzoek onderworpen.
  • 5. 
    De bepalingen van deze richtlijn gelden niet voor huishoudafval. De Raad zal daarvoor uiterlijk eind 1992 op voorstel van de Commissie specifieke voorschriften vaststellen, waarbij rekening wordt gehouden met de bijzondere aard van huishoudafval.

Artikel 2

  • 1. 
    De Lid-Staten nemen de nodige maatregelen om te eisen dat op elke plaats waar gevaarlijke afvalstoffen worden gestort, deze afvalstoffen worden geregistreerd en geúdentificeerd.
  • 2. 
    De Lid-Staten nemen de nodige maatregelen om te eisen dat bedrijven en ondernemingen die gevaarlijke afvalstoffen verwijderen, nuttig toepassen, inzamelen of vervoeren, de verschillende categorieën gevaarlijke afvalstoffen van elkaar gescheiden houden en gevaarlijke afvalstoffen gescheiden houden van niet-gevaarlijke afvalstoffen.
  • 3. 
    In afwijking van lid 2 kan het vermengen van gevaarlijke afvalstoffen met andere gevaarlijke afvalstoffen of met andere afvalstoffen, stoffen of materialen alleen worden toegestaan wanneer aan de voorschriften van artikel 4 van Richtlijn 75/442/EEG is voldaan en met name om de veiligheid bij de verwijdering of de nuttige toepassing van deze afvalstoffen te verbeteren. Een dergelijke verrichting mag slechts plaatsvinden indien daarvoor een vergunning als bedoeld in de artikelen 9, 10 en 11 van Richtlijn 75/442/EEG is verleend.
  • 4. 
    Ingeval de afvalstoffen reeds met andere afvalstoffen, stoffen of materialen zijn vermengd, moet een scheidingsbehandeling plaatsvinden indien zulks technisch en economisch haalbaar is, en in voorkomend geval om aan het bepaalde in artikel 4 van Richtlijn 75/442/EEG te voldoen.

Artikel 3

  • 1. 
    De ontheffing van de vergunning voor bedrijven of ondernemingen die hun afvalstoffen in eigen beheer verwijderen, waarnaar in artikel 11, lid 1, onder a), van Richtlijn 75/442/EEG wordt verwezen, is niet van toepassing op de onder deze richtlijn vallende gevaarlijke afvalstoffen.
  • 2. 
    Overeenkomstig artikel 11, lid 1, onder b), van Richtlijn 75/442/EEG kan een Lid-Staat bedrijven of ondernemingen die onder deze richtlijn vallende afvalstoffen nuttig toepassen, van het bepaalde in artikel 10 van Richtlijn 75/442/EEG vrijstellen indien:
  • de Lid-Staat algemene voorschriften voor elke soort en hoeveelheid afvalstoffen uitvaardigt en specifieke voorwaarden (grenswaarden voor het gehalte aan gevaarlijke stoffen in het afval, emissiegrenswaarden, type activiteit) en andere voorschriften vaststelt die nodig zijn om de verschillende vormen van nuttige toepassing uit te voeren; en - de soorten of de hoeveelheden afvalstoffen en de methoden van nuttige toepassing van dien aard zijn dat aan de voorwaarden van artikel 4 van Richtlijn 75/442/EEG wordt voldaan.
  • 3. 
    De in lid 2 bedoelde bedrijven of ondernemingen worden bij de bevoegde autoriteiten geregistreerd.
  • 4. 
    Indien een Lid-Staat van plan is gebruik te maken van het bepaalde in lid 2, worden de in dat lid bedoelde voorschriften tot uiterlijk drie maanden voordat zij van kracht worden, aan de Commissie toegezonden. De Commissie raadpleegt vervolgens de Lid-Staten. In het licht van deze raadplegingen stelt de Commissie voor dat de voorschriften uiteindelijk volgens de procedure van artikel 18 van Richtlijn 75/442/EEG worden goedgekeurd.

Artikel 4

  • 1. 
    Artikel 13 van Richtlijn 75/442/EEG is ook van toepassing op producenten van gevaarlijke afvalstoffen.
  • 2. 
    Artikel 14 van Richtlijn 75/442/EEG is ook van toepassing op producenten van gevaarlijke afvalstoffen en op alle bedrijven en ondernemingen die gevaarlijke afvalstoffen vervoeren.
  • 3. 
    Het in artikel 14 van Richtlijn 75/442/EEG bedoelde register moet ten minste drie jaar worden bewaard; bedrijven en ondernemingen die gevaarlijke afvalstoffen vervoeren moeten dat register echter minstens twaalf maanden bewaren. De bewijsstukken omtrent het beheer van de afvalstoffen moeten op verzoek van de bevoegde instanties of van een voorgaande houder worden overgelegd.

Artikel 5

  • 1. 
    De Lid-Staten nemen de nodige maatregelen om te verzekeren dat de afvalstoffen bij inzameling, vervoer en tijdelijke opslag deugdelijk zijn verpakt en overeenkomstig de geldende internationale en communautaire normen zijn gekenmerkt.
  • 2. 
    De op grond van artikel 13 van Richtlijn 75/442/EEG verrichte controles op inzameling en vervoer hebben, wat gevaarlijke afvalstoffen betreft, meer in het bijzonder betrekking op de oorsprong en de bestemming van de gevaarlijke afvalstoffen.
  • 3. 
    Als gevaarlijke afvalstoffen worden getransporteerd, moeten zij vergezeld gaan van een identificatieformulier waarop de in bijlage I, deel A, bij Richtlijn 84/631/EEG van de Raad van 6 december 1984 betreffende toezicht en controle in de Gemeenschap op de grensoverschrijdende overbrenging van gevaarlijke afvalstoffen (1), laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 86/279/EEG (2), opgenomen gegevens vermeld staan.

Artikel 6

  • 1. 
    Zoals in artikel 7 van Richtlijn 75/442/EEG is bepaald, stellen de bevoegde instanties, in het kader van hun algemene planning voor het beheer van afvalstoffen of los daarvan, plannen op voor het beheer van gevaarlijke afvalstoffen en maken zij die plannen openbaar.
  • 2. 
    De Commissie onderwerpt deze plannen en met name de methoden voor verwijdering en nuttige toepassing daarin aan een vergelijkende evaluatie. De Commissie stelt deze informatie ter beschikking van de bevoegde instanties van de Lid-Staten die daarom verzoeken.

Artikel 7

In geval van nood of ernstig gevaar nemen de Lid-Staten alle nodige maatregelen, waarbij eventueel tijdelijk van het bepaalde in deze richtlijn kan worden afgeweken, om ervoor te zorgen dat gevaarlijke afvalstoffen geen bedreiging vormen voor de bevolking of het milieu. Wanneer de Lid-Staten van deze richtlijn afwijken, stellen zij de Commissie daarvan in kennis.

Artikel 8

  • 1. 
    In het kader van het in artikel 16, lid 1, van Richtlijn 75/442/EEG bedoelde verslag, en op basis van een overeenkomstig dat artikel opgestelde vragenlijst, doen de Lid-Staten aan de Commissie een verslag toekomen over de tenuitvoerlegging van deze richtlijn.
  • 2. 
    Naast het in artikel 16, lid 2, van Richtlijn 75/442/EEG bedoelde samenvattend verslag, brengt de Commissie om de drie jaar bij de Raad en het Europese Parlement verslag uit over de toepassing van deze richtlijn.
  • 3. 
    Voorts verstrekken de Lid-Staten de Commissie vóór 12 december 1994 voor elke inrichting of onderneming die voornamelijk ten behoeve van derden zorgt voor verwijdering en/of nuttige toepassing van gevaarlijke afvalstoffen en waarschijnlijk deel uitmaakt van het in artikel 5 van Richtlijn 75/442/EEG bedoelde geúntegreerde net, de volgens gegevens:
  • naam en adres,
  • wijze van behandeling van de afvalstoffen,
  • soort en hoeveelheid van de afvalstoffen die kunnen worden behandeld.

Wijzigingen in deze gegevens worden door de Lid-Staten jaarlijks aan de Commissie medegedeeld.

De Commissie stelt deze gegevens ter beschikking van de bevoegde instanties van de Lid-Staten die daarom verzoeken.

De vorm waarin deze informatie aan de Commissie wordt verstrekt, wordt overeenkomstig de procedure van artikel 18 van Richtlijn 75/442/EEG vastgesteld.

Artikel 9

De wijzigingen die nodig zijn om de bijlagen van deze richtlijn aan de technische en wetenschappelijke vooruitgang aan te passen en om de lijst van afvalstoffen genoemd in artikel 1, lid 4, te herzien, worden vastgesteld overeenkomstig de procedure van artikel 18 van Richtlijn 75/442/EEG.

Artikel 10

  • 1. 
    De Lid-Staten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om vóór 12 december 1993 aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.
  • 2. 
    Wanneer de Lid-Staten deze bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen naar de onderhavige richtlijn verwezen of wordt hiernaar verwezen bij de officiële bekendmaking van die bepalingen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de Lid-Staten.
  • 3. 
    De Lid-Staten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mede die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 11

Richtlijn 78/319/EEG wordt met ingang van 12 december 1993 ingetrokken.

Artikel 12

Deze richtlijn is gericht tot de Lid-Staten.

Gedaan te Brussel, 12 december 1991.

Voor de RaadDe VoorzitterJ. G. M. ALDERS

(1)PB nr. C 295 van 19. 11. 1988, blz. 8, en PB nr. C 42 van 22. 2. 1990, blz. 19.

(2)PB nr. C 158 van 26. 6. 1989, blz. 238.

(3)PB nr. C 56 van 6. 3. 1989, blz. 2.

(4)PB nr. L 84 van 31. 3. 1978, blz. 43.

(5)PB nr. C 122 van 18. 5. 1990, blz. 2.

(6)PB nr. C 328 van 7. 12. 1987, blz. 1.

(7)PB nr. L 194 van 25. 7. 1975, blz. 47.

(8)PB nr. L 78 van 26. 3. 1991, blz. 32.

(1)PB nr. L 326 van 13. 12. 1984, blz. 31.

(2)PB nr. L 181 van 4. 7. 1986, blz. 13.

BIJLAGE I

CATEGORIEËN OF SOORTEN GEVAARLIJKE AFVALSTOFFEN, GEKENMERKT NAAR HUN AARD OF DE ACTIVITEIT WAARBIJ ZIJ ONTSTAAN (*) (DE AFVALSTOFFEN KUNNEN ZICH VOORDOEN IN VLOEIBARE OF VASTE TOESTAND OF IN DE VORM VAN SLIB)

BIJLAGE I.A

Afvalstoffen die een of meer van de in bijlage III vermelde eigenschappen bezitten en bestaan uit:

  • 1. 
    Lichaamseigen stoffen; afval van ziekenhuizen en van andere medische activiteiten 2. Farmaceutische produkten, medicijnen, veterinaire produkten 3. Houtbeschermingsprodukten 4. Biociden en fytosanitaire produkten 5. Residuen van produkten die als oplosmiddel zijn gebruikt 6. Gehalogeneerde organische stoffen die niet als oplosmiddel zijn gebruikt, inerte polymeren uitgezonderd 7. Cyaniden voor harding 8. Oliën en aardolieachtige verbindingen (bij voorbeeld industrieel slib, enz.) 9. Mengsels of emulsies van olie of koolwaterstoffen met water 10. Stoffen die PCB's en/of PCT's bevatten (bij voorbeeld diëlektrische stoffen, enz.) 11. Teerhoudende produkten afkomstig van raffinage, distillatie of pyrolyse (bij voorbeeld distillatieresiduen, enz.) 12. Inkt, kleurstoffen, pigmenten, verf, lak, vernis 13. Harsen, latex, plastificeermiddelen, lijm 14. Niet-geúdentificeerde en/of nieuwe chemische stoffen afkomstig van onderzoek, ontwikkelingsactiviteiten en onderwijs en waarvan de effecten op de mens en/of het milieu niet bekend zijn (bij voorbeeld laboratoriumafval, enz.) 15. Vuurwerk en andere ontplofbare stoffen 16. Produkten van fotolaboratoria 17. Materialen die verontreinigd zijn met een polychloordibenzofuraan 18. Materialen die verontreinigd zijn met een polychloordibenzo-p-dioxines

BIJLAGE I.B

Afvalstoffen die een of meer van de in bijlage II opgesomde bestanddelen bevatten of een of meer van de in bijlage III vermelde eigenschappen bezitten en die bestaan uit:

  • 19. 
    Zeep, vetten, was van dierlijke of plantaardige oorsprong 20. Niet-gehalogeneerde organische stoffen die niet als oplosmiddel worden gebruikt 21. Anorganische stoffen die noch metalen noch metaalverbindingen bevatten 22. Slakken en/of as 23. Klei- of zandgrond, baggerspecie inbegrepen 24. Niet-cyanidehoudende hardingszouten 25. Metaalstof of -poeder 26. Uitgewerkte katalysatoren 27. Vloeistoffen of slib waarin metalen of metaalverbindingen voorkomen * Met opzet worden bepaalde afvalstoffen die tevens in de in bijlage II vermelde rubrieken zijn ingedeeld, dubbel vermeld.
  • 28. 
    Zuiveringsafval (bij voorbeeld stof van luchtfilters, enz.) behalve de onder de punten 29, 30 en 33 genoemde afvalstoffen 29. Gaswassingsslib 30. Slib van waterzuiveringsinstallaties 31. Ontkalkingsresten 32. Afval van ionenwisselaars 33. Niet-behandeld of voor de landbouw onbruikbaar zuiveringsslib 34. Resten van reiniging van reservoirs of apparatuur 35. Verontreinigd materiaal 36. Verontreinigd verpakkingsmateriaal (bij voorbeeld vaten, gasflessen, enz.) waarin één of meer van de in bijlage 2 vermelde bestanddelen hebben gezeten 37. Accu's en batterijen 38. Plantaardige oliën 39. Voorwerpen die bij een selectieve inzameling van afvalstoffen van huishouders zijn opgehaald en die één of meer van de in bijlage III genoemde eigenschappen bezitten 40. Elke andere afvalstof die één of meer van de in bijlage II genoemde bestanddelen bevat en één of meer van de in bijlage III genoemde eigenschappen bezit.

BIJLAGE II

BESTANDDELEN WAARDOOR DE AFVALSTOFFEN VAN BIJLAGE I.B GEVAARLIJK ZIJN INDIEN ZIJ IN BIJLAGE III GENOEMDE EIGENSCHAPPEN BEZITTEN (*)

Afvalstoffen die de volgende bestanddelen bevatten:

C1 Beryllium, berylliumverbindingen C2 Vanadiumverbindingen C3 Verbindingen van zeswaardig chroom C4 Kobaltverbindingen C5 Nikkelverbindingen C6 Koperverbindingen C7 Zinkverbindingen C8 Arseen, arseenverbindingen C9 Seleen, seleenverbindingen C10 Zilververbindingen C11 Cadmium, cadmiumverbindingen C12 Tinverbindingen C13 Antimoon, antimoonverbindingen C14 Telluur, telluurverbindingen C15 Bariumverbindingen, bariumsulfaat uitgezonderd C16 Kwik, kwikverbindingen C17 Thallium, thalliumverbindingen C18 Lood, loodverbindingen C19 Anorganische sulfiden C20 Anorganische fluorverbindingen, calciumfluoride uitgezonderd C21 Anorganische cyaniden C22 De volgende alkali- of aardalkalimetalen: lithium, natrium, kalium, calcium, magnesium in metaalvorm C23 Zure oplossingen of zuren in vaste vorm C24 Basische oplossingen of basen in vaste vorm C25 Asbest (stof en vezel) C26 Fosfor, fosforverbindingen, minerale fosfaten uitgezonderd C27 Metaalcarbonylen C28 Peroxiden C29 Chloraten C30 Perchloraten C31 Aziden C32 PCB's en/of PCT's C33 Farmaceutische of veterinaire verbindingen C34 Biociden en fytosanitaire stoffen (bij voorbeeld pesticiden, enz.) C35 Infectueuze stoffen C36 Creosoten C37 Isocyanaten, thiocyanaten C38 Organische cyaniden (bij voorbeeld nitrilen, enz.) C39 Fenolen, fenolverbindingen C40 Gehalogeneerde oplosmiddelen C41 Niet gehalogeneerde organische oplosmiddelen C42 Organische halogeenverbindingen, met uitzondering van inerte polymeren en de andere in deze bijlage genoemde stoffen C43 Aromatische verbindingen; polycyclische en heterocyclische organische verbindingen C44 Alifatische amines C45 Aromatische amines C46 Ethers C47 Ontplofbare stoffen, met uitzondering van die stoffen die elders in deze bijlage worden vermeld C48 Organische zwavelverbindingen C49 Polychloordibenzofuranen C50 Polychloordibenzo-p-dioxines C51 Koolwaterstoffen en hun verbindingen met zuurstof, stikstof en/of zwavel, die niet in deze bijlage worden vermeld.

(*) Met opzet worden bepaalde soorten afvalstoffen die tevens in bijlage I zijn opgenomen, dubbel vermeld.

BIJLAGE III

GEVAARLIJKE EIGENSCHAPPEN VAN AFVALSTOFFEN

H1 "Ontplofbaar": stoffen en preparaten die bij aanraking met een vlam kunnen ontploffen of voor stoten of wrijving gevoeliger zijn dan dinitrobenzeen;

H2 "Oxiderend": stoffen en preparaten die bij aanraking met andere stoffen, met name ontvlambare stoffen, sterk exotherm kunnen reageren;

H3-A "Licht ontvlambaar": stoffen en preparaten die - in vloeibare toestand een vlampunt beneden 21 °C hebben (zeer licht ontvlambare vloeistoffen inbegrepen), of - bij normale temperatuur aan de lucht blootgesteld, zonder toevoer van energie in temperatuur kunnen stijgen en ten slotte kunnen ontbranden, of - in vaste toestand, door kortstondige inwerking van een ontstekingsbron, gemakkelijk kunnen worden ontstoken en na verwijdering van de ontstekingsbron blijven branden of gloeien, of - in gasvormige toestand bij normale druk met lucht ontvlambaar zijn, of - bij aanraking met water of vochtige lucht, licht ontvlambare gassen in een gevaarlijke hoeveelheid ontwikkelen;

H3-B "Ontvlambaar": vloeibare stoffen en preparaten die een vlampunt van ten minste 21 °C en ten hoogste 55 °C hebben;

H4 "Irriterend": niet-corrosieve stoffen en preparaten die door directe, langdurige, of herhaalde aanraking met de huid of de slijmvliezen een ontsteking kunnen veroorzaken;

H5 "Schadelijk": stoffen en preparaten die door inademing of door opneming via de mond of de huid gevaren van beperkte aard kunnen opleveren;

H6 "Vergifting": stoffen en preparaten die door inademing of door opneming via de mond of de huid ernstige, acute of chronische gevaren en zelfs de dood kunnen veroorzaken (zeer giftige stoffen en preparaten inbegrepen);

H7 "Kankerverwekkend": stoffen en preparaten die door inademing of door opneming via de mond of de huid kanker veroorzaken of de frequentie van kanker kunnen doen toenemen;

H8 "Corrosief": stoffen en preparaten die bij aanraking een vernietigende werking op levende weefsels kunnen uitoefenen;

H9 "Infectueus": stoffen die levensvatbare micro-organismen of hun toxinen bevatten waarvan bekend is of waarvan sterk wordt vermoed dat zij ziekten bij de mens of bij andere levende organismen veroorzaken;

H10 "Teratogeen": stoffen en preparaten die door inademing of door opneming via de mond of de huid niet-erfelijke misvormingen veroorzaken of de frequentie daarvan kunnen doen toenemen;

H11 "Mutageen": stoffen en preparaten die door inademing of door opneming via de mond of de huid erfelijke genetische schade veroorzaken of de frequentie daarvan kunnen doen toenemen;

H12 Stoffen en preparaten die in contact met water, lucht of zuur vergiftig of zeer vergiftig gas ontwikkelen;

H13 Stoffen en preparaten die na verwijdering op de een of andere wijze een andere stof doen ontstaan (bij voorbeeld een uitlogingsprodukt) die een van de hierboven genoemde eigenschappen bezit;

H14 "Ecotoxisch": stoffen en preparaten waarvan het gebruik onmiddellijk of na verloop van tijd gevaar voor één of meer sectoren van het milieu oplevert of kan opleveren.

Aantekeningen

  • 1. 
    De gevaarlijke eigenschappen "vergiftig" (en "zeer vergiftig"), "schadelijk", "corrosief" en "irriterend" worden aan de afvalstoffen toegeschreven volgens de criteria van bijlage VI, deel I-A en deel II-B, van Richtlijn 67/548/EEG van de Raad van 27 juni 1967 betreffende de aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen (1), in de versie van Richtlijn 79/831/EEG van de Raad (2).
  • 2. 
    Met betrekking tot het toeschrijven van de eigenschappen "kankerverwekkend", "teratogeen" en "mutageen" zijn, in het licht van de huidige stand van wetenschap en techniek, verdere verfijningen aangebracht in de Handleiding voor de indeling en het kenmerken van gevaarlijke stoffen die is opgenomen in bijlage VI, deel II-D, van Richtlijn 67/548/EEG, in de versie van Richtlijn 83/467/EEG van de Commissie (1).

Testmethoden

De testmethoden hebben ten doel een specifieke inhoud te geven aan de in bijlage III opgenomen definities.

De te gebruiken methoden zijn omschreven in bijlage V van Richtlijn 67/548/EEG, in de versie van Richtlijn 84/449/EEG van de Commissie (2) of bij andere richtlijnen van de Commissie van latere datum inzake de aanpassing van Richtlijn 67/548/EEG aan de vooruitgang van de techniek. Deze methoden zijn gebaseerd op die welke zijn erkend en aanbevolen door bevoegde internationale organen, met name de OESO.

(1)PB nr. L 196 van 16. 8. 1967.

(2)PB nr. L 259 van 15. 10. 1979.

(1)PB nr. L 257 van 16. 9. 1983.

(2)PB nr. L 251 van 19. 9. 1984.

Deze samenvatting is overgenomen van EUR-Lex.