Richtlijn 2000/12 - Toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen

Inhoudsopgave

  1. Wettekst
  2. 32000L0012

1.

Wettekst

Avis juridique important

|

2.

32000L0012

Richtlijn 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 maart 2000 betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen

Publicatieblad Nr. L 126 van 26/05/2000 blz. 0001 - 0059

Richtlijn 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad

van 20 maart 2000

betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, inzonderheid op artikel 47, lid 2, eerste en derde zin,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité(1),

Volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag(2),

Overwegende hetgeen volgt:

  • (1) 
    Richtlijn 73/183/EEG van de Raad van 28 juni 1973 betreffende de opheffing van de beperkingen van de vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten voor anders dan in loondienst verrichte werkzaamheden van banken en andere financiële instellingen(3), Eerste Richtlijn 77/780/EEG van de Raad van 12 december 1977 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen(4), Richtlijn 89/299/EEG van de Raad van 17 april 1989 betreffende het eigen vermogen van kredietinstellingen(5), Tweede Richtlijn 89/646/EEG van de Raad van 15 december 1989 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen(6), Richtlijn 89/647/EEG van de Raad van 18 december 1989 betreffende een solvabiliteitsratio voor kredietinstellingen(7), Richtlijn 92/30/EEG van de Raad van 6 april 1992 inzake toezicht op kredietinstellingen op geconsolideerde basis(8) alsmede Richtlijn 92/121/EEG van de Raad van 21 december 1992 betreffende het toezicht op en de beheersing van grote risico's van kredietinstellingen(9) zijn herhaaldelijk en ingrijpend gewijzigd. Zij dienen derhalve zowel om redenen van rationele ordening van de tekst als om redenen van duidelijkheid te worden gecodificeerd door samenbrenging ervan in één tekst.
  • (2) 
    Krachtens het Verdrag is elke discriminerende behandeling terzake van vestiging en het verrichten van diensten op grond van nationaliteit of van het feit dat de onderneming niet is gevestigd in de lidstaat waar de dienstverlening plaatsvindt, verboden.
  • (3) 
    Teneinde de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen te vergemakkelijken, is het noodzakelijk de hinderlijkste verschillen tussen de wetgevingen der lidstaten inzake de regeling waaraan deze instellingen zijn onderworpen, op te heffen.
  • (4) 
    De onderhavige richtlijn vormt met betrekking tot de sector kredietinstellingen, ten aanzien van zowel de vrijheid van vestiging als het vrij verrichten van diensten, het essentiële instrument voor de totstandbrenging van de interne markt waartoe bij de Europese Akte werd besloten en die in het programma van het Witboek van de Commissie is opgenomen.
  • (5) 
    De coördinatiewerkzaamheden inzake kredietinstellingen, zowel voor de bescherming van de spaargelden als ter bewerkstelliging van gelijke concurrentievoorwaarden voor de kredietinstellingen, moeten van toepassing zijn op alle kredietinstellingen. Hierbij dient echter, zo nodig, rekening te worden gehouden met de objectieve verschillen in hun status en hun bij de nationale wetgevingen vastgestelde specifieke taken.
  • (6) 
    Het toepassingsgebied van de coördinatiewerkzaamheden moet derhalve zo ruim mogelijk zijn en moet alle instellingen bestrijken die terugbetaalbare gelden van het publiek in ontvangst nemen, in de vorm van deposito's of in andere vormen, zoals de permanente uitgifte van obligaties en andere vergelijkbare stukken, en voor eigen rekening kredieten verlenen. Uitzonderingen moeten echter worden gemaakt voor bepaalde kredietinstellingen waarop deze richtlijn niet van toepassing kan zijn. Deze richtlijn laat de toepassing van de nationale wetgevingen onverlet wanneer hierin de mogelijkheid wordt geboden van aanvullende speciale vergunningen op grond waarvan de kredietinstellingen specifieke werkzaamheden kunnen verrichten of specifieke soorten transacties kunnen uitvoeren.
  • (7) 
    Met de richtlijn wordt beoogd een wezenlijke, noodzakelijke en voldoende harmonisatie tot stand te brengen om te komen tot een wederzijdse erkenning van de vergunningen en van de stelsels van bedrijfseconomisch toezicht, waardoor één en dezelfde vergunning voor de gehele Gemeenschap geldig is en waarbij het beginsel geldt dat het toezicht wordt uitgeoefend door de lidstaat van herkomst. De eis dat een programma van werkzaamheden wordt ingediend mag in dit opzicht slechts worden beschouwd als een factor die de bevoegde autoriteiten in staat stelt te besluiten op grond van een nauwkeuriger informatie binnen het kader van objectieve criteria. Een zekere versoepeling van de regels is niettemin mogelijk met betrekking tot de eisen die worden gesteld aangaande de rechtsvormen van de kredietinstellingen en de bescherming van de benamingen.
  • (8) 
    Voor de kredietinstellingen moeten gelijkwaardige financiële eisen gelden in het belang van gelijke waarborgen voor spaarders en eerlijke concurrentieverhoudingen tussen vergelijkbare groepen kredietinstellingen. In afwachting van een betere coördinatie dienen geëigende, de structuur betreffende verhoudingsgetallen te worden ontwikkeld waardoor het mogelijk wordt om in het kader van de samenwerking tussen nationale autoriteiten volgens standaardmethoden de positie van vergelijkbare categorieën kredietinstellingen in het oog te houden. Deze procedure kan de geleidelijke onderlinge aanpassing van door de lidstaten vastgestelde en toegepaste coëfficiënten vergemakkelijken. Het is evenwel noodzakelijk een onderscheid te maken tussen de coëfficiënten welke ten doel hebben een degelijk beheer van de kredietinstellingen te waarborgen en die welke oogmerken van economische en monetaire politiek dienen.
  • (9) 
    De beginselen van wederzijdse erkenning en van toezicht door de lidstaat van herkomst vereisen dat de bevoegde autoriteiten van elke lidstaat een vergunning weigeren of intrekken, wanneer uit bepaalde gegevens, zoals de inhoud van het programma van werkzaamheden, de lokalisatie of de werkelijk uitgeoefende werkzaamheden, op ondubbelzinnige wijze blijkt dat de kredietinstelling het rechtsstelsel van een lidstaat heeft gekozen om zich te onttrekken aan de strengere voorschriften van een andere lidstaat, waar zij het grootste deel van haar werkzaamheden uitoefent of voornemens is uit te oefenen. Aan een kredietinstelling die een rechtspersoon is, moet vergunning worden verleend in de lidstaat waar haar statutaire zetel is gelegen. Een kredietinstelling die geen rechtspersoon is, moet een hoofdbestuur hebben in de lidstaat waar haar vergunning is verleend. De lidstaten moeten tevens eisen dat het hoofdbestuur van een kredietinstelling zich steeds in haar lidstaat van herkomst bevindt en daar feitelijk ook werkzaam is.
  • (10) 
    De bevoegde autoriteiten zouden geen vergunning aan een kredietinstelling mogen verlenen of handhaven, wanneer de nauwe banden die tussen deze instelling en andere natuurlijke of rechtspersonen bestaan, van dien aard zijn dat zij een belemmering vormen voor de juiste uitoefening van hun toezichthoudende taken. Kredietinstellingen waaraan reeds vergunning is verleend, moeten de bevoegde autoriteiten in dat opzicht eveneens voldoening schenken. De in deze richtlijn gegeven definitie van "nauwe banden" berust op minimumcriteria en belet de lidstaten niet ook bepalingen vast te stellen voor andere situaties dan die welke door genoemde definitie worden bestreken. Dat de verwerving van een aanzienlijk percentage van het kapitaal van een vennootschap louter op zich vormt geen deelneming die in de zin van "nauwe banden" in aanmerking moet worden genomen, indien deze verwerving slechts als een tijdelijke belegging is bedoeld, die het niet mogelijk maakt invloed uit te oefenen op de structuur en het financiële beleid van de instelling.
  • (11) 
    Met "juiste uitoefening van de toezichthoudende taken door de autoriteiten", wordt ook gedoeld op het toezicht op geconsolideerde basis, dat op een kredietinstelling dient te worden uitgeoefend wanneer de communautaire rechtsregels een dergelijk toezicht voorschrijven. In zulke gevallen moeten de autoriteiten waaraan om een vergunning is gevraagd, de autoriteiten kunnen identificeren die bevoegd zijn voor het toezicht op geconsolideerde basis op deze kredietinstelling.
  • (12) 
    De lidstaat van herkomst kan voorts wat de kredietinstellingen betreft waaraan door zijn eigen bevoegde autoriteiten vergunning is verleend, strengere regels dan die van artikel 5, lid 1, eerste alinea, en lid 2, en de artikelen 7, 16, 30, 51 en 65 stellen.
  • (13) 
    De afschaffing van de vergunning die voor bijkantoren van kredietinstellingen uit de Gemeenschap is vereist, brengt noodzakelijkerwijs afschaffing van het dotatiekapitaal mee.
  • (14) 
    De gevolgde benadering houdt in dat, op grond van wederzijdse erkenning, kredietinstellingen waaraan in een lidstaat van herkomst vergunning is verleend, alle werkzaamheden die in de in bijlage I opgenomen lijst zijn vermeld, of een deel daarvan, door vestiging van een bijkantoor of het verrichten van diensten overal in de Gemeenschap mogen uitoefenen. Voor de uitoefening van werkzaamheden die niet in voornoemde lijst voorkomen, blijft de vrijheid van vestiging en van het verrichten van diensten gelden overeenkomstig de algemene Verdragsbepalingen.
  • (15) 
    Het is evenwel dienstig de wederzijdse erkenning ook te laten gelden voor de werkzaamheden die in voornoemde lijst zijn opgenomen wanneer zij worden verricht door een financiële instelling die dochteronderneming is van een kredietinstelling, mits deze dochteronderneming is opgenomen onder het toezicht op geconsolideerde basis waaraan haar moederonderneming is onderworpen, en aan strenge voorwaarden voldoet.
  • (16) 
    De lidstaat van ontvangst kan voor de uitoefening van het recht van vestiging en van het vrij verrichten van diensten eisen dat de specifieke voorschriften van zijn wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen worden nageleefd door instellingen die geen vergunning als kredietinstelling hebben ontvangen in de lidstaat van herkomst, dan wel ten aanzien van werkzaamheden die niet in voornoemde lijst voorkomen, voorzover deze voorschriften verenigbaar zijn met het Gemeenschapsrecht en worden ingegeven door het algemeen belang, en deze instellingen, respectievelijk werkzaamheden niet op grond van de wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaat van herkomst aan gelijkwaardige regels onderworpen zijn.
  • (17) 
    De lidstaten moeten ervoor zorgen dat er geen enkele belemmering is voor de uitoefening, op dezelfde wijze als in de lidstaat van herkomst, van de werkzaamheden die onder de wederzijdse erkenning vallen, voorzover zij niet in strijd zijn met de vigerende wettelijke bepalingen van algemeen belang van de lidstaat van ontvangst.
  • (18) 
    Tussen het doel van de onderhavige richtlijn en de door middel van andere communautaire besluiten tot stand gebrachte liberalisatie van het kapitaalverkeer bestaat een noodzakelijk verband. De maatregelen tot liberalisatie van de bankdiensten moeten in ieder geval in harmonie zijn met de maatregelen tot liberalisatie van het kapitaalverkeer.
  • (19) 
    De regeling voor bijkantoren van kredietinstellingen met hoofdkantoor buiten de Gemeenschap zou in alle lidstaten analoog moeten zijn. Er moet worden bepaald dat deze regeling niet gunstiger mag zijn dan voor bijkantoren van instellingen uit een lidstaat. Er dient te worden bepaald dat de Gemeenschap met derde landen overeenkomsten kan sluiten die, met inachtneming van het beginsel van wederkerigheid, voorzien in de toepassing van bepalingen krachtens welke voor deze bijkantoren op haar gehele grondgebied een gelijke behandeling geldt. De bijkantoren met hoofdkantoor buiten de Gemeenschap komen niet in aanmerking voor het vrij verrichten van diensten uit hoofde van artikel 49, tweede alinea, van het Verdrag, noch voor de vrijheid van vestiging in andere lidstaten dan die waarin zij gevestigd zijn. Vergunningaanvragen voor een dochteronderneming of verzoeken voor het verwerven van deelnemingen afkomstig van een onderneming die onder het recht van een derde land ressorteert, zijn echter onderworpen aan een procedure die erop gericht is te waarborgen dat kredietinstellingen uit de Gemeenschap in de betrokken derde landen een op wederkerigheid berustende behandeling verkrijgen.
  • (20) 
    Door de bevoegde nationale autoriteiten verleende vergunningen van kredietinstellingen hebben overeenkomstig het bepaalde in deze richtlijn een communautaire en niet meer een uitsluitend nationale reikwijdte en de bestaande wederkerigheidsclausules zijn daarom niet meer geldig. Derhalve is een soepele procedure nodig aan de hand waarvan de wederkerigheid op een communautaire grondslag kan worden beoordeeld. Deze procedure heeft niet ten doel de financiële markten van de Gemeenschap te sluiten, maar - aangezien de Gemeenschap voornemens is haar financiële markten voor de rest van de wereld open te houden - de liberalisatie van de globale financiële markten in andere derde landen te verbeteren. Deze richtlijn voorziet daartoe in procedures voor onderhandelingen met derde landen of, in laatste instantie, in de mogelijkheid maatregelen te nemen die bestaan in het opschorten van nieuwe vergunningaanvragen of in het beperken van het aantal nieuwe vergunningen.
  • (21) 
    Tussen de Gemeenschap en derde landen dienen overeenkomsten op basis van wederkerigheid te worden gesloten om de concrete toepassing van geconsolideerd toezicht op een zo breed mogelijke geografische basis mogelijk te maken.
  • (22) 
    De verantwoordelijkheid inzake het toezicht op de financiële soliditeit en met name de solvabiliteit van een kredietinstelling berust voortaan bij de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst van de instelling. De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst behouden hun verantwoordelijkheden voor het toezicht op de liquiditeit en voor het monetair beleid. Met betrekking tot het toezicht op het marktrisico moet er een nauwere samenwerking zijn tussen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst en die van de lidstaat van ontvangst.
  • (23) 
    De harmonische werking van de interne bankmarkt, vereist naast rechtsnormen, nauwe en regelmatige samenwerking tussen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten. Derhalve blijft met betrekking tot de individuele behandeling van problemen betreffende een bepaalde kredietinstelling, de contactgroep die is opgericht door de autoriteiten die toezicht houden op de banken, het geschikte kader. Deze groep is een passend forum voor de in artikel 28 bedoelde uitwisseling van gegevens.
  • (24) 
    Deze procedure voor de uitwisseling van gegevens treedt in geen geval in de plaats van de bij artikel 28 ingestelde bilaterale samenwerking. De bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst kan, onverminderd haar eigen toezichtsbevoegdheden, op eigen initiatief of op initiatief van de lidstaat van herkomst, in dringende gevallen blijven nagaan of de werkzaamheden van een instelling op haar grondgebied in overeenstemming zijn met de wet, en met de beginselen van een goede administratieve en boekhoudkundige organisatie en van een adequate interne controle.
  • (25) 
    Het is dienstig de mogelijkheid toe te staan van uitwisseling van informatie tussen de bevoegde autoriteiten en autoriteiten of organen die uit hoofde van hun functie bijdragen tot de stabiliteit van het financiële stelsel. Teneinde het vertrouwelijke karakter van de doorgegeven informatie te bewaren, moet de lijst van geadresseerden daarvan strikt beperkt blijven.
  • (26) 
    Bepaalde praktijken zoals fraude en voorkennisdelicten, ook al hebben zij betrekking op andere dan kredietinstellingen, tasten toch de stabiliteit van het financiële stelsel alsmede de integriteit ervan aan.
  • (27) 
    Bepaald moet worden onder welke voorwaarden de genoemde uitwisseling van informatie is toegestaan.
  • (28) 
    Wanneer bepaald is dat informatie alleen met de uitdrukkelijke toestemming van de bevoegde autoriteiten mag worden doorgegeven, mogen deze autoriteiten in voorkomend geval aan hun instemming strikte voorwaarden verbinden.
  • (29) 
    Ook uitwisseling van informatie dient te worden toegestaan tussen enerzijds de bevoegde autoriteiten en anderzijds de centrale banken en andere instellingen met een soortgelijke taak in hun hoedanigheid van monetaire autoriteit, en in voorkomend geval aan andere overheidsinstanties die belast zijn met het toezicht op de betalingssystemen.
  • (30) 
    Ter versterking van het bedrijfseconomische toezicht op kredietinstellingen en ter bescherming van de cliënten van kredietinstellingen, dient te worden voorgeschreven dat een met de wettelijke controle van de jaarrekeningen belast persoon de bevoegde autoriteiten snel in kennis moet stellen wanneer hij, in de in de onderhavige richtlijn bedoelde gevallen, in de uitvoering van zijn taken kennis krijgt van bepaalde feiten die van dien aard zijn dat zij de financiële positie of de administratieve en boekhoudkundige organisatie van een kredietinstelling ernstig kunnen aantasten. Gelet op het beoogde doel is het wenselijk dat de lidstaten bepalen dat deze verplichting in alle gevallen geldt wanneer dergelijke feiten door een met de wettelijke controle van de jaarrekening belast persoon worden geconstateerd in de uitvoering van zijn taken bij een onderneming die met een kredietinstelling nauwe banden heeft. De aan de met de wettelijke controle van de jaarrekening belaste personen opgelegde verplichting om in voorkomend geval aan de bevoegde autoriteiten mededeling te doen van bepaalde feiten en besluiten met betrekking tot een kredietinstelling, welke zij in de uitvoering van hun taken bij een niet-kredietinstelling constateren, houdt op zich geen wijziging in van de aard van hun taken bij deze onderneming, noch van de wijze waarop zij zich van hun taak bij die onderneming dienen te kwijten.
  • (31) 
    Gemeenschappelijke basisvoorschriften betreffende het eigen vermogen van kredietinstellingen vormen een centraal element in de opbouw van een interne markt in de banksector omdat het eigen vermogen het mogelijk maakt de continuïteit in de activiteit van de kredietinstellingen te waarborgen en het spaarwezen te beschermen. Deze harmonisatie draagt bij tot de versterking van het toezicht dat op kredietinstellingen wordt uitgeoefend en zal de coördinatie van andere aspecten van het bankwezen in de hand werken.
  • (32) 
    Deze voorschriften dienen van toepassing te zijn op alle in de Gemeenschap toegelaten kredietinstellingen.
  • (33) 
    Het eigen vermogen van een kredietinstelling kan dienen tot dekking van verliezen waartegenover geen te verwachten winst van voldoende omvang staat. Het eigen vermogen wordt tevens door de bevoegde autoriteiten als een belangrijke maatstaf aangelegd, inzonderheid voor de beoordeling van de solvabiliteit van kredietinstellingen en voor andere toezichtsdoeleinden.
  • (34) 
    Aangezien kredietinstellingen op een interne markt voor het bankwezen rechtstreeks met elkaar concurreren, moeten de definities en voorschriften op het gebied van het eigen vermogen bijgevolg gelijkwaardig zijn. Te dien einde mogen de criteria ter bepaling van de samenstelling van het eigen vermogen niet alleen een zaak blijven van de lidstaten. Met de vaststelling van gemeenschappelijke basisvoorschriften zal het belang van de Gemeenschap het best worden gediend, doordat verstoring van de mededingingsvoorwaarden wordt voorkomen en het bankwezen in de Gemeenschap wordt versterkt.
  • (35) 
    De in deze richtlijn vervatte definitie van eigen vermogen behelst een maximum aan bestanddelen en limietbedragen, waarbij het aan iedere lidstaat wordt overgelaten alle of slechts enkele van deze bestanddelen te hanteren of lagere maxima vast te stellen dan de limietbedragen.
  • (36) 
    Deze richtlijn geeft aan aan welke criteria bepaalde bestanddelen van het eigen vermogen moeten voldoen, waarbij de lidstaten de vrijheid behouden stringentere voorwaarden toe te passen.
  • (37) 
    De gemeenschappelijke bankvoorschriften worden in een eerste fase vrij ruim afgebakend teneinde de veelheid van bestanddelen te kunnen bestrijken die in de verschillende lidstaten tot het eigen vermogen worden gerekend.
  • (38) 
    In deze richtlijn wordt volgens de kwaliteit van de bestanddelen van het eigen vermogen een onderscheid gemaakt tussen bestanddelen die het basisvermogen en bestanddelen die het aanvullend vermogen vormen.
  • (39) 
    De bestanddelen die het aanvullend vermogen vormen moeten, vanwege het feit dat zij niet dezelfde kwaliteit hebben als die welke het basisvermogen vormen, niet ten belope van meer dan 100 % van het basisvermogen tot het eigen vermogen worden gerekend. De meetelling van bepaalde bestanddelen van het aanvullend vermogen moet bovendien beperkt worden tot 50 % van het basisvermogen.
  • (40) 
    Openbare kredietinstellingen mogen, teneinde verstoring van de mededingingsvoorwaarden te voorkomen, bij de berekening van hun eigen vermogen niet de garanties meetellen die hun door de lidstaten of door lagere overheden zijn verstrekt.
  • (41) 
    Wanneer het ten behoeve van het toezicht nodig is de omvang van het geconsolideerde eigen vermogen van een groep van kredietinstellingen te bepalen, dient deze berekening te geschieden overeenkomstig deze richtlijn.
  • (42) 
    Ten aanzien van de bij de berekening van het eigen vermogen en van de solvabiliteitsratio en ten aanzien van de bij de risicobepaling te gebruiken boekhoudkundige techniek dient rekening te worden gehouden met de bepalingen van Richtlijn 86/635/EEG van de Raad van 8 december 1986 betreffende de jaarrekening en de geconsolideerde jaarrekening van banken en andere financiële instellingen(10), waarin enkele aanpassingen van de bepalingen van Zevende Richtlijn 83/349/EEG van de Raad van 13 juni 1983 op de grondslag van artikel 44, lid 2, onder g), van het Verdrag betreffende de geconsolideerde jaarrekening(11) zijn vervat.
  • (43) 
    De bepalingen met betrekking tot het eigen vermogen sluiten aan bij het internationale streven om op ruimere schaal te komen tot een onderlinge aanpassing van de in de voornaamste landen inzake gelijkwaardigheid van het eigen vermogen geldende regels.
  • (44) 
    De Commissie zal een rapport opstellen en zal de bepalingen met betrekking tot het eigen vermogen periodiek onderzoeken teneinde deze te versterken en aldus tot een grotere convergentie te komen in de gemeenschappelijke definitie van het eigen vermogen. Door deze convergentie kan de gelijkwaardigheid van het eigen vermogen van de kredietinstellingen van de Gemeenschap worden verbeterd.
  • (45) 
    De bepalingen betreffende de solvabiliteitsratio zijn het resultaat van de werkzaamheden van het Raadgevend Comité voor het Bankwezen, op hetwelk de verantwoordelijkheid rust aan de Commissie voorstellen te doen met het oog op de coördinatie van de in de lidstaten geldende coëfficiënten.
  • (46) 
    De vaststelling van een passende solvabiliteitsratio speelt een centrale rol bij het toezicht op kredietinstellingen.
  • (47) 
    Een ratio waarbij activa en posten buiten de balanstelling naar kredietrisicograad worden gewogen, is een bijzonder nuttige solvabilieitsmaatstaf.
  • (48) 
    De totstandbrenging van gemeenschappelijke normen voor het eigen vermogen in verhouding tot activa en posten buiten de balanstelling waarvoor een kredietrisico bestaat, vormt derhalve een wezenlijk onderdeel van de harmonisatie die nodig is om te komen tot wederzijdse erkenning van de toezichtmethoden en bijgevolg tot voltooiing van de interne markt voor het bankwezen.
  • (49) 
    De bepalingen met betrekking tot de solvabiliteitsratio moeten derhalve worden gezien in samenhang met andere specifieke instrumenten tot harmonisatie van de basistechnieken van het toezicht op kredietinstellingen.
  • (50) 
    De kredietinstellingen zullen in een interne markt voor het bankwezen rechtstreeks met elkaar in concurrentie moeten treden en het aannemen van gemeenschappelijke solvabiliteitsnormen in de vorm van een minimumratio zal concurrentievervalsing voorkomen en zal het bankwezen van de Gemeenschap versterken.
  • (51) 
    De onderhavige richtlijn voorziet in verschillende wegingsfactoren voor de door de onderscheiden financiële instellingen verstrekte garanties. De Commissie verbindt zich er derhalve toe te onderzoeken of de onderhavige richtlijn in haar geheel aanzienlijke mededingingsdistorsies tussen kredietinstellingen en verzekeringsondernemingen meebrengt en in het licht van dat onderzoek na te gaan of maatregelen om dit te verhelpen gerechtvaardigd zijn.
  • (52) 
    In bijlage III is bepaald op welke wijze posten buiten de balanstelling bij de berekening van het vereiste eigen vermogen voor kredietinstellingen moeten worden behandeld. De lidstaten zijn teneinde een soepel functioneren van de interne markt en inzonderheid gelijke mededingingsvoorwaarden te garanderen, verplicht ernaar te streven dat hun bevoegde autoriteiten overeenkomsten inzake contractuele verrekening uniform beoordelen. Bijlage III is in overeenstemming met de werkzaamheden van een internationaal forum van banktoezichthouders op het gebied van de erkenning van bilaterale verrekening door toezichthouders, meer bepaald de mogelijkheid om het vereiste eigen vermogen voor bepaalde transacties op basis van een netto- en niet van een brutobedrag te berekenen, op voorwaarde dat er rechtens bindende overeenkomsten bestaan krachtens welke het kredietrisico tot het nettobedrag wordt beperkt. De regels die in breder internationaal verband zijn vastgesteld voor internationaal werkzame kredietinstellingen en groepen kredietinstellingen in vele landen, die met communautaire kredietinstellingen concurreren, zullen leiden tot een meer verfijnde prudentiële behandeling van afgeleide "over the counter" (OTC)-instrumenten. Deze verfijning resulteert in een adequater verplichte dekking met eigen vermogen, waarbij het risicoverlagende effect van door de toezichthouders aanvaarde contractuele verrekening voor het potentiële toekomstige kredietrisico in aanmerking wordt genomen. Clearing van afgeleide OTC-instrumenten door als centrale tegenpartij optredende clearinginstellingen speelt in bepaalde lidstaten een belangrijke rol. Het is aangewezen de baten van die clearing, in de vorm van demping van het kredietrisico en het daarmee verband houdende systeemrisico, bij de prudentiële behandeling van kredietrisico te erkennen. De huidige en potentiële toekomstige risico's die uit geclearde afgeleide OTC-contracten voortvloeien, moeten volledig met onderpand worden gedekt, en het gevaar dat de risicoposities van de clearinginstelling boven de marktwaarde van het gestelde onderpand uitstijgen, moet worden geëlimineerd teneinde aan geclearde afgeleide OTC-instrumenten gedurende een overgangsperiode dezelfde prudentiële behandeling te kunnen toekennen als aan ter beurze verhandelde afgeleide instrumenten. De bevoegde autoriteiten moeten ervan overtuigd zijn dat de vereiste begin- en variatiemarges, alsmede de kwaliteit en de mate van bescherming van het gestelde onderpand, toereikend zijn. Voor kredietinstellingen die hun statutaire zetel in de lidstaten hebben, schept bijlage III een soortgelijke mogelijkheid tot erkenning van bilaterale verrekening door de bevoegde autoriteiten, waardoor zij onder dezelfde voorwaarden kunnen concurreren. De desbetreffende regels zijn evenwichtig en geschikt om de toepassing van maatregelen van bedrijfseconomisch toezicht op kredietinstellingen nog krachtiger te maken. De bevoegde autoriteiten in de lidstaten dienen zich ervan te vergewissen dat de berekening van de opslagen ("add-ons") niet op de in de boeken vermelde, maar op de effectieve theoretische bedragen gebaseerd is.
  • (53) 
    De bij de onderhavige richtlijn vastgestelde minimumratio versterkt het eigen vermogen van de kredietinstellingen in de Gemeenschap. Voor 8 % is gekozen op grond van een statistische enquête naar de begin 1988 geldende vermogenseisen.
  • (54) 
    De fundamentele regels voor het toezicht op de grote risico's van kredietinstellingen dienen te worden geharmoniseerd. De lidstaten dienen over de mogelijkheid te beschikken om stringentere regels vast te stellen dan in deze richtlijn zijn voorgeschreven.
  • (55) 
    Het toezicht op en de beheersing van de risico's van kredietinstellingen vormen een integrerend deel van het bedrijfseconomisch toezicht op deze instellingen. Een overmatige concentratie van risico's bij één cliënt of groep van verbonden cliënten kan tot een onaanvaardbaar verlies leiden. Een dergelijke situatie kan worden geacht nadelig te zijn voor de solvabiliteit van een kredietinstelling.
  • (56) 
    Aangezien op een interne markt in de banksector de kredietinstellingen rechtstreeks met elkaar concurreren, moeten de eisen inzake het toezicht in de gehele Gemeenschap gelijkwaardig zijn. Daartoe moeten de criteria voor het bepalen van de concentratie van risico's het voorwerp vormen op communautair niveau van dwingende rechtsregels en de vaststelling van die criteria mag niet volledig aan de lidstaten worden overgelaten. De vaststelling van gemeenschappelijke regels dient derhalve het best de belangen van de Gemeenschap omdat aldus verschillen in concurrentievoorwaarden worden voorkomen en het bankwezen van de Gemeenschap wordt versterkt.
  • (57) 
    De bepalingen betreffende een solvabiliteitsratio voor kredietinstellingen bevatten een nomenclatuur van de door kredietinstellingen gelopen kredietrisico's. Derhalve dient van deze nomenclatuur gebruik te worden gemaakt ten behoeve van de definitie van de risico's voor de beperking van grote risico's. Er dient echter niet uit principe te worden verwezen naar de wegingsfactoren of naar de risicograden welke bij deze bepalingen zijn vastgesteld. Deze wegingsfactoren en risicograden zijn immers opgezet met het oog op de vaststelling van een algemeen solvabiliteitsvereiste ter dekking van het kredietrisico van kredietinstellingen. In het raam van een regelgeving inzake grote risico's bestaat het oogmerk erin het maximale risico voor verlies van een kredietinstelling op een cliënt of een groep van verbonden cliënten te beperken. Derhalve is een behoedzame benadering aangewezen waarbij als algemene regel de risico's tegen hun nominale waarde moeten worden opgenomen, zonder toepassing van wegingsfactoren of risicograden.
  • (58) 
    Wanneer een kredietinstelling risico's aangaat met betrekking tot haar eigen moederonderneming of andere dochterondernemingen van deze moederonderneming, is bijzondere voorzichtigheid geboden. Het beheer van de door de kredietinstellingen aangegane risico's moet volledig zelfstandig worden gevoerd, met inachtneming van de beginselen van een gezonde bedrijfsvoering in het bankbedrijf, en los van elke overweging die vreemd is aan deze beginselen. De bepalingen van de onderhavige richtlijn bepalen dat ingeval de invloed die wordt uitgeoefend door de personen die rechtstreeks of onrechtstreeks een gekwalificeerde deelneming in een kredietinstelling hebben, een gezonde en voorzichtige bedrijfsvoering van de instelling kan belemmeren, de bevoegde autoriteiten de passende maatregelen treffen om aan deze toestand een einde te maken. Op het gebied van grote risico's dient tevens in specifieke voorschriften te worden voorzien ten aanzien van de door een kredietinstelling aangegane risico's met betrekking tot ondernemingen van de eigen groep, in concreto, strikter beperkende voorschriften voor deze risico's dan voor andere risico's. Deze striktere beperking behoeft echter niet te worden toegepast wanneer de moederonderneming een financiële holding of een kredietinstelling is, en de andere dochterondernemingen kredietinstellingen, financiële instellingen, of ondernemingen die nevenactiviteiten van het bankbedrijf verrichten, mits al deze ondernemingen onder het toezicht op geconsolideerde basis op de kredietinstelling vallen. Het toezicht op geconsolideerde basis op het aldus gevormde geheel maakt in dit geval immers een voldoende doeltreffend toezicht mogelijk, zonder dat noodzakelijk stringentere voorschriften ter beperking van de risico's moeten worden vastgesteld. Tevens zullen op deze wijze de bankgroepen worden aangemoedigd hun structuur zodanig te organiseren dat de uitoefening van het toezicht op geconsolideerde basis mogelijk wordt gemaakt, hetgeen wenselijk is, omdat aldus een vollediger toezicht kan worden ingevoerd.
  • (59) 
    Het toezicht op geconsolideerde basis moet, om doeltreffend te zijn, kunnen worden toegepast op alle bankgroepen, met inbegrip van die waarvan de moederonderneming geen kredietinstelling is. De bevoegde autoriteiten moeten de nodige juridische instrumenten krijgen om een dergelijk toezicht te kunnen uitoefenen.
  • (60) 
    Voor groepen met diverse activiteiten waarvan de moederonderneming de zeggenschap heeft over ten minste één dochteronderneming die een kredietinstelling is, moeten de bevoegde autoriteiten in staat zijn de financiële situatie van de kredietinstelling in het groepsverband te beoordelen. De lidstaten mogen, tot een latere coördinatie, de nodige consolidatiemethoden voorschrijven met het oog op verwezenlijking van de doelstelling van de onderhavige richtlijn. De bevoegde autoriteiten moeten ten minste beschikken over middelen om van alle ondernemingen van de groep de gegevens te verkrijgen die nodig zijn om hun taak te kunnen uitoefenen. Voor groepen van ondernemingen die uiteenlopende financiële activiteiten uitoefenen, moet tussen de voor het toezicht op de verschillende financiële sectoren verantwoordelijke autoriteiten een vorm van samenwerking worden ingesteld.
  • (61) 
    De lidstaten kunnen tevens een bankvergunning weigeren of intrekken in het geval van bepaalde groepsstructuren die zij voor het uitoefenen van bankactiviteiten ongeschikt achten, met name omdat op deze activiteiten onvoldoende toezicht kan worden uitgeoefend. De bevoegde autoriteiten beschikken ten dezen over de in artikel 7, lid 1, eerste alinea, en lid 2, in artikel 14, lid 1, onder c), en in artikel 16 vermelde bevoegdheden om een gezonde en prudente bedrijfsvoering van de kredietinstellingen te waarborgen.
  • (62) 
    De lidstaten kunnen ook, met gebruikmaking van daartoe geëigende technieken, voorzien in het toezicht op groepen met een structuur die niet onder deze richtlijn valt. Indien dergelijke structuren algemener ingang zouden vinden, zal deze richtlijn moeten worden aangevuld teneinde ook die structuren te bestrijken.
  • (63) 
    Het toezicht op geconsolideerde basis dient alle activiteiten te omvatten die in bijlage I omschreven zijn. Derhalve moeten alle ondernemingen die in hoofdzaak deze activiteiten uitoefenen onder toezicht op geconsolideerde basis vallen. Derhalve omvat de definitie van "kredietinstelling" ook deze activiteiten.
  • (64) 
    Bij Richtlijn 86/635/EEG in samenhang met Richtlijn 83/349/EEG zijn de consolidatieregels vastgelegd ten aanzien van door kredietinstellingen gepubliceerde geconsolideerde jaarrekeningen. Het is thans mogelijk nader aan te geven welke methoden dienen te worden gehanteerd in het kader van het bedrijfseconomisch toezicht dat op een geconsolideerde basis wordt uitgeoefend.
  • (65) 
    Het toezicht op de kredietinstellingen op geconsolideerde basis moet met name ten doel hebben de belangen van de inleggers van die instellingen te beschermen en de stabiliteit van het financiële stelsel te waarborgen.
  • (66) 
    Het onderzoek van de problemen die zich voordoen op de gebieden die door de onderhavige richtlijn en door andere, eveneens de werkzaamheden van kredietinstellingen betreffende richtlijnen worden bestreken, in het bijzonder met het oog op een nadere coördinatie, vereist de samenwerking van de bevoegde autoriteiten en van de Commissie in een raadgevend comité. De instelling van dit Raadgevend Comité voor het bankwezen van de bevoegde autoriteiten van de lidstaten laat andere vormen van samenwerking tussen toezichthoudende autoriteiten op het gebied van de toegang tot en de controle op kredietinstellingen onverlet, met name de samenwerking die tot stand is gebracht in de door de autoriteiten voor controle op de banken opgericht contactgroep.
  • (67) 
    Van tijd tot tijd kunnen technische wijzigingen van de gedetailleerde bepalingen van deze richtlijn noodzakelijk zijn om op nieuwe ontwikkelingen in de banksector te kunnen reageren. De Commissie zal de nodige wijzigingen aanbrengen, na raadpleging van het Raadgevend Comité voor het bankwezen, binnen de grenzen van de door het Verdrag aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden. De voor de uitvoering van deze richtlijn vereiste maatregelen dienen te worden vastgesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden(12).
  • (68) 
    Op grond van artikel 36, lid 1, van de onderhavige richtlijn mogen kredietinstellingen met de rechtsvorm van een coöperatieve vereniging of die georganiseerd zijn als fonds de hoofdelijke verplichtingen van leningnemers behandelen als bestanddelen van het eigen vermogen als bedoeld in artikel 34, lid 2, punt 7. De Deense regering hecht er sterk aan dat de enkele Deense instellingen voor hypothecair krediet die de rechtsvorm van coöperatieve verenigingen hebben of georganiseerd zijn als fonds, in naamloze vennootschappen worden omgezet. Teneinde de omzetting te vergemakkelijken of mogelijk te maken, is een tijdelijke ontheffing vereist waarbij het deze instellingen wordt toegestaan een gedeelte van hun hoofdelijke verplichtingen tot het eigen vermogen te rekenen. Deze tijdelijke ontheffing zal de mededinging tussen kredietinstellingen niet nadelig beïnvloeden.
  • (69) 
    Toepassing van de wegingsfactor 20 % op het bezit aan hypothecaire obligaties van een kredietinstelling kan moeilijkheden veroorzaken op een nationale financiële markt waar dergelijke financiële instrumenten een overheersende rol spelen. In dit geval worden voorlopige maatregelen genomen om een risicowegingsfactor van 10 % toe te passen. De effectiseringsmarkt neemt een hoge vlucht. Het is derhalve wenselijk dat de Commissie met de lidstaten de prudentiële behandeling van door activa gedekte waardepapieren bestudeert en uiterlijk op 22 juni 1999 voorstellen indient die strekken tot aanpassing van de bestaande wetgeving, zodat een geschikte prudentiële behandeling kan worden vastgesteld voor door activa gedekte waardepapieren. De bevoegde autoriteiten mogen tot en met 31 december 2006 een wegingsfactor van 50 % toepassen op activa die gedekt zijn door hypotheken op kantoorgebouwen en panden voor diverse handelsdoeleinden. De onroerende goederen waarop de hypotheek rust, moeten aan strikte waarderingscriteria en aan geregelde taxatie worden onderworpen, teneinde rekening te houden met de ontwikkelingen op de commerciële vastgoedmarkt. Deze goederen moeten worden gebruikt of verhuurd door de eigenaar. Leningen voor vastgoedprojecten zijn van deze wegingsfactor van 50 % uitgesloten.
  • (70) 
    De lidstaten dienen, met het oog op een harmonieuze toepassing van de bepalingen ten aanzien van grote risico's, de mogelijkheid te hebben een toepassing in twee fasen van de nieuwe grenswaarden toe te staan. Voor de kleinste kredietinstellingen kan immers een langere overgangsperiode gerechtvaardigd zijn in die zin dat een snellere toepassing van de norm van 25 % hun kredietverleningsactiviteit te plotseling zou kunnen verminderen.
  • (71) 
    Voorts wordt verder gewerkt aan de harmonisatie van de voorwaarden voor de sanering en de liquidatie van kredietinstellingen.
  • (72) 
    Eveneens moet de harmonisatie van de nodige instrumenten voor het toezicht op liquiditeitsrisico's ter hand worden genomen.
  • (73) 
    Deze richtlijn mag geen afbrenk doen aan de verplichtingen van de lidstaten wat de in bijlage V, deel B, vermelde termijnen voor omzetting van de richtlijnen in nationaal recht betreft,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

INHOUDSOPGAVE

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

TITEL I

DEFINITIES EN TOEPASSINGSGEBIED

Artikel 1

Definities

In de zin van deze richtlijn wordt verstaan onder:

  • 1. 
    "kredietinstelling": een onderneming waarvan de werkzaamheden bestaan in het van het publiek in ontvangst nemen van deposito's of van andere terugbetaalbare gelden en het verlenen van kredieten voor eigen rekening.

Voor de toepassing van het toezicht op geconsolideerde basis worden als kredietinstelling beschouwd: een kredietinstelling in de zin van de eerste alinea, en iedere particuliere of openbare onderneming die aan de definitie van de eerste alinea beantwoordt en waaraan in een derde land vergunning is verleend.

Voor de toepassing van het toezicht op en de controle van grote risico's worden als kredietinstelling beschouwd: een kredietinstelling in de zin van de eerste alinea, met inbegrip van de bijkantoren in derde landen van een dergelijke kredietinstelling alsmede iedere particuliere of openbare onderneming, met inbegrip van haar bijkantoren, die aan de definitie van de eerst alinea beantwoordt, en waaraan in een derde land vergunning is verleend;

  • 2. 
    "vergunning": een door de overheid afgegeven akte, ongeacht haar vorm, waaruit de bevoegdheid voortvloeit om de werkzaamheden van een kredietinstelling uit te oefenen;
  • 3. 
    "bijkantoor": een bedrijfszetel welke een deel zonder juridische zelfstandigheid vormt van een kredietinstelling en welke rechtstreeks, geheel of gedeeltelijk de handelingen verricht die eigen zijn aan de werkzaamheden van een kredietinstelling; verscheidene bedrijfszetels in eenzelfde lidstaat van een kredietinstelling met hoofdkantoor in een andere lidstaat worden beschouwd als één enkel bijkantoor;
  • 4. 
    "bevoegde autoriteiten": de nationale autoriteiten die op grond van wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen bevoegd zijn om toezicht op kredietinstellingen uit te oefenen;
  • 5. 
    "financiële instelling": een onderneming die geen kredietinstelling is en waarvan de hoofdwerkzaamheid bestaat in het verwerven van deelnemingen of in het uitoefenen van een of meer van de onder de punten 2 tot en met 12 van de lijst in bijlage I opgenomen werkzaamheden;
  • 6. 
    "lidstaat van herkomst": de lidstaat waarin aan een kredietinstelling de vergunning werd verleend, overeenkomstig de artikelen 4 tot en met 11;
  • 7. 
    "lidstaat van ontvangst": de lidstaat waarin een kredietinstelling een bijkantoor heeft of diensten verricht;
  • 8. 
    "zeggenschap": het verband dat bestaat tussen een moederonderneming en een dochteronderneming zoals bepaald in artikel 1 van Richtlijn 83/349/EEG of een verband van dezelfde aard tussen een natuurlijke of rechtspersoon en een onderneming;
  • 9. 
    "deelneming" voor de toepassing van het toezicht op geconsolideerde basis: de rechtstreekse of onrechtstreekse eigendom van 20 % of meer van de stemrechten of van het kapitaal van een onderneming;
  • 10. 
    "gekwalificeerde deelneming": het in een onderneming, rechtstreeks of onrechtstreeks, bezitten van ten minste 10 % van het kapitaal of van de stemrechten, dan wel een deelneming die de mogelijkheid inhoudt een invloed van betekenis uit te oefenen op de bedrijfsvoering van de onderneming waarin wordt deelgenomen;
  • 11. 
    "aanvangskapitaal": het kapitaal in de zin van artikel 34, lid 2, punten 1 en 2;
  • 12. 
    "moederonderneming": een moederonderneming in de zin van de artikelen 1 en 2 van Richtlijn 83/349/EEG.

Voor de toepassing van het toezicht op geconsolideerde basis en de controle van grote risico's worden als moederonderneming beschouwd: een moederonderneming in de zin van artikel 1, lid 1, van Richtlijn 83/349/EEG, alsmede iedere onderneming die naar de mening van de bevoegde autoriteiten feitelijk een overheersende invloed op een andere onderneming uitoefent;

  • 13. 
    "dochteronderneming": een dochteronderneming in de zin van de artikelen 1 en 2 van Richtlijn 83/349/EEG.

Voor de toepassing van het toezicht op geconsolideerde basis en de controle van grote risico's worden als dochteronderneming beschouwd: een dochteronderneming in de zin van artikel 1, lid 1, van Richtlijn 83/349/EEG, alsmede iedere onderneming waarop een moederonderneming naar de mening van de bevoegde autoriteiten feitelijk een overheersende invloed uitoefent.

Elke dochteronderneming van een dochteronderneming wordt ook beschouwd als een dochter van de moederonderneming die aan het hoofd van deze ondernemingen staat;

  • 14. 
    "zone A": de lidstaten en alle overige landen die volwaardig lid van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) zijn en de landen die bijzondere leningsarrangementen met het Internationaal Monetair Fonds (IMF) hebben gesloten in samenhang met de algemene leningsarrangementen (GAB) van het IMF. Elk land dat zijn buitenlandse overheidsschuld herschikt, wordt echter voor een periode van vijf jaar van zone A uitgesloten;
  • 15. 
    "zone B": alle andere landen dan die van zone A;
  • 16. 
    "kredietinstellingen van zone A": alle kredietinstellingen die in de lidstaten overeenkomstig artikel 4 een vergunning hebben verkregen, inclusief hun bijkantoren in derde landen, en alle onder de definitie van punt 1, eerste alinea, vallende particuliere en openbare ondernemingen waaraan een vergunning is verleend in andere landen van zone A, inclusief hun bijkantoren;
  • 17. 
    "kredietinstellingen van zone B": alle particuliere en openbare ondernemingen die een vergunning hebben verkregen buiten zone A en die voldoen aan de definitie van punt 1, eerste alinea, inclusief hun bijkantoren in de Gemeenschap;
  • 18. 
    "niet-bancaire sector": alle andere leningnemers dan kredietinstellingen zoals deze zijn gedefinieerd in de punten 16 en 17, centrale banken, centrale, regionale en lokale overheden, de Europese Gemeenschappen, de Europese Investeringsbank en multilaterale ontwikkelingsbanken zoals gedefinieerd in punt 19;
  • 19. 
    "multilaterale ontwikkelingsbanken": de Internationale Bank voor Herstel en Ontwikkeling (Wereldbank), de Internationale Financieringsmaatschappij, de Inter-Amerikaanse Ontwikkelingsbank, de Aziatische Ontwikkelingsbank, de Afrikaanse Ontwikkelingsbank, het Vestigingsfonds van de Raad van Europa, de "Nordic Investment Bank", de Caraïbische Ontwikkelingsbank, de Europese Bank voor Herstel en Ontwikkeling, het Europees Investeringsfonds en de Inter-Amerikaanse Investeringsmaatschappij;
  • 20. 
    "posten buiten de balanstelling met een 'volledig risico', 'middelgroot risico', 'middelgroot/laag risico' en 'laag risico'": de posten omschreven in artikel 43, lid 2, en genoemd in bijlage II;
  • 21. 
    "financiële holding": een financiële instelling waarvan de dochterondernemingen uitsluitend of hoofdzakelijk kredietinstellingen of financiële instellingen zijn, en waarvan ten minste één dochteronderneming een kredietinstelling is;
  • 22. 
    "gemengde holding": een moederonderneming die noch een financiële holding, noch een kredietinstelling is en die onder haar dochterondernemingen ten minste één kredietinstelling telt;
  • 23. 
    "onderneming die nevendiensten van het bankbedrijf verricht": een onderneming waarvan de hoofdactiviteit bestaat in het bezit en het beheer van onroerend goed, het beheer van gegevensverwerkingsdiensten of een andere soortgelijke activiteit welke ten opzichte van de hoofdactiviteit van een of meer kredietinstellingen het karakter van een ondersteunende activiteit heeft;
  • 24. 
    "risico's", voor de toepassing van de artikelen 48, 49 en 50: de activa en posten buiten de balanstelling, als bedoeld in artikel 43 en in de bijlagen II en IV, zonder toepassing van de in deze bepalingen vastgestelde wegingsfactoren of risicograden; de risico's met betrekking tot de in bijlage IV genoemde posten worden berekend volgens een van de in bijlage III beschreven methoden, zonder toepassing van de wegingsfactoren die gelden voor het risico op de tegenpartij; van de definitie van de risico's kunnen met goedkeuring van de bevoegde autoriteiten worden uitgesloten alle bestanddelen die voor 100 % door eigen vermogen zijn gedekt voorzover met dit deel van het eigen vermogen geen rekening wordt gehouden bij de berekening van de solvabiliteitsratio en van de andere ratio's voor toezichtsdoeleinden die bij de onderhavige richtlijn en bij andere communautaire besluiten worden vastgesteld; onder risico's vallen niet:
  • in het geval van valutatransacties, de risico's die zich tijdens de normale afwikkeling voordoen in de periode van 48 uur nadat betaling heeft plaatsgevonden, of
  • in het geval van transacties betreffende de verkoop of aankoop van effecten, de risico's die zich tijdens de normale afwikkeling voordoen in de periode van vijf werkdagen nadat betaling heeft plaatsgevonden of nadat de effecten geleverd zijn indien deze levering eerder plaatsvindt;
  • 25. 
    "groep van verbonden cliënten": - betzij twee of meer natuurlijke of rechtspersonen die, behoudens bewijs van het tegendeel, uit een oogpunt van risico een geheel vormen omdat een van hen rechtstreeks of onrechtstreeks zeggenschap heeft over de andere persoon of personen;
  • hetzij twee of meer natuurlijke of rechtspersonen tussen wie geen zeggenschapsrelatie als bedoeld in het eerste streepje bestaat, maar die uit een oogpunt van risico als een geheel moeten worden beschouwd omdat zij zodanig onderling verbonden zijn dat, indien een van hen financiële problemen zou ondervinden, de andere of alle anderen waarschijnlijk in betalingsmoeilijkheden zouden komen;
  • 26. 
    "nauwe banden": een situatie waarbij twee of meer natuurlijke of rechtspersonen zijn verbonden door:
  • a) 
    een deelneming, dat wil zeggen het rechtstreeks of door middel van een zeggenschapsband houden van ten minste 20 % van de stemrechten of het kapitaal van een onderneming, of
  • b) 
    een zeggenschapsband, dat wil zeggen de band die bestaat tussen een moederonderneming en een dochteronderneming, in alle gevallen zoals bedoeld in artikel 1, leden 1 en 2, van Richtlijn 83/349/EEG, of een band van dezelfde aard tussen een natuurlijke of rechtspersoon en een onderneming; elke dochteronderneming van een dochteronderneming wordt ook beschouwd als een dochteronderneming van de moederonderneming die aan het hoofd van deze ondernemingen staat.

Als een nauwe band tussen twee of meer natuurlijke of rechtspersonen wordt tevens beschouwd een situatie waarin deze personen via een zeggenschapsband duurzaam verbonden zijn met eenzelfde persoon;

  • 27. 
    "erkende beurzen": beurzen die door de bevoegde autoriteiten zijn erkend en die:
  • i) 
    regelmatig werken;
  • ii) 
    onderworpen zijn aan door de bevoegde autoriteiten van het land van herkomst van de beurs opgestelde of goedgekeurde bepalingen waarin de voorwaarden voor de werking van en de toegang tot de beurs zijn vastgelegd, alsmede de voorwaarden waaraan contracten moeten voldoen om daadwerkelijk op de beurs verhandeld te kunnen worden;
  • iii) 
    beschikken over een clearingregeling die met betrekking tot de in bijlage IV vermelde contracten voorschrijft dat zij onderworpen zijn aan dagelijkse margeverplichtingen die naar het oordeel van de bevoegde autoriteiten een adequate bescherming bieden.

Artikel 2

Toepassingsgebied

  • 1. 
    Deze richtlijn heeft betrekking op de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen. Zij is van toepassing op alle kredietinstellingen.
  • 2. 
    De artikelen 25 en 52 tot en met 56 zijn ook van toepassing op financiële en op gemengde holdings die hun zetel in de Gemeenschap hebben.

Met uitzondering van de centrale banken van de lidstaten worden de instellingen die bij lid 3 permanent zijn uitgesloten, voor de toepassing van de artikelen 25 en 52 tot en met 56 als financiële instellingen behandeld.

  • 3. 
    Deze richtlijn heeft geen betrekking op de werkzaamheden van:
  • de centrale banken der lidstaten;
  • de postcheque- en girodiensten;
  • in België, het "Herdiscontering- en Waarborginstituut/Institut de Réescompte et de Garantie";
  • in Denemarken, het "Dansk Eksportfinansieringsfond" en het "Danmarks Skibskreditfond" en het "Dansk Landbrugs Realkreditfond";
  • in Duitsland, de "Kreditanstalt für Wiederaufbau", instellingen die op grond van de "Wohnungsgemeinnützigkeitsgesetz" erkend zijn als organen ter uitvoering van het woningbouwbeleid van de centrale overheid en niet overwegend banktransacties verrichten, alsmede instellingen die op grond van deze wet erkend zijn als woningbouwverenigingen van algemeen nut;
  • in Griekenland, de "Ελληνική Τράπεζα Βιομηχανικής Αναπτύξεως," (Elliniki Trapeza Viomichanikis Anaptyxeos), de "Ταμείο Παρακαταθηκών και Δανείων" (Tamio Parakatathikon kai Danion) en de "Ταχυδρομικό Ταμιευτήριο" (Tachidromiko Tamieftirio);
  • in Spanje, het "Instituto de Crédito Oficial";
  • in Frankrijk, de "Caisse des dépôts et consignations";
  • in Ierland, de "credit unions" en de "friendly societies";
  • in Italië, de "Cassa Depositi e Prestiti";
  • in Nederland, de "Nederlandse Investeringsbank voor Ontwikkelingslanden NV", de "NV Noordelijke Ontwikkelingsmaatschappij", de "NV Industriebank Limburgs Instituut voor Ontwikkeling en Financiering" en de "Overijsselse Ontwikkelingsmaatschappij NV";
  • in Oostenrijk, ondernemingen die zijn erkend als bouwvereniging van algemeen nut en de "Österreichische Kontrollbank AG";
  • in Portugal, de op 1 januari 1986 bestaande "Caixas Económicas" met uitzondering van die gedeelten die naamloze vennootschap zijn en de "Caixa Económica Montepio Geral";
  • in Finland, "Teollisen yhteistyön rahasto Oy/Fonden för industriellt samarbete Ab" en "Kera Oy/Kera Ab";
  • in Zweden, de "Svenska Skeppshypotekskassan";
  • in het Verenigd Koninkrijk, de "National Savings Bank", de "Commonwealth Development Finance Company Ltd", de "Agricultural Mortgage Corporation Ltd", de "Scottish Agricultural Securities Corporation Ltd", de "Crown Agents for overseas governments and administrations", de "credit unions" en de "municipal banks".
  • 4. 
    Op voorstel van de Commissie, die hiertoe het in artikel 57 bedoelde comité, hierna "Raadgevend Comité voor het bankwezen" te noemen, raadpleegt, besluit de Raad over elke eventuele wijziging van de in lid 3 vermelde lijst.
  • 5. 
    De op 15 december 1997 in eenzelfde lidstaat bestaande kredietinstellingen die op dat tijdstip blijvend waren aangesloten bij een in diezelfde lidstaat gevestigd centraal orgaan dat op die kredietinstellingen toezicht uitoefent, kunnen van de vereisten in artikel 6, lid 1, en in de artikelen 8 en 59 worden vrijgesteld, mits uiterlijk op 15 december 1979 de nationale wetgeving erin heeft voorzien dat:
  • de verplichtingen van het centrale orgaan en die van de aangesloten instellingen solidaire verplichtingen zijn, of dat de verplichtingen van de aangesloten instellingen volledig door het centrale orgaan worden gewaarborgd;
  • op de solvabiliteit en de liquiditeit van het centrale orgaan en van alle aangesloten instellingen op basis van geconsolideerde rekeningen globaal toezicht wordt gehouden;
  • de leiding van het centrale orgaan bevoegd is instructies te geven aan de leiding van de aangesloten instellingen.

Bij een centraal orgaan als bedoeld in de eerste alinea na 15 december 1977 aangesloten kredietinstellingen met een plaatselijk werkterrein kunnen onder de in de eerste alinea gestelde voorwaarden vallen als zij een normale uitbreiding vormen van het net dat onder dit centrale orgaan ressorteert.

Voorzover het gaat om andere kredietinstellingen dan die welke worden opgericht in nieuw ingepolderde gebieden, respectievelijk zijn voortgekomen uit fusie of afsplitsing van bestaande, onder het centrale orgaan ressorterende instellingen, kan de Raad, op voorstel van de Commissie, die hiertoe het Raadgevend Comité voor het bankwezen raadpleegt, aanvullende regels vaststellen voor de toepassing van het bepaalde in de tweede alinea, zulks met inbegrip van de opheffing van de in de eerste alinea bedoelde vrijstellingen, wanneer hij oordeelt dat aansluiting van nieuwe instellingen volgens de in de tweede alinea vermelde regeling de concurrentie negatief kan beïnvloeden. De Raad beslist met gekwalificeerde meerderheid van stemmen.

  • 6. 
    Kredietinstellingen als gedefinieerd in lid 5, eerste alinea, die in eenzelfde lidstaat zijn aangesloten bij een in die lidstaat gevestigd centraal orgaan kunnen eveneens van toepassing van artikel 5 en van de artikelen 40 tot en met 51 en 65 worden vrijgesteld, mits, onverminderd de toepassing van deze richtlijn op het centraal orgaan, het geheel dat door het centraal orgaan en de aangesloten instellingen wordt gevormd, op geconsolideerde basis aan genoemde voorschriften is onderworpen.

In geval van vrijstelling zijn op het geheel dat door het centraal orgaan en de aangesloten instellingen wordt gevormd, de artikelen 13, 18 en 19, artikel 20, leden 1 tot en met 6, en de artikelen 21 en 22 van toepassing.

Artikel 3

Verbod op de uit ontvangst van deposito's of van andere terugbetaalbare gelden van het publiek bestaande werkzaamheden van ondernemingen die geen kredietinstelling zijn

De lidstaten verbieden personen of ondernemingen die geen kredietinstelling zijn, bedrijfsmatig van het publiek deposito's of andere terugbetaalbare gelden in ontvangst te nemen. Dit verbod geldt niet voor het in ontvangst nemen van deposito's of van andere terugbetaalbare gelden door een lidstaat, door de regionale of lokale overheden van een lidstaat of door internationale openbare instellingen waarvan een of meer lidstaten lid zijn en voor de uitdrukkelijk in de nationale of communautaire wetgeving bedoelde gevallen, mits deze werkzaamheden onderworpen zijn aan reglementering en controle ter bescherming van inleggers en beleggers die op deze gevallen van toepassing zijn.

TITEL II

VOORWAARDEN VOOR DE TOEGANG TOT EN DE UITOEFENING VAN DE WERKZAAMHEDEN VAN KREDIETINSTELLINGEN

Artikel 4

Vergunning

De lidstaten schrijven voor dat de onder deze richtlijn vallende kredietinstellingen een vergunning moeten hebben verkregen alvorens hun werkzaamheden aan te vangen. Zij stellen daarvoor de voorwaarden vast, onverminderd de artikelen 5 tot en met 9 en brengen deze ter kennis van de Commissie en van het Raadgevend Comité voor het bankwezen.

Artikel 5

Beginkapitaal

  • 1. 
    Onverminderd andere bij de nationale regelingen vastgestelde algemene voorwaarden verlenen de bevoegde autoriteiten geen vergunning wanneer de kredietinstelling geen afgescheiden eigen vermogen heeft of wanneer het aanvangskapitaal minder bedraagt dan 5 miljoen EUR.

De lidstaten mogen voortzetting toestaan van de werkzamheden van kredietinstellingen die niet voldoen aan de voorwaarde betreffende het afgescheiden eigen vermogen, en die op 15 december 1979 bestonden. Zij mogen deze ondernemingen vrijstellen van de in artikel 6, lid 1, eerste alinea, bedoelde voorwaarde.

  • 2. 
    Het staat de lidstaten evenwel vrij om de vergunning in uitzonderlijke gevallen toch te verlenen aan bijzondere categorieën kredietinstellingen met een aanvangskapitaal dat minder bedraagt dan wat in lid 1 is voorgeschreven. In dat geval:
  • a) 
    mag het aanvangskapitaal niet geringer zijn dan 1 miljoen EUR;
  • b) 
    stellen de betrokken lidstaten de Commissie in kennis van de redenen waarom zij van de in dit lid geboden mogelijkheid gebruikmaken;
  • c) 
    wordt bij de bekendmaking van de lijst bedoeld in artikel 11 in een aantekening bij de naam van de kredietinstelling aangegeven dat zij niet het in lid 1 bepaalde minimumaanvangskapitaal bereikt.
  • 3. 
    Het eigen vermogen van een kredietinstelling mag niet kleiner worden dan het bij het verlenen van de vergunning krachtens de leden 1 en 2 vereiste aanvangskapitaal.
  • 4. 
    De lidstaten kunnen besluiten dat de kredietinstellingen die op 1 januari 1993 bestonden en waarvan het eigen vermogen de in de leden 1 en 2 vastgestelde niveaus voor het aanvangskapitaal niet bereikte, hun werkzaamheden mogen blijven uitoefenen. In dat geval mag het eigen vermogen niet kleiner worden dan het hoogste bedrag dat het sinds 22 december 1989 had bereikt.
  • 5. 
    Indien de zeggenschap over een kredietinstelling die tot de in lid 4 bedoelde categorie behoort, wordt overgenomen door een andere natuurlijke of rechtspersoon dan die welke voordien de zeggenschap over deze instelling uitoefende, dient het eigen vermogen van deze instelling ten minste gelijk te zijn aan het in de leden 1 en 2 vastgestelde niveau voor het aanvangskapitaal.
  • 6. 
    In welbepaalde omstandigheden en met instemming van de bevoegde autoriteiten mag bij fusie tussen twee of meer tot de in lid 4 bedoelde categorie behorende kredietinstellingen het eigen vermogen van de instelling die het resultaat van de fusie is, niet minder bedragen dan het totaal van de eigen vermogens van de gefuseerde instellingen op de datum van de fusie, zolang de passende niveaus op grond van de leden 1 en 2 niet zijn bereikt.
  • 7. 
    Indien het eigen vermogen in de in de leden 3, 4 en 6 bedoelde gevallen vermindert, kunnen de bevoegde autoriteiten, indien de omstandigheden zulks rechtvaardigen, de instelling een beperkte termijn toestaan om aan dit voorschrift te voldoen dan wel haar werkzaamheden te beëindigen.

Artikel 6

Voor de leiding verantwoordelijke personen en lokalisatie van het hoofdbestuur van kredietinstellingen

  • 1. 
    De bevoegde autoriteiten verlenen de vergunning aan de kredietinstelling slechts wanneer ten minste twee personen daadwerkelijk het beleid van de kredietinstelling bepalen.

Voorts verlenen de autoriteiten de vergunning niet wanneer deze personen niet de noodzakelijke betrouwbaarheid of de vereiste ervaring bezitten om deze functies uit te oefenen.

  • 2. 
    De lidstaten eisen:
  • dat het hoofdbestuur van kredietinstellingen die rechtspersonen zijn en overeenkomstig hun nationale wetgeving een statutaire zetel hebben, zich bevindt in de lidstaat waar de statutaire zetel is gevestigd,
  • dat het hoofdbestuur van andere kredietinstellingen zich bevindt in de lidstaat waar de vergunning is afgegeven en waar zij feitelijk werkzaam zijn.

Artikel 7

Aandeelhouders en vennoten

  • 1. 
    De bevoegde autoriteiten verlenen geen vergunning tot het uitoefenen van de werkzaamheden van een kredietinstelling voordat zij in kennis zijn gesteld van de identiteit van de directe of indirecte aandeelhouders of vennoten, natuurlijke of rechtspersonen, die daarin een gekwalificeerde deelneming bezitten, alsmede van het bedrag van die deelneming.

Voor de toepassing in het onderhavige artikel van het begrip "gekwalificeerde deelneming" worden de stemrechten, vermeld in artikel 7 van Richtlijn 88/627/EEG van de Raad(13), in aanmerking genomen.

  • 2. 
    De bevoegde autoriteiten verlenen geen vergunning indien zij, gelet op de noodzaak een gezonde en prudente bedrijfsvoering van de kredietinstelling te garanderen, niet overtuigd zijn van de geschiktheid van de genoemde aandeelhouders of vennoten.
  • 3. 
    Wanneer er nauwe banden bestaan tussen de kredietinstelling en andere natuurlijke of rechtspersonen, verlenen de bevoegde autoriteiten de vergunning slechts indien deze banden de juiste uitoefening van hun toezichthoudende taken niet belemmeren.

De bevoegde autoriteiten weigeren ook de vergunning indien de wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen van een derde land die van toepassing zijn op één of meer natuurlijke of rechtspersonen met wie de kredietinstelling nauwe banden heeft, of moeilijkheden in verband met de toepassing van die bepalingen, een belemmering vormen voor de juiste uitoefening van hun toezichthoudende taken.

De bevoegde autoriteiten verlangen van kredietinstellingen dat zij hen de informatie verstrekken die zij nodig hebben om zich ervan te vergewissen dat doorlopend aan de in dit lid gestelde voorwaarden wordt voldaan.

Artikel 8

Programma van werkzaamheden en organisatiestructuur

De lidstaten bepalen dat de vergunningaanvraag vergezeld moet gaan van een programma van werkzaamheden waarin met name de aard van de beoogde verrichtingen alsmede de organisatiestructuur van de instelling moeten worden vermeld.

Artikel 9

Economische behoefte

De lidstaten kunnen niet bepalen dat de vergunningaanvraag wordt onderzocht aan de hand van de economische behoeften van de markt.

Artikel 10

Weigering van de vergunning

Iedere weigering een vergunning af te geven, wordt met redenen omkleed aan de aanvrager medegedeeld binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag, of, indien de aanvraag onvolledig is, binnen zes maanden na de toezending door de aanvrager van de voor de beslissing nodige gegevens. In elk geval wordt binnen twaalf maanden na de aanvraag een beslissing genomen.

Artikel 11

Kennisgeving van de vergunning aan de Commissie

Elke toekenning van een vergunning wordt ter kennis van de Commissie gebracht. Alle kredietinstellingen worden vermeld op een lijst die door de Commissie in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen wordt bekendgemaakt en door haar wordt bijgehouden.

Artikel 12

Voorafgaande raadpleging van de bevoegde autoriteiten van de andere lidstaten

De bevoegde autoriteiten van de andere lidstaat moeten vooraf worden geraadpleegd bij het verlenen van een vergunning aan een kredietinstelling die:

  • ofwel een dochteronderneming is van een kredietinstelling waaraan in een andere lidstaat vergunning is verleend;
  • ofwel een dochteronderneming is van de moederonderneming van een kredietinstelling waaraan in een andere lidstaat vergunning is verleend;
  • ofwel onder de zeggenschap staat van dezelfde natuurlijke of rechtspersonen die de zeggenschap hebben over een kredietinstelling waaraan in een andere lidstaat vergunning is verleend.

Artikel 13

Bijkantoren van kredietinstellingen waaraan in een andere lidstaat vergunning is verleend

De lidstaten van ontvangst mogen noch een vergunning noch dotatiekapitaal eisen voor bijkantoren van kredietinstellingen waaraan in andere lidstaten vergunning is verleend. Voor de vestiging van en het toezicht op deze bijkantoren gelden de voorschriften van artikel 17, artikel 20, leden 1 tot en met 6, en van de artikelen 22 en 26.

Artikel 14

Intrekking van de vergunning

  • 1. 
    De bevoegde autoriteiten kunnen de vergunning die is verleend aan een kredietinstelling alleen dan intrekken wanneer de instelling:
  • a) 
    binnen een termijn van twaalf maanden geen gebruikmaakt van de vergunning, uitdrukkelijk te kennen heeft gegeven geen gebruik van de vergunning te zullen maken of de werkzaamheden gedurende een periode van meer dan zes maanden heeft gestaakt, tenzij de betrokken lidstaat heeft bepaald dat in die gevallen de vergunning vervalt;
  • b) 
    de vergunning heeft verworven door middel van valse verklaringen of op enige andere onregelmatige wijze;
  • c) 
    niet meer voldoet aan de voorwaarden waarop de vergunning is verleend;
  • d) 
    geen voldoende eigen vermogen meer bezit of geen garantie meer biedt voor de nakoming van de verplichtingen tegenover schuldeisers en in het bijzonder niet meer de veiligheid van de toevertrouwde gelden waarborgt;
  • e) 
    of wanneer een van de overige gevallen van intrekking waarin de nationale voorschriften voorzien, zich voordoet.
  • 2. 
    Iedere intrekking van een vergunning moet, met redenen omkleed, worden medegedeeld aan de belanghebbenden; de intrekking wordt ter kennis van de Commissie gebracht.

Artikel 15

Benaming

De kredietinstellingen mogen voor de uitoefening van hun werkzaamheden op het grondgebied van de Gemeenschap dezelfde benaming gebruiken als in de lidstaat van hun hoofdkantoor, niettegenstaande de voorschriften betreffende het gebruik van de woorden "bank", "spaarbank" of andere soortgelijke benamingen die in de lidstaat van ontvangst kunnen bestaan. Ingeval gevaar voor verwarring bestaat, kunnen de lidstaten van ontvangst ter verduidelijking eisen dat er aan de benaming een verklarende vermelding wordt toegevoegd.

Artikel 16

Gekwalificeerde deelneming in een kredietinstelling

  • 1. 
    De lidstaten bepalen dat iedere natuurlijke of rechtspersoon die het voornemen heeft om rechtstreeks of onrechtstreeks een gekwalificeerde deelneming in een kredietinstelling aan te houden, de bevoegde autoriteiten daarvan vooraf in kennis moet stellen onder vermelding van het bedrag van die deelneming. Tot kennisgeving aan de bevoegde autoriteiten is eveneens gehouden iedere natuurlijke of rechtspersoon die het voornemen heeft de omvang van zijn gekwalificeerde deelneming zodanig te vergroten dat het percentage van de door hem gehouden stemrechten of aandelen 20 %, 33 % of 50 % bereikt of overschrijdt of dat de kredietinstelling zijn dochteronderneming wordt.

Onverminderd het bepaalde in lid 2 beschikken de bevoegde autoriteiten over een termijn van ten hoogste drie maanden, te rekenen vanaf de datum van de in de eerste alinea bedoelde kennisgeving, om zich tegen het voornemen te verzetten indien zij, gelet op de noodzaak een gezonde en prudente bedrijfsvoering van de kredietinstelling te garanderen, niet overtuigd zijn van de geschiktheid van de in de eerste alinea bedoelde persoon. Indien er geen bezwaar is, kunnen de autoriteiten een maximumtermijn vaststellen voor de uitvoering van het in de eerste alinea bedoelde voornemen.

  • 2. 
    Indien de verwerver van de in lid 1 bedoelde deelnemingen een kredietinstelling is waaraan in een andere lidstaat vergunning is verleend, of een moederonderneming van een kredietinstelling waaraan in een andere lidstaat vergunning is verleend, of een natuurlijke of rechtspersoon die zeggenschap heeft over een kredietinstelling waaraan in een andere lidstaat vergunning is verleend, en indien de kredietinstelling waarin de verwervende instelling een deelneming aan wil houden daardoor een dochteronderneming van die instelling wordt of onder haar zeggenschap komt, moet over de verwerving voorafgaande raadpleging geschieden als bedoeld in artikel 12.
  • 3. 
    De lidstaten bepalen dat iedere natuurlijke of rechtspersoon die het voornemen heeft zijn rechtstreekse of onrechtstreekse gekwalificeerde deelneming in een kredietinstelling af te stoten, de bevoegde autoriteiten daarvan vooraf in kennis moet stellen onder vermelding van het bedrag van zijn voorgenomen deelneming. Tot kennisgeving aan de bevoegde autoriteiten is eveneens gehouden iedere natuurlijke of rechtspersoon die het voornemen heeft de omvang van zijn gekwalificeerde deelneming zodanig te verkleinen dat het percentage van de door hem gehouden stemrechten of aandelen onder 20 %, 33 % of 50 % daalt of dat de kredietinstelling ophoudt zijn dochteronderneming te zijn.
  • 4. 
    Zodra zij daarvan kennis hebben, stellen de kredietinstellingen de bevoegde autoriteiten in kennis van de verwervingen of afstotingen van deelnemingen in hun kapitaal, waardoor stijging boven of daling onder één van de drempels als bedoeld in de leden 1 en 3 optreedt.

Tevens stellen zij de bevoegde autoriteiten ten minste eens per jaar in kennis van de identiteit van de aandeelhouders of vennoten die gekwalificeerde deelnemingen bezitten, alsmede van de omvang van de deelnemingen zoals deze met name blijken uit de gegevens die worden vastgelegd bij de jaarlijkse algemene vergadering van aandeelhouders of vennoten, of uit de informatie die is ontvangen uit hoofde van de verplichtingen van ter beurze genoteerde vennootschappen.

  • 5. 
    De lidstaten bepalen dat, indien de door de in lid 1 bedoelde personen uitgeoefende invloed een prudente en gezonde bedrijfsvoering van de instelling zou kunnen belemmeren, de bevoegde autoriteiten de passende maatregelen treffen om aan deze toestand een einde te maken. Die maatregelen kunnen met name omvatten bindende aanwijzingen, sancties tegen bestuurders en schorsing van de uitoefening van de stemrechten die verbonden zijn aan de aandelen welke door de betrokken aandeelhouders of vennoten worden gehouden.

Soortgelijke maatregelen zijn van toepassing op natuurlijke of rechtspersonen die de in lid 1 bedoelde verplichting inzake voorafgaande kennisgeving niet naleven. Wanneer een deelneming wordt verworven ondanks het bezwaar van de bevoegde autoriteiten, bepalen de lidstaten, onverminderd andere te treffen sancties, dat de uitoefening van de betrokken stemrechten wordt geschorst of dat de uitgebrachte stemmen nietig zijn of nietig verklaard kunnen worden.

  • 6. 
    Voor de toepassing van het in het onderhavige artikel bedoelde begrip "gekwalificeerde deelneming" en van de daarin bedoelde andere deelnemingspercentages worden de stemrechten, vermeld in artikel 7 van Richtlijn 88/627/EEG, in aanmerking genomen.

Artikel 17

Organisatie en internecontroleprocedures

De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst eisen dat er in elke kredietinstelling een goede administratieve en boekhoudkundige organisatie en adequate internecontroleprocedures bestaan.

TITEL III

BEPALINGEN BETREFFENDE DE VRIJHEID VAN VESTIGING EN HET VRIJ VERRICHTEN VAN DIENSTEN

Artikel 18

Kredietinstellingen

De lidstaten bepalen dat de werkzaamheden die in de lijst in bijlage I zijn genoemd op hun grondgebied kunnen worden uitgeoefend overeenkomstig het bepaalde in artikel 20, leden 1 tot en met 6, artikel 21, leden 1 en 2, en in artikel 22, zowel door middel van het vestigen van een bijkantoor als door middel van het verrichten van diensten, door iedere kredietinstelling waaraan door de bevoegde autoriteiten van een andere lidstaat vergunning is verleend en waarop door hen toezicht wordt gehouden, mits deze werkzaamheden onder de vergunning vallen.

Artikel 19

Financiële instellingen

De lidstaten bepalen dat de in bijlage I genoemde lijst werkzaamheden op hun grondgebied mogen worden uitgeoefend overeenkomstig het bepaalde in artikel 20, leden 1 tot en met 6, artikel 21, leden 1 en 2, en in artikel 22, zowel door middel van het vestigen van een bijkantoor als door middel van het verrichten van diensten, door iedere financiële instelling van een andere lidstaat die een dochteronderneming van een kredietinstelling of een gemeenschappelijke dochteronderneming van twee of meer kredietinstellingen is, die wettelijk de betrokken werkzaamheden mag uitoefenen en die aan alle volgende voorwaarden voldoet:

  • aan de moederonderneming of -ondernemingen is vergunning verleend als kredietinstelling in de lidstaat onder het recht waarvan de dochteronderneming valt;
  • de betrokken werkzaamheden worden daadwerkelijk uitgeoefend op het grondgebied van dezelfde lidstaat;
  • de moederonderneming of -ondernemingen is, respectievelijk zijn in het bezit van 90 % of meer van de aan de aandelen van de dochteronderneming verbonden stemrechten;
  • de moederonderneming of -ondernemingen moet, respectievelijk moeten ten genoegen van de bevoegde autoriteiten aantonen dat de dochteronderneming op een prudente wijze wordt beheerd en zich, met instemming van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst, hoofdelijk borg hebben gesteld voor de verplichtingen van de dochteronderneming;
  • de dochteronderneming is, in het bijzonder voor de betrokken werkzaamheden, daadwerkelijk opgenomen in het toezicht op geconsolideerde basis waaraan de moederonderneming, of elk van de moederondernemingen, overeenkomstig de artikelen 52 tot en met 56, is onderworpen, met name voor de berekening van de solvabiliteitsratio, voor het toezicht op de grote risico's en de in artikel 51 gestelde beperking van de deelnemingen.

De vervulling van deze voorwaarden moet worden geverifieerd door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst, die vervolgens een attest aan de dochteronderneming afgeven dat dient te worden gevoegd bij de in artikel 20, leden 1 tot en met 6, en artikel 21, leden 1 en 2, bedoelde kennisgevingen.

De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst dragen zorg voor het toezicht op de dochteronderneming overeenkomstig het bepaalde in artikel 5, lid 3, en in de artikelen 16, 17, 26, 28, 29, 30 en 32.

De bepalingen waarnaar dit artikel verwijst, zijn van overeenkomstige toepassing op dochterondernemingen. In het bijzonder dient het woord "kredietinstelling" te worden gelezen als "financiële instelling die voldoet aan de voorwaarden van artikel 19", en het woord "vergunning" als "wettelijke regeling".

De tweede alinea van artikel 20, lid 3, wordt als volgt gelezen:"De bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst doet tevens mededeling van het bedrag van het eigen vermogen van de financiële instelling die dochteronderneming is en van de geconsolideerde solvabiliteitsratio van de kredietinstelling die haar moederonderneming is.".

Indien de financiële instelling die onder de bepalingen van dit artikel valt, niet langer aan één van de gestelde voorwaarden voldoet, stelt de lidstaat van herkomst de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst daarvan in kennis, en vallen de door die instelling in de lidstaat van ontvangst uitgeoefende werkzaamheden onder de wetgeving van de lidstaat van ontvangst.

Artikel 20

Uitoefening van het recht tot vestiging

  • 1. 
    Iedere kredietinstelling die op het grondgebied van een andere lidstaat een bijkantoor wenst te vestigen, stelt de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst daarvan in kennis.
  • 2. 
    De lidstaten verlangen dat de kredietinstelling die een bijkantoor in een andere lidstaat wenst te vestigen, de in lid 1 bedoelde kennisgeving vergezeld doet gaan van de volgende gegevens:
  • a) 
    de lidstaat op het grondgebied waarvan zij voornemens is een bijkantoor te vestigen;
  • b) 
    een programma van werkzaamheden waarin met name de aard van de voorgenomen activiteiten en de organisatiestructuur van het bijkantoor worden vermeld;
  • c) 
    het adres in de lidstaat van ontvangst waar documenten kunnen worden opgevraagd;
  • d) 
    de naam van de verantwoordelijke bestuurders van het bijkantoor.
  • 3. 
    Tenzij de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst, gelet op het betrokken project, redenen heeft om te twijfelen aan de deugdelijkheid van de administratieve structuur of van de financiële positie van de kredietinstelling, doet zij binnen drie maanden na ontvangst van alle in lid 2 bedoelde gegevens, mededeling van deze gegevens aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst en stelt zij de betrokken kredietinstelling hiervan in kennis.

De bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst doet tevens mededeling van het bedrag van het eigen vermogen en de solvabiliteitsratio van de kredietinstelling.

Wanneer de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst weigert de in lid 2 bedoelde gegevens mede te delen aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst, deelt zij de redenen van deze weigering binnen drie maanden na ontvangst van alle gegevens mede aan de betrokken instelling. Tegen deze weigering of het uitblijven van een antwoord staat beroep open bij de rechter in de lidstaat van herkomst.

  • 4. 
    Voordat het bijkantoor van de kredietinstelling met zijn werkzaamheden aanvangt, beschikt de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst over twee maanden, te rekenen vanaf de ontvangst van de in lid 3 bedoelde mededeling, om het in artikel 22 bedoelde toezicht op de kredietinstelling voor te bereiden en om, in voorkomend geval, de voorwaarden aan te geven waaronder deze werkzaamheden om redenen van algemeen belang in de lidstaat van ontvangst moeten worden uitgeoefend.
  • 5. 
    Zodra een mededeling van de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst is binnengekomen of, wanneer deze niet reageert, zodra de in lid 4 bedoelde termijn is verstreken, kan het bijkantoor gevestigd worden en met zijn werkzaamheden aanvangen.
  • 6. 
    In geval van wijziging van de inhoud van een van de overeenkomstig lid 2, onder b), c) en d), verstrekte gegevens stelt de kredietinstelling de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst en van de lidstaat van ontvangst schriftelijk van de betreffende wijziging in kennis, zulks ten minste één maand voor de toepassing van de wijziging, opdat de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst zich overeenkomstig lid 3, en de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst zich overeenkomstig lid 4 kunnen uitspreken.
  • 7. 
    De bijkantoren die, overeenkomstig de bepalingen van de lidstaat van ontvangst, hun werkzaamheden hebben aangevangen vóór 1 januari 1993, worden geacht onderworpen te zijn geweest aan de procedure van de leden 1 tot en met 5 van het onderhavige artikel. Zij vallen vanaf deze datum onder het bepaalde in lid 6 van het onderhavige artikel en onder de artikelen 18, 19, 22 en 29.

Artikel 21

Uitoefening van het recht tot het vrij verrichten van diensten

  • 1. 
    Elke kredietinstelling die voor de eerste maal in het kader van het vrij verrichten van diensten haar werkzaamheden wil uitoefenen op het grondgebied van een andere lidstaat, stelt de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst in kennis van de in de lijst in bijlage I voorkomende werkzaamheden die zij wenst uit te oefenen.
  • 2. 
    De bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst doet aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst mededeling van de in lid 1 bedoelde kennisgeving, zulks binnen een termijn van één maand te rekenen vanaf de ontvangst van de kennisgeving.
  • 3. 
    Dit artikel doet geen afbreuk aan de rechten die verkregen zijn door kredietinstellingen welke vóór 1 januari 1993 werkzaam waren bij wege van het verrichten van diensten.

Artikel 22

Bevoegdheden van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst

  • 1. 
    De lidstaat van ontvangst kan, voor statistische doeleinden, verlangen dat elke kredietinstelling die een bijkantoor op zijn grondgebied heeft, aan de bevoegde autoriteiten van deze lidstaat een periodiek verslag over de werkzaamheden op zijn grondgebied zendt.

Voor de uitoefening van de krachtens artikel 27 op hem rustende verantwoordelijkheden kan de lidstaat van ontvangst van de bijkantoren van kredietinstellingen dezelfde gegevens verlangen als deze voor dat doel van de nationale kredietinstellingen verlangt.

  • 2. 
    Indien de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst constateren dat een instelling die op hun grondgebied een bijkantoor heeft of werkzaam is in het kader van het verrichten van diensten, niet de wettelijke bepalingen naleeft welke deze lidstaat heeft vastgesteld ter uitvoering van de bepalingen van deze richtlijn die een bevoegdheid van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst inhouden, eisen zij dat de betrokken instelling een eind maakt aan deze onregelmatige situatie.
  • 3. 
    Indien de betrokken instelling niet het nodige doet, stellen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst die van de lidstaat van herkomst daarvan in kennis. Deze laatsten treffen zo spoedig mogelijk alle passende maatregelen om te bewerkstelligen dat de betrokken instelling een eind maakt aan deze onregelmatige situatie. De aard van deze maatregelen wordt medegedeeld aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst.
  • 4. 
    Indien de instelling, in weerwil van de aldus door de lidstaat van herkomst getroffen maatregelen, of omdat deze maatregelen ontoereikend zijn of die lidstaat geen maatregelen treft, inbreuk blijft maken op de in lid 2 bedoelde, in de lidstaat van ontvangst geldende wettelijke bepalingen, kan de lidstaat van ontvangst, na de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst daarvan in kennis te hebben gesteld, passende maatregelen treffen om verdere onregelmatigheden te voorkomen of te bestraffen en, voorzover zulks noodzakelijk is, kan hij deze instelling beletten nieuwe transacties op zijn grondgebied aan te vangen. De lidstaten dragen er zorg voor dat de voor die maatregelen vereiste stukken op hun grondgebied aan de kredietinstellingen kunnen worden betekend.
  • 5. 
    De bepalingen van de leden 1 tot en met 4 laten de bevoegdheid van de lidstaat van ontvangst onverlet om passende maatregelen te treffen ter voorkoming of bestraffing van onregelmatigheden op zijn grondgebied die in strijd zijn met de wettelijke bepalingen die deze om redenen van algemeen belang heeft vastgesteld. Met name kan de lidstaat van ontvangst de betrokken instelling beletten nieuwe transacties op zijn grondgebied aan te vangen.
  • 6. 
    Elke ter uitvoering van de leden 3, 4 en 5 genomen maatregel die sancties en een beperking van de uitoefening van het verrichten van diensten behelst, moet naar behoren met redenen worden omkleed en aan de betrokken instelling worden medegedeeld. Tegen elke maatregel van die aard staat in de lidstaat waar hij is genomen, beroep open bij de rechter.
  • 7. 
    Alvorens de in de leden 2, 3 en 4 bedoelde procedure toe te passen kunnen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst in spoedeisende gevallen de conservatoire maatregelen treffen die onontbeerlijk zijn voor de bescherming van de belangen van inleggers, beleggers of andere personen voor wie diensten worden verricht. De Commissie en de bevoegde autoriteiten van de overige betrokken lidstaten moeten zo spoedig mogelijk van die maatregelen op de hoogte worden gesteld.

De Commissie kan, na raadpleging van de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten, besluiten dat de betrokken lidstaat deze maatregelen moet wijzigen of intrekken.

  • 8. 
    De lidstaat van ontvangst kan in het kader van de uitoefening van de bevoegdheden die hem bij deze richtlijn wordt toegekend passende maatregelen treffen om onregelmatigheden op zijn grondgebied te voorkomen of te bestraffen. Met name kan de lidstaat van ontvangst de betrokken instelling beletten nieuwe transacties op zijn grondgebied aan te vangen.
  • 9. 
    Ingeval de vergunning wordt ingetrokken, worden de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst daarvan in kennis gesteld en nemen zij passende maatregelen teneinde de betrokken instelling te beletten om op hun grondgebied nieuwe transacties aan te vangen en teneinde de belangen van de inleggers te vrijwaren. Om de twee jaar brengt de Commissie over deze gevallen verslag uit aan het Raadgevend Comité voor het bankwezen.
  • 10. 
    De lidstaten stellen de Commissie in kennis van het aantal en de aard van de gevallen waarin overeenkomstig artikel 20, leden 1 tot en met 6, een weigering is uitgesproken of waarin overeenkomstig lid 4 van het onderhavige artikel maatregelen zijn genomen. Om de twee jaar brengt de Commissie over deze gevallen verslag uit aan het Raadgevend Comité voor het bankwezen.
  • 11. 
    Dit artikel belet kredietinstellingen die hun hoofdkantoor in een andere lidstaat hebben, niet hun diensten met alle beschikbare communicatiemiddelen te adverteren in de lidstaat van ontvangst, mits zij alle eventuele voorschriften inzake de vorm en de inhoud van dit adverteren in acht nemen die zijn vastgesteld om redenen van algemeen belang.

TITEL IV

BETREKKINGEN MET DERDE LANDEN

Artikel 23

Kennisgeving van dochterondernemingen van ondernemingen uit derde landen en van de markttoegangsvoorwaarden in deze landen

  • 1. 
    De bevoegde autoriteiten van de lidstaten stellen de Commissie in kennis van:
  • a) 
    elke vergunningsverlening voor een rechtstreekse of onrechtstreekse dochteronderneming waarvan één of meer moederondernemingen onder het recht van een derde land vallen. De Commissie stelt het Raadgevend Comité voor het bankwezen daarvan in kennis;
  • b) 
    elke deelneming van een dergelijke onderneming in een kredietinstelling van de Gemeenschap waardoor deze instelling haar dochteronderneming zou worden. De Commissie stelt het Raadgevend Comité voor het bankwezen daarvan in kennis.

Wanneer vergunning wordt verleend aan een rechtstreekse of onrechtstreekse dochteronderneming van één of meer moederondernemingen die onder het recht van een derde land vallen, wordt de structuur van de groep vermeld in de kennisgeving van de bevoegde autoriteiten aan de Commissie overeenkomstig artikel 11.

  • 2. 
    De lidstaten stellen de Commissie in kennis van de algemene moeilijkheden die hun kredietinstellingen ondervinden bij vestiging of uitoefening van bankwerkzaamheden in een derde land.
  • 3. 
    De Commissie stelt periodiek een verslag op waarin de in de leden 4 en 5 bedoelde behandeling van kredietinstellingen van de Gemeenschap in derde landen, met betrekking tot de vestiging en de uitoefening van bankwerkzaamheden en het verwerven van deelnemingen in kredietinstellingen van derde landen wordt onderzocht. De Commissie legt deze verslagen, in voorkomend geval vergezeld van passende voorstellen, voor aan de Raad.
  • 4. 
    Indien de Commissie vaststelt, hetzij op grond van de in lid 3 bedoelde verslagen, hetzij op basis van andere informatie, dat een derde land de kredietinstellingen van de Gemeenschap geen daadwerkelijke toegang tot de markt verleent die vergelijkbaar is met die welke de Gemeenschap toekent aan kredietinstellingen van dat derde land, kan zij aan de Raad voorstellen doen om een passend onderhandelingsmandaat te verkrijgen teneinde voor de kredietinstellingen van de Gemeenschap vergelijkbare concurrentiemogelijkheden te verkrijgen. De Raad besluit met gekwalificeerde meerderheid van stemmen.
  • 5. 
    Indien de Commissie vaststelt, hetzij op grond van de in lid 3 bedoelde verslagen, hetzij op basis van andere informatie, dat in een derde land kredietinstellingen van de Gemeenschap geen nationale behandeling krijgen die dezelfde concurrentiemogelijkheden biedt als die welke aan binnenlandse kredietinstellingen worden geboden, en dat de voorwaarden voor daadwerkelijke toegang tot de markt niet zijn vervuld, kan zij onderhandelingen openen om dit euvel te verhelpen.

In de in de eerste alinea bedoelde omstandigheden kan ook, naast het openen van onderhandelingen, overeenkomstig de procedure van artikel 60, lid 2, worden besloten dat de bevoegde autoriteiten van de lidstaten hun beslissingen inzake ten tijde van het besluit ingediende of toekomstige vergunningaanvragen en het verwerven van deelnemingen door rechtstreekse of onrechtstreekse moederondernemingen die onder het recht van het betrokken derde land vallen, moeten beperken of opschorten. De bedoelde maatregelen zijn ten hoogste drie maanden geldig.

Vóór het verstrijken van deze termijn van drie maanden kan de Raad in het licht van het resultaat van de onderhandelingen op voorstel van de Commissie met gekwalificeerde meerderheid van stemmen besluiten of de maatregelen van toepassing blijven.

Een dergelijke beperking of opschorting geldt niet voor de oprichting van dochterondernemingen door kredietinstellingen of dochterondernemingen daarvan die een vergunning hebben gekregen in de Gemeenschap, noch voor het verwerven van deelnemingen door dergelijke kredietinstellingen of dochterondernemingen in een kredietinstelling van de Gemeenschap.

  • 6. 
    Indien de Commissie een van de in de leden 4 en 5 bedoelde vaststellingen doet, stellen de lidstaten haar desgevraagd in kennis van:
  • a) 
    elke vergunningaanvraag door een rechtstreekse of onrechtstreekse dochteronderneming waarvan een of meer moederondernemingen onder het recht van het betrokken derde land vallen;
  • b) 
    van elk op grond van artikel 16 door een dergelijke onderneming voorgelegd project voor verwerving van een deelneming in een kredietinstelling van de Gemeenschap, waardoor deze instelling haar dochteronderneming zou worden.

Deze kennisgevingsverplichting vervalt zodra met een derde land als bedoeld in lid 4 of lid 5 een overeenkomst is gesloten of wanneer de in lid 5, tweede en derde alinea, bedoelde maatregelen niet meer van toepassing zijn.

  • 7. 
    De krachtens dit artikel getroffen maatregelen moeten in overeenstemming zijn met de verplichtingen die de Gemeenschap heeft uit hoofde van inernationale bi- of multilaterale overeenkomsten inzake de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen.

Artikel 24

Bijkantoren van kredietinstellingen met hoofdkantoor buiten de Gemeenschap

  • 1. 
    De lidstaten passen op bijkantoren van kredietinstellingen met hoofdkantoor buiten de Gemeenschap voor wat betreft de toegang tot de werkzaamheden dan wel de uitoefening ervan geen bepalingen toe die leiden tot een gunstiger behandeling dan die welke geldt voor bijkantoren van kredietinstellingen die hun hoofdkantoor binnen de Gemeenschap hebben.
  • 2. 
    De bevoegde autoriteiten geven de Commissie en het Raadgevend Comité voor het bankwezen kennis van de vergunningen voor bijkantoren die aan de kredietinstellingen met hoofdkantoor buiten de Gemeenschap zijn verleend.
  • 3. 
    Onverminderd lid 1 kan de Gemeenschap, bij overeenkomstig het Verdrag met één of meer derde landen gesloten overeenkomsten, regelingen treffen inzake de toepassing van bepalingen die, op basis van wederkerigheid, de bijkantoren van een kredietinstelling met hoofdkantoor buiten de Gemeenschap eenzelfde behandeling op het gehele grondgebied van de Gemeenschap verzekeren.

Artikel 25

Samenwerking inzake controle op geconsolideerde basis met de bevoegde autoriteiten van derde landen

  • 1. 
    De Commissie kan op verzoek van een lidstaat of op eigen initiatief aan de Raad voorstellen doen voor onderhandelingen over overeenkomsten met één of meer derde landen met het oog op afspraken over de toepassing van toezicht op geconsolideerde basis:
  • op kredietinstellingen waarvan de moederonderneming haar zetel in een derde land heeft

en

  • op kredietinstellingen die in een derde land gelegen zijn en waarvan de moederonderneming een kredietinstelling of financiële holding met zetel in de Gemeenschap is.
  • 2. 
    De in lid 1 bedoelde overeenkomsten hebben met name ten doel te waarborgen dat:
  • enerzijds de bevoegde autoriteiten van de lidstaten de inlichtingen verkrijgen die nodig zijn voor het toezicht, op grond van de geconsolideerde financiële positie, op een kredietinstelling of op een financiële holding die in de Gemeenschap gelegen is en die als dochteronderneming een kredietinstelling of een financiële instelling heeft die buiten de Gemeenschap gelegen is, of die in zulke instellingen een deelneming heeft;
  • anderzijds de bevoegde autoriteiten van derde landen de inlichtingen verkrijgen die nodig zijn voor het toezicht op moederondernemingen met zetel op hun grondgebied die als dochteronderneming een kredietinstelling of een financiële instelling hebben die gelegen is in één of meer lidstaten, of die in zulke instellingen deelnemingen hebben.
  • 3. 
    De Commissie onderzoekt met het Raadgevend Comité voor het bankwezen, het resultaat van de in lid 1 genoemde onderhandelingen en de daaruit voortvloeiende situatie.

TITEL V

BEGINSELEN VAN EN TECHNISCHE INSTRUMENTEN VOOR BEDRIJFSECONOMISCH TOEZICHT

HOOFDSTUK 1

GRONDREGELS VOOR BEDRIJFSECONOMISCH TOEZICHT

Artikel 26

Bevoegdheid tot toezicht van de lidstaat van herkomst

  • 1. 
    Het bedrijfseconomisch toezicht op een kredietinstelling, met inbegrip van het bedrijfseconomisch toezicht op de werkzaamheden die deze instelling overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 18 en 19 uitoefent, berust bij de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst, onverminderd de bepalingen van de onderhavige richtlijn welke een bevoegdheid van de autoriteit van de lidstaat van ontvangst inhouden.
  • 2. 
    Lid 1 laat het toezicht op geconsolideerde basis op grond van de onderhavige richtlijn onverlet.

Artikel 27

Bevoegdheden van de lidstaat van ontvangst

Tot aan een latere coördinatie blijft de lidstaat van ontvangst, in samenwerking met de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst, belast met het toezicht op de liquiditeit van het bijkantoor van een kredietinstelling. Onverminderd de maatregelen die noodzakelijk zijn ter versterking van het Europees Monetair Stelsel, blijft de lidstaat van ontvangst volledig verantwoordelijk voor de maatregelen die voortvloeien uit de tenuitvoerlegging van zijn monetair beleid. Deze maatregelen mogen geen discriminerende of restrictieve behandeling inhouden uit hoofde van het feit dat aan de kredietinstelling in een andere lidstaat vergunning is verleend.

Artikel 28

Samenwerking inzake toezicht

Teneinde toezicht te houden op de werkzaamheden van de kredietinstellingen waarvan het werkterrein zich tot één of meer andere lidstaten uitstrekt dan de lidstaat van hun hoofdkantoor, met name doordat zij daar bijkantoren hebben gevestigd, werken de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten nauw samen. Zij verstrekken elkaar alle gegevens betreffende de leiding, het beheer en de eigenaars van de betrokken kredietinstellingen, waardoor het toezicht op die kredietinstellingen en het onderzoek van de voorwaarden voor het verlenen van een vergunning aan die instellingen kan worden vergemakkelijkt, alsmede alle gegevens die het toezicht op deze instellingen, met name op het gebied van de liquiditeit, de solvabiliteit, de depositogarantie, de beperking van de grote risico's, de administratieve en boekhoudkundige organisatie en de interne controle kunnen vergemakkelijken.

Artikel 29

Verificatie ter plaatse van in een andere lidstaat gevestigde bijkantoren

  • 1. 
    De lidstaten van ontvangst bepalen dat, wanneer een kredietinstelling waaraan in een andere lidstaat vergunning is verleend, haar werkzaamheden uitoefent door middel van een bijkantoor, de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst, na de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst daarvan vooraf in kennis te hebben gesteld, zelf of met inschakeling van door de eerstgenoemde autoriteiten daartoe gemachtigden ter plaatse de in artikel 28 bedoelde gegevens kunnen verifiëren.
  • 2. 
    De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst kunnen voor de verificatie van de bijkantoren ook gebruikmaken van een van de andere in artikel 56, lid 7, genoemde procedures.
  • 3. 
    Dit artikel laat het recht onverlet van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst om op hun grondgebied gevestigde bijkantoren ter plaatse te verifiëren teneinde de verantwoordelijkheden uit te oefenen die uit hoofde van deze richtlijn op hen rusten.

Artikel 30

Uitwisseling van informatie en beroepsgeheim

  • 1. 
    De lidstaten bepalen dat alle personen die werkzaam zijn of zijn geweest voor de bevoegde autoriteiten, alsmede accountants of deskundigen die in opdracht van de bevoegde autoriteiten handelen, aan het beroepsgeheim gebonden zijn. Dit houdt in dat de vertrouwelijke gegevens waarvan zij beroepshalve kennis krijgen, aan geen enkele persoon of autoriteit bekend mogen worden gemaakt, behalve in een samengevatte of geaggregeerde vorm, zodat individuele instellingen niet kunnen worden geïdentificeerd, zulks onverminderd de gevallen die onder het strafrecht vallen.

Indien een kredietinstelling failliet is verklaard of op grond van een rechterlijke uitspraak moet worden geliquideerd, mogen echter vertrouwelijke gegevens die geen betrekking hebben op derden welke betrokken zijn bij pogingen om de kredietinstellingen te redden, in het kader van civiele of handelsrechtelijke procedures openbaar worden gemaakt.

  • 2. 
    Lid 1 belet niet dat tussen de bevoegde autoriteiten van de verschillende lidstaten uitwisseling van gegevens plaatsvindt als bedoeld in onderhavige richtlijn alsmede in andere richtlijnen die van toepassing zijn op kredietinstellingen. Deze gegevens vallen onder het in lid 1 bedoelde beroepsgeheim.
  • 3. 
    De lidstaten mogen met de bevoegde autoriteiten van derde landen of met de autoriteiten of instanties van derde landen, zoals gedefinieerd in lid 5 en lid 6, alleen dan samenwerkingsovereenkomsten voor de uitwisseling van gegevens sluiten, als met betrekking tot de meegedeelde gegevens ten minste gelijkwaardige waarborgen inzake het beroepsgeheim gelden als de in dit artikel bedoelde. De uitwisseling van gegevens moet geschieden ten behoeve van het uitoefenen van de toezichthoudende taak van de genoemde autoriteiten of instanties.

Gegevens die afkomstig zijn van een andere lidstaat mogen alleen worden doorgegeven met de uitdrukkelijke instemming van de bevoegde autoriteiten die de gegevens hebben meegedeeld en in voorkomend geval alleen worden gebruikt voor de doeleinden waarmee deze autoriteiten ingestemd hebben.

  • 4. 
    De bevoegde autoriteit die uit hoofde van lid 1 of 2 vertrouwelijke gegevens ontvangt, mag deze slechts gebruiken voor de uitoefening van haar taken:
  • voor het onderzoek van de voorwaarden voor de toegang tot de werkzaamheden van kredietinstellingen en voor het vergemakkelijken van de controle, op individuele en op geconsolideerde basis, op de voorwaarden waaronder de werkzaamheden worden uitgeoefend, in het bijzonder ten aanzien van het toezicht op de liquiditeit, de solvabiliteit, de grote risico's, de administratieve en boekhoudkundige organisatie en de interne controle, of
  • voor het opleggen van sancties, of
  • in het kader van een administratief beroep tegen een besluit van de bevoegde autoriteit, of
  • bij rechtszaken die aanhangig zijn gemaakt overeenkomstig artikel 33 of overeenkomstig bijzondere bepalingen van zowel de onderhavige richtlijn als andere richtlijnen betreffende kredietinstellingen.
  • 5. 
    De leden 1 en 4 vormen geen belemmering voor de uitwisseling van gegevens binnen eenzelfde lidstaat, wanneer er verscheidene bevoegde autoriteiten zijn of, tussen lidstaten, tussen de bevoegde autoriteiten
  • en de autoriteiten aan wie van overheidswege het toezicht op de andere financiële instellingen en de verzekeringsmaatschappijen is opgedragen, alsmede de autoriteiten die belast zijn met het toezicht op de financiële markten;
  • en de instanties die betrokken zijn bij de liquidatie en het faillissement van kredietinstellingen en andere soortgelijke procedures;
  • en de met de wettelijke controle van de rekeningen van kredietinstellingen en andere financiële belaste personen,

voor de vervulling van hun toezichthoudende taak, en vormen evenmin een belemmering voor de toezending aan de organen die belast zijn met de uitvoering van de depositogarantiestelsels, van de gegevens die nodig zijn voor de vervulling van hun taak. De ontvangen gegevens vallen onder het in lid 1 bedoelde beroepsgeheim waartoe de autoriteiten, organen en personen zijn gehouden.

  • 6. 
    Overminderd de leden 1 tot en met 4 kunnen de lidstaten toestaan dat uitwisseling van informatie plaatsvindt tussen de bevoegde autoriteiten en
  • de autoriteiten die belast zijn met het toezicht op de instanties die betrokken zijn bij de liquidatie en het faillissement van kredietinstellingen en andere soortgelijke procedures, of
  • de autoriteiten die belast zijn met het toezicht op personen die belast zijn met de wettelijke controle van de rekeningen van verzekeringsondernemingen, kredietinstellingen, beleggingsondernemingen en andere financiële instellingen.

De lidstaten die van de in de eerste alinea vervatte mogelijkheid gebruikmaken, eisen dat minimaal aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • de informatie is bestemd voor de uitoefening van de in de eerste alinea bedoelde toezichthoudende taken;
  • de in dit verband ontvangen informatie valt onder het in lid 1 bedoelde beroepsgeheim;
  • gegevens die afkomstig zijn van een andere lidstaat mogen alleen worden doorgegeven met de uitdrukkelijke toestemming van de bevoegde autoriteiten die de gegevens hebben medegedeeld en in voorkomend geval alleen worden gebruikt voor de doeleinden waarmede deze autoriteiten ingestemd hebben.

De lidstaten delen de Commissie en de overige lidstaten de identiteit mede van de autoriteiten die op grond van dit lid informatie mogen ontvangen.

  • 7. 
    Onverminderd de leden 1 tot en met 4 kunnen de lidstaten, ter versterking van de stabiliteit van het financiële stelsel alsmede de integriteit ervan, toestaan dat uitwisseling van informatie plaatsvindt tussen de bevoegde autoriteiten en de autoriteiten of instanties die wettelijk belast zijn met de opsporing en het onderzoek van inbreuken op het vennootschapsrecht.

De lidstaten die van de in de eerste alinea vervatte mogelijkheid gebruikmaken eisen dat minimaal aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • de informatie is bestemd voor de uitoefening van de in de eerste alinea bedoelde taken;
  • de in dit verband ontvangen informatie valt onder het in lid 1 bedoelde beroepsgeheim;
  • gegevens die afkomstig zijn van een andere lidstaat mogen alleen worden doorgegeven met de uitdrukkelijke toestemming van de bevoegde autoriteiten die de gegevens hebben medegedeeld, en in voorkomend geval alleen worden gebruikt voor de doeleinden waarmede deze autoriteiten ingestemd hebben.

Indien de in de eerste alinea bedoelde autoriteiten of instanties die in een lidstaat bij de uitoefening van hun opsporings- of onderzoekstaken een beroep doen op personen die op grond van hun specifieke deskundigheid met een opdracht worden belast en die geen openbaar ambt bekleden, kan de in de eerste alinea bedoelde mogelijkheid tot uitwisseling van informatie tot deze personen worden verruimd op de in de tweede alinea genoemde voorwaarden.

Voor de toepassing van het derde streepje van de tweede alinea delen de in de eerste alinea bedoelde autoriteiten of instanties aan de bevoegde autoriteiten die de informatie hebben medegedeeld, de identiteit en de juiste opdracht mede van de personen aan wie deze informatie zal worden doorgegeven.

De lidstaten delen de Commissie en de overige lidstaten de identiteit mede van de autoriteiten of instanties die op grond van dit lid informatie mogen ontvangen.

De Commissie stelt vóór 31 december 2000 een verslag op over de toepassing van de bepalingen van dit lid.

  • 8. 
    De bepalingen van dit artikel houden geen belemmering voor een bevoegde autoriteit in om:
  • aan de centrale banken en andere instanties met een soortgelijke taak in hun hoedanigheid van monetaire autoriteit,
  • in voorkomend geval aan andere overheidsinstanties die belast zijn met het toezicht op de betalingssystemen,

voor de uitoefening van hun taak dienstige gegevens mede te delen en houden voor deze autoriteiten of instanties evenmin een belemmering in om aan de bevoegde autoriteiten de gegevens toe te zenden die deze nodig hebben ter uitvoering van lid 4. De in dit verband ontvangen gegevens vallen onder het in dit artikel bedoelde beroepsgeheim.

  • 9. 
    Bovendien mogen de lidstaten, niettegenstaande de leden 1 en 4, op grond van wettelijke bepalingen de mededeling van bepaalde gegevens toestaan aan andere centrale overheidsdiensten die bevoegd zijn voor de wetgeving inzake het toezicht op kredietinstellingen, of financiële instellingen, beleggingsdiensten en verzekeringsmaatschappijen alsmede aan de inspecteurs die in opdracht van deze overheidsdiensten optreden.

Deze gegevens mogen echter alleen worden verstrekt wanneer zulks ter wille van het bedrijfseconomisch toezicht nodig blijkt.

De lidstaten bepalen echter dat de gegevens die op grond van de leden 2 en 5 zijn ontvangen, en die welke zijn verkregen naar aanleiding van in artikel 29, leden 1 en 2, bedoelde verificaties ter plaatse, in geen enkel geval op grond van dit lid mogen worden medegedeeld, tenzij met de uitdrukkelijke instemming van de bevoegde autoriteit die de gegevens heeft verstrekt of van de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar de verificatie ter plaatse is verricht.

  • 10. 
    De bepalingen van dit artikel vormen geen belemmering voor de bevoegde autoriteiten om de in de leden 1 tot en met 4 bedoelde gegevens mede te delen aan een clearinginstelling of een ander, soortgelijk orgaan dat bij de nationale wetgeving is erkend voor het verstrekken van clearing- en afwikkelingsdiensten op één van de markten van hun lidstaat, indien zij van oordeel zijn dat dit nodig is om de regelmatige werking van deze organen te garanderen in verband met het, zelfs potentiële, in gebreke blijven van een marktdeelnemer. De in dit verband ontvangen gegevens vallen onder het in lid 1 genoemde beroepsgeheim. De lidstaten zien er evenwel op toe dat uit hoofde van lid 2 ontvangen gegevens in het in dit lid bedoelde geval niet kunnen worden doorgegeven, tenzij met de uitdrukkelijke toestemming van de bevoegde autoriteiten die de gegevens hebben verstrekt.

Artikel 31

Verplichtingen van de personen belast met de controle van de jaarrekening en de geconsolideerde rekening

  • 1. 
    De lidstaten bepalen minimaal:
  • a) 
    dat iedere persoon die is toegelaten in de zin van Richtlijn 84/253/EEG van de Raad(14), en die bij een kredietinstelling de taken verricht zoals bedoeld in artikel 51 van Richtlijn 78/660/EEG van de Raad(15), artikel 37 van Richtlijn 83/349/EEG of artikel 31 van Richtlijn 85/611/EEG van de Raad(16), dan wel een andere wettelijke taak, de verplichting heeft aan de bevoegde autoriteiten snel melding te doen van elk feit of besluit met betrekking tot deze instelling, waarvan hij bij de uitvoering van die taken kennis heeft gekregen en dat van dien aard is:
  • dat het een inbreuk ten gronde inhoudt op de wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen tot vaststelling van de voorwaarden voor vergunning of van specifieke voorschriften betreffende de uitoefening van de werkzaamheden van de kredietinstelling, of
  • dat het de bedrijfscontinuiteit van de kredietinstelling aantast, of
  • dat het leidt tot weigering van de goedkeuring van de jaarrekening of tot het uiten van voorbehouden;
  • b) 
    dat dezelfde verplichting rust op deze persoon ten aanzien van feiten en besluiten waarvan hij kennis zou hebben gekregen bij de uitvoering van taken als beschreven onder a), bij een onderneming die uit een zeggenschapsband voortvloeiende nauwe banden heeft met de kredietinstelling waar deze persoon bovengenoemde taken uitvoert.
  • 2. 
    Melding te goeder trouw aan de bevoegde autoriteiten door de personen die zijn toegelaten in de zin van Richtlijn 84/253/EEG van in lid 1 bedoelde feiten of besluiten vormt geen inbreuk op ongeacht welke op grond van een contract of van een wettelijke of bestuursrechtelijke bepaling opgelegde beperking inzake de openbaarmaking van informatie, en leidt voor de betrokken personen tot geen enkele vorm van aansprakelijkheid.

Artikel 32

Bevoegdheid van de bevoegde autoriteiten tot het nemen van sancties

Onverminderd de voor de intrekking van de vergunning geldende procedures en de bepalingen van het strafrecht, bepalen de lidstaten dat hun respectieve bevoegde autoriteiten tegen kredietinstellingen of hun verantwoordelijke bestuurders, die de wettelijke of bestuursrechtelijke voorschriften inzake het toezicht of de uitoefening van de werkzaamheden overtreden, sancties kunnen uitspreken dan wel maatregelen treffen die beogen een eind te maken aan de geconstateerde overtredingen of de oorzaken daarvan weg te nemen.

Artikel 33

Beroep op de rechter

De lidstaten bepalen dat tegen besluiten die jegens een kredietinstelling worden genomen uit hoofde van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die overeenkomstig deze richtlijn zijn vastgesteld, beroep op de rechter mogelijk is; dit geldt eveneens voor het geval er binnen zes maanden na indiening geen beslissing is genomen aangaande een vergunningaanvraag die alle krachtens de geldende bepalingen vereiste gegevens bevat.

HOOFDSTUK 2

TECHNISCHE INSTRUMENTEN VOOR BEDRIJFSECONOMISCH TOEZICHT

Afdeling 1

Eigen vermogen

Artikel 34

Algemene beginselen

  • 1. 
    Indien een lidstaat bij wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen, ter uitvoering van de communautaire wetgeving inzake bedrijfseconomisch toezicht, maatregelen treft waarin de term "eigen vermogen" wordt gebruikt of wordt gerefereerd aan dat begrip, ziet hij erop toe dat deze term of dit begrip in overeenstemming is met de definitie in de leden 2, 3 en 4 en in de artikelen 35 tot en met 38.
  • 2. 
    Onverminderd de in artikel 38 vastgestelde limieten bestaat het niet-geconsolideerde eigen vermogen van kredietinstellingen uit de hierna genoemde bestanddelen:
  • 1. 
    gestort kapitaal in de zin van artikel 22 van Richtlijn 86/635/EEG plus agiorekening, maar zonder de cumulatief preferente aandelen;
  • 2. 
    reserves in de zin van artikel 23 van Richtlijn 86/635/EEG en de resultaten van het voorgaande jaar die zijn overgedragen door bestemming van het definitieve resultaat. De lidstaten kunnen alleen toestaan dat tussentijdse positieve resultaten worden meegeteld voordat een formeel besluit is genomen, wanneer zij zijn geverifieerd door met de controle van de rekeningen belaste personen en wanneer ten genoegen van de bevoegde autoriteiten is aangetoond dat het bedrag daarvan is geraamd overeenkomstig de beginselen, neergelegd in Richtlijn 86/635/EEG, en netto is, na aftrek van alle te verwachten lasten en van voorzieningen voor dividenden;
  • 3. 
    de fondsen voor algemene bankrisico's in de zin van artikel 38 van Richtlijn 86/635/EEG;
  • 4. 
    herwaarderingsreserves in de zin van artikel 33 van Richtlijn 78/660/EEG;
  • 5. 
    waardecorrecties in de zin van artikel 37, lid 2, van Richtlijn 86/635/EEG;
  • 6. 
    andere bestanddelen in de zin van artikel 35;
  • 7. 
    de in artikel 36, lid 1, bedoelde aansprakelijkheidsverplichtingen van leden van kredietinstellingen met de rechtsvorm van coöperatieve verenigingen en de hoofdelijke verplichtingen van de leningnemers van bepaalde, in de vorm van een fonds georganiseerde instellingen;
  • 8. 
    cumulatief preferente aandelen met een vaste looptijd alsmede achtergestelde leningen in de zin van artikel 36, lid 3.

Zoals bepaald in artikel 38 worden de volgende bestanddelen afgetrokken:

  • 9. 
    het bezit aan eigen aandelen van de kredietinstelling, tegen boekwaarde;
  • 10. 
    immateriële activa in de zin van artikel 4 (Activa), punt 9, van Richtlijn 86/635/EEG;
  • 11. 
    negatieve resultaten van enige betekenis van het lopende boekjaar;
  • 12. 
    deelnemingen in andere kredietinstellingen en in financiële instellingen ten belope van meer dan 10 % van het kapitaal van die instellingen, alsmede achtergestelde schuldvorderingen en de in artikel 35 bedoelde, in het bezit van de kredietinstelling zijnde schuldtitels, uitgegeven door kredietinstellingen en financiële instellingen waarin zij voor meer dan 10 % van hun kapitaal deelneemt.

Indien tijdelijk aandelen in een andere kredietinstelling of financiële instelling worden gehouden met het oog op een financiële bijstandsoperatie, bedoeld om die instelling te saneren en te redden, kan de bevoegde autoriteit ontheffingen van deze bepaling verlenen;

  • 13. 
    deelnemingen in andere kredietinstellingen en andere financiële instellingen ten belope van 10 % of minder van het kapitaal van die instellingen, alsook achtergestelde schuldvorderingen en de in artikel 35 bedoelde, in het bezit van de kredietinstelling zijnde schuldtitels, uitgegeven door andere dan de in punt 12 bedoelde kredietinstellingen en andere financiële instellingen, voor het bedrag van het totaal van deze deelnemingen, achtergestelde schuldvorderingen en schuldtitels dat 10 % van het eigen vermogen van de kredietinstelling, berekend vóór de aftrek van de bestanddelen genoemd in punt 12 en in het onderhavige punt, te boven gaat.

Wat de eventuele berekening van het niet-geconsolideerde eigen vermogen betreft, mogen de lidstaten toestaan dat moederondernemingen die onderworpen zijn aan een toezicht op geconsolideerde basis, in de consolidatie begrepen deelnemingen in andere financiële of kredietinstellingen, niet aftrekken. Deze bepaling geldt voor alle voorschriften inzake bedrijfseconomisch toezicht die via communautaire besluiten worden geharmoniseerd.

  • 3. 
    Het begrip "eigen vermogen" als gedefinieerd in lid 2, punten 1 tot en met 8, houdt een maximum aan bestanddelen en bedragen in. Het gebruik van deze bestanddelen of de vaststelling van lagere plafonds alsmede de aftrek van andere bestanddelen dan die welke vermeld zijn in lid 2, punten 9 tot en met 13, worden overgelaten aan het oordeel van de lidstaten. Deze zijn evenwel gehouden te streven naar een grotere convergentie met het oog op een gemeenschappelijke definitie van het begrip "eigen vermogen".

Daartoe legt de Commissie uiterlijk op 1 januari 1996 een verslag betreffende de toepassing van het onderhavige artikel en van de artikelen 35 tot en met 39 voor aan het Europees Parlement en aan de Raad, eventueel vergezeld van de wijzigingen die zij nodig acht. Uiterlijk op 1 januari 1998 zullen het Europees Parlement en de Raad, overeenkomstig de procedure van artikel 251 van het Verdrag en na raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité, de definitie van het eigen vermogen onderzoeken en opnieuw bezien met het oog op een uniforme toepassing van de gemeenschappelijke definitie.

  • 4. 
    De kredietinstelling moet onmiddellijk en zonder beperking kunnen beschikken over de in lid 2, punten 1 tot en met 5, vermelde bestanddelen om risico's of verliezen te dekken zodra deze zich voordoen. Het bedrag van deze bestanddelen moet ten tijde van hun berekening vrij zijn van elke voorzienbare belasting of daarvoor gecorrigeerd zijn voorzover deze belastingen het bedrag verlagen ten belope waarvan deze bestanddelen aangewend kunnen worden voor het dekken van risico's of verliezen.

Artikel 35

Andere bestanddelen

  • 1. 
    Het door een lidstaat gebruikte begrip "eigen vermogen" kan andere bestanddelen inhouden, mits deze, ongeacht hun wettelijke of boekhoudkundige benamingen, de volgende kenmerken bezitten:
  • a) 
    zij staan ter vrije beschikking van de kredietinstelling ter dekking van de normale risico's van het bankbedrijf, indien de verliezen of de waardeverminderingen nog niet zijn vastgesteld;
  • b) 
    het bestaan ervan blijkt uit de interne rekeningen;
  • c) 
    het betrokken bedrag wordt vastgesteld door het bestuur van de kredietinstelling, gecontroleerd door onafhankelijke accountants, ter kennis gebracht aan de bevoegde autoriteiten en aan hun toezicht onderworpen.
  • 2. 
    Als andere bestanddelen kunnen ook worden aanvaard schuldtitels met een onbepaalde looptijd en andere financieringsinstrumenten die aan de volgende voorwaarden voldoen:
  • a) 
    zij kunnen niet worden terugbetaald op initiatief van de houder of zonder voorafgaande toestemming van de bevoegde autoriteit;
  • b) 
    de schuldovereenkomst moet bepalen dat de kredietinstelling de betaling van rente over de schuld mag uitstellen;
  • c) 
    de vorderingen van de leninggever op de leningnemende kredietinstelling moeten volledig achtergesteld zijn bij die van alle niet-achtergestelde crediteuren:
  • d) 
    de documenten inzake de uitgifte van de schuldtitels moeten bepalen, dat schuld en niet-betaalde rente gebruikt kunnen worden om verliezen op te vangen, terwijl de kredietinstelling haar werkzaamheden kan voortzetten;
  • e) 
    alleen de daadwerkelijk gestorte bedragen worden in aanmerking genomen.

Hierbij komen nog andere cumulatief preferente aandelen dan die bedoeld in artikel 34, lid 2, punt 8.

Artikel 36

Andere bepalingen inzake het eigen vermogen

  • 1. 
    De aansprakelijkheidsverplichtingen van de leden van de in artikel 34, lid 2, punt 7, bedoelde kredietinstellingen met de rechtsvorm van coöperatieve vereniging, omvatten het niet-gestorte kapitaal van deze instellingen en de statutaire verplichting van de leden van deze coöperatieve instellingen tot het doen van aanvullende niet-terugbetaalbare stortingen wanneer de kredietinstelling verlies lijdt. In dat geval dienen de stortingen onmiddellijk gevorderd te kunnen worden.

Met de hiervoor bedoelde bestanddelen worden gelijkgesteld de hoofdelijke verplichtingen van de leningnemers in het geval van als fonds georganiseerde kredietinstellingen.

Al deze bestanddelen kunnen in het eigen vermogen worden opgenomen, voorzover zij overeenkomstig de nationale wetgeving tot het eigen vermogen van dit soort instellingen worden gerekend.

  • 2. 
    De lidstaten mogen garanties die zij of hun autoriteiten aan openbare kredietinstellingen verlenen, niet tot het eigen vermogen van deze kredietinstellingen rekenen.
  • 3. 
    De lidstaten of de bevoegde autoriteiten mogen de in artikel 34, lid 2, punt 8, bedoelde cumulatief preferente aandelen met een vaste looptijd, alsmede de aldaar bedoelde achtergestelde leningen in het eigen vermogen opnemen, indien er bindende overeenkomsten bestaan volgens welke deze leningen in geval van faillissement of liquidatie van de kredietinstelling worden achtergesteld bij de vorderingen van alle andere crediteuren en eerst worden terugbetaald nadat alle andere op dat tijdstip opeisbare schulden zijn voldaan.

De achtergestelde leningen moeten daarnaast aan de volgende criteria voldoen:

  • a) 
    alleen de daadwerkelijk gestorte middelen worden in aanmerking genomen:
  • b) 
    de betrokken middelen hebben een oorspronkelijke looptijd van ten minste vijf jaar, waarna terugbetaling mogelijk is; indien de looptijd van de schuld onbepaald is, moet een opzeggingstermijn van vijf jaar worden overeengekomen, tenzij de betrokken middelen niet langer als eigen vermogen worden beschouwd, of tenzij voor vervroegde terugbetaling uitdrukkelijk voorafgaande toestemming van de bevoegde autoriteiten is vereist. De bevoegde autoriteiten kunnen toestemming verlenen voor vervroegde terugbetaling van dergelijke middelen, mits het initiatief hiertoe uitgaat van de leningnemer en de solvabiliteit van de kredietinstelling onaangetast blijft;
  • c) 
    de hoogte tot welke zij kunnen worden gerekend tot het eigen vermogen zal geleidelijk worden verlaagd gedurende ten minste de vijf jaar die voorafgaan aan de datum van de terugbetaling;
  • d) 
    de leningovereenkomst bevat geen bepalingen krachtens welke de lening in bepaalde omstandigheden, andere dan de liquidatie van de kredietinstelling, vóór de overeengekomen datum moet worden terugbetaald.

Artikel 37

Berekening van het eigen vermogen op geconsolideerde basis

  • 1. 
    Wanneer de berekening op geconsolideerde grondslag dient te geschieden, worden de in artikel 34, lid 2, genoemde bestanddelen voor hun geconsolideerde bedragen in aanmerking genomen overeenkomstig de in de artikelen 52 tot en met 56 vastgestelde regels. Bovendien mogen de volgende creditbestanddelen ("negatieve bestanddelen") voor de berekening van het eigen vermogen met de geconsolideerde reserves worden gelijkgesteld:
  • minderheidsbelangen in de zin van artikel 21 van Richtlijn 83/349/EEG als de integrale consolidatiemethode wordt toegepast;
  • het eerste consolidatieverschil in de zin van de artikelen 19, 30 en 31 van Richtlijn 83/349/EEG;
  • de omrekeningsverschillen die overeenkomstig artikel 39, lid 6, van Richtlijn 86/635/EEG in de geconsolideerde reserves worden opgenomen;
  • het verschil dat voortvloeit uit de vermelding van bepaalde deelnemingen overeenkomstig de in artikel 33 van Richtlijn 83/349/EEG beschreven methode.
  • 2. 
    Wanneer bovengenoemde bestanddelen debetbestanddelen ("positieve bestanddelen") zijn, dienen zij bij de berekening van het geconsolideerde eigen vermogen in mindering te worden gebracht.

Artikel 38

Aftrek en limieten

  • 1. 
    Voor de in artikel 34, lid 2, punten 4 tot en met 8, bedoelde bestanddelen gelden de volgende limieten:
  • a) 
    de som van de bestanddelen genoemd in de punten 4 tot en met 8 mag niet meer bedragen dan 100 % van de som van de bestanddelen genoemd in de punten 1, 2 en 3, verminderd met de som van de bestanddelen genoemd in de punten 9, 10 en 11;
  • b) 
    de som van de bestanddelen genoemd in de punten 7 en 8 mag niet meer bedragen dan 50 % van de som van de bestanddelen genoemd in de punten 1, 2 en 3, verminderd met de som van de bestanddelen genoemd in de punten 9, 10 en 11;
  • c) 
    de som van de bestanddelen genoemd in de punten 12 en 13 wordt in mindering gebracht op de som van alle bestanddelen.
  • 2. 
    De bevoegde autoriteiten kunnen kredietinstellingen toestemming geven om in tijdelijke en uitzonderlijke omstandigheden de in lid 1 genoemde limieten te overschrijden.

Artikel 39

Aan bevoegde autoriteiten te leveren bewijs

Ten genoegen van de bevoegde autoriteiten moet worden aangetoond dat aan de voorwaarden van artikel 34, leden 2, 3 en 4, en van de artikelen 35 tot en met 38 is voldaan.

Afdeling 2

Solvabiliteitsratio

Artikel 40

Algemene beginselen

  • 1. 
    De solvabiliteitsratio drukt de verhouding uit tussen het eigen vermogen, zoals omschreven in artikel 41, en het totaal van de naar risicograad gewogen activa en posten buiten de balanstelling als omschreven in artikel 42.
  • 2. 
    De solvabiliteitsratio van kredietinstellingen die geen moederonderneming in de zin van artikel 1 van Richtlijn 83/349/EEG zijn en evenmin een dochteronderneming daarvan, wordt op individuele basis berekend.
  • 3. 
    De solvabiliteitsratio van kredietinstellingen die moederonderneming zijn, wordt berekend op geconsolideerde basis overeenkomstig de methoden omschreven in deze richtlijn en in Richtlijn 86/635/EEG.
  • 4. 
    De bevoegde autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de vergunning van en het toezicht op de moederonderneming die een kredietinstelling is, mogen ook van haar en van elke dochteronderneming daarvan die onder hun vergunning en toezicht valt, eisen dat een ratio op basis van een deelconsolidatie of een niet-geconsolideerde ratio wordt berekend. Indien er niet zo'n controle op de passende verdeling van het kapitaal binnen de bankengroep wordt toegepast, moeten er andere maatregelen worden genomen om dat doel te bereiken.
  • 5. 
    Onverminderd de in de leden 2, 3 en 4 en in artikel 52, leden 8 en 9, omschreven verplichtingen van de kredietinstellingen dragen de bevoegde autoriteiten er zorg voor dat de ratio's ten minste tweemaal per jaar worden berekend, ofwel door de kredietinstelling zelf, die de resultaten en alle gevraagde desbetreffende gegevens aan de bevoegde autoriteiten verstrekt, ofwel door de bevoegde autoriteiten die gebruikmaken van de door de kredietinstellingen verstrekte gegevens.
  • 6. 
    De waardering van activa en van posten buiten de balanstelling geschiedt overeenkomstig Richtlijn 86/635/EEG.

Artikel 41

De teller: eigen vermogen

Het eigen vermogen, zoals gedefinieerd in deze richtlijn, vormt de teller van de solvabilieitsratio.

Artikel 42

De noemer: naar risicograad gewogen activa en posten buiten de balanstelling

  • 1. 
    Aan de actiefposten worden risicograden, in de vorm van in procenten uitgedrukte wegingsfactoren, toegekend overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 43 en 44, en, in uitzonderlijke gevallen, in de artikelen 45, 62 en 63. De balanswaarde van elk activum wordt vervolgens vermenigvuldigd met de desbetreffende wegingsfactor om te komen tot een naar risicograad gewogen waarde.
  • 2. 
    In het geval van de in bijlage II vermelde posten buiten de balanstelling wordt een berekening in twee fasen verricht, overeenkomstig artikel 43, lid 2.
  • 3. 
    In het geval van de in artikel 43, lid 3, bedoelde posten buiten de balanstelling worden de potentiële kosten van vervanging van contracten bij in gebreke blijven van de tegenpartij berekend door toepassing van een van de twee in bijlage III genoemde methoden. Deze kosten worden vermenigvuldigd met de desbetreffende, in artikel 43, lid 1, vermelde wegingsfactor voor de tegenpartij, met dien verstande dat de wegingsfactor 100 % op 50 % wordt gesteld, om naar risicograad gewogen waarden te krijgen.
  • 4. 
    De som van de in de leden 2 en 3 bedoelde naar risicograad gewogen waarden van activa en posten buiten de balanstelling is de noemer van de solvabiliteitsratio.

Artikel 43

Risicowegingsfactoren

  • 1. 
    Op de hierna vermelde activacategorieën worden de daarbij aangegeven wegingsfactoren toegepast, tenzij de bevoegde autoriteiten het dienstig achten hogere factoren vast te stellen:
  • a) 
    Wegingsfactor 0 %
  • 1. 
    kasmiddelen en gelijkwaardige posten;
  • 2. 
    activa die vorderingen op centrale overheden en centrale banken van zone A vertegenwordigen;
  • 3. 
    activa die vorderingen op de Europese Gemeenschappen vertegenwoordigen;
  • 4. 
    activa die uit uitdrukkelijk door centrale overheden en centrale banken van zone A of door de Europese Gemeenschappen gegarandeerde vorderingen vertegenwoordigen;
  • 5. 
    activa die vorderingen op centrale overheden en centrale banken van zone B vertegenwoordigen, luidende en gefinancierd in de nationale valuta van de leningnemer;
  • 6. 
    activa die vorderingen vertegenwoordigen welke uitdrukkelijk zijn gegarandeerd door centrale overheden en centrale banken van zone B, luidende en gefinancierd in de gemeenschappelijke nationale valuta van de garant en de leningnemer;
  • 7. 
    activa die ten genoegen van de bevoegde autoriteiten zijn gegarandeerd door onderpand in de vorm van effecten die zijn uitgegeven door centrale overheden of centrale banken van zone A of door de Europese Gemeenschappen, door deposito's in contanten bij de leningverstrekkende instelling of door certificaten van deposito of soortgelijk papier, uitgegeven door en gedeponeerd bij laatstgenoemde instelling.
  • b) 
    Wegingsfactor 20 %
  • 1. 
    activa die vorderingen op de EIB vertegenwoordigen;
  • 2. 
    activa die vorderingen op multilaterale ontwikkelingsbanken vertegenwoordigen;
  • 3. 
    activa die vorderingen vertegenwoordigen welke uitdrukkelijk zijn gegarandeerd door de EIB;
  • 4. 
    activa die vorderingen vertegenwoordigen welke uitdrukkelijk zijn gegarandeerd door multilaterale ontwikkelingsbanken;
  • 5. 
    activa die vorderingen op regionale of lokale overheden van zone A vertegenwoordigen, behoudens het bepaalde in artikel 44;
  • 6. 
    activa die vorderingen vertegenwoordigen welke uitdrukkelijk zijn gegarandeerd door regionale of lokale overheden van zone A behoudens het bepaalde in artikel 44;
  • 7. 
    activa die vorderingen op kredietinstellingen van zone A vertegenwoordigen, en die geen eigen vermogen van die instellingen zijn;
  • 8. 
    activa die vorderingen op kredietinstellingen van zone B vertegenwoordigen met een looptijd van ten hoogste een jaar, met uitzondering van door deze instellingen uitgegeven effecten die als bestanddelen van hun eigen vermogen zijn erkend;
  • 9. 
    activa die uitdrukkelijk zijn gegarandeerd door kredietinstellingen van zone A;
  • 10. 
    activa die vorderingen met een looptijd van ten hoogste een jaar vertegenwoordigen, welke uitdrukkelijk zijn gegarandeerd door kredietinstellingen van zone B;
  • 11. 
    activa die ten genoegen van de bevoegde autoriteiten zijn gegarandeerd door onderpand in de vorm van effecten die zijn uitgegeven door de EIB of door multilaterale ontwikkelingsbanken;
  • 12. 
    liquide middelen in de inningsfase.
  • c) 
    Wegingsfactor 50 %
  • 1. 
    leningen die ten genoegen van de bevoegde autoriteiten geheel en volledig zijn gegarandeerd door hypotheken op woningen die worden of zullen worden bewoond of verhuurd door de leningnemers en leningen die, ten genoegen van de bevoegde autoriteiten, volledig zijn gegarandeerd door aandelen in Finse bedrijven voor de bouw van residentiële woningen, die werkzaam zijn volgens de Finse wet op de woningbouwverenigingen van 1991 of latere gelijkwaardige wetgeving ten aanzien van residentiële eigendommen die zullen worden bewoond of verhuurd door de leningnemer;

"door hypotheek gedekte waardepapieren" die kunnen worden gelijkgesteld aan de in de eerste alinea of de in artikel 62, lid 1, bedoelde leningen indien de bevoegde, autoriteiten, rekening houdend met het in elke lidstaat geldende rechtskader, van oordeel zijn dat zij ten aanzien van het kredietrisico gelijkwaardig zijn. Onverminderd de soorten waardepapieren die door dit punt kunnen worden bestreken en die aan de voorwaarden ervan voldoen, kunnen "door hypotheek gedekte waardepapieren" mede instrumenten omvatten in de zin van deel B, punt 1, onder a) en b), van de bijlage bij Richtlijn 93/22/EEG van de Raad(17). In het bijzonder moet ten genoegen van de bevoegde autoriteiten zijn aangetoond:

  • i) 
    dat deze waardepapieren volledig en rechtstreeks zijn gedekt door een pool van hypotheken van gelijke aard als die welke in de eerste alinea of in artikel 61, lid 1, zijn omschreven, en die ten tijde van de uitgifte van de betrokken waardepapieren volledig operationeel zijn;
  • ii) 
    dat de beleggers in door hypotheek gedekte waardepapieren hetzij rechtstreeks, hetzij via een trustee of in hun opdracht handelend vertegenwoordiger, een recht van aanvaardbare rang met hoge prioriteit hebben op de onderliggende door hypotheek belichaamde actiefposten naar evenredigheid van hun aandeel in de waardepapieren;
  • 2. 
    overlopende posten: op deze activa wordt de voor de tegenpartij geldende wegingsfactor toegepast wanneer de kredietinstelling deze overeenkomstig Richtlijn 86/635/EEG kan bepalen; wanneer de kredietinstelling niet in staat is om de tegenpartij te bepalen, past zij een forfaitaire wegingsfactor van 50 % toe.
  • d) 
    Wegingsfactor 100 %
  • 1. 
    activa die vorderingen op centrale overheden en centrale banken van zone B vertegenwoordigen, tenzij deze luiden en gefinancierd zijn in de nationale valuta van de leningnemers;
  • 2. 
    activa die vorderingen op regionale en lokale overheden van zone B vertegenwoordigen;
  • 3. 
    activa die vorderingen op kredietinstellingen van zone B vertegenwoordigen met een looptijd van meer dan een jaar;
  • 4. 
    activa die vorderingen op de niet-bancaire sectoren van zone A en zone B vertegenwoordigen;
  • 5. 
    materiële activa in de zin van artikel 4 (activa), punt 10, van Richtlijn 86/635/EEG;
  • 6. 
    bezit van aandelen, deelnemingen en andere bestanddelen van het eigen vermogen van andere kredietinstellingen voorzover niet in mindering gebracht op het eigen vermogen van de leningverstrekkende instelling;
  • 7. 
    alle andere activa, tenzij in mindering gebracht op het eigen vermogen.
  • 2. 
    De volgende behandeling is van toepassing op andere dan de in lid 3 bedoelde posten buiten de balanstelling. Eerst worden de posten ingedeeld in de risicocategorieën van bijlage II. Voor posten met een volledig risico wordt de totale waarde in aanmerking genomen; voor posten met een middelgroot risico 50 % van de waarde; voor posten met een middelgroot/laag risico 20 % van de waarde; de waarde van de posten met een laag risico wordt vastgesteld op nul. De tweede fase bestaat erin de aldus in aanmerking genomen waarden van de posten buiten de balanstelling te vermenigvuldigen met de wegingsfactoren die gelden voor de betrokken tegenpartijen, overeenkomstig de weging van activa in lid 1 en in artikel 44. Bij overeenkomsten inzake cessie en retrocessie van activa en bij koop op termijn zonder rugdekking zijn de wegingsfactoren die welke gelden voor de betrokken activa, en niet die welke gelden voor de tegenpartijen bij de transacties. Op het niet-gestorte gedeelte van de inschrijvingen op het kapitaal van het Europees Investeringsfonds mag een wegingsfactor van 20 % worden toegepast.
  • 3. 
    De methoden van bijlage III worden toegepast op de in bijlag IV vermelde posten buiten de balanstelling, behalve voor:
  • contracten die verhandeld worden op erkende beurzen,
  • valutacontracten (uitgezonderd contracten betreffende goudtransacties) met een oorspronkelijke looptijd van 14 kalenderdagen of minder.

Tot en met 31 december 2006 kunnen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten een vrijstelling van de methoden van bijlage III toestaan voor OTC-contracten die worden gecleard door een clearinginstelling die optreedt als de wettelijke tegenpartij, en waarbij alle deelnemers het risico dat zij voor de clearinginstelling belichamen, dagelijks volledig met onderpand dekken, zodat bescherming wordt geboden tegen zowel het huidige risico als het potentiële toekomstige risico. De bevoegde autoriteiten moeten ervan overtuigd zijn dat het gestelde onderpand dezelfde mate van bescherming biedt als onderpand in de zin van lid 1, onder a), punt 7, en dat het gevaar dat de gezamenlijke risico's van de clearinginstelling boven de marktwaarde van het geplaatste onderpand uitstijgen, wordt geëlimineerd. De lidstaten lichten de Commissie in over het gebruik dat zij van deze keuzemogelijkheid maken.

  • 4. 
    Indien voor posten buiten de balanstelling uitdrukkelijke garanties zijn verstrekt, worden zij gewogen als waren zij aangegaan voor de garant in plaats van de tegenpartij. Indien het risico dat voortvloeit uit transacties buiten de balanstelling, ten genoegen van de bevoegde autoriteiten, geheel en volledig is gegarandeerd door activa die in lid 1, onder a), punt 7, en in lid 1, onder b), punt 11, als passend onderpand worden aangemerkt, gelden wegingsfactoren van 0 of 20 % naar gelang van het desbetreffende onderpand.

De lidstaten kunnen een wegingsfactor van 50 % toepassen op posten buiten de balanstelling die borgstellingen of kredietgaranties met het karakter van kredietvervangingen zijn en die, ten genoegen van de bevoegde autoriteiten, geheel en volledig zijn gegarandeerd door hypotheken die voldoen aan de voorwaarden van lid 1, onder c), punt 1, mits de garant een direct recht op dat onderpand heeft.

  • 5. 
    Indien voor activa en posten buiten de balanstelling een lagere wegingsfactor wordt toegepast wegens het bestaan van een uitdrukkelijke garantie of van een voor de bevoegde autoriteiten aanvaardbaar onderpand, is die lagere wegingsfactor alleen van toepassing op het gedeelte dat is gegarandeerd of dat volledig door het onderpand is gegarandeerd.

Artikel 44

Wegingsfactor van vorderingen op regionale of lokale overheden van de lidstaten

  • 1. 
    Onverminderd de voorschriften van artikel 43, lid 1, onder b), kunnen de lidstaten een wegingsfactor van 0 % vaststellen voor hun eigen regionale en lokale overheden indien er geen verschil in risico bestaat tussen vorderingen op laatstgenoemde overheden en vorderingen op hun centrale overheden vanwege de bevoegdheden van de regionale en lokale overheden om inkomsten te verkrijgen en het bestaan van specifieke institutionele regels om de kans op in gebreke blijven door genoemde overheden te verminderen. Een overeenkomstig deze criteria vastgestelde wegingsfactor van 0 % geldt voor vorderingen op en posten buiten de balanstelling voor rekening van de betrokken regionale en lokale overheden, alsmede voor vorderingen op derden en posten buiten de balanstelling voor rekening van derden, welke gegarandeerd zijn door die regionale en lokale overheden of die, ten genoegen van de betrokken bevoegde autoriteiten, gegarandeerd zijn door onderpand in de vorm van effecten die zijn uitgegeven door die regionale of lokale overheden.
  • 2. 
    Indien zij wegingsfactor 0 % op grond van de in lid 1 genoemde criteria gerechtvaardigd achten, stellen de lidstaten de Commissie daarvan in kennis. De Commissie verspreidt deze informatie. Andere lidstaten kunnen de kredietinstellingen, onder toezicht van hun bevoegde autoriteiten, toestaan om wegingsfactor 0 % toe te passen voor transacties met de regionale of lokale overheden in kwestie of wanneer zij vorderingen hebben welke door die overheden worden gegarandeerd, met inbegrip van garanties door onderpand in de vorm van effecten.

Artikel 45

Overige wegingsfactoren

  • 1. 
    Onverminderd artikel 44, lid 1, kunnen de lidstaten een wegingsfactor van 20 % toepassen op activa die ten genoegen van de betrokken bevoegde autoriteiten zijn gegarandeerd door onderpand in de vorm van effecten die zijn uitgegeven door regionale of lokale overheden van zone A, door deposito's bij andere kredietinstellingen van zone A dan de leningverstrekkende instelling, of door certificaten van deposito of soortgelijk papier, uitgegeven door deze kredietinstellingen.
  • 2. 
    De lidstaten kunnen een wegingsfactor van 10 % toepassen op vorderingen op instellingen die zijn gespecialiseerd op het gebied van de interbancaire markt en de markt voor overheidsschuld in de lidstaat van herkomst en die aan een streng toezicht van de bevoegde autoriteiten zijn onderworpen, wanneer die activa, ten genoegen van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst, geheel en volledig zijn gegarandeerd door een combinatie van in artikel 43, lid 1, onder a) en b), vermelde activa die door deze autoriteiten als een passend onderpand wordt aangemerkt.
  • 3. 
    De lidstaten stellen de Commissie in kennis van de overeenkomstig de leden 1 en 2 aangenomen bepalingen en van de motivering van deze bepalingen. De Commissie geeft deze informatie door aan de lidstaten. De Commissie bestudeert op gezette tijden de gevolgen van deze bepalingen om te verzekeren dat zij niet tot concurrentievervalsing leiden.

Artikel 46

Administrative organen en niet-commerciële ondernemingen

Voor de toepassing van artikel 43, lid 1, onder b), kunnen de bevoegde autoriteiten onder de definitie van "regionale en lokale overheden" ook niet-commerciële administratieve organen laten vallen die verantwoording moeten afleggen aan regionale of lokale overheden, alsmede niet-commerciële ondernemingen die eigendom zijn van centrale, regionale of lokale overheden of overheden die, naar het oordeel van de bevoegde autoriteiten, dezelfde verantwoordelijkheden dragen als de regionale en lokale overheden.

De bevoegde autoriteiten kunnen bovendien kerken en godsdienstige gemeenschappen die publiekrechtelijke rechtspersonen zijn, gelijkstellen met regionale en lokale overheden, voorzover zij belastingen heffen op grond van een hun daartoe bij wet verleend recht. In dit geval is de keuzemogelijkheid van artikel 44 evenwel niet van toepassing.

Artikel 47

Het peil van de solvabiliteitsratio

  • 1. 
    Kredietinstellingen moeten de in artikel 40 omschreven ratio permanent op ten minste 8 % handhaven.
  • 2. 
    Onverminderd lid 1 mogen de bevoegde autoriteiten hogere minimumratio's vaststellen indien zij zulks dienstig achten.
  • 3. 
    Indien de ratio lager wordt dan 8 %, zien de bevoegde autoriteiten erop toe dat de betrokken kredietinstelling passende maatregelen neemt om de ratio zo spoedig mogelijk weer op het overeengekomen minimum te brengen.

Afdeling 3

Grote risico's

Artikel 48

Melding van grote risico's

  • 1. 
    Een risico van een kredietinstelling met betrekking tot een cliënt of een groep van verbonden cliënten wordt als groot beschouwd indien de waarde ervan 10 % of meer van haar eigen vermogen bedraagt.
  • 2. 
    De grote risico's, zoals omschreven in lid 1, worden door de kredietinstelling aan de bevoegde autoriteiten gemeld. De lidstaten bepalen dat deze melding, naar hun keuze, plaatsvindt volgens een van de volgende twee formules:
  • melding van alle grote risico's ten minste eenmaal per jaar, gecombineerd met mededeling in de loop van het jaar van alle nieuwe grote risico's en van een toeneming van bestaande grote risico's met ten minste 20 % ten opzichte van de laatste mededeling;
  • melding van alle grote risico's ten minste viermaal per jaar.
  • 3. 
    Melding in de zin van lid 2 behoeft evenwel niet plaats te vinden voor risico's die op grond van artikel 49, lid 7, onder a), b), c), d), f), g) en h), zijn vrijgesteld. Voor de risico's die in artikel 49, lid 7, onder e) en i) tot en met s), en leden 8, 9 en 10, worden bedoeld, hoeft de in lid 2, tweede streepje, bedoelde melding slechts tweemaal per jaar plaats te vinden.
  • 4. 
    De bevoegde autoriteiten eisen dat er in elke kredietinstelling een goede administratieve en boekhoudkundige organisatie en adequate interne controleprocedures bestaan voor het vaststellen en vastleggen van alle grote risico's en daarin optredende wijzigingen, zoals omschreven en vereist in deze richtlijn, alsmede voor het toetsen van deze risico's aan het risicobeleid van de kredietinstelling.

Wanneer een kredietinstelling gebruikmaakt van lid 3, dient zij de gegevens omtrent de beweegredenen daarvoor gedurende een jaar na het tot ontheffing aanleiding gevende feit te bewaren, teneinde de bevoegde autoriteiten in staat te stellen de rechtmatigheid daarvan te verifiëren.

Artikel 49

Voor grote risico's geldende grenswaarden

  • 1. 
    Een kredietinstelling mag met betrekking tot één cliënt of een groep van verbonden cliënten geen risico aangaan met een totale waarde van meer dan 25 % van haar eigen vermogen.
  • 2. 
    Indien de cliënt of groep van verbonden cliënten de moederonderneming of dochteronderneming van de kredietinstelling en/of één of meer dochterondernemingen van deze moederonderneming is, wordt het in lid 1 genoemde percentage verlaagd tot 20 %. De lidstaten behoeven deze grenswaarde van 20 % echter niet op de risico's met betrekking tot deze cliënten toe te passen indien zij die risico's via andere maatregelen of procedures aan bijzonder toezicht onderwerpen. Zij stellen de Commissie en het Raadgevend Comité voor het bankwezen in kennis van de strekking van deze maatregelen of procedures.
  • 3. 
    Een kredietinstelling mag geen grote risico's aangaan waarvan de totale waarde meer dan 800 % van haar eigen vermogen bedraagt.
  • 4. 
    De lidstaten mogen striktere grenswaarden vaststellen dan de in de leden 1, 2 en 3 vermelde grenswaarden.
  • 5. 
    Een kredietinstelling moet met betrekking tot de door haar aangegane risico's doorlopend de in de leden 1, 2 en 3 bepaalde grenswaarden in acht nemen. Indien de aangegane risico's in een uitzonderlijk geval de genoemde grenswaarden toch overschrijden, moet dit onverwijld worden gemeld aan de bevoegde autoriteiten, die, indien de omstandigheden zulks rechtvaardigen, de kredietinstelling een beperkte termijn kunnen toestaan om alsnog aan de grenswaarden te voldoen.
  • 6. 
    De lidstaten mogen van de toepassing van de leden 1, 2 en 3 geheel of gedeeltelijk vrijstellen de risico's die door een kredietinstelling zijn aangegaan met betrekking tot haar moederonderneming, de andere dochterondernemingen van de moederonderneming en haar eigen dochterondernemingen, voorzover deze ondernemingen opgenomen zijn in het toezicht op geconsolideerde basis waaraan de kredietinstelling zelf onderworpen is, overeenkomstig de onderhavige richtlijn of overeenkomstig de in een derde land geldende gelijkwaardige normen.
  • 7. 
    De lidstaten mogen de volgende risico's geheel of gedeeltelijk vrijstellen van de toepassing van de leden 1, 2 en 3:
  • a) 
    activa die vorderingen op centrale overheden of centrale banken van zone A vertegenwoordigen;
  • b) 
    activa die vorderingen, op de Europese Gemeenschappen vertegenwoordigen;
  • c) 
    activa die vorderingen vertegenwoordigen welke uitdrukkelijk zijn gegarandeerd door centrale overheden of centrale banken van zone A, of door de Europese Gemeenschappen;
  • d) 
    andere risico's of gegarandeerd door centrale overheden of centrale banken van zone A of de Europese Gemeenschappen;
  • e) 
    activa die vorderingen en andere risico's op centrale overheden of centrale banken van zone B vertegenwoordigen, luidende en in voorkomend geval gefinancierd in de nationale valuta van de leningnemer;
  • f) 
    activa en andere risico's die ten genoegen van de bevoegde autoriteiten zijn gegarandeerd door onderpand in de vorm van effecten die zijn uitgegeven door centrale overheden of centrale banken van zone A, door de Europese Gemeenschappen of door regionale of lokale overheden van de lidstaten waarvoor overeenkomstig artikel 44 inzake de solvabiliteit een wegingsfactor van 0 % wordt toegepast;
  • g) 
    activa en andere risico's die ten genoegen van de bevoegde autoriteiten zijn gegarandeerd door onderpand in de vorm van deposito's in contanten bij de leningverstrekkende instelling, of bij een kredietinstelling die de moederonderneming of een dochteronderneming van de leningverstrekkende instelling is;
  • h) 
    activa en andere risico's die ten genoegen van de bevoegde autoriteiten zijn gegarandeerd door onderpand in de vorm van depositocertificaten die zijn uitgegeven door de leningverstrekkende instelling of door een kredietinstelling die de moederonderneming of een dochteronderneming van de leningverstrekkende instelling is, en die bij een van deze zijn gedeponeerd;
  • i) 
    activa die vorderingen en andere risico's op kredietinstellingen vertegenwoordigen, met een looptijd van ten hoogste één jaar en die geen eigen vermogen van die instellingen vormen;
  • j) 
    activa die vorderingen en andere risico's met een looptijd van ten hoogste één jaar vertegenwoordigen welke gegarandeerd zijn overeenkomstig artikel 45, lid 2, op instellingen die geen kredietinstelling zijn, maar voldoen aan de voorwaarden van voornoemd artikel;
  • k) 
    wissels en promessen met een looptijd van ten hoogste één jaar die de handtekening van een andere kredietinstelling dragen;
  • l) 
    obligaties als gedefinieerd in artikel 22, lid 4, van Richtlijn 85/611/EEG;
  • m) 
    tot aan een latere coördinatie, deelnemingen in verzekeringsondernemingen als bedoeld in artikel 5, lid 3, tot een maximum van 40 % van het eigen vermogen van de kredietinstelling die de deelneming houdt;
  • n) 
    activa die vorderingen vertegenwoordigen op regionale of centrale kredietinstellingen waarmede de leningverstrekkende kredietinstelling krachtens wettelijke of statutaire bepalingen in het kader van een netwerk is verbonden en die op grond van deze bepalingen belast zijn met de verevening van onderlinge geldposities binnen het netwerk;
  • o) 
    risico's die ten genoegen van de bevoegde autoriteiten zijn gegarandeerd door onderpand in de vorm van andere effecten dan die bedoeld onder f), mits de effecten niet door de kredietinstellingen zelf of door hun moederonderneming of een van hun dochterondernemingen, noch door de betrokken cliënt of groep van verbonden cliënten zijn uitgegeven. De in onderpand gegeven effecten moeten tegen marktprijs worden gewaardeerd en een overwaarde ten opzichte van de gegarandeerde risico's bezitten en moeten op een effectenbeurs genoteerd zijn, dan wel daadwerkelijk verhandelbaar en regelmatig genoteerd zijn op een markt die via erkende professionele marktdeelnemers functioneert, en die ten genoegen van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst van de kredietinstelling de mogelijkheid garandeert om een objectieve koers te bepalen aan de hand waarvan te allen tijde de overwaarde van deze effecten kan worden geverifieerd. De vereiste overwaarde bedraagt 100 %; zij bedraagt evenwel 150 % in het geval van aandelen en 50 % in het geval van obligaties die zijn uitgegeven door kredietinstellingen, regionale of lokale overheden van de lidstaten andere dan die bedoeld in artikel 44, en in het geval van obligaties die zijn uitgegeven door de Europese Investeringsbank en multilaterale ontwikkelingsbanken. De in onderpand gegeven effecten mogen niet tot het eigen vermogen van kredietinstellingen worden gerekend;
  • p) 
    leningen die, ten genoegen van de bevoegde autoriteiten, zijn gegarandeerd door een hypotheek op residentiële eigendom of door aandelen in Finse bedrijven voor de bouw van residentiële woningen, die werkzaam zijn volgens de Finse wet op de woningbouwverenigingen van 1991 of latere gelijkwaardige wetgeving en transacties inzake financieringshuur voor woningen krachtens welke de lessor de volledige eigendom van de verhuurde residentiële woning behoudt zolang de huurder zijn koopoptie niet heeft uitgeoefend, in alle gevallen tot 50 % van de waarde van de betrokken woning. De waarde van het goed wordt ten genoegen van de bevoegde autoriteiten berekend op basis van strikte, in wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vastgelegde waarderingsnormen. De waardering vindt ten minste éénmaal per jaar plaats. Voor de toepassing van dit punt wordt onder woning verstaan, de woning die bewoond of verhuurd wordt/zal worden door de leningnemer;
  • q) 
    50 % van de posten buiten balanstelling met middelgroot/laag risico, bedoeld in bijlage II;
  • r) 
    mits de bevoegde autoriteiten daarmee instemmen, garanties die geen garanties op verstrekte kredieten zijn, die een wettelijke of reglementaire basis hebben en die verstrekt worden aan aangesloten cliënten door onderlinge borgtochtmaatschappijen met de status van kredietinstelling onder voorbehoud dat een wegingsfactor van 20 % op het bedrag daarvan wordt toegepast.

Indien de lidstaten van deze mogelijkheid gebruikmaken, stellen zij de Commissie daarvan in kennis, om te voorkomen dat zich dientengevolge concurrentieverstoringen voordoen;

  • s) 
    posten buiten de balanstelling met een laag risico, bedoeld in bijlage II, voorzover met de cliënt of groep van verbonden cliënten een overeenkomst is gesloten op grond waarvan het risico alleen mag worden aangegaan indien vastgesteld is dat de volgens de leden 1, 2 en 3 geldende grenswaarden niet worden overschreden.
  • 8. 
    De lidstaten mogen voor de toepassing van de leden 1, 2 en 3 een wegingsfactor van 20 % toepassen op de activa die vorderingen vertegenwoordigen op regionale en lokale overheden van de lidstaten, alsmede op de andere risico's op of gegarandeerd door deze overheden; de lidstaten mogen deze factor evenwel onder de voorwaarden van artikel 44 tot 0 % verlagen.
  • 9. 
    De lidstaten mogen voor de toepassing van de leden 1, 2 en 3 een wegingsfactor van 20 % toepassen op de activa die vorderingen alsmede andere risico's op kredietinstellingen vertegenwoordigen, met een looptijd van meer dan één tot ten hoogste drie jaar, en een wegingsfactor van 50 % op de activa die vorderingen op kredietinstellingen vertegenwoordigen met een looptijd van meer dan drie jaar, mits deze vorderingen bestaan uit schuldbewijzen die zijn uitgegeven door een kredietinstelling en mits deze schuldbewijzen naar het oordeel van de bevoegde autoriteiten effectief op een markt voor professionele marktdeelnemers verhandelbaar zijn en op deze markt dagelijks worden genoteerd of waarvan de uitgifte door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst van de emitterende kredietinstelling is goedgekeurd. In alle gevallen mogen deze posten niet behoren tot het eigen vermogen.
  • 10. 
    In afwijking van lid 7, onder i), en van lid 9, mogen de lidstaten een wegingsfactor van 20 % toepassen op de activa die vorderingen en andere risico's op kredietinstellingen vertegenwoordigen, ongeacht de looptijd.
  • 11. 
    Wanneer een risico met betrekking tot een cliënt is gegarandeerd door een derde partij, dan wel door onderpand in de vorm van effecten die onder de in lid 7, onder o), beschreven voorwaarden zijn uitgegeven door een derde partij, mogen de lidstaten
  • het risico beschouwen als een risico op de derde partij en niet op de cliënt, indien het risico ten genoegen van de bevoegde autoriteiten rechtstreeks en onvoorwaardelijk is gegarandeerd door deze derde partij;
  • het risico beschouwen als een risico op de derde partij en niet op de cliënt, indien het in lid 7, onder o), beschreven risico is gegarandeerd door onderpand onder de daarin genoemde voorwaarden.
  • 12. 
    De Raad onderwerpt uiterlijk op 1 januari 1999 op basis van een verslag van de Commissie de behandeling van de in lid 7, onder i), en de in de leden 9 en 10 bedoelde interbancaire risico's aan een onderzoek. De Raad neemt op basis van een voorstel van de Commissie een besluit over de eventueel daarin aan te brengen wijzigingen.

Artikel 50

Toezicht betreffende grote risico's op geconsolideerde en op niet-geconsolideerde basis

  • 1. 
    Indien de kredietinstelling geen moederonderneming en geen dochteronderneming is, wordt het toezicht op de naleving van de verplichtingen, bepaald in de artikelen 48 en 49 of in andere terzake geldende communautaire voorschriften, op niet-geconsolideerde basis uitgeoefend.
  • 2. 
    In de andere gevallen wordt het toezicht op de naleving van de verplichtingen, bepaald in de artikelen 48 en 49 of in andere terzake geldende communautaire voorschriften, uitgeoefend op geconsolideerde basis overeenkomstig de artikelen 52 tot en met 56.
  • 3. 
    De lidstaten kunnen afzien van het toezicht op de naleving van de verplichtingen, bepaald in de artikelen 48 en 49 of in andere terzake geldende communautaire voorschriften op niet-geconsolideerde of gesubconsolideerde basis, voor een kredietinstelling die als moederonderneming onderworpen is aan toezicht op geconsolideerde basis, en voor elke dochteronderneming van deze kredietinstelling die voor vergunning en toezicht onder deze lidstaten ressorteert en onder het toezicht op geconsolideerde basis valt.

Van dit toezicht kan eveneens worden afgezien indien de moederonderneming een financiële holding is die in dezelfde lidstaat als de kredietinstelling is gevestigd, mits die holding aan hetzelfde toezicht onderworpen is als kredietinstellingen.

In de gevallen, bedoeld in de eerste en de tweede alinea, moeten er maatregelen worden genomen om te zorgen voor een bevredigende spreiding van de risico's binnen de groep.

Afdeling 4

Gekwalificeerde deelnemingen buiten het financiële gebied

Artikel 51

Beperkingen aan gekwalificeerde deelnemingen welke geen financieringsdeelnemingen zijn

  • 1. 
    Een kredietinstelling mag in een onderneming die geen kredietinstelling, financiële instelling of onderneming met werkzaamheden als bedoeld in artikel 43, lid 2, onder f), van Richtlijn 86/635/EEG is, geen gekwalificeerde deelneming hebben waarvan het bedrag meer dan 15 % van haar eigen vermogen bedraagt.
  • 2. 
    Het totale bedrag van de gekwalificeerde deelnemingen in andere ondernemingen dan kredietinstellingen, financiële instellingen of ondernemingen met werkzaamheden als bedoeld in artikel 43, lid 2, onder f), van Richtlijn 86/635/EEG, mag niet meer bedragen dan 60 % van het eigen vermogen van de kredietinstelling.
  • 3. 
    De lidstaten hebben de mogelijkheid de in de leden 1 en 2 vastgestelde limieten niet toe te passen op deelnemingen in verzekeringsondernemingen in de zin van Richtlijn 73/239/EEG(18) en van Richtlijn 79/267/EEG(19).
  • 4. 
    Aandelen die wegens een financiële bijstandsoperatie ter sanering of redding van een onderneming, of wegens de overname van een effectenemissie voor de normale duur van die overname, of in eigen naam maar voor rekening van derden, tijdelijk worden gehouden, worden voor de berekening van de in de leden 1 en 2 vastgestelde limieten niet meegeteld in de gekwalificeerde deelnemingen. Aandelen die niet het karakter van financiële vaste activa in de zin van artikel 35, lid 2, van Richtlijn 86/635/EEG hebben, worden niet meegeteld.
  • 5. 
    De in de leden 1 en 2 vastgestelde limieten mogen alleen in uitzonderlijke omstandigheden worden overschreden. In dat geval eisen de bevoegde autoriteiten echter dat de kredietinstelling haar eigen vermogen verhoogt of andere maatregelen van gelijke werking treft.
  • 6. 
    De lidstaten kunnen bepalen dat de bevoegde autoriteiten de in de leden 1 en 2 vastgestelde limieten niet toepassen indien zij voorschrijven dat het gedeelte van de gekwalificeerde deelneming dat deze limieten te boven gaat, voor 10 % door eigen vermogen moet zijn gedekt en dat dit gedeelte niet in aanmerking wordt genomen voor de berekening van de solvabiliteitsratio. In geval van overschrijding van zowel de in lid 1 als de in lid 2 gestelde limiet, dient het grootste van de overschrijdende gedeelten door eigen vermogen te worden gedekt.

HOOFDSTUK 3

TOEZICHT OP GECONSOLIDEERDE BASIS

Artikel 52

Toezicht op geconsolideerde basis op kredietinstellingen

  • 1. 
    Een kredietinstelling die als dochteronderneming een kredietinstelling of financiële instelling heeft, dan wel een deelneming in dergelijke instellingen houdt, is in de mate en op de wijze als bepaald in artikel 54 onderworpen aan toezicht op basis van haar geconsolideerde financiële positie. Dit toezicht bestrijkt ten minste de in de leden 5 en 6 genoemde terreinen.
  • 2. 
    Een kredietinstelling waarvan de moederonderneming een financiële holding is, is onderworpen aan toezicht op basis van de geconsolideerde financiële positie van de financiële holding in de mate en op de wijze als bepaald in artikel 54. Dit toezicht bestrijkt ten minste de in de leden 5 en 6 genoemde terreinen. De consolidatie van de financiële positie van de financiële holding betekent geenszins dat de bevoegde autoriteiten op de financiële holding als zodanig een toezichtsfunctie moeten uitoefenen.
  • 3. 
    De lidstaten of de overeenkomstig artikel 53 met het toezicht op geconsolideerde basis belaste bevoegde autoriteiten mogen in individuele gevallen kredietinstellingen, financiële instellingen of nevendiensten van het bankbedrijf verrichtende ondernemingen die dochterondernemingen zijn of waarin een deelneming wordt gehouden, buiten de consolidatie houden indien:
  • de in de consolidatie te betrekken onderneming gevestigd is in een derde land waar juridische belemmeringen voor de mededeling van de nodige inlichtingen bestaan,
  • de in de consolidatie te betrekken onderneming volgens de bevoegde autoriteiten in het licht van de doelstellingen van het toezicht op de kredietinstellingen te verwaarlozen is, en in ieder geval indien het balanstotaal van de in de consolidatie te betrekken onderneming lager is dan het laagste van de twee volgende bedragen: 10 miljoen EUR of 1 % van het balanstotaal van de moederonderneming, of van de onderneming die de deelneming houdt; indien verscheidene ondernemingen aan bovenstaande voorwaarden voldoen, dienen zij toch in de consolidatie te worden opgenomen indien het geheel van deze ondernemingen in het licht van bovenstaande doelstellingen, een niet te verwaarlozen belang heeft,

of

  • de consolidatie van de financiële positie van de in de consolidatie te betrekken onderneming, naar de mening van de met het toezicht op geconsolideerde basis belaste autoriteiten, in het licht van de doelstellingen van het toezicht op kredietinstellingen misplaatst of misleidend zou zijn.
  • 4. 
    Indien de bevoegde autoriteiten van een lidstaat een dochterkredietinstelling niet in het toezicht op geconsolideerde basis betrekken op grond van een van de in lid 3, tweede en derde streepje, bedoelde gevallen, kunnen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar deze dochterkredietinstelling gelegen is, van de moederonderneming inlichtingen verlangen om de uitoefening van het toezicht op deze kredietinstelling te vergemakkelijken.
  • 5. 
    Het toezicht op de solvabiliteit, de kapitaaltoereikendheid in het licht van de marktrisico's en de controle op grote risico's worden overeenkomstig het onderhavige artikel en de artikelen 53 tot en met 56 uitgeoefend op geconsolideerde basis. De lidstaten stellen in voorkomend geval de maatregelen vast die nodig zouden blijken om financiële holdings overeenkomstig lid 2 in het geconsolideerde toezicht te kunnen betrekken.

De naleving van de in artikel 51, leden 1 en 2, bepaalde limieten wordt onderworpen aan toezicht en aan controle op basis van de geconsolideerde of gesubconsolideerde financiële positie van de kredietinstelling.

  • 6. 
    De bevoegde autoriteiten schrijven voor dat alle ondernemingen die worden betrokken bij het toezicht op geconsolideerde basis waaraan een kredietinstelling op grond van de leden 1 en 2 onderworpen is, over adequate interne controleprocedures moeten beschikken om de gegevens en inlichtingen te kunnen produceren die van nut zijn voor de uitoefening van het toezicht op geconsolideerde basis.
  • 7. 
    Onverminderd de specifieke bepalingen van andere richtlijnen kunnen de lidstaten ervan afzien de in lid 5 bedoelde normen op basis van subconsolidatie of op individuele basis toe te passen op kredietinstellingen die als moederonderneming aan toezicht op geconsolideerde basis onderworpen zijn, alsmede op elke dochteronderneming van deze kredietinstelling die voor vergunning en toezicht onder deze lidstaten ressorteert en die in het toezicht op geconsolideerde basis van de moederkredietinstelling is opgenomen. Deze vrijstelling wordt ook toegestaan wanneer de moederinstelling een financiële holding is met haar zetel in dezelfde lidstaat als de kredietinstelling, op voorwaarde dat zij aan hetzelfde toezicht wordt onderworpen als kredietinstellingen en met name aan de in lid 5 vastgestelde voorschriften.

In de twee in de eerste alinea bedoelde gevallen moeten maatregelen worden genomen om te zorgen voor een adequate verdeling van het kapitaal binnen de bankgroep.

Indien de bevoegde autoriteiten deze normen op individuele basis toepassen, mogen zij voor de berekening van het eigen vermogen artikel 34, lid 2, laatste alinea, aanwenden.

  • 8. 
    Indien een kredietinstelling die een dochteronderneming is van een moederonderneming die zelf en kredietinstelling is, een vergunning heeft gekregen en in een andere lidstaat gelegen is, passen de bevoegde autoriteiten die de vergunning hebben verleend, op deze instelling de in lid 5 bedoelde voorschriften toe, op individuele basis, dan wel, in voorkomend geval, op basis van subconsolidatie.
  • 9. 
    Onverminderd het bepaalde in lid 8, mogen de bevoegde autoriteiten die vergunning hebben verleend aan de dochteronderneming van een moederonderneming die een kredietinstelling is, bij overeenkomst hun toezichthoudende verantwoordelijkheden overdragen aan de bevoegde autoriteiten die vergunning hebben verleend aan en toezicht uitoefenen op de moederonderneming, opdat deze autoriteiten het toezicht op de dochteronderneming op zich nemen overeenkomstig deze richtlijn. De Commissie wordt over het afsluiten en de strekking van dergelijke overeenkomsten ingelicht. Zij licht de bevoegde autoriteiten van de overige lidstaten en het Raadgevend Comité voor het bankwezen hierover in.
  • 10. 
    De lidstaten bepalen dat hun met het toezicht op geconsolideerde basis belaste bevoegde autoriteiten van de dochteronderneming van een kredietinstelling of een financiële holding die niet onder het toezicht op geconsolideerde basis vallen, de in artikel 55 bedoelde inlichtingen mogen verlangen. In dat geval zijn de in dat artikel bedoelde procedures voor toezending en verificatie van de inlichtingen van toepassing.

Artikel 53

Tot toezicht op geconsolideerde basis bevoegde autoriteiten

  • 1. 
    Indien de moederonderneming een kredietinstelling is, wordt het toezicht op geconsolideerde basis uitgeoefend door de bevoegde autoriteiten die aan deze kredietinstelling de in artikel 4 bedoelde vergunning hebben verleend.
  • 2. 
    Indien de moederonderneming van een kredietinstelling een financiële holding is, wordt het toezicht op geconsolideerde basis uitgeoefend door de bevoegde autoriteiten die aan deze kredietinstelling de in artikel 4 bedoelde vergunning hebben verleend.

Indien evenwel kredietinstellingen waaraan in meer dan één lidstaat vergunning is verleend, dezelfde financiële holding als moederonderneming hebben, wordt het toezicht op geconsolideerde basis uitgeoefend door de autoriteiten die bevoegd zijn voor de kredietinstelling waaraan vergunning is verleend in de lidstaat waar de financiële holding is opgericht.

Indien in de lidstaat waar de financiële holding is opgericht, aan geen dochterkredietinstellingen vergunning is verleend, komen de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten (daarbij begrepen de autoriteiten van de lidstaat waar de financiële holding is opgericht) met elkaar overeen wie van hen het toezicht op geconsolideerde basis zal uitoefenen. Bij gebreke van een dergelijke afspraak wordt het toezicht op geconsolideerde basis uitgeoefend door de bevoegde autoriteiten die een vergunning hebben verleend aan de kredietinstelling met het hoogste balanstotaal; in het geval van gelijke balanstotalen wordt het toezicht op geconsolideerde basis uitgeoefend door de bevoegde autoriteiten die als eerste een vergunning als bedoeld in artikel 4 hebben verleend.

  • 3. 
    De betrokken bevoegde autoriteiten kunnen met elkaar overeenkomen van het bepaalde in lid 2, eerste en tweede alinea, af te wijken.
  • 4. 
    De in lid 2, derde alinea, en in lid 3 bedoelde overeenkomsten bevatten concrete maatregelen inzake samenwerking en informatie-uitwisseling met het oog op het verwezenlijken van de doelstellingen betreffende het toezicht op geconsolideerde basis.
  • 5. 
    Indien er in de lidstaten meer dan één bevoegde autoriteit is voor het bedrijfseconomisch toezicht of kredietinstellingen en financiële instellingen, nemen de lidstaten de nodige maatregelen om de onderlinge coördinatie te organiseren.

Artikel 54

Vorm en mate van de consolidatie

  • 1. 
    De met het toezicht op geconsolideerde basis belaste bevoegde autoriteiten verlangen met het oog op het toezicht de volledige consolidatie van kredietinstellingen en financiële instellingen die dochterondernemingen van de moederonderneming zijn.

Een proportionele consolidatie kan evenwel worden voorgeschreven in geval de aansprakelijkheid van de moederonderneming die een deel van het kapitaal houdt, naar het oordeel van de bevoegde autoriteiten beperkt is tot dat deel van het kapitaal, op grond van de aansprakelijkheid van de overige aandeelhouders of vennoten en van de toereikende solvabiliteit van deze laatsten. De aansprakelijkheid van de overige aandeelhouders en vennoten moet duidelijk worden aangetoond, zo nodig aan de hand van uitdrukkelijk aangegane verbintenissen.

  • 2. 
    De met het toezicht op geconsolideerde basis belaste bevoegde autoriteiten verlangen met het oog op het toezicht de proportionele consolidatie van de deelnemingen in kredietinstellingen of financiële instellingen welke gezamenlijk door een bij de consolidatie betrokken onderneming en een of meer daarin niet opgenomen ondernemingen worden geleid, wanneer daaruit een beperking van de aansprakelijkheid van deze ondernemingen voortvloeit die afhangt van het door hen gehouden aandeel van het kapitaal.
  • 3. 
    In het geval van deelnemingen of van andere vormen van kapitaalbinding dan bedoeld in de leden 1 en 2, bepalen de bevoegde autoriteiten of en in welke vorm consolidatie moet plaatsvinden. Zij kunnen met name de toepassing van de vermogensmutatiemethode toestaan of voorschrijven. Deze methode houdt evenwel niet in dat de betrokken ondernemingen in het toezicht op geconsolideerde basis worden opgenomen.
  • 4. 
    Onverminderd de leden 1, 2 en 3 bepalen de bevoegde autoriteiten in de volgende gevallen of en in welke vorm consolidatie moet plaatsvinden:
  • een kredietinstelling oefent naar het oordeel van de bevoegde autoriteiten een invloed van betekenis uit op een of meer kredietinstellingen of financiële instellingen, zonder daarin evenwel een deelneming te houden of daarmee andere vormen van kapitaalbinding te hebben;
  • twee of meer kredietinstellingen of financiële instellingen staan onder centrale leiding zonder dat dit in een overeenkomst of statutaire bepalingen vastgelegd hoeft te zijn;
  • twee of meer kredietinstellingen of financiële instellingen hebben bestuurs-, leidinggevende of toezichthoudende organen die in meerderheid uit dezelfde personen bestaan.

De bevoegde autoriteiten mogen in het bijzonder het gebruik van de in artikel 12 van Richtlijn 83/349/EEG bedoelde methode toestaan of voorschrijven. Deze methode houdt evenwel niet in dat de betrokken ondernemingen in het toezicht op geconsolideerde basis worden opgenomen.

  • 5. 
    Wanneer het toezicht op geconsolideerde basis op grond van artikel 52, leden 1 en 2, is voorgeschreven, worden de ondernemingen die nevendiensten van het bankbedrijf verrichten, in de consolidatie betrokken in de gevallen en volgens de methoden die in de leden 1 tot en met 4 van het onderhavige artikel zijn omschreven.

Artikel 55

Door gemengde holdings en hun dochterondernemingen te verstrekken inlichtingen

  • 1. 
    Tot een latere coördinatie van de consolidatiemethoden bepalen de lidstaten dat, indien de moederonderneming van één of meer kredietinstellingen een gemengde holding is, de voor vergunning aan en toezicht op deze kredietinstellingen verantwoordelijke bevoegde autoriteiten van de gemengde holding en de dochterondernemingen daarvan, hetzij rechtstreeks, hetzij door toedoen van de dochterkredietinstellingen, de mededeling verlangen van alle dienstige inlichtingen en gegevens voor de uitoefening van het toezicht op de dochterkredietinstellingen.
  • 2. 
    De lidstaten bepalen dat hun bevoegde autoriteiten de van de gemengde holdings en dochterondernemingen daarvan ontvangen inlichtingen ter plaatse kunnen verifiëren, of door externe controleurs kunnen doen verifiëren. Indien de gemengde holding of een van de dochterondernemingen daarvan een verzekeringsonderneming is, kan ook de procedure van artikel 56, lid 4, worden gevolgd. Indien de gemengde holding of een van de dochterondernemingen daarvan in een andere lidstaat is gelegen dan die waar de dochterkredietinstelling is gelegen, geschiedt de verificatie ter plaatse volgens de procedure van artikel 56, lid 7.

Artikel 56

Maatregelen om het toezicht op geconsolideerde basis te vergemakkelijken

  • 1. 
    De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat geen juridische belemmeringen de onder het toezicht op geconsolideerde basis vallende ondernemingen, of gemengde holdings en dochterondernemingen daarvan, of de in artikel 51, lid 10, bedoelde dochterondernemingen verhinderen om onderling de inlichtingen uit te wisselen die voor de uitoefening van het toezicht overeenkomstig de artikelen 52 tot en met 55 en het onderhavige artikel dienstig zijn.
  • 2. 
    Indien de moederonderneming en de één of meer kredietinstellingen die dochterondernemingen daarvan zijn, in verschillende lidstaten zijn gelegen, verstrekken de bevoegde autoriteiten van iedere lidstaat elkaar alle dienstige inlichtingen die voor het toezicht op geconsolideerde basis nodig zijn of die dat toezicht kunnen vergemakkelijken.

Indien de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar de moederonderneming is gelegen, niet zelf op grond van artikel 53 het toezicht op geconsolideerde basis uitoefenen, mag hun door de met dit toezicht belaste bevoegde autoriteiten worden gevraagd om van de moederonderneming de inlichtingen te verlangen die voor het toezicht op geconsolideerde basis dienstig zijn, en om die inlichtingen aan deze auautoriteiten door te geven.

  • 3. 
    De lidstaten staan toe dat hun bevoegde autoriteiten de in lid 2 bedoelde inlichtingen uitwisselen, met dien verstande dat, met betrekking tot financiële holdings, financiële instellingen of ondernemingen die nevendiensten van het bankbedrijf verrichten, het inwinnen of bezitten van inlichtingen geenszins betekent dat de bevoegde autoriteiten op de instellingen of ondernemingen afzonderlijk toezicht moeten houden.

De lidstaten staan eveneens toe dat hun bevoegde autoriteiten de in artikel 55 bedoelde inlichtingen uitwisselen, met dien verstande dat het inwinnen of bezitten van inlichtingen geenszins betekent dat de bevoegde autoriteiten op de gemengde holding en dochterondernemingen daarvan die geen kredietinstelling zijn, of op de in artikel 52, lid 10, bedoelde dochterondernemingen, toezicht houden.

  • 4. 
    Indien een kredietinstelling, een financiële holding of een gemengde holding zeggenschap heeft over één of meer dochterondernemingen die verzekeringsondernemingen zijn of andere ondernemingen die beleggingsdiensten verrichten waarvoor een vergunningsstelsel geldt, werken de bevoegde autoriteiten nauw samen met de autoriteiten die van overheidswege belast zijn met het toezicht op de verzekeringsondernemingen of op de genoemde andere instellingen die beleggingsdiensten verrichten. Onverminderd hun respectieve bevoegdheden delen deze autoriteiten elkaar alle inlichtingen mee waardoor de vervulling van hun taak kan worden vergemakkelijkt en controle op de activiteit en de financiële positie van alle aan hun toezicht onderworpen ondernemingen kan worden uitgeoefend.
  • 5. 
    De op grond van het toezicht op geconsolideerde basis ontvangen inlichtingen, en met name de in deze richtlijn bedoelde uitwisseling van inlichtingen tussen bevoegde autoriteiten, vallen onder het beroepsgeheim als bepaald in artikel 30.
  • 6. 
    De met het toezicht op geconsolideerde basis belaste bevoegde autoriteiten stellen een lijst op van de in artikel 52, lid 2, bedoelde financiële holdings. Deze lijst wordt aan de bevoegde autoriteiten van de andere lidstaten en aan de Commissie gezonden.
  • 7. 
    Indien de bevoegde autoriteiten van een lidstaat bij de toepassing van deze richtlijn in welbepaalde gevallen inlichtingen betreffende een in een andere lidstaat gelegen kredietinstelling, financiële holding, financiële instelling, onderneming die nevendiensten van het bankbedrijf verricht, gemengde holding, dochteronderneming als bedoeld in artikel 55, of dochteronderneming als bedoeld in artikel 52, lid 10, wensen te verifiëren, verzoeken zij de bevoegde autoriteiten van de andere lidstaat om deze verificatie. De autoriteiten die het verzoek hebben ontvangen, moeten hieraan in het kader van hun bevoegdheden gevolg geven door de verificatie zelf te verrichten, door de verzoekende autoriteiten toestemming te verlenen om de verificatie te verrichten, dan wel door toe te staan dat de verificatie door een registeraccountant of een deskundige wordt verricht.
  • 8. 
    De lidstaten bepalen dat, onverminderd gevallen die onder de strafwet vallen, jegens financiële holdings en gemengde holdings, of verantwoordelijke bestuurders daarvan, die wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen overtreden welke ter uitvoering van de artikelen 52 tot en met 55 en van het onderhavige artikel zijn vastgesteld, sancties of maatregelen kunnen worden opgelegd om aan de vastgestelde overtredingen een einde te maken of de oorzaken daarvan weg te nemen. In bepaalde gevallen kunnen deze maatregelen een optreden van de rechter vereisen. De bevoegde autoriteiten werken nauw samen opdat de genoemde sancties of maatregelen de beoogde uitwerking hebben, inzonderheid als de zetel van een financiële holding of van een gemengde holding zich elders dan zijn hoofdbestuur of zijn hoofdvestiging bevindt.

TITEL VI

RAADGEVEND COMITÉ VOOR HET BANKWEZEN

Artikel 57

Samenstelling en taken van het Raadgevend Comité voor het bankwezen

  • 1. 
    Bij de Commissie wordt een Raadgevend Comité voor het bankwezen van de bevoegde autoriteiten van de lidstaten ingesteld.
  • 2. 
    Het Raadgevend Comité voor het bankwezen heeft tot taak de Commissie bij te staan in haar taak te zorgen voor een juiste toepassing van de onderhavige richtlijn. Het vervult verder de in onderhavige richtlijn omschreven andere taken en staat de Commissie bij in het uitwerken van nieuwe voorstellen aan de Raad betreffende de verdere coördinatie op het gebied van de kredietinstellingen.
  • 3. 
    Het Raadgevend Comité voor het bankwezen houdt zich niet bezig met de bestudering van concrete vraagstukken die verband houden met de afzonderlijke kredietinstellingen.
  • 4. 
    Het Raadgevend Comité voor het bankwezen is samengesteld uit ten hoogste drie vertegenwoordigers van elke lidstaat en van de Commissie. Deze vertegenwoordigers kunnen bij gelegenheid en op voorwaarde van voorafgaande goedkeuring door het comité, vergezeld worden door adviseurs. Het comité kan ook gekwalificeerde personen alsmede deskundigen uitnodigen om aan zijn vergaderingen deel te nemen. De secretariaatswerkzaamheden worden verzorgd door de Commissie.
  • 5. 
    Het Raadgevend Comité voor het bankwezen stelt zijn reglement van orde vast en kiest uit de vertegenwoordigers der lidstaten een voorzitter. Met regelmatige tussenpozen wordt door het comité vergaderd en bovendien telkens wanneer de omstandigheden zulks vergen. De Commissie kan een spoedvergadering van het comité vragen, indien de omstandigheden dit naar haar oordeel vereisen.
  • 6. 
    De beraadslagingen van het Raadgevend Comité voor het bankwezen en de resultaten daarvan zijn vertrouwelijk, behoudens andersluidend besluit van het comité.

Artikel 58

Onderzoek naar de voorwaarden van vergunning

Het Raadgevend Comité voor het bankwezen onderzoekt de inhoud die de lidstaten geven aan de in artikel 5, lid 1, en artikel 6, lid 1, bedoelde voorwaarden, de andere voorwaarden die zij eventueel toepassen, alsmede de opgaven die in het programma van werkzaamheden moeten voorkomen, en doet eventueel voorstellen aan de Commissie voor een meer gedetailleerde coördinatie.

Artikel 59

Observatieratio's

  • 1. 
    In afwachting van een latere coördinatie stellen de bevoegde autoriteiten teneinde een observatiemogelijkheid te scheppen, in voorkomend geval in aanvulling op eventuele door hen gehanteerde coëfficiënten, verhoudingsgetallen vast tussen verschillende activa- en/of passivaposten van de kredietinstellingen met als doel het volgen van de solvabiliteit en de liquiditeit van de kredietinstellingen alsmede van de overige voorwaarden die van belang zijn voor de bescherming van de spaargelden.

Te dien einde bepaalt het Raadgevend Comité voor het bankwezen de inhoud van de verschillende bestanddelen van in de eerste alinea bedoelde, als observatiemogelijkheid dienende verhoudingsgetallen, en stelt het de methode vast die voor de berekening ervan moet worden gevolgd.

Zo nodig laat het Raadgevend Comité voor het bankwezen zich leiden door technisch overleg tussen de toezichthoudende autoriteiten van de betrokken categorieën instellingen.

  • 2. 
    De krachtens lid 1 als observatiemogelijkheid opgestelde verhoudingsgetallen worden ten minste elke zes maanden berekend.
  • 3. 
    Het Raadgevend Comité voor het bankwezen onderzoekt de resultaten van de analyses die door de in lid 1, derde alinea, bedoelde toezichthoudende autoriteiten zijn verricht op basis van de in lid 2 bedoelde berekeningen.
  • 4. 
    Het Raadgevend Comité voor het bankwezen kan de Commissie voorstellen doen met het oog op de coördinatie van de in de lidstaten geldende coëfficiënten.

TITEL VII

BEVOEGDHEDEN INZAKE UITVOERING

Artikel 60

Technische aanpassingen

  • 1. 
    Onverminderd het in artikel 34, lid 3, tweede alinea, genoemde verslag, worden wat betreft het eigen vermogen de op de onderstaande gebieden aan te brengen technische aanpassingen vastgesteld volgens de procedure van lid 2:
  • verduidelijking van de definities om bij de toepassing van de onderhavige richtlijn rekening te houden met de ontwikkelingen op de financiële markten;
  • verduidelijking van de definities teneinde een eenvormige toepassing van deze richtlijn binnen de Gemeenschap te waarborgen;
  • aanpassing van de terminologie en van de verwoording van de definities aan latere richtlijnen inzake het bankwezen en aanverwante onderwerpen;
  • definitie van zone A in artikel 1, punt 14;
  • definitie van multilaterale ontwikkelingsbanken in artikel 1, punt 19;
  • wijziging van het bedrag van het in artikel 5 vereiste aanvangskapitaal om rekening te houden met de economische en monetaire ontwikkelingen;
  • uitbreiding van de in de artikelen 18 en 19 bedoelde lijst in bijlage I of aanpassing van de terminologie van de lijst om rekening te houden met de ontwikkelingen op de financiële markten;
  • de in artikel 28 genoemde gebieden waarop de bevoegde autoriteiten gegevens moeten uitwisselen;
  • wijziging van de omschrijving van de activa in artikel 43 om rekening te houden met de ontwikkelingen op de financiële markten;
  • de lijst en de indeling van de posten buiten de balanstelling in de bijlagen II en IV en hun behandeling bij de berekening van de ratio als omschreven in de artikelen 42, 43 en 44 en in bijlage III;
  • een tijdelijke verlaging van de in artikel 47 vastgestelde minimumratio of van de in artikel 43 vastgestelde wegingsfactoren, om rekening te houden met specifieke omstandigheden;
  • verduidelijking van de uitzonderingen genoemd in artikel 49, leden 5 tot en met 10.
  • 2. 
    De Commissie wordt bijgestaan door een comité.

Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 5 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van het bepaalde in artikel 8 van dat besluit.

De in artikel 5, lid 6, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn wordt vastgesteld op drie maanden.

Het comité stelt zijn reglement van orde vast.

TITEL VIII

OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

HOOFDSTUK 1

OVERGANGSBEPALINGEN

Artikel 61

Overgangsbepalingen met betrekking tot artikel 36

Denemarken mag de Deense instellingen voor hypothecair krediet die vóór 1 januari 1990 de rechtsvorm van coöperatieve verenigingen hadden of als fonds georganiseerd waren, en die in naamloze vennootschappen zijn omgezet, toestaan om de hoofdelijke verplichtingen van de leden, respectievelijk van de leningnemers als bedoeld in artikel 36, lid 1, wier vorderingen met deze hoofdelijke verplichtingen worden gelijkgesteld, te blijven opnemen in het eigen vermogen, met inachtneming van de volgende beperkingen:

  • a) 
    de berekeningsgrondslag van het aandeel van de hoofdelijke verplichtingen van leningnemers is de som van de bestanddelen genoemd in artikel 34, lid 2, punten 1 en 2, verminderd met de som van de bestanddelen genoemd in artikel 34, lid 2, punten 9, 10 en 11;
  • b) 
    de berekeningsgrondslag op 1 januari 1991 of, indien de omzetting op een latere datum plaatsvindt, op de datum van omzetting is de maximale berekeningsgrondslag. De berekeningsgrondslag mag nooit hoger zijn dan de maximale berekeningsgrondslag;
  • c) 
    de maximale berekeningsgrondslag wordt vanaf 1 januari 1997 verminderd met de helft van de opbrengst van eventuele nadien plaatsvindende uitgiften van kapitaal, als gedefinieerd in artikel 34, lid 2, punt 1, en
  • d) 
    het maximumbedrag van de hoofdelijke verplichtingen van leningnemers dat in het eigen vermogen wordt opgenomen, mag nooit meer bedragen dan:

50 % in 1991 en 1992,

45 % in 1993 en 1994,

40 % in 1995 en 1996,

35 % in 1997,

30 % in 1998,

20 % in 1999,

10 % in 2000 en

0 % vanaf 1 januari 2001

van de berekeningsgrondslag.

Artikel 62

Overgangsbepalingen met betrekking tot artikel 43

  • 1. 
    Tot en met 31 december 2006 mogen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten hun kredietinstellingen toestaan een wegingsfactor van 50 % toe te passen op leningen die ten genoegen van die autoriteiten geheel en volledig gedekt zijn door hypotheken op kantoorgebouwen en panden voor diverse handelsdoeleinden, gelegen op het grondgebied van de lidstaten die de wegingsfactor van 50 % toestaan, als aan de volgende voorwaarden is voldaan:
  • i) 
    de wegingsfactor van 50 % is van toepassing op het gedeelte van de lening dat niet hoger ligt dan het volgens het onderstaande punt a), dan wel volgens b) berekende maximum:
  • a) 
    50 % van de marktwaarde van het betrokken goed.

De marktwaarde van het goed moet door twee onafhankelijke taxateurs worden berekend; zij maken onafhankelijke taxaties op het ogenblik van de lening. De laagste taxatie is het uitgangspunt voor de lening.

Het goed word minstens één keer per jaar opnieuw getaxeerd door één taxateur. Voor leningen die niet hoger liggen dan 1 miljoen EUR en 5 % van het eigen vermogen van de kredietinstelling, dient het goed ten minste eens in de drie jaar door één taxateur te worden getaxeerd;

  • b) 
    50 % van de marktwaarde van het goed of, als dit lager ligt, 60 % van de hypotheekwaarde, in lidstaten die bij wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen strikte criteria voor de berekening van hypotheekwaarden hebben vastgesteld.

De hypotheekwaarde is de waarde van het goed die is vastgesteld door een taxateur op grond van een voorzichtige prognose van de toekomstige verhandelbaarheid van het goed, rekening houdend met duurzame langetermijnaspecten van het goed, de normale en plaatselijke marktvoorwaarden, het gebruik dat op dat ogenblik van het goed wordt gemaakt en eventuele andere doeleinden waarvoor het geschikt is. Speculatieve factoren mogen niet in de hypotheekwaarde worden verrekend. De vastgestelde hypotheekwaarde moet op doorzichtige en heldere wijze worden gedocumenteerd.

De hypotheekwaarde en met name de onderliggende hypothesen in verband met de ontwikkeling van de betrokken markt moeten ten minste eens in de drie jaar, of als de marktprijzen met meer dan 10 % dalen, opnieuw worden bezien.

Zowel onder a) als onder b) wordt onder "de marktwaarde" verstaan de prijs waartegen het goed op de dag van de taxatie door een willige verkoper onderhands zou kunnen worden verkocht aan een onafhankelijke koper, in de veronderstelling dat het goed openlijk te koop wordt aangeboden, de marktvoorwaarden van dien aard zijn dat de verkoop in normale omstandigheden kan plaatsvinden en er een normale periode voorhanden is, gezien de aard van het goed, om de verkoop te sluiten;

  • ii) 
    op het gedeelte van de lening dat boven de onder i) genoemde maxima ligt, wordt een wegingsfactor van 100 % toegepast;
  • iii) 
    het goed moet door de eigenaar worden gebruikt of verhuurd.

De eerste alinea sluit niet uit dat de bevoegde autoriteiten van een lidstaat die op zijn grondgebied een hogere wegingsfactor toepast, onder de bovengenoemde voorwaarden kunnen toestaan dat de wegingsfactor van 50 % voor dit type leningen wordt toegepast op het grondgebied van de lidstaten die de wegingsfactor van 50 % wel toestaan.

De bevoegde autoriteiten van de lidstaten kunnen hun kredietinstellingen toestaan een wegingsfactor van 50 % toe te passen op op 21 juli 2000 uitstaande leningen, mits de in dit lid genoemde voorwaarden vervuld zijn. In dat geval wordt het goed uiterlijk 21 juli 2003 volgens de bovengenoemde criteria gewaardeerd.

Op vóór 31 december 2006 toegekende leningen blijft de wegingsfactor van 50 % van toepassing tot de vervaldag als de kredietinstelling verplicht is de contractuele bedingen na te komen.

Tot en met 31 december 2006 kunnen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten hun kredietinstellingen tevens toestaan een wegingsfactor van 50 % toe te passen op het gedeelte van leningen dat ten genoegen van deze autoriteiten geheel en volledig gedekt is door aandelen in Finse huisvestingsmaatschappijen die onder de Finse huisvestingswet van 1991 of soortgelijke wetgeving van latere datum vallen, mits aan de in dit lid gestelde voorwaarden is voldaan.

De lidstaten brengen ter kennis van de Commissie hoe zij de bepalingen van dit lid toepassen.

  • 2. 
    De lidstaten kunnen een wegingsfactor van 50 % toepassen bij transacties inzake onroerendgoedleasing die vóór 31 december 2006 worden gesloten en betrekking hebben op voor beroepsdoeleinden bestemde goederen die in het land van de zetel gelegen zijn en waarop wettelijke bepalingen van toepassing zijn krachtens welke de "lessor" de volledige eigendom van het gehuurde goed behoudt zolang de huurder zijn koopoptie niet heeft uitgeoefend. De lidstaten brengen ter kennis van de Commissie hoe zij de bepalingen van dit lid toepassen.
  • 3. 
    Artikel 43, lid 3, laat onverlet de erkenning door de bevoegde autoriteiten van bilaterale schuldvernieuwingscontracten die zijn gesloten, in het geval van:
  • België, vóór 23 april 1996,
  • Denemarken, vóór 1 juni 1996,
  • Duitsland, vóór 30 oktober 1996,
  • Griekenland, vóór 27 maart 1997,
  • Spanje, vóór 7 januari 1997,
  • Frankrijk, vóór 30 mei 1996,
  • Ierland, vóór 27 juni 1996,
  • Italië, vóór 30 juli 1996,
  • Luxemburg, vóór 29 mei 1996,
  • Nederland, vóór 1 juli 1996,
  • Oostenrijk, vóór 30 december 1996,
  • Portugal, vóór 15 januari 1997,
  • Finland, vóór 21 augustus 1996,
  • Zweden, vóór 1 juni 1996, en
  • het Verenigd Koninkrijk, vóór 30 april 1996.

Artikel 63

Overgangsbepalingen met betrekking tot artikel 47

  • 1. 
    Kredietinstellingen waarvan de minimumratio op 1 januari 1991 de in artikel 47, lid 1, voorgeschreven 8 % niet bereikte, moeten geleidelijk in opeenvolgende fasen naar dit niveau toewerken. Zolang deze doelstelling niet is bereikt, mogen zij de ratio niet onder het in de betreffende fase bereikte niveau laten dalen. Indien een dergelijke fluctuatie zich toch voordoet, moet die van tijdelijke aard zijn en de reden ervoor moet aan de bevoegde autoriteiten worden meegedeeld.
  • 2. 
    Gedurende een periode van maximaal vijf jaar vanaf 1 januari 1993 mogen de lidstaten de wegingsfactor van 10 % toepassen op de obligaties bedoeld in artikel 22, lid 4, van Richtlijn 85/611/EEG en, indien zij zulks nodig achten, voor de kredietinstellingen handhaven, om een ernstige verstoring van de werking van hun markten te voorkomen. Deze uitzonderingen worden aan de Commissie gemeld.
  • 3. 
    Gedurende een periode van ten hoogste zeven jaar vanaf 1 januari 1993 is artikel 47, lid 1, niet van toepassing op de Griekse Bank voor Landbouwkrediet. Deze instelling moet evenwel in opeenvolgende fasen, volgens de in het onderhavige artikel, lid 1, omschreven methode, naar het in artikel 47, lid 1, voorgeschreven niveau toewerken.

Artikel 64

Overgangsbepalingen met betrekking tot artikel 49

  • 1. 
    Indien op 5 februari 1993 een kredietinstelling reeds een risico of risico's had aangegaan dat of die de voor grote risico's geldende grenswaarden of de grenswaarde voor het totaal der grote risico's, als bepaald in artikel 49, overschreed of overschreden, verlangen de bevoegde autoriteiten dat de betrokken kredietinstelling de nodige maatregelen neemt om het betrokken risico of de betrokken risico's te verlagen tot het niveau dat in artikel 49 is bepaald.
  • 2. 
    De wijze waarop het risico of de risico's tot het toegestane niveau wordt of worden verlaagd, wordt uitgewerkt, goedgekeurd, toegepast en voltooid binnen de termijn die de bevoegde autoriteiten in overeenstemming achten met het beginsel van gezonde bedrijfsvoering en eerlijke concurrentie. De bevoegde autoriteiten stellen de Commissie en het Raadgevend Comité voor het bankwezen in kennis van het tijdschema voor de gehanteerde algemene werkwijze.
  • 3. 
    Een kredietinstelling mag geen maatregelen nemen die tot gevolg zouden hebben dat de in lid 1 bedoelde risico's de waarde overschrijden die zij op 5 februari 1993 hadden.
  • 4. 
    De in lid 2 bedoelde termijn loopt uiterlijk op 31 december 2001 af. Risico's met een langere looptijd waarvoor de contractvoorwaarden door de leningverstrekkende instelling moeten worden nageleefd, mogen echter tot het verstrijken van die looptijd worden voortgezet.
  • 5. 
    Tot en met 31 december 1998 beschikken de lidstaten over de mogelijkheid de in artikel 49, lid 1, gestelde grenswaarde tot 40 % en de in artikel 49, lid 2, gestelde grenswaarde tot 30 % te verhogen. Onverminderd de leden 1, 2, 3 en 4, loopt de termijn om de bij het verstrijken van deze periode bestaande risico's tot de in artikel 49 bedoelde niveaus terug te brengen, in dat geval op 31 december 2001 af.
  • 6. 
    Uitsluitend voor kredietinstellingen waarvan het eigen vermogen niet meer dan 7 miljoen EUR bedraagt, mogen de lidstaten de in lid 5 bedoelde termijnen met vijf jaar verlengen. De lidstaten die van de in dit lid vervatte mogelijkheid gebruikmaken, nemen maatregelen om concurrentievervalsing te voorkomen en stellen de Commissie en het Raadgevend Comité voor het bankwezen daarvan in kennis.
  • 7. 
    In de in de leden 5 en 6 bedoelde gevallen kan een risico als groot worden beschouwd indien de waarde ervan ten minste 15 % van het eigen vermogen bedraagt.
  • 8. 
    Tot en met 31 december 2001 kunnen de lidstaten de frequentie van de in artikel 48, lid 2, tweede streepje, bedoelde melding van grote risico's wijzigen in ten minste twee keer per jaar.
  • 9. 
    De lidstaten kunnen geheel of gedeeltelijk van de toepassing van artikel 49, leden 1, 2 en 3, uitsluiten de door een kredietinstelling aangegane risico's die bestaan uit hypothecaire leningen als omschreven in artikel 62, lid 1, die zijn gesloten vóór 1 januari 2002, alsmede transacties inzake financieringshuur van onroerende goederen als omschreven in artikel 62, lid 2, die zijn gesloten vóór 1 januari 2002, een en ander tot 50 % van de waarde van het betrokken onroerend goed.

Dezelfde behandeling geldt voor leningen die ten genoegen van de bevoegde autoriteiten zijn gegarandeerd door aandelen in Finse bedrijven voor de bouw van residentiële woningen, die werkzaam zijn volgens de Finse wet op de woningbouwverenigingen van 1991 of latere gelijkwaardige wetgeving, die gelijk zijn aan de in de eerste alinea bedoelde hypothecaire leningen.

Artikel 65

Overgangsbepalingen met betrekking tot artikel 51

Kredietinstellingen die op 1 januari 1993 de in artikel 51, leden 1 en 2, vastgestelde limieten overschreden, beschikken, te rekenen vanaf deze datum, over een termijn tot 1 januari 2003 om zich ernaar te voegen.

HOOFDSTUK 2

SLOTBEPALINGEN

Artikel 66

Informatie aan de Commissie

De lidstaten delen de Commissie de tekst mee van alle belangrijke wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 67

Ingetrokken richtlijnen

  • 1. 
    De Richtlijnen 73/183/EEG, 77/780/EEG, 89/299/EEG, 89/646/EEG, 89/647/EEG, 92/30/EEG en 92/121/EEG, zoals gewijzigd bij de in bijlage V, deel A, genoemde richtlijnen, worden ingetrokken, onverminderd de verplichtingen van de lidstaten wat betreft de in bijlage V, deel B, opgenomen tijdslimieten voor de omzetting en toepassing van de richtlijnen in nationaal recht.
  • 2. 
    Verwijzingen naar de ingetrokken richtlijnen gelden als verwijzingen naar de onderhavige richtlijn en worden gelezen volgens de in bijlage VI opgenomen concordantietabel.

Artikel 68

Inwerkingtreding

Deze richtlijn wordt van kracht op de dag van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Artikel 69

Geadresseerden

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 20 maart 2000.

Voor het Europees Parlement

De voorzitster

  • N. 
    Fontaine

Voor de Raad

De voorzitter

  • J. 
    Gama
  • (1) 
    PB C 157 van 25.5.1998, blz. 13.
  • (2) 
    Advies van het Europees Parlement van 18 januari 2000 (nog niet verschenen in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 13 maart 2000 (nog niet verschenen in het Publicatieblad).
  • (3) 
    PB L 194 van 16.7.1973, blz. 1.
  • (4) 
    PB L 322 van 17.12.1977, blz. 30. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 98/33/EG (PB L 204 van 21.7.1998, blz. 29).
  • (5) 
    PB L 124 van 5.5.1989, blz. 16. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 92/30/EEG (PB L 110 van 28.4.1992, blz. 52).
  • (6) 
    PB L 386 van 30.12.1989, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 95/26/EG (PB L 168 van 18.7.1995, blz. 7).
  • (7) 
    PB L 386 van 30.12.1989, blz. 14. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 98/33/EG.
  • (8) 
    PB L 110 van 28.4.1992, blz. 52.
  • (9) 
    PB L 29 van 5.2.1993, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij de Akte van Toetreding van 1994.
  • (10) 
    PB L 372 van 31.12.1986, blz. 1.
  • (11) 
    PB L 193 van 18.7.1983, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 90/605/EG (PB L 317 van 16.11.1990, blz. 60).
  • (12) 
    PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.
  • (13) 
    Richtlijn 88/627/EEG van de Raad van 12 december 1988 betreffende de gegevens die moeten worden gepubliceerd bij verwerving en bij overdracht van een belangrijke deelneming in een ter beurze genoteerde vennootschap (PB L 348 van 17.12.1988, blz. 62).
  • (14) 
    Achtste Richtlijn 84/253/EEG van de Raad van 10 april 1984 op de grondslag van artikel 44, lid 2, onder g), van het Verdrag inzake de toelating van personen, belast met de wettelijke controle van boekhoudbescheiden (PB L 126 van 15.5.1984, blz. 20).
  • (15) 
    Vierde Richtlijn 78/660/EEG van de Raad van 25 juli 1978 op de grondslag van artikel 44, lid 2, onder g), van het Verdrag betreffende de jaarrekening van bepaalde vennootschapsvormen (PB L 222 van 14.8.1978, blz. 11). Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 1999/60/EG (PB L 162 van 26.6.1999, blz. 65).
  • (16) 
    Richtlijn 85/611/EEG van de Raad van 20 december 1985 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe's) (PB L 375 van 31.12.1985, blz. 3). Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 95/26/EG (PB L 168 van 18.7.1995, blz. 7).
  • (17) 
    Richtlijn 93/22/EEG van de Raad van 10 mei 1993 betreffende het verrichten van diensten op het gebied van beleggingen in effecten (PB L 141 van 11.6.1993, blz. 27). Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 97/9/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 84 van 26.3.1997, blz. 22).
  • (18) 
    Eerste Richtlijn 73/239/EEG van de Raad van 24 juli 1973 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toegang tot het directe verzekeringsbedrijf, met uitzondering van de levensverzekeringsbranche, en de uitoefening daarvan (PB L 228 van 16.8.1973, blz. 3.). Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 95/26/EG.
  • (19) 
    Eerste Richtlijn 79/267/EEG van de Raad van 5 maart 1979 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen beteffende de toegang tot het directe levensverzekeringsbedrijf, en de uitoefening daarvan (PB L 63 van 13.3.1979, blz. 1). Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 95/26/EG.

BIJLAGE I

LIJST VAN WERKZAAMHEDEN DIE ONDER DE WEDERZIJSDE ERKENNING VALLEN

  • 1. 
    In ontvangst nemen van deposito's of andere terugbetaalbare gelden
  • 2. 
    Verstrekken van leningen(1)
  • 3. 
    Leasing
  • 4. 
    Betalingsverrichtingen
  • 5. 
    Uitgifte en beheer van betaalmiddelen (creditcards, reischeques, kredietbrieven)
  • 6. 
    Verlenen van garanties en het stellen van borgtochten
  • 7. 
    Handelingen voor eigen rekening van de instelling of voor rekening van de cliënten, met betrekking tot:
  • a) 
    geldmarktinstrumenten (cheques, wissels, depositocertificaten, enz.)
  • b) 
    valuta's
  • c) 
    financiële futures en opties
  • d) 
    swaps en soortgelijke financieringsinstrumenten
  • e) 
    effecten
  • 8. 
    Deelneming aan effectenemissies en dienstverrichting in verband daarmee
  • 9. 
    Advisering aan ondernemingen inzake kapitaalstructuur, bedrijfsstrategie en daarmee samenhangende aangelegenheden, alsmede advisering en dienstverrichtingen op het gebied van fusie en overname van ondernemingen
  • 10. 
    Bemiddeling op interbankmarkten
  • 11. 
    Vermogensbeheer en -advisering
  • 12. 
    Bewaarneming en beheer van effecten
  • 13. 
    Commerciële inlichtingen
  • 14. 
    Verhuur van safes
  • (1) 
    Hierbij met name inbegrepen:
  • consumptieve kredieten,
  • hypotheekleningen,
  • factoring, met of zonder regres,
  • financiering van commerciële transactiens (voorschotten hierbij inbegrepen).

BIJLAGE II

INDELING VAN POSTEN BUITEN DE BALANSTELLING

Volledig risico

  • Garanties met het karakter van kredietvervangingen
  • Accepten
  • Endossementen van wissels die niet de handtekening van andere kredietinstellingen dragen
  • Transacties met regres
  • Onherroepelijke "stand by"-accreditieven met het karakter van kredietvervangingen
  • Activa aangekocht onder overeenkomsten betreffende koop op termijn zonder rugdekking
  • Deposito's in de vorm van tussenswaps ("forward forward deposits")
  • Onbetaald deel van niet volgestorte aandelen en effecten
  • Overige posten met een volledig risico

Middelgroot risico

  • Verstrekte en geconfirmeerde documentaire kredieten (zie ook middelgroot/laag risico)
  • Garanties en borgtochten (met inbegrip van inschrijvings- en uitvoeringsgaranties alsmede douane- en belastinggaranties) en garanties die niet het karakter van kredietvervangingen hebben
  • Onherroepelijke "stand by"-accreditieven die niet het karakter van kredietvervangingen hebben
  • Niet opgenomen kredietfaciliteiten (overeenkomsten tot het verstrekken van leningen, het aankopen van effecten, het verschaffen van garanties of acceptfaciliteiten) met een oorspronkelijke looptijd van meer dan een jaar
  • Note issuance facilities (NIF's) en Revolving underwriting facilities (RUF's)
  • Overige posten met een middelgroot risico

Middelgroot/laag risico

  • Documentaire kredieten met de onderliggende zendingen als zekerheid en andere zelfliquiderende transacties
  • Overige posten met een middelgroot/laag risico

Laag risico

  • Niet opgenomen kredietfaciliteiten (overeenkomsten tot het verstrekken van leningen, het aankopen van effecten, het verschaffen van garanties of acceptfaciliteiten) met een oorspronkelijke looptijd van een jaar of korter of die te allen tijde onvoorwaardelijk zonder opzegtermijn kunnen worden opgezegd
  • Overige posten met een laag risico

De lidstaten verbinden zich ertoe de Commissie onmiddellijk ervan in kennis te stellen wanneer zij ermee hebben ingestemd een nieuwe post buiten de balanstelling op te nemen in een van de laatste streepjes bij iedere risicocategorie. Deze post zal op communautair niveau definitief worden ingedeeld wanneer de procedure van artikel 60 is voltooid.

BIJLAGE III

BEHANDELING VAN POSTEN BUITEN DE BALANSTELLING

  • 1. 
    KEUZE VAN DE METHODE

Onder voorbehoud van toestemming van hun bevoegde autoriteiten kunnen de kredietinstellingen één van de onderstaande methoden kiezen ter bepaling van de kredietrisico's die aan de in bijlage IV, punten 1 en 2, vermelde contracten verbonden zijn. Kredietinstellingen die moeten voldoen aan artikel 6, lid 1, van Richtlijn 93/6/EEG van de Raad(1), moeten de hierna uiteengezette methode 1 gebruiken. Ter bepaling van de kredietrisico's die aan de in bijlage IV, punt 3, vermelde contracten verbonden zijn, moeten alle kredietinstellingen methode 1 gebruiken.

  • 2. 
    METHODEN

Methode 1: benadering gebaseerd op de waardering tegen marktwaarde

Stap a): voor het toekennen van de actuele marktwaarde aan de contracten ("mark to market") wordt de actuele vervangingswaarde van alle contracten met een positieve waarde verkregen.

Stap b): teneinde een waarde te bepalen voor het potentiële toekomstige kredietrisico(2) wordt het totaal van de theoretische hoofdsommen of de onderliggende waarden vermenigvuldigd met de volgende percentages:

TABEL 1

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

Om het potentiële toekomstige risico volgens stap b) te berekenen, kunnen de bevoegde autoriteiten kredietinstellingen tot en met 31 december 2006 toestaan dat de volgende percentages worden toegepast in plaats van die van tabel 1, op voorwaarde dat de instellingen voor contracten in de zin van bijlage IV, punt 3, onder b) en c), gebruikmaken van de mogelijkheid van Richtlijn 93/6/EEG, artikel 11 bis:

TABEL 1a bis

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

Stap c): de som van de actuele vervangingswaarde en het potentiële toekomstige kredietrisico wordt vermenigvuldigd met de risicowegingsfactor die in artikel 43 aan de betrokken tegenpartijen zijn toegekend.

Methode 2: benadering gebaseerd op het "oorspronkelijke risico"

Stap a): de theoretische hoofdsommen van ieder instrument worden vermenigvuldigd met de onderstaande percentages:

TABEL 2

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

Stap b): het aldus verkregen oorspronkelijke risico wordt vermenigvuldigd met de risicowegingsfactoren die in artikel 43 aan de tegenpartijen zijn toegekend.

Voor de methoden 1 en 2 geldt dat de toezichthoudende autoriteiten ervoor moeten zorgen dat het in aanmerking te nemen theoretische bedrag een geschikte maatstaf is voor het risico dat aan het contract verbonden is. Indien bijvoorbeeld in het contract een vermenigvuldiging van de kasstromen bepaald is, moet het theoretische bedrag worden aangepast om rekening te houden met de gevolgen van deze vermenigvuldiging voor de risicostructuur van het betrokken contract.

  • 3. 
    CONTRACTUELE VERREKENING (SCHULDVERNIEUWINGSCONTRACTEN EN VERREKENINGSOVEREENKOMSTEN)
  • a) 
    Vormen van verrekening die door de bevoegde autoriteiten mogen worden erkend

Voor de toepassing van dit punt 3 wordt onder "tegenpartij" verstaan, elk lichaam (met inbegrip van natuurlijke personen) dat bekwaam is een overeenkomst inzake contractuele verrekening te sluiten.

De bevoegde autoriteiten mogen de volgende vormen van contractuele verrekening als risicoverminderend erkennen:

  • i) 
    bilaterale schuldvernieuwingscontracten tussen een kredietinstelling en haar tegenpartij, krachtens welke wederzijdse vorderingen en verplichtingen automatisch worden verrekend, zodat deze schuldvernieuwing telkens wanneer schuldvernieuwing van toepassing is, leidt tot de vaststelling van één nettobedrag, waardoor één rechtens bindend nieuw contract ontstaat dat in de plaats van de vroegere contracten treedt;
  • ii) 
    bilaterale verrekeningsovereenkomsten tussen een kredietinstelling en haar tegenpartij.
  • b) 
    Voorwaarden voor de erkenning

De bevoegde autoriteiten mogen contractuele verrekening slechts onder de volgende voorwaarden als risicoverminderend erkennen:

  • i) 
    de kredietinstelling heeft een overeenkomst inzake contractuele verrekening met haar tegenpartij, waaruit één enkele juridische verplichting ontstaat die alle onder die overeenkomst vallende transacties bestrijkt, zodat als een tegenpartij ingevolge in gebreke blijven, faillissement of liquidatie, dan wel andere soortgelijke omstandigheden niet aan haar verplichtingen voldoet, de kredietinstelling slechts een vordering tot ontvangst of een verplichting tot betaling heeft van het nettobedrag van de tegen marktwaarde gewaardeerde positieve en negatieve waarden van de afzonderlijke onder de overeenkomst vallende transacties;
  • ii) 
    de kredietinstelling heeft aan de bevoegde autoriteiten schriftelijke en met redenen omklede juridische adviezen ter beschikking gesteld, volgens welke de bevoegde rechterlijke en bestuurlijke autoriteiten, in geval van een geschil, zouden oordelen dat in de onder i) beschreven gevallen de vorderingen en verplichtingen van de kredietinstelling beperkt zijn tot het nettobedrag als omschreven onder i), krachtens:
  • het recht van het rechtsgebied waarin de tegenpartij haar statutaire zetel heeft en, indien het een buitenlands bijkantoor van een onderneming betreft, tevens het recht van het rechtsgebied waarin het bijkantoor is gevestigd,
  • het recht dat van toepassing is op de afzonderlijke onder de overeenkomst vallende transacties,

en

  • het recht dat van toepassing is op de eventuele contracten of overeenkomsten die noodzakelijk zijn ter uitvoering van de contractuele verrekening;
  • iii) 
    de kredietinstelling beschikt over procedures die garanderen dat de rechtsgeldigheid van de door haar verrichte contractuele verrekening voortdurend getoetst wordt aan eventuele wijzigingen in het toepasselijke recht.

De bevoegde autoriteiten moeten, indien nodig na overleg met andere betrokken bevoegde autoriteiten, ervan overtuigd zijn dat de contractuele verrekening krachtens het recht van alle betrokken rechtsgebieden rechtsgeldig is. Indien een van deze bevoegde autoriteiten te dien aanzien niet overtuigd is, zal de overeenkomst inzake contractuele verrekening voor geen van beide tegenpartijen als risicoverminderend worden erkend.

De bevoegde autoriteiten mogen met redenen omklede juridische adviezen aanvaarden die per type contractuele verrekening zijn opgesteld.

Overeenkomsten welke een beding bevatten op grond waarvan een niet in gebreke zijnde tegenpartij slechts beperkte betalingen of in het geheel geen betalingen aan de boedel van de in gebreke zijnde partij kan verrichten, zelfs wanneer deze laatste partij een nettocrediteur is ("afhaak"-beding ("walkaway clause")), worden niet als risicoverminderend erkend.

De bevoegde autoriteiten kunnen contracuele verrekening ("netting") betreffende valutacontracten met een oorspronkelijke looptijd van 14 kalenderdagen of minder, geschreven opties of soortgelijke posten buiten de belanstelling waarop deze bijlage niet van toepassing is omdat er slechts een te verwaarlozen of geen kreditrisico aan verbonden is, als risicoverminderend aanvaarden. Indien de opneming van deze contracten in een ander verrekeningscontract, afhankelijk van de positieve of negatieve marktwaarde ervan, kan leiden tot een verhoging of verlaging van de kapitaalvereisten, moeten de bevoegde autoriteiten hun kredietinstellingen verplichten een consistente behandeling toe te passen.

  • c) 
    Gevolgen van de erkenning
  • i) 
    Schuldvernieuwingscontracten

In plaats van de betreffende brutobedragen mogen de nettobedragen die uit schuldvernieuwingscontracten resulteren, worden gewogen. Op deze wijze kunnen bij toepassing van methode 1

  • voor stap a): de actuele vervangingswaarde,

en

  • voor stap b): de theoretische hoofdsommen of de onderliggende waarden

worden berekend met inachtneming van het schuldvernieuwingscontract. Bij toepassing van methode 2 kan voor stap a) de theoretische hoofdsom worden berekend met inachtneming van het schuldvernieuwingscontract; de percentages van tabel 2 zijn van toepassing.

  • ii) 
    Overige verrekeningsovereenkomsten

Bij toepassing van methode 1 mag voor stap a) de actuele vervangingswaarde voor contracten die onder een verrekeningsovereenkomst vallen, worden berekend door de actuele hypothetische nettovervangingswaarde die uit de overeenkomst resulteert in aanmerking te nemen; indien de verrekening ertoe leidt dat de kredietinstelling die de nettovervangingswaarde berekent, een nettobetalingsverplichting heeft, wordt de actuele vervangingswaarde op "0" gesteld.

Voor stap b) mag het bedrag van het potentiële toekomstige risico, voor alle contracten die onder een verrekeningsovereenkomst vallen, worden verlaagd volgens de onderstaande vergelijking:

>REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK>

waarin:

  • PKRverlaagd= het verlaagde bedrag van het potentiële toekomstige kredietrisico van alle contracten met eenzelfde tegenpartij die onder een rechtsgeldige bilaterale verrekeningsovereenkomst vallen,
  • PKRbruto= de som van de bedragen van de potentiële toekomstige kredietrisico's van alle contracten met eenzelfde tegenpartij die onder een rechtsgeldige bilaterale verrekeningsovereenkomst vallen en worden berekend door de theoretische hoofdsommen ervan te vermeningvuldigen met de in tabel 1 vermelde percentages,
  • NBR= "netto/bruto-ratio": naar keuze van de toezichthoudende autoriteiten:
  • i) 
    afzonderlijke berekening: het quotiënt van de nettovervangingswaarde van alle contracten die onder een rechtsgeldige bilaterale verrekeningsovereenkomst met een bepaalde tegenpartij vallen (teller), en de brutovervangingswaarde van alle contracten die onder een rechtsgeldige bilaterale verrekeningsovereenkomst met dezelfde tegenpartij vallen (noemer); ofwel
  • ii) 
    geaggregeerde berekening: het quotiënt van de som van de op bilaterale basis berekende nettovervangingswaarde met betrekking tot alle tegenpartijen, rekening houdend met de contracten die onder rechtsgeldige verrekeningsovereenkomsten vallen (teller), en de brutovervangingswaarde van alle contracten die onder rechtsgeldige verrekeningsovereenkomsten vallen (noemer).

Indien de lidstaten kredietinstellingen toestaan tussen de methoden te kiezen, moet de gekozen methode consistent gebruikt worden.

Voor de berekening van het potentiële toekomstige kredietrisico volgens bovenstaande formule mogen onder de verrekeningsovereenkomst vallende perfect matchende contracten worden beschouwd als één enkel contract waarvan de theoretische hoofdsom gelijk is aan de netto-opbrengsten. Perfect matchende contracten zijn valutatermijncontracten of soortgelijke contracten waarvan de theoretische hoofdsom gelijk is aan de kasstromen, indien de kasstromen op dezelfde datum vervallen en geheel of gedeeltelijk in dezelfde valuta luiden.

Bij toepassing van methode 2 mogen voor stap a):

  • onder de verrekeningsovereenkomst vallende perfect matchende contracten worden beschouwd als één enkel contract waarvan de theoretische hoofdsom gelijk is aan de netto-opbrengsten; de theoretische hoofdsommen worden vermenigvuldigd met de in tabel 2 vermelde percentages;
  • voor alle overige contracten die onder een verrekeningsovereenkomst vallen, de toe te passen percentages worden verlaagd overeenkomstig tabel 3:

TABEL 3

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

  • (1) 
    Richtlijn 93/6/EEG van de Raad van 15 maart 1993 inzake de kapitaaltoereikendheid van beleggingsondernemingen en kredietinstellingen (PB L 141 van 11.6.1993, blz. 1). Richtlijn gewijzigd bij Richtlijn 98/33/EG (PB L 204 van 21.7.1998, blz. 29).
  • (2) 
    Met uitzondering van op één valuta betrekking hebbende "floating floating-renteswaps" waarvoor alleen de vervangingskosten worden berekend.

BIJLAGE IV

CATEGORIEËN POSTEN BUITEN DE BALANSTELLING

  • 1. 
    Rentecontract:
  • a) 
    Renteswaps die betrekking hebben op één valuta
  • b) 
    Basisswaps,
  • c) 
    Rentetermijncontracten (FRA's),
  • d) 
    Rentefutures
  • e) 
    Gekochte renteopties
  • f) 
    Andere contracten van gelijke aard.
  • 2. 
    Contracten die betrekking hebben op wisselkoersen of goud:
  • a) 
    Cross-currency renteswaps
  • b) 
    Valutatermijncontracten
  • c) 
    Valutafutures
  • d) 
    Gekochte valutaopties
  • e) 
    Andere contracten van gelijke aard
  • f) 
    Contracten die betrekking hebben op goud en van gelijke aard zijn als de contracten onder a) tot en met e).
  • 3. 
    Contracten die van gelijke aard zijn als die in punt 1, onder a) tot en met e), en punt 2, onder a) tot en met d), die betrekking hebben op andere onderliggende waarden of indices die betrekking hebben op:
  • a) 
    aandelen
  • b) 
    edele metalen met uitzondering van goud
  • c) 
    andere grondstoffen dan edele metalen
  • d) 
    andere contracten van gelijke aard.

BIJLAGE V

DEEL A

INGETROKKEN RICHTLIJNEN MET DE ACHTEREENVOLGENDE WIJZIGINGEN OP DIE RICHTLIJNEN

(bedoeld in artikel 67)

Richtlijn 73/183/EEG van de Raad

Richtlijn 77/780/EEG van de Raad

Richtlijn 85/345/EEG van de Raad

Richtlijn 86/137/EEG van de Raad

Richtlijn 86/524/EEG van de Raad

Richtlijn 89/646/EEG van de Raad

Richtlijn 95/26/EG van het Europees Parlement en de Raad

slechts wat betreft artikel 1, eerste streepje; artikel 2, lid 1, eerste streepje, en lid 2, eerste streepje; artikel 3, lid 2; artikel 4, leden 2, 3 en 4 - voor wat betreft de verwijzingen naar Richtlijn 77/780/EEG -, en lid 6; artikel 5, eerste streepje.

Richtlijn 96/13/EG van de Raad

Richtlijn 98/33/EG van het Europees Parlement en de Raad (artikel 1)

Richtlijn 89/299/EEG van de Raad

Richtlijn 91/633/EEG van de Raad

Richtlijn 92/16/EEG van de Raad

Richtlijn 92/30/EEG van de Raad

Richtlijn 89/646/EEG van de Raad

Richtlijn 92/30/EEG van de Raad

Richtlijn 95/26/EG van het Europees Parlement en de Raad

slechts wat betreft artikel 1, eerste streepje

Richtlijn 89/647/EEG van de Raad

Richtlijn 91/31/EEG van de Commissie

Richtlijn 92/30/EEG van de Raad

Richtlijn 94/7/EG van de Commissie

Richtlijn 95/15/EG van de Commissie

Richtlijn 95/67/EG van de Commissie

Richtlijn 96/10/EG van het Europees Parlement en de Raad

Richtlijn 98/32/EG van het Europees Parlement en de Raad

Richtlijn 98/33/EG van het Europees Parlement en de Raad (artikel 2)

Richtlijn 92/30/EEG van de Raad

Richtlijn 92/121/EEG van de Raad

DEEL B

TIJDSLIMIETEN VOOR OMZETTING IN NATIONAAL RECHT

(bedoeld in artikel 67)

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

BIJLAGE VI

CONCORDANTIETABEL

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

Deze samenvatting is overgenomen van EUR-Lex.