Richtlijn 2009/111 - Wijziging van de Richtlijnen 2006/48/EG, 2006/49/EG en 2007/64/EG wat betreft banken die zijn aangesloten bij centrale instellingen, bepaalde eigenvermogensbestanddelen, grote posities, het toezichtkader en het crisisbeheer

1.

Wettekst

17.11.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 302/97

 

RICHTLIJN 2009/111/EG VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 16 september 2009

tot wijziging van de Richtlijnen 2006/48/EG, 2006/49/EG en 2007/64/EG wat betreft banken die zijn aangesloten bij centrale instellingen, bepaalde eigenvermogensbestanddelen, grote posities, het toezichtkader en het crisisbeheer

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 47, lid 2,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Gezien het advies van de Europese Centrale Bank (2),

Na raadpleging van het Comité van de Regio’s,

Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag (3),

Overwegende hetgeen volgt:

 

(1)

Overeenkomstig de conclusies van de Europese Raad en Ecofin en internationale initiatieven, zoals de top van de Groep van 20 (G20) van 2 april 2009, is deze richtlijn een eerste belangrijke stap om de tekortkomingen die de financiële crisis aan het licht heeft gebracht te verhelpen, vooruit lopend op verdere, door de Commissie aangekondigde en in haar mededeling van 4 maart 2009 getiteld „Op weg naar Europees herstel” geschetste maatregelen.

 

(2)

Krachtens artikel 3 van Richtlijn 2006/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen (4) kunnen lidstaten op kredietinstellingen die sinds 15 december 1977 blijvend bij een centraal orgaan zijn aangesloten, een bijzondere prudentiële regeling toepassen, mits die regeling uiterlijk op 15 december 1979 in de nationale wetgeving was vastgelegd. Die tijdslimieten beletten dat lidstaten, en met name lidstaten die na 1980 tot de Europese Unie zijn toegetreden, dergelijke prudentiële regelingen invoeren of behouden voor soortgelijke aangesloten kredietinstellingen die op hun grondgebied zijn opgericht. Om gelijke concurrentieverhoudingen tussen de kredietinstellingen in de lidstaten te scheppen, moeten de in artikel 3 van die richtlijn gestelde tijdslimieten daarom worden geschrapt. Het Comité van Europese bankentoezichthouders moet richtsnoeren vaststellen om de convergentie van toezichtpraktijken ter zake te versterken.

 

(3)

Hybride kapitaalinstrumenten spelen een belangrijke rol bij het lopende kapitaalbeheer van kredietinstellingen. Met deze instrumenten kunnen kredietinstellingen hun kapitaalstructuur diversifiëren en een breed scala aan financiële beleggers bereiken. Op 28 oktober 1998 heeft het Bazels Comité voor het bankentoezicht een akkoord gesloten over zowel de criteria als de limieten voor de erkenning van bepaalde soorten hybride kapitaalinstrumenten als oorspronkelijk eigen vermogen van kredietinstellingen.

 

(4)

Het is dus van belang om criteria vast te leggen aan de hand waarvan kan worden bepaald welke kapitaalinstrumenten kunnen worden erkend als oorspronkelijk eigen vermogen van kredietinstellingen, en om Richtlijn 2006/48/EG met dit akkoord in overeenstemming te brengen. De wijzigingen in bijlage XII bij Richtlijn 2006/48/EG zijn een rechtstreeks uitvloeisel van de vastlegging van deze criteria. Het oorspronkelijk eigen vermogen als bedoeld in artikel 57, punt a), van Richtlijn 2006/48/EG omvat alle instrumenten die overeenkomstig de nationale wetgeving als eigen vermogen dienen te worden aangemerkt, bij liquidatie dezelfde rangorde hebben als gewone aandelen en in doorgaande bedrijfsvoering, op gelijke voet met gewone aandelen, verliezen volledig opvangen. Deze instrumenten moeten derhalve ook tot instrumenten kunnen behoren waaraan op niet-cumulatieve basis preferente rechten bij dividenduitkeringen zijn verbonden, mits zij onder artikel 22 van Richtlijn 86/635/EEG van de Raad van 8 december 1986 betreffende de jaarrekening en de geconsolideerde jaarrekening van banken en andere financiële instellingen (5) vallen, bij liquidatie dezelfde rangorde hebben als gewone aandelen en in doorgaande bedrijfsvoering, op gelijke voet met gewone aandelen, verliezen volledig opvangen. Het oorspronkelijk eigen vermogen als bedoeld in artikel 57, punt a), van Richtlijn 2006/48/EG dient overeenkomstig de voor kredietinstellingen geldende wettelijke bepalingen en rekening houdend met de specifieke samenstelling van onderlinge maatschappijen, coöperaties en soortgelijke instellingen ook andere, op grond van de kenmerken van hun kapitaal met gewone aandelen vergelijkbare instrumenten te omvatten, met name voor het opvangen van verliezen. Instrumenten die bij liquidatie niet dezelfde rangorde hebben als gewone aandelen of die in doorgaande bedrijfsvoering, op gelijke voet met gewone aandelen, verliezen volledig opvangen, behoren tot de in artikel 57, punt c bis), van Richtlijn 2006/48/EG bedoelde categorie van hybride kapitaalinstrumenten.

 

(5)

Om verstoring van de markten te voorkomen en de continuïteit van het totale niveau van het eigen vermogen te garanderen, dient voor de nieuwe regeling betreffende kapitaalinstrumenten in specifieke overgangsregelingen te worden voorzien. Zodra het herstel is gewaarborgd, dient de kwaliteit van het oorspronkelijke eigen vermogen verder te worden verbeterd. De Commissie moet dienaangaande uiterlijk op 31 december 2011 aan het Europees Parlement en de Raad verslag uitbrengen en eventueel desbetreffende voorstellen indienen.

 

(6)

Ter versterking van het communautaire kader voor crisisbeheer is het van essentieel belang dat de bevoegde autoriteiten, ook met het doel om hun systeemrisico te verminderen, hun maatregelen efficiënt coördineren met andere bevoegde autoriteiten en zo nodig met de centrale banken. Voor een efficiënter prudentieel toezicht op geconsolideerde basis op een bankgroep, moeten de toezichtactiviteiten effectiever worden gecoördineerd. Daarom moeten colleges van toezichthouders worden opgericht. De oprichting van colleges van toezichthouders mag geen afbreuk doen aan de rechten en plichten van de bevoegde autoriteiten in het kader van Richtlijn 2006/48/EG. De oprichting van colleges moet strekken tot nauwere samenwerking, door middel van de bevoegde autoriteiten tot overeenstemming over de voornaamste toezichthoudende taken komen. De colleges van toezichthouders moeten het lopende toezicht en de aanpak van noodsituaties vergemakkelijken. De consoliderende toezichthouder dient samen met de andere leden van het college te kunnen besluiten om bijeenkomsten of activiteiten te organiseren die niet van algemeen belang zijn, en dient daarom de presentie waar nodig te kunnen stroomlijnen.

 

(7)

Bij het mandaat van de bevoegde autoriteiten moet op passende wijze de Gemeenschapsdimensie meewegen. De bevoegde autoriteiten moeten daarom naar behoren rekening houden met de gevolgen van hun beslissingen voor de stabiliteit van het financiële stelsel in alle andere betrokken lidstaten. Onverminderd het nationale recht behelst dit beginsel niet dat de bevoegde autoriteiten aan een specifieke resultaatsverbintenis moeten worden gehouden maar veeleer dat financiële stabiliteit in de gehele Europese Unie nagestreefd dient te worden.

 

(8)

De bevoegde autoriteiten moeten kunnen deelnemen aan colleges die worden opgericht voor het toezicht op kredietinstellingen waarvan de moederinstelling in een derde land is gelegen. Het Comité van Europese bankentoezichthouders moet zo nodig richtsnoeren en aanbevelingen vaststellen om de convergentie van toezichtpraktijken overeenkomstig Richtlijn 2006/48/EG te versterken. Ter voorkoming van inconsistenties en toezichtsarbitrage die het gevolg kunnen zijn van verschillen in de methoden en regels die door de verschillende colleges worden gehanteerd, en van de wijze waarop de lidstaten van hun beoordelingsvrijheid gebruikmaken, moeten er door het Comité van Europese bankentoezichthouders richtsnoeren voor de voor colleges geldende procedures en regels worden opgesteld.

 

(9)

Het bepaalde in artikel 129, lid 3, van Richtlijn 2006/48/EG mag geen verandering brengen in de verdeling van de verantwoordelijkheden tussen de bevoegde autoriteiten op geconsolideerde, gesubconsolideerde of niet-geconsolideerde basis.

 

(10)

Informatielacunes tussen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst en van ontvangst kunnen schadelijk blijken voor de financiële stabiliteit in de lidstaat van ontvangst. Daarom moeten de informatierechten van de toezichthouders van de lidstaat van ontvangst, met name bij een crisis van significante bijkantoren, worden versterkt. Met dat doel moet het begrip significant bijkantoor gedefinieerd worden. De bevoegde autoriteiten moeten informatie doorgeven die voor centrale banken en ministeries van Financiën van essentieel belang is om hun taken bij financiële crises en het verminderen van systeemrisico’s te kunnen uitoefenen.

 

(11)

Het huidige toezichtskader moet verder worden ontwikkeld. Colleges van toezichthouders zijn een nieuwe en belangrijke stap voorwaarts om de samenwerking en convergentie van toezichthouders in de Europese Unie te stroomlijnen.

 

(12)

Samenwerking tussen toezichthoudende autoriteiten die zich bezighouden met concerns en holdings en hun dochters en bijkantoren, door middel van colleges vormt een fase in de ontwikkeling naar verdere convergentie in de regulering en integratie van het toezicht. Vertrouwen tussen toezichthouders en respectering van hun respectieve verantwoordelijkheden is essentieel. In geval van conflicten tussen leden van het college die uit die verschillende verantwoordelijkheden voortvloeien, zijn neutrale en onafhankelijke advisering, mediatie en conflictoplossingsmechanismen op communautair niveau van essentieel belang.

 

(13)

De crisis in de internationale financiële markten heeft aangetoond dat verder moet worden onderzocht of het regelgevings- en toezichtsmodel van de financiële sector in de Europese Unie moet worden hervormd.

 

(14)

De Commissie heeft in haar mededeling van 29 oktober 2008„From financial crisis to recovery: A European framework for action”, bekendgemaakt dat zij een groep deskundigen heeft opgericht, voorgezeten door Jacques de Larosière (de De Larosière-groep), met als taak de organisatie van Europese financiële instellingen te onderzoeken en daarbij te letten op prudentiële soliditeit, het ordelijk functioneren van de markten en nauwere Europese samenwerking bij het toezicht op financiële stabiliteit, mechanismen voor vroegtijdige waarschuwing en crisisbeheer, onder meer voor het beheer van grens- en sectoroverschrijdende risico’s. Ook moet de groep kijken naar de samenwerking tussen de Europese Unie en andere belangrijke jurisdicties om te helpen de financiële stabiliteit op mondiaal niveau veilig te stellen.

 

(15)

Om het noodzakelijke niveau van toezichtsconvergentie en -samenwerking op het niveau van de Europese Unie te verwezenlijken en om de stabiliteit van het financiële stelsel te schragen zijn nieuwe, grondige hervormingen van het regelgevings- en toezichtsmodel van de financiële sector in de Europese Unie dringend noodzakelijk en moeten deze spoedig door de Commissie worden ingediend, waarbij naar behoren rekening wordt gehouden met de conclusies die de, door de De Larosière-groep op 25 februari 2009 heeft voorgelegd.

 

(16)

De Commissie moet uiterlijk op 31 december 2009 verslag uitbrengen aan het Europees Parlement en de Raad en passende wettelijke maatregelen indienen om de geconstateerde tekortkomingen met betrekking tot de bepalingen in verband met een verdere integratie van het toezicht te verhelpen, rekening houdend met het feit dat een toezichtsysteem op het niveau van de Europees Unie voor 31 december 2011 een sterkere rol moet zijn gaan spelen.

 

(17)

Een overmatige concentratie van risico’s bij één cliënt of groep van verbonden cliënten kan leiden tot een onaanvaardbaar risico op verliezen. Een dergelijke situatie zou geacht kunnen worden nadelig te zijn voor de solvabiliteit van een kredietinstelling. Daarom moet de bewaking en beheersing van grote posities van kredietinstellingen een integrerend deel van het toezicht op deze instellingen vormen.

 

(18)

De huidige regeling voor grote risico’s dateert van 1992. Daarom moeten de bestaande vereisten voor grote posities in Richtlijn 2006/48/EG en in Richtlijn 2006/49/EG van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 inzake de kapitaaltoereikendheid van beleggingsondernemingen en kredietinstellingen (6) opnieuw worden bekeken.

 

(19)

Aangezien kredietinstellingen op de interne markt rechtstreeks met elkaar concurreren, moeten de essentiële voorschriften voor de bewaking en beheersing van grote posities van kredietinstellingen verder worden geharmoniseerd. Om de administratieve lasten voor kredietinstellingen te beperken, is een terugdringing nodig van het aantal opties waaruit de lidstaten kunnen kiezen als het om grote posities gaat.

 

(20)

Om uit te maken of er sprake is van een groep van verbonden cliënten en daarmee van posities die uit een oogpunt van risico een geheel vormen, is het ook van belang dat rekening wordt gehouden met de risico’s die voortvloeien uit het feit dat hun vreemd vermogen voor een aanzienlijk deel afkomstig is van de kredietinstelling of de beleggingsonderneming zelf, van de financiële groep waartoe zij behoort of van met haar verbonden partijen.

 

(21)

Hoewel het wenselijk is om bij de berekening van de waarde van posities uit te gaan van hetgeen bepaald is voor de berekening van het minimale eigen vermogen, moeten voor de bewaking van grote posities voorschriften zonder risicogewichten of risicograden worden vastgesteld. Bovendien berusten de technieken van de solvabiliteitsregeling voor kredietrisicolimitering op een veronderstelde goede spreiding van het kredietrisico. Bij grote posities waarbij sprake is van een concentratierisico jegens één grote tegenpartij („single-name”) is het kredietrisico niet goed gespreid. Daarom moeten er prudentiële voorzorgsmaatregelen gelden ten aanzien van het effect van kredietrisicolimitering. In dit verband moet bij grote posities worden voorzien in een effectieve uitwinning van de kredietprotectie.

 

(22)

Aangezien een verlies op een positie jegens een kredietinstelling of een beleggingsonderneming even ernstig kan zijn als een verlies op enig andere positie, moeten dergelijke posities op dezelfde wijze worden behandeld en gemeld als elke andere positie. Er is evenwel voorzien in een alternatieve kwantitatieve beperking om het onevenredig zware effect van die benadering op instellingen van geringere omvang af te zwakken. Daarnaast worden zeer kortstondige posities in verband met geldtransfers, waaronder de uitvoering van betalingsopdrachten, clearing, afwikkeling en bewaring van financiële instrumenten ten behoeve van cliënten uitgezonderd met het oog op een soepele werking van de financiële markten en de daaraan gerelateerde infrastructuur. Die diensten omvatten bijvoorbeeld de verevening en afwikkeling van onderlinge geldposities en andere activiteiten die de afwikkeling versoepelen. De bedoelde posities omvatten posities die mogelijk niet voorspelbaar zijn en waarover de banken dus niet de volledige controle hebben, onder meer saldo’s op interbancaire rekeningen die al dan niet rechtstreeks resulteren uit betalingen van cliënten, met inbegrip van overgemaakte of afgeboekte honoraria en rente, en andere betalingen voor cliëntendiensten, alsmede gegeven of ontvangen zekerheden.

 

(23)

De bepalingen betreffende de externe kredietbeoordelingsinstellingen (EKBI’s) uit hoofde van Richtlijn 2006/48/EG dienen consistent te zijn met die in Verordening (EG) nr. 1060/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 inzake kredietratingbureaus (7). Met name dient het Comité van Europese bankentoezichthouders (CEBS) zijn richtsnoeren inzake de erkenning van EKBI’s opnieuw te bekijken ter vermijding van doublures en ter verlichting van de erkenningsprocedure in de gevallen waarin een EKBI op communautair niveau als kredietratingbureau is geregistreerd.

 

(24)

Het is belangrijk een slechte afstemming tussen de belangen van ondernemingen die leningen in verhandelbare effecten en andere financiële instrumenten „herverpakken” (initiators of sponsors), en van de ondernemingen die in deze effecten of instrumenten beleggen (beleggers), uit te bannen. Het is ook van belang dat de belangen van de initiator of sponsor en de belangen van beleggers overeenkomen Om dit te bereiken moet de initiator of sponsor een significant belang in de onderliggende activa behouden. Daarom moeten de initiators of de sponsors ten aanzien van de leningen in kwestie risico blijven dragen. Over het algemeen mogen securitisatietransacties niet zo worden opgezet dat de toepassing van de vereisten voor het aanhouden wordt voorkomen, met name d.m.v. een vergoeding of een tariefstructuur of beide. Dit aanhouden van een risico moet gelden in alle situaties waarin de belangrijkste economische kenmerken van een securitisatie in de zin van Richtlijn 2006/48/EG van toepassing zijn, ongeacht de juridische structuren of instrumenten die worden aangewend om deze economische kenmerken te verkrijgen. Met name bij een overdracht van het kredietrisico door middel van securitisatie zouden beleggers hun beslissingen pas mogen nemen na het nodige onderzoek te hebben verricht en daarvoor hebben zij deugdelijke informatie over de securitisaties nodig.

 

(25)

De maatregelen ter opheffing van mogelijke incongruentiesom van die structuren, moeten in alle regelingen betreffende de financiële sector consistent en coherent zijn. De Commissie moet passende wetgevingsvoorstellen indienen om deze consistentie en coherentie te waarborgen. Er mag geen meervoudige toepassing van de vereisten voor het aanhouden zijn. Voor een bepaalde securitisatie volstaat het als hetzij de initiator, de sponsor of de oorspronkelijke kredietverstrekker onder de verplichting valt. Wanneer securitisatietransacties andere securitisaties als onderliggende waarde hebben, dient de vereiste betreffende het aanhouden dan ook alleen te gelden voor de securitisatie die van toepassing is op de belegging. Voor gekochte kortlopende vorderingen geldt de vereiste betreffende het aanhouden niet als deze voortvloeien uit bedrijfsactiviteiten in het kader waarvan zij met korting worden overgedragen of verkocht om deze activiteiten te financieren. De bevoegde autoriteiten beoordelen met de nodige zorgvuldigheid het risico in verband met niet-naleving en de risicobeheersverplichtingen in verband met de securitisatie bij ongewone overtredingen van beleidsmaatregelen en procedures die relevant zijn voor de beoordeling van de onderliggende risico’s.

 

(26)

In hun verklaring „Strengthening the Financial System” van 2 april 2009 verzochten de leiders van de G20 het Comité van Bazel voor het bankentoezicht en de autoriteiten om eisen inzake zorgvuldigheid en kwantitatieve vereisten voor het aanhouden te overwegen voor securitisatie uiterlijk in 2010. Gezien deze internationale ontwikkelingen, en teneinde systemische risico’s tengevolge van de securitisatiemarkten te beperken, besluit de Commissie vóór eind 2009 en na overleg met het Comité van Europese bankentoezichthouders of de vereisten voor het aanhouden moeten worden versterkt, en of de methoden voor het berekenen van de vereisten voor het aanhouden voldoen aan de doelstelling van het beter op elkaar afstemmen van de belangen van initiators of sponsors en beleggers.

 

(27)

De nodige zorgvuldigheid moet worden betracht om de risico’s van gesecuritiseerde posities op de handelsportefeuille en de niet-handelsportefeuille correct te kunnen beoordelen. Bovendien moeten zorgvuldigheidsverplichtingen proportioneel zijn. Zorgvuldigheidsprocedures moeten bijdragen tot een groter vertrouwen tussen initiatoren, sponsors en beleggers. Daarom is het wenselijk dat relevante informatie over de zorgvuldigheidsprocedures adequaat wordt bekendgemaakt.

 

(28)

De lidstaten dienen erop toe te zien dat hun bevoegde autoriteiten voldoende personeel en middelen hebben om hun toezichthoudende verplichtingen krachtens Richtlijn 2006/48/EG te vervullen en dat het personeel dat overeenkomstig deze richtlijn bij het toezicht op kredietinstellingen wordt ingezet, voldoende kennis en ervaring heeft voor de hem opgedragen taken.

 

(29)

Bijlage III bij Richtlijn 2006/48/EG moet worden aangepast om bepaalde voorschriften met het oog op een sterkere convergentie van de toezichtpraktijken te verduidelijken.

 

(30)

Uit recente marktontwikkelingen is gebleken dat het beheer van liquiditeitsrisico van essentieel belang is voor de soliditeit van kredietinstellingen en hun bijkantoren. De criteria van bijlage V en XI bij Richtlijn 2006/48/EG moeten worden aangescherpt om de desbetreffende bepalingen in overeenstemming te brengen met de regels die het Comité van Europese bankentoezichthouders en het Bazels Comité voor het bankentoezicht hebben uitgewerkt.

 

(31)

De voor de uitvoering van Richtlijn 2006/48/EG vereiste maatregelen dienen te worden vastgesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden (8).

 

(32)

Met name moet de Commissie worden gemachtigd om bijlage XIII bij Richtlijn 2006/48/EG in verband met ontwikkelingen op de financiële markten of op het gebied van standaarden voor of eisen aan jaarrekeningen die rekening houden met de Gemeenschapswetgeving, te wijzigen. Daar het maatregelen van algemene strekking betreft tot wijziging van niet-essentiële onderdelen van Richtlijn 2006/48/EG, moeten zij volgens de in artikel 5 bis van Besluit 1999/468/EG vastgestelde regelgevingsprocedure met toetsing worden vastgesteld.

 

(33)

De financiële crisis heeft aangetoond dat er een beter onderzoek moet worden verricht naar en beter gereageerd moet worden op macro-prudentiële problemen, die ontstaan op het snijpunt van macro-economisch beleid en de regulering van het financiële stelsel. Derhalve moet onderzoek worden verricht naar maatregelen die de opgaande en neergaande trends van de conjunctuurcyclus afzwakken, waaronder de noodzaak voor kredietinstellingen om in goede tijden anticyclische kapitaalbuffers te vormen waarop bij een neergaande conjunctuurtrend kan worden teruggevallen, hetgeen ook de mogelijkheid kan inhouden om extra reserves en „dynamische voorzieningen” te vormen, alsmede de mogelijkheid om kapitaalbuffers in moeilijke tijden te verlagen, en er op deze wijze voor te zorgen dat gedurende de cyclus voldoende kapitaal beschikbaar is; de onderliggende ratio voor de berekening van de kapitaalbehoeften in Richtlijn 2006/48/EG; aanvullende maatregelen voor de risicovereisten van kredietinstellingen als bijdrage ter verbetering van de schuld-kapitaalratio in het bankwezen.

 

(34)

Uiterlijk op 31 januari 2009 moet de Commissie Richtlijn 2006/48/EG daarom in haar geheel opnieuw bekijken om deze punten te evalueren en een verslag aan het Europees Parlement en de Raad voorleggen en eventueel desbetreffende voorstellen indienen.

 

(35)

Met het oog op financiële stabiliteit dient de Commissie maatregelen ter vergroting van de transparantie van de OTC markt opnieuw te bekijken en er verslag over uit te brengen, om de risico’s voor de tegenpartij, en meer algemeen de algehele risico’s te verminderen, bv. door clearing van kredietverzuim door centrale clearinghouses (CCP’s). De invoering en ontwikkeling van CCP’s in de Europese Unie die onderworpen worden aan strenge operationele en prudentiële normen en daadwerkelijk toezicht moet worden aangemoedigd. De Commissie dient haar verslag, vergezeld van passende voorstellen, bij het Europees Parlement en de Raad in, zo nodig rekening houdend met parallelle initiatieven op mondiaal niveau.

 

(36)

De Commissie herziet en brengt verslag uit over de toepassing van artikel 113, lid 4, van Richtlijn 2006/48/EG met inbegrip van de vraag of vrijstellingen moeten worden overgelaten aan de lidstaten. De Commissie legt dat verslag voor aan het Europees Parlement en de Raad, samen met eventuele passende voorstellen. De vrijstellingen en keuzemogelijkheden moeten worden afgeschaft wanneer blijkt dat handhaving overbodig is door de invoering van een reeks consistente voorschriften in de Gemeenschap.

 

(37)

Bij de risicobeoordeling moet rekening worden gehouden met de specifieke kenmerken van microkrediet, en de ontwikkeling van microkrediet moet worden bevorderd. Bovendien moet, gezien de prille ontwikkeling van microkrediet, de ontwikkeling van adequate ratingsystemen worden bevorderd, met inbegrip van de ontwikkeling van standaard-ratingsystemen die zijn aangepast aan de risico’s van microkredietactiviteiten. De lidstaten moeten ernaar streven te waarborgen dat prudentiële regelgeving en toezicht op microkredietactiviteiten op nationaal niveau evenredig zijn.

 

(38)

Aangezien de doelstellingen van deze richtlijn, namelijk de invoering van regelgeving inzake de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen en inzake het prudentiële toezicht op deze instellingen niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt omdat zulks de harmonisatie vereist van een veelheid van verschillende voorschriften die thans in de rechtsstelsels van de diverse lidstaten bestaan, en derhalve beter door de Gemeenschap kunnen worden verwezenlijkt, kan de Gemeenschap overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag neergelegde subsidiariteitsbeginsel maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken.

 

(39)

Overeenkomstig punt 34 van het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven (9), worden de lidstaten ertoe aangemoedigd om voor eigen gebruik en in het belang van de Gemeenschap eigen tabellen op te stellen, die zoveel mogelijk de correlatie tussen deze richtlijn en de omzettingsmaatregelen weergeven, en deze te publiceren.

 

(40)

De Richtlijnen 2006/48/EG, 2006/49/EG en 2007/64/EG (10) moeten daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Wijzigingen in Richtlijn 2006/48/EG

Richtlijn 2006/48/EG wordt als volgt gewijzigd:

 

1)

Artikel 3, lid 1, wordt als volgt gewijzigd:

 

a)

in de eerste alinea wordt de inleidende formule vervangen door:

„1.   Een of meer in eenzelfde lidstaat bestaande kredietinstellingen die op dat tijdstip blijvend waren aangesloten bij een in diezelfde lidstaat gevestigd centraal orgaan dat op die kredietinstellingen toezicht uitoefent, kunnen van de vereisten in artikel 7 en in artikel 11, lid 1, worden vrijgesteld, mits de nationale wetgeving erin heeft voorzien dat:”;

 

b)

de tweede en de derde alinea worden geschrapt.

 

2)

Artikel 4 wordt als volgt gewijzigd:

 

a)

punt 6 wordt vervangen door:

 

„6.

„instellingen” voor de toepassing van de afdelingen 2, 3 en 5 van titel V, hoofdstuk 2: instellingen in de zin van artikel 3, lid 1, onder c), van Richtlijn 2006/49/EG;”;

 

b)

punt 45, letter b), wordt vervangen door:

 

„b)

hetzij twee of meer natuurlijke of rechtspersonen tussen wie geen zeggenschapsrelatie als bedoeld in letter a) bestaat, maar die uit een oogpunt van risico als een geheel moeten worden beschouwd omdat zij zodanig onderling verbonden zijn dat, indien een van hen financiële problemen zou ondervinden, en met name financierings- of betalingsmoeilijkheden, andere of alle anderen waarschijnlijk ook in financierings- of betalingsmoeilijkheden zouden komen.”;

 

c)

het volgende punt wordt toegevoegd:

 

„48.

„consoliderende toezichthouder”: de bevoegde autoriteit die belast is met het toezicht op geconsolideerde basis op EU-moederkredietinstellingen en kredietinstellingen die onder de zeggenschap staan van een financiële EU-moederholding.”.

 

3)

Aan artikel 40 wordt het volgende lid toegevoegd:

„3.   De bevoegde autoriteiten in de ene lidstaat nemen bij de uitoefening van hun algemene taken naar behoren de gevolgen in overweging die hun besluiten, met name in noodsituaties, kunnen hebben voor de stabiliteit van het financiële stelsel van alle andere betrokken lidstaten, uitgaande van de op het desbetreffende tijdstip beschikbare informatie.”.

 

4)

De volgende artikelen worden ingevoegd:

„Artikel 42 bis

  • 1. 
    De bevoegde autoriteiten van een lidstaat van ontvangst kunnen in gevallen waarin artikel 129, lid 1, van toepassing is, de consoliderende toezichthouder of anders de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst verzoeken een bijkantoor van een kredietinstelling als significant aan te merken.

Het verzoek vermeldt de redenen waarom het bijkantoor als significant moet worden aangemerkt, en met name:

 

a)

of het marktaandeel in deposito’s van dit bijkantoor in de lidstaat van ontvangst meer dan 2 % bedraagt;

 

b)

wat de vermoedelijke gevolgen van een opschorting of beëindiging van de werkzaamheden van de kredietinstelling voor de liquiditeit van de markt en de betalings-, clearing- en afwikkelingssystemen in de lidstaat van ontvangst zullen zijn, en

 

c)

de omvang en het belang van het bijkantoor, wat het aantal cliënten betreft, binnen het bancaire of financiële stelsel in de lidstaat van ontvangst.

De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst en van de lidstaat van ontvangst, alsmede de consoliderende toezichthouder in gevallen waarin artikel 129, lid 1, van toepassing is, stellen alles in het werk om tot een gezamenlijk besluit te komen over de kwalificatie van een bijkantoor als significant.

Als binnen twee maanden na ontvangst van een verzoek ingevolge de eerste alinea geen gezamenlijk besluit wordt genomen, beslissen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst uiterlijk twee maanden daarna zelf of het bijkantoor significant is. Bij deze beslissing houden de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst rekening met de standpunten en voorbehouden van de consoliderende toezichthouder of van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst.

De in de derde en vierde alinea bedoelde besluiten worden op schrift gesteld met volledige opgaaf van redenen, worden aan de betrokken bevoegde autoriteiten toegezonden, worden als definitief erkend en worden door de bevoegde autoriteiten in de betrokken lidstaten toegepast.

De kwalificatie van een bijkantoor als significant doet geen afbreuk aan de rechten en plichten van de bevoegde autoriteiten in het kader van deze richtlijn.

  • 2. 
    De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst zenden de bevoegde autoriteiten van een lidstaat van ontvangst waarin een significant bijkantoor is gevestigd, de in artikel 132, lid 1, onder c) en d), genoemde informatie toe en voeren de in artikel 129, lid 1, onder c), genoemde taken in samenwerking met de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst uit.

Als een bevoegde autoriteit van een lidstaat van herkomst kennis krijgt van een noodsituatie in een kredietinstelling als bedoeld in artikel 130, lid 1, waarschuwt zij zo spoedig mogelijk de in artikel 49, vierde alinea, en in artikel 50 bedoelde autoriteiten.

  • 3. 
    Ingeval artikel 131 bis niet van toepassing is, richten de bevoegde autoriteiten die toezicht houden op een kredietinstelling met significante bijkantoren in andere lidstaten, een door hen voorgezeten college van toezichthouders op om de samenwerking ingevolge lid 2 van het onderhavige artikel en artikel 42 te vergemakkelijken. Na raadpleging van de betrokken bevoegde autoriteiten stelt de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst de regeling voor de oprichting en werking van het college schriftelijk vast. De bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst beslist welke bevoegde autoriteiten deelnemen aan een vergadering of activiteit van het college.

Bij haar beslissing houdt de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst rekening met de relevantie van de te plannen of te coördineren toezichtactiviteit voor die autoriteiten en in het bijzonder met de gevolgen die deze beslissing kan hebben voor de stabiliteit van het financiële stelsel in de betrokken lidstaten als bedoeld in artikel 40, lid 3, en met het bepaalde in lid 2 van dit artikel.

De bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst informeert alle leden van het college vooraf volledig over het beleggen van vergaderingen, de voornaamste agendapunten en de in overweging te nemen activiteiten. De bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst informeert alle leden van het college tevens tijdig over de acties of maatregelen die in die bijeenkomsten ondernomen of uitgevoerd worden.

Artikel 42 ter

  • 1. 
    Bij de uitoefening van hun taken houden de bevoegde autoriteiten rekening met de convergentie van de toezichtinstrumenten en -praktijken bij de toepassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die overeenkomstig deze richtlijn zijn vastgesteld. Daartoe zorgen de lidstaten ervoor dat:
 

a)

de bevoegde autoriteiten deelnemen aan de werkzaamheden van het Comité van Europese bankentoezichthouders;

 

b)

de bevoegde autoriteiten zich houden aan de richtsnoeren, aanbevelingen, normen en andere door het Comité van Europese bankentoezichthouders vastgestelde maatregelen en als zij dat niet doen daarvoor de redenen aanvoeren;

 

c)

nationale mandaten die de bevoegde autoriteiten worden verstrekt, staan hun taakvervulling uit hoofde van hun zitting in het Comité van Europese bankentoezichthouders of van deze richtlijn niet in de weg.

  • 2. 
    Vanaf 1 januari 2011 brengt het Comité van Europese bankentoezichthouders elk jaar aan het Europees Parlement, de Raad en de Commissie verslag uit over de voortgang in de toezichtconvergentie.”.
 

5)

Artikel 49 wordt als volgt gewijzigd:

 

a)

in de eerste alinea wordt punt a) vervangen door:

 

„a)

de centrale banken van het Europese stelsel van centrale banken en andere instanties met een soortgelijke taak in hun hoedanigheid van monetaire autoriteit als deze gegevens van belang zijn voor de uitoefening van hun wettelijke taken, waaronder het voeren van monetair beleid en de daarmee samenhangende beschikbaarstelling van liquide middelen, de uitoefening van toezicht op betalings-, clearing- en afwikkelingssystemen en de waarborging van de stabiliteit van het financiële stelsel;”;

 

b)

de volgende alinea wordt toegevoegd:

„In een noodsituatie als bedoeld in artikel 130, lid 1, staan de lidstaten de bevoegde autoriteiten toe dat zij gegevens toezenden aan centrale banken van het Europese stelsel van centrale banken als deze gegevens van belang zijn voor de uitoefening van hun wettelijke taken, waaronder het voeren van monetair beleid en de daarmee samenhangende beschikbaarstelling van liquide middelen, de uitoefening van toezicht op betalings-, clearing- en effectenafwikkelingssystemen en de waarborging van de stabiliteit van het financiële stelsel.”.

 

6)

Aan artikel 50 wordt de volgende alinea toegevoegd:

„In een noodsituatie als bedoeld in artikel 130, lid 1, staan de lidstaten de bevoegde autoriteiten toe dat zij gegevens mededelen die van belang is voor de in de eerste alinea van dit artikel genoemde diensten in alle betrokken lidstaten.”.

 

7)

Artikel 57 wordt als volgt gewijzigd:

 

a)

punt a) wordt vervangen door:

 

„a)

gestort kapitaal in de zin van artikel 22 van Richtlijn 86/635/EEG plus de daarmee verbonden agiorekening, voor zover het verliezen in doorgaande bedrijfsvoering volledig opvangt en het in geval van faillissement of liquidatie achtergesteld is bij alle andere schuldvorderingen;”;

 

b)

het volgende punt wordt ingevoegd:

 

„c bis)

andere dan de in punt a) bedoelde instrumenten die aan de vereisten van artikel 63, lid 2, punten a), c), d) en e), en van artikel 63 bis voldoen;”;

 

c)

de derde alinea wordt vervangen door:

„Voor de toepassing van punt b) mogen de lidstaten alleen toestaan dat positieve tussentijdse of eindejaarsresultaten worden meegeteld voordat een formeel besluit is genomen, wanneer zij zijn geverifieerd door met de controle van de rekeningen belaste personen en wanneer ten genoege van de bevoegde autoriteiten is aangetoond dat het bedrag daarvan is geraamd overeenkomstig de beginselen, neergelegd in Richtlijn 86/635/EEG, en netto is, na aftrek van alle te verwachten lasten en van voorzieningen voor dividenden.”.

 

8)

Artikel 61, eerste alinea, wordt vervangen door:

„Het begrip „eigen vermogen” als gedefinieerd in artikel 57, punten a) tot en met h), houdt een maximum aan bestanddelen en bedragen in. De lidstaten kunnen beslissen over het gebruik van deze bestanddelen en over de aftrek van andere bestanddelen dan die welke worden genoemd in artikel 57, onder i) tot en met r).”.

 

9)

Aan artikel 63, lid 2, wordt de volgende alinea toegevoegd:

„De in artikel 57, onder c bis), bedoelde instrumenten voldoen aan de vereisten van de punten a), c), d) en e).”.

 

10)

Het volgende artikel wordt ingevoegd:

„Artikel 63 bis

  • 1. 
    De in artikel 57, punt c bis), bedoelde instrumenten voldoen aan de vereisten van de leden 2 tot en met 5.
  • 2. 
    De instrumenten hebben geen vervaldatum of hebben een oorspronkelijke looptijd van ten minste dertig jaar. De instrumenten kunnen een of meer, uitsluitend naar het oordeel van de uitgevende instelling uit te oefenen callopties omvatten maar worden ten vroegste vijf jaar na de datum van uitgifte afgelost. Als de bepalingen die voor instrumenten zonder vervaldatum gelden, voorzien in een gematigde, door de bevoegde autoriteiten te beoordelen aflossingsprikkel voor de kredietinstelling, mag die prikkel zich ten vroegste tien jaar na de datum van uitgifte voordoen. De bepalingen die voor instrumenten zonder vervaldatum gelden, staan niet toe dat van die instrumenten een prikkel tot aflossing op een andere datum dan de vervaldatum uitgaat.

Zowel instrumenten met als instrumenten zonder vervaldatum kunnen alleen met voorafgaande toestemming van de bevoegde autoriteiten worden opgeëist of afgelost. De bevoegde autoriteiten kunnen deze toestemming verlenen mits het verzoek op initiatief van de kredietinstelling wordt gedaan en noch de financiële positie noch de solvabiliteitspositie van de kredietinstelling al te zeer wordt aangetast. De bevoegde autoriteiten kunnen van instellingen verlangen dat zij het instrument vervangen door in artikel 57, onder a) of c bis), bedoelde bestanddelen van dezelfde of een betere kwaliteit.

De bevoegde autoriteiten verlangen dat de aflossing van instrumenten met vervaldatum wordt opgeschort als de kredietinstelling niet aan de kapitaalvereisten van artikel 75 voldoet en kunnen verlangen dat aflossing op andere tijdstippen wordt opgeschort op grond van de financiële positie en solvabiliteitspositie van kredietinstellingen.

De bevoegde autoriteit kan te allen tijde toestemming verlenen voor een vroegtijdige aflossing van instrumenten met of zonder vervaldatum ingeval de toepasselijke fiscale behandeling of indeling van deze instrumenten volgens de regelgeving een wijziging ondergaat die bij uitgifte niet was voorzien.

  • 3. 
    De bepalingen die voor het instrument gelden, bieden de kredietinstelling de mogelijkheid om de uitkering van rente of dividend zo nodig voor onbepaalde tijd en op niet-cumulatieve basis te staken.

De kredietinstelling schrapt dergelijke uitkeringen echter als zij niet voldoet aan de kapitaalvereisten van artikel 75.

De bevoegde autoriteiten kunnen verlangen dat de uitkering van rente of dividend op grond van de financiële positie en de solvabiliteitspositie van de kredietinstelling worden gestaakt. Het staken van de uitkering van rente of dividend doet geen afbreuk aan het recht van de kredietinstelling om de rente- of dividenduitkering te vervangen door een betaling in de vorm van een instrument als bedoeld in artikel 57, punt a), mits de kredietinstelling daardoor financiële middelen kan behouden. De bevoegde autoriteiten kunnen aan die vervanging voorwaarden verbinden.

  • 4. 
    De bepalingen die voor het instrument gelden, schrijven voor dat de hoofdsom en niet-uitgekeerde rente of dividend van dien aard moeten zijn dat verliezen ermee worden opgevangen en dat ze geen belemmering vormen voor de herkapitalisatie van de kredietinstelling met passende, door het Comité van Europese bankentoezichthouders krachtens lid 6 uit te werken mechanismen.
  • 5. 
    Bij het faillissement of de liquidatie van de kredietinstelling zijn de instrumenten achtergesteld bij de in artikel 63, lid 2, bedoelde bestanddelen.
  • 6. 
    Het Comité van Europese bankentoezichthouders stelt richtsnoeren op voor de convergentie van toezichtpraktijken met betrekking tot de in lid 1 van dit artikel en in artikel 57, onder a), bedoelde instrumenten en controleert de toepassing ervan. Uiterlijk op 31 december 2011 onderwerpt de Commissie de toepassing van het onderhavige artikel aan een evaluatie en brengt zij hierover verslag uit dat zij, samen met eventuele passende voorstellen om de kwaliteit van het eigen vermogen te garanderen, aan het Europees Parlement en de Raad voorlegt.”.
 

11)

Artikel 65, lid 1, onder a), wordt vervangen door:

 

„a)

minderheidsbelangen in de zin van artikel 21 van Richtlijn 83/349/EEG als de integrale consolidatiemethode wordt toegepast. De in artikel 57, onder c bis), bedoelde instrumenten die aan de basis liggen van een minderheidsbelang, voldoen aan de vereisten van artikel 63, lid 2, onder a), c), d) en e), en de artikelen 63 bis en 66;”.

 

12)

Artikel 66 wordt als volgt gewijzigd:

 

a)

leden 1 en 2 worden vervangen door:

„1.   Voor de in artikel 57, onder d) tot en met h), bedoelde bestanddelen gelden de volgende limieten:

 

a)

de som van de bestanddelen genoemd in artikel 57, onder d) tot en met h), mag niet meer bedragen dan 100 % van de som van de bestanddelen genoemd in dat artikel, onder a) tot en met c bis), verminderd met de som van de bestanddelen onder i), j) en k); alsmede

 

b)

de som van de bestanddelen genoemd in artikel 57, onder g) en h), mag niet meer bedragen dan 50 % van de som van de bestanddelen genoemd in dat artikel, onder a) tot en met c bis), verminderd met de som van de bestanddelen genoemd in dat artikel onder i), j) en k).

1 bis.   Onverminderd lid 1 van dit artikel gelden voor de som van de bestanddelen genoemd in artikel 57, punt c bis), de volgende limieten:

 

a)

instrumenten die in noodsituaties binnen een vooraf bepaalde marge geconverteerd moeten worden en op initiatief van de bevoegde autoriteiten in het licht van de financiële en solvabiliteitssituatie van de emittent te allen tijde geconverteerd mogen worden in bestanddelen genoemd in artikel 57, onder a), mogen tezamen niet meer bedragen dan 50 % van de som van de bestanddelen genoemd in artikel 57, onder a) tot en met c bis), verminderd met de som van de bestanddelen genoemd onder i), j) en k) van dat artikel;

 

b)

binnen de onder a) bedoelde limiet bedragen alle andere instrumenten tezamen niet meer dan 35 % van de som van de bestanddelen genoemd in artikel 57, punten a) tot en met c bis), verminderd met de som van de bestanddelen in de punten i), j) en k);

 

c)

binnen de onder a) en b) bedoelde limieten bedraagt de som van gedateerde instrumenten en instrumenten waarvan de bepalingen een aflossingsprikkel voor de kredietinstelling bevatten, niet meer dan 15 % van de bestanddelen genoemd in artikel 57, onder a) tot en met c bis), verminderd met de som van de bestanddelen onder i), j) en k);

 

d)

voor het bedrag van de bestanddelen dat uitkomt boven de limieten van a), b) en c), geldt de limiet van lid 1 van dit artikel.

  • 2. 
    De som van de bestanddelen bedoeld in artikel 57, onder l) tot en met r), wordt voor de helft in mindering gebracht op de som van de bestanddelen a) tot en met c bis), verminderd met i), j) en k), en voor de helft op de som van de bestanddelen d) tot en met h) van dat artikel, na toepassing van de in lid 1 van dit artikel bepaalde limieten. Ingeval de helft van de som van de bestanddelen l) tot en met r) van artikel 57 meer bedraagt dan de som van de bestanddelen d) tot en met h) van dat artikel, wordt het meerbedrag in mindering gebracht op de som van de bestanddelen a) tot en met c bis), verminderd met i), j) en k) van dat artikel. Bestanddelen onder r) van artikel 57, worden niet in mindering gebracht indien zij voor de toepassing van artikel 75 zijn meegeteld in de berekening van de risicogewogen posten zoals aangegeven in bijlage IX, deel 4.”;
 

b)

lid 4 wordt vervangen door:

„4.   De bevoegde autoriteiten kunnen kredietinstellingen toestemming geven om de in de leden 1 en 1 bis genoemde limieten in noodsituaties tijdelijk te overschrijden.”.

 

13)

Het opschrift van titel V, hoofdstuk 2, afdeling 2, onderafdeling 2 „Berekening van de vereisten” wordt vervangen door „Voorschriften voor berekening en rapportage”.

 

14)

In artikel 74, lid 2, wordt na de eerste alinea de volgende alinea ingevoegd:

„Voor de mededeling van deze berekeningen door de kredietinstellingen passen de bevoegde autoriteiten vanaf 31 december 2012 uniforme rapportageformats, -frequenties en -termijnen toe. Hiertoe stelt het Comité van Europese bankentoezichthouders voor 1 januari 2012 richtsnoeren ter invoering van een uniform rapportageformaat in de Gemeenschap op. De rapportageformats staan in verhouding tot de aard, omvang en complexiteit van de werkzaamheden van de kredietinstellingen.”.

 

15)

Artikel 81, lid 2, wordt vervangen door:

„2.   De bevoegde autoriteiten erkennen een EKBI als zijnde in aanmerking komende voor de doeleinden van artikel 80 alleen als ze zich ervan hebben overtuigd dat de beoordelingsmethodiek van de instelling voldoet aan de criteria objectiviteit, onafhankelijkheid, doorlopende toetsing en transparantie en dat de ontwikkelde kredietbeoordelingen betrouwbaar en transparant zijn. Daartoe houden de bevoegde autoriteiten rekening met de technische criteria in bijlage VI, deel 2. Wanneer een EKBI is geregistreerd als kredietratingbureau overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1060/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 over Kredietratingbureaus (11), gaan de bevoegde autoriteiten ervan uit dat beoordelingsmethodiek van deze instelling aan de criteria van objectiviteit, onafhankelijkheid, doorlopende toetsing en transparantie voldoet.

 

16)

Artikel 87 wordt als volgt gewijzigd:

 

a)

lid 11 wordt vervangen door:

„11.   Als vorderingen in de vorm van een instelling voor collectieve belegging (ICB) voldoen aan de criteria van bijlage VI, deel 1, punten 77 en 78, en de kredietinstelling op de hoogte is van alle of een deel van de onderliggende vorderingen van de ICB, controleert de kredietinstelling deze vorderingen en berekent zij de risicogewogen posten en de verwachte verliesposten op basis van de methodieken die in deze onderafdeling worden beschreven. Lid 12 is van toepassing op het deel van de onderliggende vorderingen van de ICB waarvan de kredietinstelling niet op de hoogte is […] of redelijkerwijs niet op de hoogte kan zijn. Lid 12 is met name van toepassing indien het voor de kredietinstelling nodeloos omslachtig zou zijn de onderliggende vorderingen door te nemen ten einde risicogewogen posten en verwachte verliesposten te berekenen volgens de in deze onderafdeling beschreven methoden.

Wanneer de kredietinstelling niet voldoet aan de voorwaarden om de in deze onderafdeling beschreven methoden voor alle of een deel van de onderliggende vorderingen van de ICB te mogen gebruiken, worden de risicogewogen posten en de verwachte verliesposten als volgt berekend:

 

a)

bij vorderingen die onder de in artikel 86, lid 1, onder e), genoemde categorie vallen, de benadering van bijlage VII, deel 1, punten 19 tot en met 21;

 

b)

bij alle overige onderliggende vorderingen de in de artikelen 78 tot en met 83 beschreven benadering, die echter op de volgende punten afwijkt:

 

i)

bij vorderingen waarvoor een bepaald risicogewicht voor vorderingen zonder rating geldt of waarvoor de kredietkwaliteitscategorie geldt die de hoogste risicoweging oplevert voor een bepaalde categorie vorderingen, wordt het risicogewicht vermenigvuldigd met de factor 2, maar kan dit gewicht niet meer bedragen dan 1 250 %;

 

ii)

bij alle overige vorderingen wordt het risicogewicht vermenigvuldigd met een factor 1,1 en bedraagt dit gewicht ten minste 5 %.

Als de kredietinstelling niet in staat is om voor de toepassing van punt a) een onderscheid te maken tussen posities in niet ter beurze verhandelde, ter beurze verhandelde en overige aandelen, behandelt zij de desbetreffende vorderingen als posities in overige aandelen. Wanneer deze vorderingen, onverminderd artikel 154, lid 6, tezamen met de rechtstreekse vorderingen van de kredietinstelling in deze categorie vorderingen niet omvangrijk zijn in de zin van artikel 89, lid 2, kan artikel 89, lid 1, worden toegepast, mits de bevoegde autoriteiten daarmee instemmen.”;

 

b)

in lid 12 wordt de tweede alinea vervangen door:

„Als alternatief voor de in de eerste alinea beschreven methodiek kunnen kredietinstellingen aan een derde opdracht geven de gemiddelde risicogewogen posten op basis van de onderliggende vorderingen op de ICB te berekenen en hen van de resultaten op de hoogte te brengen, of zij kunnen deze posten zelf berekenen. Wel moet voldoende gewaarborgd zijn dat de berekening en de rapportage volgens de regels plaatsvinden. Voor de berekeningen worden de in lid 11, onder a) en b), genoemde benaderingen gevolgd.”.

 

17)

In punt d) van artikel 89, lid 1, wordt de aanhef vervangen door:

 

„d)

vorderingen op de centrale overheid, regionale overheden, lagere overheden en administratieve organen in de lidstaten, mits:”.

 

18)

Artikel 97, lid 2, wordt vervangen door:

„2.   De bevoegde autoriteiten erkennen een voor de toepassing van lid 1 van dit artikel een EKBI alleen als in aanmerking komend als ze, rekening houdende met de technische criteria van bijlage VI, deel 2, ervan overtuigd zijn dat het voldoet aan de eisen van artikel 81 en met bijvoorbeeld een grote marktacceptatie zijn bekwaamheid op securitisatiegebied heeft aangetoond. Wanneer een EKBI is geregistreerd als kredietratingbureau overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1060/2009 gaan de bevoegde autoriteiten ervan uit dat beoordelingsmethodiek van deze instelling aan de criteria van objectiviteit, onafhankelijkheid, doorlopende toetsing en transparantie voldoet.”.

 

19)

Artikel 106 wordt als volgt gewijzigd:

 

a)

lid 2 wordt vervangen door:

„2.   Onder posities vallen niet:

 

a)

in het geval van valutatransacties, de posities die tijdens de normale afwikkeling worden ingenomen in de periode van twee werkdagen nadat betaling heeft plaatsgevonden;

 

b)

in het geval van transacties betreffende de verkoop of aankoop van effecten, de risico’s die zich tijdens de normale afwikkeling voordoen in de periode van vijf werkdagen nadat betaling heeft plaatsgevonden of nadat de effecten geleverd zijn indien deze levering eerder plaatsvindt;

 

c)

in het geval van betalingsverrichtingen, waaronder de uitvoering van betalingsopdrachten, clearing en afwikkeling in elke valuta en daarmee samenhangende clearing van bank- of financiële instrumenten, afwikkeling en bewaring ten behoeve van cliënten, uitgestelde opbrengsten bij de financiering en andere posities in verband met die diensten of activiteiten die uiterlijk tot en met de volgende werkdag bestaan, of

 

d)

in het geval van betalingsverrichtingen waaronder de uitvoering van betalingsopdrachten, clearing en afwikkeling in elke valuta en daarmee samenhangende bankdiensten, intra-dayposities jegens instellingen die deze diensten aanbieden.

Het Comité van Europese bankentoezichthouders moet richtsnoeren opstellen om de convergentie van de toezichtpraktijken te versterken door toepassing van de in de punten c) en d) vermelde vrijstellingen.”;

 

b)

het volgende lid wordt toegevoegd:

„3.   Om uit te maken of er bij de vorderingen als bedoeld in artikel 79, lid 1, onder m), o) en p), sprake is van een groep van verbonden cliënten, beoordeelt een kredietinstelling bij posities in onderliggende activa de constructie als zodanig of de onderliggende posities ervan, dan wel beide. Daartoe beoordeelt zij de economische kenmerken en de risico’s die verbonden zijn aan de structuur van de transactie.”.

 

20)

Artikel 107 wordt vervangen door:

„Artikel 107

Voor de berekening van de waarde van de posities overeenkomstig deze afdeling heeft de term „kredietinstelling” ook betrekking op iedere particuliere of openbare onderneming, inclusief haar bijkantoren, die aan de definitie van „kredietinstelling” voldoet en waaraan in een derde land vergunning is verleend.”.

 

21)

Artikel 110 wordt vervangen door:

„Artikel 110

  • 1. 
    Een kredietinstelling deelt de bevoegde autoriteiten over elke grote positie, en dus ook over grote posities die zijn vrijgesteld van de toepassing van artikel 111, lid 1, de volgende informatie mede:
 

a)

de identiteit van de cliënt of groep van verbonden cliënten jegens wie zij een grote positie heeft;

 

b)

in voorkomend geval de waarde van de positie zonder inaanmerkingneming van het effect van de kredietrisicolimitering;

 

c)

in voorkomend geval het soort kredietprotectie, al dan niet volgestort;

 

d)

de voor de toepassing van artikel 111, lid 1, berekende waarde van de positie, rekening houdend met het effect van de risicolimitering.

Als een kredietinstelling onderworpen is aan de artikelen 84 tot en met 89, worden haar twintig grootste posities op geconsolideerde basis, met uitsluiting van de posities die zijn vrijgesteld van de toepassing van artikel 111, lid 1, ter beschikking gesteld van de bevoegde autoriteiten.

  • 2. 
    De lidstaten schrijven voor dat de verslaggeving ten minste tweemaal per jaar moet plaatsvinden. De bevoegde autoriteiten passen uiterlijk per 31 december 2012 uniforme rapportageformats, -frequenties en -termijnen toe. Hiertoe stelt het Comité van Europese bankentoezichthouders voor 1 januari 2012 richtsnoeren ter invoering van een uniform rapportageformaat in de Gemeenschap op. De rapportageformats zijn evenredig met de aard, schaal en de complexiteit van de activiteiten van de kredietinstellingen.
  • 3. 
    De lidstaten schrijven voor dat kredietinstellingen voor zover mogelijk hun posities jegens uitgevers van zekerheden, verschaffers van niet-volgestorte kredietprotectie en onderliggende activa overeenkomstig artikel 106, lid 3, moeten analyseren op eventuele concentraties en zo nodig moeten ingrijpen en bevindingen van betekenis moeten doorgeven aan hun bevoegde autoriteit.”.
 

22)

Artikel 111 wordt als volgt gewijzigd:

 

a)

lid 1 wordt vervangen door:

„1.   Een kredietinstelling kan, met inaanmerkingneming van het effect van de kredietrisicolimitering overeenkomstig de artikelen 112 tot en met 117, jegens een cliënt of een groep van verbonden cliënten geen positie innemen waarvan de waarde meer dan 25 % van haar eigen vermogen bedraagt.

Wanneer deze cliënt een instelling is of wanneer een groep van verbonden cliënten een of meer instellingen omvat, kan deze waarde niet meer bedragen dan 25 % van het eigen vermogen van de kredietinstelling of — als dit hoger is — 150 miljoen EUR, voor zover de som van de waarde van de posities, met inaanmerkingneming van het effect van de kredietrisicolimitering overeenkomstig de artikelen 112 tot en met 117, jegens alle verbonden cliënten die geen instelling zijn, niet meer bedraagt dan 25 % van het eigen vermogen van de kredietinstelling.

Indien het bedrag van 150 miljoen EUR meer bedraagt dan 25 % van het eigen vermogen van de kredietinstelling, mag de waarde van de positie, met inaanmerkingneming van het effect van de kredietrisicolimitering overeenkomstig de artikelen 112 tot en met 117, een redelijke limiet, gelet op het eigen vermogen van de kredietinstelling, niet te boven gaan. Deze limiet wordt door kredietinstellingen bepaald in overeenstemming met de gedragslijnen en procedures bedoeld in bijlage V, punt 7, met het oog op het aanpakken en beheersen van concentratierisico’s, en mag niet meer bedragen dan 100 % van het eigen vermogen van de kredietinstelling.

De lidstaten kunnen een limiet vaststellen die lager is dan 150 miljoen EUR, en stellen de Commissie daarvan in kennis.”;

 

b)

de leden 2 en 3 worden geschrapt;

 

c)

lid 4 wordt vervangen door:

„4.   Een kredietinstelling neemt te allen tijde de desbetreffende limiet van lid 1 in acht. Indien in een uitzonderlijk geval deze limiet toch wordt overschreden, wordt de waarde van de positie onverwijld gemeld aan de bevoegde autoriteiten, die, indien de omstandigheden zulks rechtvaardigen, de kredietinstelling een beperkte termijn kunnen toestaan om alsnog aan de limiet te voldoen.

Indien het in lid 1 bedoelde bedrag van 150 miljoen EUR van toepassing is, mogen de bevoegde autoriteiten per geval toestaan dat de limiet van 100 % van het eigen vermogen van de kredietinstelling wordt overschreden.”.

 

23)

Artikel 112 wordt als volgt gewijzigd:

 

a)

lid 2 wordt vervangen door:

„2.   Wanneer op grond van de artikelen 113 tot en met 117 al dan niet volgestorte kredietprotectie in aanmerking wordt genomen, wordt behoudens lid 3 van dit artikel voldaan aan de voorwaarden van inaanmerkingneming en andere minimumeisen die in de artikelen 90 tot en met 93 worden genoemd.”;

 

b)

het volgende lid wordt toegevoegd:

„4.   Voor de toepassing van deze afdeling houdt een kredietinstelling geen rekening met de zekerheden als genoemd in bijlage VIII, deel 1, punten 20, 21 en 22, tenzij dit ingevolge artikel 115 is toegestaan.”.

 

24)

Artikel 113 wordt als volgt gewijzigd:

 

a)

de leden 1 en 2 worden geschrapt;

 

b)

lid 3 wordt als volgt gewijzigd:

 

i)

de inleidende formule wordt vervangen door:

„3.   De volgende posities worden vrijgesteld van de toepassing van artikel 111, lid 1:”;

 

ii)

de punten e) en f) worden vervangen door:

 

„e)

activa die vorderingen vertegenwoordigen op regionale of lagere overheden van de lidstaten als deze vorderingen ingevolge de artikelen 78 tot en met 83 een risicogewicht van 0 % zouden krijgen, alsmede andere posities jegens of gegarandeerd door deze regionale of lagere overheden als deze ingevolge de artikelen 78 tot en met 83 een risicogewicht van 0 % zouden krijgen.

 

f)

posities jegens tegenpartijen als bedoeld in artikel 80, lid 7 of lid 8, als deze ingevolge de artikelen 78 tot en met 83 een risicogewicht van 0 % zouden krijgen. Posities die niet aan deze criteria voldoen, worden ongeacht of ze van artikel 111, lid 1, zijn vrijgesteld, behandeld als posities jegens derden;”;

 

iii)

punt i) wordt vervangen door:

 

„i)

posities die voortvloeien uit niet-opgenomen kredietfaciliteiten die in bijlage II zijn ingedeeld bij de posten buiten de balanstelling met een laag risico, mits met de cliënt of groep van verbonden cliënten een overeenkomst is gesloten waarin is bepaald dat de faciliteit alleen mag worden opgenomen als vaststaat dat de limiet die ingevolge artikel 111, lid 1, van toepassing is, daardoor niet wordt overschreden.”;

 

iv)

de punten j) tot en met t) worden geschrapt;

 

v)

de derde, vierde en vijfde alinea worden geschrapt;

 

c)

het volgende lid wordt toegevoegd:

„4.   De lidstaten kunnen de volgende posities geheel of gedeeltelijk vrijstellen van de toepassing van artikel 111, lid 1:

 

a)

gedekte obligaties in de zin van bijlage VI, deel 1, punten 68, 69 en 70;

 

b)

activa die vorderingen vertegenwoordigen op regionale of lagere overheden van de lidstaten als deze vorderingen ingevolge de artikelen 78 tot en met 83 een risicogewicht van 20 % zouden krijgen, alsmede andere posities jegens of gegarandeerd door deze regionale of lagere overheden als deze ingevolge de artikelen 78 tot en met 83 een risicogewicht van 20 % zouden krijgen;

 

c)

onverminderd lid 3, onder f), posities, waaronder deelnemingen of andere belangen, die door een kredietinstelling zijn ingenomen ten opzichte van haar moederonderneming, de andere dochterondernemingen van de moederonderneming en haar eigen dochterondernemingen, voor zover deze ondernemingen opgenomen zijn in het toezicht op geconsolideerde basis waaraan de kredietinstelling zelf onderworpen is, overeenkomstig de onderhavige richtlijn of overeenkomstig de in een derde land geldende gelijkwaardige normen. Posities die niet aan deze criteria voldoen, worden, ongeacht of ze van artikel 111, lid 1, zijn vrijgesteld, behandeld als posities jegens derden;

 

d)

activa die vorderingen op en andere posities, waaronder deelnemingen of andere belangen, jegens regionale of centrale kredietinstellingen vertegenwoordigen waarmede de kredietinstelling krachtens wettelijke of statutaire bepalingen in het kader van een netwerk is verbonden en die op grond van deze bepalingen belast zijn met de verevening van onderlinge geldposities binnen het netwerk;

 

e)

activa die vorderingen op en andere posities jegens kredietinstellingen vertegenwoordigen, ingenomen door kredietinstellingen die op niet-concurrerende basis werkzaam zijn en in het kader van wetgevingsprogramma’s of overeenkomstig hun statuten leningen verstrekken waarmee steun wordt verleend aan bepaalde economische sectoren, waarbij de overheid op de een of andere wijze toezicht houdt en beperkingen gelden voor de besteding van de leningen. Voorwaarde is wel dat de desbetreffende posities voortvloeien uit leningen die via andere kredietinstellingen zijn doorgegeven aan de begunstigden;

 

f)

activa die vorderingen op en andere posities jegens instellingen vertegenwoordigen, mits deze posities geen eigen vermogen van de instellingen vormen, uiterlijk tot en met de volgende werkdag bestaan en niet luiden in een belangrijke handelsvaluta;

 

g)

activa die vorderingen op centrale banken vertegenwoordigen in de vorm van bij deze centrale banken aan te houden voorgeschreven minimumreserves die in de nationale valuta luiden;

 

h)

activa bestaande uit vorderingen op centrale overheden in de vorm van wettelijk vereiste liquiditeit die in overheidspapier worden aangehouden, en die in de nationale valuta gedenomineerd en gefinancierd zijn, mits, naar keuze van de bevoegde autoriteit, de door een aangewezen EKBI verrichte kredietbeoordeling van deze centrale overheden investeringswaardig is;

 

i)

50 % van de documentaire kredieten met middelhoog/laag risico buiten de balanstelling en van de niet-opgenomen kredietfaciliteiten buiten de balanstelling bedoeld in bijlage II, en met instemming van de bevoegde autoriteiten, 80 % van andere dan leninggaranties met een wettelijke of regelgevingsgrondslag die voor de leden worden verstrekt door onderlinge garantiesystemen met de status van kredietinstelling;

 

j)

wettelijk vereiste garanties die worden gebruikt wanneer een hypothecaire lening, die wordt gefinancierd door de uitgifte van obligaties met een hypotheek als onderpand, wordt betaald aan de hypotheeknemer vóór de definitieve registratie in het kadaster, mits de garantie niet gebruikt wordt ter vermindering van het risico bij de berekening van de risicogewogen activa.”.

 

25)

Artikel 114 wordt als volgt gewijzigd:

 

a)

lid 1 wordt vervangen door:

„1.   Behoudens lid 3 van dit artikel kan een kredietinstelling bij de berekening van de waarde van posities voor de toepassing van artikel 111, lid 1, gebruikmaken van de overeenkomstig de artikelen 90 tot en met 93 berekende „volledig aangepaste waarde van de positie” waarbij rekening is gehouden met kredietrisicolimitering, volatiliteitsaanpassingen en eventuele looptijdverschillen (E*).”;

 

b)

lid 2 wordt als volgt gewijzigd:

 

i)

de eerste alinea wordt vervangen door:

„Behoudens lid 3 van dit artikel maakt een kredietinstelling die voor een categorie vorderingen gebruik mag maken van eigen LGD-ramingen en omrekeningsfactoren op basis van de artikelen 84 tot en met 89 en die ten genoegen van de bevoegde autoriteiten het effect van financiële zekerheden op haar posities kan inschatten, los van andere LGD-relevante aspecten, toestemming worden verleend om deze effecten in aanmerking te nemen bij de berekening van de waarde van posities voor de toepassing van artikel 111, lid 1.”;

 

ii)

de vierde alinea wordt vervangen door:

„Een kredietinstelling die voor een categorie vorderingen haar eigen LGD-ramingen en omrekeningsfactoren op basis van de artikelen 84 tot en met 89 mag gebruiken en voor de berekening van de waarde van haar posities niet gebruikmaakt van de in de eerste alinea van dit lid genoemde methode, kan deze waarde berekenen aan de hand van de uitgebreide benadering van financiële zekerheden of de benadering van artikel 117, lid 1, onder b).”;

 

c)

lid 3 wordt als volgt gewijzigd:

 

i)

de eerste alinea wordt vervangen door:

„Een kredietinstelling die voor de berekening van de waarde van posities voor de toepassing van artikel 111, lid 1, gebruikmaakt van de uitgebreide benadering van financiële zekerheden of gebruik mag maken van de in lid 2 van dit artikel genoemde benadering, voert op gezette tijden een stresstest op hun kredietconcentraties uit die ook de realiseerbare waarde van de zekerheden omvat.”;

 

ii)

de vierde alinea wordt vervangen door:

„Mocht uit een dergelijke test blijken dat de realiseerbare waarde van een zekerheid lager is dan die waarvan op grond van de uitgebreide benadering van financiële zekerheden of de in lid 2 van dit artikel genoemde benadering eigenlijk uit mag worden gegaan, wordt de waarde van de zekerheid die bij de berekening van de waarde van de posities voor de toepassing van artikel 111, lid 1, in aanmerking mag worden genomen, dienovereenkomstig verlaagd.”;

 

iii)

in de vijfde alinea wordt punt b) vervangen door:

 

„b)

gedragslijnen en procedures voor het geval dat bij een stresstest blijkt dat de realiseerbare waarde van een zekerheid lager is dan die waarvan op grond van de uitgebreide benadering van financiële zekerheden of de in lid 2 genoemde benadering mocht worden uitgegaan, en tevens”;

 

d)

lid 4 wordt geschrapt.

 

26)

Artikel 115 wordt vervangen door:

„Artikel 115

  • 1. 
    Een kredietinstelling kan voor de toepassing van deze afdeling de waarde van de positie met maximaal 50 % van de waarde van het niet-zakelijk onroerend goed in kwestie verlagen indien aan een van de volgende voorwaarden is voldaan:
 

a)

de positie is gegarandeerd door een hypotheek op niet-zakelijk onroerend goed of door aandelen in Finse bedrijven voor de bouw van woningen, die werkzaam zijn volgens de Finse wet op de woningbouwverenigingen van 1991 of latere gelijkwaardige wetgeving;

 

b)

de positie houdt verband met een transactie inzake financieringshuur (leasing) krachtens welke de lessor de volledige eigendom van het verhuurde niet-zakelijk onroerend goed behoudt zolang de huurder (lessee) zijn koopoptie niet heeft uitgeoefend.

De waarde van het onroerend goed wordt ten genoege van de bevoegde autoriteiten berekend op basis van voorzichtige, in wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vastgelegde waarderingsnormen. De waardering vindt ten minste eenmaal per drie jaar plaats voor particuliere woningen.

Voor de toepassing van dit lid gelden de vereisten van bijlage VIII, deel 2, punt 8, en van bijlage VIII, deel 3, punten 62 tot en met 65.

Onder niet-zakelijk onroerend goed wordt verstaan: een woning die bewoond of verhuurd wordt/zal worden door de leningnemer.

  • 2. 
    Een kredietinstelling kan voor de toepassing van deze afdeling de waarde van de positie alleen met maximaal 50 % van de waarde van het zakelijk onroerend goed in kwestie verlagen indien de betrokken bevoegde autoriteiten in de lidstaat waar het zakelijk onroerend goed gelegen is, toestaan dat de volgende posities ingevolge de artikelen 78 tot en met 83 een risicogewicht van 50 % krijgen:
 

a)

de posities zijn gegarandeerd door een hypotheek op kantoren of andere panden voor handelsdoeleinden of door aandelen in Finse bedrijven voor de bouw van woningen, die werkzaam zijn volgens de Finse wet op de woningbouwverenigingen van 1991 of latere gelijkwaardige wetgeving die betrekking heeft op kantoren of andere panden voor handelsdoeleinden; of

 

b)

de posities houden verband met transacties inzake financieringshuur (leasing) van kantoren of andere panden voor handelsdoeleinden.

De waarde van het onroerend goed wordt ten genoege van de bevoegde autoriteiten berekend op basis van voorzichtige, in wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vastgelegde waarderingsnormen.

Het zakelijk onroerend goed is volledig afgebouwd, geleased en levert voldoende huurinkomsten op.”.

 

27)

Artikel 116 wordt geschrapt.

 

28)

Artikel 117 wordt als volgt gewijzigd:

 

a)

lid 1 wordt vervangen door:

„1.   Wanneer een positie jegens een cliënt is gegarandeerd door een derde, dan wel door een zekerheid uitgegeven door een derde, kan een kredietinstelling:

 

a)

het gegarandeerde deel van de positie beschouwen als een positie jegens de garantiegever en niet jegens de cliënt, mits de niet-gegarandeerde positie jegens de garantiegever ingevolge de artikelen 78 tot en met 83 een risicogewicht zou krijgen dat gelijk is aan of lager is dan een risicogewicht van de niet-gegarandeerde positie jegens de cliënt;

 

b)

het deel van de positie dat met de marktwaarde van een erkende zekerheid is gedekt, beschouwen als een positie jegens de derde en niet jegens de cliënt, als de positie met een zekerheid is gedekt en het gedekte deel van de positie ingevolge de artikelen 78 tot en met 83 een risicogewicht zou krijgen dat gelijk is aan of lager is dan een risicogewicht van de ongedekte positie jegens de cliënt.

Een kredietinstelling past de benadering van punt b) van de eerste alinea niet toe wanneer de looptijd van de positie niet overeenstemt met de looptijd van de protectie.

Een kredietinstelling kan voor de toepassing van deze afdeling zowel de uitgebreide benadering van financiële zekerheden als de aanpak overeenkomstig de eerste alinea, onder b), alleen hanteren, als zij voor de toepassing van artikel 75, onder a), zowel de uitgebreide als de eenvoudige benadering van financiële zekerheden mag hanteren.”;

 

b)

in lid 2 wordt de inleidende formule vervangen door:

„2.   Wanneer een kredietinstelling lid 1, onder a), toepast, dan geldt het volgende:”.

 

29)

Artikel 119 wordt geschrapt.

 

30)

De volgende afdeling wordt toegevoegd aan hoofdstuk 2:

„Afdeling 7

Blootstelling aan overgedragen kredietrisico’s

Artikel 122 bis

  • 1. 
    Een kredietinstelling die niet optreedt als initiator, sponsor of oorspronkelijke kredietverstrekker, staat alleen bloot aan het kredietrisico van een securitisatiepositie in of buiten de handelsportefeuille indien de initiator, sponsor of oorspronkelijke kredietverstrekker jegens de kredietinstelling expliciet te kennen heeft gegeven om permanent een materieel netto economisch belang aan te houden dat in elk geval niet minder dan 5 % mag bedragen.

Voor de toepassing van dit artikel wordt onder „aanhouden van een netto economisch belang” verstaan:

 

a)

het aanhouden van niet minder dan 5 % van de nominale waarde van elk van de tranches die aan de beleggers zijn verkocht of overgedragen;

 

b)

in het geval van securitisaties van revolverende posities, het aanhouden van een initiatorbelang van niet minder dan 5 % van de nominale waarde van de gesecuritiseerde positie;

 

c)

het aanhouden van willekeurig gekozen posities die niet minder dan 5 % vertegenwoordigen van het nominale bedrag van de gesecuritiseerde posities, indien deze anders in de securitisatie zouden zijn betrokken, mits het aantal potentieel gesecuritiseerde posities bij het initiëren niet minder dan 100 bedraagt, of

 

d)

het aanhouden van de eerste verliestranche en indien nodig andere tranches met hetzelfde of een hoger risicoprofiel die geen vroegere vervaldag hebben dan die welke aan beleggers zijn overgedragen of verkocht, zodat de aangehouden waarde in totaal niet minder is dan 5 % van de nominale waarde van de gesecuritiseerde posities.

Het netto economisch belang wordt gemeten bij het initiëren en wordt doorlopend gehandhaafd. Er vindt geen kredietrisicolimitatie plaats, en er worden geen korte posities ingenomen noch andere afdekkingstransacties verricht. Het netto economisch belang wordt bepaald door de nominale waarde voor posten buiten de balanstelling.

Voor de toepassing van dit artikel wordt onder „doorlopend” verstaan dat bij de aangehouden posten, rente en posities geen afdekking of verkoop plaatsvindt.

Er is geen meervoudige toepassing van de vereisten voor het aanhouden voor een securitisatie.

  • 2. 
    Wanneer een in de Europese Unie gevestigde moederkredietinstelling of financiële holding, dan wel een dochteronderneming daarvan, als initiator of sponsor vorderingen securitiseert van verscheidene kredietinstellingen, beleggingsondernemingen of andere financiële instellingen die onder het toezicht op geconsolideerde basis vallen, kan aan het in lid 1 bedoelde vereiste worden voldaan aan de hand van de geconsolideerde situatie van de gelieerde in de Europese Unie gevestigde moederkredietinstelling of financiële holding. Dit lid is enkel van toepassing indien de kredietinstellingen, beleggingsondernemingen of financiële instellingen die de gesecuritiseerde vorderingen hebben gecreëerd, zich ertoe verbonden hebben de vereisten van lid 6 in acht te nemen en de informatie die nodig is om te voldoen aan de vereisten van lid 7, tijdig aan de initiator of sponsor en aan de in de Europese Unie gevestigde moederkredietinstelling of financiële holding te verstrekken.
  • 3. 
    Lid 1 is niet van toepassing wanneer de gesecuritiseerde posities vorderingen of voorwaardelijke vorderingen zijn op of volledig, onvoorwaardelijk en onherroepelijk gegarandeerd zijn door:
 

a)

centrale overheden of centrale banken;

 

b)

regionale en lokale overheden en publiekrechtelijke lichamen van de lidstaten;

 

c)

instellingen waaraan een risicoweging van 50 % of minder is toegekend uit hoofde van de artikelen 78 tot en met 83, of

 

d)

multilaterale ontwikkelingsbanken.

Lid 1 is niet van toepassing op:

 

a)

transacties gebaseerd op een duidelijke, transparante en toegankelijke index, indien de onderliggende referentie-entiteiten identiek zijn aan die van een index van entiteiten die op ruime schaal wordt verhandeld, of andere verhandelbare effecten zijn dan securitisatieposities, of

 

b)

syndicaatsleningen, aangekochte vorderingen of kredietverzuimswaps wanneer deze instrumenten niet worden gebruikt voor het verpakken en/of afdekken van een securitisatie die onder lid 1 valt.

  • 4. 
    Kredietinstellingen kunnen aan de bevoegde autoriteiten vóór een belegging en zo nodig daarna voor elk van hun individuele securitisatieposities aantonen dat zij beschikken over een breed en gedegen inzicht in en formele gedragslijnen en procedures hebben ingevoerd die zijn afgestemd op hun handels- en niet-handelsportefeuille en in verhouding staan tot het risicoprofiel van hun gesecuritiseerde posities, voor de toetsing en registratie van:
 

a)

de krachtens lid 1 door initiators of sponsors verstrekte informatie ter precisering van het netto economisch belang dat zij permanent aanhouden in de securitisatie;

 

b)

de risicokenmerken van de individuele securitisatiepositie;

 

c)

de risicokenmerken van de onderliggende posities van de securitisatieposities;

 

d)

de reputatie en verlieservaring in eerdere securitisaties van de initiators of sponsors in de desbetreffende onderliggende positiecategorieën van de securitisatiepositie;

 

e)

de verklaringen en informatie van de initiators of sponsors, dan wel hun gemachtigden of adviseurs, over de nodige zorgvuldigheid die zij in acht hebben genomen met betrekking tot de securitisatieposities en, in voorkomend geval, met betrekking tot de kwaliteit van de zekerheden ter dekking van de securitisatieposities;

 

f)

in voorkomend geval, de methodieken en concepten waarop de waardering van de kwaliteit van de zekerheden ter dekking van de securitisatieposities berust, alsook de gedragslijnen die de initiator of sponsor heeft vastgesteld om de onafhankelijkheid van de schatter te waarborgen, en

 

g)

alle structurele kenmerken van de securitisatie die van wezenlijke invloed kunnen zijn op de resultaten van de securitisatiepositie van de kredietinstelling.

Kredietinstellingen verrichten periodiek hun eigen stresstests die aansluiten bij hun securitisatieposities. Daartoe kunnen kredietinstellingen afgaan op financiële modellen die door een EKBI zijn ontwikkeld, mits deze kredietinstellingen desgevraagd kunnen aantonen dat zij vóór de belegging de nodige zorgvuldigheid in acht hebben genomen om de relevante hypothesen en structuren van de modellen te valideren en dat zij de methoden, de aannames en de resultaten begrijpen.

  • 5. 
    Kredietinstellingen die niet optreden als initiator of sponsor of oorspronkelijke kredietverstrekker, stellen formele procedures vast die zijn afgestemd op hun handels- en niet-handelsportefeuille en in verhouding staan tot het risicoprofiel van hun beleggingen in gesecuritiseerde posities, om prestatie-informatie over de onderliggende posities van hun securitisatieposities doorlopend en tijdig te monitoren. In voorkomend geval wordt gekeken naar het soort positie, het percentage leningen met meer dan 30, 60 en 90 achterstallige dagen, wanbetalingsgraden, het percentage vervroegde aflossingen, leningen in de executiefase, het soort zekerheid en de bezetting, de frequentieverdeling van de kredietscores of andere maatstaven voor de kredietwaardigheid over de onderliggende posities, de sectorale en geografische spreiding en de frequentieverdeling van de LTV-ratio’s (Loan to Value-ratio’s) met bandbreedtes die een deugdelijke gevoeligheidsanalyse vergemakkelijken. Wanneer de onderliggende posities zelf securitisatieposities vormen, moeten kredietinstellingen over de in deze alinea vermelde informatie beschikken niet enkel met betrekking tot de onderliggende securitisatietranches, zoals de naam en kredietkwaliteit van de emittent, maar ook met betrekking tot de kenmerken en resultaten van de onderliggende pools van securitisatietranches.

Kredietinstellingen moeten een solide inzicht hebben in alle structurele aspecten van een securitisatietransactie die een significant effect zouden hebben op het resultaat van hun positie in de transactie, zoals de contractuele watervalstructuur en watervalstructuurgerelateerde stimulansen, de kredietverbetering, de liquiditeitsverbetering, reactiemechanismen op basis van de marktwaarde en transactiespecifieke omschrijving van „wanbetaling”.

Wanneer in enig significant opzicht, ingevolge nalatigheid of niet-handelen van de kredietinstelling, niet wordt voldaan de vereisten van de leden 4 en 7 en van het onderhavige lid, zorgen de lidstaten ervoor dat de bevoegde autoriteiten een evenredig extra risicogewicht opleggen van niet minder dan 250 % van het risicogewicht (met een maximum van 1 250 % dat, overeenkomstig bijlage IX, deel 4, met uitzondering van dit lid, zou gelden voor de betrokken securitisatieposities, en verhogen zij geleidelijk het risicogewicht bij elke volgende overtreding van de zorgvuldigheidsregels. De bevoegde autoriteiten houden rekening met de vrijstellingen voor bepaalde securitisaties als bepaald in lid 3 door het risicogewicht te verlagen dat zij anders overeenkomstig dit artikel zou opleggen met betrekking tot een securitisatie waarop lid 3 van toepassing is.

  • 6. 
    Als initiator en als sponsor optredende kredietinstellingen passen op te securitiseren posities dezelfde gedegen en welomschreven criteria voor de kredietverlening als bedoeld in bijlage V, punt 3, toe als zij toepassen op posities die zij in hun portefeuille zullen aanhouden. Daartoe volgen de als initiator en als sponsor optredende kredietinstellingen dezelfde procedures voor de acceptatie en, in voorkomend geval, aanpassing, vernieuwing en herfinanciering van kredieten. Kredietinstellingen passen ook dezelfde analysenormen toe op van derden afkomstige deelnemingen in of overnemingen van securitisaties, ongeacht of dergelijke deelnemingen of overnemingen op hun handelsboek dan wel niet-handelsboek worden aangehouden.

Wanneer niet aan de in de eerste alinea van dit lid bedoelde vereisten wordt voldaan, wordt artikel 95, lid 1, niet toegepast door een als initiator optredende kredietinstelling en mag die als initiator optredende kredietinstelling de gesecuritiseerde posities niet buiten de berekening van haar kapitaalvereisten ingevolge deze richtlijn laten.

  • 7. 
    Als sponsor en als initiator optredende kredietinstellingen maken aan beleggers bekend welk netto economisch belang zij uit hoofde van de in lid 1 bedoelde verbintenis in de securitisatie aanhouden. Als sponsor en als initiator optredende kredietinstellingen zorgen ervoor dat aspirant-beleggers gemakkelijk toegang krijgen tot alle wezenlijk relevante gegevens over de kredietkwaliteit en de resultaten van de individuele onderliggende posities, kasstromen en zekerheden ter dekking van een securitisatiepositie, alsook tot de informatie die nodig is om omvangrijke en op goede informatie gebaseerde stresstests op de kasstromen en de waarde van de zekerheden voor de onderliggende posities te kunnen uitvoeren. Hiertoe worden „wezenlijk relevante gegevens” vastgesteld op de datum van de securitisatie en zo nodig als gevolg van de aard van de securitisatie daarna.
  • 8. 
    De leden 1 tot en met 7 zijn van toepassing op nieuwe securitisaties die op of na 1 januari 2011 worden uitgegeven. De leden 1 tot en met 7 zijn vanaf 31 december 2014 van toepassing op bestaande securitisaties ingeval na die datum onderliggende posities worden toegevoegd of vervangen. De bevoegde autoriteiten kunnen besluiten de voorschriften van de leden 1 en 2 gedurende perioden van algemene liquiditeitsspanning op de markt tijdelijk op te schorten.
  • 9. 
    De bevoegde autoriteiten maken de volgende informatie openbaar:
 

a)

uiterlijk op 31 december 2010 de algemene criteria en methodieken die zijn vastgesteld om na te gaan of aan de leden 1 tot en met 7 wordt voldaan;

 

b)

onverminderd het bepaalde in hoofdstuk 1, afdeling 2, een korte beschrijving van het resultaat van de evaluatie door de toezichthouder en een beschrijving van de maatregelen die zijn opgelegd ingeval niet aan de leden 1 tot en met 7 is voldaan, en wel op jaarbasis vanaf 31 december 2011.

Op het in dit lid omschreven vereiste is artikel 144, tweede alinea, van toepassing.

  • 10. 
    Het Comité van Europese bankentoezichthouders brengt jaarlijks aan de Commissie verslag uit over de naleving door de bevoegde autoriteiten van het onderhavige artikel. Het Comité van Europese bankentoezichthouders stelt richtsnoeren vast voor de convergentie van toezichtspraktijken met betrekking tot dit artikel, waaronder te nemen maatregelen ingeval van een overtreding van de verplichtingen op het gebied van zorgvuldigheid en risicobeheer.”.
 

31)

Artikel 129 wordt als volgt gewijzigd:

 

a)

in lid 1 wordt punt b) vervangen door:

 

„b)

ze plant en coördineert toezichtactiviteiten in doorgaande bedrijfsvoering, waaronder de in de artikelen 123, 124 en 136, in hoofdstuk 5 en in bijlage V genoemde activiteiten, en werkt daarbij samen met de andere bevoegde autoriteiten;

 

c)

ze plant en coördineert toezichtactiviteiten bij de voorbereiding op en in noodsituaties, met inbegrip van ongunstige ontwikkelingen in kredietinstellingen en op de financiële markten, indien mogelijk met gebruikmaking van bestaande welomschreven communicatiekanalen voor de facilitering van crisisbeheersing, en werkt daarbij samen met de andere bevoegde autoriteiten en zo nodig met centrale banken.

De planning en coördinatie van de in punt c) genoemde toezichtactiviteiten omvat ook buitengewone maatregelen als bedoeld in artikel 132, lid 3, onder b), gezamenlijke evaluaties, de uitvoering van calamiteitenplannen en de communicatie met het publiek.”;

 

b)

het volgende lid wordt toegevoegd:

„3.   De consoliderende toezichthouder en de autoriteiten die bevoegd zijn voor het toezicht op dochterondernemingen van een EU-moederkredietinstelling of een financiële EU-moederholding in een lidstaat stellen alles in het werk om tot een gezamenlijk besluit te komen over de toepassing van de artikelen 123 en 124 om uit te maken of het geconsolideerde eigen vermogen van de groep toereikend is voor haar financiële situatie en risicoprofiel en hoeveel eigen vermogen voor de toepassing van artikel 136, lid 2, voor elke entiteit binnen de bankgroep en op geconsolideerde basis noodzakelijk is.

Het gezamenlijk besluit wordt genomen binnen vier maanden nadat de consoliderende toezichthouder een verslag met de risicobeoordeling van de groep overeenkomstig de artikelen 123 en 124 bij de andere relevante bevoegde autoriteiten heeft ingediend. In het gezamenlijk besluit worden ook naar behoren de risicobeoordelingen in aanmerking genomen die door de relevante bevoegde autoriteiten krachtens de artikelen 123 en 124 zijn verricht over dochterondernemingen.

Het gezamenlijk besluit wordt op schrift gesteld met volledige opgaaf van redenen en de consoliderende toezichthouder doet dit document aan de EU-moederkredietinstelling toekomen. Bij een geschil raadpleegt de consoliderende toezichthouder op verzoek van een van de andere betrokken bevoegde autoriteiten het Comité van Europese bankentoezichthouders. De consoliderende toezichthouder kan dit comité ook op eigen initiatief raadplegen.

Als de bevoegde autoriteiten niet binnen vier maanden tot een gezamenlijk besluit komen, wordt een besluit over de toepassing van de artikelen 123 en 124 en artikel 136, lid 2, op geconsolideerde basis genomen door de consoliderende toezichthouder nadat hij de door de relevante bevoegde autoriteiten verrichte risicobeoordeling van de dochterondernemingen naar behoren in overweging heeft genomen.

Het besluit over de toepassing van de artikelen 123, 124 en 136, lid 2, wordt op niet-geconsolideerde of gesubconsolideerde basis genomen door de desbetreffende, bevoegde autoriteiten die belast zijn met het toezicht op dochterondernemingen van een EU-moederkredietinstelling of een financiële EU-moederholding, nadat de door de consoliderende toezichthouder geuite standpunten en voorbehouden naar behoren in overweging zijn genomen.

De besluiten worden op schrift gesteld met volledige opgaaf van redenen en met inachtneming van de gedurende de vier maanden door de andere bevoegde autoriteiten geuite risicobeoordelingen, standpunten en voorbehouden. De consoliderende toezichthouder doet het document toekomen aan alle betrokken bevoegde autoriteiten en aan de EU-moederkredietinstelling.

In geval van raadpleging van het Comité van Europese bankentoezichthouders houden alle bevoegde autoriteiten rekening met het advies en wanneer duidelijk wordt afgeweken van dit advies, leggen zij uit waarom.

Het in de eerste alinea bedoelde gezamenlijk besluit en de door de bevoegde autoriteiten genomen besluiten als zij niet tot een gezamenlijk besluit konden komen, worden als bepalend erkend en worden door de bevoegde autoriteiten in de betrokken lidstaat toegepast.

Het in de eerste alinea bedoelde gezamenlijk besluit en de in de vierde en de vijfde alinea bedoelde besluiten die zijn genomen als de autoriteiten niet tot een gezamenlijk besluit konden komen, worden jaarlijks geactualiseerd; zij kunnen in uitzonderlijke gevallen worden geactualiseerd indien een bevoegde autoriteit die belast is met het toezicht op dochterondernemingen van een EU-moederkredietinstelling of een financiële EU-moederholding, de consoliderende toezichthouder schriftelijk en met volledige opgaaf van redenen verzoekt het besluit betreffende de toepassing van artikel 136, lid 2, te actualiseren. In dit laatste geval kan de actualisering op bilaterale grondslag worden verricht door de consoliderende toezichthouder en de verzoekende bevoegde autoriteit.

Het Comité van Europese bankentoezichthouders stelt richtsnoeren vast voor de convergentie van toezichtpraktijken met betrekking tot het in dit lid bedoelde proces van gezamenlijke besluitvorming en met betrekking tot de toepassing van de artikelen 123 en 124 en artikel 136, lid 2, om het nemen van gezamenlijke besluiten te vergemakkelijken.”.

 

32)

In artikel 130 wordt lid 1 vervangen door:

„1.   Als zich in een bankgroep een noodsituatie, waaronder ongunstige ontwikkelingen op de financiële markten, voordoet die de liquiditeit van de markt en de stabiliteit van het financiële stelsel kan ondermijnen in een van de lidstaten waar aan entiteiten van de groep vergunning is verleend of significante bijkantoren als bedoeld in artikel 42 bis zijn gevestigd, waarschuwt de consoliderende toezichthouder, behoudens hoofdstuk 1, afdeling 2, zo spoedig mogelijk de in artikel 49, vierde alinea, en artikel 50 genoemde autoriteiten en deelt hij alle informatie mede die voor de uitoefening van hun taken van essentieel belang is. Dit geldt voor alle bevoegde autoriteiten die in de artikelen 125 en 126 wordt genoemd, alsmede voor de bevoegde autoriteit die in lid 1 van artikel 129 wordt genoemd.

Als de in artikel 49, vierde alinea, bedoelde autoriteit kennis krijgt van een situatie als beschreven in de eerste alinea, waarschuwt zij zo spoedig mogelijk de in de artikelen 125 en 126 bedoelde bevoegde autoriteiten.

Indien mogelijk gebruiken de bevoegde autoriteit en de in artikel 49, vierde alinea, bedoelde autoriteit de bestaande gedefinieerde communicatiekanalen.”.

 

33)

Het volgende artikel wordt ingevoegd:

„Artikel 131 bis

  • 1. 
    De consoliderende toezichthouder richt colleges van toezichthouders op om de uitoefening van de in artikel 129 en artikel 130, lid 1, genoemde taken te vergemakkelijken, onverminderd het confidentiële karakter van de vereisten van lid 2 van dit artikel en in overeenstemming met de communautaire wetgeving, om, waar dat nodig is, te zorgen voor passende coördinatie en samenwerking met relevante bevoegde autoriteiten van derde landen.

Colleges van toezichthouders bieden een kader waarbinnen de consoliderende toezichthouder en de andere betrokken bevoegde autoriteiten de volgende taken verrichten:

 

a)

zij wisselen onderling informatie uit;

 

b)

zij komen in voorkomend geval tot overeenstemming over een toewijzing van taken en overdracht van verantwoordelijkheden op basis van vrijwilligheid;

 

c)

zij stellen op basis van een overeenkomstig artikel 124 verrichte risicobeoordeling van de groep programma’s voor toezichtonderzoek vast;

 

d)

zij vergroten de efficiëntie van het toezicht door te snoeien in onnodige duplicatie van toezichtvereisten, ook met betrekking tot gevraagde informatie als bedoeld in artikel 130, lid 2, en artikel 132, lid 2;

 

e)

zij passen de prudentiële vereisten in het kader van de richtlijn consequent toe op alle entiteiten in een bankgroep, onverminderd de keuzemogelijkheden en de speelruimte die de Gemeenschapswetgeving biedt;

 

f)

zij houden bij de toepassing van artikel 129, lid 1, punt c), rekening met het werk van andere fora die eventueel op dit gebied zijn opgericht.

De bevoegde autoriteiten die deelnemen aan de colleges van toezichthouders, werken nauw samen. De geheimhoudingsvereisten uit hoofde van hoofdstuk 1, afdeling 2, beletten de bevoegde autoriteiten niet binnen colleges van toezichthouders vertrouwelijke informatie uit te wisselen. De oprichting en werking van colleges doen geen afbreuk aan de rechten en plichten van de bevoegde autoriteiten in het kader van deze richtlijn.

  • 2. 
    Na raadpleging van de betrokken bevoegde autoriteiten stelt de consoliderende toezichthouder de in artikel 131 bedoelde regeling voor de oprichting en werking van de colleges schriftelijk vast.

Het Comité van Europese bankentoezichthouders stelt richtsnoeren op voor de operationele werking van de colleges, onder meer met betrekking tot artikel 42 bis, lid 3.

De autoriteiten die bevoegd zijn voor het toezicht op dochterondernemingen van een EU-moederkredietinstelling of een financiële EU-moederholding, en de bevoegde autoriteiten van een lidstaat van ontvangst waar significante bijkantoren als bedoeld in artikel 42 bis zijn gevestigd, eventueel centrale banken, alsook in voorkomend geval en onverminderd geheimhoudingsvereisten die naar het oordeel van alle bevoegde autoriteiten gelijkwaardig zijn met de vereisten in het kader van hoofdstuk 1, afdeling 2, de bevoegde autoriteiten van derde landen kunnen deelnemen aan colleges van toezichthouders.

De consoliderende toezichthouder zit de bijeenkomsten van het college voor en beslist welke bevoegde autoriteiten deelnemen aan een bijeenkomst of activiteit van het college. De consoliderende toezichthouder informeert alle leden van het college vooraf volledig over het beleggen van bijeenkomsten, de voornaamste agendapunten en de in overweging te nemen activiteiten. De consoliderende toezichthouder informeert alle leden van het college tevens tijdig over de acties of maatregelen die in die bijeenkomsten ondernomen of uitgevoerd worden.

Bij zijn beslissing houdt de consoliderende toezichthouder rekening met de relevantie van de te plannen of te coördineren toezichtactiviteit voor die autoriteiten, en in het bijzonder met de gevolgen die deze beslissing kan hebben voor de stabiliteit van het financiële stelsel in de betrokken lidstaten, als bedoeld in artikel 40, lid 3, en met de in artikel 42 bis, lid 2, bedoelde verplichtingen.

De consoliderende toezichthouder stelt, onverminderd de geheimhoudingsvereisten in het kader van hoofdstuk 1, afdeling 2, het Comité van Europese bankentoezichthouders in kennis van de activiteiten van het college van toezichthouders, met inbegrip van de activiteiten in noodsituaties, en deelt dit comité alle informatie mede die voor de convergentie van het toezicht van bijzonder belang is.”.

 

34)

Artikel 132 wordt als volgt gewijzigd:

 

a)

in lid 1, onder d), wordt de verwijzing naar artikel 136 vervangen door artikel 136, lid 1;

 

b)

in lid 3, onder b), wordt de verwijzing naar artikel 136 vervangen door artikel 136, lid 1.

 

35)

Artikel 150 wordt als volgt gewijzigd:

 

a)

in lid 1 worden de punten k) en l) vervangen door:

 

„k)

de lijst en de indeling van de posten buiten de balanstelling in de bijlagen II en IV;

 

l)

aanpassing van bijlage III en bijlagen V tot en met XII om rekening te houden met de ontwikkelingen op de financiële markten (met name nieuwe financiële producten) en op het gebied van standaarden of voorschriften voor jaarrekeningen die rekening houden met de gemeenschapswetgeving, of met het oog op de convergentie van toezichtpraktijken.”;

 

b)

lid 2, onder c), wordt vervangen door:

 

„c)

verduidelijking van de vrijstellingen genoemd in artikel 113;”.

 

36)

In artikel 153 wordt de derde alinea vervangen door:

„Bij de berekening van risicogewogen posten voor de toepassing van bijlage VI, deel 1, punt 4, wordt tot 31 december 2015 aan vorderingen op de centrale regeringen of centrale banken van de lidstaten luidende en gefinancierd in de binnenlandse munteenheid van een lidstaat hetzelfde risicogewicht toegepast als zou worden toegekend op dergelijke vorderingen luidende en gefinancierd in hun nationale munteenheid.”.

 

37)

Aan artikel 154 worden de volgende leden toegevoegd:

„8.   Kredietinstellingen die per 31 december 2010 niet aan de limieten van artikel 66, lid 1 bis, voldoen, stellen strategieën en procedures vast voor de nodige maatregelen om deze situatie vóór de in lid 9 van dit artikel bepaalde data te verhelpen.

Deze maatregelen worden in het kader van artikel 124 aan evaluatie onderworpen.

  • 9. 
    Instrumenten die per 31 december 2010 in het nationaal recht als gelijkwaardig zijn aangemerkt met de bestanddelen genoemd in artikel 57, punten a), b) of c), maar niet onder artikel 57, punt a), vallen of niet voldoen aan de criteria van artikel 63 bis, worden geacht tot en met 31 december 2040 onder artikel 57, punt c bis), te vallen, onverminderd de volgende beperkingen:
 

a)

tot een maximum van 20 % van de som van de bestanddelen van artikel 57, punten a) tot en met c bis), verminderd met de som van de bestanddelen van artikel 57, punten i), j) en k), tussen 10 en 20 jaar na 31 december 2010;

 

b)

tot 10 % van de som van de bestanddelen van artikel 57, punten a) tot en met c bis), verminderd met de som van de bestanddelen van artikel 57, punten i), j) en k), tussen 20 en 30 jaar na 31 december 2010.

Het Comité van Europese bankentoezichthouders volgt tot en met 31 december 2010 de uitgifte van die instrumenten.

  • 10. 
    Voor de toepassing van deze afdeling worden activa bestaande uit claims en andere vorderingen op instellingen die reeds voor 31 december 2009 bestonden, op dezelfde wijze behandeld als geschetst in artikel 115, lid 2, en artikel 116, zoals deze luidden voor 7 december 2009, maar niet langer dan tot 31 december 2012.
  • 11. 
    Tot 31 december 2012 bedraagt de in artikel 129, lid 3, bedoelde periode zes maanden.”.
 

38)

Artikel 156 wordt vervangen door:

„Artikel 156

De Commissie onderzoekt in samenwerking met de lidstaten en rekening houdende met de bijdrage van de Europese Centrale Bank periodiek of de onderhavige richtlijn als zodanig in combinatie met Richtlijn 2006/49/EG, van grote invloed is op de conjuncturele cyclus, en gaat in het licht van dat onderzoek na of maatregelen om dit te verhelpen gerechtvaardigd zijn.

Op basis van deze analyse en rekening houdende met de bijdrage van de Europese Centrale Bank stelt zij om de twee jaar een verslag op, dat zo nodig vergezeld van passende voorstellen wordt ingediend bij het Europees Parlement en de Raad. Aan bijdragen van de zijde van kredietnemers en -gevers moet bij de opstelling van het verslag voldoende aandacht worden besteed.

De Commissie herziet uiterlijk op 31 december 2009 deze richtlijn in haar geheel omwille van een betere analyse en om te reageren op macro-prudentiële problemen, met inbegrip van een onderzoek van:

 

a)

maatregelen die de opgaande en neergaande trends van de conjunctuurcyclus afzwakken, waaronder de noodzaak voor kredietinstellingen om in goede tijden anticyclische kapitaalbuffers te vormen waarop bij een neergaande conjunctuurtrend kan worden teruggevallen;

 

b)

de onderliggende ratio voor de berekening van de kapitaalbehoeften in deze richtlijn, en

 

c)

aanvullende maatregelen voor de risicovereisten van kredietinstellingen als bijdrage ter verbetering van de schuld-kapitaalratio in het bankwezen.

De Commissie legt uiterlijk op 31 januari 2010 een verslag over bovengenoemde onderwerpen voor aan het Europees Parlement en de Raad vergezeld van eventuele passende voorstellen.

De Commissie legt zo spoedig mogelijk en in elk geval uiterlijk op 31 december 2009 aan het Europees Parlement en de Raad een verslag voor over de noodzaak van het verder opnieuw bekijken van het toezichtsysteem, met inbegrip van de relevante artikelen van deze richtlijn, samen met een, volgens de toepasselijke procedure van het Verdrag, eventueel passend wetgevingsvoorstel.

De Commissie onderzoekt uiterlijk op 1 januari 2011 de vorderingen die het Comité van Europese bankentoezichthouders heeft gemaakt met het uniformiseren van rapportageformats, -frequenties en -termijnen als bedoeld in artikel 74, lid 2. De Commissie brengt over dat onderzoek verslag uit aan het Europees Parlement en de Raad.

De Commissie voert uiterlijk op 31 december 2011 een onderzoek uit en legt een verslag voor over de toepassing van deze richtlijn, met speciale aandacht voor alle aspecten van de artikelen 68 tot en met 73, artikel 80, leden 7 en 8, en zijn toepassing op microkredietfinanciering en legt dat verslag voor aan het Europees Parlement en de Raad, samen met eventuele passende voorstellen.

De Commissie voert uiterlijk op 31 december 2011 een onderzoek uit en legt een verslag voor over de toepassing van artikel 113, lid 4, met inbegrip van de vraag of vrijstellingen moeten worden overgelaten aan de lidstaten en legt dat verslag voor aan het Europees Parlement en de Raad, samen met eventuele passende voorstellen. Met het oog op de mogelijke afschaffing van de nationale beoordelingsvrijheid krachtens artikel 113, lid 4, onder c), en de mogelijke toepassing op EU-niveau, moet in het onderzoek met name rekening worden gehouden met de doeltreffendheid van het groepsrisicobeheer en moet tevens worden gezorgd voor voldoende waarborgen voor de financiële stabiliteit in alle lidstaten waarin een entiteit van een groep is gevestigd.

De Commissie voert uiterlijk op 31 december 2009 een onderzoek uit en legt een verslag voor over maatregelen ter vergroting van de transparantie van OTC-markten, inclusief kredietverzuimmarkten, bijvoorbeeld door verwerking door een centraal clearinghouse verplicht te stellen, en legt dat verslag voor aan het Europees Parlement en de Raad, samen met eventuele passende voorstellen.

De Commissie legt uiterlijk op 31 december 2009 een verslag voor over de verwachte impact van artikel 122 bis, en legt dat verslag voor aan het Europees Parlement en de Raad, samen met eventuele passende voorstellen. De Commissie stelt haar verslag op na overleg met het Comité van Europese banktoezichthouders. In het verslag wordt met name aandacht besteed aan de vraag of de minimumvereisten voor het aanhouden uit hoofde van artikel 122 bis, lid 1, bijdragen aan het behalen van de doelstelling van het beter op elkaar afstemmen van de belangen van initiators of sponsors en beleggers en de financiële stabiliteit versterken en of een verhoging van het minimumniveau voor het aanhouden passend zou zijn, rekening houdend met de internationale ontwikkelingen.

De Commissie brengt uiterlijk op 1 januari 2012 aan het Europees Parlement en de Raad verslag uit over de toepassing en effectiviteit van artikel 122 bis in het licht van de internationale marktontwikkelingen.”.

 

39)

Bijlage III wordt als volgt gewijzigd:

 

a)

aan deel 1, punt 5, wordt de volgende zin toegevoegd:

„Volgens de methode van deel 6 van deze bijlage (IMM) kunnen alle samenstellen van verrekenbare transacties met een en dezelfde tegenpartij worden behandeld als één samenstel indien de negatieve gesimuleerde marktwaarden van de afzonderlijke samenstellen van verrekenbare transacties bij de raming van de verwachte positie (EE) op 0 worden bepaald.”;

 

b)

deel 2, punt 3, wordt vervangen door:

 

„3.

Wanneer een kredietinstelling protectie in de vorm van een kredietderivaat koopt ter afdekking van een positie in de niet-handelsportefeuille of van een CCR-positie, mag zij haar kapitaalvereiste voor het afgedekte activum berekenen overeenkomstig bijlage VIII, deel 3, punten 83 tot en met 92, of, mits de bevoegde autoriteiten daarmee instemmen, overeenkomstig bijlage VII, deel 1, punt 4, dan wel bijlage VII, deel 4, punten 96 tot en met 104.

In deze gevallen en wanneer geen gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid die genoemd wordt in bijlage II, punt 11, tweede zin, van Richtlijn 2006/49/EG, wordt de positiewaarde voor het CCR voor dergelijke kredietderivaten op nul bepaald.

Een instelling mag er echter voor kiezen om voor de berekening van kapitaalvereisten voor het tegenpartijkredietrisico consequent rekening te houden met alle niet in de handelsportefeuille opgenomen kredietderivaten die zijn gekocht als protectie voor een positie in de niet-handelsportefeuille of voor een CCR-positie wanneer de kredietprotectie op grond van deze richtlijn is erkend.”;

 

c)

deel 5, punt 15, wordt vervangen door:

 

„15.

Er is één samenstel van afdekkingsinstrumenten voor elke uitgevende instelling van een referentieschuldinstrument dat als onderliggende waarde van een kredietverzuimswap fungeert. Basketkredietverzuimswaps voor het n-de kredietverzuim worden als volgt behandeld:

 

a)

de omvang van een risicopositie in een referentieschuldinstrument in een basket die als onderliggende waarde van een kredietverzuimswap voor het n-de kredietverzuim fungeert, is de effectieve nominale waarde van het referentieschuldinstrument, vermenigvuldigd met de gewijzigde looptijd van het n-de kredietverzuimderivaat als gevolg van een verandering in de creditspread van het referentieschuldinstrument;

 

b)

er is één samenstel van afdekkingsinstrumenten voor elk referentieschuldinstrument in een basket die als onderliggende waarde van een bepaalde kredietverzuimswap voor het n-de kredietverzuim fungeert. Risicoposities die uit verschillende kredietverzuimswaps voor het n-de kredietverzuim voortvloeien, worden niet in hetzelfde samenstel van afdekkingsinstrumenten opgenomen;

 

c)

de CCR-vermenigvuldigingsfactor voor elk samenstel van afdekkingsinstrumenten voor een van de referentieschuldinstrumenten van een derivaat voor het n-de kredietverzuim bedraagt 0,3 % voor referentieschuldinstrumenten die van een erkende EKBI een kredietbeoordeling hebben gekregen die overeenkomt met kredietkwaliteitscategorie 1 tot 3, en 0,6 % voor andere schuldinstrumenten.”.

 

40)

Bijlage V wordt als volgt gewijzigd:

 

a)

punt 8 wordt vervangen door:

 

„8.

De risico’s die voortvloeien uit securitisatietransacties waarbij de kredietinstellingen optreden als belegger, initiator of sponsor, inclusief reputatierisico’s (zoals die welke voortvloeien uit complexe structuren of producten), worden beoordeeld en aangepakt aan de hand van passende gedragslijnen en procedures om er met name voor te zorgen dat bij het nemen van beslissingen op het gebied van de risicobeoordeling en het risicobeheer ten volle met het economische belang van de transactie rekening wordt gehouden.”;

 

b)

punt 14 wordt vervangen door:

 

„14.

Voor de vaststelling, de meting, het beheer en de bewaking van het liquiditeitsrisico over een passende reeks tijdshorizonten, waaronder intra-day, zijn er deugdelijke strategieën, gedragslijnen, procedures en systemen die ervoor zorgen dat de kredietinstellingen voldoende liquiditeitsbuffers aanhouden. Deze strategieën, gedragslijnen, procedures en systemen zijn toegesneden op de business lines, valuta’s en entiteiten en bevatten deugdelijke mechanismen voor de allocatie van liquiditeitskosten […], -baten en -risico's.”;

 

c)

het volgende punt wordt ingevoegd:

 

„14 bis.

De in punt 14 bedoelde strategieën, gedragslijnen, procedures en systemen staan in verhouding tot de complexiteit, het risicoprofiel en het werkterrein van de kredietinstelling en tot de door het leidinggevende orgaan vastgestelde risicotolerantie en houden rekening met het belang van de kredietinstelling in elke lidstaat waarin zij werkzaam is. De kredietinstellingen delen de risicotolerantie mee ten aanzien van alle relevante business lines.”;

 

d)

punt 15 wordt vervangen door:

 

„15.

Kredietinstellingen ontwikkelen methodieken voor de vaststelling, de meting, het beheer en de monitoring van financieringsposities. Deze methodieken omvatten de bestaande en geraamde materiële kasstromen in en voortvloeiende uit activa, passiva, posten buiten de balanstelling, waaronder voorwaardelijke verplichtingen, en de mogelijke gevolgen van het reputatierisico.

 

16.

Kredietinstellingen maken een onderscheid tussen in pand gegeven en niet-bezwaarde activa die te allen tijde, en met name in noodsituaties, beschikbaar zijn. Zij houden ook rekening met de juridische entiteit waarin de activa zich bevinden, met het land waar de activa in een register of een rekening zijn ingeschreven, alsmede met hun toelaatbaarheid als eigen vermogen, en houden in het oog hoe de activa tijdig vrijgemaakt kunnen worden.

 

17.

Kredietinstellingen nemen ook de bestaande wettelijke, bestuursrechtelijke en operationele beperkingen op mogelijke overdrachten van liquiditeit en niet-bezwaarde activa tussen entiteiten in en buiten de EER in aanmerking.

 

18.

Een kredietinstelling overweegt verschillende middelen om het liquiditeitsrisico te limiteren, waarbij te denken valt aan een systeem van limieten en liquiditeitsbuffers voor uiteenlopende probleemsituaties, en aan een voldoende gediversificeerde financieringsstructuur en voldoende toegang tot financieringsbronnen. De desbetreffende instrumenten worden regelmatig tegen het licht gehouden.

 

19.

Er worden alternatieve scenario’s voor liquiditeitsposities en risicovermindering in overweging genomen en de hypothesen die aan beslissingen betreffende de financiële positie ten grondslag liggen, worden regelmatig opnieuw bezien. Daartoe wordt in deze scenario’s met name gelet op posten buiten de balanstelling en andere voorwaardelijke verplichtingen, waaronder die van SSPE’s en andere special purpose entities waarbij de kredietinstelling als sponsor fungeert of wezenlijke liquiditeitssteun verleent.

 

20.

Kredietinstellingen kijken ook naar de mogelijke gevolgen van instellingsspecifieke, marktbrede en gecombineerde alternatieve scenario’s. Daarbij worden verschillende tijdshorizonten en stressniveaus in aanmerking genomen.

 

21.

Kredietinstellingen passen hun strategieën, interne gedragslijnen en liquiditeitsrisicolimieten aan en ontwikkelen effectieve calamiteitenplannen op basis van de resultaten van de in punt 19 bedoelde alternatieve scenario’s.

 

22.

Met het oog op eventuele liquiditeitscrises beschikken de kredietinstellingen over calamiteitenplannen met deugdelijke strategieën en uitvoeringsmaatregelen om mogelijke liquiditeitstekorten het hoofd te kunnen bieden. Deze plannen worden regelmatig getest, bijgewerkt op basis van de resultaten van alternatieve scenario’s als beschreven in punt 19, en gemeld aan en goedgekeurd door de directie, zodat interne gedragslijnen en procedures dienovereenkomstig kunnen worden aangepast.”.

 

41)

In bijlage IX, deel 3, afdeling 2, wordt het volgende punt toegevoegd:

 

„7 bis.

De bevoegde autoriteiten nemen bovendien de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat, met betrekking tot de kredietbeoordelingen in verband met gestructureerde financiële instrumenten, de EKBI is gehouden publiekelijk bekend te maken hoe de prestaties van poolactiva haar kredietbeoordelingen beïnvloeden.”.

 

42)

Bijlage XI wordt als volgt gewijzigd:

 

a)

in punt 1 wordt punt e) vervangen door:

 

„e)

de blootstelling aan en de meting en het beheer van het liquiditeitsrisico door de kredietinstellingen, waaronder onderzoek van alternatieve scenario's, het beheer van risicovermindering (met name de omvang, samenstelling en kwaliteit van liquiditeitsbuffers) en effectieve calamiteitenplannen;”;

 

b)

het volgende punt wordt ingevoegd:

 

„1 bis.

Voor de toepassing van punt 1, onder e), onderwerpen de bevoegde autoriteiten het algehele liquiditeitsrisicobeheer van kredietinstellingen regelmatig aan een uitgebreide evaluatie en bevorderen zij de ontwikkeling van solide interne methodieken. Bij deze evaluaties letten zij op de rol die kredietinstellingen op de financiële markten spelen. De bevoegde autoriteiten in de ene lidstaat nemen de gevolgen die hun besluiten kunnen hebben voor de stabiliteit van het financiële stelsel van alle andere betrokken lidstaten naar behoren in overweging.”.

 

43)

In punt 3 van deel 2 van bijlage XII, worden de punten a) en b) vervangen door:

 

„a)

beknopte informatie over de voornaamste kenmerken van alle eigenvermogensposten en bestanddelen daarvan, waaronder de in artikel 57, punt c bis), bedoelde instrumenten, instrumenten waarvan de bepalingen een aflossingsprikkel voor de kredietinstelling bevatten, en instrumenten die onder artikel 154, leden 8 en 9, vallen;

 

b)

het bedrag van het oorspronkelijk eigen vermogen, met afzonderlijke vermelding van alle positieve posten en aftrekposten. Het totaalbedrag van de instrumenten als bedoeld in artikel 57, punt c bis), en de instrumenten waarvan de bepalingen een aflossingsprikkel voor de kredietinstelling bevatten, wordt ook afzonderlijk openbaar gemaakt. Ook wordt telkens gespecificeerd welke instrumenten onder artikel 154, leden 8 en 9, vallen.”.

Artikel 2

Wijzigingen in Richtlijn 2006/49/EG

Richtlijn 2006/49/EG wordt als volgt gewijzigd:

 

1)

Artikel 12, lid 1, wordt vervangen door:

„Onder „oorspronkelijk eigen vermogen” wordt verstaan, de som van de bestanddelen in de punten a) tot en met c bis), minus de som van de bestanddelen in de punten i), j) en k) van artikel 57 van Richtlijn 2006/48/EG.”.

 

2)

Artikel 28 wordt als volgt gewijzigd:

 

a)

lid 1 wordt vervangen door:

„1.   Instellingen, behalve beleggingsondernemingen die aan de criteria van artikel 20, leden 2 of 3, van deze richtlijn voldoen, bewaken en beheersen hun grote risico’s overeenkomstig de artikelen 106 tot en met 118 van Richtlijn 2006/48/EG.”;

 

b)

lid 3 wordt geschrapt.

 

3)

Artikel 30, lid 4, wordt vervangen door:

„4.   In afwijking van lid 3 van dit artikel mogen de bevoegde autoriteiten toestaan dat activa in de vorm van vorderingen en andere risico’s op erkende beleggingsondernemingen uit een derde land en erkende „clearing”-instellingen en beurzen, op dezelfde wijze worden behandeld als is bepaald in artikel 111, lid 1, van Richtlijn 2006/48/EG en in punt c) van artikel 106, lid 2, van die richtlijn.”.

 

4)

Artikel 31 wordt als volgt gewijzigd:

 

a)

in de eerste alinea worden de punten a) en b) vervangen door:

 

„a)

het risico buiten de handelsportefeuille op de betrokken cliënt of groep van cliënten is niet groter dan de in artikel 111, lid 1, van Richtlijn 2006/48/EG gestelde grenswaarde, berekend met betrekking tot het eigen vermogen als omschreven in die richtlijn, zodat de overschrijding zich integraal voordoet binnen de handelsportefeuille;

 

b)

de instelling voldoet aan een aanvullend kapitaalvereiste voor de overschrijding van de in artikel 111, lid 1, van Richtlijn 2006/48/EG gestelde grenswaarde, berekend overeenkomstig bijlage VI bij deze richtlijn;”;

 

b)

in de eerste alinea wordt punt e) wordt vervangen door:

 

„e)

de instellingen dienen om de drie maanden aan de bevoegde autoriteiten alle gevallen te melden waarin de grenswaarde van artikel 111, lid 1, van Richtlijn 2006/48/EG in de afgelopen drie maanden is overschreden.”;

 

c)

de tweede alinea wordt vervangen door:

„Voor elk geval waarin de onder e) bedoelde grenswaarde is overschreden, wordt opgave gedaan van de hoogte van de overschrijding en van de naam van de betrokken cliënt.”.

 

5)

In artikel 32, lid 1, wordt de eerste alinea vervangen door:

„1.   De bevoegde autoriteiten stellen procedures vast om te voorkomen dat instellingen de aanvullende kapitaalvereisten die voortvloeien uit het langer dan tien dagen voortduren van risico’s boven de grenswaarde van artikel 111, lid 1, van Richtlijn 2006/48/EG, opzettelijk omzeilen door deze risico’s tijdelijk naar een andere onderneming, al of niet behorend tot dezelfde groep, over te dragen en/of door middel van kunstmatige transacties waardoor het risico binnen de periode van tien dagen wordt beëindigd en een nieuw risico wordt gecreëerd.”.

 

6)

Aan artikel 35 wordt de volgende alinea toegevoegd:

„6.   De uniforme rapportageformats, -frequenties en -termijnen als bedoeld in artikel 74, lid 2, van Richtlijn 2006/48/EG gelden ook voor beleggingsondernemingen.”.

 

7)

Aan artikel 38 wordt de volgende alinea toegevoegd:

„3.   Artikel 42 bis van Richtlijn 2006/48/EG, met uitzondering van punt 1, onder a), is van overeenkomstige toepassing op het toezicht op beleggingsondernemingen, tenzij deze voldoen aan de criteria van in artikel 20, lid 2 of 3, of artikel 46, lid 1, van deze richtlijn.”.

 

8)

In artikel 45, lid 1, wordt „31 december 2010” vervangen door „31 december 2014”.

 

9)

In artikel 47 wordt „31 december 2009” vervangen door „31 december 2010” en de verwijzing naar de punten 4 en 8 van bijlage V van Richtlijn 93/6/EEG wordt vervangen door een verwijzing naar de punten 4 en 8 van bijlage VIII.

 

10)

In artikel 48, lid 1, wordt „31 december 2010” vervangen door „31 december 2014”.

Artikel 3

Wijziging van Richtlijn 2007/64/EG

Artikel 1, lid 1, onder a), van Richtlijn 2007/64/EG wordt vervangen door:

 

„a)

kredietinstellingen in de zin van artikel 4, lid 1, onder a), van Richtlijn 2006/48/EG, inclusief bijkantoren van kredietinstellingen in de zin van artikel 4, lid 3, van die richtlijn die gevestigd zijn in de Gemeenschap die hun hoofdkantoor binnen of, overeenkomstig artikel 38 van die richtlijn, buiten de Gemeenschap hebben;”.

Artikel 4

Omzetting

  • 1. 
    De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 31 oktober 2010 aan deze richtlijn te voldoen.

Zij passen die maatregelen toe vanaf 31 december 2010.

Wanneer de lidstaten die maatregelen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

  • 2. 
    De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mede die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 5

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 6

Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Straatsbrug, 16 september 2009.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

  • J. 
    BUZEK

Voor de Raad

De voorzitster

  • C. 
    MALMSTRÖM
 

  • (1) 
    Advies uitgebracht op 24 maart 2009 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).
  • (3) 
    Advies van het Europees Parlement van 6 mei 2009 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 27 juli 2009.
  • (7) 
    Zie bladzijde 1 van dit Publicatieblad.
 

Deze samenvatting is overgenomen van EUR-Lex.