Verordening 2011/176 - Informatie die moet worden verstrekt vóór de vaststelling en wijziging van een functioneel luchtruimblok

1.

Wettekst

25.2.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 51/2

 

VERORDENING (EU) Nr. 176/2011 VAN DE COMMISSIE

van 24 februari 2011

inzake de informatie die moet worden verstrekt vóór de vaststelling en wijziging van een functioneel luchtruimblok

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 550/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 10 maart 2004 betreffende de verlening van luchtvaartnavigatiediensten in het gemeenschappelijk Europees luchtruim (de luchtvaartnavigatiedienstenverordening) (1), en met name artikel 9 bis, lid 9,

Overwegende hetgeen volgt:

 

(1)

De functionele luchtruimblokken zijn van cruciaal belang om de samenwerking tussen lidstaten te vergroten, teneinde de prestaties te verbeteren en synergieën tot stand te brengen. Daartoe en om de interface tussen de functionele luchtruimblokken in het gemeenschappelijke Europese luchtruim te optimaliseren, dienen de betrokken lidstaten met elkaar en, indien van toepassing, met derde landen samen te werken.

 

(2)

Bij het vaststellen van een functioneel luchtruimblok moeten de lidstaten voldoen aan de voorschriften van artikel 9 bis van Verordening (EG) nr. 550/2004.

 

(3)

Lidstaten die een functioneel luchtruimblok vaststellen, moeten informatie verstrekken aan de Commissie, het Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart (EASA), de andere lidstaten en andere belanghebbende partijen en hen de kans geven opmerkingen te maken. De lidstaten hoeven echter geen gerubriceerde informatie, bedrijfsgeheimen of andere vertrouwelijke informatie te verstrekken.

 

(4)

De informatie die in het kader van deze verordening moet worden verstrekt, moet beantwoorden aan de doelstellingen van de functionele luchtruimblokken en de lidstaten helpen bij het streven naar samenhang met andere maatregelen van het gemeenschappelijk Europees luchtruim.

 

(5)

Om de informatieverstrekking en gedachtewisseling te vergemakkelijken, moet duidelijk worden uiteengezet welke aan de lidstaten, de Commissie, het Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart en andere belanghebbenden partijen te verstrekken informatie als „passend” wordt beschouwd, en moeten de procedures voor deze informatie-uitwisseling worden vastgesteld.

 

(6)

De betrokken lidstaten moeten met name samen één set informatie en bewijsstukken per functioneel luchtruimblok verstrekken.

 

(7)

De vaststelling van een functioneel luchtruimblok dient te worden beschouwd als het juridische proces op grond waarvan lidstaten de samenwerking tussen hun respectieve luchtruimblokken moeten verbeteren. De lidstaten moeten de nodige maatregelen nemen om uiterlijk op 4 december 2012 aan dit vereiste te voldoen, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 550/2004.

 

(8)

De vaststelling van de wijziging van een functioneel luchtruimblok dient voor alle lidstaten op basis van dezelfde criteria te gebeuren en moet worden beperkt tot wijzigingen die aanzienlijke gevolgen hebben voor het functioneel luchtruimblok en/of de aangrenzende functionele luchtruimblokken of lidstaten.

 

(9)

Overeenkomstig artikel 13 bis van Verordening (EG) nr. 549/2004 van het Europees Parlement en de Raad (2) zorgen de lidstaten en de Commissie voor passende coördinatie met het EASA, teneinde te garanderen dat alle veiligheidsaspecten bij de tenuitvoerlegging van het gemeenschappelijk Europees luchtruim goed worden geregeld.

 

(10)

Overeenkomstig artikel 13 van Verordening (EG) nr. 549/2004 heeft deze verordening geen gevolgen voor het veiligheids- of defensiebeleid van de lidstaten, noch voor de vertrouwelijkheidskwesties die daarmee verband houden.

 

(11)

Overeenkomstig artikel 83 van het Verdrag van Chicago moeten lidstaten die een functioneel luchtruimblok vaststellen de overeenkomsten of regelingen voor het functioneel luchtruimblok en eventuele latere wijzigingen daarvan bij de ICAO registreren.

 

(12)

De vaststelling van functionele luchtruimblokken die gevolgen hebben voor de grenzen van ICAO-vluchtinformatiegebieden of voor de faciliteiten of diensten die binnen die grenzen worden verleend, blijven onderworpen aan de ICAO-planning voor luchtvaartnavigatie en aan de procedure voor het wijzigen van ICAO-luchtvaartnavigatieplannen.

 

(13)

Bij het vaststellen van een functioneel luchtruimblok moeten de lidstaten hun veiligheidsverantwoordelijkheden effectief vervullen. Ze moeten aantonen en garanderen dat het functioneel luchtruimblok veilig zal worden opgericht en beheerd en moeten de lidstaten en de verleners van luchtvaartnavigatiediensten in kennis stellen van de onderdelen van het veiligheidsbeheer die verband houden met de vaststelling van het functioneel luchtruimblok, waarbij ze bijzondere aandacht moeten besteden aan hun respectieve rollen en verantwoordelijkheden op veiligheidsgebied.

 

(14)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Single Sky Comité,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Voorwerp en toepassingsgebied

In deze verordening worden de eisen vastgesteld met betrekking tot:

 

1.

de informatie die de betrokken lidstaten aan de Commissie, het Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart (EASA), de andere lidstaten en de belanghebbende partijen moeten verstrekken alvorens een functioneel luchtruimblok vast te stellen of te wijzigen;

 

2.

de procedures voor het verstrekken van de informatie en de opmerkingen van de onder 1 bedoelde partijen, alvorens de kennisgeving van het functioneel luchtruimblok aan de Commissie wordt gedaan.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze verordening gelden de definities van artikel 2 van Verordening (EG) nr. 549/2004.

Daarnaast gelden de volgende definities:

  • 1. 
    onder „betrokken lidstaten” wordt verstaan: de lidstaten die met elkaar zijn overeengekomen om een functioneel luchtruimblok op te richten krachtens Verordening (EG) nr. 550/2004;
  • 2. 
    onder „belanghebbende partijen” wordt verstaan: de derde landen die grenzen aan een functioneel luchtruimblok, relevante luchtruimgebruikers of groepen van luchtruimgebruikers en organen die het personeel vertegenwoordigen, alsook verleners van luchtvaartnavigatiediensten die grenzen aan die in het functioneel luchtruimblok.

Artikel 3

Bewijs van naleving

De betrokken lidstaten verstrekken samen de in de bijlage bij deze verordening uiteengezette informatie om aan te tonen dat ze voldoen aan de eisen van artikel 9 bis van Verordening (EG) nr. 550/2004.

Artikel 4

Procedure voor het uitwisselen van informatie voor nieuwe functionele luchtruimblokken

  • 1. 
    De betrokken lidstaten moeten de in de bijlage uiteengezette informatie uiterlijk op 24 juni 2012 aan de Commissie verstrekken. Uiterlijk één week na ontvangst van de informatie legt de Commissie ze voor aan het EASA, de andere lidstaten en de belanghebbende partijen, zodat deze opmerkingen kunnen maken.
  • 2. 
    Deze opmerkingen moeten uiterlijk twee maanden na ontvangst van de informatie bij de Commissie worden ingediend. De Commissie deelt de ontvangen opmerkingen en haar eigen opmerkingen onmiddellijk mee aan de betrokken lidstaten.
  • 3. 
    De betrokken lidstaten nemen de opmerkingen in overweging alvorens hun functioneel luchtruimblok vast te stellen.

Artikel 5

Wijziging van een vastgesteld functioneel luchtruimblok

  • 1. 
    Met het oog op de toepassing van deze verordening wordt een vastgesteld functioneel luchtruimblok als gewijzigd beschouwd als een voorgestelde wijziging leidt tot wijzigingen van de vastgestelde afmetingen van het functioneel luchtruimblok.
  • 2. 
    Minstens zes maanden vóór een wijziging wordt doorgevoerd, stellen de betrokken lidstaten samen de Commissie in kennis van de voorgenomen wijzigingen en verstrekken zij informatie ter ondersteuning van die wijzigingen, waarbij zij — indien nodig — de informatie die verstrekt is voor de vaststelling van het functioneel luchtruimblok actualiseren. Uiterlijk één week na ontvangst van de informatie legt de Commissie ze voor aan het EASA, de andere lidstaten en de belanghebbende partijen, zodat deze opmerkingen kunnen maken.
  • 3. 
    Deze opmerkingen moeten uiterlijk twee maanden na ontvangst van de informatie bij de Commissie worden ingediend. De Commissie deelt de ontvangen opmerkingen en haar eigen opmerkingen onmiddellijk mee aan de betrokken lidstaten.
  • 4. 
    De betrokken lidstaten nemen de opmerkingen in overweging alvorens hun functioneel luchtruimblok te wijzigen.

Artikel 6

Reeds vastgestelde functionele luchtruimblokken

De betrokken lidstaten die vóór de inwerkingtreding van deze verordening al een functioneel luchtruimblok hebben vastgesteld, zien erop toe dat de in de bijlage uiteengezette vereiste informatie uiterlijk op 24 juni 2012 bij de Commissie wordt ingediend, voor zover deze niet reeds is ingediend in het kader van hun kennisgeving.

Artikel 7

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 24 februari 2011.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO

 

 

BIJLAGE

TE VERSTREKKEN INFORMATIE

DEEL I

Algemene informatie

 

1.

De betrokken lidstaten moeten de volgende informatie verstrekken:

 

a)

de contactpersoon voor het functioneel luchtruimblok;

 

b)

de vastgestelde afmetingen van het functioneel luchtruimblok;

 

c)

de gezamenlijk aangewezen verleners van luchtverkeersdiensten en meteorologische diensten, voor zover van toepassing, en hun respectieve bevoegdheidsdomeinen;

 

d)

de verleners van luchtverkeersdiensten die diensten verlenen zonder certificaat, overeenkomstig artikel 7, lid 5, van Verordening (EG) nr. 550/2004, en hun respectieve bevoegdheidsdomeinen.

 

2.

De betrokken lidstaten verstrekken de volgende informatie over de regelingen voor de vaststelling of wijziging van het functioneel luchtruimblok:

 

a)

kopieën van de documenten waaruit blijkt dat de betrokken lidstaten zijn overeengekomen het functioneel luchtruimblok vast te stellen;

 

b)

informatie over de regelingen tussen de nationale toezichthoudende autoriteiten in het functioneel luchtruimblok;

 

c)

informatie over de regelingen tussen de verleners van luchtverkeersdiensten in het functioneel luchtruimblok;

 

d)

informatie over regelingen tussen bevoegde civiele en militaire autoriteiten met betrekking tot hun betrokkenheid bij de structuren voor het beheer van het functioneel luchtruimblok.

 

3.

De betrokken lidstaten mogen verwijzen naar informatie die zij reeds aan de Commissie hebben verstrekt in het kader van de tenuitvoerlegging van het gemeenschappelijk Europees luchtruim.

DEEL II

Eisen van artikel 9 bis, lid 2, van Verordening (EG) nr. 550/2004

De betrokken lidstaten moeten informatie verstrekken, inclusief ondersteunende documenten, over de eisen van artikel 9 bis, lid 2, van Verordening (EG) nr. 550/2004.

  • 1. 
    Veiligheid in het functioneel luchtruimblok

De volgende informatie moet worden verstrekt met betrekking tot de veiligheid in het functioneel luchtruimblok:

 

a)

het gemeenschappelijk veiligheidsbeleid of de plannen om een gemeenschappelijk veiligheidsbeleid vast te stellen;

 

b)

een beschrijving van de regelingen voor onderzoek naar ongevallen en incidenten en de plannen voor het verzamelen, analyseren en uitwisselen van informatie;

 

c)

een beschrijving van de manier waarop de veiligheid wordt beheerd, teneinde te voorkomen dat de veiligheid in het functioneel luchtruimblok erop achteruit gaat;

 

d)

een beschrijving van de regelingen voor de vaststelling en toewijzing van de verantwoordelijkheden en interfaces met betrekking tot het vaststellen van veiligheiddoelen, veiligheidstoezicht en de begeleidende handhavingsmaatregelen in verband met het verlenen van luchtvaartnavigatiediensten in het functioneel luchtruimblok;

 

e)

documentatie en/of verklaringen dat de veiligheidsbeoordeling, inclusief gevarenidentificatie, risicobeoordeling en mitigatie, is uitgevoerd alvorens operationele wijzigingen door te voeren die voortvloeien uit de vaststelling of wijziging van het functioneel luchtruimblok.

  • 2. 
    Optimaal gebruik van het luchtruim, rekening houdende met luchtverkeersstromen

De betrokken lidstaten moeten de volgende informatie verstrekken aan de Commissie:

 

a)

een beschrijving van de betrekkingen met de in artikel 6 van Verordening (EG) nr. 551/20042004 van het Europees Parlement en de Raad (1) bedoelde relevante netwerkfuncties voor het beheer van het luchtverkeer en de luchtverkeerstromen, inclusief de coördinatie, regelingen en procedures die het mogelijk maken het luchtruim optimaal te benutten;

 

b)

met betrekking tot het beheer van het luchtverkeer in het functioneel luchtruimblok dat niet onder de in artikel 6 van Verordening (EG) nr. 551/2004 bedoelde netwerkfuncties valt, moet de volgende informatie worden verstrekt:

 

de regelingen voor geïntegreerd beheer van het luchtruim;

 

de bepalingen voor het delen van gegevens inzake het beheer van het luchtruim;

 

de regelingen voor effectieve coöperatieve besluitvorming;

 

c)

met betrekking tot realtime-coördinatie in het functionele luchtruimblok:

 

een beschrijving van de manier waarop grensoverschrijdende activiteiten worden beheerd wanneer de vaststelling of wijziging van het functioneel luchtruimblok leidt tot de creatie van nieuwe gebieden.

  • 3. 
    Samenhang met het Europese routenetwerk

De betrokken lidstaten moeten informatie verstrekken waaruit blijkt dat het routeontwerp en de tenuitvoerlegging van het functioneel luchtruimblok samenhangend zijn met de in artikel 6 van Verordening (EG) nr. 551/2004 vastgestelde procedure voor algemene coördinatie, ontwikkeling en tenuitvoerlegging van het Europese routenetwerk, en voltooid zijn op basis van deze procedure.

De betrokken lidstaten mogen verwijzen naar informatie die zij reeds aan de Commissie hebben verstrekt in het kader van de tenuitvoerlegging van het gemeenschappelijk Europees luchtruim.

  • 4. 
    Totale toegevoegde waarde, op basis van kosten-batenanalyses

De betrokken lidstaten moeten verklaringen afleggen waaruit blijkt dat:

 

a)

de kosten-batenanalyse is uitgevoerd volgens de standaardnormen in de sector, waarbij onder meer gebruik is gemaakt van contantewaardeberekeningen;

 

b)

de kosten-batenanalyse een geconsolideerd beeld geeft van het effect van de vaststelling of wijziging van het functioneel luchtruimblok op de civiele en militaire luchtruimgebruikers;

 

c)

de kosten-batenanalyse aantoont dat de totale financiële resultaten (netto contante waarde en/of intern rendement) van de vaststelling of wijziging van het functioneel luchtruimblok positief zijn;

 

d)

het functioneel luchtruimblok bijdraagt tot een vermindering van het effect van de luchtvaart op het milieu;

 

e)

de waarden voor kosten en baten, de bronnen waarop deze waarden gebaseerd zijn en de aannemingen voor het opstellen van de kosten-batenanalyse gedocumenteerd zijn;

 

f)

de belangrijkste belanghebbenden zijn geraadpleegd en feedback hebben gegeven over de geraamde kosten en baten voor hun eigen activiteiten.

  • 5. 
    Zorgen voor vlotte en flexibele overdracht van verantwoordelijkheden voor luchtverkeersleiding tussen eenheden die luchtverkeersdiensten verlenen

De betrokken lidstaten moeten informatie verstrekken waaruit blijkt dat de overdracht van verantwoordelijkheden voor luchtverkeersleiding vlot en flexibel gebeurt in het functioneel luchtruimblok. Dit omvat de volgende informatie over de wijzigingen ten gevolge van de vaststelling of wijziging van het functioneel luchtruimblok:

 

a)

een beschrijving van de regelingen voor grensoverschrijdende verlening van luchtverkeersdiensten;

 

b)

de regelingen die zijn gesloten om de coördinatieprocedures tussen de betrokken verleners van luchtverkeersdiensten in het functioneel luchtruimblok te verbeteren, en geplande initiatieven ter verbetering van de coördinatie;

 

c)

een beschrijving van de regelingen die zijn gesloten om de coördinatieprocedures tussen de betrokken civiele en militaire verleners van luchtverkeersdiensten te verbeteren en geplande initiatieven ter verbetering van de coördinatie, die in de lijn liggen van het concept van flexibel gebruik van het luchtruim;

 

d)

een beschrijving van de regelingen die zijn gesloten om de coördinatieprocedures met de betrokken aangrenzende verleners van luchtverkeersdiensten te verbeteren, en geplande initiatieven ter verbetering van de coördinatie.

  • 6. 
    De verenigbaarheid tussen de verschillende luchtruimconfiguraties garanderen door onder andere de bestaande vluchtinformatiegebieden te optimaliseren

De betrokken lidstaten moeten informatie verstrekken over de beschikbare plannen om de organisatie en classificatie van verschillende luchtruimconfiguraties in het functioneel luchtruimblok te harmoniseren. Deze plannen omvatten:

 

a)

de beginselen voor de classificatie en organisatie van het luchtruim in het functioneel luchtruimblok;

 

b)

de wijzigingen van de luchtruimconfiguratie die voortvloeien uit de harmonisering in het functioneel luchtruimblok.

  • 7. 
    Regionale overeenkomsten met de ICAO

De betrokken lidstaten verstrekken de lijst van bestaande regionale overeenkomsten die in overeenstemming met het bij bijlage 11 van het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart vastgestelde kader zijn gesloten en die relevant zijn voor de vaststelling en werking van het functioneel luchtruimblok.

  • 8. 
    Bestaande regionale overeenkomsten

De betrokken lidstaten verstrekken een lijst van de bestaande overeenkomsten die door een of meer betrokken lidstaten zijn gesloten, inclusief met derde landen, en die relevant zijn voor de vaststelling en werking van het functioneel luchtruimblok.

  • 9. 
    Prestatiedoelstellingen voor de hele Europese Unie
 

9.1.

De betrokken lidstaten verstrekken informatie over de regelingen die zijn gesloten om de samenhang met de in artikel 11 van Verordening (EG) nr. 549/2004 vastgestelde prestatiedoelstellingen voor de hele Europese Unie te vergemakkelijken.

 

9.2.

De betrokken lidstaten mogen verwijzen naar informatie die zij al aan de Commissie hebben verstrekt in het kader van de toepassing van artikel 5 van Verordening (EU) nr. 691/2010 (2).

 

 

Deze samenvatting is overgenomen van EUR-Lex.