Uitvoeringsverordening 2014/615 - Uitvoeringsbepalingen van Verordening 1306/2013 en Verordening 1308/2013 met betrekking tot de activiteitenprogramma's ter ondersteuning van de sector olijfolie en tafelolijven

1.

Wettekst

7.6.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 168/95

 

UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 615/2014 VAN DE COMMISSIE

van 6 juni 2014

houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot de activiteitenprogramma's ter ondersteuning van de sector olijfolie en tafelolijven

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordeningen (EEG) nr. 352/78, (EG) nr. 165/94, (EG) nr. 2799/98, (EG) nr. 814/2000, (EG) nr. 1290/2005 en (EG) nr. 485/2008 van de Raad (1), en met name artikel 57, lid 2, artikel 58, lid 4, artikel 62, lid 2, artikel 63, lid 5, artikel 64, lid 7, en artikel 66, lid 4,

Gezien Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (2), en met name artikel 31,

Overwegende hetgeen volgt:

 

(1)

Bij Verordening (EU) nr. 1308/2013 zijn de regels vastgesteld voor de steunprogramma's ten bate van de sector olijfolie en tafelolijven. Met het oog op de goede werking en de uniforme toepassing van het bij die verordening ingestelde rechtskader heeft de Commissie de bevoegdheid gekregen om middels uitvoeringshandelingen de maatregelen vast te stellen die nodig zijn voor de tenuitvoerlegging van de reeds genoemde verordening op het gebied van de activiteitenprogramma's. Deze maatregelen dienen ter vervanging van de voorschriften van Verordening (EG) nr. 867/2008, die is ingetrokken bij Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 611/2014 van de Commissie (3).

 

(2)

Om de producerende lidstaten de kans te geven het beheer van de steunregeling voor de sector olijfolie en tafelolijven ten uitvoer te leggen, moeten procedures voor de activiteitenprogramma's en de wijziging daarvan worden vastgesteld, alsmede voor de betaling van de Uniefinanciering, met inbegrip van voorschotten, de bedragen van de te stellen zekerheden, de controles, de controleverslagen en de correcties en sancties die moeten worden toegepast in het geval van onregelmatigheden en nalatigheden bij de toepassing van de activiteitenprogramma's.

 

(3)

Om een correcte besteding van de per lidstaat beschikbare financiering mogelijk te maken, moet worden voorzien in een jaarlijkse procedure voor het wijzigen van de voor het volgende jaar goedgekeurde activiteitenprogramma's opdat rekening kan worden gehouden met eventuele naar behoren aangetoonde veranderingen ten opzichte van de oorspronkelijke omstandigheden. Ook moeten de lidstaten de voorwaarden kunnen bepalen voor een wijziging van de inhoud en de begroting van de activiteitenprogramma's zonder dat als gevolg daarvan de in artikel 29, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1308/2013 bedoelde jaarlijkse bedragen van de producerende lidstaten worden overschreden. Met het oog op een soepele toepassing van de activiteitenprogramma's moet worden bepaald wanneer aanvragen tot wijziging van activiteitenprogramma's uiterlijk moeten worden ingediend.

 

(4)

Om de begunstigde organisaties van deelnemers aan de olijven- en olijfoliemarkt in de gelegenheid te stellen tijdig met de tenuitvoerlegging van de activiteitenprogramma's te beginnen, moeten deze organisaties een voorschot kunnen ontvangen van ten hoogste 90 % van de bijdrage van de Unie die in het goedgekeurde activiteitenprogramma voor elk betrokken jaar is geoormerkt, mits zij een zekerheid stellen overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1306/2013. De wijze van betaling van dit voorschot dient te worden vastgelegd.

 

(5)

Bepaald moet worden dat de erkende producentenorganisaties, de erkende unies van producentenorganisaties en de erkende brancheorganisaties (hierna ”de begunstigde organisaties”) volgens een strak tijdschema een financieringsaanvraag moeten indienen bij het betaalorgaan van de lidstaat. Tevens dient te worden bepaald dat deze aanvraag volgens een door de bevoegde autoriteit te verstrekken model moet worden opgesteld en vergezeld moet gaan van bewijsstukken waaruit blijkt dat de activiteitenprogramma's zijn uitgevoerd en de uitgaven zijn gedaan. Vastgesteld moet worden dat het betaalorgaan van de lidstaat het financieringsbedrag betaalt en de zekerheid vrijgeeft nadat het programma volledig is afgerond, de bewijsstukken zijn geverifieerd en de controles zijn verricht.

 

(6)

Voor een goed beheer van de activiteitenprogramma's moeten de betrokken lidstaten een programma opstellen voor het verrichten van controles ter plaatse op een op basis van een risicoanalyse geselecteerde steekproef van begunstigde organisaties, en moeten zij verifiëren of de voorwaarden voor het toekennen van Uniefinanciering in acht zijn genomen. Bepaald moet worden dat over elke controle ter plaatse een uitvoerig controleverslag moet worden opgesteld. Bovendien moeten de lidstaten een adequate regeling van correcties en sancties voor onregelmatigheden vaststellen om onverschuldigde betalingen terug te vorderen, in voorkomend geval met rente.

 

(7)

Om te waarborgen dat de tenuitvoerlegging van de activiteitenprogramma's wordt gemonitord en de programma's worden geëvalueerd gedurende de volledige periode waarin deze programma's worden uitgevoerd, moeten de begunstigde organisaties een verslag van hun activiteiten opstellen en overleggen aan de nationale autoriteiten van de betrokken lidstaten. Tevens moet worden bepaald dat deze verslagen aan de Commissie worden overgelegd.

 

(8)

Om de algemene impact van de activiteitenprogramma's op het gebied van markttoezicht en marktbeheer in de sector olijfolie en tafelolijven te verhogen, moeten de begunstigde organisaties en de lidstaten ertoe worden verplicht de resultaten van de uitgevoerde maatregelen op hun internetsites bekend te maken.

 

(9)

De in de onderhavige verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Beheerscomité voor de gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Toepassingsgebied

Bij deze verordening worden de uitvoeringbepalingen van Verordening (EU) nr. 1308/2013 vastgesteld, met betrekking tot de tenuitvoerlegging van de activiteitenprogramma's in de sector olijfolie en tafelolijven, de wijziging van deze programma's, de betaling van de steun, met inbegrip van voorschotten, alsmede de procedures die moeten gevolgd en de zekerheid die moet worden gesteld wanneer een aanvraag tot goedkeuring van een activiteitenprogramma wordt ingediend en een voorschot op de steun wordt betaald.

Artikel 2

Wijziging van de activiteitenprogramma's

  • 1. 
    Een begunstigde organisatie kan volgens een door de lidstaat te bepalen procedure een aanvraag indienen om de inhoud en de begroting van haar reeds goedgekeurde activiteitenprogramma te wijzigen met dien verstande dat het in artikel 29, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1308/2013 bedoelde bedrag voor de betrokken lidstaat als gevolg van die wijziging niet wordt overschreden.
  • 2. 
    Elke aanvraag om een activiteitenprogramma te wijzigen, onder meer door afzonderlijke activiteitenprogramma's samen te voegen, gaat vergezeld van bewijsstukken waarin de reden, de aard en de gevolgen van de voorgestelde wijzigingen nader worden omschreven. De begunstigde organisatie dient de aanvraag uiterlijk op 31 december van het jaar dat voorafgaat aan de uitvoering van het activiteitenprogramma, in bij de bevoegde autoriteit van de lidstaat.
  • 3. 
    Begunstigde organisaties die zijn gefuseerd en voordien aparte activiteitenprogramma's uitvoerden, voeren die programma's parallel en afzonderlijk uit tot 1 januari van het jaar na de fusie.

In afwijking van de eerste alinea kunnen de lidstaten gefuseerde begunstigde organisaties die daar om gegronde redenen om verzoeken, toestemming verlenen om hun respectieve activiteitenprogramma's parallel uit te voeren zonder deze samen te voegen.

  • 4. 
    De wijzigingen van het activiteitenprogramma worden van toepassing twee maanden nadat de bevoegde autoriteit de aanvraag tot wijziging heeft ontvangen, behalve indien de ingediende wijzigingen volgens de bevoegde autoriteit niet aan de geldende voorwaarden voldoen. In dat geval meldt de bevoegde autoriteit dit aan de begunstigde organisatie, die daarop eventueel een herziene versie van haar activiteitenprogramma indient.
  • 5. 
    Indien de door de begunstigde organisatie verkregen Uniefinanciering lager is dan die waarin het goedgekeurde programma voorziet, kan die organisatie haar programma aan de verkregen financiering aanpassen. De begunstigde organisatie dient bij de bevoegde autoriteiten een verzoek in om deze wijziging van het activiteitenprogramma goed te keuren.
  • 6. 
    In afwijking van de leden 2 en 4 kan de bevoegde autoriteit tijdens de tenuitvoerlegging van een activiteitenprogramma de wijziging van een maatregel van dat programma aanvaarden, op voorwaarde dat:
 

a)

de begunstigde organisatie de wijziging van de maatregel twee maanden vóór het begin van de tenuitvoerlegging van de betrokken maatregel meldt aan de bevoegde autoriteit;

 

b)

de melding vergezeld gaat van bewijsstukken die de reden, de aard en de gevolgen van de voorgestelde wijziging vermelden en aantonen dat de betrokken wijziging de oorspronkelijke doelstelling van het activiteitenprogramma niet wijzigt;

 

c)

de enveloppe die is toegekend voor het gebied van de maatregel stabiel blijft;

 

d)

bij een eventuele herverdeling van de financiële middelen over de maatregelen in het kader van hetzelfde gebied, de grens van 40 000 EUR niet wordt overschreden.

  • 7. 
    De wijziging wordt als aanvaard beschouwd indien de bevoegde autoriteit uiterlijk een maand nadat de wijziging van de maatregel is gemeld, geen bezwaar maakt op grond van niet-naleving van de in lid 6 bedoelde voorwaarden.

Artikel 3

Voorschotten

  • 1. 
    Begunstigde organisaties die overeenkomstig artikel 7, lid 3, onder h), van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 611/2014 een voorschot aanvragen, ontvangen onder de in lid 2 van het onderhavige artikel vermelde voorwaarden een voorschot van in totaal maximaal 90 % van de bijdrage van de Unie die in het goedgekeurde activiteitenprogramma voor elk betrokken jaar is geoormerkt.
  • 2. 
    Vóór het einde van de maand na die waarin met de jaarlijkse uitvoering van het goedgekeurde activiteitenprogramma is begonnen, betaalt de lidstaat de betrokken begunstigde organisatie een eerste tranche ten belope van de helft van het in lid 1 bedoelde voorschotbedrag. Een tweede tranche, ten belope van de resterende helft van dat bedrag, wordt betaald na de in lid 3 bedoelde verificatie.
  • 3. 
    De lidstaat betaalt de tweede tranche pas na zich ervan te hebben vergewist dat de eerste tranche van het voorschot daadwerkelijk is besteed en de desbetreffende maatregelen zijn uitgevoerd. De lidstaat verricht deze verificatie aan de hand van het in artikel 9 bedoelde jaarverslag of het in artikel 7 bedoelde controleverslag.

Artikel 4

Zekerheden

  • 1. 
    De in artikel 3 bedoelde voorschotten worden slechts betaald indien de betrokken begunstigde organisaties overeenkomstig artikel 66, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1306/2013 een zekerheid hebben gesteld ten belope van 110 % van het gevraagde voorschotbedrag.
  • 2. 
    Vóór een door de lidstaat te bepalen datum en uiterlijk op 31 maart kunnen de betrokken begunstigde organisaties een verzoek tot vrijgave van de in lid 1 bedoelde zekerheid indienen voor ten hoogste een bedrag dat gelijk is aan het totaal van de uitgaven die overeenkomen met het bedrag van de eerste tranche van het voorschot en die daadwerkelijk zijn verricht en door de lidstaat zijn geverifieerd. De lidstaat bepaalt en controleert de bewijsstukken waarvan dit verzoek vergezeld gaat, en geeft de zekerheid voor de betrokken uitgaven vrij, uiterlijk in de loop van de tweede maand na die waarin het verzoek is ingediend.

Artikel 5

Betaling van de Uniefinanciering

  • 1. 
    Met het oog op de betaling van de Uniefinanciering op grond van artikel 29, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1308/2013 dient een begunstigde organisatie vóór een door de lidstaat te bepalen datum en uiterlijk op 30 juni na elk jaar van uitvoering van haar activiteitenprogramma, een betalingsaanvraag in bij het betaalorgaan van de lidstaat.

Het betaalorgaan van de lidstaat kan aan de begunstigde organisaties het saldo van de Uniefinanciering voor elk jaar van uitvoering van het activiteitenprogramma betalen nadat het zich aan de hand van het in artikel 9 bedoelde jaarverslag of het in artikel 7 bedoelde controleverslag ervan heeft vergewist dat de maatregelen die overeenkomen met de twee in artikel 3, lid 3, bedoelde voorschottranches daadwerkelijk zijn uitgevoerd.

Elke aanvraag voor Uniefinanciering die na 30 juni wordt ingediend, is onontvankelijk en de bedragen die eventueel als voorschot op de financiering van het activiteitenprogramma zijn ontvangen, worden volgens de procedure van artikel 8 terugbetaald.

  • 2. 
    De aanvraag voor Uniefinanciering wordt volgens een door de bevoegde autoriteit van de lidstaat te verstrekken model opgesteld. Om ontvankelijk te zijn, moet de aanvraag vergezeld gaan van:
 

a)

een verslag dat bestaat uit de volgende elementen:

 

i)

een nauwkeurige beschrijving van de onderdelen van het activiteitenprogramma die zijn uitgevoerd, ingedeeld per gebied en maatregel als bedoeld in artikel 3 van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 611/2014;

 

ii)

in voorkomend geval, de rechtvaardiging en de financiële gevolgen van de verschillen tussen de onderdelen van het door de lidstaat goedgekeurde activiteitenprogramma en de daadwerkelijk uitgevoerde onderdelen van het activiteitenprogramma;

 

iii)

een evaluatie van het uitgevoerde activiteitenprogramma aan de hand van de criteria als bedoeld in artikel 6 van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 611/2014;

 

b)

facturen en bankdocumenten die de betaling van de in de periode van uitvoering van het activiteitenprogramma gedane uitgaven bewijzen;

 

c)

in voorkomend geval, bewijsstukken waaruit blijkt dat de financiële bijdragen van de begunstigde organisaties en de betrokken lidstaat daadwerkelijk zijn betaald.

  • 3. 
    Elke financieringsaanvraag die niet aan de in de leden 1 en 2 vastgestelde voorwaarden voldoet, is onontvankelijk en wordt afgewezen. De betrokken begunstigde organisatie kan binnen een door de lidstaat te bepalen termijn een nieuwe financieringsaanvraag indienen mits deze vergezeld gaat van een motivering en van de ontbrekende elementen.
  • 4. 
    Elke aanvraag betreffende uitgaven die voor uitgevoerde maatregelen zijn gedaan en die meer dan twee maanden na het einde van de periode van uitvoering van het activiteitenprogramma zijn betaald, wordt afgewezen.
  • 5. 
    Uiterlijk drie maanden na de datum waarop de financieringsaanvraag en de in lid 2 bedoelde bewijsstukken zijn ingediend, gaat de lidstaat, na de bewijsstukken te hebben onderzocht en de in artikel 6 bedoelde controles te hebben verricht, ertoe over de verschuldigde Uniefinanciering te betalen en, in voorkomend geval, de in artikel 4 bedoelde zekerheid vrij te geven. De in artikel 7, lid 3, onder g), van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 611/2014 bedoelde zekerheid wordt vrijgegeven nadat het volledige activiteitenprogramma is uitgevoerd, de bewijsstukken zijn onderzocht en de in artikel 6 bedoelde controles zijn verricht.

Artikel 6

Controles ter plaatse

  • 1. 
    De lidstaten gaan na of de voorwaarden voor toekenning van de Uniefinanciering worden nageleefd, met name wat de volgende aspecten betreft:
 

a)

de naleving van de voorwaarden voor erkenning van de begunstigden als bedoeld in de artikelen 152, 154, 156, 157 en 158 van Verordening (EU) nr. 1308/2013;

 

b)

de tenuitvoerlegging van de goedgekeurde activiteitenprogramma's, en met name van de maatregelen betreffende investeringen en diensten;

 

c)

de daadwerkelijk verrichte uitgaven in vergelijking met de gevraagde financiering en de financiële bijdrage van de betrokken deelnemers aan de olijven- en olijfoliemarkt.

  • 2. 
    Aan de hand van een programma voor het controleren van activiteitenprogramma's verrichten de bevoegde autoriteiten van de lidstaat controles op een steekproef van begunstigde organisaties die is geselecteerd op basis van een risicoanalyse en jaarlijks bestaat uit op zijn minst 30 % van de organisaties die op grond van artikel 29 van Verordening (EU) nr. 1308/2013 Uniefinanciering ontvangen. De selectie wordt zo verricht dat:
 

a)

de producentenorganisaties en de unies van producentenorganisaties op zijn minst één keer tijdens de uitvoering van het goedgekeurde activiteitenprogramma ter plaatse worden gecontroleerd nadat het voorschot is betaald en voordat het saldo van de Uniefinanciering wordt betaald;

 

b)

de brancheorganisaties elk jaar van uitvoering van elk goedgekeurd activiteitenprogramma worden gecontroleerd. Indien zij in de loop van het jaar een voorschot hebben ontvangen, wordt de controle verricht na de datum van betaling van dat voorschot.

Indien de controles onregelmatigheden aan het licht brengen, verricht de bevoegde autoriteit in het lopende jaar extra controles en verhoogt zij het aantal begunstigde organisaties dat in het volgende jaar moet worden gecontroleerd.

  • 3. 
    De bevoegde autoriteit bepaalt op grond van een op de volgende criteria gebaseerde risicoanalyse welke begunstigde organisaties worden gecontroleerd:
 

a)

het bedrag van de financiering voor het goedgekeurde activiteitenprogramma;

 

b)

de aard van de in het kader van het activiteitenprogramma gefinancierde maatregelen;

 

c)

de mate van voortgang bij de uitvoering van de activiteitenprogramma's;

 

d)

de bevindingen bij vorige controles ter plaatse of bij de verificaties in het kader van de erkenningsprocedure als bedoeld in artikel 154, lid 4, en artikel 158, lid 5, van Verordening (EU) nr. 1308/2013;

 

e)

andere, door de lidstaten te bepalen risicocriteria.

  • 4. 
    De controles ter plaatse worden onverwachts uitgevoerd. Om de materiële organisatie van de controles te vergemakkelijken, is het evenwel toegestaan begunstigde organisatie ten hoogste 48 uur van tevoren te melden dat zij zullen worden gecontroleerd.
  • 5. 
    De duur van elke controle ter plaatse is in overeenstemming met de mate van voortgang bij de uitvoering van het goedgekeurde activiteitenprogramma en met de voor investeringen en diensten verrichte uitgaven.

Artikel 7

Controleverslagen

Over elke in artikel 6 bedoelde controle ter plaatse wordt een uitvoerig controleverslag opgesteld waarin met name de volgende gegevens worden vermeld:

 

a)

datum en duur van de controle;

 

b)

een lijst van aanwezige personen;

 

c)

een lijst van gecontroleerde facturen;

 

d)

referentiegegevens over facturen die zijn geselecteerd in de aankoop- of verkoopadministratie en btw-administratie waarin de geselecteerde facturen zijn ingeschreven;

 

e)

de bankdocumenten die de betaling van de geselecteerde bedragen bewijzen;

 

f)

een opgave van de reeds uitgevoerde maatregelen die specifiek ter plaatse zijn onderzocht;

 

g)

het resultaat van de controle.

Artikel 8

Onverschuldigde betalingen en sancties

  • 1. 
    Indien de in de artikelen 154 en 158 van Verordening (EU) nr. 1308/2013 bedoelde erkenning van een begunstigde organisatie wordt ingetrokken omdat deze organisatie haar verplichtingen opzettelijk of door grove nalatigheid niet is nagekomen, wordt deze organisatie uitgesloten van Uniefinanciering voor het gehele activiteitenprogramma.
  • 2. 
    Indien een bepaalde maatregel niet overeenkomstig het activiteitenprogramma wordt uitgevoerd, wordt de begunstigde organisatie uitgesloten van financiering voor de betrokken maatregel.
  • 3. 
    Wanneer een later niet subsidiabel gebleken maatregel is uitgevoerd overeenkomstig het goedgekeurde activiteitenprogramma, kan de lidstaat besluiten de verschuldigde financiering te betalen of reeds betaalde bedragen niet terug te vorderen indien een dergelijk besluit is toegestaan in vergelijkbare, uit de nationale begroting gefinancierde gevallen en indien de begunstigde organisatie niet nalatig of opzettelijk heeft gehandeld.
  • 4. 
    In gevallen van ernstige nalatigheid of valse verklaringen wordt de begunstigde organisatie uitgesloten van:
 

a)

de overheidsfinanciering voor het hele activiteitenprogramma, en

 

b)

de Uniefinanciering in het kader van artikel 29 van Verordening (EU) nr. 1308/2013 gedurende de gehele periode van drie jaar na die waarvoor de onregelmatigheid is geconstateerd.

  • 5. 
    Wanneer de begunstigde organisatie op grond van de leden 1, 2 en 4 van financiering wordt uitgesloten, vordert de bevoegde autoriteit de reeds aan deze organisatie overgemaakte overheidssteun terug.
  • 6. 
    De op grond van lid 5 teruggevorderde bedragen die deel uitmaken van de bijdrage van de Unie, worden in voorkomend geval vermeerderd met rente die wordt berekend op basis van:
 

a)

de tussen de betaling en de terugbetaling door de begunstigde verstreken tijd;

 

b)

de op de datum van de onverschuldigde betaling geldende rentevoet voor de basisherfinancieringstransacties van de Europese Centrale Bank zoals bekendgemaakt in serie C van het Publicatieblad van de Europese Unie, verhoogd met 3 procentpunten.

  • 7. 
    De bedragen die deel uitmaken van de Uniefinanciering en die op grond van dit artikel worden teruggevorderd, worden overgemaakt aan het betaalorgaan en in mindering gebracht op de door het Europees Landbouwgarantiefonds gefinancierde uitgaven.

Artikel 9

Verslag van de begunstigde organisaties

  • 1. 
    Vóór 1 mei van elk jaar dienen de begunstigde organisaties bij de bevoegde nationale autoriteiten een jaarverslag in over de tenuitvoerlegging van de activiteitenprogramma's in het voorgaande uitvoeringsjaar. Dit verslag heeft betrekking op de volgende elementen:
 

a)

de onderdelen van het activiteitenprogramma die reeds zijn uitgevoerd of zich in de uitvoeringsfase bevinden;

 

b)

de belangrijkste wijzigingen van het activiteitenprogramma;

 

c)

een evaluatie van de reeds behaalde resultaten aan de hand van de in artikel 7, lid 3, onder f), van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 611/2014 bedoelde indicatoren.

Voor het laatste jaar van uitvoering van het activiteitenprogramma wordt het in de eerste alinea bedoelde verslag vervangen door een eindverslag.

  • 2. 
    Het eindverslag bestaat uit een evaluatie van het activiteitenprogramma en omvat ten minste de volgende elementen:
 

a)

een toelichting betreffende de mate waarin de met het programma nagestreefde doelstellingen zijn gehaald, gebaseerd op de in artikel 7, lid 3, onder f), van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 611/2014 bedoelde indicatoren en op andere relevante criteria;

 

b)

een toelichting betreffende de in het activiteitenprogramma aangebrachte wijzigingen;

 

c)

in voorkomend geval, informatie over de elementen waarmee rekening moet worden gehouden bij de uitwerking van het volgende activiteitenprogramma.

  • 3. 
    De in het kader van de in artikel 3, lid 1, onder a), van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 611/2014 bedoelde maatregelen verzamelde gegevens en verrichte studies worden, na voltooiing van de betrokken maatregel, bekendgemaakt op de internetsite van de betrokken begunstigde organisatie.

Artikel 10

Meldingen van de lidstaten

  • 1. 
    Voordat een nieuw driejarig activiteitenprogramma begint en uiterlijk op 31 januari van het jaar nadat het vorige programma is beëindigd, melden de bevoegde autoriteiten aan de Commissie welke nationale maatregelen ter uitvoering van deze verordening zijn genomen, en met name maatregelen met betrekking tot:
 

a)

de voorwaarden voor erkenning van de begunstigde organisaties als bedoeld in de artikelen 152, 156 en 157 van Verordening (EU) nr. 1308/2013;

 

b)

de aanvullende voorwaarden om de subsidiabele maatregelen nader te omschrijven, als bedoeld in artikel 3, lid 3, van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 611/2014;

 

c)

de in artikel 6, lid 1, onder a), van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 611/2014 bedoelde beleidslijnen en prioriteiten voor de sector olijven en olijfolie en de in artikel 7, lid 1, onder f), van die verordening bedoelde kwantitatieve en kwalitatieve indicatoren;

 

d)

de in artikel 2, lid 3, bedoelde termijn;

 

e)

de nadere voorschriften inzake de in artikel 3 bedoelde voorschottenregeling en, in voorkomend geval, de regeling voor de betaling van de nationale financieringen;

 

f)

de toepassing van de in artikel 6 bedoelde controles en van de in artikel 8 bedoelde sancties en correcties.

  • 2. 
    Uiterlijk op 1 mei van elk jaar van uitvoering van de goedgekeurde activiteitenprogramma's verstrekken de lidstaten de Commissie de gegevens over:
 

a)

de activiteitenprogramma's en de kenmerken daarvan, uitgesplitst naar type begunstigde organisatie, naar maatregel en het door de maatregel bestreken gebied, en naar regionaal gebied;

 

b)

het voor elk activiteitenprogramma toegewezen financieringsbedrag;

 

c)

het voor de Uniefinanciering per begrotingsjaar beoogde tijdschema voor de gehele looptijd van de activiteitenprogramma's.

  • 3. 
    Uiterlijk op 20 oktober van elk jaar van uitvoering van de goedgekeurde activiteitenprogramma's verstrekken de bevoegde autoriteiten de Commissie een verslag over de uitvoering van deze verordening dat ten minste de volgende elementen omvat:
 

a)

het aantal gefinancierde activiteitenprogramma's en de daarbij betrokken begunstigden, voor de olijventeelt gebruikte oppervlakten, oliefabrieken, verwerkingsinstallaties en hoeveelheden olijfolie en tafelolijven;

 

b)

de kenmerken van de op elk gebied ontwikkelde maatregelen;

 

c)

de eventuele verschillen tussen de voorgenomen en de daadwerkelijk uitgevoerde maatregelen en de gevolgen daarvan voor de uitgaven;

 

d)

de inschatting en de evaluatie van de activiteitenprogramma's, rekening houdend met, onder meer, de in artikel 5, lid 2, onder a), iii), bedoelde evaluatie;

 

e)

de statistische gegevens betreffende de in de artikelen 6 en 7 bedoelde controles en controleverslagen, en de overeenkomstig artikel 8 toegepaste sancties of correcties;

 

f)

de uitgaven, uitgesplitst naar activiteitenprogramma en naar maatregel en het door die maatregel bestreken gebied, en de financiële bijdragen van de Unie, de nationale financiële bijdragen en de financiële bijdragen van de begunstigde organisaties.

  • 4. 
    De in het onderhavige artikel bedoelde meldingen worden gedaan overeenkomstig Verordening (EG) nr. 792/2009 van de Commissie (4).
  • 5. 
    Na afronding van de maatregelen maken de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten op hun internetsite alle gegevens en studies bekend die in het kader van de in artikel 3, lid 1, onder a), van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 611/2014 bedoelde maatregelen zijn verzameld, respectievelijk verricht.

Artikel 11

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de zevende dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 6 juni 2014.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO

 

  • (3) 
    Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 611/2014 van de Commissie van 11 maart 2014 ter aanvulling van Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot de programma's ter ondersteuning van de sector olijfolie en tafelolijven (zie bladzijde 55 van dit Publicatieblad).
  • (4) 
    Verordening (EG) nr. 792/2009 van de Commissie van 31 augustus 2009 tot vaststelling van de uitvoeringsbepalingen voor de kennisgeving door de lidstaten aan de Commissie van de informatie en de documenten ter uitvoering van de gemeenschappelijke marktordening, de regeling voor rechtstreekse betalingen, de afzetbevordering voor landbouwproducten en de regelingen voor de ultraperifere gebieden en de kleinere eilanden in de Egeïsche Zee (PB L 228 van 1.9.2009, blz. 3).
 

Deze samenvatting is overgenomen van EUR-Lex.