Gedelegeerde verordening 2013/305 - Aanvulling van Richtlijn 2010/40/EU, wat de geharmoniseerde voorziening in de gehele Unie van een interoperabele eCall betreft - EU monitor

EU monitor
Zondag 17 november 2019
kalender

1.

Wettekst

3.4.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 91/1

 

GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) Nr. 305/2013 VAN DE COMMISSIE

van 26 november 2012

tot aanvulling van Richtlijn 2010/40/EU van het Europees Parlement en de Raad, wat de geharmoniseerde voorziening in de gehele Unie van een interoperabele eCall betreft

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 2010/40/EU van het Europees Parlement en de Raad van 7 juli 2010 betreffende het kader voor het invoeren van intelligente vervoerssystemen op het gebied van wegvervoer en voor interfaces met andere vervoerswijzen (1), en met name artikel 7,

Na raadpleging van de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming,

Overwegende hetgeen volgt:

 

(1)

Krachtens Richtlijn 2010/40/EU moet de Commissie gedelegeerde handelingen vaststellen met betrekking tot de specificaties die nodig zijn om de compatibiliteit, interoperabiliteit en continuïteit bij de invoering en het operationele gebruik van intelligente vervoerssystemen (ITS) te garanderen.

 

(2)

Overeenkomstig artikel 3, onder d), van Richtlijn 2010/40/EU dient de geharmoniseerde voorziening in de gehele Unie van een interoperabele eCall als een prioritaire actie te worden beschouwd. Daarom dient de Commissie de daartoe vereiste specificaties vast te stellen.

 

(3)

Krachtens Richtlijn 2002/22/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake de universele dienst en gebruikersrechten met betrekking tot elektronischecommunicatienetwerken en -diensten (Universeledienstrichtlijn) (2), en meer bepaald artikel 26, moeten oproepen via het gemeenschappelijke Europese alarmnummer 112 naar behoren worden beantwoord en behandeld op de wijze die het meest geschikt is voor de nationale organisatie van noodhulpdiensten, waaronder de alarmcentrales (PSAP’s — public safety answering points).

 

(4)

In de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s „eCall: tijd voor implementatie” (3) worden nieuwe maatregelen in het vooruitzicht gesteld die de invoering van een EU-wijde dienst voor noodoproepen vanuit voertuigen moeten versnellen. Een van de daarin voorgestelde maatregelen bestaat erin de modernisering van de infrastructuur van de alarmcentrales die nodig is voor een correcte ontvangst en behandeling van eCalls, verplicht te stellen.

 

(5)

In Aanbeveling 2011/750/EU (4) ter ondersteuning van een EU-wijde eCall-dienst in elektronischecommunicatienetwerken voor de transmissie van op 112 gebaseerde noodoproepen uit voertuigen („eCalls”) adviseert de Commissie de lidstaten om aan te geven welke alarmcentrale de eCalls doorzendt en om ervoor te zorgen dat de exploitanten van mobiele netwerken de eCalls naar behoren behandelen.

 

(6)

Verwacht wordt dat dankzij de interoperabele EU-wijde eCall de responstijd voor de noodhulpdiensten zal worden gereduceerd en als gevolg daarvan zowel het aantal dodelijke verkeersslachtoffers in de Unie als de ernst van de verwondingen ten gevolge van verkeersongevallen zal worden beperkt.

 

(7)

Voorts wordt ervan uitgegaan dat de interoperabele EU-wijde eCall tot een beter beheer van ongevallen en minder files en secundaire ongevallen zal leiden, en de samenleving op die manier kosten zal besparen.

 

(8)

In het kader van de behandeling van eCalls door de alarmcentrales, noodhulpdiensten en dienstverleningspartners worden persoonsgegevens verwerkt overeenkomstig Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (5) en Richtlijn 2002/58/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2002 betreffende de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de sector elektronische communicatie (richtlijn betreffende privacy en elektronische communicatie) (6). De lidstaten zien erop toe dat de naleving hiervan wordt aangetoond ten aanzien van de voor gegevensbescherming bevoegde nationale autoriteiten, hetzij bij procedures voor voorafgaande controles, zoals voorafgaande meldingen, hetzij bij controles achteraf, zoals naar aanleiding van klachten en onderzoeken.

 

(9)

De interoperabele EU-wijde eCall-dienst is in overeenstemming met de aanbevelingen van de groep „gegevensbescherming artikel 29”, die vervat zijn in het op 26 september 2006 goedgekeurde werkdocument betreffende de gevolgen van het eCall-initiatief vanuit het oogpunt van bescherming van gegevens en van de persoonlijke levenssfeer (1609/06/EN — WP 125). Voertuigen waarin eCall-apparatuur is geïnstalleerd, mogen in hun normale operationele status niet worden gevolgd. De minimumreeks van gegevens die door de in het voertuig geïnstalleerde eCall-apparatuur wordt doorgezonden (i.e. bij het initiëren van een noodoproep), moet de minimuminformatie bevatten die vereist is voor een passende behandeling van noodoproepen.

 

(10)

Onverminderd Richtlijn 95/46/EG moeten de lidstaten bij de invoering van de infrastructuur voor eCall-alarmcentrales rekening houden met het op 26 september 2006 door de groep „gegevensbescherming artikel 29” goedgekeurde werkdocument betreffende de gevolgen van het eCall-initiatief vanuit het oogpunt van bescherming van gegevens en van de persoonlijke levenssfeer (1609/06/EN — WP 125).

 

(11)

Het is belangrijk dat alle lidstaten gemeenschappelijke technische oplossingen en praktijken ontwikkelen voor de levering van noodoproepdiensten. Gemeenschappelijke technische oplossingen dienen met name via de Europese normalisatieorganisaties verder te worden ontwikkeld teneinde de invoering van de eCall-dienst te vergemakkelijken, de EU-wijde interoperabiliteit en continuïteit van de dienst te verzekeren en de kosten van invoering voor de gehele Unie te verminderen.

 

(12)

De Europese normalisatieorganisaties, ETSI en CEN, hebben gemeenschappelijke normen ontwikkeld voor de invoering van een pan-Europese eCall-dienst, waarnaar in deze verordening wordt verwezen.

 

(13)

Omdat de nodige tijd moet worden ingeruimd om reeds ingevoerde infrastructuur te moderniseren, dient deze verordening twaalf maanden na de inwerkingtreding ervan op deze infrastructuur van toepassing te worden,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Onderwerp en toepassingsgebied

Bij deze verordening worden de specificaties vastgesteld voor het moderniseren van de alarmcentrale-infrastructuur die nodig is voor een adequate ontvangst en behandeling van eCalls, met als doel de compatibiliteit, interoperabiliteit en continuïteit van de geharmoniseerde EU-wijde eCall-dienst te garanderen.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze verordening gelden de volgende definities:

  • a) 
    „noodhulpdienst”: een als zodanig door de lidstaat erkende dienst die onmiddellijk spoedhulp verleent in situaties waarin er met name sprake is van direct gevaar voor lijf en leden, de individuele of volksgezondheid of veiligheid, eigendommen van particulieren of van de overheid of het milieu, overeenkomstig de nationale wetgeving;
  • b) 
    „alarmcentrale” (ook „PSAP” — Public Safety Answering Point)): de fysieke locatie waar de noodoproepen eerst worden ontvangen onder de verantwoordelijkheid van een openbare instantie of een door de overheid erkende private organisatie;
  • c) 
    „meest geschikte alarmcentrale”: een alarmcentrale die vooraf door de bevoegde autoriteiten is aangewezen om noodoproepen uit een bepaald gebied of van een bepaald type te behandelen;
  • d) 
    „eCall-alarmcentrale”: een meest geschikte alarmcentrale die vooraf door de autoriteiten is aangewezen om eerst eCalls te ontvangen en te behandelen;
  • e) 
    „eCall-alarmcentralist”: een persoon in de eCall-alarmcentrale die de noodoproepen ontvangt en/of behandelt;
  • f) 
    „dienstverleningspartner”: een door de nationale autoriteiten erkende openbare of particuliere organisatie die een rol speelt bij de behandeling van incidenten met betrekking tot een eCall (zoals wegbeheerders en hulpdiensten);
  • g) 
    „in het voertuig geïnstalleerde apparatuur”: apparatuur die in het voertuig is geïnstalleerd en toegang geeft of heeft tot de in het voertuig aanwezige gegevens die nodig zijn om de eCall-transactie te verrichten via een openbaar netwerk voor draadloze mobiele communicatie;
  • h) 
    „eCall” (zoals bedoeld in de in Richtlijn 2010/40/EU opgenomen omschrijving „voorziening in de gehele Unie van een interoperabele eCall”): een noodoproep vanuit een voertuig naar het nummer 112, die ofwel automatisch door activering van sensoren in het voertuig, ofwel handmatig tot stand wordt gebracht en waardoor met gebruikmaking van openbare netwerken voor draadloze mobiele communicatie een gestandaardiseerde minimumreeks van gegevens wordt doorgezonden en een audiokanaal tussen het voertuig en de eCall-alarmcentrale tot stand wordt gebracht;
  • i) 
    „eCall-transactie”: de totstandbrenging van een draadloze mobielecommunicatiesessie via een openbaar netwerk voor draadloze communicatie, de doorzending van een minimumreeks van gegevens vanuit een voertuig naar een eCall-alarmcentrale en de totstandbrenging van een audiokanaal tussen het voertuig en de eCall-alarmcentrale;
  • j) 
    „minimumreeks van gegevens” (ook „MSD” — minimum set of data): de naar de eCall-alarmcentrale doorgezonden informatie zoals gedefinieerd in EN-norm 15722 („Road transport and traffic telematics — eSafety — eCall minimum set of data (MSD)”);
  • k) 
    „voertuigidentificatienummer” (VIN): de in ISO-norm 3779 gedefinieerde alfanumerieke code die door de fabrikant aan een voertuig wordt toegekend om de adequate identificatie van elk voertuig mogelijk te maken;
  • l) 
    „netwerk voor draadloze mobiele communicatie”: een netwerk voor draadloze communicatie met een homogene overdracht tussen de netwerktoegangspunten;
  • m) 
    „openbaar netwerk voor draadloze mobiele communicatie”: een openbaar toegankelijk netwerk voor draadloze mobiele communicatie overeenkomstig Richtlijn 2002/22/EG en Richtlijn 2002/21/EG van het Europees Parlement en de Raad (7);
  • n) 
    „centrale meldkamer”: een voorziening die door één of meer noodhulpdiensten wordt gebruikt om noodoproepen te behandelen;
  • o) 
    „ruwe MSD”: de wijze waarop de doorgezonden minimumreeks van gegevens wordt weergegeven voordat deze op een begrijpelijke manier aan de eCall-alarmcentralist wordt gepresenteerd.

Artikel 3

Vereisten voor de eCall-alarmcentrales

  • 1. 
    De lidstaten zien erop toe dat de eCall-alarmcentrales worden uitgerust om eCalls te behandelen en minimumreeksen van gegevens te ontvangen die door in voertuigen geïnstalleerde apparatuur worden gegenereerd overeenkomstig EN-norm 16072 („Intelligent transport systems — eSafety — PanEuropean eCall-Operating requirements”) en EN-norm 16062 („Intelligent transport systems — eSafety — eCall High Level Application Requirements (HLAP)”).
  • 2. 
    De eCall-alarmcentrale behandelt de eCalls even snel en efficiënt als andere oproepen naar het gemeenschappelijke Europese alarmnummer 112. De eCall-alarmcentrale behandelt de eCalls overeenkomstig de nationale regelgeving inzake de verwerking van noodoproepen.
  • 3. 
    De eCall-alarmcentrale moet in staat zijn de data-inhoud van de MSD te ontvangen en deze op een duidelijke en begrijpelijke manier aan de eCall-alarmcentralist te presenteren.
  • 4. 
    De eCall-alarmcentrale heeft toegang tot een adequaat geografisch informatiesysteem (GIS) of een daaraan gelijkwaardig systeem dat de eCall-alarmcentralist in staat stelt de positie en de richting van het voertuig te bepalen met een nauwkeurigheid die op zijn minst overeenstemt met EN-norm 15722 inzake de MSD-coördinaten.
  • 5. 
    De bovenbedoelde vereisten moeten de eCall-alarmcentrales in staat stellen de locatie, de wijze van activering van de eCall (handmatig of automatisch) en andere relevante data aan de juiste noodhulpdienst(en) of dienstverleningspartner(s) te verstrekken.
  • 6. 
    De eCall-alarmcentrale (die als eerste de eCall ontvangt) brengt een audioverbinding met het voertuig tot stand en behandelt de eCall-gegevens; zo nodig kan de eCall-alarmcentrale de oproep en de MSD-gegevens overeenkomstig door de nationale autoriteit bepaalde nationale procedures doorschakelen naar een andere alarmcentrale, een centrale meldkamer of een dienstverleningspartner. Het doorschakelen vindt plaats via een data- of een audioverbinding, of, bij voorkeur, via beide verbindingen.
  • 7. 
    In voorkomend geval is het, afhankelijk van de nationale procedures en wetten, toegestaan om de eCall-alarmcentrale en de relevante noodhulpdienst(en) of dienstverleningspartner(s) toegang te geven tot de in nationale databanken en/of andere relevante bronnen opgeslagen kenmerken van het voertuig, met als doel informatie te verkrijgen die nodig is voor de behandeling van een eCall, met name met het oog op de interpretatie van het voertuigidentificatienummer (VIN) en de presentatie van aanvullende relevante informatie, meer bepaald voertuigtype en -model.

Artikel 4

Conformiteitsbeoordeling

De lidstaten wijzen de autoriteiten aan die bevoegd zijn om na te gaan of de werking van de eCall-alarmcentrales conform is aan de vereisten van artikel 3, en melden deze autoriteiten aan bij de Commissie. De conformiteitsbeoordeling wordt gebaseerd op het deel van EN-norm 16454 („Intelligent transport systems — eSafety — eCall end to end conformance testing”) dat betrekking heeft op de conformiteit van de alarmcentrales met de pan-Europese eCall-dienst.

Artikel 5

Verplichtingen in verband met de invoering van de infrastructuur van de eCall-alarmcentrales

De lidstaten zien erop toe dat wanneer de infrastructuur van de eCall-alarmcentrales voor de behandeling van interoperabele EU-wijde eCalls wordt ingevoerd, deze verordening in acht wordt genomen overeenkomstig de beginselen voor specificaties en invoering die zijn vastgesteld in bijlage II bij Richtlijn 2010/40/EU. Dit doet geen afbreuk aan het recht van elke lidstaat om te beslissen over de invoering van de infrastructuur van de eCall-alarmcentrales voor de behandeling van interoperabele EU-wijde eCalls op zijn grondgebied. Dit recht laat de op grond van artikel 6, lid 2, tweede alinea, van Richtlijn 2010/40/EU vastgestelde wetgevingshandelingen onverlet.

Artikel 6

Voorschriften inzake bescherming van de particuliere levenssfeer en bescherming van gegevens

  • 1. 
    De alarmcentrales, inclusief de eCall-alarmcentrales, worden beschouwd als voor de verwerking van gegevens verantwoordelijken in de zin van artikel 2, onder d), van Richtlijn 95/46/EG. Wanneer de eCall-gegevens overeenkomstig artikel 3, lid 5, naar andere centrale meldkamers of dienstverleningspartners moeten worden gezonden, worden deze laatsbedoelden eveneens als voor de verwerking van gegevens verantwoordelijken beschouwd. De lidstaten zien erop toe dat de verwerking van persoonsgegevens in het kader van de behandeling van eCalls door de alarmcentrales, de noodhulpdiensten en de dienstverleningspartners plaatsvindt overeenkomstig de Richtlijnen 95/46/EG en 2002/58/EG en dat de naleving van deze voorschriften ten aanzien van de voor gegevensbescherming bevoegde nationale autoriteiten wordt aangetoond.
  • 2. 
    De lidstaten zien er met name op toe dat persoonsgegevens worden beschermd tegen misbruik, met inbegrip van onrechtmatige toegang, wijziging of verlies, en dat protocollen betreffende opslag, bewaartijd, verwerking en bescherming van persoonsgegevens op het juiste niveau worden opgesteld en naar behoren in acht worden genomen.

Artikel 7

Voorschriften betreffende de aansprakelijkheid

  • 1. 
    De eCall-alarmcentrales moeten ten aanzien van de bevoegde autoriteiten kunnen aantonen dat zij met betrekking tot het deel/de delen van het systeem dat/die zij ontwerpen en/of controleren, voldoen aan alle gespecificeerde conformiteitsvereisten voor de eCall-normen die worden opgesomd in artikel 3, lid 1. Zij zijn slechts aansprakelijk voor het deel van de eCalls dat onder hun verantwoordelijkheid valt en dat begint wanneer de eCalls de eCall-centrale bereiken, overeenkomstig de nationale procedures.
  • 2. 
    Hiertoe worden, met inachtneming van andere bestaande maatregelen inzake met name de behandeling van 112-oproepen, de ruwe MSD die samen met de eCall worden ontvangen, en de MSD-inhoud die aan de eCall-centralist wordt gepresenteerd, gedurende een bepaalde periode bewaard overeenkomstig de nationale regelgeving. Deze gegevens worden opgeslagen overeenkomstig de artikelen 6, 13 en 17 van Richtlijn 95/46/EG.

Artikel 8

Verslaglegging

De lidstaten brengen uiterlijk op 23 oktober 2013 bij de Commissie verslag uit over de uitvoering van deze verordening. Dit verslag bevat op zijn minst de lijst van de autoriteiten die bevoegd zijn voor het beoordelen van de conformiteit van de werking van de eCall-alarmcentrales, de lijst en de geografische werksfeer van de eCall-alarmcentrales, een invoeringsschema voor de volgende twee jaar, de beschrijving van de conformiteitstests en de beschrijving van de protocollen op het gebied van bescherming van de particuliere levenssfeer en bescherming van gegevens.

Artikel 9

Inwerkingtreding en toepassing

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing op infrastructuur die met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze verordening wordt ingevoerd. Zij is met ingang van 23 april 2014 van toepassing op infrastructuur die op de datum van inwerkingtreding van deze verordening reeds is ingevoerd.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 26 november 2012.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO

 

  • (3) 
    COM(2009) 434 final.
 

Deze samenvatting is overgenomen van EUR-Lex.