Gedelegeerde verordening 2014/906 - Aanvulling van Verordening 1306/2013, wat uitgaven voor openbare interventie betreft

1.

Wettekst

28.8.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 255/1

 

GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) Nr. 906/2014 VAN DE COMMISSIE

van 11 maart 2014

tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad, wat uitgaven voor openbare interventie betreft

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordeningen van de Raad (EEG) nr. 352/78, (EG) nr. 165/94, (EG) nr. 2799/98, (EG) nr. 814/2000, (EG) nr. 1290/2005 en (EG) nr. 485/2008 (1), en met name artikel 20, leden 2 en 3,

Overwegende hetgeen volgt:

 

(1)

De interventiemaatregelen ter regulering van de landbouwmarkten als bedoeld in artikel 4, lid 1, onder a), van Verordening (EU) nr. 1306/2013 dienen door de Unie te worden gefinancierd overeenkomstig de sectorale landbouwwetgeving. Wat de maatregelen voor openbare interventie betreft, wordt het door de Unie te financieren bedrag bepaald op basis van door de betaalorganen opgestelde jaarrekeningen.

 

(2)

De uitgaven voor openbare interventie kunnen aanzienlijk uiteenlopen. Daarom is het noodzakelijk voor elke categorie van verrichtingen te preciseren welke uitgaven voor EU-financiering in aanmerking komen, en met name onder welke voorwaarden die uitgaven kunnen worden gedekt. Daartoe moeten de voorwaarden voor de subsidiabiliteit van die uitgaven en de methoden voor de berekening ervan worden vastgesteld. Voorts dient te worden gepreciseerd in welke gevallen die uitgaven moeten worden geboekt op basis van de daadwerkelijk door de betaalorganen geconstateerde elementen, en in welke gevallen dat op basis van door de Commissie vastgestelde forfaitaire bedragen moet zijn.

 

(3)

Om het lidstaten met een andere munt dan de euro mogelijk te maken hun uitgaven en kosten onder geharmoniseerde voorwaarden in de nationale valuta en in euro te groeperen, moet worden bepaald onder welke voorwaarden de verrichtingen in verband met openbare opslag in hun rekeningen worden opgenomen en welke wisselkoers van toepassing is.

 

(4)

De waardering van de verrichtingen in verband met openbare opslag hangt eveneens af van de aard van de verrichtingen en van de geldende sectorale landbouwwetgeving. Derhalve is het dienstig om enerzijds als algemene regel te bepalen dat de waarde van de aankopen en van de verkopen gelijk is aan de som van de betalingen of de inningen die voor de materiële verrichtingen zijn of moeten worden uitgevoerd, en anderzijds specifieke regels vast te stellen en aan te geven met welke bijzondere gevallen rekening moet worden gehouden.

 

(5)

De in de onderhavige verordening vastgestelde maatregelen vervangen de ter zake relevante bepalingen van Verordening (EG) nr. 884/2006 van de Commissie (2), die is ingetrokken bij Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 907/2014 van de Commissie (3),

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Onderwerp

In deze verordening is bepaald volgens welke voorwaarden en regels de uitgaven in verband met interventiemaatregelen inzake openbare opslag worden gefinancierd door het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF).

Artikel 2

Maatregelen voor interventie in de vorm van openbare opslag

De maatregelen voor interventie in de vorm van openbare opslag van landbouwproducten kunnen bestaan uit aankoop, opslag, vervoer en overdracht van voorraden en verkoop en andere vormen van afzet overeenkomstig de sectorale landbouwwetgeving en de onderhavige verordening.

Artikel 3

Financiering van de interventie-uitgaven in het kader van de verrichtingen in verband met openbare opslag

  • 1. 
    In het kader van de in artikel 2 bedoelde verrichtingen in verband met openbare opslag worden de volgende uitgaven bij wijze van interventie door het ELGF gefinancierd, voor zover de overeenkomstige uitgaven niet anderszins zijn vastgesteld bij de geldende sectorale landbouwwetgeving:
 

a)

de financieringskosten voor de middelen die door de lidstaten worden verschaft voor de aankoop van producten, berekend volgens de in bijlage I opgenomen methoden;

 

b)

de uitgaven voor de in bijlage II genoemde materiële verrichtingen in verband met aankoop, verkoop en andere vormen van overdracht van producten (inslag, opslag en uitslag van producten in het kader van regelingen voor openbare opslag) op basis van voor de hele Unie uniforme forfaitaire bedragen, berekend volgens de in bijlage III opgenomen methoden;

 

c)

de uitgaven voor materiële verrichtingen die niet noodzakelijk verband houden met aankoop, verkoop of andere vormen van overdracht van producten, op basis van forfaitaire of niet-forfaitaire bedragen overeenkomstig de bepalingen die door de Commissie in het kader van de sectorale landbouwwetgeving inzake die producten zijn vastgesteld, en overeenkomstig bijlage IV;

 

d)

de volgens de in artikel 229, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad (4) bedoelde procedure goed te keuren uitgaven die verband houden met vervoer binnen of buiten het grondgebied van de lidstaat of met uitvoer, op basis van forfaitaire of niet-forfaitaire bedragen;

 

e)

de afschrijving op de opgeslagen producten, berekend volgens de in bijlage V opgenomen methoden;

 

f)

de verschillen (winsten en verliezen) tussen de boekwaarde en de prijs waartegen de producten worden afgezet, of de verschillen die uit andere factoren voortvloeien.

  • 2. 
    Onverminderd de specifieke regels en ontstaansfeiten die zijn vastgesteld in de bijlagen bij de onderhavige verordening of in de landbouwwetgeving, geldt voor lidstaten met een andere munt dan de euro dat de in lid 1, onder b) en c), van het onderhavige artikel bedoelde uitgaven die worden berekend op basis van in euro vastgestelde bedragen, en de uitgaven of de ontvangsten die in het kader van de onderhavige verordening in de nationale valuta gebeuren, naargelang van het geval in de nationale valuta of in euro worden omgerekend op basis van de laatste wisselkoers die de Europese Centrale Bank heeft bepaald vóór het boekjaar waarin de verrichtingen in de rekeningen van het betaalorgaan worden opgenomen.

Voor de toepassing van deze verordening wordt onder „boekjaar” de in artikel 3, lid 3, onder a), van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 907/2014 bedoelde periode verstaan.

Artikel 4

Waardering van de verrichtingen in verband met openbare opslag

  • 1. 
    De waarde van de aankopen en van de verkopen is gelijk aan de som van de voor de materiële verrichtingen uitgevoerde of uit te voeren betalingen of inningen, behoudens de bijzondere bepalingen zoals vastgesteld bij het onderhavige artikel en in:
 

a)

bijlage VI wat ontbrekende hoeveelheden betreft;

 

b)

bijlage VII wat in kwaliteit achteruitgegane of vernietigde producten betreft;

 

c)

bijlage VIII wat ingeslagen producten betreft waarvan de overname is geweigerd.

  • 2. 
    De waarde van de aankopen wordt voor de hoeveelheden producten die worden ingeslagen, bepaald op basis van de openbare-interventieprijs met inachtneming van de verhogingen, toeslagen, kortingen, percentages en coëfficiënten die overeenkomstig de bij de sectorale landbouwwetgeving vastgestelde criteria op de openbare-interventieprijs moeten worden toegepast bij de aankoop van het product.

In de gevallen en situaties als bedoeld in bijlage VI en bijlage VII, punt 2, onder a) en c), worden de verhogingen, toeslagen, kortingen, percentages en coëfficiënten evenwel niet in aanmerking genomen.

De in punt 2 van bijlage VII bij deze verordening bedoelde waarde van de producten die in kwaliteit zijn achteruitgegaan of zijn vernietigd, hetzij vanwege natuurrampen, hetzij vanwege een te lange opslagperiode, wordt vastgesteld door middel van een uitvoeringshandeling van de Commissie. Die handeling wordt volgens de in artikel 229, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1308/2013 bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

  • 3. 
    Onverminderd bijlage V is de waarde van de producten die in het kader van het Fonds voor Europese hulp aan de meest hulpbehoevenden ter beschikking worden gesteld en gefinancierd, de openbare-interventieprijs die van toepassing is op 1 oktober van elk jaar. Voor niet tot de eurozone behorende lidstaten wordt voor de omzetting van de boekwaarde van de interventieproducten in de nationale valuta gebruikgemaakt van de op 1 oktober van het desbetreffende jaar geldende wisselkoers.

Wanneer interventieproducten van een lidstaat aan een andere lidstaat worden overgedragen, boekt de lidstaat van levering het afgeleverde product tegen nulwaarde en boekt de lidstaat van bestemming dat product als ontvangst voor de maand van uitslag tegen de overeenkomstig de eerste alinea bepaalde prijs.

  • 4. 
    De kosten die bij de aankoop van de producten overeenkomstig de EU-regelgeving worden betaald of geïnd voor de in artikel 3, lid 1, onder c), bedoelde materiële verrichtingen, worden apart van de aankoopprijs als uitgaven of ontvangsten betreffende technische kosten geboekt.
  • 5. 
    In de in artikel 3, lid 3, onder a), van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 907/2014 bedoelde financiële rekeningen worden de hoeveelheden producten die aan het einde van het boekjaar in voorraad zijn en naar het volgende boekjaar moeten worden overgeboekt, gewaardeerd op basis van hun gemiddelde boekwaarde (prijs waartegen wordt overgeboekt) als bepaald in de maandrekening over de laatste maand van het boekjaar.
  • 6. 
    De ingeslagen hoeveelheden die niet aan de voorwaarden voor opslag blijken te voldoen, worden op het tijdstip van uitslag als verkoop geboekt tegen de prijs waartegen zij zijn aangekocht.

Indien evenwel op het tijdstip van fysieke uitslag is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van bijlage VI, onder b), moet de Commissie vooraf over de uitslag worden geraadpleegd.

  • 7. 
    Wanneer een rekening een creditsaldo laat zien, wordt dit saldo in mindering gebracht op de uitgaven van het lopende boekjaar.
  • 8. 
    In geval van wijziging van forfaitaire bedragen, betalingstermijnen, rentevoeten of andere berekeningselementen na de eerste dag van een maand, zijn de nieuwe elementen met ingang van de volgende maand van toepassing op de materiële verrichtingen.

Artikel 5

Deze verordening treedt in werking op de zevende dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 11 maart 2014.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO

 

  • (2) 
    Verordening (EG) nr. 884/2006 van de Commissie van 21 juni 2006 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1290/2005 van de Raad met betrekking tot de financiering van de maatregelen voor interventie in de vorm van openbare opslag door het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) en de boeking van de verrichtingen in verband met openbare opslag door de betaalorganen van de lidstaten (PB L 171 van 23.6.2006, blz. 35).
  • (3) 
    Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 907/2014 van de Commissie van 11 maart 2014 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad, wat betreft betaalorganen en andere instanties, financieel beheer, goedkeuring van rekeningen, zekerheden en gebruik van de euro (zie bladzijde 18 van dit Publicatieblad).
  • (4) 
    Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 671).
 

BIJLAGE I

BEREKENING VAN DE RENTEVOETEN VOOR DE VERGOEDING VAN DE FINANCIERINGSKOSTEN

(artikel 3, lid 1, onder a))

  • I. 
    TOE TE PASSEN RENTEVOETEN
 
 

1.

Voor de berekening van uit het ELGF te vergoeden financieringskosten voor de in het kader van de aankoop van de interventieproducten door de lidstaten verschafte middelen, stelt de Commissie aan het begin van elk boekjaar een voor de Unie uniforme rentevoet vast overeenkomstig artikel 20, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1306/2013. Deze uniforme rentevoet komt overeen met het gemiddelde van de driemaands en twaalfmaands Euribor-rentevoeten die in een door de Commissie vast te stellen referentieperiode van zes maanden zijn geregistreerd en waaraan een gewicht van respectievelijk één derde en twee derde is toegekend.

 
 

2.

Met het oog op de bepaling van de voor een boekjaar toe te passen rentevoeten delen de lidstaten de Commissie op haar verzoek en met inachtneming van de in dat verzoek bedoelde termijn de gemiddelde rentevoet mee die zij tijdens de in punt 1 bedoelde referentieperiode werkelijk hebben betaald. Deze mededelingen gebeuren aan de hand van het door de Commissie aan de lidstaten beschikbaar gestelde formulier.

Wanneer een lidstaat geen mededeling doet in de in de eerste alinea bedoelde vorm en binnen de daar bedoelde termijn, wordt de door die lidstaat betaalde rentevoet gelijkgesteld aan 0 %.

Wanneer een lidstaat verklaart geen rentekosten te hebben betaald omdat hij tijdens de referentieperiode geen landbouwproducten in de openbare opslag had, stelt de Commissie die rentevoet vast op basis van de tijdens de in de eerste alinea van dit punt bedoelde referentieperiode geldende gemiddelde referentierentevoeten, vermeerderd met één procentpunt. Deze referentierentevoeten zijn:

 

a)

voor lidstaten met de euro als munt, de driemaands Euro interbank borrowing offered rate (Euribor),

 

b)

voor lidstaten met een andere munt dan de euro, de in elke lidstaat geldende driemaands interbank borrowing offered rate (Ibor).

Indien de referentierentevoeten of de onder a) bedoelde Euribor-rentevoeten niet voor de hele referentieperiode beschikbaar zijn, worden de wel voor die periode beschikbare rentevoeten gebruikt.

 
 

3.

Voor elke lidstaat wordt de overeenkomstig punt b) bepaalde rentevoet vergeleken met de overeenkomstig punt a) bepaalde uniforme rentevoet. De laagste van deze twee rentevoeten wordt voor elke lidstaat toegepast.

De rentevoeten die voor elk boekjaar in de op basis van artikel 20, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1306/2013 vastgestelde uitvoeringsverordening van de Commissie worden bepaald, worden afgerond tot op één decimaal.

II.   BEREKENING VAN DE FINANCIERINGSKOSTEN

 
 

1.

De berekening van de financieringskosten wordt gesplitst volgens de perioden van geldigheid van de overeenkomstig deel I door de Commissie vastgestelde rentevoeten.

 
 

2.

De in artikel 3, lid 1, onder a), bedoelde financieringskosten worden berekend door de rentevoet voor de lidstaat toe te passen op de gemiddelde waarde per ton product waarvoor interventie heeft plaatsgevonden, en vervolgens het aldus verkregen bedrag te vermenigvuldigen met de gemiddelde voorraad van het boekjaar.

De gemiddelde waarde per ton product wordt berekend door de totale waarde van de op de eerste dag van het boekjaar in de opslag aanwezige producten en de in de loop van het boekjaar aangekochte producten te delen door de totale hoeveelheid van de op de eerste dag van het boekjaar in de opslag aanwezige producten en de in de loop van het boekjaar aangekochte producten.

De gemiddelde voorraad van het boekjaar wordt berekend door de som van de beginvoorraden en de eindvoorraden van alle maanden van het boekjaar te delen door een getal dat gelijk is aan tweemaal het aantal maanden van het boekjaar.

 
 

3.

In het geval van een product waarvoor overeenkomstig bijlage V, punt 1, een afschrijvingscoëfficiënt is vastgesteld, wordt de waarde van de tijdens het boekjaar aangekochte producten berekend door het uit de toepassing van die coëfficiënt voortvloeiende afschrijvingsbedrag af te trekken van de aankoopprijs.

 
 

4.

In het geval van een product waarvoor overeenkomstig bijlage V, punt 3, tweede alinea, een tweede afschrijving plaatsvindt, wordt bij de berekening van de gemiddelde voorraad gestopt vóór de datum van ingang van die voor de gemiddelde waarde in aanmerking te nemen afschrijving.

 
 

5.

Wanneer in de voorschriften betreffende de gemeenschappelijke marktordeningen is bepaald dat het door het betaalorgaan aangekochte product pas mag worden betaald na een wachttijd van ten minste één maand na de datum van overname, wordt de berekende gemiddelde voorraad in de rekeningen verlaagd met een hoeveelheid die wordt berekend met behulp van de volgende formule:

waarbij

 

Q

=

de in de loop van het boekjaar aangekochte hoeveelheden,

N

=

het aantal maanden van de minimale wachttijd voor de betaling.

Voor deze berekening wordt ervan uitgegaan dat onmiddellijk na de in de voorschriften aangegeven minimale wachttijd wordt betaald. Een maand wordt geacht uit 30 dagen te bestaan. Elk gedeelte van een maand dat meer dan 15 dagen bedraagt, wordt als een hele maand gerekend; elk gedeelte van niet meer dan 15 dagen wordt voor deze berekening niet in aanmerking genomen.

Wanneer na de in de eerste alinea bedoelde verlaging de berekening van de gemiddelde voorraad een negatief resultaat oplevert aan het einde van het boekjaar, wordt het negatieve saldo in mindering gebracht op de voor het volgende boekjaar berekende gemiddelde voorraad.

III.   ONDER VERANTWOORDELIJKHEID VAN DE BETAALORGANEN TOE TE PASSEN BIJZONDERE BEPALINGEN

 
 

1.

Wanneer, met betrekking tot de verkoop van het product door het betaalorgaan, in de voorschriften betreffende de gemeenschappelijke marktordening of in de voor die verkoop bekendgemaakte berichten van inschrijving is bepaald dat na betaling door de koper een wachttijd voor uitslag van het product in acht moet worden genomen en het daarbij gaat om een wachttijd van meer dan 30 dagen, worden de overeenkomstig deel II berekende financieringskosten door de betaalorganen in de rekeningen verlaagd met een bedrag dat wordt berekend met behulp van de volgende formule:

Formula

waarbij

 

V

=

het door de koper betaalde bedrag,

J

=

het aantal dagen tussen de ontvangst van de betaling en het afhalen van het product, verminderd met 30 dagen,

i

=

de voor het boekjaar geldende rentevoet.

 
 

2.

Wanneer bij de verkoop van landbouwproducten door de betaalorganen overeenkomstig specifieke EU-verordeningen de werkelijke termijn die na uitslag van die producten verstrijkt voordat wordt betaald, langer is dan 30 dagen, worden de overeenkomstig deel II berekende financieringskosten door de betaalorganen in de rekeningen verhoogd met een bedrag dat wordt berekend met behulp van de volgende formule:

Formula

waarbij

 

M

=

het door de koper te betalen bedrag,

D

=

het aantal dagen tussen uitslag van het product en ontvangst van de betaling, verminderd met 30 dagen,

i

=

de voor het boekjaar geldende rentevoet.

 
 

3.

De in de punten 1 en 2 bedoelde financieringskosten worden aan het einde van elk boekjaar uit hoofde van dat boekjaar in de rekeningen voor dat landbouwbegrotingsjaar geboekt voor het betrokken aantal dagen tot die einddatum, en uit hoofde van het nieuwe boekjaar voor de resterende dagen.

 

BIJLAGE II

MATERIËLE VERRICHTINGEN DIE WORDEN GEDEKT DOOR DE FORFAITAIRE BEDRAGEN

(artikel 3, lid 1, onder b))

Granen en rijst

  • I. 
    OVERNAME EN INSLAG
 
 

a)

bij aankomst, fysieke verplaatsing uit het vervoermiddel naar de opslagcel (silo of kamer van het pakhuis) — eerste overslag;

 
 

b)

weging;

 
 

c)

bemonstering/analyse/bepaling van de kwaliteit.

II.   OPSLAG

 
 

a)

huur van de ruimten tegen de contractprijs;

 
 

b)

verzekeringskosten (tenzij reeds begrepen in het onder a) bedoelde bedrag);

 
 

c)

kosten voor de bestrijding van ongedierte om de oorspronkelijke kwaliteit van het product tijdens de opslag te garanderen (tenzij reeds begrepen in het onder a) bedoelde bedrag);

 
 

d)

jaarlijkse inventarisatie (tenzij reeds begrepen in het onder a) bedoelde bedrag);

 
 

e)

eventuele ventilatie (tenzij reeds begrepen in het onder a) bedoelde bedrag).

III.   UITSLAG

 
 

a)

weging;

 
 

b)

bemonstering/analyse (indien gefinancierd in het kader van de interventie);

 
 

c)

fysieke uitslag en lading in het eerste vervoermiddel.

Rundvlees

  • I. 
    OVERNAME, UITBENEN EN INSLAG (VLEES ZONDER BEEN)
 
 

a)

kwaliteitscontrole van het vlees met been;

 
 

b)

weging van het vlees met been;

 
 

c)

goederenbehandeling;

 
 

d)

met de uitvoering van het contract voor het uitbenen gemoeide kosten, die omvatten:

 

i)

eerste koeling;

 

ii)

transport van de interventieopslagplaats naar de uitsnijderij (tenzij de verkoper de goederen in de uitsnijderij aflevert);

 

iii)

uitsnijden, opmaken, wegen, verpakken en snel invriezen;

 

iv)

voorlopige opslag van de deelstukken, inladen, transport en heropslag in het vrieshuis van de interventieopslagplaats;

 

v)

kosten van verpakkingsmateriaal: polyethyleenzakken, kartons, stockinettes;

 

vi)

waarde van beenderen en stukken vet en andere afsnijdsels die in de uitsnijderij blijven (van de kosten af te trekken ontvangsten).

II.   OPSLAG

 
 

a)

huur van de ruimten tegen de contractprijs;

 
 

b)

verzekeringskosten (tenzij reeds begrepen in het onder a) bedoelde bedrag);

 
 

c)

controle van de temperatuur (tenzij reeds begrepen in het onder a) bedoelde bedrag);

 
 

d)

jaarlijkse inventarisatie (tenzij reeds begrepen in het onder a) bedoelde bedrag).

III.   UITSLAG

 
 

a)

weging;

 
 

b)

kwaliteitscontrole (indien gefinancierd in het kader van de interventie);

 
 

c)

transport van het vrieshuis naar het laadperron van het vrieshuis.

Boter

  • I. 
    OVERNAME EN INSLAG
 
 

a)

bij aankomst, verplaatsing van het vervoermiddel naar de opslagcel;

 
 

b)

weging, identificatie van de verpakkingseenheden;

 
 

c)

bemonstering/kwaliteitscontrole;

 
 

d)

inslag in het vrieshuis en invriezen;

 
 

e)

tweede bemonstering/kwaliteitscontrole aan het einde van de proefperiode.

II.   OPSLAG

 
 

a)

huur van de ruimten tegen de contractprijs;

 
 

b)

verzekeringskosten (tenzij reeds begrepen in het onder a) bedoelde bedrag);

 
 

c)

controle van de temperatuur (tenzij reeds begrepen in het onder a) bedoelde bedrag);

 
 

d)

jaarlijkse inventarisatie (tenzij reeds begrepen in het onder a) bedoelde bedrag).

III.   UITSLAG

 
 

a)

weging, identificatie van de verpakkingseenheden;

 
 

b)

verplaatsing van het vrieshuis naar het laadperron van het vrieshuis als het vervoermiddel een container is, en datzelfde transport en inladen op dat perron als het vervoermiddel een vrachtwagen of een treinwagon is.

IV.   SPECIFIEKE ETIKETTERING OF MERKING

Indien een dergelijke etikettering verplicht is op grond van de voor de afzet van de producten vastgestelde EU-verordening.

Mageremelkpoeder

  • I. 
    OVERNAME EN INSLAG
 
 

a)

bij aankomst, verplaatsing van het vervoermiddel naar de opslagkamer;

 
 

b)

weging;

 
 

c)

bemonstering/kwaliteitscontrole;

 
 

d)

controle van de merking en van de verpakking.

II.   OPSLAG

 
 

a)

huur van de ruimten tegen de contractprijs;

 
 

b)

verzekeringskosten (tenzij reeds begrepen in het onder a) bedoelde bedrag);

 
 

c)

controle van de temperatuur (tenzij reeds begrepen in het onder a) bedoelde bedrag);

 
 

d)

jaarlijkse inventarisatie (tenzij reeds begrepen in het onder a) bedoelde bedrag).

III.   UITSLAG

 
 

a)

weging;

 
 

b)

bemonstering/controle van de goederen (indien gefinancierd in het kader van de interventie);

 
 

c)

als het vervoermiddel een vrachtwagen of een treinwagon is, verplaatsing naar het laadperron van het pakhuis en inladen in het vervoermiddel exclusief het vastzetten van de lading; als het gaat om een ander vervoermiddel, in het bijzonder een container, verplaatsing naar het laadperron van het pakhuis.

IV.   SPECIFIEKE ETIKETTERING OF MERKING

Indien een dergelijke etikettering verplicht is op grond van de voor de afzet van de producten vastgestelde EU-verordening.

 

BIJLAGE III

BEPALING VAN DE FORFAITAIRE BEDRAGEN VOOR DE UNIE

(artikel 3, lid 1, onder b))

  • I. 
    TOE TE PASSEN FORFAITAIRE BEDRAGEN
 
 

1.

De voor de Unie uniforme forfaitaire bedragen worden per product vastgesteld op basis van de laagste kosten die zijn geconstateerd in een referentieperiode die begint op 1 oktober van het jaar n en eindigt op 30 april van het volgende jaar.

 
 

2.

Onder „geconstateerde kosten” wordt verstaan de kosten van de in bijlage II genoemde materiële verrichtingen die in de referentieperiode hebben plaatsgevonden, gebaseerd hetzij op een individuele facturering van die verrichtingen, hetzij op een gesloten contract betreffende die verrichtingen. Als in de referentieperiode een voorraad van een bepaald product bestaat, maar er geen inslag of geen uitslag heeft plaatsgevonden, mogen ook de in de opslagcontracten voor dat product voorkomende referentiegegevens over kosten worden gebruikt.

De kosten voor overname en inslag (I) en uitslag (III) worden per ton van het betrokken product gedeclareerd voor elke individuele verrichting (a, b, c…) als genoemd in bijlage II. De kosten voor opslag (II) worden maandelijks per ton gedeclareerd voor elke individuele verrichting (a, b, c…) als genoemd in bijlage II.

 
 

3.

De lidstaten stellen de Commissie uiterlijk op 10 mei in kennis van de in de referentieperiode gedragen, in punt 2 bedoelde kosten van de in bijlage II genoemde verrichtingen. De in punt 1 bedoelde forfaitaire bedragen worden vastgesteld in euro op basis van het gewogen gemiddelde van deze kosten die in de referentieperiode zijn geconstateerd in ten minste vier lidstaten met de laagste kosten voor een bepaalde materiële verrichting, mits die lidstaten goed zijn voor ten minste 33 % van de totale gemiddelde voorraad van het betrokken product in de referentieperiode. Is dit laatste niet het geval, dan worden de kosten van andere lidstaten in de weging meegenomen totdat 33 % van de hoeveelheden is bereikt.

 
 

4.

Als voor een bepaald product in minder dan vier lidstaten openbare opslag plaatsvindt, worden de forfaitaire bedragen voor dat product vastgesteld op basis van de in de betrokken lidstaten geconstateerde kosten. Het uiteindelijke forfaitaire bedrag voor dat product mag echter met niet meer dan 2 % afwijken van het voor het vorige jaar vastgestelde bedrag.

 
 

5.

Kosten voor een opgeslagen product die door een lidstaat worden gedeclareerd en in aanmerking worden genomen voor de in de punten 3 en 4 bedoelde berekening, worden, als zij tweemaal zo hoog zijn als het rekenkundige gemiddelde van de kosten die de andere lidstaten voor deze berekening hebben gedeclareerd, verlaagd tot dat rekenkundige gemiddelde.

 
 

6.

De kosten die in aanmerking worden genomen voor de in de punten 3 en 4 bedoelde berekening, worden gewogen aan de hand van de hoeveelheden die zijn opgeslagen door de lidstaten die in de berekening meetellen.

 
 

7.

De kosten die worden gedeclareerd door niet tot de eurozone behorende lidstaten, worden in euro omgerekend aan de hand van de gemiddelde koers van hun valuta in de in punt 1 bedoelde referentieperiode.

II.   BIJZONDERE BEPALINGEN

 
 

1.

De forfaitaire uitslagkosten kunnen worden verhoogd met een door de Commissie overeenkomstig artikel 20, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1306/2013 te berekenen bedrag indien de lidstaat voor de hele duur van het boekjaar en de totale voorraad van het betrokken product verklaart af te zien van toepassing van de in artikel 4, lid 2, van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 907/2014 bedoelde tolerantiegrenzen, en de hoeveelheid garandeert.

Deze verklaring wordt aan de Commissie gezonden en moet haar bereiken vóór de ontvangst van de eerste maanddeclaratie van de uitgaven in het betrokken boekjaar of, wanneer het betrokken product zich aan het begin van het boekjaar niet in interventieopslag bevindt, uiterlijk in de maand na de eerste inslag van dat product in een interventiepakhuis.

De in de eerste alinea bedoelde verhoging wordt berekend door de in artikel 7 van Verordening (EU) nr. 1308/2013 bedoelde referentiedrempel voor het betrokken product te vermenigvuldigen met de in bijlage IV bij Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 907/2014 bedoelde tolerantiegrens voor dat product.

 
 

2.

Voor alle opgeslagen producten behalve rundvlees worden de forfaitaire bedragen die zijn vastgesteld voor de kosten in verband met de inslag in en de uitslag uit de opslagplaatsen, met de volgende coëfficiënten verlaagd indien de betrokken hoeveelheden niet fysiek worden verplaatst.

 

Product

Inslag

Uitslag

Granen

36,50 %

22,80 %

Rijst

17,50 %

20,30 %

Boter

25,90 %

22,20 %

Mageremelkpoeder

21,00 %

35,10 %

 
 

3.

De Commissie kan de eerder voor een product vastgestelde forfaitaire bedragen handhaven wanneer geen openbare opslag heeft plaatsgevonden of in het lopende boekjaar geen openbare opslag zal plaatsvinden.

 

BIJLAGE IV

VOOR DE UITGAVEN EN ONTVANGSTEN BETREFFENDE RUNDVLEES IN AANMERKING TE NEMEN SPECIFIEKE ELEMENTEN

(artikel 3, lid 1, onder c))

Voor de toepassing van bijlage VI en bijlage VII, punt 2, onder a) en c), is de voor rundvlees zonder been in aanmerking te nemen basisprijs de in artikel 7 van Verordening (EU) nr. 1308/2013 opgenomen referentiedrempel, vermenigvuldigd met de coëfficiënt 1,47.

 

BIJLAGE V

AFSCHRIJVING OP DE PRODUCTEN IN VOORRAAD

(artikel 3, lid 1, onder e))

 
 

1.

Indien wordt verwacht dat de verkoopprijs van een in openbare interventie opgeslagen product lager zal zijn dan de aankoopprijs ervan, wordt bij de aankoop een afschrijvingspercentage, „coëfficiënt k” genoemd, toegepast. Dit percentage wordt overeenkomstig artikel 20, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1306/2013 voor elk product vastgesteld aan het begin van elk boekjaar.

 
 

2.

Het afschrijvingspercentage komt ten hoogste overeen met het verschil tussen de aankoopprijs van het betrokken product en de prijs waartegen het naar verwachting zal kunnen worden afgezet.

 
 

3.

De Commissie kan de afschrijving bij de aankoop beperken tot een gedeelte van het overeenkomstig punt 2 berekende percentage. Dit gedeelte mag niet kleiner zijn dan 70 % van de overeenkomstig punt 1 vastgestelde afschrijving.

In dat geval past de Commissie aan het einde van het boekjaar een tweede afschrijving toe volgens de in punt 5 aangegeven methode.

 
 

4.

Met het oog op de in punt 3, tweede alinea, bedoelde afschrijvingen stelt de Commissie vóór het begin van het volgende boekjaar totaalbedragen voor afschrijving per product en per lidstaat vast.

Daartoe wordt per product en per lidstaat de verwachte verkoopprijs van de opgeslagen producten vergeleken met de geschatte over te boeken waarde. De verschillen tussen de geschatte overboekwaarden en de verwachte verkoopprijzen, vermenigvuldigd met de geschatte aan het einde van het boekjaar opgeslagen hoeveelheden leveren de totaalbedragen voor afschrijving per product en per betrokken lidstaat op.

 
 

5.

De schatting van de hoeveelheden in openbare opslag en de overboekwaarden per product en per lidstaat wordt gebaseerd op een uiterlijk op 7 september van het jaar n+1 aan de Commissie toe te zenden mededeling van de lidstaten over de op 30 september van dat jaar in de opslag aanwezige producten die de volgende gegevens bevat:

 

de in de periode van 1 oktober van jaar n tot en met 31 augustus van jaar n+1 aangekochte hoeveelheden;

 

de hoeveelheden die op 31 augustus van jaar n+1 in de opslag aanwezig zijn;

 

de waarde in euro van de producten die op 31 augustus van jaar n+1 in de opslag aanwezig zijn;

 

de ramingen van de hoeveelheden die op 30 september van jaar n+1 in de opslag aanwezig zullen zijn;

 

de ramingen van de hoeveelheden die tussen 1 en 30 september van jaar n+1 zullen worden aangekocht;

 

de raming van de waarde in euro van de aankopen tussen 1 en 30 september van jaar n+1.

 
 

6.

De waarden in nationale valuta die de niet tot de eurozone behorende lidstaten meedelen met het oog op de berekening van de afschrijving aan het einde van een boekjaar, worden in euro omgerekend met gebruikmaking van de koersen die gelden op het tijdstip van de berekening van de totaalbedragen voor afschrijving aan het einde van dat boekjaar.

 
 

7.

De Commissie deelt de totaalbedragen voor afschrijving per product aan elke betrokken lidstaat mee om het de lidstaten mogelijk te maken die bedragen op te nemen in hun laatste maanddeclaratie van uitgaven aan het ELGF van het betrokken boekjaar.

 

BIJLAGE VI

WAARDERING VAN DE ONTBREKENDE HOEVEELHEDEN

(artikel 4, lid 1, onder a))

Behoudens de bijzondere bepalingen in bijlage IV wordt de waarde van de ontbrekende hoeveelheden berekend overeenkomstig de volgende voorschriften:

 

a)

De waarde van de hoeveelheden die ontbreken door overschrijding van de in artikel 4, lid 2, van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 907/2014 bedoelde tolerantiegrenzen voor bewaar- of verwerkingsverliezen of als gevolg van diefstal of andere identificeerbare oorzaken, wordt berekend door die hoeveelheden te vermenigvuldigen met de in artikel 7 van Verordening (EU) nr. 1308/2013 opgenomen referentiedrempel die voor de standaardkwaliteit van het betrokken product geldt op de eerste dag van het boekjaar waarin de tolerantiedrempels worden overschreden of waarin wordt vastgesteld dat er hoeveelheden ontbreken, verhoogd met 5 %.

 

b)

Indien op de dag waarop het ontbreken van hoeveelheden wordt geconstateerd, de gemiddelde marktprijs voor de standaardkwaliteit in de lidstaat waar het product is opgeslagen, hoger is dan 105 % van de in artikel 7 van Verordening (EU) nr. 1308/2013 opgenomen basisreferentiedrempel, betaalt de contractant het interventiebureau een vergoeding ten bedrage van de door de lidstaat geconstateerde marktprijs, verhoogd met 5 %.

De lidstaat bepaalt de gemiddelde marktprijs aan de hand van de gegevens die hij de Commissie regelmatig verstrekt.

De verschillen tussen de als gevolg van de toepassing van de marktprijs geïnde bedragen, en de met toepassing van de in artikel 7 van Verordening (EU) nr. 1308/2013 opgenomen referentiedrempel ten gunste van het ELGF geboekte bedragen, moeten aan het einde van het boekjaar aan het ELGF worden gecrediteerd als onderdeel van de andere creditelementen.

 

c)

Indien het ontbreken van hoeveelheden wordt geconstateerd na een overdracht of na het vervoer van producten van een interventieopslagplaats of een door het betaalorgaan aangewezen plaats van opslag naar een andere plaats, wordt de waarde van die ontbrekende hoeveelheden in het geval dat bij de sectorale EU-wetgeving geen specifieke waarde is vastgesteld, bepaald overeenkomstig punt a).

 

BIJLAGE VII

WAARDERING VAN DE IN KWALITEIT ACHTERUITGEGANE OF VERNIETIGDE HOEVEELHEDEN

(artikel 4, lid 1, onder b))

 
 

1.

Behoudens bijzondere bepalingen in de EU-regelgeving wordt een product als in kwaliteit achteruitgegaan beschouwd als het niet langer voldoet aan de bij de aankoop geldende kwaliteitseisen.

 
 

2.

De waarde van de hoeveelheden in kwaliteit achteruitgegane of vernietigde producten wordt afhankelijk van de aard van de oorzaak berekend overeenkomstig de volgende voorschriften:

 

a)

bij schadegevallen wordt, onverminderd de in bijlage IV opgenomen bijzondere bepalingen, de waarde van de producten berekend door de betrokken hoeveelheden te vermenigvuldigen met de in artikel 7 van Verordening (EU) nr. 1308/2013 opgenomen basisreferentiedrempel die voor de standaardkwaliteit geldt op de eerste dag van het lopende boekjaar, verlaagd met 5 %;

 

b)

bij natuurrampen wordt de waarde van de aangetaste hoeveelheden bepaald door middel van een uitvoeringsverordening van de Commissie die wordt vastgesteld overeenkomstig artikel 4, lid 2, derde alinea;

 

c)

bij slechte bewaaromstandigheden, met name door niet-geschikte opslagmethoden, wordt de waarde van het product geboekt overeenkomstig bijlage VI, onder a) en b);

 

d)

bij een te lange opslagperiode wordt de boekwaarde van het product bij de verkoop ervan op basis van de verkoopprijs bepaald door middel van een uitvoeringsverordening van de Commissie die wordt vastgesteld overeenkomstig artikel 4, lid 2, derde alinea.

Het besluit tot verkoop wordt genomen overeenkomstig de voor het betrokken product geldende sectorale landbouwwetgeving. De ontvangsten uit de verkoop worden in de rekeningen opgenomen uit hoofde van de maand van uitslag van het product.

 

BIJLAGE VIII

BOEKHOUDREGELS VOOR INGESLAGEN PRODUCTEN WAARVAN DE OVERNAME WORDT GEWEIGERD

(artikel 4, lid 1, onder c))

 
 

1.

Behoudens bijzondere bepalingen in de EU-regelgeving worden de voor een geweigerde hoeveelheid reeds geboekte inslag-, uitslag-, opslag- en financieringskosten elk afzonderlijk afgetrokken en in de rekeningen opgenomen overeenkomstig de volgende voorschriften:

 

a)

de af te trekken inslag- en uitslagkosten worden berekend door de geweigerde hoeveelheden te vermenigvuldigen met de respectieve forfaitaire bedragen die gelden in de maand van uitslag;

 

b)

de af te trekken opslagkosten worden berekend door de geweigerde hoeveelheden te vermenigvuldigen met het aantal tussen de inslag en de uitslag verstreken maanden en met het forfaitaire bedrag dat geldt in de maand van uitslag;

 

c)

de af te trekken financieringskosten worden berekend door de geweigerde hoeveelheden te vermenigvuldigen met het aantal tussen de inslag en de uitslag verstreken maanden minus het aantal maanden van de bij de inslag geldende wachttijd voor de betaling, met de in de maand van uitslag voor de financieringskosten geldende rentevoet, gedeeld door twaalf, en met de aan het begin van het boekjaar geldende gemiddelde boekwaarde voor overboeking of, als er geen gemiddelde boekwaarde voor overboeking bestaat, met de gemiddelde boekwaarde van de eerste declaratiemaand.

 
 

2.

De in punt 1 bedoelde kosten worden geboekt uit hoofde van de materiële verrichtingen van de maand van uitslag.

 

Deze samenvatting is overgenomen van EUR-Lex.