Richtlijn 2019/1995 - Wijziging van Richtlijn 2006/112/EG wat betreft de bepalingen inzake afstandsverkopen en bepaalde binnenlandse leveringen van goederen

1.

Wettekst

2.12.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 310/1

 

RICHTLIJN (EU) 2019/1995 VAN DE RAAD

van 21 november 2019

tot wijziging van Richtlijn 2006/112/EG wat betreft de bepalingen inzake afstandsverkopen en bepaalde binnenlandse leveringen van goederen

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 113,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Parlement (1),

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (2),

Handelend volgens een bijzondere wetgevingsprocedure,

Overwegende hetgeen volgt:

 

(1)

In Richtlijn 2006/112/EG van de Raad (3), zoals gewijzigd bij Richtlijn (EU) 2017/2455 van de Raad (4), is bepaald dat indien een belastingplichtige via het gebruik van een elektronische interface, zoals een marktplaats, platform, portaal of soortgelijk middel, hetzij afstandsverkopen van uit een derdelandsgebied of een derde land ingevoerde goederen in zendingen met een intrinsieke waarde van maximaal 150 EUR faciliteert, hetzij de levering van goederen binnen de Gemeenschap door een niet in de Gemeenschap gevestigde belastingplichtige aan een niet-belastingplichtige faciliteert, de belastingplichtige die de levering faciliteert, wordt geacht die goederen zelf te hebben ontvangen en geleverd. Aangezien die richtlijn één enkele levering opsplitst in twee leveringen, moet worden bepaald aan welke van deze leveringen de verzending of het vervoer van de goederen moet worden toegerekend teneinde hun plaats goed te kunnen bepalen. Voorts moet ervoor worden gezorgd dat het belastbare feit van deze twee leveringen op hetzelfde tijdstip plaatsvindt.

 

(2)

Aangezien een belastingplichtige die via een elektronische interface de levering van goederen aan een niet-belastingplichtige in de Gemeenschap faciliteert, de aan een niet in de Gemeenschap gevestigde leverancier betaalde belasting over de toegevoegde waarde (btw) volgens de bestaande regels in aftrek kan brengen, bestaat het risico dat laatstgenoemde de btw niet aan de belastingautoriteiten betaalt. Om dat risico te vermijden, dient de levering van de leverancier die de goederen via een elektronische interface verkoopt, vrijgesteld te zijn van btw, en moet die leverancier tegelijk het recht krijgen de door hem betaalde voorbelasting met betrekking tot de aankoop of invoer van de geleverde goederen in aftrek te brengen. Daartoe moet de leverancier altijd geregistreerd zijn in de lidstaat waar hij deze goederen heeft verworven of ingevoerd.

 

(3)

Bovendien zouden niet in de Gemeenschap gevestigde leveranciers die gebruikmaken van een elektronische interface voor de verkoop van goederen, voorraden kunnen aanhouden in verschillende lidstaten en in aanvulling op de intracommunautaire afstandsverkopen van goederen, goederen uit deze voorraad kunnen leveren aan afnemers in dezelfde lidstaat. Momenteel vallen dergelijke leveringen niet onder de bijzondere regeling voor intracommunautaire afstandsverkopen van goederen en voor diensten verricht door in de Gemeenschap doch niet in de lidstaat van verbruik gevestigde belastingplichtigen. Om de administratieve lasten te verlichten, moet aan de belastingplichtigen die de levering van goederen aan niet‐belastingplichtigen in de Gemeenschap via een elektronische interface faciliteren en die geacht worden de goederen zelf te hebben ontvangen en geleverd, eveneens worden toegestaan deze bijzondere regeling te gebruiken voor de aangifte en de betaling van btw voor die binnenlandse leveringen.

 

(4)

Met het oog op de samenhang tussen de betaling van btw en van invoerrechten bij de invoer van goederen, moet de termijn voor de betaling van btw bij invoer aan de douane, indien de bijzondere regeling voor de aangifte en de betaling van btw bij invoer wordt gebruikt, worden afgestemd op de termijn voor het douanetarief van artikel 111 van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad (5).

 

(5)

Overeenkomstig de gezamenlijke politieke verklaring van de lidstaten en de Commissie van 28 september 2011 over toelichtende stukken (6) hebben de lidstaten zich ertoe verbonden om in gerechtvaardigde gevallen de kennisgeving van hun omzettingsmaatregelen vergezeld te doen gaan van één of meer stukken waarin het verband tussen de onderdelen van een richtlijn en de overeenkomstige delen van de nationale omzettingsinstrumenten wordt toegelicht. Met betrekking tot deze richtlijn acht de wetgever de toezending van die stukken gerechtvaardigd.

 

(6)

Richtlijn 2006/112/EG moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Richtlijn 2006/112/EG wordt als volgt gewijzigd:

 

1)

In titel V, hoofdstuk 1, afdeling 2, wordt het volgende artikel ingevoegd:

“Artikel 36 ter

Indien een belastingplichtige geacht wordt goederen te hebben ontvangen en geleverd in overeenstemming met artikel 14 bis, wordt de verzending of het vervoer van de goederen toegerekend aan de levering die door die belastingplichtige wordt verricht.”;

 

2)

Artikel 66 bis wordt vervangen door:

“Artikel 66 bis

In afwijking van de artikelen 63, 64 en 65, vindt het belastbare feit van de levering van goederen door een belastingplichtige die geacht wordt die goederen te hebben ontvangen en geleverd overeenkomstig artikel 14 bis en van de levering van goederen aan die belastingplichtige plaats, en wordt de btw verschuldigd op het tijdstip waarop de betaling is aanvaard.”;

 

3)

Het volgende artikel wordt ingevoegd:

“Artikel 136 bis

Indien een belastingplichtige geacht wordt goederen te hebben ontvangen en geleverd in overeenstemming met artikel 14 bis, lid 2, verlenen de lidstaten vrijstelling voor de levering van die goederen aan die belastingplichtige.”;

 

4)

In artikel 169 wordt punt b) vervangen door:

 

“b)

door de belastingplichtige verrichte handelingen waarvoor overeenkomstig de artikelen 136 bis, 138, 142 en 144, de artikelen 146 tot en met 149, de artikelen 151, 152, 153 en 156, artikel 157, lid 1, punt b), de artikelen 158 tot en met 161 en artikel 164 vrijstelling is verleend;”;

 

5)

In artikel 204, lid 1, wordt de derde alinea vervangen door:

“De lidstaten mogen de in de tweede alinea bedoelde mogelijkheid echter niet toepassen op een belastingplichtige in de zin van artikel 358 bis, punt 1, die gekozen heeft voor de bijzondere regeling voor diensten verricht door niet in de Gemeenschap gevestigde belastingplichtigen.”;

 

6)

In artikel 272, lid 1, wordt punt b) vervangen door:

 

“b)

de belastingplichtigen die geen van de in de artikelen 20, 21, 22, 33, 36, 136 bis, 138 en 141 bedoelde handelingen verrichten;”;

 

7)

In titel XII wordt de titel van hoofdstuk 6 vervangen door:

“Bijzondere regelingen voor belastingplichtigen die diensten voor niet‐belastingplichtigen, afstandsverkopen van goederen of bepaalde binnenlandse goederenleveringen verrichten”;

 

8)

Het opschrift van titel XII, hoofdstuk 6, afdeling 3, wordt vervangen door:

“Bijzondere regeling voor intracommunautaire afstandsverkopen van goederen, voor leveringen van goederen binnen een lidstaat door elektronische interfaces die die leveringen faciliteren, en voor diensten verricht door in de Gemeenschap doch niet in de lidstaat van verbruik gevestigde belastingplichtigen”;

 

9)

Artikel 369 bis wordt vervangen door:

“Artikel 369 bis

Onverminderd andere communautaire bepalingen wordt voor de toepassing van deze afdeling verstaan onder:

 

1)

“niet in de lidstaat van verbruik gevestigde belastingplichtige”: een belastingplichtige die de zetel van zijn bedrijfsuitoefening of een vaste inrichting in de Gemeenschap heeft gevestigd, maar die in de lidstaat van verbruik noch de zetel van zijn bedrijfsuitoefening, noch een vaste inrichting heeft;

 

2)

“lidstaat van identificatie”: de lidstaat waar de belastingplichtige de zetel van zijn bedrijfsuitoefening heeft gevestigd, of, indien hij de zetel van zijn bedrijfsuitoefening niet in de Gemeenschap heeft gevestigd, de lidstaat waar hij een vaste inrichting heeft.

Indien de belastingplichtige niet in de Gemeenschap is gevestigd, maar daarin meer dan één vaste inrichting heeft, dan is de lidstaat van identificatie de lidstaat waar zich een vaste inrichting bevindt, waarin die belastingplichtige meldt dat hij van deze bijzondere regeling gebruik maakt. De belastingplichtige is gedurende het betreffende kalenderjaar en de twee daaropvolgende kalenderjaren aan deze keuze gebonden.

Indien een belastingplichtige de zetel van zijn bedrijfsuitoefening niet in de Gemeenschap heeft gevestigd en er geen vaste inrichting heeft, dan is de lidstaat van identificatie de lidstaat waar de verzending of het vervoer van de goederen aanvangt. Indien er meer dan één lidstaat is waar de verzending of het vervoer van de goederen aanvangt, vermeldt de belastingplichtige welke van deze lidstaten de lidstaat van identificatie is. De belastingplichtige is gedurende het betreffende kalenderjaar en de twee daaropvolgende kalenderjaren aan deze keuze gebonden;

 

3)

“lidstaat van verbruik”:

 

a)

in het geval van de verrichting van een dienst, de lidstaat waar de dienst overeenkomstig titel V, hoofdstuk 3, wordt geacht plaats te vinden, of

 

b)

in het geval van een intracommunautaire afstandsverkoop van goederen, de lidstaat van aankomst van de verzending of het vervoer van de goederen naar de afnemer, of

 

c)

in het geval van de levering van goederen door een belastingplichtige die deze levering faciliteert overeenkomstig artikel 14 bis, lid 2, indien de verzending of het vervoer van de geleverde goederen in dezelfde lidstaat begint en eindigt, deze lidstaat.”;

 

10)

Artikel 369 ter wordt vervangen door:

“Artikel 369 ter

De lidstaten staan de volgende belastingplichtigen toe van deze bijzondere regeling gebruik te maken:

 

a)

een belastingplichtige die intracommunautaire afstandsverkopen van goederen verricht;

 

b)

een belastingplichtige die de levering van goederen faciliteert overeenkomstig artikel 14 bis, lid 2, indien de verzending of het vervoer van de geleverde goederen in dezelfde lidstaat begint en eindigt;

 

c)

een niet in de lidstaat van verbruik gevestigde belastingplichtige die diensten verricht voor een niet-belastingplichtige.

Deze bijzondere regeling is van toepassing op alle aldus door de betrokken belastingplichtige in de Gemeenschap geleverde goederen of verrichte diensten.”;

 

11)

In artikel 369 sexies wordt punt a) vervangen door:

 

“a)

indien hij meldt dat hij niet langer leveringen van goederen of diensten verricht die onder deze bijzondere regeling vallen;”;

 

12)

Artikel 369 septies wordt vervangen door:

“Artikel 369 septies

De belastingplichtige die van deze bijzondere regeling gebruikmaakt, dient voor elk kalenderkwartaal langs elektronische weg een btw-aangifte in bij de lidstaat van identificatie, ongeacht of al dan niet leveringen van goederen en diensten zijn verricht die onder deze bijzondere regeling vallen. De btw-aangifte wordt vóór het einde van de maand volgend op het verstrijken van het belastingtijdvak waarop de aangifte betrekking heeft, ingediend.”;

 

13)

In artikel 369 octies worden de leden 1, 2 en 3 vervangen door:

“1.   De btw-aangifte bevat het in artikel 369 quinquies bedoelde btw-identificatienummer en, voor elke lidstaat van verbruik waar de btw verschuldigd is, het totale bedrag exclusief btw, de toepasselijke btw-tarieven, het totale bedrag van de overeenkomstige belasting, uitgesplitst naar belastingtarieven, en de totale verschuldigde belasting over de volgende gedurende het belastingtijdvak verrichte leveringen die onder deze bijzondere regeling vallen:

 

a)

intracommunautaire afstandsverkoop van goederen;

 

b)

goederenleveringen overeenkomstig artikel 14 bis, lid 2, indien de verzending of het vervoer van die goederen in dezelfde lidstaat begint en eindigt;

 

c)

diensten.

De btw-aangifte bevat ook wijzigingen met betrekking tot voorgaande belastingtijdvakken, zoals bepaald in lid 4 van dit artikel.

  • 2. 
    Wanneer goederen worden verzonden of vervoerd vanuit andere lidstaten dan de lidstaat van identificatie, bevat de btw-aangifte ook het totale bedrag exclusief btw, de toepasselijke btw-tarieven, het totale bedrag van de overeenkomstige belasting, uitgesplitst naar belastingtarieven, en de totale verschuldigde belasting over de volgende leveringen die onder deze bijzondere regeling vallen, voor elke lidstaat waaruit die goederen zijn verzonden of vervoerd:
 

a)

intracommunautaire afstandsverkopen van goederen die niet via een belastingplichtige verlopen overeenkomstig artikel 14 bis, lid 2;

 

b)

intracommunautaire afstandsverkopen van goederen en goederenleveringen door een belastingplichtige overeenkomstig artikel 14 bis, lid 2, indien de verzending of het vervoer van die goederen in dezelfde lidstaat begint en eindigt.

Met betrekking tot de in punt a) bedoelde leveringen bevat de btw-aangifte ook het individuele btw-identificatienummer of het fiscale registratienummer dat door elk van die lidstaten waaruit zulke goederen worden verzonden of vervoerd is toegekend.

Met betrekking tot de in punt b) bedoelde leveringen bevat de btw-aangifte ook het individuele btw-identificatienummer of het fiscaal registratienummer dat door elk van die lidstaten waaruit zulke goederen worden verzonden of vervoerd is toegekend, indien beschikbaar.

De btw-aangifte bevat de in dit lid bedoelde informatie, uitgesplitst naar lidstaat van verbruik.

  • 3. 
    Indien de belastingplichtige die onder deze bijzondere regeling vallende diensten verricht één of meer andere vaste inrichtingen heeft dan die in de lidstaat van identificatie, van waaruit de diensten worden verricht, bevat de btw-aangifte eveneens, per lidstaat waar hij een vaste inrichting heeft gevestigd en uitgesplitst naar lidstaat van verbruik, het totale bedrag exclusief btw, de toepasselijke btw-tarieven, het totale bedrag van de overeenkomstige belasting en de totale verschuldigde belasting over die leveringen, alsmede het individueel btw-identificatienummer of het fiscaal registratienummer van de inrichting.”;
 

14)

In artikel 369 novovicies wordt lid 2 vervangen door:

“2.   De lidstaten schrijven voor dat de in lid 1 bedoelde btw maandelijks verschuldigd is binnen de betalingstermijn die geldt voor de betaling van invoerrechten.”.

Artikel 2

  • 1. 
    De lidstaten dienen uiterlijk op 31 december 2020 de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen en bekend te maken om aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mede.

Zij passen die bepalingen toe vanaf 1 januari 2021.

Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking ervan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor die verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

  • 2. 
    De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mede die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 3

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 4

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 21 november 2019.

Voor de Raad

De voorzitter

  • H. 
    KOSONEN
 

  • (1) 
    Standpunt van 14 november 2019 [(nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad)].
  • (2) 
    Standpunt van 15 mei 2019 [(nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad)].
  • (3) 
    Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB L 347 van 11.12.2006, blz. 1).
  • (4) 
    Richtlijn (EU) 2017/2455 van de Raad van 5 december 2017 tot wijziging van Richtlijn 2006/112/EG en Richtlijn 2009/132/EG wat betreft bepaalde btw-verplichtingen voor diensten en afstandsverkopen van goederen (PB L 348 van 29.12.2017, blz. 7).
  • (5) 
    Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (PB L 269 van 10.10.2013, blz. 1).
 

Deze samenvatting is overgenomen van EUR-Lex.