Werkgelegenheids- en sociaal beleid - EU monitor

EU monitor
Maandag 18 november 2019
kalender
Met dank overgenomen van Europa Nu.
Bouwvakkers

Op het terrein van Europese werkgelegenheids- en sociaal beleid heeft de EU verschillende doelen. De EU wil werkgelegenheid in de lidstaten stimuleren, armoede verminderen en het onderwijs verbeteren. Sociaal beleid is in de eerste plaats een verantwoordelijkheid van de lidstaten. De Europese Unie speelt vooral een coördinerende en controlerende rol. Via verschillende fondsen stimuleert de EU de werkgelegenheid in de lidstaten.

Het werkgelegenheids- en sociaal beleid van de EU is onder te verdelen in vier thema's. Ten eerste gaat het om coördinatie van wonen en werken in andere EU-landen. Ten tweede gaat het om algemene sociale zaken. Ten derde werkt de EU aan een gemeenschappelijk kader van vaardigheden en kwalificaties van werknemers in de EU. Ten vierde probeert de EU met financiële middelen de werkgelegenheid te stimuleren.

Ieder jaar dienen de lidstaten prioriteiten en doelstellingen van hun werkgelegenheidsbeleid in bij de EU. Via het Europees Sociaal Fonds i (ESF) en het Europees Fonds voor Strategische Investeringen i (EFSI) stelt de EU jaarlijks miljarden euro's ter beschikking aan de lidstaten om sociale en werkgelegenheidsprojecten te financieren en de creatie van banen te stimuleren. Daarnaast wil de Commissie door middel van de Sociale Pijler i regelgeving in de lidstaten op dit beleidsterrein beter op elkaar afstemmen en de sociale rechten van burgers versterken. Ten slotte heeft de Commissie in de EU2020-strategie i doelen vastgesteld voor een sterke, sociale en duurzame economie.

1.

Staand beleid

Budget

Het budget voor dit beleidsterreinen bestaat uit verschillende onderdelen. Met het Europees Sociaal Fonds i investeert de EU tussen 2014 en 2020 ruim 90 miljard euro in werkgelegenheid, sociale inclusie en onderwijs. Nederland ontvangt hieruit ruim 510 miljoen euro. Het fonds ondersteunt lidstaten bij het terugdringen van werkloosheid. Voor de periode 2014-2020 wordt het geld vooral gebruikt voor het verminderen van de jeugdwerkloosheid en voor re-integratie op de arbeidsmarkt van bepaalde groepen werklozen, zoals 55-plussers, mensen met een beperking, laagopgeleide vrouwen en ex-gedetineerden. 6,4 miljard euro is beschikbaar gesteld voor het Jongerenwerkgelegenheidsinitiatief.

Het doel van het Europees Fonds voor Strategische Investeringen (EFSI) i is om de economische groei in de EU te stimuleren. Met het fonds wordt geïnvesteerd in infrastructuur, onderzoek, duurzaamheid en ondernemerschap. De Commissie-Juncker ziet het EFSI als een instrument om banen te creëren. In dit fonds zit 300 miljard euro, ongeveer 0,3% van de totale begroting.

Doelen

Voor de periode van 2014-2019 heeft de eurocommissaris voor Werkgelegenheid, sociale zaken en arbeidsmobiliteit i (de Belgische Marianne Thyssen i) vijf doelen opgesteld:

  • Ondersteunen van het creëren van banen en ondernemerschap. Het Europees Fonds voor strategische investeringen i (EFSI) ziet zij als een belangrijk instrument om deze ontwikkeling te bewerkstelligen
  • De strijd tegen zwartwerk en segmentatie van de arbeidsmarkt
  • Belastingsinkomsten minder afhankelijk maken van inkomstenbelasting
  • Investeren in vaardigheden van jonge mensen en langdurig werklozen aan een baan helpen
  • Moderniseren van de sociale zekerheid, inclusief pensioensystemen

Europese pijler van sociale rechten

Commissievoorzitter Juncker gaf eind 2015 aan dat de Europese Unie een sociale pijler i moet ontwikkelen. In die pijler moeten sociale rechten een plek krijgen naast de bestaande samenwerking op economisch vlak. De Commissie richt zich op drie thema's:

  • 1) 
    gelijke kansen voor iedereen op de arbeidsmarkt, ondersteund door levenslang leren.
  • 2) 
    goede, betrouwbare arbeidsvoorwaarden waar een goede balans is tussen zekerheid en flexibiliteit
  • 3) 
    het waarborgen van goede sociale voorzieningen als kinderopvang en zorg

Sociale zekerheid

De burgers van de Europese Unie hebben het recht om in de gehele Unie te werken. De EU streeft ernaar om deze mobiliteit zo veel mogelijk te waarborgen. Bij werken in het buitenland behoudt het hele gezin bijvoorbeeld het recht op de meeste sociale uitkeringen. En om oneerlijke concurrentie te voorkomen let Nederland erop dat buitenlandse werknemers die hier komen werken, dat wel onder dezelfde voorwaarden doen als Nederlandse werknemers, en niet bijvoorbeeld tegen een lager loon.

Op het gebied van sociale zekerheid heeft iedere lidstaat eigen wetgeving opgebouwd. De Europese Unie heeft op dit terrein in principe geen bevoegdheden. Tussen de lidstaten is wel consensus over een minimumgrens van sociale zekerheid. De stelsels zullen moeten worden gemoderniseerd op het gebied van armoedebestrijding, pensioenen, gezondheidszorg en mogelijkheden om aan de arbeidsmarkt deel te nemen. Begin 2019 is het Commissievoorstel voor het Pan-Europees Persoonlijk Pensioenproduct (PEPP) door de lidstaten en het Europees Parlement aangenomen. Hiermee kunnen Europese burgers vrijwillig sparen voor een aanvullend pensioen via een individueel, Europees pensioenpotje.

Europa 2020-strategie

In de Europa 2020-strategie i wordt onder andere aandacht geschonken aan uitdagingen op demografisch gebied (zoals vergrijzing), klimaatverandering, energievoorziening en de gevolgen van globalisering.

In Europa 2020 zijn 5 kerndoelen afgesproken, waaronder:

  • 75 procent werkgelegenheid in de leeftijdscategorie 20 tot 65 jaar
  • 20 miljoen minder mensen die in armoede leven
  • minstens 40 procent van 30- tot 34-jarigen moet hoger onderwijs hebben genoten

De 2020-strategie wil door middel van deze kerndoelen de economische crisis overwinnen. De strategie streeft ernaar om op vijf gebieden te moderniseren. Deze gebieden zijn:

  • werkgelegenheid
  • onderwijs
  • onderzoek en innovatie
  • sociale inclusie (het tegengaan van uitsluiting) en armoedebestrijding
  • klimaat en energie

Het beleidsinstrument dat hiervoor een kader biedt is het Europees semester i. Omdat de verschillende EU-lidstaten het beleid rondom werkgelegenheid, economie en sociale zaken zelf het beste kunnen uitvoeren, biedt de EU vooral een ondersteunende rol. Dit gaat door middel van de 'open coördinatiemethode i' die de lidstaten ondersteunt in de samenwerking.

2.

Mijlpalen

2019: De Raad Werkgelegenheid, Sociaal Beleid, Gezondheid en Consumentenzaken

In juni 2019 heeft de Raad nieuwe wetgeving aangenomen om de arbeidsvoorwaarden in de EU transparanter en duidelijker te maken. Zo zijn er nieuwe minimale arbeidsrechten opgesteld en moet de informatievoorziening aan werknemers over hun arbeidsvoorwaarden transparanter worden.

Vanaf 2010: Europa 2020-strategie

De Europa 2020-strategie borduurt voort op de Lissabonstrategie die in 2000 in Lissabon werd opgesteld. De Europese economie moet zich volgens Europa 2020 ontwikkelen tot een zeer concurrentiekrachtige, sociale en groene markteconomie. De strategie moet Europa niet alleen uit de crisis helpen, maar ze moet ook meer ambitieuze en structurele hervormingen in gang zetten. Aan deze strategie zijn echter ook geen sancties verbonden voor landen die zich niet voldoende inzetten. Het Europees Parlement i vindt dat een tekortkoming.

Tot 2010: Lissabonstrategie

In 2000 werd een begin gemaakt met de Lissabonstrategie, die tot doel had om van Europa in 2010 'de meest competitieve en dynamische kenniseconomie van de wereld' te maken. Met deze strategie zou Europa in staat worden gesteld tot duurzame economische groei en het creëren van meer banen en zo een hechtere sociale samenhang.

De doelen van de Lissabonstrategie werden niet gehaald. De economische crisis werd als reden aangevoerd, maar critici van de Lissabonstrategie menen dat de afspraken tussen EU-lidstaten i niet krachtig genoeg waren. Zo werden er geen maatregelen genomen als bleek dat een lidstaat te weinig deed om de doelstellingen te halen.

Geschiedenis van het beleid

Gedurende het intensiveren van de Europese samenwerking is de EU steeds meer geslaagd in het creëren van een gemeenschappelijke aanpak van werkloosheid, die het nationale beleid van elke lidstaat moet aanvullen. Elk land heeft een eigen stelsel van sociale uitkeringen en de EU respecteert deze verschillen. Wel is er bijvoorbeeld overeengekomen dat iedere EU-burger recht heeft op een basisuitkering bij werkloosheid.

Tot het Verdrag van Maastricht i (1992) betrof het Europese werkgelegenheidsbeleid vooral maatregelen die gingen over arbeidsmobiliteit en daarvoor, ten tijde van de Gemeenschap van Kolen en Staal i (EGKS), was het beleid beperkt tot arbeiders uit die sectoren. Er werden wel richtlijnen i aangenomen, zoals voor gelijke kansen voor man en vrouw en over veiligheid op de werkvloer, maar veel andere initiatieven werden tegengehouden door het feit dat de lidstaten er unaniem mee moesten instemmen. Met het ondertekenen van het Verdrag van Maastricht werd werkgelegenheid officieel een prioriteit voor de Europese Unie. Sindsdien is veel gedaan om werkloosheid op Europees niveau aan te pakken.

3.

Wie doet wat

Bij de besluitvorming op dit beleidsterrein spelen de Europese Commissie i, de Raad i, het Europees Parlement i, het Economisch en Sociaal Comité i en het Comité van de Regio's i een rol. Bij het vormen van nieuw beleid betrekt de Europese Commissie adviezen bij het Economisch en Sociaal Comité, een adviesorgaan waar bijvoorbeeld Nederlandse werkgevers- en werknemersorganisaties in zijn vertegenwoordigd, en het Comité van de Regio's. Voor het vaststellen van regelgeving op dit terrein geldt in de meeste gevallen de gewone wetgevingsprocedure i na raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's.

 

Europees orgaan

Verantwoordelijke

Europese Commissie

Eurocommissaris voor Werkgelegenheid, sociale zaken, vaardigheden en arbeidsmobiliteit i

Eurocommissaris voor Euro & sociale dialoog i

Eurocommissaris voor Banen, groei, investeringen en concurrentievermogen i

Eurocommissaris voor Justitie, consumentenrechten en gendergelijkheid i

Parlementaire Commissie EP

parlementaire commissie Werkgelegenheid en Sociale Zaken i

Nederlands lid Commissie EP

Lid/leden


Plaatsvervanger(s)

Raad van de Europese Unie

Raad Werkgelegenheid, Sociaal Beleid, Volksgezondheid en Consumentenzaken i

Nederlandse afvaardiging Raad van de Europese Unie

Wouter Koolmees i (D66), minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

Ingrid van Engelshoven i (D66), minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

Invloed nationale parlementen

Nationale parlementen van de lidstaten kunnen binnen acht weken nadat de Europese Commissie een voorstel heeft bekendgemaakt, laten weten dat de Europese Unie zich niet met het onderwerp zou moeten bezighouden i.

Vanuit het Nederlandse parlement zijn bij dit beleidsterrein betrokken:

 

Nederlands orgaan

Verantwoordelijk

Tweede Kamer

Vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) - Tweede Kamer i

Eerste Kamer

Eerste Kamercommissie voor Sociale Zaken en werkgelegenheid (SZW) i

Betrokken bij wetgeving en uitvoering

 

Betrokken instantie EU

Verantwoordelijke

Directoraat-Generaal

Directoraat-generaal Werkgelegenheid, sociale zaken en gelijke kansen i

Agentschap

Europese Stichting tot Verbetering van de Levens- en Arbeidsomstandigheden i

Agentschap

Europees Agentschap voor de Veiligheid en de Gezondheid op het Werk i

4.

Juridisch kader

Werkgelegenheids- en sociaal beleid vinden hun basis in het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VwEU) i:

  • werkgelegenheidsbeleid: derde deel VwEU titel IX (artikelen 145 t/m 150)
  • sociaal beleid & rol sociale partners: derde deel VwEU titel X (artikelen 151 t/m 161)
  • Europees Sociaal Fonds: derde deel VwEU titel XI (artikelen 162 t/m 164)

5.

Meer informatie

Meer info

Algemeen overzicht EU

Factsheet Europees Parlement

Wetgevingsoverzicht

Statistieken Eurostat