Eurobeleid

Met dank overgenomen van Europa Nu.
muntgeld

De doelstellingen van het Eurobeleid zijn het bevorderen van de economische integratie in de EU en het waarborgen van financiële stabiliteit. De euro is sinds 2022 een wettig betaalmiddel in 18 EU-lidstaten i, oftewel de eurozone i. De andere lidstaten zijn verplicht om de euro op termijn in te voeren als zij voldoen aan bepaalde voorwaarden. Voor Denemarken geldt een uitzonderingsclausule; dat land en zij hebben die verplichting niet. De landen die de euro het meest recent hebben ingevoerd, zijn de Baltische staten (Estland, Letland en Litouwen).

De eurolanden i, hebben hun monetaire beleid overgedragen aan één Europese financiële instelling: de Europese Centrale Bank i (ECB). De ECB heeft als taak het gezamenlijke monetaire beleid van de eurozone te bepalen met vier belangrijke taken: het uitgeven van munten en biljetten, het samenwerken op internationaal en Europees niveau, het stabiliseren van het financiële stelsel, toezicht houden op de banksector en het bewaken van de prijsstabiliteit van de euro, dit betekent beheersing van de inflatie. De ECB werkt onafhankelijk van de politiek.

In januari 2015 besloot de ECB voor maximaal 1140 miljard euro aan staatsleningen te gaan opkopen om de economie te stimuleren en de inflatie aan te jagen. Dit programma liep formeel tot januari 2019, maar de ECB kocht nog wel staatsobligaties op met het geld dat binnenkwam door afgeloste leningen. Begin maart 2020 verruimde de ECB haar opkoopprogramma voor obligaties om de impact van de financiële crisis door het coronavirus te verzachten. Daarnaast kondigde de ECB op 18 maart 2020 ook een extra opkoopprogramma aan van 750 miljard euro. Tijdens de coronacrisis zijn de begrotingsregels voor eurolanden versoepeld tot minstens eind 2022.

1.

Mijlpalen

Oprichting van de euro

Al vanaf de jaren '70 van de vorige eeuw wordt eraan gewerkt om de Europese economieën en munteenheden op één lijn te krijgen. In 1989 presenteerde men een driestappenplan om te komen tot een Economische en Monetaire Unie i (EMU).

Dit plan werd in 1992 vastgelegd in het Verdrag van Maastricht i. In eerste instantie werden de wisselkoersen van de verschillende Europese munteenheden aan elkaar gekoppeld. Dat gebeurde op 31 december 1998. Niet alle landen waren in dit stadium bereid of in staat om aan de EMU deel te nemen: het Verenigd Koninkrijk (toen nog EU-lid) en Denemarken haakten al snel af, terwijl Griekenland en Zweden in eerste instantie niet konden voldoen aan de convergentiecriteria: de inflatie mag niet meer dan anderhalf procentpunt hoger zijn dan die van de drie lidstaten die in het voorgaande jaar de laagste inflatie hadden, de staatschuld mag maximaal 60% van het BBP bedragen en het begrotingstekort maximaal 3%, de langetermijnrente mag niet niet meer dan twee procentpunten hoger zijn dan van de drie lidstaten met de laagste inflatie in het voorgaande jaar en de wisselkoers moet twee jaar lang binnen van tevoren vastgestelde marges blijven.

De invoering van de euro gebeurde in twee stappen. Stap één was dat vanaf 1999 de euro als rekeneenheid werd ingevoerd waarmee de onderlinge wisselkoersen van deelnemende landen in euro's werd weergegeven. De verschillende nationale valuta waren zo aan elkaar gekoppeld dat ze feitelijk nog slechts een verschijningsvorm van de euro waren.

In 2002 werden euromunten en -biljetten daadwerkelijk ingevoerd. Twaalf van de op dat moment vijftien Europese lidstaten ruilden toen hun eigen valuta in. In de daarop volgende jaren werd de Europese Unie in twee etappes flink uitgebreid en traden in totaal dertien nieuwe lidstaten toe tot de Unie. In de afzonderlijke toetredingsverdragen werd opgenomen dat ook de nieuwe lidstaten op termijn de euro als betaalmiddel zouden invoeren.

Overzicht van landen die de euro hebben ingevoerd

Land

Datum van

invoering euro

Oude munteenheid

België

1 januari 2002

Belgische frank

Duitsland

1 januari 2002

Duitse mark

Finland

1 januari 2002

Finse markka

Frankrijk

1 januari 2002

Franse franc

Ierland

1 januari 2002

Ierse pond

Italië

1 januari 2002

Italiaanse lire

Luxemburg

1 januari 2002

Luxemburgse frank

Nederland

1 januari 2002

Nederlandse gulden

Oostenrijk

1 januari 2002

Oostenrijkse schilling

Portugal

1 januari 2002

Portugese escudo

Spanje

1 januari 2002

Spaanse peseta

Griekenland

1 januari 2002

Griekse drachme

Slovenië

1 januari 2007

Sloveense tolar

Cyprus

1 januari 2008

Cypriotische pond

Malta

1 januari 2008

Maltese lire

Slowakije

1 januari 2009

Slowaakse kroon

Estland

1 januari 2011

Estische kroon

Andorra

1 juli 2013

Franse frank/peseta

Letland

1 januari 2014

Letse lats

Litouwen

1 januari 2015

Litouwse Las

Europees monetair noodfonds

Tijdens de Eurotop i van december 2010 werd besloten om een permanent noodfonds voor de euro in te stellen, het zogenaamde European Stability Mechanism i. Dit permanente noodfonds moet voorkomen dat landen met financiële problemen de euro verzwakken. De hulp kan alleen worden toegepast als dat onontbeerlijk is voor de stabiliteit van de hele eurozone. Alle vereiste hulp wordt aan strikte voorwaarden verbonden. Het noodfonds is in 2013 van kracht geworden.

Tijdens de coronacrisis vroegen negen landen die het zwaar te verduren hadden, waaronder Italië, Spanje en Frankrijk, het gebruik van het ESM aan. Hierover bereikten de ministers van economische zaken op 9 april 2020 een akkoord. Het steunpakket dat werd aangenomen bevat een bedrag van ongeveer € 500 miljard. Hiervan komt zeker € 200 miljard uit het ESM.

Het huidige Verdrag van Lissabon i bepaalt dat EU-landen elkaar niet financieel mogen helpen. Daarom was voor een permanent noodfonds een wijziging van het Verdrag noodzakelijk.

Lees meer

2.

Wie doet wat

Bij besluitvorming op dit beleidsterrein spelen de Europese Commissie i, de Raad i, de Europese Raad i, het Europees Parlement i en de Europese Centrale Bank i (ECB) een rol.

Voor het terrein van toezicht op financiële instellingen geldt dat de Raad besluit met eenparigheid van stemmen i, na raadpleging i van het Europees Parlement en de Europese Centrale Bank.

Voor invoering van de euro geldt een andere procedure. Indien een niet-euroland voldoet aan de eisen om de euro in te kunnen voeren, besluit de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen i over invoering van de euro in de betrokken lidstaat. Alleen eurolanden mogen in de Raad stemmen. Het Europees Parlement en de Europese Raad moeten zijn geraadpleegd. Hoe de euro in de betrokken lidstaat wordt ingevoerd, en de koers waartegen de munt ingeruild wordt voor de euro, wordt door de Raad met eenparigheid van stemmen besloten. De Europese Centrale Bank moet zijn geraadpleegd.

 

Europees orgaan

Verantwoordelijke

Europese Commissie

Eurocommissaris voor Economie i

Europese Centrale Bank

Christine Lagarde i

Parlementaire Commissie EP

Commissie Economische en Monetaire zaken i

Nederland lid Commissie EP

Lid/leden


Plaatsvervanger(s)

Raad van de Europese Unie

Raad Economische en Financiële Zaken (Ecofin)

Nederlandse afvaardiging Raad van de Europese Unie

Wopke Hoekstra i, minister van Financiën

Aparte samenstelling Raad Eurozone

Eurogroep i

Nederlandse deelnemer(s) Eurogroep

Wopke Hoekstra i, minister van Financiën

Invloed nationale parlementen op eurobeleid

Het Nederlandse parlement heeft ook een rol in de totstandkoming van Europees beleid. Dat kan formeel op twee manieren. Ten eerste controleert de Staten-Generaal de minister of staatssecretaris die naar de Raad van de Europese Unie gaat om over het onderwerp te praten. Daarnaast kunnen nationale parlementen van de lidstaten binnen acht weken nadat de Europese Commissie een voorstel heeft bekendgemaakt, laten weten dat de Europese Unie zich niet met het onderwerp zou moeten bezighouden i.

Vanuit het Nederlandse parlement zijn bij dit beleidsterrein betrokken:

 

Nederlands orgaan

Verantwoordelijke

Tweede Kamer

Vaste commissie voor Financiën (Fin.) - Tweede Kamer i

Eerste Kamer

Eerste Kamercommissie voor Financiën (Fin.) i

Betrokken bij wetgeving en uitvoering

 

Betrokken instantie

Verantwoordelijke

Directoraat-Generaal

DG voor Economische en Financiële zaken i

3.

Juridisch kader

Het monetair beleid vindt zijn basis in het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) i en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VwEU) i:

  • beginselen: VEU titel I art. 13 lid 1 en art. 21 lid 3, derde deel VwEU titel VIII hoofdstuk 4 (artikelen 136 t/m 138)
  • uitgifte euro's: derde deel VwEU titel VIII hoofdstuk 2 art. 128 i
  • invoeren euro en positie niet eurolanden: derde deel VwEU titel VIII hoofdstuk 5 art. 139 i, 140 i
  • institutionele inkadering: derde deel VwEU titel VIII hoofdstuk 2 art. 133 i, en zie de ECB

4.

Meer informatie

Europese Unie

Algemeen overzicht EU

Factsheets Europees Parlement

Wetgevingsoverzicht

Statistieken

  • 1) 
    Eurostat
  • 2) 
    ECB